CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

3551-09 Regels bestemmingsplan 'Landelijk - 2'

Commissie Omgeving 26 juni 2024, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen bestemmingsplan Landelijk-232.987 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

het gebruik van de gronden voor extensieve weidegang door paarden; k. het hobbymatig houden van paarden; met de daarbij behorende: l. bebouwing; m. ontsluitingswegen en (wandel)paden; n. groenvoorzieningen, waaronder afschermende beplanting langs bouwpercelen; o. waterlopen. 7.1.2

Dubbelbestemming

De bij deze bestemming behorende bouw-, gebruiks- en overige regels zijn slechts van toepassing indien en voor zover deze niet in strijd zijn met de regels, behorende bij de dubbelbestemming(en) waarvoor deze gronden eveneens zijn aangewezen.

7.2

Bouwregels

7.2.1

Algemeen

Op deze gronden mogen, indien noodzakelijk voor en ten behoeve van de bestemming, uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.

7.2.2

Maatvoering bebouwing

Voor bouwwerken als bedoeld in lid 7.2.1 geldt de volgende maatvoering: a. van een schuilgelegenheid voor vee mag de afmetingen niet meer bedragen dan de bestaande afmetingen; b. erfgrens- en perceelgrensafscheidingen, hekwerken en andere soorten afscheidingen mogen niet hoger zijn dan 1 m; Regels (vastgesteld)

53

bestemmingsplan Landelijk - 2 c. andere bouwwerken, geen gebouw zijnde, mogen niet hoger zijn dan 2 m, waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 5 m². 7.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 7.3.1

Algemeen

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, op en/of in de gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden', de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen en/of verharden van (kavel)wegen en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen en toeritten naar bouwwerken op percelen uitgezonderd; b. het verlagen van de bodem, het afgraven, ontgrondingen, ophogen en/of egaliseren van de gronden, het ophogen van gronden in verband met grootschalige verwerking van bagger; c. het aanleggen en/of dempen van watergangen, sloten, weidegreppels en andere waterlopen of het aanleggen van natuurelementen, zoals paddenpoels, met een groter oppervlakte dan 250 m²; d. het aanbrengen van boven- en/of ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; e. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging tot gevolg hebben of kunnen hebben, met uitzondering van het vellen, rooien of beschadigen van fruitbomen en het periodiek afzetten van hakhout; f. diepwoelen of diepploegen; g. het beplanten met houtopstanden of het aanbrengen van hoogopgaande beplanting en/of diepwortelende beplanting; h.

het (chemisch) scheuren van grasland voor ruwvoederteelt of anderszins, anders dan voor normaal onderhoud of graslandverbetering; i. het uitvoeren van heiwerken of het op een andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem; j. het aanleggen/plaatsen van - niet als bouwwerk aan te merken - (folie)mestbassins, sleufsilo's en daarmee vergelijkbare voorzieningen; k. het opbrengen van zand en/of ander materiaal ten behoeve van een ander gebruik van het grasland. 7.3.2

Uitzonderingen

Het in lid 7.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op de volgende werken en werkzaamheden: a. het normale beheer en/of onderhoud van graslanden; b. reeds in uitvoering zijnde (legale) werken en werkzaamheden bij de tervisielegging van het ontwerp van dit plan of werken en werkzaamheden waarvoor reeds een aanlegvergunning is verleend; c. de aanleg en/of normaal onderhoud van natuurvriendelijke oevers; 7.3.3

Voorwaarden omgevingsvergunning voor ruwvoederteelt

Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 7.3.1 verlenen voor een tijdelijk gebruik van grasland als bouwland ten behoeve van de ruwvoedervoorziening van het agrarisch bedrijf, zoals bedoeld onder lid 7.3.1 onder h. Onder dit gebruik wordt niet verstaan het scheuren van grasland ten behoeve van verbetering van de grasmat waarbij, na het scheuren, direct herinzaai plaatsvindt. De omgevingsvergunning als hier bedoeld wordt slechts verleend, indien en voor zover: a. buiten deze bestemming geen alternatieve mogelijkheden voor het agrarisch bedrijf zijn en het betreffende gebruik noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering; b. de oppervlakte van het bouwland niet meer bedraagt dan 20 % van de binnen de bestemming bij het bedrijf behorende gronden; c. de oppervlakte van het bouwland per bedrijf niet meer bedraagt dan 8 ha; de betreffende werkzaamheden:

54

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2 d. geen onevenredige aantasting met zich meebrengen voor de landschappelijke, cultuurhistorische, vogelkundige en/of archeologische waarden van de gronden; e. de mogelijkheden voor het behoud, de versterking en/of het herstel van die waarden niet in onevenredige mate verkleinen; f. noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming, waaronder ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering; en indien: g. een afweging van de in het geding zijnde belangen, waaronder begrepen het agrarisch belang, en voor zover aan de orde, de belangen die met de in dit bestemmingsplan opgenomen dubbelbestemmingen worden gediend, tot uitkomst heeft dat een omgevingsvergunning in redelijkheid niet kan worden geweigerd. h. Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van het bepaalde onder a. advies inwinnen bij een agrarische deskundige. 7.3.4

Voorwaarden omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning voor de overige werken en werkzaamheden als bedoeld in lid 7.3.1 wordt slechts verleend, indien en voor zover de werken en/of werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft: a. geen onevenredige aantasting met zich meebrengen voor de landschappelijke, cultuurhistorische, vogelkundige en/of archeologische waarden van de gronden; b. de mogelijkheden voor het behoud, de versterking en/of het herstel van die waarden niet in onevenredige mate verkleinen; c. noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming, waaronder ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering; d. geen belemmering met zich meebrengen voor bestaande agrarische bedrijfsvoeringen en/of de inrichting dan wel uitbreidingsmogelijkheden van agrarische bedrijfspercelen; en indien: een afweging van de in het geding zijnde belangen, waaronder begrepen het agrarisch belang, en voor zover aan de orde, de belangen die met de in dit bestemmingsplan opgenomen dubbelbestemmingen worden gediend, tot uitkomst heeft dat een omgevingsvergunning in redelijkheid niet kan worden geweigerd.

7.3.5

Advies omtrent omgevingsvergunning

Alvorens omtrent een aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden te beslissen, winnen burgemeester en wethouders, indien nodig, advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein meest aangewezen instantie.

7.4

Specifieke gebruiksregels

7.4.1

Kleinschalig kamperen

Het gebruik van kleinschalig kamperen, zoals bedoeld in lid 7.1.1 onder i., is toegestaan 1. alleen bij de grondgebonden agrarische bedrijven; 2. waarbij de kampeermiddelen uitsluitend in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober op de gronden mogen staan; 3. maximaal 25 kampeermiddelen zijn toegestaan; 4. kampeermiddelen zijn binnen of direct aansluitend op het bouwvlak van de ter plaatse gevestigde grondgebonden agrarische bedrijven dienen te worden gesitueerd.

