3666_Bijlage 2_Rapportage rolneming Leidschendam-Voorburg
Tekst van het document
Pagina 22 van 45
Figuur 8: integraal warmtebedrijf met uitvoering uitbesteed
5.5. Rolnemingsmodel E: Energie-coöperatie (met gemeentelijke kennis/equitypartner) en private contractering E. Energie coöperatie (figuur 9): De gemeente is onderdeel van een warmtegemeenschap en zoekt naar uitvoeringspartners voor de ontwikkeling en exploitatie van de warmtevoorziening. Als mede-eigenaar heeft de gemeente dezelfde rechten en plichten zoals omschreven in model C. Het grootste risicoverschil met model C ligt in de financiële slagkracht van de warmtegemeenschap bij tegenslagen. Burgers die meedoen, kunnen meestal grote financiële tegenvallers niet zelf dragen. De gemeente is daardoor genoodzaakt hierin bij te springen. De vereiste kennis en deskundigheid wordt geleverd door de private partij die via een DBMO of White Label-contract is gecontracteerd. De gemeente kan deze route overwegen indien de warmtegemeenschap niet beschikt over de volledige kennis en expertise. In deze model besteedt de warmtegemeenschap het DBMO of White Label-contract aan. Bij een DBMO of White Label constructie worden de partners voor hun diensten betaald. Het financiële risico van het warmtebedrijf ligt net als andere modellen met een contractering volledig bij de eigenaren van het warmtebedrijf. Bij deze model is de gemeente samen met Common Energy eigenaar. Rolnemingsmodel E.1: Een warmtegemeenschap in eigendom van de coöperatie, mogelijk samen met de gemeente, dat d.m.v.
een DBMOcontract het netwerkbeheer en de levering (op basis van heldere afspraken) gunt aan een ESCO.
Rolnemingsmodel E.2: Een warmtegemeenschap in eigendom van de coöperatie, mogelijk samen met de gemeente, dat d.m.v. een White Labelcontract het netwerkbeheer en de levering (op basis van heldere afspraken) gunt aan een ESCO.
Pagina 23 van 45
Figuur 9: warmtegemeenschap in eigendom van de coöperatie
5.6. Rolnemingsmodel F: Warmte joint-venture vanuit contractsamenwerking F. Warmte Join-Venture (figuur 10): dit model omvat een contractuele overeenkomst tussen het netwerkbedrijf en de leverancier, zonder de vorming van een aparte entiteit. De gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de economische activiteiten van de complete warmteketen worden vastgelegd in een overeenkomst. Het netwerkbedrijf heeft minimaal 50% zeggenschap in deze warmte joint venture, maar er is geen aandeelhouders relatie tussen het netwerkbedrijf en de leverancier. De gemeente neemt deel, door eigen vermogen in te brengen in de project BV van het netwerkbedrijf, waardoor ze een minderheidsaandeel kan verwerven, variërend van 5% tot 49%. Indien de gemeente samen met andere partners investeert in het netwerkdeel, dient er publieke meerderheid te zijn. De afbakening tussen 5% en 49% vindt zijn grondslag in het feit dat een aandeel vanaf 5% als aanmerkelijk belang wordt gezien en tot en met 49% niet mee geconsolideerd hoeft te worden in de jaarrekening. Dat laatste beschermt de gemeente tegen teveel exposure in relatie tot de prestaties van de netwerk project BV. In ruil voor de inbreng van equity kan de gemeente zeggenschap verkrijgen op voor haar belangrijke onderwerpen.
De gemeente kan deze optie overwegen als ze alleen financiële steun wil bieden aan het project in ruil voor zeggenschap, zonder direct betrokken bij de ontwikkeling en exploitatie van het warmtesysteem. Rolnemingsmodel F: Een contractuele joint venture zonder afzonderlijke entiteit wordt opgezet tussen het netwerkbedrijf leverancier. Het netwerkbedrijf heeft minimaal 50% zeggenschap binnen deze joint venture. Gemeente brengt eigen vermogen in het netwerkbedrijf tegen minderheidsaandeelhouderschap.
Figuur 10: Joint Venture
5.7. Rolnemingsmodellen met namen partners Op basis van de kaders vanuit de nieuwe warmtewet en de input van de mogelijke samenwerkingspartners schetsten wij welke partners deel kunnen nemen aan de verschillende rolnemingsmodellen: A. HVC richt een eigen project BV op als enig eigenaar (de belangen van de gemeente zijn indirect vertegenwoordigd middels het aandeelhouderschap in HVC tezamen met 51 andere gemeenten en 8 waterschappen. De gemeente hoeft geen investering te doen en hoeft geen kennis en kunde ter beschikking te stellen. Pagina 24 van 45
B.
De gemeente wordt 100% eigenaar van een warmtebedrijf en besteed de uitvoering middels contractering uit. C. De gemeente richt samen met Dunea Warmte & Koude een warmtebedrijf op. De gemeente zou een minderheidsbelang kunnen nemen van 30% met een aanvangsinvestering van € 2 mln. Dunea voert alle taken uit: bron, infrastructuur en levering. Om risico’s rondom bron en levering af te bakenen, zouden deze taken van Dunea Warmte & Koude middels een contract met het warmtebedrijf georganiseerd kunnen worden. D. De gemeente richt samen met Netverder een warmtebedrijf op. De gemeente zou een minderheidsbelang kunnen nemen van 30% met een aanvangsinvestering van € 2 mln. Netverder is in dit construct expert op de infrastructuur en ontwikkelt het net. Om risico’s rondom bron en levering af te bakenen, zou er een contractuele samenwerking met een partij zoals Dunea Warmte & Koude georganiseerd kunnen worden. E. De bewonerscoöperatie Energy Common vormt (eventueel met de gemeente) een warmtegemeenschap. F. Netverder en Dunea Warmte & Koude richten met elkaar een warmte Joint Venture op. Dit betekent dat zij middels contractafspraken met elkaar samen werken, maar 2 losse entiteiten blijven. De gemeente kan (eventueel met andere partners) investeren in de infra project BV van Netverder. De gemeentelijke investering ligt binnen de range 5%-49%.
Pagina 25 van 45
6. Investeringsbegroting en risicoanalyse per rolnemingsmodel Voor een goede afweging wenst de gemeente inzicht in de investeringsbegroting en het financiële risico per rolnemingsmodel. In hoofdstuk 5 schetsten wij mogelijke rolnemingsmodellen onder het model ‘Publiek Samen’. In dit hoofdstuk 6 beschrijven wij het benodigd eigen vermogen (EV) per rolnemingsmodel, en geven we inzicht in de timing van de investeringsbegroting. Tevens beschrijven we de kwalitatieve financiële risico’s bij deelname aan een warmtebedrijf. Bijlage 1 beschrijft de resultaten van de businesscase voor de Heuvel-/Amstelwijk, geactualiseerd naar huidig prijspeil (2024).
