CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

3551-09 Regels bestemmingsplan 'Landelijk - 2'

Commissie Omgeving 26 juni 2024, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen bestemmingsplan Landelijk-232.987 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

de werken en werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft, noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming; b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de ruimtelijke kwaliteiten van het terrein; c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwaliteit en -kwantiteit; d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de historisch-ruimtelijke, cultuurhistorische- en/of archeologische waarden van het terrein.

80

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2

14.5.4 Advies omtrent omgevingsvergunning Alvorens omtrent een aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden te beslissen, winnen burgemeester en wethouders, indien nodig, advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein en uit te voeren werken meest aangewezen instantie.

Regels (vastgesteld)

81

bestemmingsplan Landelijk - 2

Artikel 15 15.1

Horeca

Bestemmingsomschrijving

15.1.1 Algemeen a. horeca, uitsluitend tot en met categorie 2 als bedoeld in Bijlage 2 Staat van Horeca-activiteiten; b. per bestemmingsvlak is één bedrijfswoning toegestaan, voor zover deze bestaand is; Met daarbij behorende: c. d. e. f.

ontsluitingswegen; parkeervoorzieningen; groenvoorzieningen; waterlopen.

15.1.2 Dubbelbestemming De bij deze bestemming behorende bouw-, gebruiks- en overige regels zijn slechts van toepassing indien en voor zover deze niet in strijd zijn met de regels, behorende bij de dubbelbestemming(en) waarvoor deze gronden eveneens zijn aangewezen.

15.2

Bouwregels

15.2.1 Algemeen Op deze gronden mogen, indien noodzakelijk voor en ten behoeve van de bestemming, uitsluitend worden gebouwd: a. b. c. d.

gebouwen; bijbehorende bouwwerken; bouwwerken ten behoeve van nutsvoorzieningen; bouwwerken, geen gebouwen zijnde

15.2.2 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; b. de goothoogte, respectievelijk de bouwhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven; c. indien op de verbeelding een maximum bebouwingsoppervlak is weergegeven, mag dit niet worden overschreden; d. indien op de verbeelding geen maximum bebouwingsoppervlak is weergegeven, mag het bouwvlak voor 100% worden bebouwd. e. de grondoppervlakte van een bedrijfswoning niet meer mag bedragen dan 150 m². f. indien ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van dit plan de goothoogte, dakhelling en/of bouwhoogte van gebouwen niet opgenomen is in de verbeelding dan wel afwijkt van het vorenstaande, geldt de bestaande goothoogte, dakhelling en/of bouwhoogte voor deze gebouwen als maximum en mag deze niet worden vergroot. 15.2.3 Bijbehorende bouwwerken a. Het bouwen van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan is toegestaan, mits wordt voldaan aan de volgende regels: 1. het bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan op de grond staand is, en; 2. gelegen in het achtererfgebied, en; 3. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, en; 4. niet hoger dan 5 m, met inachtneming van het bepaalde onder leden b en c, en

82

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2

b.

c.

d.

e.

5. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag alleen op de eerste bouwlaag, en 6. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen. Voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan: 1. 5 m; 2. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, en 3. het hoofdgebouw. Voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw: 1. indien hoger dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55 graden, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formulier: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; 2. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het betreft huisvesting in verband met mantelzorg; De oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt niet meer dan: 1. in geval van een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m²: 50% van dat bebouwingsgebied; 2. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 100 m² en kleiner dan of gelijk aan 300 m²: 50 m², vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m²; 3.

in geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m²: 90 m², vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m², tot een maximum van in totaal 150 m². Het bouwen van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan is niet toegestaan aan of bij: 1. een woonwagen; 2. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor het bouwen daarvan is bepaald dat de vergunninghouder na verstrijken van een bij die vergunning aangegeven termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand hersteld te hebben; 3. een bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf voor een huishouden.

15.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen binnen het bestemmingsvlak worden gebouwd; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan aangegeven in de onderstaande tabel:

Regels (vastgesteld)

83

bestemmingsplan Landelijk - 2

Bouwwerken, geen gebouw zijnde, in het voorerfgebied

Max. bouwhoogte (m)

Erf- en perceelgrensafscheidingen

1

Lantaarnpalen

4

Pilasters/penanten en soortgelijke plaatselijke versieringen

1,5

Vlaggenmasten

6

Overige bouwwerken, geen gebouw zijnde

1,5

Bouwwerken, geen gebouw zijnde, in het achtererfgebied

Max. bouwhoogte (m)