Regels (vastgesteld)

55

bestemmingsplan Landelijk - 2

7.4.2

Extensieve weidegang paarden

Een extensieve weidegang voor paarden, zoals bedoeld in lid 7.1.1 onder j., is toegestaan behorende bij de ondergeschikte deeltijdactiviteiten bij de grondgebonden agrarische bedrijven, geen paardenfokkerij zijnde. 7.4.3

Hobbymatig houden van paarden

Hobbymatig houden van paarden, zoals bedoeld in lid 7.1.1 onder k., is toegestaan a. van/door particulieren, die op de aan deze gronden grenzende woonbestemmingen woonachtig zijn; b. voor maximaal 4 paarden; c. dit gebruik geen onevenredige afbreuk mag doen aan de in lid 7.1.1 onder b. en c. genoemde waarden.

56

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2

Artikel 8

Bedrijf

8.1

Bestemmingsomschrijving

8.1.1

Algemeen

a. De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn, ter plaatse van de in onderstaande tabel aangegeven aanduiding, uitsluitend bestemd voor het daarbij aangegeven bestaande bedrijf of combinatie van bedrijvigheid: Specifieke aanduiding

type bedrijf

'sb-01'

metaalbewerkings- annex constructiebedrijf

'sb-02'

installatie annex loodgietersbedrijf

'sb-cwp'

constructiewerkplaats

'sb-04'

hondenpension annex veehandelsbedrijf

'sb-05'

hoveniersbedrijf

'sb-06'

transportbedrijf

'sb-07'

kaashandel

'sb-08'

garagebedrijf annex autospuiterij

'sb-09'

agrarisch aanverwant bedrijf

'sb-10'

loonbedrijf

'sb-11'

opslagbedrijf

sb-dpcr

dierenpension annex crematorium

'sb-13'

opslag-/reparatiebedrijf aanhangwagens annex groothandel in aanhangwagens

'sb-14'

meubelmakerij

'sb-15'

pluimvee- en vleesverwerkingsbedrijf annex opslag en groothandel in pluimvee- en vleesproducten

'sb-16'

handels- en herstelbedrijf landbouwmachines

'sb-17'

handels-, transport- en opslagbedrijf

sb-18

opslag- en stallingsbedrijf

'sb-vhb'

verhuurbedrijf

b. indien geen aanduiding is opgenomen zijn maximaal bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in milieucategorie 1 of 2 van de als Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan; c. per bestemmingsvlak mag één bedrijf zijn gevestigd; d. per bestemmingsvlak is één bedrijfswoning toegestaan, voor zover deze bestaand is, met dien verstande dat geen bedrijfswoning mag worden gebouwd, ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' (-bw); e. indien, bij uitzondering, op de verbeelding de aanduiding 'bedrijfswoning' (bw) is aangegeven zijn twee bedrijfswoningen toegestaan; f. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'kas' (ks): zijn bestaande kassen bij hoveniersbedrijven toegestaan; met daaraan ondergeschikt:

Regels (vastgesteld)

57

bestemmingsplan Landelijk - 2 g. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'caravanstalling' (cs): een bestaande opslag van caravans; met de daarbij behorende: h. bebouwing; i. ontsluitingswegen; j. paden en verhardingen; k. parkeervoorzieningen; l. groen- en nutsvoorzieningen; m. waterlopen; n. tuinen en erven 8.1.2

Dubbelbestemming

De bij deze bestemming behorende bouw-, gebruiks- en overige regels zijn slechts van toepassing indien en voor zover deze niet in strijd zijn met de regels, behorende bij de dubbelbestemming(en) waarvoor deze gronden eveneens zijn aangewezen.

8.2

Bouwregels

8.2.1

Algemeen

Op deze gronden mogen ten dienste van de bestemming uitsluitend worden gebouwd: a. gebouwen; b. bouwwerken ten behoeve van nutsvoorzieningen; c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 8.2.2

Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; b. de goothoogte, respectievelijk de bouwhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven; c. indien op de verbeelding een maximum bebouwingsoppervlak is weergegeven, mag dit niet worden overschreden; d. indien op de verbeelding geen maximum bebouwingsoppervlak is weergegeven, mag het bouwvlak voor 100% worden bebouwd; e. de inhoud van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 650 m³, inclusief bijbehorende bouwwerken, of indien de bestaande inhoud meer dan 650 m³ bedraagt, niet meer dan de bestaande inhoud, inclusief bijbehorende bouwwerken; f. bedrijfswoningen dienen te worden afgedekt met een kap waarvan de dakhelling ten minste 20º en ten hoogste 60º bedraagt; g. indien ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van dit plan de goothoogte, dakhelling en/of bouwhoogte van gebouwen niet opgenomen is in de verbeelding dan wel afwijkt van het vorenstaande, geldt de bestaande goothoogte, dakhelling en/of bouwhoogte voor deze gebouwen als maximum en mag deze niet worden vergroot. 8.2.3

Bijbehorende bouwwerken

a. Het bouwen van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan bij een is toegestaan, mits wordt voldaan aan de volgende regels: 1. het bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan op de grond staand is, en; 2. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, en; 3. niet hoger dan 5 m, met inachtneming van het bepaalde onder leden b en c, en 4. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag alleen op de eerste bouwlaag, en 5. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen. b. Voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger

58

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2 dan: 1. 5 m; 2. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, en 3. het hoofdgebouw. c. Voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw: 1. indien hoger dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55 graden, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formulier: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; 2. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het betreft huisvesting in verband met mantelzorg; d. De oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt niet meer dan: 1. in geval van een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m²: 50% van dat bebouwingsgebied; 2. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 100 m² en kleiner dan of gelijk aan 300 m²: 50 m², vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m²; 3. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m²: 90 m², vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m², tot een maximum van in totaal 150 m². e.