6.1. Benodigd eigen vermogen (EV) per rolnemingsmodel Per rolnemingsmodel presenteren wij hieronder de financiële implicaties voor de gemeente, afhankelijk van haar aandeel in het rolnemingsmodel. Onderstaande tabel gaat uit van de PAW-wijk inclusief voorfinanciering van de ringleiding. De totale investering (CAPEX) is € 10,3 miljoen. Indien de gemeente hier haar PAW gelden van € 3,6 miljoen voor inzet blijft er een investering over van € 6,7 miljoen. Op basis van deze resterende investering dient het beoogde warmtebedrijf haar financiering te organiseren. Afhankelijk van het rolnemingsmodel en het aandeel van de gemeente in het rolnemingsmodel resulteert dat in onderstaand benodigd eigen vermogen (EV) vanuit de gemeente. Onderstaande tabel (tabel 2) presenteert het benodigd eigen vermogen (EV) per rolnemingsmodel, zowel 10% als 30%. Een algemene verhouding voor eigen en vreemd vermogen is 30%-70%, echter indien het warmtebedrijf gebruikt maakt van borgstelling door een waarborgfonds, volstaat 10% eigen vermogen en kan dus 90% met vreemd vermogen gefinancierd worden. Voor de rolnemingsmodellen C, D, E en F berekenden wij een aantal van de gemeente van 30%, 40% en 50%. In ieder van deze rolnemingsmodellen kan de gemeente zelf bepalen welk aandeel zij pakt in het warmtebedrijf. De tabel presenteert zowel de initiële investering als de herinvestering.
De bijlage presenteert het kasstroomoverzicht van de businesscase. Daaruit is te zien dat het warmtebedrijf een deel van de herinvestering uit de kasstromen van het project kan financieren. Rolnemingsmodel
B
A
C, D, E, F
Initiële investering Investering
€ 6,7 miljoen
Aandeel gemeente in PIW
Indirect in HVC
100%
50%
40%
30%
Investering gemeente (na inzet PAW) Benodigd eigen vermogen gemeente (30% EV) Benodigd eigen vermogen gemeente (10% EV) Herinvestering Herinvesteringsmoment
€0
€ 6,7 miljoen
€ 3,35 miljoen
€ 2,68 miljoen
€ 2,01 miljoen
€0
€ 2,01 miljoen
€ 1,01 miljoen
€ 0,80 miljoen
€ 0,60 miljoen
€0
€ 0,67 miljoen
€ 0,34 miljoen
€ 0,27 miljoen
€ 0,20 miljoen
Jaar 15 -20
Jaar 15 -20
Jaar 15 -20
Jaar 15 -20
Jaar 15 -20
€ 1,84 miljoen
€ 1,38 miljoen
Herinvestering Herinvestering gemeente
€ 4,6 miljoen €0
€ 4,6 miljoen
€ 2,3 miljoen
Pagina 26 van 45
Benodigd eigen vermogen € 0 € 1,38 miljoen gemeente (30% EV) Benodigd eigen vermogen € 0 € 0,46 miljoen gemeente (10% EV) tabel 2: benodigd eigen vermogen per rolnemingsmodel
€ 0,69 miljoen
€ 0,55 miljoen
€ 0,41 miljoen
€ 0,23 miljoen
€ 0,18 miljoen
€ 0,14 miljoen
Verhouding eigen en vreemd vermogen afhankelijk van garanties en waarborgfonds Vreemd vermogen is onder de juiste condities voldoende in de markt beschikbaar. Op dit moment is gebruikelijk 70% van de investeringen in nieuwe warmtenetten te financieren met vreemd vermogen. Het risicoprofiel van investeringen in nieuwe warmtenetten maakt dit percentage relatief laag ten opzichte van bijvoorbeeld duurzame energiebronnen zoals zon en wind of andere typen infrastructuur. Het Ministerie van EZK onderzoekt momenteel de mogelijkheden voor een Waarborgfonds in de warmtesector. Een dergelijk fonds met garantstellingen voor financiers maakt het naar verwachting mogelijk om 90% van de kapitaalinvesteringen met vreemd vermogen te financieren. Toekomstig mogelijk eigen vermogen inbrengen via staatsdeelneming EBN Er is publiek eigen vermogen in te brengen om de warmtetransitie te versnellen, aanvullend op diverse subsidie instrumenten en een op te richten Waarborgfonds. Het versnellen van de warmtetransitie vraagt grootschalige investeringen in nieuw aan te leggen collectieve warmtenetten – voor een groot deel in de bestaande gebouwde omgeving. De keuze voor een meer publieke marktordening heeft als consequentie dat publieke partijen de inbreng van dit kapitaal (mede) te organiseren hebben. EBN zou als staatsdeelneming mede kunnen investeren in het PIW.
EBN lijkt echter het standpunt in te nemen om tot op regionaal niveau te investeren. Dit zou betekenen dat EBN een deel van het eigen vermogen via een Regionale Holding zou kunnen leveren. Inzet PAW subsidie De gemeente heeft € 3,6 miljoen PAW subsidie beschikbaar voor de Amstel/Heuvelwijk. De gemeente overweegt hiermee de ringleiding voor te financieren met (een deel van) de PAW subsidie. De gemeente heeft twee opties voor het inzetten van de PAW subsidie: 1. PAW inzetten in originele scope zonder ringleiding. Dit resulteert in de laagste onrendabele top binnen de PAW scope van de Amstel/Heuvelwijk. 2. PAW inzetten voor financiering van de ringleiding, restant gebruiken voor originele scope. Deze keuze heeft twee implicaties: o De onrendabele top van de originele scope stijgt in dit scenario met de meerinvestering in de ringleiding. o De onrendabele top van de uitbreiding naar de rest van de wijk daalt met de meerinvestering in de ringleiding. Het investeren in een ringleiding met de PAW subsidie heeft als voordeel dat de gemeente een deel van de subsidie kan inzetten om de onrendabele top van de uitbreiding te verlagen. Echter bestaat er het risico dat er geen woningen aansluiten op de ringleiding en dit een desinvestering blijkt. Wij adviseren de gemeente een onderbouwde inschatting te maken van het aantal woningen dat gebruik kan en wil maken van de ringleiding.
Wanneer er voldoende afzet mogelijk is dient de gemeente een keuze te maken in hoe zij de PAW gelden inzet en hierover communiceert richting de bewoners in de wijk.
Pagina 27 van 45
Voor- en nadelen van een aandeel in het warmtebedrijf van 30%, 40% of 50% Het uiteindelijke aandelen-percentage waar de gemeente voor kiest, moet passend zijn bij de gemeentelijke uitgangspunten. Over het algemeen is het percentage aandeelhouderschap richtinggevend voor de mate van inspraak in het warmtebedrijf. Deze inspraak gaat over allerlei aspecten van het reilen en zeilen van het warmtebedrijf. Alle formele besluiten in het warmtebedrijf moeten met toestemming van de aandeelhouders worden genomen. In de statuten is bepaald met welke soort meerderheid het besluit moet worden genomen. In algemene zin kan gesteld worden dat een percentage van 30% de gemeente een sterke rol geeft met aanzienlijke invloed, echter niet buiten proportie zwaar. Een groter aandeel (40% of 50%) wordt als stevig beschouwd met sterkere verantwoordelijkheden op het gebied van regie, koers en besluitvorming. Wij adviseren om te vertrekken vanuit het equity standpunt: hoeveel eigen vermogen wenst de gemeente te investeren in het warmtebedrijf? Dit financiële vertrekpunt is bepalend voor de governance. Op belangrijke punten, zoals het benoemen van bestuurders, kunnen in de statuten afspraken vastgelegd worden over zeggenschap. Deze zeggenschap kan afwijken van het aandelen-percentage. Het kan hier bijvoorbeeld gaan over een verplichte meerderheid van stemmen of vetorechten.