Erf- en perceelgrensafscheidingen

2

Lantaarnpalen

6

Objecten voor beeldende kunst

6

Speeltoestellen

5

Vlaggenmasten

6

Overige bouwwerken, geen gebouw zijnde

3

15.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 15.3.1 Algemeen Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, op en/of in de gronden met de bestemming 'Horeca' de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het verlagen van de bodem, het afgraven, ontgrondingen, ophogen en/of egaliseren van de gronden; b. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging tot gevolg hebben of kunnen hebben, met uitzondering van het vellen, rooien of beschadigen van fruitbomen en het periodiek afzetten van hakhout; c. het onttrekken van grondwater. 15.3.2 Uitzonderingen Het in lid 15.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op de volgende werken en werkzaamheden: a. het normale beheer en/of onderhoud van graslanden; b. reeds in uitvoering zijnde (legale) werken en werkzaamheden bij de tervisielegging van het ontwerp van dit plan of werken en werkzaamheden waarvoor reeds een aanlegvergunning is verleend; c. betrekking hebben op het aanbrengen van verhardingen ten behoeve van in- en/of uitritten, tot een oppervlakte van ten hoogste 10 m²; d. de aanleg en/of normaal onderhoud van natuurvriendelijke oevers.

15.3.3 Voorwaarden omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 15.3.1 wordt slechts verleend, indien en voor zover de werken en/of werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft: a. noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming; b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de ruimtelijke kwaliteiten van het terrein; c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwaliteit en -kwantiteit;

84

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2

15.3.4 Advies omtrent omgevingsvergunning Alvorens omtrent een aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden te beslissen, winnen burgemeester en wethouders, indien nodig, advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein meest aangewezen instantie.

Regels (vastgesteld)

85

bestemmingsplan Landelijk - 2

Artikel 16 16.1

Maatschappelijk

Bestemmingsomschrijving

16.1.1 Algemeen De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. maatschappelijke voorzieningen, in de vorm van een beheerstation, opslag en/of werkplaats ten behoeve van de provincie of het rijk, een informatie- en/of uitkijkpunt; b. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'begraafplaats' (bp): een begraafplaats, strooivelden en urnbewaarplaatsen; met de daarbij behorende: c. d. e. f.

bebouwing en (nuts)voorzieningen; ontsluitingswegen, paden en parkeerplaatsen; groenvoorzieningen; waterlopen.

16.1.2 Dubbelbestemming De bij deze bestemming behorende bouw-, gebruiks- en overige regels zijn slechts van toepassing indien en voor zover deze niet in strijd zijn met de regels, behorende bij de dubbelbestemming(en) waarvoor deze gronden eveneens zijn aangewezen.

16.2

Bouwregels

16.2.1 Algemeen Op deze gronden mogen, indien noodzakelijk voor en ten behoeve van de bestemming, uitsluitend worden gebouwd: a. b. c. d.

gebouwen; bijbehorende bouwwerken; bouwwerken ten behoeve van nutsvoorzieningen; bouwwerken, geen gebouwen zijnde

16.2.2 Bouwwerken Voor het bouwen van bouwwerken en bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; b. de goothoogte, respectievelijk de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven; c. indien op de verbeelding een maximum bebouwingsoppervlak is weergegeven, mag dit niet worden overschreden; d. indien op de verbeelding geen maximum bebouwingsoppervlak is weergegeven, mag het bouwvlak voor 100% worden bebouwd; e. indien ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van dit plan de goothoogte, dakhelling en/of bouwhoogte van gebouwen niet opgenomen is in de verbeelding dan wel afwijkt van het vorenstaande, geldt de bestaande goothoogte, dakhelling en/of bouwhoogte voor deze gebouwen als maximum en mag deze niet worden vergroot. f. de hoogte van overige bouwwerken mag niet meer bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel:

86

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2

bouwwerken

max. bouwhoogte (m)

erf- of perceelgrensafscheidingen op ten minste 1 m achter de voorgevel(rooi)lijn:

2

overige erf- of perceelgrensafscheidingen

1

licht- en vlaggenmasten

12

technische installaties en overige bouwwerken, geen gebouw zijnde

10

16.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 16.3.1 Algemeen Het is verboden om op of in de gronden met de bestemming 'Maatschappelijk' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen en verharden van wegen en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen; b. het verlagen van de bodem en het afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden; c. het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; d. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging tot gevolg hebben of kunnen hebben, met uitzondering van het vellen, rooien of beschadigen van fruitbomen en het periodiek afzetten van hakhout; e. werken of werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of tot gevolg hebben, zoals uitdiepen of draineren; f. het onttrekken van grondwater, anders dan ten behoeve van de veedrenking. 16.3.2 Uitzonderingen Het in artikel 16.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die: a. het normale beheer en/of onderhoud betreffen; b.

reeds in uitvoering zijn op het tijdstip waarop dit plan rechtskracht verkrijgt; c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een daarvoor verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; d. betrekking hebben op het aanbrengen van verhardingen ten behoeve van in- en/of uitritten, tot een oppervlakte van ten hoogste 10 m²; e. betrekking hebben op de aanleg van natuurvriendelijke oevers. 16.3.3 Voorwaarden omgevingsvergunning De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover: a. noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming; b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de ruimtelijke kwaliteiten van het terrein; c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwaliteit en -kwantiteit.

