3551-05 Bijlage 02 toelichting, Schaken met paard en landschap
Tekst van het document
Bijlage 2
[Schaken met paard en landschap]
Paardenbeleid gemeente Leidschendam-Voorburg 1
2
schaken met paard en landschap paardenbeleid gemeente Leidschendam-Voorburg december 2008
1
2
Inhoud
1
inleiding
5
2
begrippen paardenhouderijen
7
3
beleid
9
4
kansen en bedreigingen
15
5
visie: gebiedsindeling paardenactiviteiten
23
6
toekomstig netwerk men- en ruiterroutes
25
7
spelregels landschappelijke inpassing en natuurbeheer
27
8
uitvoering en handhaving
39
9
communicatie
43
definities (volgens Handreiking VNG en SRP)
45
Bijlagen
1
3
4
1.
inleiding
Activiteiten met paarden en het houden van paarden zijn de laatste jaren in Nederland flink in opmars. De paardenhouderijsector maakt een enorme groei door en er lijkt een steeds groeiende behoefte te zijn aan paardenhouderijen. Ook wordt steeds meer “aan huis” paarden gehouden. De groeiende behoefte vloeit niet alleen voort uit een recreatiebehoefte, maar ook uit de noodzaak om de plattelandseconomie een positieve impuls te geven. Deze ontwikkelingen hebben al enige tijd aandacht bij de landelijke politiek en brancheorganisaties en er is inmiddels een aantal beleidsstukken over dit onderwerp opgesteld.
Voor het landelijk gebied van de gemeente Leidschendam-Voorburg ontbreekt op dit moment een duidelijke visie op de ontwikkelingsmogelijkheden van paardenhouderijen in relatie tot het beleid voor en de waarden van de melkveehouderij, recreatie, landschap, cultuurhistorie en flora en fauna. Daarom is dit beleidsplan opgesteld, dat richting geeft aan de ontwikkeling van de paardensector in het gebied. Hiervoor ruimte biedt, maar ook spelregels voor geeft in relatie tot de waarden van het gebied, en - waar nodig - de groei begrenst.
Ook de gemeente Leidschendam-Voorburg krijgt in toenemende mate te maken met paardenactiviteiten in het landelijk gebied. Het gaat met name om pensionstalling en manege(achtige activiteiten) op (voormalige) agrarische percelen en het houden van paarden bij particulieren. Hiermee wordt in beginsel voorzien in een sportieve/recreatieve behoefte en kan het gebied een economische impuls krijgen. De toename van paardenactiviteiten hangt ook samen met het feit dat steeds meer agrariërs in de gemeente zich mede door schaalvergroting en gewijzigde milieuwetgeving genoodzaakt zien tot beëindiging van de agrarische bedrijfsvoering of omzetting van de bedrijfsactiviteiten. Veel van hen willen geheel of gedeeltelijk overgaan op activiteiten met paarden. Het houden van paarden kan zichtbare gevolgen hebben voor het landschap. De paardenhouderij kan bijdragen aan behoud en ontwikkeling van landschappelijke waarden. Maar ook kan het negatieve ontwikkelingen met zich meebrengen, zoals het verstoren van weidevogels, het vertrappen van grasland en landschappelijke verrommeling door onder andere het verschijnen van allerlei hekwerken en paardenbakken.
5
Hippische voorzieningen
stallen
binnenrijbaan
paddock
buitenrijbaan
stapmolen
longeercirkel
6
2.
begrippen paardenhouderijen
Paardenhouderij is een verzamelnaam voor uiteenlopende soorten bedrijven met betrekking tot het houden van paarden. In het algemeen worden paardenactiviteiten onderverdeeld in twee categorieën: • productiegerichte paardenactiviteiten: paardenfokkerij/opfokbedrijf en stoeterij; • gebruiksgerichte paardenactiviteiten: paardenpensions en maneges. Vaak worden diverse activiteiten met betrekking tot paarden gecombineerd of wordt een agrarisch bedrijf met een paardenhouderij gecombineerd. Productiegerichte paardenactiviteiten: paardenfokkerij/opfokbedrijf en stoeterij Bij de productiegerichte paardenhouderij draait het met name om het paard zelf en niet zozeer om de ruiters/amazones. De hoofdbedrijfstypes zijn fokkerijen/opfokbedrijven en stoeterijen. Bij dit laatste bedrijfstype gaat het naast het fokken om het africhten en trainen van paarden. Paardenfokkerijen/opfokbedrijven in zuivere vorm worden beschouwd als agrarische bedrijven. Ze zijn extensief en betekenen geen grote verandering ten op zichte van andere agrarische (weide) activiteiten, behalve dan dat een paard ander graasgedrag heeft dan een koe. Deze bedrijven kenmerken zich door veel grond, stallen en een kleine binnenbak en weinig bezoekers. Vaak gaan fokactiviteiten echter in meer of mindere mate gepaard met africhten, trainen en verhandelen (stoeterij).
Dit soort gecombineerde bedrijven zijn geen agrarische bedrijven. Hiervoor zijn meer/andere voorzieningen, zoals een paardenbak, stapmolen en longeercirkel, nodig. Gebruiksgerichte paardenactiviteiten: paardenpensions en maneges Hier zijn de activiteiten primair gericht op het rijden met een paard dan wel op de ruiter/amazone. Hieronder vallen de verhuurbedrijven, maneges, accomodatiegerichte (niet grondgebonden) pensionstallen, oefenaccommodaties en wedstrijdstallen. Als hoofdtypes worden beschouwd: paardenpension en manege. Kenmerkend voor paardenpensions is dat het vaak een bestaand of voormalig agrarisch bedrijf betreft, dat gebruik maakt van bestaande
afrasteringen en stallen. Er is gewoonlijk veel grond aanwezig en een bestaand (agrarisch) bouwblok waar de paardenfaciliteiten worden ingepast. In geval van een volwaardig bedrijf zal deze een relatief grote verkeersaantrekkende werking hebben ten opzichte van een melkveehouderijbedrijf. Maneges kenmerken zich door grote complexen met stallen, 1 of 2 binnenbakken, een buitenbak, stapmolen en een parkeervoorziening. Maneges trekken veel bezoekers aan. Volwaardig, deeltijd en hobbymatig Naast het onderscheid naar activiteit is er ook verschil in omvang van het bedrijf te maken. Een volwaardige paardenhouderij is een bedrijf dat gericht is op het generen van een voldoende bedrijfsresultaat. Van een deeltijd-bedrijf is sprake wanneer het bestaansrecht van de paardenhouderij niet geheel afhankelijk is van het daarmee te genereren bedrijfsresultaat maar qua omvang en aard niet kan worden aangemerkt als hobbymatig. Hobbymatig is de restcategorie, waarbij het houden van paarden kleinschalig is en niet gericht is op het genereren van omzet. Op basis van jurisprudentie is een maximum van vier paarden als hobbymatig te beschouwen.
Hippische voorzieningen Bij paardenhouderijen kunnen diverse voorzieningen worden aangetroffen die specifiek zijn voor paardenactiviteiten en doorgaans gericht zijn op het africhten en/of trainen van het paard: • paardenbak/buitenrijbaan: een (omheinde) niet-overdekte piste, al dan niet voorzien van een bewerkte/aangepaste bodem, dan wel een afgezet stuk grond of weiland, waar paarden een vrije loop kunnen hebben of kunnen worden afgericht/getraind. • binnenrijbaan: een overdekte piste waar training en africhting van het paard plaatsvindt, met een minimale vrije hoogte van 4 m. • draf-/renbaan: een ovalen baan voorzien van een bewerkte/aangepaste bodem. • stap-/trainingsmolen: een cirkelvorming bouwwerk waar paarden zonder toezicht in kunnen stappen.
7
•
longeercirkel: een ruimte in de vorm van een cirkel waarin paarden onder begeleiding specifieke training kan worden gegeven.
Naast deze voorzieningen komen paddocks voor. Dit zijn afgezette ruimtes, meestal met een zandbodem, waar paarden ‘vrij’ kunnen lopen. Een paddock is geschikt om het paard in ‘uit te laten’ wanneer hij op stal staat. Ook zijn paddocks geschikt om een paard in te zetten dat niet te veel gras binnen mag krijgen of wanneer het paard herstellende is van een blessure waarbij hij niet te wild mag doen. Voor de maatvoering van de hippische voorzieningen zijn er richtlijnen opgesteld in de handreiking "Paardenhouderij en Ruimtelijke Ordening" van de VNG en de Sectorraad Paarden. Pony’s Waar in dit rapport wordt gesproken over paarden, worden ook pony’s bedoeld, tenzij deze apart worden besproken. Voor de definitie van begrippen gebruikt in de paardensector wordt verwezen naar bijlage 2.