Het bouwen van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan is niet toegestaan aan of bij: 1. een woonwagen; 2. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor het bouwen daarvan is bepaald dat de vergunninghouder na verstrijken van een bij die vergunning aangegeven termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand hersteld te hebben; 3. een bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf voor een huishouden. 8.2.4

Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen binnen het bestemmingsvlak worden gebouwd; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan aangegeven in de onderstaande tabel:

Regels (vastgesteld)

59

bestemmingsplan Landelijk - 2

Bouwwerken, geen gebouw zijnde, in het voorerfgebied

Max. bouwhoogte (m)

Erf- en perceelgrensafscheidingen

1

Lantaarnpalen

4

Pilasters/penanten en soortgelijke plaatselijke versieringen

1,5

Vlaggenmasten

6

Overige bouwwerken, geen gebouw zijnde

1,5

Bouwwerken, geen gebouw zijnde, in het achtererfgebied

Max. bouwhoogte (m)

Erf- en perceelgrensafscheidingen

2

Antenne-installaties die op bouwwerken worden geplaatst, niet zijnde schotelantennes

5

Lantaarnpalen

6

Objecten voor beeldende kunst

6

Schotelantennes

3

Vlaggenmasten

6

Vrijstaande antenne-installaties, niet zijnde schotelantennes ten behoeve van mobiele telecommunicatie

5

Vrijstaande antenne-installaties, ten behoeve van telecommunicatie, niet zijnde schotelantennes en zonder techniekkast

15

Overige bouwwerken, geen gebouw zijnde

3

8.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 8.3.1

Algemeen

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, op en/of in de gronden met de bestemming 'Bedrijf', de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het verlagen van de bodem, het afgraven, ontgrondingen, ophogen en/of egaliseren van de gronden; b. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging tot gevolg hebben of kunnen hebben, met uitzondering van het vellen, rooien of beschadigen van fruitbomen en het periodiek afzetten van hakhout; c. het onttrekken van grondwater. 8.3.2

Uitzonderingen

Het in lid 8.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op de volgende werken en werkzaamheden: a. het normale beheer en/of onderhoud van graslanden; b. reeds in uitvoering zijnde (legale) werken en werkzaamheden bij de tervisielegging van het ontwerp van dit plan of werken en werkzaamheden waarvoor reeds een aanlegvergunning is verleend; c. betrekking hebben op het aanbrengen van verhardingen ten behoeve van in- en/of uitritten, tot een oppervlakte van ten hoogste 10 m²; d. de aanleg en/of normaal onderhoud van natuurvriendelijke oevers.

60

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2

8.3.3

Voorwaarden omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 8.3.1 wordt slechts verleend, indien en voor zover de werken en/of werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft: a. noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming; b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de ruimtelijke kwaliteiten van het terrein; c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwaliteit en -kwantiteit; 8.3.4

Advies omtrent omgevingsvergunning

Alvorens omtrent een aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden te beslissen, winnen burgemeester en wethouders, indien nodig, advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein meest aangewezen instantie.

8.4

Wijzigingsbevoegdheid

8.4.1

Ander type bedrijf

Burgemeester en wethouders zijn op grond van het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro bevoegd een in lid 8.1.1 genoemde aanduiding van specifieke vorm van bedrijf te wijzigen in een andere aanduiding van specifieke vorm van bedrijf of de aanduiding van specifieke vorm van bedrijf te verwijderen, ten behoeve van: a. een landelijk bedrijf of een ander bedrijf, zoals genoemd in de categorie 1, 2 of 3 van de Staat van bedrijfsactiviteiten; b. een ander bedrijf, dat niet is genoemd in de Staat van bedrijfsactiviteiten, maar dat naar aard en milieu-planologische hinder gelijk is te stellen met een bedrijf genoemd onder a. 8.4.2

Voorwaarden wijziging

Voor de toepassing van de in lid 8.4.1 genoemde wijzigingsbevoegdheid, gelden de volgende voorwaarden: a. de wijzigingsbevoegdheid wordt uitsluitend toegepast indien bij dat type bedrijf geen (nieuwe) bedrijfswoning noodzakelijk is en voor zover het aantal verkeersbewegingen gerelateerd aan de betreffende bedrijfsfunctie passend is; b. de wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van andere bedrijven wordt uitsluitend toegepast indien de ter plaatse te vestigen bedrijfscategorie niet zwaarder is dan de bedrijfscategorie van het bedrijf dat overeenkomstig het bepaalde in lid 8.1.1 ter plaatse is bestemd of indien het ter plaatse te vestigen bedrijf naar aard en milieu/planologische hinder, niet belastender is dan het bedrijf dat overeenkomstig het bepaalde in lid 8.1.1 ter plaatse is bestemd; c. ter toets van de aard, omvang en het toekomstperspectief van het ter plaatse te vestigen bedrijf, dient vooraf bij burgemeester en wethouders een bedrijfsplan te worden ingediend; d. burgemeester en wethouders kunnen over de aard, omvang en het toekomstperspectief van de ter plaatse te vestigen bedrijfsvoering dan wel over de noodzaak en doelmatigheid van de gewenste bebouwing/voorzieningen advies inwinnen bij een deskundige op het gebied van de bedrijfsfunctie; e.

in de bij het wijzigingsplan behorende regels wordt aangegeven, welk type bedrijf op het betreffende perceel is toegestaan, alsmede de gebruiksmogelijkheden en daarbij toegestane bebouwing en voorzieningen met bijbehorende maatvoering, met dien verstande dat het bepaalde in artikel 8 van overeenkomstige toepassing is, voor zover in het wijzigingsplan niet anders is geregeld; daarbij dient zoveel als mogelijk gebruik te worden gemaakt van de bestaande gebouwen; f. indien een bestaande bedrijfswoning op het bouwperceel aanwezig is, overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.2.2, wordt deze woning aangemerkt als de bedrijfswoning behorende bij de nieuwe bedrijfsfunctie; g. indien er geen bedrijfswoning overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.2.2 op het bouwperceel aanwezig is, is geen bedrijfswoning bij de nieuwe bedrijfsfunctie toegestaan; h. indien het bouwperceel wordt (her)ingericht, dient bij burgemeester en wethouders vooraf een inrichtingsplan te worden ingediend, op basis waarvan onder andere de ruimtelijke dan wel

Regels (vastgesteld)

61

bestemmingsplan Landelijk - 2 landschappelijke inpassing van de bebouwing (inclusief ontsluiting en parkeren) kan worden getoetst; i. de wijziging mag geen toename van de bestaande oppervlakte aan bedrijfsbebouwing met zich meebrengen; j. indien nieuwe bebouwing ten behoeve van de bedrijfsvoering benodigd is, dient deze landschappelijk goed te worden ingepast, waarvoor burgemeester en wethouders advies kunnen inwinnen bij een landschapsdeskundige; k. er mag door de wijziging geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de waarden verbonden aan de bestemming van de gronden die aan het bestemmingsvlak/bouwvlak grenzen of de cultuurhistorische waarde van bebouwing ter plaatse dan wel in de directe omgeving; l. de wijziging mag niet tot gevolg hebben dat omliggende (agrarische) bedrijven in onevenredige mate in hun bedrijfsvoering worden aangetast; m. de wijziging mag geen onevenredige schade, hinder of andere nadelige (milieu)gevolgen voor de omgeving met zich meebrengen. n. er mag ten behoeve van de nieuwe functie geen opslag/stalling in de open lucht, onder overkappingen en/of in kassen plaatsvinden, behoudens opslag/stalling overeenkomstig de bestemming; o. de wijze waarop aan de nieuwe functie uitvoering wordt gegeven, dient te passen bij de specifieke kwaliteiten van de omgeving en mag niet leiden tot een aantasting van het landelijke karakter van het gebied, o.a.