6.2. Timing van benodigde investeringen Onderstaande grafiek (grafiek 1) presenteert de timing van de investeringen in de tijd. Daarbij presenteren wij de benodigde investeringen voor de PAW inclusief voorfinanciering van de ringleiding. De PAW gelden hebben wij afgetrokken van de totale investering.
Investeringen en opbrengsten BAK per jaar €1.000.000 €500.000 €1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 €(500.000) €(1.000.000) €(1.500.000) €(2.000.000)
€(2.500.000) €(3.000.000) Totaal Capex infra en bron
Totaal Capex kleinverbruik
Totaal Capex utiliteit
Totaal BAK
grafiek 1: investeringen en opbrengsten
Pagina 28 van 45
6.3. Overige financiële risico’s deelname in warmtebedrijf Als warmtebedrijf ben je verantwoordelijk voor de ontwikkeling, realisatie en exploitatie van het warmtenet. Deel van deze onderdelen kun je onderbrengen bij uitvoerende partijen om op die manier risico’s te verleggen. Dit hoofdstuk beschrijft de risico’s per fase. Ontwikkeling • Kosten voor opzet organisatie warmtebedrijf: voor het opzetten van het warmtebedrijf is budget nodig. Dit benodigd budget vertaalt zich in benodigd personeel om invulling te geven aan de opstart en organisatorische inrichting van het warmtebedrijf. Afhankelijk van de keuze in rolnemingsmodel dient personeel opgeleid te worden op taken van het warmtebedrijf op zich te nemen. Dit wordt DEVEX (‘development expenditures’) genoemd en zijn ontwikkelgelden; • Ontwikkelkosten warmtenet: de gemiddelde ontwikkeling van een warmtenet duurt 5 jaar om te komen van een eerste verkenning tot en met een definitief investeringsbesluit, ofwel FID. Tijdens dit proces is er intensief afstemming nodig tussen het warmtebedrijf, woningcorporatie, bewoners en uitvoerende partijen. Daarnaast dient er in deze fase kosten gemaakt te worden voor de inhuur van advies- en ingenieursbureaus voor onderzoeken, eerste ontwerpen, businesscases, juridische adviezen etc.
Ook dit zijn DEVEX gelden en deze maken onderdeel uit van de investeringsramingen voor de collectieve warmtenetten, maar het is ten tijde van de ontwikkeling onzeker of het warmtenet wel doorgang gaat vinden. Er bestaat dus een risico op default, waarmee deze kosten altijd uit eigen vermogen betaald moeten worden. De omvang bedraagt tussen de 2 en 5% van de CAPEX (kapitaalinvesteringen of ‘capital expenditures’). Indien de gemeente deelneemt in het warmtebedrijf dient zij rekening te houden met deze ontwikkelkosten.
Realisatie • Volloop: het warmtebedrijf dient vroegtijdig rekening te houden met het aantal aansluitingen in de wijk op het warmtenet. Hiervoor wordt een infrastructuur aangelegd die warmte transporteert van bron tot en met de woning. Dit vraagt om forse investeringen die worden terugverdiend na aansluiting van de woningen in de wijk. Dit heet volloop. Omdat niet iedereen verplicht is om aan te sluiten, is het risico groot dat niet alle woningen mee gaan doen. Dit heet het vollooprisico. In de praktijk zien wij dat bij realisatie pas definitief te zeggen is wat het volloop (aansluitpercentage) is. Hierdoor ontstaat het risico dat een deel van de onrendabele top niet gedekt wordt; •
CAPEX: bij start realisatie van het warmtenet sluit het warmtebedrijf de definitieve contracten rondom de investeringen. De raming van IF technology, welke de basis vormt van de huidige businesscase, bevat een 30% onzekerheidsmarge. Het financiële risico is hier dat de benodigde investering, en daarmee het benodigd eigen vermogen hoger is bij start van de realisatie fase dan momenteel ingeschat. Voorfinanciering ringleiding: de gemeente overweegt een voorfinanciering te doen voor een ringleiding, om daarmee voor te sorteren op uitbreiding van de PAW scope. Deze benodigde voorinvestering bedraagt € 1,3 miljoen. Om deze voorinvestering terug te verdienen is het nodig dat woningen buiten de PAW scope aansluiten op het warmtenet. De gemeente gaf aan dat er nog geen afspraken zijn gemaakt met desbetreffende VVE’s.
Exploitatie • Operationele kosten (OPEX): tijdens de exploitatie van het warmtenet bestaat het OPEX risico. Onderhoudskosten van de technische onderdelen en/of inkoopkosten van elektra kunnen anders uitvallen dat inschat. Hierdoor kunnen de jaarlijkse kosten hoger uitvallen. Hogere operationele kosten zijn op te vangen in hogere verkooptarieven. Het is aan het warmtebedrijf om hierin een keuze te maken tussen hogere tarieven of een langere terugverdientijd van de investering; Pagina 29 van 45
•
Warmteafzet: een belangrijke inkomstenbron van een businesscase warmte is de verkoop van warmte op basis van het verbruik van de aansluitingen. Voor het bepalen van de bijdrage aansluitkosten rekent het warmtebedrijf met een verwachte inschatting van het verbruik per aansluiting. Het kan dat in de praktijk het verbruik per aansluiting anders is, of veranderd richting te toekomst door bijvoorbeeld isolatie. In de huidige businesscase rekenen we met een afname percentage van 0,35% per jaar. Indien de warmteafzet minder is dan van tevoren ingeschat zal de terugverdientijd van de investering toenemen.
Benodigde personele inzet gemeente van ontwikkeling t/m exploitatie Onderstaande tabel geeft op hoofdlijnen inzicht in de benodigde inzet in FTE vanuit de gemeente per rolnemingsmodel. Hierin kijken we naar de gehele ontwikkeling tot en met exploitatie van het warmtenet. Rolnemingsmodel A B C Benodigde inzet 0 1,5 tot 4 0,1 tot 2 gemeente (FTE) tabel 3: benodigde inzet gemeente in FTE per rolnemingsmodel
D 0,1 tot 2
E 1,5 tot 4
F 0,1
•
Rolnemingsmodel A: geen additionele inzet vanuit de gemeente benodigd voor de invulling van deze model. HVC ontwikkelt, realiseert en exploiteert het warmtenet zelfstandig.