8
3.
beleid
Rijksbeleid De boodschap vanuit het rijk is breed te noemen. Enerzijds wordt beoogd landschap en natuur te beschermen en toename van bebouwing in het Groene Hart tegen te gaan en anderzijds lijken nieuwe ontwikkelingen die (negatieve?) gevolgen kunnen hebben op landschap en natuur juist “gestimuleerd” te worden. De volgende nota´s besteden aandacht aan de ontwikkelingen op het platteland in het algemeen, waaronder paardenactiviteiten in het bijzonder. Te noemen zijn: 1. Nota Ruimte (januari 2006); 2. Agenda voor een Vitaal Platteland (AVP; 2004); 3. Visie “Paard en Landschap” van het ministerie van LNV (juli 2006). Ad. 1. De Nota Ruimte pleit voor bescherming en verbetering van de landschappelijke en natuurwaarden (o.a. weidevogels) van buitengebieden en het zoveel mogelijk tegengaan van een toename van het bouwvolume in het Groene Hart. Daarnaast beschrijft het ruimtelijk beleid voor o.a. het platteland, waarbij speciaal aandacht is voor het verbeteren van de kwaliteit van stad en platteland met een gebiedsgerichte benadering. Geredeneerd wordt vanuit de burger, de ondernemer en het gebied. Dat betekent een andere rolverdeling tussen de maatschappij en de overheid, en tussen LNV en andere overheden. Ad. 2. In de AVP wordt uitgegaan van een integraal perspectief voor de sociaal-culturele, economische en ecologische aspecten van het platteland.
Er zijn acties benoemd die nodig zijn om in te spelen op veranderingen in de (plattelands-)samenleving. Een aantal ontwikkelingen in het landelijk gebied vraagt om een adequaat, deels ruimtelijk, antwoord. “Mensen die nieuwe activiteiten willen starten op het platteland moeten zich uitgenodigd voelen. De lokale overheid moet zich als partner van de ondernemende mensen en de dynamiek versterken in plaats van deze te smoren in een woud van regels.” Ad. 3. Het kader voor deze visie wordt gevormd door
de AVP en de Nota Ruimte. Het ministerie van LNV zou graag zien dat de paardenhouderij bijdraagt aan een duurzame ontwikkeling van het landelijke gebied, vanuit een economisch, sociaal en landschappelijk oogpunt. De opgave voor de overheid is deze ontwikkeling te begeleiden op een manier die inspeelt op de aanwezige behoefte, die belemmeringen wegneemt voor verdere ontwikkeling en die bijdraagt aan de schoonheid van het landschap. In deze visie worden ook aanbevelingen gedaan over o.a. de inpassing van diverse voorzieningen in het landschap. Deze visie bevat echter geen maatwerk (speelt niet in op plaatselijke situaties en omstandigheden). Landelijke (branche)organisaties Rapport “Paardenhouderij en Ruimtelijke Ordening” van de Sectorraad paarden (SRP) De SRP heeft dit rapport opgesteld om de positie van de paardenhouderij op het platteland en in bestemmingsplannen te uniformeren. Dit rapport sluit aan bij beschrijvingen in de AVP. De gemeente wordt geadviseerd daar waar reeds sprake is van het uitoefenen van een paarden houderij die ontwikkelingsruimte te bieden, die nodig is voor het continueren van het bedrijf. Voor zover op een locatie nog geen paardenhouderij wordt geëxploiteerd, maar de geschiktheid van de locatie gegeven is, wordt eveneens geadviseerd ontwikkelingsruimte te bieden.
Daarbij verdient het de voorkeur middels algemeen geredigeerde planvoorschriften maatwerk te leveren. Dit kan worden bereikt door in bestemmingsplannen buitengebied de bestemming “paardenhouderij” op te nemen. Handreiking voor de praktijk Paardenhouderij en Ruimtelijke Ordening” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en de SRP (mei 2006) Deze handreiking is geschreven ten uitvoering van het rapport van de SRP. Het rapport geeft een beschrijving van de economische en maatschappelijke betekenis van de paardenhouderijen, de plaats die de paardenhouderij ruimtelijk inneemt, het beleidskader en de stappen die doorlopen worden bij het toetsen van een aanvraag om bouwvergunning. Deze stappen worden één voor één uitgewerkt. 9
Valkenburg
Leiden
Leiderdorp
Wassenaar
Zoeterwoude-Dorp
Voorschoten
Scheveningen
Stompwijk
Leidschendam
Voorburg
Den Haag
Leidschenveen
Zoetermeer
Ypenburg
Nootdorp
Rijswijk
natuurgebied
en
water met natuurwaarde
Den Hoorn
Schipluiden
bebouwingscontour zorginstelling te transformeren
groene contour
wonen in het groen
groene verbinding
beschermd stads- of dorpsgezicht
grens Groene Hart
bebouwingslint met cultuurhistorische waarde
zoekgebied natuur Delft
streekplanuitwerking
agrarisch gebied plus
transformatiegebied
bollenteeltgebied
studiezone
vrijwaringszone ondersteunend glas
water
openluchtrecreatiegebied of stedelijk groen
piekberging
verblijfsrecreatiegebied
voorraad- en piekberging
glastuinbouwconcentratiegebied
(boezem)water te verbreden
stads- en dorpsgebied
(boezem)water nieuw
ontwikkelingsrichting
hydrologische bufferzone
bedrijventerrein
Streekplan - plankaart 10
Pijnacker
De handreiking is geschreven vanuit de paardensector: er staat voornamelijk in hoe paardenhouderijen mogelijk kunnen worden. Op de vraag of paardenhouderijen in bepaalde gebieden al dan niet wenselijk zijn, wordt slechts in globale termen ingegaan. Provinciaal beleid Streekplan Zuid-Holland West Het buitengebied van de gemeente LeidschendamVoorburg heeft in het streekplan verschillende aanduidingen (zie kaart hiernaast): • Groene Hart; het gebied ten oosten van de snelweg A4 maakt deel uit van het Groene Hart. • Agrarisch gebied plus; een groot deel van het gebied ten oosten van de snelweg. Hieronder valt agrarisch gebied met natuurwaarden, landschappelijke waarden en/of cultuurhistorische waarden. In deze gebieden is de agrarische functie essentieel voor het behoud van de aanwezige waarden. • Natuurgebied; de Vlietlanden ten zuiden van de Kniplaan, een deel van de Meeslouwerpolder en Groote Westeindsche Polder, het westelijk deel van de Zoetermeerse Meerpolder. Het gebied ten zuidwesten van de Vlietlanden is zoekgebied. In deze gebieden zijn nieuwe plannen, projecten of handelingen die niet tot een normale agrarische bedrijfsvoering behoren en die significante negatieve gevolgen kunnen hebben voor de te behouden waarden en kenmerken niet toegestaan. • Openluchtrecreatiegebied; een groot deel van het gebied tussen de Vliet en de snelweg en de Nieuwe Driemanspolder.
• Waterberging; In de Nieuwe Driemanspolder en Roeleveen (tussen Zoetermeer en Leidschendam) vindt een integrale functiewijziging plaats. De polders worden ingericht als gemengd gebied, waarin de functies waterberging, natuur en recreatie een plaats krijgen. Voorts is de Duivenvoorde-corridor, tussen Leidschendam en Voorschoten, aangeduid als uitwerkingsgebied, omdat dit gebied een zeer strategische betekenis heeft als buffer tussen verstedelijkte gebieden. Het is daarmee een
recreatief uitloopgebied voor de regio’s en ecologische schakel tussen het Groene Hart en de Noordzeekust. In het kader van het streekplan wordt thans gewerkt aan concrete voorstellen voor waterhuishouding, recreatie en landschapsontwikkeling in dit gebied. Tot slot is van belang de Provinciale ecologische hoofdstructuur. Naast de natuurgebieden maken ook de waardevolle weidegebieden hier deel van uit. Een grote deel van de open weidegebieden ten oosten van de snelweg A4 is benoemd als waardevol weidevogelgebied. Nederland heeft hier de internationale verplichting om het land waar grutto's broeden intact te laten. Provinciaal beleid – Nota Regels voor Ruimte De provincie heeft in maart 2005 de Nota Regels voor Ruimte vastgesteld, waarin (naast de streekplannen) het toetsingskader voor bestemmingsplannen en ruimtelijke plannen wordt aangegeven. Het provinciaal beleid ten aanzien van de vestiging van gebruiksgerichte paardenhouderijen is terughoudend en sluit in die zin niet (geheel) aan op het recente rijksbeleid. De provincie ziet een gebruiksgerichte paardenhouderij als een niet-agrarische functie die in principe niet in het landelijk gebied thuishoort. Maneges en pensions zijn categorie 3-bedrijven (vanwege mogelijke hinder door geur, geluid, stof).