Regels (vastgesteld)

87

bestemmingsplan Landelijk - 2

16.3.4 Advies omtrent omgevingsvergunning Alvorens omtrent een aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden te beslissen, winnen burgemeester en wethouders, indien nodig, advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein meest aangewezen instantie.

16.4

Wijzigingsbevoegdheid

16.4.1 Beëindiging maatschappelijke activiteiten Burgemeester en wethouders zijn op grond van het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro bevoegd de bestemming 'Maatschappelijk' te wijzigen in de bestemming van de gronden die direct aan het bestemmingsvlak grenzen, indien is komen vast te staan dat de maatschappelijke activiteiten ter plaatse zijn beëindigd en het instandhouden van de bestemming niet langer noodzakelijk dan wel gewenst is. Bij wijziging is het bepaalde in het bij de betreffende bestemming behorende artikel, dienovereenkomstig van toepassing. 16.4.2 Voorwaarden wijziging Voor de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid genoemd in lid 16.4.1 gelden de volgende voorwaarden: a. de wijziging mag in ruimtelijk en milieuhygiënisch opzicht geen verslechtering voor de omgeving met zich meebrengen; b. de wijziging mag de waarden van de omliggende gronden dan wel bebouwing geen schade toebrengen; c. de bebouwing dan wel voorzieningen dienen, voor zover deze geen geen cultuurhistorische waarden hebben, te worden verwijderd.

88

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2

Artikel 17 17.1

Natuur

Bestemmingsomschrijving

17.1.1 Algemeen De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. instandhouding, versterking en/of ontwikkeling van ter plaatse voorkomende natuurwaarden, bestaande uit onder meer groepen bomen/ bossen, stinzenflora, graslandvegetaties, vegetatie van slootoevers en habitats van weidevogels; b. instandhouding, versterking en/of herstel van ter plaatse voorkomende cultuurhistorische waarden en landschapswaarden, bestaande uit onder meer de openheid, het verkavelings-/slotenpatroon en landschapselementen; met daaraan ondergeschikt: c. de bedrijfsuitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven, ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch' (a), voor zover de bedrijfsuitoefening samengaat met natuurbeheer en aan de onder a. en b. genoemde waarden geen afbreuk wordt gedaan; d. ter plaatse van de aanduiding 'recreatie' (r): water- en oeverrecreatie voor zover door deze functie geen afbreuk doet aan de onder a. en b. genoemde waarden. met de daarbij behorende: e. f. g. h.

ontsluitings- en (wandel)paden; wandel-, fiets- en ruiterpaden; groenvoorzieningen; waterlopen en waterpartijen.

17.1.2 Dubbelbestemming De bij deze bestemming behorende bouw-, gebruiks- en overige regels zijn slechts van toepassing indien en voor zover deze niet in strijd zijn met de regels, behorende bij de dubbelbestemming(en) waarvoor deze gronden eveneens zijn aangewezen.

17.2

Bouwregels

17.2.1 Algemeen Op deze gronden mogen, met in achtneming van het bepaalde lid 17.2.3, uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd.

17.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. uitsluitend een uitkijktoren mag worden gerealiseerd; b. de maximale bouwhoogte bedraagt 3.5 m. 17.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gebouwd, die verband houden met de bescherming dan wel ontwikkeling van de daar genoemde waarden van het gebied, waarvan: 1. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 1,5 m; 2. de oppervlakte niet meer bedraagt dan 3 m²; b. op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch' (a) mogen tevens voor de agrarische bedrijfsvoering noodzakelijke bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, waarvan: Regels (vastgesteld)

89

bestemmingsplan Landelijk - 2 1. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 1,5 m; 2. de oppervlakte niet meer bedraagt dan 5 m², met inachtneming van het bepaalde in artikel 3; c. op de gronden mogen tevens bouwwerken, geen gebouw zijnde ten behoeve van extensieve recreatie worden gebouwd waarvan: 1. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 1,5 m; 2. de oppervlakte niet meer bedraagt dan 5 m². 17.3