door visuele aspecten, zoals reclame-uitingen. 8.4.3

Bewoning bestaande woning(en) na beëindiging bedrijfsvoering

Burgemeester en wethouders zijn op grond van het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro bevoegd de bestemming 'Bedrijf' van de gronden ter plaatse van een bestaand bedrijf genoemd in de in lid 8.1.1 opgenomen tabel, te wijzigen in de bestemming 'Wonen - Grondgebonden - buitengebied' als bedoeld in artikel 28, ten behoeve van het gebruik van de bestaande bedrijfswoning(en) als burgerwoning(en), indien is komen vast te staan dat de bedrijfsvoering geheel is beëindigd en wijziging van de bestemming gewenst/noodzakelijk is. 8.4.4

Voorwaarden wijziging

Voor de toepassing van de in lid 8.4.3 genoemde wijzigingsbevoegdheid gelden de volgende voorwaarden: a. de gronden ter plaatse van en aansluitend op de bestaande voormalige bedrijfswoning(en) worden aangewezen met de bestemming 'Wonen - Grondgebonden - buitengebied', waarbij: 1. de grootte van het bijbehorend bestemmingsvlak wordt afgestemd op de inrichting van het erf, de omvang en/of waarde van de aanwezige bebouwing; 2. het bepaalde in artikel 28 van overeenkomstige toepassing is, voor zover in het wijzigingsplan niet anders is bepaald; b. eventueel resterende gronden (gronden die niet voor 'Wonen - Grondgebonden - buitengebied ' worden bestemd) worden toegevoegd aan en bestemd overeenkomstig de agrarische bestemming, waaraan het bestemmingsvlak grenst, zijnde 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden ' of 'Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden', waarbij het bepaalde in artikel 6 respectievelijk artikel 7 van overeenkomstige toepassing is; c. alle voormalige bedrijfsgebouwen dienen te worden gesloopt; d. burgemeester en wethouders kunnen toestaan dat een deel van de voormalige bedrijfsgebouwen behouden blijft, indien deze kunnen fungeren als bijbehorend bouwwerk bij de bestaande woning(en) en geen onevenredig afbreuk doen aan de ruimtelijke kwaliteit en/of waarden van andere bebouwing ter plaatse of van het gebied; e.

bij een herinrichting van het bouwperceel dient vooraf bij burgemeester en wethouders een inrichtingsplan te worden ingediend, op basis waarvan onder ander de meerwaarde van de wijziging voor de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse en de ruimtelijke dan wel landschappelijke inpassing van de instand te houden bebouwing en/of nieuwbouw kunnen worden getoetst; f. voor zover voormalige bedrijfsgebouwen niet worden gesloopt, dienen deze te fungeren als bijbehorende bouwwerken bij de woning(en); indien deze gebouwen door de wijziging (deels) buiten het bestemmingsvlak komen te staan, is op die gebouwen het overgangsrecht van toepassing; g. het aantal woningen binnen het bestemmingsvlak mag door de wijziging niet worden vergroot,

62

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2 behoudens toepassing van artikel 47.2; h. er mag door de wijziging geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de ruimtelijke kwaliteit en/of de cultuurhistorische waarde van de bebouwing ter plaatse dan wel aan de waarden (landschappelijke en/of natuurwaarden) verbonden aan de bestemming van de gronden, die aan het bestemmingsvlak grenzen. 8.4.5

Wro-zone - wijzigingsgebied - 2

Burgemeester en wethouders zijn op grond van het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro bevoegd ter plaatse van de voor 'Wro-zone - wijzigingsgebied - 2' aangewezen gronden, de bestemming 'Bedrijf' als bedoeld in artikel 8, met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - 03' ten behoeve van het ter plaatste gevestigde dierenpension annex crematorium, te wijzigen in de bestemming 'Wonen - Grondgebonden buitengebied' als bedoeld in artikel 28, ten behoeve van de bouw van twee nieuwe burgerwoningen als compensatie voor de bedrijfsbeëindiging en sloop van de (voormalige) bedrijfsbebouwing, indien is komen vast te staan dat: a. de bedrijfsvoering van het ter plaatse gevestigde bedrijf is of wordt beëindigd; b. vestiging van een nieuw niet-agrarisch bedrijf ter plaatse niet gewenst is; c. wijziging van de bestemming ten behoeve van de woonfunctie gewenst dan wel noodzakelijk is en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse door de wijziging noemenswaardig zal verbeteren. Voor zover van toepassing, worden bij de wijziging delen van het bestaande bestemmingsvlak/bouwvlak verwijderd en bestemd voor 'Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden' als bedoeld in artikel 7.

8.4.6

Voorwaarden wijziging

Voor de toepassing van de in lid 8.4.5 genoemde wijzigingsbevoegdheid gelden de volgende voorwaarden: a. voor de inrichting van de nieuwe bouwpercelen dient vooraf bij burgemeester en wethouders een inrichtingsplan te worden ingediend, op basis waarvan onder andere de meerwaarde van de wijziging voor de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse en de ruimtelijke dan wel landschappelijke inpassing van de nieuwbouw (inclusief bijbehorende voorzieningen, zoals ontsluiting, parkeren) kunnen worden getoetst; b. de grootte en situering van de voor de nieuwe woningen op te nemen bestemmingsvlakken met de bestemming 'Wonen' dient te worden afgestemd op het aantal nieuw te bouwen woningen, de inrichting van de erven en de inpassing daarvan in het gebied; c. het bepaalde in artikel 21 is van overeenkomstige toepassing voor de nieuw te bouwen woningen, voor zover in het wijzigingsplan niet anders is geregeld; d. eventueel resterende gronden (gronden die niet voor 'Wonen' worden bestemd) worden toegevoegd aan en bestemd overeenkomstig de agrarische bestemming, waaraan het bestemmingsvlak grenst, zijnde 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' of 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden', waarbij het bepaalde in artikel 6respectievelijk artikel 7 van overeenkomstige toepassing is; e.

de bebouwing dient landschappelijk goed te worden ingepast, met inachtneming van de in de Ruimtelijke kwaliteitsparagraaf beschreven kwaliteit van het gebied, ten aanzien waarvan burgemeester en wethouders advies kunnen inwinnen bij een landschapsdeskundige; f. op geen van de gevels van de nieuw te bouwen woning(en), bij voltooiing, mag de geluidbelasting de ter plaatse toegestane voorkeursgrenswaarde krachtens de Wet geluidhinder wordt overschreden; g. de wijziging mag niet tot gevolg hebben dat omliggende (agrarische) bedrijven in onevenredige mate in hun bedrijfsvoering worden aangetast; h. de wijziging mag geen onevenredige schade, hinder of andere nadelige (milieu)gevolgen voor de omgeving met zich meebrengen; i. indien in het kader van de grondexploitatiewetgeving kosten (o.a plankosten) worden verhaald bij de bij de bouw van de nieuwe woningen belanghebbende partij(en), dient vóór de vaststelling van het betreffende wijzigingsplan, een anterieure overeenkomst met die partij(en) te zijn gesloten of van gemeentewege een exploitatieplan te zijn vastgesteld.