•
Rolnemingsmodel B: in dit model vervult de gemeente voor 100% de rol van warmtebedrijf. Hiervoor heeft zij een integraal project management (IPM) op te zetten, bestaande uit een projectmanager, technisch manager, contract manager en omgevingsmanager. Afhankelijk van de fase van het project vraagt dit de volgende inzet vanuit de gemeente: o Ontwikkelfase: 2 FTE o Realisatiefase: 4 FTE o Exploitatiefase: 1,5 FTE
•
Rolnemingsmodel C: in dit model is de benodigde inzet vanuit de gemeente afhankelijk van de betrokken samenwerkingspartner en aandelenverdeling. Indien de betrokken samenwerkingspartner voldoende kennis en kunde aan boord heeft is het invullen van de aandeelhoudersrol vanuit de gemeente voldoende. De financiële afdeling bij de gemeente ondersteunt deze rol, wat neer komt op ongeveer 0,1 FTE. Indien de gemeente een grotere rol wil vervullen of de samenwerkingspartner bevat niet alle kennis en kunde is de benodigde inzet vanuit de gemeente hoger. Wij schatten deze in tot 2 FTE.
•
Rolnemingsmodel D: hetzelfde als bij model C.
•
Rolnemingsmodel E: in dit model is de benodigde inzet vanuit de gemeente afhankelijk van de kennis en kunde van de energiecoöperatie. Samen met de energiecoöperatie heeft de gemeente hierin ook een integraal project management (IPM) construct op te tuigen. De rollen binnen dit IPM kan zij verdelen onder zichzelf en de energiecoöperatie. Onze verwachting is dat het zwaartepunt van de taken ligt bij de gemeente.
•
Rolnemingsmodel F: in dit model vervult de gemeente haar aandeelhoudersrol. De financiële afdeling bij de gemeente ondersteunt deze rol, wat neer komt op ongeveer 0,1 FTE.
Pagina 30 van 45
7. Afwegingskader rolneming In het volgende hoofdstuk beoordelen we de diverse samenwerkingsvormen aan de hand van belangrijke criteria voor de gemeente Leidschendam-Voorburg. In dit hoofdstuk geven we deze criteria visueel weer in een afwegingskader (figuur 11). Hieronder volgt een beknopte toelichting op de criteria, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen zwaarwegende, overige criteria en benodigde investeringsramingen. Daaropvolgend geven wij een onderbouwing van de toegekende scores.
7.1. Toelichting op het afwegingskader 7.1.1.Zwaarwegende criteria (donkergroen) 1. 2. 3.
4.
Beperken financieel risico gemeente: Hoe hoger de blokjes score, hoe beperkter het financieel risico voor de gemeente. Mate van zeggenschap over investeringen door de gemeente: Hoe hoger de blokjes score, hoe meer zeggenschap de gemeente heeft over de benodigde investeringen. Mate van sturing op een goede eindoplossing voor de gebruiker: Hoe hoger de blokjes score, hoe meer sturing de gemeente op een goede eindoplossing voor de gebruiker heeft in het betreffende model. Hier speelt tevens een rol of de partners in het betreffende model vergelijkbare belangen hebben. Mate van risico op vertraging: Hoe hoger de blokjes score, hoe kleiner het risico op vertraging wordt ingeschat, oftewel, hoe positiever de score.
7.1.2.Overige criteria (lichtgroen) 1. 2. 3.
Beperken gevraagde gemeentelijke inspanning: Hoe hoger de blokjes score, hoe minder gemeentelijke inspanning wordt gevraagd binnen het model. Beschikbaarheid gevraagde kennis & kunde bij de gemeente: Hoe hoger de blokjes score, hoe minder de noodzaak voor de gemeente om kennis & kunde ter beschikking te stellen. Optimaal benutten kennis, kunde en realisatiekracht marktpartijen: Hoe hoger de blokjes score, hoe meer er wordt geprofiteerd van kennis, kunde en realisatiekracht van marktpartijen.
7.1.3.Investeringsramingen inbreng eigen vermogen De onderste twee regels van het afwegingskader tonen de geschatte investeringsvereisten voor de gemeente als (gedeeltelijk) aandeelhouder in het warmtebedrijf, voor de component eigen vermogen. De eerste regel geeft de situatie weer waarbij een Eigen Vermogen van 30% vereist is, terwijl de tweede regel aangeeft dat slechts 10% eigen vermogen nodig is. N.B. De verwachte herinvestering na 15 jaar is hier niet meegenomen.
Pagina 31 van 45
7.2. Afwegingskader: toetsen van de rolnemingsmodellen op de belangrijke beoordelingscriteria voor de gemeente LeidschendamVoorburg
figuur 11: afwegingskader
Pagina 46 van 45
a)
Beperken financieel risico gemeente: De beoordeling van de verschillende modellen is gebaseerd op het aandeel van de gemeente in de samenwerkingsmodellen. Het aandeel van de gemeente vertegenwoordigt de eigen vermogen inbreng (zie onderste twee criteria: inbreng eigen vermogen gemeente 30%/10%) en de eventuele financiële compensatie bij hogere uitvallende realisatie- of exploitatiekosten. In model A (HVC) heeft de gemeente de laagste financiële risico's, omdat HVC het project en de exploitatie voor eigen rekening en risico uitvoert. Als aandeelhouder draagt de gemeente samen met 51 andere gemeenten en 8 waterschappen echter de lasten van financiële tegenvallers van HVC. Het projectrisico wordt dus door velen gedeeld en is daardoor beperkt. Het financiële risico bij modellen C, D en F is hoger, aangezien de gemeente in deze modellen deelneemt als minderheidsaandeelhouder. Het aandeelhouderschap is het grootst bij modellen B en E, waar de gemeente bijna volledig of grotendeels verantwoordelijk is voor de eigen vermogensinbreng en de daarmee samenhangende financiële risico's;
b) Mate van zeggenschap over de investering door de gemeente: de beoordeling van de verschillende modellen is gebaseerd op het aandeel van de gemeente in de samenwerkingsmodellen. Het aandeel vertegenwoordigt hierin de mate van zeggenschap over de realisatie, c.q. investering, van het warmteproject. In model B heeft de gemeente als 100% aandeelhouder van het integrale warmtebedrijf maximale zeggenschap over de investering van het warmteproject, terwijl deze het laagst is bij volledige uitbesteding van de operatie via HVC. Voor de modellen met een minderheidsbelang (modellen C, D en F) is dit afhankelijk van de afspraken die de gemeente maakt met de betrokken samenwerkingspartners. Voor model E met een meerderheidsbelang geldt weer meer zeggenschap; c)