Afwijken van de bouwregels

17.3.1 Geluidwerende voorzieningen, duurzame voorzieningen Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 17.2.3 ten behoeve van het bouwen op deze gronden van bouwwerken, zoals geluidwerende voorzieningen en duurzame voorzieningen. Voor het bouwen van deze bouwwerken geldt een maximale bouwhoogte van 4 meter. 17.3.2 Toelaatbaarheid afwijking Burgemeester en wethouders maken uitsluitend gebruik van de in lid 17.3.1 genoemde afwijkingsmogelijkheid, indien en voor zover a. door toepassing van deze afwijkingsmogelijkheid geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ruimtelijke kwaliteit en/of waarden van de gronden dan wel de waarden (landschappelijke en/of natuurwaarden) verbonden aan de bestemming van de gronden, die aan het bestemmingsvlak grenzen+ b. Indien nodig, winnen burgemeester en wethouders advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein meest aangewezen instantie. 17.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 17.4.1 Algemeen Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, op en/of in de gronden met de bestemming 'Natuur', de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen en/of verharden van (kavel)wegen en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen; b.

het verlagen van de bodem, het afgraven, ontgrondingen, ophogen en/of egaliseren van de gronden, het ophogen van gronden (meer dan 10 cm) in verband met grootschalige verwerking van bagger; c. het aanleggen en/of dempen van watergangen, sloten, weidegreppels en andere waterlopen of het aanleggen van natuurelementen, zoals paddenpoels, met een groter oppervlakte dan 250 m²; d. het aanbrengen van boven- en/of ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; e. het verwijderen van houtgewas, het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging tot gevolg hebben of kunnen hebben, met uitzondering van het vellen, rooien of beschadigen van fruitbomen en het periodiek afzetten van hakhout; f. diepwoelen of diepploegen, d.w.z. het extra diep omploegen van de gronden waarbij de kruidlaag volledig wordt omgeploegd (0,4 m of meer diep); g. het onttrekken van grondwater, anders dan ten behoeve van de veedrenking; h. het uitvoeren van heiwerken of het op een andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem; i. het verwijderen van de natuurlijke vegetatie; j. het aanleggen van oeverbeschoeiingen; k. het wijzigen van het kavelpatroon.

17.4.2 Uitzonderingen Het in lid 17.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op de volgende werken en werkzaamheden:

90

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2 a. het normale beheer en/of onderhoud van graslanden; b. reeds in uitvoering zijnde (legale) werken en werkzaamheden bij de tervisielegging van het ontwerp van dit plan of werken en werkzaamheden waarvoor reeds een aanlegvergunning is verleend; c. de aanleg en/of normaal onderhoud van natuurvriendelijke oevers. 17.4.3 Voorwaarden omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 17.4.1 wordt slechts verleend, indien en voor zover de werken en/of werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft: a. noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming. b. geen onevenredige aantasting met zich meebrengen voor de natuur- dan wel landschappelijke waarden, waarde van beplanting op deze gronden dan wel voor de waarden van de aan de bestemming grenzende gronden; c. de mogelijkheden voor het behoud, de versterking en/of het herstel van die waarden niet in onevenredige mate verkleinen; 17.4.4 Advies omtrent omgevingsvergunning Alvorens omtrent een aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden te beslissen, winnen burgemeester en wethouders, indien nodig, advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein meest aangewezen instantie.

Regels (vastgesteld)

91

bestemmingsplan Landelijk - 2

Artikel 18 18.1

Natuur - Landschapselement

Bestemmingsomschrijving

18.1.1 Algemeen De voor 'Natuur - Landschapselement' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. instandhouding, versterking en/of ontwikkeling van (de aan de gronden eigen zijnde) natuurwaarden, zoals natuurstroken langs sloten en paddenpoelen, en landschappelijke waarden van houtopstanden; met daaraan ondergeschikt: b. extensieve recreatie, voor zover deze functie wordt afgestemd op de onder a. genoemde waarden en aan deze waarden geen afbreuk wordt gedaan; met de daarbij behorende: c. d. e. f.

bebouwing; ontsluitings- en paden; groenvoorzieningen; waterlopen en waterpartijen.

18.1.2 Dubbelbestemming De bij deze bestemming behorende bouw-, gebruiks- en overige regels zijn slechts van toepassing indien en voor zover deze niet in strijd zijn met de regels, behorende bij de dubbelbestemming(en) waarvoor deze gronden eveneens zijn aangewezen.