Regels (vastgesteld)

63

bestemmingsplan Landelijk - 2 j.

64

in het wijzigingsplan dient te worden aangegeven hoe de veiligheid en bereikbaarheid van het betreffende perceel voor verkeer dan wel hulpdiensten wordt gewaarborgd.

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2

Artikel 9

Bedrijf - Nutsvoorziening

9.1

Bestemmingsomschrijving

9.1.1

Algemeen

De voor 'Bedrijf - Nutsvoorziening' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. (openbare) nutsvoorzieningen; b. ter plaatse van de aanduiding 'gemaal' (gm) een gemaal; met de daarbij behorende: c. d. e. f. g. h. i. j.

bebouwing en noodvoorzieningen; duikers en bruggen; groenvoorzieningen; in- en uitritten; ontsluitingswegen; paden en verhardingen; parkeervoorzieningen; waterlopen en waterpartijen.

9.1.2

Dubbelbestemming

De bij deze bestemming behorende bouw-, gebruiks- en overige regels zijn slechts van toepassing indien en voor zover deze niet in strijd zijn met de regels, behorende bij de dubbelbestemming(en) waarvoor deze gronden eveneens zijn aangewezen.

9.2

Bouwregels

9.2.1

Algemeen

Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd: a. hoofdgebouwen; b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 9.2.2

Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; b. ter plaatse van de aanduiding 'gemaal' (gm) mag de bestaande goot- en bouwhoogte niet worden overschreden; c. de hoogte van overige bouwwerken mag niet meer bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel: bouwwerken

max. bouwhoogte (m)

erf- of perceelgrensafscheidingen op ten minste 1 m achter de voorgevel(rooi)lijn:

2

overige erf- of perceelgrensafscheidingen

1

licht- en vlaggenmasten

12

technische installaties en overige bouwwerken, geen gebouw zijnde

10

d. indien ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van dit plan de goothoogte, dakhelling en/of bouwhoogte van gebouwen niet opgenomen is in de verbeelding dan wel afwijkt van het vorenstaande, geldt de bestaande goothoogte, dakhelling en/of bouwhoogte voor deze gebouwen als maximum en mag deze niet worden vergroot.

Regels (vastgesteld)

65

bestemmingsplan Landelijk - 2

9.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 9.3.1

Algemeen

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, op en/of in de gronden met de bestemming 'Bedrijf - Nutsvoorziening, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het verlagen van de bodem, het afgraven, ontgrondingen, ophogen en/of egaliseren van de gronden; b. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging tot gevolg hebben of kunnen hebben, met uitzondering van het vellen, rooien of beschadigen van fruitbomen en het periodiek afzetten van hakhout; c. het onttrekken van grondwater. 9.3.2

Uitzonderingen

Het in lid 9.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op de volgende werken en werkzaamheden: a. het normale beheer en/of onderhoud van graslanden; b. reeds in uitvoering zijnde (legale) werken en werkzaamheden bij de tervisielegging van het ontwerp van dit plan of werken en werkzaamheden waarvoor reeds een aanlegvergunning is verleend; c. betrekking hebben op het aanbrengen van verhardingen ten behoeve van in- en/of uitritten, tot een oppervlakte van ten hoogste 10 m²; d. de aanleg en/of normaal onderhoud van natuurvriendelijke oevers. 9.3.3

Voorwaarden omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 9.3.1 wordt slechts verleend, indien en voor zover de werken en/of werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft: a. noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming; b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de ruimtelijke kwaliteiten van het terrein; c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwaliteit en -kwantiteit; 9.3.4

Advies omtrent omgevingsvergunning

Alvorens omtrent een aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden te beslissen, winnen burgemeester en wethouders, indien nodig, advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein meest aangewezen instantie.

9.4

Wijzigingsbevoegdheid

9.4.1

Beëindiging nutsactiviteiten

Burgemeester en wethouders zijn op grond van het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro bevoegd de bestemming 'Bedrijf - Nutsvoorziening' te wijzigen in de bestemming van de gronden die direct aan het bestemmingsvlak grenzen, indien is komen vast te staan dat de nutsactiviteiten ter plaatse zijn beëindigd en het instandhouden van de bestemming niet langer noodzakelijk dan wel gewenst is. Bij wijziging is het bepaalde in het bij de betreffende bestemming behorende artikel, dienovereenkomstig van toepassing. 9.4.2

Voorwaarden wijziging

Voor de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid genoemd in lid 9.4.1 gelden de volgende voorwaarden: a. de wijziging mag in ruimtelijk en milieuhygiënisch opzicht geen verslechtering voor de omgeving met zich meebrengen;

66

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2 b. de wijziging mag de waarden van de omliggende gronden dan wel bebouwing geen schade toebrengen; c. de bebouwing dan wel voorzieningen dienen, voor zover deze geen cultuurhistorische waarden hebben, te worden verwijderd.

Regels (vastgesteld)

67

bestemmingsplan Landelijk - 2

Artikel 10 10.1

Bergruimten

Bestemmingsomschrijving

10.1.1 Algemeen De voor 'Bergruimten' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. de verhuur van opslagruimte aan particulieren; met de daarbij behorende: b. c. d. e.

bebouwing; ontsluitingsweg en parkeerplaatsen; groen- en nutsvoorzieningen; waterlopen.

10.1.2 Dubbelbestemming De bij deze bestemming behorende bouw-, gebruiks- en overige regels zijn slechts van toepassing indien en voor zover deze niet in strijd zijn met de regels, behorende bij de dubbelbestemming(en) waarvoor deze gronden eveneens zijn aangewezen.

10.2

Bouwregels

10.2.1 Algemeen Op deze gronden mogen, met in achtneming van het bepaalde in artikel 10.2.2 , uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming (het gebruik genoemd in artikel 10.4.2 inbegrepen) worden gebouwd, met dien verstande dat: a. de bebouwing ruimtelijk dan wel landschappelijk goed dient te worden ingepast, met inachtneming van de in de Ruimtelijke kwaliteitsparagraaf beschreven ruimtelijke kwaliteit en karakteristiek van het gebied, zoals opgenomen in Bijlage 6 Ruimtelijke kwaliteitsparagraaf; b. het bevoegd gezag kan over de landschappelijke inpassing van bebouwing advies inwinnen bij een landschapsdeskundige. 10.2.2 Inrichting bestemmingsvlak en maatvoering bebouwing Voor de plaatsing van bouwwerken als bedoeld in artikel 10.2.1 in het bestemmingsvlak gelden de volgende regels: a. ter plaatse is één of meer gebouwen ten behoeve van de opslag/stalling als bedoeld in artikel 10.1.1 toegestaan, met dien verstande dat deze gebouwen in het bouwvlak dienen te worden gesitueerd; b. de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen mag niet meer bedragen dan 340 m²; c. de gebouwen dienen te worden afgedekt met een kap. 10.3

Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan aanvullend op het bepaalde in lid 10.2 nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en afmeting van bouwwerken, in verband met: a. een goede ruimtelijke dan wel landschappelijke inpassing van bebouwing op het (bouw)perceel dan wel in het gebied; b. het behoud, herstel dan wel de versterking van de karakteristieken dan wel waarden van het gebied en/of van (de cultuurhistorische waarde van) de bebouwing, met inachtneming van de Ruimtelijke kwaliteitsparagraaf zoals opgenomen in Bijlage 6 Ruimtelijke kwaliteitsparagraaf; c. de situering, gebruiksmogelijkheden en/of de (beperking van) bezonning van de aangrenzende gronden en/of bouwwerken; d. geluidaspecten, milieuaspecten, verkeersveiligheid en/of andere veiligheidsaspecten.

68

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2

10.4

Specifieke gebruiksregels

10.4.1 Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik van gronden en/of bouwwerken met deze bestemming wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 45, in ieder geval gerekend: a. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor opslag en stalling van motorvoertuigen, al dan niet in de openlucht; b. het gebruiken of laten gebruiken van de gronden en/of bouwwerken voor een garagebedrijf en/of autospuiterij of daarmee vergelijkbare bedrijvigheid; c. het gebruiken of laten gebruiken van de gronden en/of bouwwerken voor de uitoefenening van een ander bedrijf als bedoeld in de Staat van bedrijfsactiviteiten; d. het houden van paarden, het plaatsen van en geplaatst houden van bouwwerken/voorzieningen in verband met of ten behoeve van het houden van paarden, zoals een paardenbak of paddock; e. het plaatsen en geplaatst houden van kampeermiddelen, aanhangers, voertuigen, paardentrailers en daarmee vergelijkbare objecten op het perceel of in/onder bouwwerken, anders dan overeenkomstig de bestemming; f. het gebruiken of laten gebruiken van bouwwerken voor bewoning; g. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor detailhandel of horeca.

10.4.2 Geen strijdig gebruik (uitsterfregeling) In afwijking van het bepaalde in 10.1.1 en 10.4.1 mogen de gebouwen worden gebruikt voor de ten tijde van de terinzaglegging van het plan aanwezige opslag/stalling van roerende goederen van derden (verhuur opslag/stallingsruimte), waaronder kampeermiddelen, met dien verstande dat: a. het gebruik uitsluitend stille opslag/stalling betreft; b. het gebruik geen onevenredige verkeersaantrekkende werking heeft; c. het gebruik niet plaatsvindt in de openlucht, onder overkappingen, in kassen of daarmee vergelijkbare bebouwing; d. de functie en het gebruik van de gronden en bouwwerken in de omgeving niet door het gebruik worden belemmerd; e. door dit gebruik geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de uiterlijke verschijningsvorm en/of cultuurhistorische waarden van de bebouwing en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse van het perceel en/of van de omliggende percelen; f. geen onevenredige schade, hinder of andere nadelige gevolgen voor de omgeving door het gebruik wordt veroorzaakt en het parkeren op eigen erf plaatsvindt; g. de wijze waarop aan het gebruik uitvoering wordt gegeven, past bij de specifieke kwaliteiten van de omgeving en niet leidt tot een aantasting van het landelijke karakter van het gebied, o.a. door visuele aspecten, zoals reclame-uitingen en technische installaties;

Regels (vastgesteld)

69

bestemmingsplan Landelijk - 2

Artikel 11 11.1

Bos

Bestemmingsomschrijving

11.1.1 Algemeen De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. bos; b. de instandhouding en ontwikkeling van ter plaatse voorkomende dan wel aan deze gronden eigen natuur- en landschapswaarden; en mede bestemd voor: c. extensief recreatief medegebruik voor zover de onder b. bedoelde waarden daardoor niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast; 11.1.2 Dubbelbestemming De bij deze bestemming behorende bouw-, gebruiks- en overige regels zijn slechts van toepassing indien en voor zover deze niet in strijd zijn met de regels, behorende bij de dubbelbestemming(en) waarvoor deze gronden eveneens zijn aangewezen.

11.2

Bouwregels

11.2.1 Algemeen Op deze gronden mogen, indien noodzakelijk voor en ten behoeve van de bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. 11.2.2 Bouwhoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 1,5 m. 11.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden 11.3.1 Algemeen Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, op en/of in de gronden met de bestemming 'Bos' de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. b. c. d.

het aanleggen en verharden van wegen en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen; het verlagen van de bodem en het afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden; het aanleggen en dempen van watergangen, sloten, weidegreppels en andere waterlopen; het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; e. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging tot gevolg hebben of kunnen hebben, met uitzondering van het vellen, rooien of beschadigen van fruitbomen en het periodiek afzetten van hakhout; f. werken of werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of tot gevolg hebben, zoals uitdiepen of draineren; g. diepploegen; h. het (chemisch) scheuren van grasland, anders dan voor graslandverbetering; i. het onttrekken van grondwater. 11.3.2 Uitzonderingen Het in artikel 11.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

70

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2 a. het normale beheer en/of onderhoud betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip waarop dit plan rechtskracht verkrijgt; c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een daarvoor verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; d. betrekking hebben op het aanbrengen van verhardingen ten behoeve van in- en/of uitritten, tot een oppervlakte van ten hoogste 10 m²; e. betrekking hebben op de aanleg van natuurvriendelijke oevers. 11.3.3 Voorwaarden omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 11.3.1 wordt slechts verleend, indien en voor zover de werken en/of werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft: a. noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming; b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de ruimtelijke kwaliteiten van het terrein; c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwaliteit en -kwantiteit; 11.3.4 Advies omtrent omgevingsvergunning Alvorens omtrent een aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden te beslissen, winnen burgemeester en wethouders, indien nodig, advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein meest aangewezen instantie.

Regels (vastgesteld)

71

bestemmingsplan Landelijk - 2

Artikel 12 12.1

Cultuur en ontspanning

Bestemmingsomschrijving

12.1.1 Algemeen De voor 'Cultuur en ontspanning' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een vlinderjungle; b. ondergeschikte horeca; met de daarbij behorende: c. d. e. f. g. h.

groenvoorzieningen; nutsvoorzieningen; ontsluitingswegen; paden en verhardingen; parkeervoorzieningen; waterlopen en waterpartijen.