Deze bedrijven zijn in het buitengebied alleen toegestaan indien de activiteiten qua aard en schaal gelijk te stellen zijn aan categorie 2-bedrijven en ook alleen in vrijkomende agrarische bedrijfsopstallen. Voor de vestiging van niet agrarische functies in vrijkomende agrarische bebouwing worden aanvullend de volgende voorwaarden gesteld: • geen milieuhygiënische belemmeringen voor de agrarische bedrijfsvoering van de omliggende bedrijven; • geen onevenredige belasting van de verkeersafwikkeling; • geen afbreuk doen aan de aanwezige cultuurhistorische, natuurwaarden en/of landschappelijke kwaliteit van het gebied. Voor nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf worden de volgende voorwaarden gesteld: • de activiteit moet plaatsvinden binnen het agrarisch bouwperceel; • de agrarische functie blijft de hoofdfunctie 11
Kaart 5 Provinciale ecologische hoofdstructuur (globaal) Legenda Waardevolle gebieden
bestaand natuurgebied Bestaand natuurgebied Gepland geplandnatuurgebied natuurgebied Waardevol waardevolweidevogelgebied weidevogelgebied Groene groeneverbinding verbinding Zoekgebied natuur
zoekgebied natuur
Overig
Provinciaal ecologische hoofdstructuur Streekplangrens Gemeentegrens Streekplangebied Stedelijk gebied Water
NOORD
0
2
4
6
8 km
© Provincie Zuid-Holland Cartografie FD 03.1024_05
Gebiedsvisie Stompwijk 12
NOORD
• •
van het bedrijf; er mogen geen belemmeringen voor de agrarische bedrijfsvoering van de omliggende bedrijven worden gecreëerd; de nevenactiviteit mag de verkeersafwikkeling niet onevenredig belasten.
Opgemerkt wordt dat dit beleid vóór de eerdergenoemde visie van LNV was ingezet. Enige “versoepeling” van het provinciaal beleid in de toekomst is dan ook niet uitgesloten, maar is ook niet vanzelfsprekend. Gemeentelijk beleid Bestemmingsplan Voor het buitengebied gelden op dit moment diverse bestemmingsplannen, die deels erg verouderd zijn. De vigerende bestemmingsplannen kennen de reguliere maneges en paardenhouderijen, maar kennen geen sluitende regeling voor de daarbij benodigde voorzieningen en voor de “mengvormen” van bedrijven. Daarnaast is niets geregeld inzake het (hobbymatig) houden van paarden bij particulieren op woonpercelen, vooral als het gaat om de voorzieningen (paardenbak, stal etc.) die vaak daarbij gevraagd worden. Verder sluiten de bestemmingsplanregelingen niet goed op elkaar aan.
paardenactiviteiten horen bij de identiteit van Stompwijk en er daarom ruimte voor moet worden geboden. Ten behoeve van de duurzame instandhouding van de melkveehouderijbedrijven moet ruimte worden geboden voor schaalvergroting en verbreding. Belangrijke, relevante bouwstenen van de gebiedsvisie zijn hiernaast: • twee recreatieve knooppunten; bij de entrees tot het gebied, aan het begin van de Stompwijkseweg (bij de Kostverlorenweg) en aan de oostzijde van de dorpskern van Stompwijk; • afname verkeersbelasting Stompwijkseweg en Dr. Van Noortstraat, omvorming naar recreatieve route; • nieuwe weg aan de noordzijde van het dorp met een aansluiting op de N206 ter ontsluiting van het glastuinbouwgebied en ontlasting van de Stompwijkseweg; • het gebied tussen de kern van Stompwijk en de nieuwe weg is bedoeld voor de ontwikkeling van ‘weidelandgoederen’. Men- en ruiterpaden De aanleg van menroutes is opgenomen in het collegeprogramma. De gemeente werkt op dit moment aan de realisatie van ruiter- en menpaden in relatie tot de ontwikkeling van de Nieuwe Driemanspolder.
Het gehele landelijk gebied van de gemeente is verdeeld in vier bestemmingsplannen: • Landelijk Gebied (inclusief Leidschendammerhout) • Nieuwe Driemanspolder • Duivenvoordecorridor • Vlietlanden Deze bestemmingsplannen kennen weliswaar aparte gebieden, met specifieke opgaven, maar moeten in principe wel een eenduidige regeling geven voor het buitengebied. Een goede afstemming is gewenst. Het paardenbeleid zal dan ook worden vertaald in de nieuw vast te stellen bestemmingsplannen. Gebiedsvisie Stompwijk De Gebiedsvisie Stompwijk gaat uit van behoud en ontwikkeling van de melkveehouderij als belangrijkste gebruiker en beheerder van het weidegebied. Maar ook is bepaald dat 13
bestaande (semi)bedrijfsmatige paardenhouderijen
Poldereenheden & landschapstype droogmakerij droogmakerij veenpolder veenpolder strandwallen strandwallen
poldereenheden en landschapstype 14
4.
kansen en bedreigingen
Huidige situatie paardenhouderijen
Landschap
In de huidige situatie betreft het met name paardenpensions en manege(achtige activiteiten) en het hobbymatig houden van paarden. Ook zijn het vaak ‘deeltijdbedrijven', verbonden aan melkveehouderijen. Met name bij particulieren worden veel (illegale) voorzieningen aangetroffen, op en buiten het woonerf dan wel op stukken weiland. De aanvragen voor een bouwvergunning dan wel verzoeken om inpassing in het (toekomstig) bestemmingsplan betreffen met name paardenbakken en (deeltijd)paardenpensions.
Het grootste deel van het buitengebied van de gemeente Leidschendam-Voorburg bestaat uit open veenlandschap met droogmakerijen en veenpolders. Het gebied tussen de kern van Leidschendam en Voorschoten heeft een heel ander karakter. Dit is een strandwal, een hoger en droger gebied met een meer besloten landschapsbeeld. De huidige landschappelijke kwaliteiten van het open weidelandschap van Stompwijk zijn verbonden aan de melkveehouderij. Grazige weiden met koeien, weidevogels en bloeiende slootkanten.
Economie en landbouw
Paardenactiviteiten kunnen bijdragen aan de schoonheid en identiteit van het landschap, zoals het open houden van polders en het halfgesloten karakter van de strandwal benadrukken. Maar ook zorgen paardenactiviteiten dikwijls voor aantasting van landschappelijke kwaliteiten, wanneer deze activiteiten niet in goede banen worden geleid. Denk bijvoorbeeld aan vertrapping van grasland, opvallend aanwezige ‘gebiedsvreemde’ elementen als paardenbakken en witte hekken die leiden tot verrommeling en versnippering van open gebieden. Ook kan de grote hoeveelheid voorzieningen (op of zelfs buiten het bouwperceel) leiden tot een verdichting van het landschap. Dit betekent een aantasting van het grasland, het open landschap en de open zichten tussen de erven. Op de strandwal zijn de voorzieningen gezien het meer kleinschalige karakter gemakkelijker (met beplanting) goed in te passen en zullen hekken minder snel storend zijn.