18.2

Bouwregels

18.2.1 Algemeen Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken geen gebouw zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd, waarbij geldt dat: a. de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouw zijnde mag niet meer mag bedragen dan 2 m. 18.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 18.3.1 Algemeen Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, op en/of in de gronden met de bestemming 'Natuur - Landschapselement'', de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen en/of verharden van (kavel)wegen en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen; b. het verlagen van de bodem, het afgraven, ontgrondingen, ophogen en/of egaliseren van de gronden; c. het aanleggen en/of dempen van watergangen, sloten, weidegreppels en andere waterlopen of het aanleggen van natuurelementen, zoals paddenpoelen, met een groter oppervlakte dan 250 m²; d. het aanbrengen van boven- en/of ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; e.

het verwijderen van houtgewas, het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging tot gevolg hebben of kunnen hebben, met uitzondering van het vellen, rooien of beschadigen van fruitbomen en het periodiek afzetten van hakhout; f. diepwoelen of diepploegen, d.w.z. het extra diep omploegen van de gronden waarbij de kruidlaag volledig wordt omgeploegd (0,4 m of meer diep); g. werken of werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of tot gevolg

92

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2 hebben, zoals uitdiepen of draineren dan wel het leggen van drainageleidingen; h. het beplanten met houtopstanden en het aanbrengen van hoogopgaande beplanting en/of diepwortelende beplanting, waaronder begrepen rietbeplanting (landschapselementen); i. het onttrekken van grondwater, anders dan ten behoeve van de veedrenking; j. het uitvoeren van heiwerken of het op een andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem; k. het verwijderen van de natuurlijke vegetatie; l. het aanleggen van oeverbeschoeiingen; m. het wijzigen van het kavelpatroon. 18.3.2 Uitzonderingen Het in lid 18.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op de volgende werken en werkzaamheden: a. werken en/of werkzaamheden van geringe omvang en uit planologisch oogpunt van ondergeschikt belang gericht op en noodzakelijk voor het normale onderhoud van de gronden of de instandhouding van het gebied; b. werken en/of werkzaamheden welke worden uitgevoerd in verband met bij of krachtens de natuurwetgeving verleende vergunning toegestane handelingen. c. reeds in uitvoering zijnde (legale) werken en werkzaamheden bij de tervisielegging van het ontwerp van dit plan of werken en werkzaamheden waarvoor reeds een aanlegvergunning is verleend; d. de aanleg en/of normaal onderhoud van natuurvriendelijke oevers.

18.3.3 Voorwaarden omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 18.3.1 wordt slechts verleend, indien en voor zover de werken en/of werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft: a. noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming. b. geen onevenredige aantasting met zich meebrengen voor de natuur- dan wel landschappelijke waarden, waarde van beplanting op deze gronden dan wel voor de waarden van de aan de bestemming grenzende gronden; c. de mogelijkheden voor het behoud, de versterking en/of het herstel van die waarden niet in onevenredige mate verkleinen; 18.3.4 Advies omgevingsvergunning Alvorens omtrent een aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden te beslissen, winnen burgemeester en wethouders, indien nodig, advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein meest aangewezen instantie.

Regels (vastgesteld)

93

bestemmingsplan Landelijk - 2

Artikel 19 19.1

Recreatie - Dagrecreatie

Bestemmingsomschrijving

19.1.1 Algemeen De voor 'Recreatie - Dagrecreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. dagrecreatie; b. dagrecreatieve voorzieningen met een openbaar karakter, zoals: 1. speel- en ligweiden ten behoeve van recreatie; 2. visplaatsen; 3. strand; c. ter plaatse van de aanduiding 'jachthaven' (jh); een jachthaven met boten(trailer)verhuur. en mede bestemd voor: d. de ontwikkeling, instandhouding, versterking en/of het herstel van ter plaatse voorkomende natuurwaarden en houtopstanden. met de daarbij behorende: e. f. g. h. i. j. k.

bebouwing; dagrecreatieve voorzieningen; ontsluitingswegen en parkeervoorzieningen; wandel- en fietspaden; ruiterpaden en menroutes; groenvoorzieningen; waterlopen en waterpartijen.

19.1.2 Dubbelbestemming De bij deze bestemming behorende bouw-, gebruiks- en overige regels zijn slechts van toepassing indien en voor zover deze niet in strijd zijn met de regels, behorende bij de dubbelbestemming(en) waarvoor deze gronden eveneens zijn aangewezen.

19.2

Bouwregels

19.2.1 Algemeen Op deze gronden mogen ten dienste van de bestemming uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met inachtneminig van het bepaalde in lid 19.2.2.