12.1.2 Dubbelbestemming De bij deze bestemming behorende bouw-, gebruiks- en overige regels zijn slechts van toepassing indien en voor zover deze niet in strijd zijn met de regels, behorende bij de dubbelbestemming(en) waarvoor deze gronden eveneens zijn aangewezen. 12.2

Bouwregels

12.2.1 Algemeen Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd: a. hoofdgebouw; b. bouwwerken ten behoeve van nutsvoorzieningen; c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 12.2.2 Hoofdgebouw Voor het bouwen van een hoofdgebouw gelden de volgende regels: a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; b. de goothoogte, respectievelijk de bouwhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven; c. indien op de verbeelding een maximum bebouwingsoppervlak is weergegeven, mag dit niet worden overschreden; d. indien op de verbeelding geen maximum bebouwingsoppervlak is weergegeven, mag het bouwvlak voor 100% worden bebouwd. e. indien ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van dit plan de goothoogte, dakhelling en/of bouwhoogte van gebouwen niet opgenomen is in de verbeelding dan wel afwijkt van het vorenstaande, geldt de bestaande goothoogte, dakhelling en/of bouwhoogte voor deze gebouwen als maximum en mag deze niet worden vergroot. 12.2.3 Bouwwerken, geen gebouw zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen binnen het bestemmingsvlak worden gebouwd; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan aangegeven in de onderstaande tabel:

72

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2

Bouwwerken, geen gebouw zijnde, in het voorerfgebied

Max. bouwhoogte (m)

Erf- en perceelgrensafscheidingen

1

Lantaarnpalen

4

Pilasters/penanten en soortgelijke plaatselijke versieringen

1,5

Vlaggenmasten

6

Overige bouwwerken, geen gebouw zijnde

1,5

Bouwwerken, geen gebouw zijnde, in het achtererfgebied

Max. bouwhoogte (m)

Erf- en perceelgrensafscheidingen

2

Lantaarnpalen

6

Objecten voor beeldende kunst

6

Schotelantennes

3

Vlaggenmasten

6

Vrijstaande antenne-installaties, niet zijnde schotelantennes ten behoeve van mobiele telecommunicatie

5

Vrijstaande antenne-installaties, ten behoeve van telecommunicatie, niet zijnde schotelantennes en zonder techniekkast

15

Overige bouwwerken, geen gebouw zijnde

3

12.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 12.3.1 Algemeen Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, op en/of in de gronden met de bestemming 'Cultuur en ontspanning' de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het verlagen van de bodem, het afgraven, ontgrondingen, ophogen en/of egaliseren van de gronden; b. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging tot gevolg hebben of kunnen hebben, met uitzondering van het vellen, rooien of beschadigen van fruitbomen en het periodiek afzetten van hakhout; c. het onttrekken van grondwater. 12.3.2 Uitzonderingen Het in lid 12.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op de volgende werken en werkzaamheden: a. reeds in uitvoering zijnde (legale) werken en werkzaamheden bij de tervisielegging van het ontwerp van dit plan of werken en werkzaamheden waarvoor reeds een aanlegvergunning is verleend; b. betrekking hebben op het aanbrengen van verhardingen ten behoeve van in- en/of uitritten, tot een oppervlakte van ten hoogste 10 m²; c. de aanleg en/of normaal onderhoud van natuurvriendelijke oevers.

12.3.3 Voorwaarden omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 12.3.1 wordt slechts verleend, indien en voor zover de werken en/of werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft:

Regels (vastgesteld)

73

bestemmingsplan Landelijk - 2 a. noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming; b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de ruimtelijke kwaliteiten van het terrein; c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwaliteit en -kwantiteit; 12.3.4 Advies omtrent omgevingsvergunning Alvorens omtrent een aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden te beslissen, winnen burgemeester en wethouders, indien nodig, advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein meest aangewezen instantie.

74

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2

Artikel 13 13.1

Groen

Bestemmingsomschrijving

13.1.1 Algemeen De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. behoud, herstel en ontwikkeling van natuur-, ecologische- en landschapswaarden en natuurwaarden; b. groenvoorzieningen en plantsoenen; c. bermen ten behoeve van aan deze gronden grenzende wegen; d. ontsluitingen ten behoeve van aan deze gronden grenzende percelen; e. extensieve recreatie; f. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' (p): tevens parkeren van motorvoertuigen; g. ruiterpaden en menroutes; h. voorzieningen voor langzaam verkeer en verblijf; i. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding; j. waterpartijen en waterlopen; k. begrazing met vee ten behoeve van het beheer; l. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - vlonder' (sba-vld) is tevens een niet overdekt terras- of vlonderconstructie toegestaan. met de daarbij behorende: m. fiets- en voetpaden; n. nutsvoorzieningen; o. objecten van beeldende kunst; p. (ondergrondse) inzamelplaatsen voor (gescheiden) afval; q. bruggen en ontsluitingswegen; r. (on)verharde speelvelden; s. overige paden en verhardingen; t. speeltoestellen; u.

voorzieningen ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer; 13.1.2 Dubbelbestemming De bij deze bestemming behorende bouw-, gebruiks- en overige regels zijn slechts van toepassing indien en voor zover deze niet in strijd zijn met de regels, behorende bij de dubbelbestemming(en) waarvoor deze gronden eveneens zijn aangewezen.

Regels (vastgesteld)

75

bestemmingsplan Landelijk - 2

13.2

Bouwregels

13.2.1 Algemeen Op, dan wel in, deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.

13.2.2 Bouwhoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde a. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel: bouwwwerken, geen gebouwen zijde

max. bouwhoogte (m)

erf-, perceel- en terreingrensafscheidingen op ten minste 1 m achter de voorgevelrooilijn

2

overige erf- en perceelgrensafscheidingen

1

lantaarnpalen

6

lichtmasten

9

objecten van beeldende kunst

6

speeltoestellen

5

straatmeubilair

3

vlaggenmasten

6

vrijstaande antenne-installaties ten behoeve van (mobiele) telecommunicatie, niet zijnde schotelantennes en zonder techniekkast

15

overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

3

b. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen uitgesloten - erf-, perceelgrensafscheidingen' zijn erf-, perceel- en terreingrensafscheidingen als bedoeld in artikel 13.2.2 sub a niet toegestaan. 13.3

Specifieke gebruiksregels

Ter plaatse van de aanduiding 'ecologische verbindingszone' (evz) zijn de gronden bestemd voor de instandhouding en ontwikkeling van landschaps- en natuurwaarden, zodanig dat voor flora en fauna verbindingen tussen natuur- en natuurontwikkelingsgebieden kunnen ontstaan dan wel kunnen worden gerealiseerd. 13.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 13.4.1 Algemeen Het is verboden om op of in de gronden met de bestemming 'Groen' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. b. c. d.

het aanleggen en verharden van wegen en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen; het verlagen van de bodem en het afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden; het aanleggen en dempen van watergangen, sloten, weidegreppels en andere waterlopen; het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; e. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging tot gevolg hebben of kunnen hebben, met