Het houden van paarden voorziet in een duidelijke behoefte, geeft de regionale/plaatselijke economie een positieve impuls en kan zorgen voor aanvullende inkomsten voor bestaande agrarische bedrijven. Tegelijkertijd kan een ongecontroleerde groei van paardenhouderijen ook het voortbestaan van agrarische bedrijven in het gebied bedreigen. Nieuwe functies als paardenhouderijen betekenen het onttrekken van gronden aan de melkveehouderij, wat een belemmering kan vormen voor productieboeren voor het realiseren van (noodzakelijke) schaalvergroting. Daarom moet worden voorkomen dat het gebied door nieuwe paardenhouderijen versnipperd wordt. Het zijn met name de kleine landschappelijke eenheden die mogelijkheden bieden voor nieuwe functies zonder dat dit de ontwikkeling van de landbouw al te zeer in de weg zal staan. Het toestaan van paardenhouderijen zal tevens een opdrijvende werking van de grondprijs hebben: zolang het idee bestaat dat er alternatieve mogelijkheden zijn voor gronden die bestemd zijn voor agrarisch gebruik, werkt dit prijsopdrijvend. Dit heeft uiteraard een negatief effect op de melkveehouderij.
Afhankelijk van de aard en omvang van de paardenhouderij is een aantal voorzieningen noodzakelijk. Voor de paarden dient stalruimte aanwezig te zijn. Voor paarden die permanent buiten worden gehouden is een schuilgelegenheid noodzakelijk. Voorts zijn een opslagruimte, buitenrijbak, paddock, mestopslag, stapmolen en verlichting dikwijls gewenst. Indien sprake is van het gehele jaar door africhten en trainen van paarden, dan geldt naast de hiervoor genoemde voorzieningen een rijhal als noodzakelijk. Rijhallen zijn zeer grote volumes. Wanneer bij de inrichting van het bedrijf rekening 15
landschap
waterrijk natuurwaterrijk natuur en en recreatiegebied recreatiegebied open, nat open, natweidegebied weidegebied coulissenlandschap: grasland
coulissenlandschap: afgewisseld door bossen grasland afgewisseld door bossen recreatiegebied
recreatiegebied
landschapskarakteristiek
natuur
bestaandofof ontwikkelen bestaand te te ontwikkelen natuurgebied natuurgebied (incl. ‘zoekgebieden’) (incl. ‘zoekgebieden’) weidevogelgebied
weidevogelgebied
natuur 16
weidevogelgebied weidevogelgebied en en natuurgebied natuurgebied
wordt gehouden met de karakteristieken van het landschap – zowel op de ‘grote schaal’ (openheid, behoud doorzichten tussen erven, sloten als kavelscheiding, etc.) als op de kleinere schaal van de erfstructuur, de opbouw van het erf, de toepassing van beplanting en de vormgeving/ materialisatie van de voorzieningen - dan kan ook een paardenhouderij goed worden ingepast in het landschap. Wanneer paardenhouderijen gebruikmaken van een voormalig agrarisch bouwperceel, kunnen op deze wijze tevens voormalige agrarische gebouwen worden hergebruikt. Bodem en vegetatie Vaak verdwijnt bij het houden van paarden de grasmat. Dit is zeker niet altijd het geval, maar gebeurt als te veel paarden te lange tijd op een perceel staan. Dit hangt samen met het feit dat bij paardenactiviteiten de uitloopruimte het belangrijkste is - i.t.t. de melkveehouderij waarbij de grasproductie een belangrijke factor is - en dat paarden ander graasgedrag hebben dan koeien. Het effect van begrazing op de vegetatie is met name in het natte polderlandschap een belangrijk aandachtspunt. Het effect van begrazing en galopperen is afhankelijk van het paardenras en de gebruiksintensiteit. Zeker voor zware paarden is de grondgesteldheid in de polder ’s winters slecht. Ze trappen de oevers kapot, vertrappen het gras (voer) en lopen in de modder.
Hierdoor is ophoging of bezanding nodig, maar dit is een tijdelijke oplossing. Zanderig materiaal wordt op den duur naar de onderlagen van de grond getrapt en humusrijk materiaal zal op de lange duur verteren of – in geval van slap veen - door het gewicht van het zand de sloot in worden geduwd. Gevolgen van draven op de grondgesteldheid kunnen groot zijn. Door paarden te laten draven op een perceel zonder voorzieningen zal de grond verdicht worden en, onder natte omstandigheden, zal de vegetatie de grond ingetrapt worden. Indien voorzieningen worden aangelegd (bijv. paardenbak, paddock) heeft dit als voordeel dat de verdichting van de grond op één locatie plaatsvindt.
Een ander belangrijk verschil met koeien is dat paarden met hun tanden het gras kort grazen. Koeien grazen daarentegen met hun tong en houden daarmee lange plukken over. Daarnaast mesten paarden veelal in bepaalde hoeken van het weiland. In deze hoeken eten zij verder niet. Koeien zorgen voor een veel gelijkmatigere bemesting van het weiland en eten ook het gras in de directe omgeving van mest. Natuur De grote open, vochtige tot natte graslandgebieden van Stompwijk hebben grote betekenis voor weidevogels. Dit wordt onderstreept door het feit dat een groot deel van het gebied is aangewezen als bestaand of toekomstig waardevol weidevogelgebied en deel uitmaakt van de Ecologische Hoofdstructuur. Nederland heeft de internationale verplichting om land waar grutto's broeden intact te houden. Voor behoud van de waardevolle weidevogelgebieden is een niet al te intensief graslandbeheer en zo weinig mogelijk verstoring in het broedseizoen cruciaal. Het houden van paarden kan (vrij) goed samengaan met deze natuurwaarden, doch dit is niet vanzelfsprekend. Dit houdt verband met het mest- en graasgedrag van paarden gecombineerd met vaak intensief grondgebruik, zols hierboven onder "Bodem en vegetatie" beschreven. Meestal worden er te veel paarden gehouden in de broedtijd (15 mrt-15 juni) wat leidt tot geringe broedresultaten.
Te intensief beheer met paarden leidt tot een verandering van vegetatie en bodemleven, verruiging en verrommeling, waardoor de structuur ongeschikt wordt voor weidevogels. Daarnaast is het zo dat nestbescherming met korven niet kan worden toegepast, omdat deze gevaarlijk zijn voor de paarden. Positief voor weidevogels is dat voor paarden het grasland gewoonlijk later wordt gemaaid (voor koeien is eiwitrijker gras nodig) en dat paardenhouderijen vaak ook hooiland hebben. Het spanningsveld tussen het houden van paarden en weidevogels kan in grote mate worden opgelost door een extensief graslandbeheer, waarbij met betrekking tot de beweiding en maaidata rekening 17
snelweg snelweg regionale weg regionale weg toekomstige rondweg toekomstige rondweg (gebiedsvisie Stompwijk) (Gebiedsvisie Stompwijk) primaire landelijke primaire landelijke wegweg secundaire landelijke secundaire landelijke weg weg bestaande ruiterroutes bestaande ruiterroute bestaande menroute bestaande menroute (status nana te trekken bij GZH) (status te trekken bij GZH) geplande geplandemen/routerroute men/ruiterroute (inrichtingsplan Nieuwe (Inrichtingsplan Nieuwe Driemanspolder), Driemanspolder) recreatief knooppunt recreatief knooppunt te recreatief teontwikkelen ontwikkelen recreatief knooppunt knooppunt (Gebiedsvisie Stompwijk) (gebiedsvisie Stompwijk)
wegen en knooppunten
18
wordt gehouden met het broedseizoen van weidevogels. Recreatie Paardenhouderijen en ruiterroutes kunnen de recreatieve waarden van het buitengebied vergroten. Met name nabij het stedelijk gebied, de omgeving van de bestaande en toekomstige recreatieve knooppunten (gebiedsvisie Stompwijk) en de randen van de toekomstige plassen van de Nieuwe Driemanspolder bieden kansen, zowel voor gebruiksgerichte paardenhouderijen als voor nieuwe ruiterroutes. In het gebied zijn op dit moment nauwelijks menen ruiterroutes aanwezig. Alleen in de Vlietlanden en, in de nabije omgeving, in het Buytenpark en rond de Zoetermeerse plas. Er is behoefte aan verbindingen tussen deze gebieden en met het verenigingsgebouw van De Blesruiters aan de Huysitterweg met menroutes, zodat het mogelijk wordt een rondje te rijden. In het collegeprogramma is reeds het stimuleren van ruiterpaden en een mensportparcours in het buitengebied opgenomen en als uitwerking van de Gebiedsvisie Stompwijk wordt gewerkt aan de realisatie van men-/ruiterroutes. Verkeer Bij de gebruiksgerichte paardenhouderijen, in het bijzonder de maneges, maar ook bij grote paardenpensions, is de verkeersaantrekkende werking een aandachtspunt. Dit kan leiden tot conflicten op de landelijke wegen en een aantasting van de recreatieve waarden van deze wegen.