19.2.2 Bouwwerken Voor de plaatsing van bouwwerken als bedoeld in 19.2.1 gelden de volgende regels: a. er mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de in lid 19.1.1 onder a en b bedoelde dagrecreatie en dagrecreatieve voorzieningen worden gebouwd, zoals vis- en aanlegsteigers en een toiletgebouw, waarbij de grondoppervlakte van een gebouw niet meer mag bedragen dan 30 m2 en de bouwhoogte niet meer dan 3 m; b. ten dienste van de in lid 19.1.1 onder c bepaalde mag een clubgebouw met horecavoorziening worden gebouwd, met inachtneming van de volgende regels: 1. het gebouw dient te worden gesitueerd binnen het bouwvlak; 2. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3.5 m; c. In afwijking van het gestelde onder a en b mag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - jachthaven' (sba-jh) het gezamenlijk oppervlakte van de bedrijfsbebouwing en de bedrijfswoning met bijbehorende bouwwerken maximaal 552 m2 bedragen.

94

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2

19.3

Afwijken van de bouwregels

19.3.1 Schuilgelegenheden, bergingen en sanitaire voorzieningen Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 19.2.2 onder a ten behoeve van het bouwen op deze gronden van gebouwen, zoals schuilgelegenheden, bergingen en/of sanitaire voorzieningen. Voor het bouwen van deze bouwwerken gelden de volgende regels: a. de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 150 m²; b. de oppervlakte van elk gebouw mag niet meer bedragen dan 30 m²; c. de bouwhoogte van een gebouw mag niet meer bedragen dan 3 m. 19.3.2 Geluidwerende voorzieningen, duurzame voorzieningen Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 19.2.2 onder a ten behoeve van het bouwen op deze gronden van bouwwerken, zoals geluidwerende voorzieningen en duurzame voorzieningen. Voor het bouwen van deze bouwwerken geldt een maximale bouwhoogte van 4 meter.

19.3.3 Toelaatbaarheid afwijking 1. Burgemeester en wethouders maken uitsluitend gebruik van de in lid 19.3.1 genoemde afwijkingsmogelijkheid, indien en voor zover a. vaststaat dat de afwijking of bebouwing ten dienste is van de bestemming, noodzakelijk is voor een doelmatig gebruik van de onderhavige gronden en geen onevenredige hinder veroorzaakt voor de omgeving; b. door toepassing van deze afwijkingsmogelijkheid geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ruimtelijke kwaliteit en/of waarden van de gronden dan wel de waarden (landschappelijke en/of natuurwaarden) verbonden aan de bestemming van de gronden, die aan het bestemmingsvlak grenzen; 2. Burgemeester en wethouders maken uitsluitend gebruik van de in lid 19.3.2 genoemde afwijkingsmogelijkheid, indien en voor zover door toepassing van deze afwijkingsmogelijkheid geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ruimtelijke kwaliteit en/of waarden van de gronden dan wel de waarden (landschappelijke en/of natuurwaarden) verbonden aan de bestemming van de gronden, die aan het bestemmingsvlak grenzen. 3. Alvorens omtrent een aanvraag omgevingsvergunning te beslissen, winnen burgemeester en wethouders, indien nodig, advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein meest aangewezen instantie.

19.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 19.4.1 Algemeen Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, op en/of in de gronden met de bestemming 'Recreatie - Dagrecreatie', de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen en/of verharden van (kavel)wegen en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen; b. het verlagen van de bodem, het afgraven, ontgrondingen, ophogen en/of egaliseren van de gronden, het ophogen van gronden (meer dan 10 cm) in verband met grootschalige verwerking van bagger; c. het aanleggen en/of dempen van watergangen, sloten, weidegreppels en andere waterlopen of het aanleggen van natuurelementen, zoals paddenpoelen, met een groter oppervlakte dan 250 m²; d. het aanbrengen van boven- en/of ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; e. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging tot gevolg hebben of kunnen hebben, met

Regels (vastgesteld)

95

bestemmingsplan Landelijk - 2 uitzondering van het vellen, rooien of beschadigen van fruitbomen en het periodiek afzetten van hakhout; f. diepwoelen of diepploegen; g. werken of werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of tot gevolg hebben, zoals uitdiepen of draineren dan wel het leggen van drainageleidingen; h. het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden (landschapselementen) en het aanbrengen van hoogopgaande beplanting en/of diepwortelende beplanting, waaronder begrepen rietbeplanting; i. het (chemisch) scheuren van grasland, anders dan voor normaal onderhoud of graslandverbetering; j. het uitvoeren van heiwerken of het op een andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem; k. het aanleggen/plaatsen van -niet als bouwwerk aan te merken- (folie)mestbassins, sleufsilo's en daarmee vergelijkbare voorzieningen; l. het aanleggen van draf-/renbanen, paardenbakken, longeer-ruimten en/of andere vergelijkbare voorzieningen voor paarden, alsmede het opbrengen van een laag zand voor het houden van paarden; m. het opbrengen van zand en/of ander materiaal ten behoeve van een ander gebruik van het grasland. 19.4.2 Uitzonderingen Het in lid 19.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op de volgende werken en werkzaamheden: a. het normale beheer en/of onderhoud van graslanden; b.