Mate van sturing op een goede eindoplossing voor de gebruiker: De beoordeling van de verschillende modellen is gebaseerd op het aandeel van de gemeente in de samenwerkingsmodellen. Het aandeel vertegenwoordigt hierin de mate van sturing op een goede eindoplossing voor de gebruiker. In model B heeft de gemeente als 100% aandeelhouder van het integrale warmtebedrijf maximale zeggenschap over de investering van het warmteproject. In model A (HVC) is de mate van sturing relatief beperkt omdat HVC de volledige ontwikkeling in eigen hand heeft. Niettemin heeft HVC aangegeven bereid te zijn om samen te werken met de gemeente en andere partijen om een warmtesysteem te realiseren wat financieel en energetisch wordt aangemerkt als beste eindoplossing voor de gebruiker. Voor de andere modellen met minderheidsbelang (modellen C, D en F) is dit afhankelijk van de afspraken die de gemeente maakt met de betrokken samenwerkingspartners. Voor model E met een meerderheidsbelang geldt is er meer sturing;
d) Mate van risico op vertraging: De beoordeling van de verschillende modellen is gebaseerd op het aandeel van de gemeente in de samenwerkingsmodellen, evenals de invulling van de uitvoeringscapaciteit. Beide aspecten bepalen de snelheid van ontwikkeling en realisatie van het project. Model A, waarin HVC fungeert als een integraal warmtebedrijf, is onafhankelijk van derden voor zowel aandeelhouderschap als uitvoeringscapaciteit, wat resulteert in een laag risico op vertraging. Modellen B en E dragen het hoogste risico, waarbij de gemeente volledig zelf (model B) of als meerderheidsaandeelhouder met een energie-coöperatie (model E) verantwoordelijk is voor het organiseren van de benodigde expertise op aandeelhoudersniveau. Modellen C, D en F hebben wel de benodigde kennis en kunde, maar scoren lager dan het HVC-model vanwege de betrokkenheid van meerdere partners, zowel op aandeelhoudersniveau als in de uitvoeringscapaciteit, wat de kans op vertraging vergroot in de ontwikkeling en realisatie van het project; e)
Beperken gevraagde gemeentelijke inspanning: De beoordeling van de verschillende modellen is gebaseerd op het aandeel van de gemeente in de samenwerkingsmodellen. Het aandeel Pagina 46 van 45
vertegenwoordigt hierin de mate van capaciteit die de gemeente heeft te organiseren om als aandeelhouder effectief op te treden. In modellen B en E wordt de meeste capaciteit gevraagd van het gemeentelijke orgaan. Deze benodigde ambtelijke capaciteit neemt af in modellen waarin wordt samengewerkt met publieke en/of private partijen, die zelf de vereiste capaciteit inbrengen. In model A, waarbij HVC de volledige operatie uitvoert, heeft de gemeente een zeer beperkte rol in het organiseren van capaciteit; f)
Beschikbaarheid gevraagde kennis & kunde bij de gemeente: De beoordeling van de verschillende modellen is gebaseerd op het aandeel van de gemeente in de samenwerkingsmodellen. Het aandeel vertegenwoordigt hierin de mate van kennis en kunde waarover de gemeente momenteel beschikt om als aandeelhouder effectief op te treden. In modellen B en E rust de grootste verantwoordelijkheid voor het organiseren van kennis en kunde bij de gemeente. Deze verantwoordelijkheid neemt af in modellen waarin wordt samengewerkt met publieke en/of private partijen, die zelf expertise inbrengen (modellen C en D). Model F komt hier gunstiger naar voren doordat de gemeente alleen eigen vermogen inbrengt en geen bestuurlijke rol heeft in het orgaan dat verantwoordelijk is voor de realisatie en exploitatie, zoals vastgelegd in het samenwerkingscontract. In model A, waarbij HVC de volledige operatie uitvoert, heeft de gemeente een zeer beperkte rol in het organiseren van kennis en kunde;
g)
Optimaal benutten kennis, kunde en realisatiekracht samenwerkingspartijen: De beoordeling van de verschillende modellen is gebaseerd op het optimaal aantrekken van kennis, kunde en capaciteit van samenwerkingspartijen op aandeelhoudersniveau en in de uitvoeringscapaciteit. Model B, waarin de gemeente 100% eigenaar is, scoort het minst goed op aandeelhoudersniveau omdat het geen gebruik maakt van de kennis, expertise en uitvoeringskracht van publieke of private samenwerkingspartners. Daaropvolgend is model E, waarbij de gemeente samenwerkt met een energiecoöperatie die momenteel over beperkte kennis, expertise en capaciteit beschikt. De beoordeling verbetert bij modellen waarin wordt samengewerkt met publieke en/of private partijen. Model A behaalt hier de hoogste score vanwege de volledige uitvoering door HVC als integraal warmtebedrijf en hun uitgebreide ervaring met warmteprojecten. Op de uitvoeringscapaciteit verschillen de samenwerkingsmodellen zeer beperkt.
Pagina 34 van 45
8. Conclusies & Aanbevelingen De gemeente Leidschendam-Voorburg staat aan de vooravond van nadere concretisering voor de oprichting van een warmtebedrijf. In dit onderzoek hebben wij verschillende gesprekken gevoerd met de gemeente. De gemeente heeft haar standpunten en randvoorwaarden voor deelname aan een warmtebedrijf met ons gedeeld. Deze standpunten en randvoorwaarden vormen de basis van de criteria in een afwegingskader met mogelijke rolnemingsmodellen. De structuren die afgewogen zijn, komen allen voort uit het model “Publiek Samen”. Daarnaast hebben wij gesproken met een aantal mogelijke publieke en private samenwerkingspartners, en financiers. We hebben de inzichten uit de interviews verwerkt in onze analyse en hebben de meest kansrijke samenwerkingspartners geselecteerd voor het voorkeursmodel. Conclusie & Advies: de rolnemingsmodellen van HVC (model A) en de Warmte Joint Venture tussen Netverder en Dunea (model F) worden beschouwd als de meest kansrijke rolnemingsmodellen binnen ‘Publiek Samen’ op basis van dit onderzoek. Wij adviseren om deze opties samen met de voorgestelde samenwerkingspartners verder te verkennen. Hieronder volgt een uitgebreide toelichting op beide voorkeursmodellen.