76

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2 uitzondering van het vellen, rooien of beschadigen van fruitbomen en het periodiek afzetten van hakhout; f. werken of werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of tot gevolg hebben, zoals uitdiepen of draineren; g. diepploegen; h. het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder tevens begrepen het telen en kweken van bomen en heesters (inclusief fruitbomen en boomgaarden); i. het (chemisch) scheuren van grasland, anders dan voor graslandverbetering; j. het onttrekken van grondwater. 13.4.2 Uitzonderingen Het in artikel 13.4 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die: a. het normale beheer en/of onderhoud betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip waarop dit plan rechtskracht verkrijgt; c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een daarvoor verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; d. betrekking hebben op het aanbrengen van verhardingen ten behoeve van in- en/of uitritten, tot een oppervlakte van ten hoogste 10 m²; e. betrekking hebben op de aanleg van natuurvriendelijke oevers. 13.4.3 Voorwaarden omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 13.4.1 wordt slechts verleend, indien en voor zover de werken en/of werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft: a.

de werken en werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft, noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming; b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de ruimtelijke kwaliteiten van het terrein; c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwaliteit en -kwantiteit. 13.4.4 Advies omtrent omgevingsvergunning Alvorens omtrent een aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden te beslissen, winnen burgemeester en wethouders, indien nodig, advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein meest aangewezen instantie.

Regels (vastgesteld)

77

bestemmingsplan Landelijk - 2

Artikel 14 14.1

Groen - 1

Bestemmingsomschrijving

14.1.1 Algemeen De voor 'Groen - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f.

behoud, herstel en ontwikkeling van ecologische waarden, landschapswaarden en natuurwaarden; extensieve begrazing met vee ten behoeve van het beheer van de gronden; extensieve weidegang (door paarden); groenvoorzieningen en plantsoenen; ontsluitingen ten behoeve van aan deze gronden grenzende agrarische en overige percelen; ruiterpaden en menroutes;

met de daarbij behorende: g. duikers en bruggen; h. fiets en voetpaden i. in- en uitritten; j. nutsvoorzieningen; k. objecten van beeldende kunst; l. (on)verharde speelvelden; m. speeltoestellen; n. waterlopen en waterpartijen. 14.1.2 Dubbelbestemming De bij deze bestemming behorende bouw-, gebruiks- en overige regels zijn slechts van toepassing indien en voor zover deze niet in strijd zijn met de regels, behorende bij de dubbelbestemming(en) waarvoor deze gronden eveneens zijn aangewezen.

14.1.3 Ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit a. Bij het verwezenlijken van de bestemming 'Groen - 1' dient sprake te zijn van een goede ruimtelijke dan wel landschappelijke inpassing van de functies met daarbij behorende voorzieningen als bedoeld onder lid 14.1.1 en/of de bouwwerken als bedoeld onder artikel 14.2 respectievelijk artikel 14.3; b. Het bevoegd gezag kan over de goede ruimtelijke dan wel landschappelijke inpassing van de onder a. bedoelde functies en/of voorzieningen en bouwwerken advies inwinnen bij een landschapsdeskundige.

78

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2

14.2

Bouwregels

14.2.1 Algemeen Op, dan wel in, deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming Groen - 1 uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.

14.2.2 Bouwhoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel: bouwwwerken, geen gebouwen zijde

max. bouwhoogte (m)

erf-, perceel- en terreinafscheidingen op ten minste 1 m achter de voorgevelrooilijn

2

overige erf- en perceelgrensafscheidingen

1

lantaarnpalen

6

lichtmasten

9

objecten van beeldende kunst

6

speeltoestellen

5

straatmeubilair

3

vlaggenmasten

6

vrijstaande antenne-installaties ten behoeve van (mobiele) telecommunicatie, niet zijnde schotelantennes en zonder techniekkast

15

overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

3

14.3

Afwijken van de bouwregels

14.3.1 Algemeen Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 14.2.1 en toestaan dat op deze gronden gebouwen worden gebouwd die als schuilgelegenheid dienen voor dieren ter plaatse van wel in de directe nabijheid van de betreffende gronden, al dan niet met daarbij behorende voorzieningen als omheiningen en/of voedervoorzieningen. 14.3.2 Aantal gebouwen Per kadastraal perceel mag ten hoogste één gebouw als bedoeld in lid 14.3.1 gebouwd worden. 14.3.3 Afmetingen gebouwen De maximale afmetingen van een gebouw als bedoeld in lid 14.3.1 mogen niet meer bedragen dan: a. voor de oppervlakte ten hoogste 25 m2; b. voor de goot- resp. de bouwhoogte ten hoogste 3 m. resp. 4 m. 14.4

Wijzigingsbevoegdheid

14.4.1 Wijziging bestemming naar Wonen Burgemeester en wethouders zijn op grond van het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd de bestemming van de voor Groen - 1 aangewezen gronden te wijzigen naar Wonen Grondgebonden - buitengebied.

Regels (vastgesteld)

79

bestemmingsplan Landelijk - 2

14.4.2 Wijzigingsregels Voor het toepassen van de in lid 14.4.1 bedoelde wijzigingsbevoegdheid nemen burgemeester en wethouders de volgende regels in acht: a. burgemeester en wethouders passen de in lid 14.4.1 bedoelde wijzigingsbevoegdheid alleen toe indien de betrokken gronden functioneel zowel als privaatrechtelijk zijn verbonden met een perceel, waarop krachtens het daarvoor geldende bestemmingsplan een hoofdgebouw bestemd voor wonen aanwezig mag zijn; b. het bepaalde in Wonen - Grondgebonden - buitengebied is na toepassing van de in lid 14.4.1 bedoelde wijzigingsbevoegdheid voor de betrokken gronden van overeenkomstige toepassing, tenzij burgemeester en wethouders in het desbetreffende wijzigingsplan anders bepalen. 14.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 14.5.1 Algemeen Het is verboden om op of in de gronden met de bestemming Groen - 1 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het verlagen van de bodem en het afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden; b. het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; c.

het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging tot gevolg hebben of kunnen hebben, met uitzondering van het vellen, rooien of beschadigen van fruitbomen en het periodiek afzetten van hakhout; d. werken of werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of tot gevolg hebben, zoals uitdiepen of draineren; e. het onttrekken van grondwater, anders dan ten behoeve van veedrenking. 14.5.2 Uitzonderingen Het in artikel 14.5 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die: a. het normale beheer en/of onderhoud betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip waarop dit plan rechtskracht verkrijgt; c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een daarvoor verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; d. betrekking hebben op het aanbrengen van verhardingen ten behoeve van in- en/of uitritten, tot een oppervlakte van ten hoogste 10 m²; e. betrekking hebben op de aanleg van natuurvriendelijke oevers. 14.5.3 Voorwaarden omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 14.5.1 wordt slechts verleend, indien en voor zover de werken en/of werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft: a.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=cddf6c73-2f1c-41bf-9826-770e6e68faa2