reeds in uitvoering zijnde (legale) werken en werkzaamheden bij de tervisielegging van het ontwerp van dit plan of werken en werkzaamheden waarvoor reeds een aanlegvergunning is verleend; c. de aanleg en/of normaal onderhoud van natuurvriendelijke oevers. 19.4.3 Voorwaarden omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 19.4.1 wordt slechts verleend, indien en voor zover de werken en/of werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft: a. noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming. b. geen onevenredige aantasting met zich meebrengen voor de landschappelijke, waarde van beplanting op deze gronden dan wel voor de waarden van de aan de bestemming grenzende gronden; c. de mogelijkheden voor het behoud, de versterking en/of het herstel van die waarden niet in onevenredige mate verkleinen; 19.4.4 Advies omtrent omgevingvergunning Alvorens omtrent een aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden te beslissen, winnen burgemeester en wethouders, indien nodig, advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein meest aangewezen instantie.

96

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2

Artikel 20 20.1

Recreatie - Recreatiewoning

Bestemmingsomschrijving

20.1.1 Algemeen De voor 'Recreatie - Recreatiewoning' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een bestaande recreatiewoning; met de daarbij behorende: b. c. d. e.

bebouwing; ontsluitingswegen, wandel- en fietspaden en parkeerplaatsen; groen- en nutsvoorzieningen; waterlopen.

20.1.2 Dubbelbestemming De bij deze bestemming behorende bouw-, gebruiks- en overige regels zijn slechts van toepassing indien en voor zover deze niet in strijd zijn met de regels, behorende bij de dubbelbestemming(en) waarvoor deze gronden eveneens zijn aangewezen.

20.2

Bouwregels

20.2.1 Algemeen Op deze gronden mogen, met in achtneming van het bepaalde in lid 20.2.2, uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd.

20.2.2 Bouwwerken Voor de plaatsing van bouwwerken als bedoeld in lid 20.2.1 in het bestemmingsvlak gelden de volgende regels: a. de onderlinge afstand van recreatiewoningen ten minste 15 m dient te bedragen; b. de oppervlakte van een recreatiewoning, inclusief bijbehorende bouwwerken, mag niet meer bedragen dan 55 m²; tenzij op de verbeelding anders is weergegeven; c. de goot-/bouwhoogte van bouwwerken mag niet meer bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel: bouwwerken

max. goothoogte (m)

max. bouwhoogte (m)

recreatiewoning

3

4,5

overige gebouwen

-

3

erf- of perceelgrensafscheidingen op ten minste 1 m achter de voorgevel(rooi)lijn

-

2

overige erf- of perceelgrensafscheidingen

-

1

20.3

Specifieke gebruiksregel

Een bestaande recreatiewoning met bijbehorende bouwwerken mag alleen voor permanente wonen gebruikt worden met in achtneming van artikel 48.3.

Regels (vastgesteld)

97

bestemmingsplan Landelijk - 2

20.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 20.4.1 Algemeen Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, op en/of in de gronden met de bestemming 'Recreatie - Recreatiewoning', de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het verlagen van de bodem, het afgraven, ontgrondingen, ophogen en/of egaliseren van de gronden; b. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging tot gevolg hebben of kunnen hebben, met uitzondering van het vellen, rooien of beschadigen van fruitbomen en het periodiek afzetten van hakhout; c. het onttrekken van grondwater. 20.4.2 Uitzonderingen Het in lid 20.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op de volgende werken en werkzaamheden: a. het normale beheer en/of onderhoud van graslanden; b. reeds in uitvoering zijnde (legale) werken en werkzaamheden bij de tervisielegging van het ontwerp van dit plan of werken en werkzaamheden waarvoor reeds een aanlegvergunning is verleend; c. betrekking hebben op het aanbrengen van verhardingen ten behoeve van in- en/of uitritten, tot een oppervlakte van ten hoogste 10 m²; d. de aanleg en/of normaal onderhoud van natuurvriendelijke oevers.

20.4.3 Voorwaarden omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 20.4.1 wordt slechts verleend, indien en voor zover de werken en/of werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft: a. noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming; b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de ruimtelijke kwaliteiten van het terrein; c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwaliteit en -kwantiteit; 20.4.4 Advies omtrent omgevingsvergunning Alvorens omtrent een aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden te beslissen, winnen burgemeester en wethouders, indien nodig, advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein meest aangewezen instantie.