8.1. Voorkeursmodel 1: Indirect gemeentelijke uitvoeringsorganisatie via HVC Het HVC-model (model A), (figuur 12), komt naar voren als een voorkeursmodel op basis van de volgende argumenten: • Gewenste rol van HVC: HVC opereert exclusief als integraal publiek warmtebedrijf, met verantwoordelijkheid voor investeringen, netbeheer en uitvoering. Ze streven echter naar nauwe samenwerking met partners zoals gemeenten en publiek-private partijen, waarbij ze fungeren als transparant doorgeefluik op de uitvoering; •
Dit model biedt de gemeente Leidschendam-Voorburg in eerste instantie een aanzienlijk voordeel op het gebied van financieel risicobeheer. HVC, als integraal warmtebedrijf, voert het project en de exploitatie zelfstandig uit, wat resulteert in een minimalisatie van de financiële risico's voor de gemeente. Bovendien draagt het gedeelde eigenaarschap van HVC met andere gemeenten en waterschappen bij aan het beperken van eventuele tegenvallers, aangezien deze gezamenlijk worden gedragen;
•
Daarnaast draagt het HVC-model bij aan het publieke belang. Hoewel de gemeente minder directe controle heeft dan bij modellen waarin ze een 100% aandeelhouder is, wordt hiermee eenzelfde publieke belang behartigd. Dit wordt versterkt door de flexibiliteit die HVC biedt om samen te werken met de gemeente en andere belanghebbenden om een optimale warmteoplossing te realiseren, wat gunstig is voor de uiteindelijke gebruikers van het warmtesysteem;
•
Een ander belangrijk voordeel van het HVC-model is het lage risico op vertraging in de ontwikkeling en uitvoering van het project. Doordat HVC zelfstandig opereert, is er minder kans op obstakels of vertragingen die kunnen optreden bij modellen waarin de gemeente meer directe betrokkenheid heeft of samenwerkt met verschillende partners;
•
Bovendien vereist het HVC-model relatief weinig inspanning van de gemeente in termen van organisatorische capaciteit. Omdat HVC de volledige operatie uitvoert, heeft de gemeente weinig behoefte aan specifieke kennis en kunde om effectief op te treden als aandeelhouder;
•
Ten aanzien van financiering kan HVC kan bij BNG tegen relatief gunstige voorwaarden vreemd vermogen aantrekken. Ook heeft HVC in het verleden reeds succesvol financiering opgehaald bij BNG;
Pagina 35 van 45
•
Tot slot profiteert de gemeente van de uitgebreide ervaring van HVC met warmteprojecten, wat een waardevolle bijdrage levert aan het succes en de efficiëntie van het project. Op basis van deze criteria wordt het HVC-model sterk aanbevolen als voorkeursmodel voor de gemeente Leidschendam-Voorburg;
•
De PAW gelden kunnen gebruikt worden voor de investering in de infrastructuur. Grafische weergave rolnemingsmodel HVC:
figuur 12: model met HVC
8.2. Voorkeursmodel 2: Warmte Joint Venture tussen Netverder en Dunea met inbreng eigen vermogen vanuit de gemeente Het joint venture model met Netverder en Dunea (model F), (figuur 13), komt naar voren als een voorkeursmodel op basis van de volgende argumenten: • Het model biedt een aanzienlijk voordeel in termen van financieel risicobeheer voor de gemeente Leidschendam-Voorburg. Aangezien de gemeente als minderheidsaandeelhouder optreedt, worden de financiële risico's gedeeld met andere partners in de joint venture. Het eigen vermogen dient daarbij ingebracht te worden in de project BV van de netbeheerder. De project BV met de gemeente als een van de aandeelhouders kan eventueel meedoen met de borgstelling via het waarborgfonds. Als gevolg daarvan kan de project BV tegen gunstige voorwaarden vreemd vermogen aantrekken voor het project en met een gunstigere verhouding Eigen Vermogen werken, namelijk maar 10% Eigen Vermogen waar dat normaal gesproken rond de 30% ligt; •
Het model vereist geen significante gemeentelijke inspanning, aangezien de gemeente enkel eigen vermogen inbrengt en de uitvoering grotendeels de verantwoordelijkheid is van Netverder. Daarnaast zal Dunea zich vanuit hun eigen BV bezighouden met bron en levering. Afspraken tussen Netverder en Dunea zijn geborgd middels een contract;
•
Het model maakt het mogelijk dat de gemeente op enige afstand staat van de operatie, maar toch inspraak en invloed kan uitoefenen. Ondanks een minderheidsbelang worden afgesproken dat voor bepaalde besluiten unanimiteit vereist is of dat de gemeente een zwaarwegender stem heeft in bepaalde situaties zoals benoeming van bestuurders, aan- of verkoop van aandelen en belangrijke investeringsbeslissingen. Dit zal nader uitgewerkt moeten worden en vastgelegd in de statuten en/ of aandeelhoudersovereenkomst;
Pagina 36 van 45
•
Zowel Netverder als Dunea hebben aangegeven bereid te zijn om vanuit hun eigen BV beheer en uitvoering te doen van de benodigde infrastructuur (in het geval van Netverder) en bron en levering (in het geval van Dunea);
•
De project BV van Netverder is hierbij het kapitaalintensieve onderdeel waarbij een investering van de gemeente wenselijk kan zijn. Omdat Dunea vanuit hun eigen BV opereert, loopt de gemeente geen risico wanneer er zich grote problemen voordoen bij de bron of bij levering. Het verdient aanbeveling voor een gemeente om op afstand te blijven van eigenaarschap rondom bron en levering. In dit construct heeft de gemeente een sleutelpositie doordat zij wel invloed kan uitvoeren op de infrastructuur;
•
Netverder is vanwege geografische redenen de logische publieke partner. Dunea wordt gezien als de meest kansrijke samenwerkingspartner vanwege de betrokkenheid bij het project als bronexploitant, en bereidheid om op te treden als warmteleverancier;
•
De PAW-gelden kunnen gebruikt worden voor de investering in de infrastructuur;
Grafische weergave rolnemingsmodel Joint Venture Netverder en Dunea:
figuur 13: model met joint venture
Pagina 37 van 45
9. Aandachtspunten & Vervolgstappen 9.1. Aandachtspunten Beperken complexiteit Uit de gesprekken met de gemeente is naar voren gekomen als aandachtspunt dat het wenselijk is dat de complexiteit van de in te richten organisatie beperkt blijft. Graag benadrukken wij dat het bij vele rolnemingsmodellen mogelijk is met meerdere publieke partijen samen te werken, maar dat dit vanwege de toegenomen complexiteit in zo’n situatie niet wenselijk is. Financiering In deze rapportage wordt meermaals gesproken over het meedoen aan het waarborgfonds als PIW zodat, indien de toets op borgstelling wordt doorstaan, de gemeente en andere partners in het warmtebedrijf gebruik kunnen maken van gunstige financieringsvoorwaarden. Enerzijds is er een voordeel op de hefboom (verhouding Eigen en Vreemd Vermogen), namelijk een geoorloofde verhouding van 10% Eigen Vermogen en 90% Vreemd Vermogen. Anderzijds is er het voordeel van een gunstig rentetarief voor de component Vreemd Vermogen bij BNG. Wij maken hier de nuancering dat momenteel onderzocht wordt of een waarborgfonds, vergelijkbaar met een waarborgfonds bij geothermie dat al bestaat, kan worden opgericht. Hoewel aannemelijk, kunnen we op dit moment nog niet garanderen dat het Waarborgfonds er komt voor warmtenetten.
De rol van EBN en de Provincie In dit onderzoek hebben wij weergegeven op welke manier de gemeente kan deelnemen aan een warmtebedrijf vanuit het vertrekpunt ‘Publiek Samen’. Onderdeel van ons onderzoek waren interviews met de Provincie en een verkenning van de mogelijke rol van EBN. Voor beide stakeholders geldt dat er een mogelijke rol is om het warmtebedrijf via een regionaal construct te financieren. Bij EBN gaat het om het inbrengen van Eigen Vermogen en eventueel kennis en kunde. De rol van de Provincie in deze is niet bepaald. Ook zij kan ondersteunen met financiering en/of inbreng van eigen vermogen. Dit moet nader verkend worden. HVC’s standpunt over het gewenste temperatuur regime Voor de PAW-scope wordt ingezet op een bronnet oplossing. Voor een bredere scope, het gehele gebied de Heuvel/ Amstelwijk, is een MT-temperatuur (Midden-Temperatuur) regime de meest logische route. Dit is middels eerder onderzoek aangetoond en daarnaast verdient dit ook de voorkeur van HVC. Het is de vraag of de PAW gelden nog wel ingezet kunnen worden voor de scope van dit onderzoek als wordt afgeweken van een bronnet oplossing. Een aandachtspunt bij de route met HVC is dus de voorkeur van HVC voor een MT warmtenet in dit gebied.