Dit geldt in het bijzonder voor de zeer smalle wegen in het oostelijk deel van het gebied rond de Zoetermeerse Meerpolder en ten noorden/ oosten van Stompwijk. Maar ook voor de wat bredere wegen, Wilsveen, de Stompwijkseweg en de Oostvlietweg, is de verkeersbelasting een belangrijk aandachtspunt. In de gebiedsvisie van Stompwijk is specifiek als doel aangegeven voor de Stompwijkseweg dat de verkeersbelasting van deze weg dient af te nemen. Met name locaties aan of nabij de grotere
ontsluitingswegen en nabij de bebouwde kom bieden daarom mogelijkheden voor gebruiksgerichte paardenhouderijen. Milieu Belangrijke milieuaspecten van paardenhouderijen in relatie tot de omgeving zijn geur, stof, licht en mest. Een paardenhouderij veroorzaakt vanwege zijn aard een zekere geurbelasting. Om die reden moet ten opzichte van andere objecten een bepaalde minimale afstand in acht worden genomen: • 100 meter van de gevel van de stal tot de gevel van een categorie I en II object; • 50 meter van de gevel van de stal tot de gevel van een categorie III en IV object. De categorieën houden in: • Categorie I: De bebouwde kom, stankgevoelige objecten (ziekenhuizen, sanatorium, internaat, enzovoort) en objecten voor verblijfsrecreatie (bungalowpark, camping, enzovoort). • Categorie II: Niet-agrarische lintbebouwing, diverse verspreid liggende niet-agrarische bebouwing die aan het desbetreffende buitengebied een woonfunctie ontleent, objecten voor dagrecreatie (zwembaden, speeltuinen, enzovoort). • Categorie III: Enkele niet-agrarische bebouwing in het buitengebied. • Categorie IV: Andere agrarische bedrijven. Een buitenrijbaan, longeercirkel en paddock kunnen bij droog weer stofoverlast geven. Deze overlast kan beperkt worden door de bodem bij droogte te besproeien danwel door middel van een eb- en vloedsysteem, zodat stofontwikkeling wordt voorkomen.
Ook kan gekozen worden voor een bodem die minder stof geeft, bijvoorbeeld het toevoegen van houtsnippers. Daarnaast kan de locatie van de buitenrijbaan, longeerbak en paddock zodanig gekozen worden, dat alleen al daardoor geen onaanvaardbare overlast optreedt. In sommige gevallen, waarbij een bouwblokvergroting/-verandering niet gewenst is, kan gekozen worden voor het positioneren buiten het bouwblok.
19
Bij voorzieningen zoals een buitenrijbaan, stapen trainingsmolen, longeerbak en paddock wordt dikwijls verlichting geplaatst. Dit kan lichthinder veroorzaken, voor omwonenden, verkeer, flora en fauna. Dit hoeft niet het geval te zijn als een lichtmast goed geplaatst, gericht en afgeschermd wordt. Het is beter meerdere lichtpunten met minder intensiteit (Lux) te plaatsen, dan 1 groot lichtpunt (bouwlamp), en de lampen direct nabij de voorzieningen te plaatsen in plaats van deze verderaf aan een bestaand bouwwerk te bevestigen. In aanvulling op het bovenstaande wordt opgemerkt dat de Meststoffenwet van toepassing is op bedrijven. Particulieren vallen niet onder de Meststoffenwet, maar dienen zich wel aan de Wet Bodembescherming te houden, wat betekent dat ze moeten zorgen voor goede mestopslag en mestafvoer.
20
21
“ a
“ d v
‘randgebieden: agrarisch en recreatief’ “randgebieden; agrarisch en recreatief” alle vormen van paardenhouderijen alle vormen van paardenhouderijen ‘agarische gebieden’
“agrarische gebieden” deeltijdpaardenhouderijen verbonden deeltijd paardenhouderijen aan agarische bedrijf verbonden aan volwaardig agarisch bedrijf
Visiekaart: gebiedsindeling voor paardenhouderijen
22
5.
visie: gebiedsindeling paardenactiviteiten
Het behoud en de ontwikkeling van het open polderlandschap, verbonden aan het gebruik voor melkveehouderij, staat voorop. Inspelend op de waarden met betrekking tot natuur, landschap, melkveehouderij en recreatie wordt in het ene deel van het gebied meer ruimte geboden aan de ontwikkeling van paardenactiviteiten dan in het andere. 1. Randgebieden: paarden intensief in aansluiting op stedelijk gebied Leidschendam en recreatiegebieden; alle vormen van paardenhouderijen Nabij de bebouwde kom van Leidschendam worden de meeste ontwikkelingsmogelijkheden voor paardenhouderijen geboden. Met name gebruiksgerichte paardenhouderijen – maneges, paardenpensions – zijn hier passend. Hier is immers een goede aansluiting op het stedelijk gebied, de recreatiegebieden Leidschendammerhout / De Vlietlanden en de Nieuwe Driemanspolder, het recreatief knooppunt Stompwijkseweg en een goede ontsluiting. Het betreft een aantal relatief kleine randgebieden en twee locaties in De Vlietlanden. Eén hiervan is een bestaande manege en één is een mogelijk nieuwe manege in het noordelijke, intensieve deel van het recreatiegebied, gekoppeld aan de entreeweg vanaf de snelweg.
Op deze wijze wordt voorkomen dat de eenheid van het agrarisch gebied wordt doorbroken, wat schaalvergroting van de melkveehouderij in de weg zou staan, en het verkeer voor de gebruiksgerichte paardenhouderijen ver het buitengebied in wordt getrokken. Er gelden in het algemeen geen beperkingen voor de omvang van het bedrijf. Wel is een goede landschappelijke inpassing voorwaarde (zie hoofdstuk 6). Hierbij wordt in het algemeen uitgegaan van een bestaand bouwperceel. Maar ook kunnen soms nieuwe bouwpercelen worden gecreëerd, wanneer dit leidt tot een ruimtelijke en functionele versterking van het gebied. Gedacht kan worden aan het vergroten van de diversiteit aan functies en het versterken van de betekenis voor recreanten.
2. Agrarische gebieden: paarden extensief; ruimte voor deeltijd-paardenhouderijen als ondergeschikte functie van agrarisch bedrijf In de agrarische gebieden met hoge landschappelijke waarde en vaak ook grote natuurwaarde zijn primair agrarische bedrijven toegestaan, waarbij als ondergeschikte, deeltijdfunctie ruimte is voor het houden van paarden. Paardenfokkerijen in zuivere vorm zijn ook mogelijk, aangezien deze beschouwd worden als een agrarische functie. Het houden van paarden bij een agrarisch bedrijf is volgens vaste jurisprudentie geen nevenfunctie behorende bij een agrarisch bedrijf. Immers, het houden van paarden heeft geen enkel verband met de hoofdfunctie (hier veelal melkvee). In deze deelgebieden is het beleid echter erop gericht om paardenhouderijen in deeltijd dan wel als “verbrede” functie bij volwaardige agrarische bedrijven toe te staan. Onder een volwaardig agrarisch bedrijf wordt verstaan een agrarisch bedrijf, waarbij sprake is van een agrarisch hoofdberoep, dat de arbeidsomvang heeft van tenminste één volwaardige arbeidskracht en waarvan de continuïteit op ook langere termijn gewaarborgd is. Op zichzelf staande klein- of grootschalige paardenhouderijen, niet zijnde fokkerijen, zijn in deze gebieden niet toegestaan.