98

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2

Artikel 21 21.1

Recreatie - Verblijfsrecreatie

Bestemmingsomschrijving

21.1.1 Algemeen De voor 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein' (kt): een kampeerterrein inclusief een trekkershut of een stacaravan; b. kantine/foyer; c. sanitaire voorzieningen; d. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' (bw): een bedrijfswoning; met de daarbij behorende: e. f. g. h. i. j. k.

groen- en nutsvoorzieningen; ontsluitingswegen; paden en verhardingen; parkeervoorzieningen; waterlopen en waterpartijen; bebouwing; verblijfsrecreatieve voorzieningen.

21.1.2 Dubbelbestemming De bij deze bestemming behorende bouw-, gebruiks- en overige regels zijn slechts van toepassing indien en voor zover deze niet in strijd zijn met de regels, behorende bij de dubbelbestemming(en) waarvoor deze gronden eveneens zijn aangewezen. 21.2

Bouwregels

21.2.1 Algemeen Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd: a. gebouwen; b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 21.2.2 Bouwwerken Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende regels: a. de grondoppervlakte van de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 150 m² , inclusief bijbehorende bouwwerken, of indien de bestaande oppervlakte meer dan 150 m² bedraagt, niet meer dan de bestaande oppervlakte, inclusief bijbehorende bouwwerken; b. de bedrijfsvloeroppervlakte van een kantine/foyer mag niet meer bedragen dan 50 m²; c. het aantal stacaravans ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp geldt als maximum toegestaan en mag niet worden vergroot; d. de grondoppervlakte van een stacaravan mag niet meer bedragen dan 27 m²; e. bij elke stacaravan mag één bijbehorend bouwwerk worden gebouwd, waarbij de grondoppervlakte ten hoogste 4 m² bedraagt; f. de grondoppervlakte van trekkershutten mag niet meer bedragen dan 35 m²; g. in uitzondering op lid 21.2.2 sub f mag de oppervlakte van de trekkershutten met de aanduiding kampeerterrein (kt) maximaal 50 m2 bedragen; h. de goot-/bouwhoogte van bouwwerken mag niet meer bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel:

Regels (vastgesteld)

99

bestemmingsplan Landelijk - 2

bouwwerken

max. goothoogte (m)

max. bouwhoogte (m)

bedrijfswoningen (inclusief bijbehorende bouwwerken)

4,5

9

bij de bedrijfswoning bijbehorende bouwwerken

3

6

stacaravans

-

3,5

trekkershutten

3

4,5

bijbehorende bouwwerken

3

4,5

erf- of perceelgrensafscheidingen op het woonerf en ten minste 1 m achter de voorgevel(rooi)lijn van de bedrijfswoning

-

2

erf- of perceelgrensafscheidingen op het kampeerterrein

-

2

overige erf- of perceelgrensafscheidingen

-

1

overige bouwwerken, geen gebouw zijnde

-

5

21.3

Specifieke gebruiksregels

a. ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein' (kt) mogen ten hoogste het aantal niet permanente kampeerplaatsen, ten behoeve van niet-permanente verblijfsrecreatie, aanwezig zijn zoals die aanwezig waren ten tijde van de ter inzage legging van dit bestemmingsplan, alsmede mogen twee trekkershutten worden gebouwd; b. indien de bestaande dan wel voormalige bedrijfswoning op enig moment is of wordt verkocht, of een bedrijfssplitsing of enige daarmee gelijk te stellen transactie plaatsvindt of heeft plaatsgevonden, waarbij die bedrijfswoning is of wordt afgestoten, blijft die woning tellen als een bedrijfswoning; 21.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 21.4.1 Algemeen Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, op en/of in de gronden met de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie', onder andere in verband met het aan het aanbrengen van afgeschermde beplanting, houtgewas - hieronder begrepen cultuurgewassen - te vellen of te rooien of werken/werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren, welke de dood of ernstige beschadiging van het houtgewas ten gevolge (kunnen) hebben.

21.4.2 Uitzonderingen Het in lid 21.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op de volgende werken en werkzaamheden: a. het normale beheer en/of onderhoud gericht op en noodzakelijk voor de instandhouding van het onderhavige plangebied; b. reeds in uitvoering zijnde (legale) werken en werkzaamheden bij de tervisielegging van het ontwerp van dit plan of werken en werkzaamheden waarvoor reeds een aanlegvergunning is verleend; c. andere werken en/of werkzaamheden die uit het oogpunt van de ruimtelijke ordening van niet ingrijpende betekenis zijn. 21.4.3 Voorwaarden omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 21.4.1 wordt slechts verleend, indien en voor zover de werken en/of werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft: a. geen onevenredige aantasting met zich meebrengen voor de landschappelijke, waarde van 100

Regels (vastgesteld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=cddf6c73-2f1c-41bf-9826-770e6e68faa2