9.2. Vervolgstappen Wij raden de gemeente aan een aantal vervolgstappen te zetten: Nadere verkenning van de route met HVC Zij hebben aangegeven de bestaande businesscase nader te willen onderzoeken, specifiek voor de scope van dit project. Indien HVC vasthoudt aan een ander temperatuur regime, raden wij de gemeente aan met de uitvoerende overheidsorganisatie van de PAW-gelden in contact te treden om te verkennen of de PAW-gelden ook ingezet mogen worden voor een MT-temperatuur regime. Indien het antwoord ja is, is het goed om in kaart te brengen wat de consequenties zijn voor het indienen van een aangepaste PAW-aanvraag. De mate van tijdsinspanning voor een vernieuwde aanvraag en het risico voor een eventuele afwijzing dient in kaart gebracht te worden. Pagina 46 van 45
Afweging verschillen opties HVC en JV Netverder en Dunea Er zijn een paar grote verschillen tussen het construct met HVC en anderzijds de Joint Venture (JV) met Netverder en Dunea. Het belangrijkste verschil is het ontbreken van een investering door de gemeente bij het rolnemingsmodel met HVC en daarmee ook het ontbreken van sterke zeggenschap. Wij adviseren de gemeente deze beide rolnemingsmodellen verder te verkennen met de betreffende ambtenaren en af te tasten waar de voorkeur ligt. Nadere verkenning van partner Dunea Dunea is bij drie rolnemingsmodellen een mogelijke partner, daarom adviseren wij om samen met Dunea een verdieping te maken op deze rolmodellen. Dunea is een unieke partner te noemen omdat zij alle elementen van de energieketen kunnen verzorgen, namelijk bron, transport en levering. Dit kan zij doen in verschillende hoedanigheden, zoals aan bod gekomen in dit rapport: als mede partner in een warmtebedrijf, als gecontracteerde partner werkzaam voor een warmtebedrijf of als Joint Venture partner. Het laatst genoemde rolnemingsmodel, de Joint Venture met Netverder, heeft hoog gescoord. Het dient echter opgemerkt te worden dat variant C, Dunea als enige medepartner in een warmtebedrijf met de gemeente, in een bepaald opzicht op zichzelf heel hoog scoort: dit betreft de beperkte complexiteit van dit model.
Hoe minder partners in het eigenaarschap en in de samenwerking, hoe lager de werkdruk voor de gemeente. Wij adviseren om met Dunea verder te verkennen welk rolnemingsmodel uit de varianten met Dunea (C, D of F) het beste realiseerbaar is in de praktijk vanuit het perspectief van Dunea. Ringleiding en WIS subsidie De eventuele investering in de ringleiding heeft betrekking op eventuele toekomstige uitbreiding van het warmtenet. Wij raden aan de investering in de ringleiding als voorfinanciering te organiseren en niet door te berekenen aan de bewoners binnen de PAW-scope. Wél is het mogelijk om een WIS subsidie (Warmtenetten Investeringssubsidie, subsidie voor investerende partij) aan te vragen voor deze investering. Wij raden u aan de tijdslijn en aanvraagprocedure voor de WIS subsidie te verkennen. Stappen in de oprichting van een warmtebedrijf College B&W wijst een kavel aan en publiceert dit in de Staatscourant. Warmtebedrijven mogen inschrijven op het kavel en de gemeente wijst een warmtebedrijf aan. De beoogde partners van dit warmtebedrijf gaan van start met het vastleggen van een aantal intenties, dit leidt tot een IOK (Intentie Overeenkomst). Wanneer de afspraken concreter worden, stellen de partijen een overeenkomst op, een zogenaamde SOK (Samenwerkings Overeenkomst). De nieuwe entiteit kan nu opgericht worden en ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.
De overeenkomsten binnen de SOK vormen de basis van de staturen.
9.3. Praktijkvoorbeelden Praktijkvoorbeelden HVC: • Warmtenet Dordrecht. De afgelopen jaren zijn er in Dordrecht circa 5.500 woningen aangesloten op het warmtenet Dordrecht. Dit project kenmerkt zich door een soepele uitbreiding op schaal. Daarnaast heeft HVC hier een elektrische boiler geplaatst van 25 MWth ter vervanging van enkele gasgestookte ketels, dit maakt deel uit van haar plannen om per gebied middels de juiste combinatie van bronnen over te gaan op duurzame warmte. •
Warmtenet Papendrecht. In Papendrecht is bij de aanleg van een warmtenet begonnen met het aansluiten van drie huurderscomplexen. Begin 2024 heeft HVC het warmtenet Oostpolder (900 aansluitingen) overgenomen van Eneco en laat daarmee zien in staat te zijn strategische slagen te kunnen maken in de koppeling van warmtenetten.
Pagina 39 van 45
•
Warmtenet Sliedrecht. Begin 2018 is gestart met warmtenet Sliedrecht waarin nieuwe en bestaande woningen - zowel huur als koop - via het warmtenet duurzame warmte krijgen. Inmiddels zijn zo'n 900 woningen aangesloten op warmte. HVC heeft lokale woningcorporatie succesvol geholpen met het indienen van subsidie aanvragen (Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen SAH) .
Praktijkvoorbeelden Joint Venture: • Joint Venture in Didam. De gemeente Montferland, woningcorporatie Plavei en Firan hebben een warmtenet gerealiseerd voor de Bloemenbuurt in Didam. Warmtenetwerk Didam, een samenwerking tussen de gemeente Montferland en infraspecialist Firan zorgt voor de aanleg, de exploitatie en het beheer van het publieke warmtenet voor de Bloemenbuurt. De uitvoering is hier soepel verlopen, mede omdat Firan in z’n kracht stond als expert op infra. •
Joint Venture in Zaanstad. Voor het open net in Zaanstad, dat warmte levert aan 600 woningen en op termijn aan 2200 woningen en bedrijven in Zaanstad-Oost, heeft de gemeente gekozen voor aandeelhouderschap in Warmtenetwerk Zaanstad B.V. De gemeente is hiervan voor 39,5% aandeelhouder. De resterende 60,5% is belegd bij DEN-NH, een joint venture van Firan en de provincie Noord-Holland. Door het stevige aandeel van de gemeente in Warmtenetwerk Zaanstad, is de invloed van de gemeente hier goed geborgd.
Pagina 40 van 45
Bijlagen Update integrale businesscase naar prijspeil 2024 Toelichting op businesscase • Businesscase PAW-scope komt uit op een onrendabele top van € 1.200 per woning inclusief PAW-subsidie: 652 woningen Investering van € 9 miljoen PAW-subsidie van € 3,6 miljoen Businesscase zonder PAW komt uit op € 8.600 per woning •
Indien voorinvestering van een ringleiding onderdeel is van de business case dan komt de ORT uit op € 4.100 per woning: Voorinvestering ringleiding is € 1,3 miljoen gebaseerd op berekeningen IF technology Totale investering komt uit op € 10,3 miljoen PAW-subsidie inzetten voor het verlagen van de gehele investering Het niet inzetten van de PAW-subsidie resulteert in een ORT van € 11.500 per woning
•
Gehanteerde uitgangspunten businesscase: Investeringsraming 2024 met 17% gestegen ten opzichte van 2021 o IF technology maakte een raming in 2021, deze brachten we naar huidig prijspeil. De indexatie is 17%. Gebaseerd op 30% loonkosten en 70% metalektro 15% korting op vastrecht voor een betaalbare propositie aan de bewoners Vollooptijd van 5 jaar Investeringstiming voor aansluiting Rendementseis van 7% ter dekking van de kosten van het aantrekken van vreemd vermogen en het leveren van eigen vermogen (tezamen gewogen ongeveer 5%) en daarnaast een risico-opslag (doorgaans 2%). De risico-opslag dient met name als buffer voor eventuele tariefschommelingen vanuit ACM beleid.