Zo wordt voorkomen dat er ongewenste concurrentie met de agrarische bedrijven ontstaat en dat de eenheid van het agrarisch gebied wordt doorbroken, wat schaalvergroting van melkveehouderijbedrijven in de weg zou staan. Hierdoor wordt ook de positie van de melkveehouderij in dit gebied versterkt. Dit sluit aan op de twee ontwikkelingsmogelijkheden van melkveehouderijbedrijven die op basis van de Gebiedsvisie Stompwijk aan melkveehouderijbedrijven zouden moeten worden geboden: verbreding en schaalvergroting. Om ongewenste groei van paardenhouderijen dan wel gehele omzetting naar paardenhouderij tegen te gaan wordt een maximum gesteld van 15 paarden per bedrijf. Dit is in lijn met het feit dat de paardenactiviteiten een ondergeschikte functie moeten zijn en blijven. Door het aantal paarden te beperken wordt voorkomen dat de verkeersbelasting van de landelijke wegen wezenlijk toeneemt. 23
Tegelijkertijd is dit ook een aantal waarbij het financieel rendabel is paarden te houden. Tot slot wordt opgemerkt dat dit maximum aantal alleen gerealiseerd kan worden als dit ook binnen de milieuvoorschriften mogelijk is. 3. Het gehele buitengebied: hobbymatig houden van paarden In het gehele buitengebied is het hobbymatig houden van paarden met een maximum van vier per woning toegestaan. Dit maximum aantal is alleen toegestaan als goede landschappelijke inpassing mogelijk is (zie hoofdstuk 7, o.a. 'voldoende' groot erf met stalruimte en, zonodig, een paardenbak/paddock). Het weiden van hobbypaarden op gronden met een agrarische bestemming is niet toegestaan. Agrarische gronden zijn immers bestemd voor het weiden van graasdieren in het kader van een (volwaardige) agrarische bedrijfsvoering. Gezien echter de behoefte die er in het gebied is om in de privé-sfeer enkele paarden te houden, zal de gemeente tegen het weiden van hobbypaarden op grasland in aansluiting op het woonerf in principe niet optreden, tenzij het ten koste gaat van agrarische belangen, (de waarden van) het grasland wordt aangetast of (illegaal) voorzieningen worden aangelegd.
24
Bij de gebiedsindeling is geen onderscheid gemaakt in de typen productiegerichte en gebruiksgerichte paardenhouderij, omdat productiegerichte paardenhouderijen zelden zonder gebruiksgerichte aspecten (africhting, handel, pensionstalling) worden geëxploiteerd. Het lijkt daarom zinvoller onderscheid te maken in een volwaardig bedrijf, een deeltijdbedrijf en het hobbymatig houden van paarden en daarnaast middels spelregels (hoofdstuk 7) te zorgen voor positieve effecten op natuur en landschap.
6.
toekomstig netwerk men-/ruiterroutes
De recreatieve voorzieningen voor de paardensector zullen worden gestimuleerd. In de eerste plaats door de realisatie van extra ruiterpaden en menroutes. Daarnaast zal op bestaande vrijliggende fietspaden die geschikt zijn voor mennen, dit ook worden toegestaan. De bredere ontwikkeling van paardenrecreatie - denk aan routing, mogelijkheden van paardentrekking, transferia e.d. - zal in het kader van het recreatief beleid en project Stompwijk verder worden uitgewerkt.
Vanuit de gebieden met gebruiksgerichte paardenhouderijen - in het bijzonder vanuit de randgebieden, maar ook vanuit de agrarische gebieden - dient er een verbinding te worden gemaakt met het recreatiegebied De Vlietlanden en de Nieuwe Driemanspolder (toekomstig natuur-/ recreatiegebied).
bestaande
bestaande
nieuwe m ruiterrout gecombin
bestaand/
bestaande/geplande bestaande/geplanderuiterroute ruiterroute bestaande/geplande bestaande/geplandemenroute menroute nieuwe men- en ruiterroute, deels benieuwe menroute, deels bestaande staande route te vormen ruiterroute om teom vormen tot gecombineerde ruiter-/menroute bestaand/geplandrecreatief recreatiefknooppunt knooppunt bestaand/gepland
Visiekaart: men- en ruiterroutes 25
ruimtelijke karakteristiek landschap Stompwijk: buurtschappen, vrij liggende erven, open ruimte
26
7.
spelregels landschappelijke inpassing en natuurbeheer
In aanvulling op de gebiedsindeling voor paardenhouderijen gaat dit hoofdstuk dieper in op hoe paardenhouderijen en particulieren met paarden met hun inrichting en beheer kunnen bijdragen aan het behoud en de ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden in het gebied. Het gaat hierbij om de waarden van de graslanden, de opbouw van het erf, de bebouwing en beplanting. De hier gegeven 'spelregels' zijn primair kwalitatief van aard. Doch, in aanvulling hierop, worden ook kwantitatieve eisen of richtlijnen gegeven, omdat deze met name bij de beoordeling van nieuwe aanvragen en bij handhaving extra houvast kunnen bieden.
niet zo
Beheer graslanden De intensiteit van het grondgebruik is een belangrijk aspect voor de effecten op natuur- en landschapswaarden. Denk aan vertrapping van het gras, verdichting van de grond, een ongelijkmatige grasmat, vele linten/koorden, verruiging en te weinig rust voor weidevogels bij een intensief grondgebruik. Daarom worden de volgende regels gegeven voor de intensiteit en periode van beweiding.
maar zo behoud grasland, niet vertrapt tot modder
De eerste voorwaarde voor het houden van paarden - in zowel de agrarische, de randgebieden als bij particulieren - is dat het grasland in stand wordt gehouden. In relatie tot de hoge grondwaterstand en slappe bodem van de polder is weidegang in principe mogelijk gedurende de periode mei tot en met oktober. In geval van pony’s is beweiding wel het gehele jaar mogelijk, mits het om een beperkt aantal gaat. Daarnaast moet in geval van de agrarische bedrijven met onderschikte, deeltijdpaardenhouderijen worden uitgegaan van 0,5 ha grasland per volwassen paard en van 0,3 ha per veulen/pony. Ter vergelijking: deze aantallen en de beweidingsperiode komen overeen met de regels van Staatsbosbeheer voor weidevogelbeheer met koeien. Het kan ook nodig zijn aanvullende maatregelen te treffen zodat het grasland af en toe hersteltijd heeft. Bijvoorbeeld kan met een (verplaatsbaar) hek in een steeds ander deel van de weide paarden worden toelaten.
27
kan soms
goede maat
te groot
omvang en vorm bouwperceel passend bij schaal landschap 28
Het ophogen van grasland om de 'draagkracht' van de bodem te vergroten wordt in het algemeen als onwenselijk beschouwd, omdat dit geen duurzame oplossing is (zie hoofdstuk 4 onder "Bodem en vegetatie") en veelal een aantasting van de natuur- en landschapswaarden betekent. Het bestemmingsplan geeft aan in welke gevallen er een aanlegvergunning nodig is. In de "randgebieden" en bij particulieren worden de genoemde normen van aantal paarden per hectare niet toegepast. In de randgebieden zullen namelijk bedrijven als maneges voorkomen waarbij de paarden verhoudingsgewijs veel minder in het weiland staan. Bij particulieren is het ongewenst dat deze veel grasland in gebruik hebben, aangezien de agrarische gronden bedoeld zijn voor agrarische bedrijven. Wel moet ook in de randgebieden en bij particulieren worden voldaan aan de eis dat het grasland in stand wordt gehouden. Vandaar dat het bij particulieren van groot belang is dat deze voldoende ruimte hebben op het erf voor stalruimte, uitloop en eventueel een paardenbak of paddock. Voor de waarden van het grasland voor weidevogels - dit is met name in de aangewezen waardevolle weidevogelgebieden van groot belang - zijn de volgende aanvullende richtlijnen: • paarden tijdens het broedseizoen (15 maart tot 15 juni) alleen weiden in de zone van de erven, tot een afstand van 150 m vanaf de weg.
• verder naar binnen maailand (streven naar maaien na 15 juni) • achterin hooiland (na 1 juli maaien) • niet rollen of slepen tussen 1 april en 30 juni. De zode niet scheuren. • distels mechanisch bestrijden. Geen chemische bestrijdingsmiddelen toepassen. • zorgen voor voldoende openheid • zorgen voor voldoende rust Bij gecombineerde bedrijven met melkvee en paarden is het echter niet reëel na 15 juni te maaien, aangezien voor koeien eiwitrijk gras nodig is. De late maaidatum moet daarom als streven worden beschouwd, oftewel een richtlijn waarmee in de praktijk in relatie tot melkveehouderijen soepel zal worden omgegaan.