Gevoeligheidsanalyse businesscase Participatiegraad van 70% Capex 30% onzekerheid PAW-scope Basis inclusief PAW-subsidie 70% participatie Capex + 30%
PAW inclusief voorfinanciering ringleiding € 4.100 € 8.300 € 10.600
€ 1.200 € 4.200 € 6.800
Investeringsbegroting per technisch component en per scope Scenario 0
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
Capex energiesysteem en leidingwerk
PAW scope
Gehele wijk
Restant wijk
Distributie leidingwerk WKO + TED + bronnet
1.200.000
PAW scope inclusief VF 2.100.000
4.200.000
2.100.000
Pagina 41 van 45
WKO-systeem
780.000
780.000
2.730.000
1.950.000
TED-systeem
50.000
50.000
50.000
-
Ontkoppelpunt
150.000
150.000
150.000
-
Energiecentrales
1.800.000
1.800.000
6.310.000
4.510.000
Elektriciteitsaansluiting
130.000
130.000
460.000
330.000
Ontwerp & advies
411.000
501.000
1.760.000
1.250.000
Onvoorzien
411.000
501.000
1.760.000
1.250.000
Totaal energiesysteem prijspeil 2021
4.932.000
6.012.000
17.410.000
11.400.000
Indexatie van 2021 naar 2024
17%
17%
17%
17%
Totaal energiesysteem prijspeil 2024
5.700.000
7.000.000
20.400.000
13.300.000
Totaal per weq
8.900
10.800
9.000
8.000
Boosterwarmtepomp in appartementen
1.400.000
1.400.000
2.700.000
1.300.000
Distributieleidingen van energiecentrale naar appartementen Afleversets appartementen
1.090.000
1.090.000
2.100.000
1.040.000
800.000
800.000
1.500.000
730.000
Boosterwarmtepomp in appartementen
1.750.000
1.750.000
Afleversets appartementen
406.000
406.000
Capex bij de woning individueel
Capex bij de woning collectief
Totale capex bij de woning
3.300.000
3.300.000
8.500.000
5.300.000
Capex per woning
5.000
5.000
3.700
3.200
Totale capex excl. subsidie
9.000.000
10.300.000
28.900.000
18.600.000
Capex per weq
13.900
15.800
12.700
11.400
Totale capex incl. subsidie
5.400.000
6.700.000
25.300.000
n.v.t.
8.000
10.300
11.000
n.v.t.
Pagina 42 van 45
Kasstroomoverzicht
Kasstroomoverzicht €8.000.000 €6.000.000
€4.000.000 €2.000.000 €€(2.000.000) €(4.000.000)
Kasstroom
EBITDA Corporate tax Totaal Capex infra en bron Totaal Capex KV Totaal Capex Coll Totaal Capex Util Totaal BAK Kasstroom
EBITDA Corporate tax Totaal Capex infra en bron Totaal Capex KV Totaal Capex Coll Totaal Capex Util Totaal BAK Kasstroom
-
-
€ € € € € € € €
€ € € € € € € €
Cum. Kasstroom
16.546.313 (2.652.942) (5.401.103) (4.600.714) (105.472) 2.874.207 6.660.289
2.039 540.097 (97.588) (926.699) (484.191)
2.040 547.580 (91.550) (945.233) (415.233) (904.436)
2.041 555.155 (78.233) (423.538) 53.384
2.024 -
2.025 (2.633.709) (2.633.709)
2.042 562.822 (79.206) (432.009) 51.607
2.043 570.582 (79.299) (440.649) 50.635
2.026 (895.461) (472.893) 554.839 (813.514)
2.044 578.436 (79.377) (439.583) (48.789) 10.687
2.027 59.061 17.115 (482.351) 565.936 159.761
2.045 586.385 (78.467) 507.918
2.028 144.441 (2.872) (491.998) 577.255 226.827
2.046 594.430 (86.273) 508.157
2.029 224.470 (21.436) (501.838) 588.800 289.995
2.047 602.571 (88.373) 514.198
2.030 476.739 (84.398) (500.624) (56.684) 587.376 422.410
2.048 610.808 (90.498) 520.310
2.031 483.434 (82.969) 400.464
2.049 619.144 (92.649) 526.495
2.032 490.213 (84.718) 405.494
2.050 627.579 (94.825) 532.754
2.033 497.077 (86.489) 410.588
2.051 636.112 (97.027) 539.086
2.034 504.028 (88.283) 415.745
2.035 511.065 (90.098) 420.967
2.036 518.189 (91.936) 426.253
2.037 525.402 (93.797) 431.605
2.038 532.705 (95.681) 437.024
2.052 644.746 (99.254) 545.492
2.053 653.481 (101.508) 551.973
2.054 1.826.353 (404.109) 1.422.244
2.055 409.180 (38.478) 370.702
2.056 414.030 (70.666) 343.364
Pagina 46 van 45
Lijst met Afkortingen en Begrippen (Z)LT BAK BENG BNG BREEAM DBMO EPC ESCo GGF GPR ISDE JV NMDA
ORT PAW PIW PPS PV-ZH SAH SDE++ Wcw WEQ WIS WKO WP
(Zeer) Lage Temperatuur Bijdrage Aansluit Kosten Bijna Energie Neutraal Gebouw: nieuwe systeem en stelsel van normen voor nieuwbouw dat ingaat per 1 januari 2021. Bank Nederlandse Gemeenten BRE Environmental Assessment Model Design Build Maintain Operate Energie Prestatie Coefficient Energie Service Company: bedrijven die zich richten op de volledige dienstverlening rond energie: zoals levering en aanpassing vastgoed Gebouw Gebonden Financiering Gemeentelijke Praktijk Richtlijn Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (subsidie voor woningeigenaar) Joint Venture Niet Meer Dan Anders: een wettelijke norm voor de tarieven van warmte bedoeld om de afnemer te beschermen tegen te hoge tarieven. De afnemer heeft bij een warmtenet immers geen keus voor een leverancier. On Rendabele Top Programma Aardgasvrije Wijken Publiek Integraal Warmtebedrijf Publiek Private Samenwerking Provincie Zuid-Holland Subsidie aardgasvrije huurwoningen (subsidie voor verhuurders) Stimulering Duurzame Energietransitie en Klimaattransitie (subsidie voor producent energie) Wet collectieve warmte: Woning Equivalent: elke woning is één woningequivalent. Voor utiliteiten geldt dat die afhankelijk van de omvang voor tientallen of honderden woningequivalenten staat. Warmtenetten Investeringssubsidie (subsidie voor investerende partij) Warmte Koude Opslag Warmtepomp
Pagina 46 van 45