Bouwpercelen Paardenhouderijen dienen in principe gevestigd te worden op bestaande bouwpercelen. Dit om ongewenste verdichting van het landschap zoveel mogelijk te voorkomen. In bepaalde situaties kunnen in de ‘randgebieden’ nieuwe bouwpercelen worden gecreëerd , wanneer dit leidt tot een ruimtelijke of functionele versterking van het gebied. Gedacht kan worden aan het vergroten van de diversiteit aan functies en het versterken van de betekenis voor recreanten. Voor de omvang en uitbreidingsmogelijkheden van het bouwperceel wordt aangesloten bij de bestaande regeling voor agrarische bedrijven: • een volwaardige paardenhouderij of een volwaardig agrarisch bedrijf met deeltijdpaardenhouderij heeft ‘standaard’ een bouwperceel van 1 ha, waarbij een uitbreiding tot maximaal 1,5 ha mogelijk is. Dit komt overeen met de huidige regels voor een volwaardig agrarisch bedrijf. Uitbreiding boven de 1 ha is alleen mogelijk indien dit noodzakelijk is ten behoeve van de activiteiten van het bedrijf. • bij een deeltijd-paardenhouderij een bouwperceel van 0,5-0,75 ha, conform een kleinschalig agrarisch bedrijf. Bij de vorm van het bouwperceel en een eventuele uitbreiding wordt aangesloten op de karakteristiek van agrarische erven in het slagenlandschap. Over het algemeen zijn deze erven diep en smal. Alleen aan de noordzijde van de Stompwijkseweg zijn brede erven.
Voorzieningen buiten bouwperceel Over het algemeen dienen de voorzieningen binnen het bouwperceel te worden geplaatst. Wanneer hiervoor onvoldoende ruimte is, kan in geval van deeltijd-paardenhouderijen (niet bij het hobbymatig houden van paarden) vrijstelling worden verleend voor de plaatsing van één buitenbak en een paddock buiten het bouwperceel, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan landschappelijke waarden. Voor een goede landschappelijke inpassing zal doorgaans een positie van de buitenbak achter het bouwperceel het beste zijn, omdat dit aansluit op de karakteristiek van het slagenlandschap. Op deze 29
richtlijnen voor opbouw erf: - representatieve voorzijde - achterzijde gericht op landschap - centrale ontsluiting - plaatsgewijze beplanting
karakteristieke erfstructuur Stompwijkseweg noordwestzijde
karakteristieke erfstructuur Stompwijkseweg zuidoostzijde 30
niet zo zeer rommelig beeld zijkant erf. Losse objecten en beplanting niet passend bij landschap
en niet zo de voorzijde van het erf oogt hier als achterzijde
maar zo voorzijde erf heeft representatief karakter
of zo weliswaar een wit hek, maar de knotwilgen en het krachtige ‘karakteristieke’ gebouw domineren het beeld. 31
de standaardvormgeving
zo kan het ook!
vormgeving binnenrijbaan op basis van maatvoering volgens VNG 20x40 of 20x60 m
korrelgrootte agrarische bebouwing (links) versus bebouwing paardenstoeterij met binnenrijbaan (rechts): de bebouwing van de paardenstoeterij heeft een veel grotere schaal/korrelgrootte dan de bebouwing op de agrarische erven.
32
Dergelijke grootschalige bebouwing dient zoveel mogelijk te worden vermeden, danwel een zeer goede uitwerking te krijgen, zowel stedenbouwkundig/landschappelijk als architectonisch.
wijze blijven open ruimtes met weidegrond tussen de erven bestaan en zal de voorziening (met eventuele omheining en afwijkende bodem) minder in het oog springen. Bij een paardenbak of paddock buiten het bouwperceel is geen verlichting toegestaan. Een eventuele afscheiding moet qua kleur en materiaal zo goed mogelijk passen in het landschap. Inrichting bouwperceel Binnen het bouwperceel zijn in geval van volwaardige of deeltijd-paardenhouderijen de voorzieningen toegestaan die nodig zijn voor de betreffende activiteiten, mits deze goed landschappelijk worden ingepast. Hiervoor gelden de volgende regels. Bij een volwaardige paardenhouderij: • maximaal 2 buitenrijbanen ("paardenbak") van 20x60m • paddock • longeercirkel • stap-/trainingsmolen • horeca alleen bij manege • binnenrijbaan alleen bij een stoeterij of manege Bij een deeltijd-paardenhouderij: • maximaal 1 buitenrijbaan ("paardenbak") van 20x60m • paddock • niet: longeercirkel, stap-/trainingsmolen, horeca, binnenrijbaan Bij het hobbymatig houden van paarden op woonerven gelden meer beperkingen. Hier is alleen een paardenbak of paddock van max. 800 m2 toegestaan, mits deze goed landschappelijk wordt ingepast op het bouwperceel, en voor bijgebouwen is er een maximumoppervlak bepaald. In het algemeen is 50 m2 aan bijgebouwen toegestaan, conform de bestaande bestemmingsplanregeling voor bijgebouwen op woonbestemmingen.
Voor bijgebouwen op voormalige agrarische erven geldt een ‘royalere’ regeling. Hier is met vrijstelling een oppervlak van maximaal 125 m2 mogelijk ten behoeve van het stallen van paarden. Voorwaarde is dat er in geval van nieuwbouw bestaande bebouwing wordt gesloopt. De inpassing van de voorzieningen en gebouwen vindt plaats op verschillende schaalniveaus en
met verschillende middelen. Deze richtlijnen zijn grotendeels ook van toepassing op agrarische bedrijven (zie boekjes “Maak uw erf goed”, “Richtlijnen landelijk bouwen”, Landschapskwaliteitsparagraaf bestemmingsplan en Landschapsbeleidsplan). Omdat het grootste deel van de gebieden met mogelijkheden voor paardenhouderijen zijn gelegen in het veenlandschap rond Stompwijk, zijn de richtlijnen voor de landschappelijke inpassing in eerste instantie hierop toegespitst. Daarna wordt ingegaan op de ‘afwijkingen’ voor de andere typen gebieden, te weten De Vlietlanden en de strandwallen tussen Leidschendam en Voorschoten. 1. Organisatie erf Karakteristiek voor de organisatie van het erf in de polders zijn: • centrale ontsluiting, waarbinnen eventuele parkeervoorzieningen • geconcentreerde bebouwing rond ontsluitingsplek • over het algemeen lengterichting van bebouwing en ontsluiting; bij percelen ten noordwesten van Stompwijkseweg overheerst vaak de breedterichting • variatie korrelgrootte gebouwen, hoofd-/ nevengebouwen, gelede volumes. Kleinere bouwmassa (meestal woning) op kop, grotere bouwmassa’s erachter. De volumeopbouw respecteert het veelal aanwezige onderscheid van voorhuis, achterhuis, nevenbebouwing e.d. De geleding van bouwvolumes kan een belangrijke manier zijn om grote hallen beter in te passen in het landschap. • representatieve voorzijde 2.
Beplanting Met plaatselijke, strategisch geplaatste beplanting op/langs het bouwperceel kunnen de voorzieningen en bouwwerken goed worden ingepast in het landschap. In de veengebieden zijn volgende beplantingstypes toe te passen: • enkele grote bomen zoals els, wilg en populier, linde, paardenkastanje en iep • hoge noten- en fruitbomen. deze zorgen voor vruchten/noten en beschutting • leilindes aan voorzijde • hagen en houtsingels als erfafscheiding; liguster en meidoorn 33
niet zo • geen eigen karakter, maar standaard systeembouw • zeer veel, grootschalige hallen bij elkaar geplaatst, gebrek aan variatie in schaal en vormgeving • geen krachtige daken door groene platen, flauwe dakhelling en massale toepassing van kleine ramen in dakvlak • opvallende houten hekken • te uniform en gesloten beplantingsbeeld
maar zo
referenties voor ‘ inpassing’ van grote volumes: grote agrarische gebouwen zijn goed ‘ingepast’ in landschap door gelede volumes, krachtige dakvormen en robuuste, plekgewijze beplanting 34
òf zo referenties voor groot volume met krachtige vorm en uitstraling • een krachtige hoofdvorm van het gebouw • grote raamvlakken passend bij de schaal van het gebouw. • stoere daken, grote dakvlakken • materiaal bruin/zwart hout, baksteen • ‘eigenheid’, vormgeving past bij specifieke functie 35
• •
knotwilgen op erfgrens oprijlaantje (met name zuidzijde Stompwijkseweg)
• •
In het meer kleinschalige, besloten strandwallandschap kan beplanting op robuustere wijze worden toegepast dan in de open polder. Met houtsingels, kleine boselementen en laanbomen kunnen de voorzieningen van de paardenhouderij hier goed worden ingepast en kunnen paardenhouderijen zo ook een bijdrage leveren aan het versterken van de landschappelijk kwaliteit van het (coulissen)landschap. Boomsoorten die op de strandwal passen zijn bijvoorbeeld eik, beuk, linde en es. Uit het bovenstaande volgt dat niet het gehele erf mag worden volgebouwd. Ruimte langs de perceelsranden en voorop het erf is essentieel. Dit betekent ook dat uitbreiding van het bouwperceel ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing van extra voorzieningen gewenst kan zijn. Uiteindelijk staat het doel van een goede landschappelijke inpassing boven de kwantitatieve norm voor de omvang van een bouwperceel. 3. Bebouwing Indien er sprake is van een bouwperceel met bestaande agrarische gebouwen, moet worden gestreefd naar hergebruik van waardevolle of karakteristieke bebouwing. Bebouwing die niet hergebruikt wordt, dient te worden verwijderd. Indien de bestaande bebouwing niet toereikend is voor het bedrijf, of onvoldoende geschikt is, is nieuwe bebouwing mogelijk.
Ook extra bedrijfswoningen zijn toegestaan in de ‘randgebieden’ bij volwaardige paardenhouderijen, indien de noodzaak voor het bedrijf kan worden aangetoond. In geval van een manege is een kleinschalige horecavoorziening mogelijk ten dienste van de manege. Bij de vormgeving van nieuwe gebouwen zijn de maat, schaal en korrelgrootte van gebouwen een aandachtspunt, alsmede de karakteristiek van agrarische gebouwen. Algemene richtlijnen voor het aansluiten van nieuwe gebouwen op de karakteristieke bebouwing in het gebied zijn: • een lage gootlijn en relatief grote kapvlakken maximaal 1,5 laag met kap. Meestal 1 laag met kap. (Maximaal toegestane goothoogte 36
• •
•
volgens bestemmingsplan is 4,5 m.) de toepassing van kappen, in heldere, krachtige vormen kappen in de lengterichting (langste richting) van de bebouwing (max. toegestane hoogte volgens bestemmingsplanregeling 9 m) hellingshoek kap ligt tussen de 30 en 60 graden, nadruk op steile kappen van min. 45 graden gevelmateriaal: veelal natuurlijke materialen, baksteen in bruin/roodtinten, soms ook kunststoffen en metalen in groen, grijs en bruintinten mogelijk dakafdekking: gebakken keramische pannen in rood of grijstinten en bitumen
Bebouwing mag zich – in relatie tot een specifieke functie - duidelijk onderscheiden van naastliggende panden mits dat gepaard gaat met een overtuigende individuele kwaliteit. Ingetogenheid is daarbij nodig, de omgeving moet niet overstemd worden. Wanneer dit bereikt wordt, kan enige afwijking van bovenstaande algemene richtlijnen aan de orde zijn. Bouwwerken als onderdeel van een bebouwingscluster dienen zich te voegen naar het groepsbeeld van het cluster. De eigen overtuigende kwaliteit speelt in het bijzonder bij de ‘hoofdgebouwen’ en de heel grote volumes van rijhallen. Bij deze gebouwen worden extra hoge kwaliteitseisen gesteld aan de vormgeving gesteld en vindt een welstandstoets plaats. 4. Afscheidingen Hekwerken zijn in principe niet toegestaan buiten het bouwperceel. De afscheidingen dienen zoveel mogelijk op natuurlijke wijze met kavelsloten en erfbeplanting te worden gemaakt. Waar dit niet toereikend is – bijvoorbeeld bij een paddock, paardenbak, of ten behoeve van een goed ‘graslandbeheer’ - is het ‘terughoudend’ toepassen van afrasteringen mogelijk. In open ruimtes dienen lichte afrasteringen met witte koorden te worden gebruikt. Houten hekwerken zijn passend in aansluiting op de besloten gebieden.
niet zo witte linten zijn hier storend, door materiaal, rommelige plaatsing en grote dichtheid, plaatsing dicht op weg
maar zo linten zijn hier veel minder storend: het is er maar één, waarbij de richting aansluit op de kavelstructuur, plaatsing in aansluiting op /voor het erf (niet in de tussenruimte tussen erven)
of zo afrastering met wit koord is in open landschap het beste (als watergang niet mogelijk/toereikend)
materialisatie en plaatsing afrastering zo onopvallend mogelijk in landschap 37
5. Verlichting Verlichting ten behoeve van paardenactiviteiten is buiten het erf niet toegestaan. Op het erf is het mogelijk, mits het geen hinder veroorzaakt voor omwonenden, flora en fauna, en het noodzakelijk is voor het bedrijfsmatig houden van paarden. Overlast kan worden voorkomen door de toepassing van zo laag mogelijke lichtmasten met gericht licht, geel licht, en deze direct te plaatsen bij de te verlichten locatie. Het licht bij bijvoorbeeld een buitenbak mag alleen aanstaan wanneer er gebruik van wordt gemaakt. Tevens zijn lichtmasten die aangaan wanneer iets of iemand passeert niet wenselijk voor fauna. 6. Parkeren De benodigde ruimte voor parkeren - dit speelt met name bij maneges en paardenpensions - dient binnen het bouwperceel te worden geboden. De parkeervoorzieningen dienen stedenbouwkundig/ landschappelijk goed te worden ingepast, passend bij de (karakteristieke) opbouw van het erf. Een belangrijk aandachtspunt hierbij is dat de parkeervoorzieningen vanaf de weg niet nadrukkelijk in het oog springen.
38
8.
uitvoering en handhaving
Juridische status Deze nota omvat beleidsregels zoals bedoeld in artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor paardenhouderijen in het landelijke gebied. Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt het gemeentebestuur overeenkomstig deze nota, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de nota in te dienen doelen. Verder wordt de nota vertaald in de toekomstige bestemmingsplannen. De randvoorwaarden met betrekking tot de landschappelijke inpassing van paardenhouderijen zullen ook in de Welstandsnota nader worden uitgewerkt. Op deze wijze zijn de regels ook juridisch afdwingbaar. Nieuwe aanvragen Bij de nieuwe aanvragen voor een (deeltijd) paardenhouderij worden de volgende stappen doorlopen: Stap 1 De aanvraag van een bedrijf dient te worden voorzien van een bedrijfsplan met een inrichtingsplan voor de korte en langere termijn. Stap 2 Funtionele/economische beoordeling van het type bedrijf, zo nodig met behulp van advies van de regionale (agrarische) beoordelingscommissie: • is er sprake van een paardenfokkerij of een andere vorm van paardenhouderij? • volwaardig of deeltijd? De visiekaart met de gebiedsindeling – deze wordt vertaald in het bestemmingsplan - geeft aan of het bedrijf in principe is toegestaan.
Op basis van de beoogde activiteiten wordt bepaald of de aangevraagde voorzieningen ook relevant/ noodzakelijk zijn. Stap 3 Milieutoets van de paardenhouderij Getoetst moet worden of aan alle milieueisen kan worden voldaan.
Stap 4 Stedenbouwkundige en landschappelijke/natuur beoordeling. De landschappelijke inpassing, de effecten op natuurwaarden en de plaatsing van gebouwen en voorzieningen worden beoordeeld. Landschappelijk advies door een deskundige van de gemeente of bijvoorbeeld Landschapsbeheer Zuid-Holland is verplicht. Belangrijk is dat dit mede gebeurt voor de lange termijn. Daarmee kan worden voorkomen dat, wanneer een bedrijf later wenst te groeien, dit dan niet meer op een goede wijze te realiseren valt. Stap 5 Beoordeling architectuur rijhallen en hoofdgebouwen door Welstand. Het hobbymatig houden van paarden komt slechts aan bod als er vergunningaanvragen voor gebouwen of voorzieningen als paardenbakken worden ingediend. Bij gebouwen moet worden voldaan aan de geldende bouwvoorschriften behorende bij de betreffende (woon)bestemming. Daarnaast dient het plan te worden beoordeeld op een goede landschappelijke inpassing. Bestaande bedrijven versus gewenste situatie De vergunde en bestemde paardenhouderijen die in gebieden liggen waar de activiteiten volgens de ‘visiekaart’ niet zouden worden toegestaan, kunnen op grond van bestaande rechten daar gevestigd blijven, maar mogen niet groeien. In het nieuwe bestemmingsplan krijgen ze een passende bestemming, toegespitst op de bestaande functie/situatie, waarbij de bestaande bouwmogelijkheden worden behouden.