3551-02 ZienswijzennotaNota van wijzigingen bestemmingsplan ‘Landelijk-2’, versie 2
Tekst van het document
Inhoud zienswijze Landelijk
Beantwoording zienswijze Landelijk
Indieners zijn het niet eens met de
De gemeente erkent dat het
toelichting in hoofdstuk 6.3
inrichtingsplan destijds alleen is
Weidevogelgebied Meerpolder. Hierin staat
gedeeld. De Toelichting van
dat het inrichtingsplan in collectief overleg
ontwerpbestemmingsplan Landelijk-2
met de agrariërs in het gebied is uitgewerkt.
is hierop aangepast.
Dat is volgens indiener geen correcte 78
weergave van de werkelijkheid: het inrichtingsplan is alleen met de agrariërs gedeeld.
B2.
conclusie
Naar aanleiding van deze zienswijze zijn later geen aanpassingen verwerkt in Landelijk-2.
B3.
Zienswijze
Inhoud zienswijze Landelijk
Beantwoording zienswijze Landelijk
Indiener wil in de toekomst twee woningen
De vigerende bestemming is
realiseren op het perceel ter grootte van 600
‘Agrarisch met waarden – Natuur- en
m3. De aanwezige bedrijfsgebouwen zullen
Landschapswaarden’. In
worden gesloopt. Het nieuwe
bestemmingsplan “Landelijk Gebied”
bestemmingsplan biedt die ruimte niet.
konden perceeleigenaren in navolging van artikel 3.7.11 en de voorwaarden uit artikel 3.7.12 gebruik maken van de ruimte-voor ruimteregeling voor de bouw van nieuwe woningen. De oude agrarische opstallen behoorden toe aan een voormalig agrarisch bedrijf. Bij locatie (B3) is sprake van een woonbestemming. Daarbij wil gemeente beleidsneutraal overgaan en aansluiten bij het relevante provinciale omgevingsbeleid. De (oude) provinciale ruimte-voor-ruimte regeling in de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘AgrarischGlastuinbouw’ komen te vervallen. De provincie hanteert andere criteria om planologisch mee te werken aan het wijzigen van een agrarische bestemming naar wonen. Daarbij is het toevoegen van nieuwe woningen 79
echter uitsluitend aan de orde indien voldoende ruimtelijke kwaliteitswinst kan worden geboekt. Gemeente werkt doorgaans niet mee aan nieuwe woningen op bestemmingen 'Agrarisch met Waarden - Natuur- en landschapswaarden'. Het zijn gebieden die hoge landschappelijke en/of natuurwaarden herbergen. Deze waarden worden zoveel mogelijk beschermd door provincie en gemeente. Het bouwen van nieuwe woningen op agrarische gronden met natuur en landschapswaarden valt daarom buiten de reikwijdte van dit bestemmingsplan.
B3.
conclusie
Naar aanleiding van deze zienswijze zijn later geen aanpassingen verwerkt in Landelijk-2.
B4.
Zienswijze
Inhoud zienswijze Landelijk
Beantwoording zienswijze Landelijk
Indiener wil dat er opnieuw een agrarisch
Het bestemmingsplan Landelijk is
bouwvlak wordt toegekend aan het
conserverend van aard. De bouw van
voormalig erf met voormalige bebouwing ten
een vee-schuur en/ of hooiopslag op
behoeve van de herbouw van een vee-
dit perceel is het opstarten van
schuur en / of hooiopslag voor het houden
nieuwe agrarische bedrijfsactiviteiten.
en opfokken van melk- en / of vleesvee en
Het perceel heeft de bestemming:
schapenhouderij.
“Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden” (AW-NL). Ingevolge artikel 7.1.1 onder a. van de algemene bestemmingsomschrijving zijn de 80
voor “Agrarisch met waarden Natuur- en landschapswaarden” aangewezen gronden bestemd voor de instandhouding en ontwikkeling van agrarische gronden ten behoeve van de bedrijfsuitoefening van de grondgebonden agrarische bedrijven, gevestigd op de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden met bijbehorende bouwpercelen. Dit betekent dat de gronden hoofdzakelijk bestemd zijn voor de bedrijfsuitoefening van bestaande agrarische bedrijven die gevestigd zijn op nabijgelegen agrarische gronden met bijbehorende bouwpercelen. Het toekennen van een nieuw agrarisch bouwvlak is daardoor niet mogelijk. Dat wordt medebepaald door de natuur- en landschapswaarden. Het open weidelandschap met grasland vegetaties vormen de pijlers van het gebied. De gronden zijn bestemd voor de instandhouding, versterking en/of het herstel van de landschappelijke, cultuurhistorische en (aanwezige en/of potentiële) natuurwaarden. Belangrijke elementen in het landschap zijn vegetaties van slootoevers, het open weidelandschap en het cultuurhistorische verkavelings-/ slotenpatroon. De AW-NL gronden dragen bij aan de instandhouding van broedende weidevogels in het gebied. De landschapswaarden 81
worden daarbij zoveel als mogelijk beschermd. Hoewel er niet eerder een agrarisch bouwvlak is bestemd op het perceel, is er wel voormalige bebouwing op oude luchtfoto’s waarneembaar. Te zien, is de opslag van opleggers en een paar kleine schuren, vermoedelijk voor het stallen van kleinvee zoals schapen. Na 2016 zijn de opstallen afgebroken en is het perceel weer in zijn oorspronkelijke staat hersteld. In die zin kan er dus geen sprake zijn geweest van een voormalig ‘agrarisch bouwvlak’.
B4.
conclusie
Naar aanleiding van deze zienswijze zijn later geen aanpassingen verwerkt in Landelijk-2.
B5.
Zienswijze
Inhoud zienswijze Landelijk
Beantwoording zienswijze Landelijk
De bestemming “Agrarisch met waarden -
De natuur- en landschapswaarden
Natuur-en-Landschapswaarden” – artikel 7
zijn niet ondergeschikt aan de
doet geen recht aan de bestaande situatie.
agrarische functie nu er geen
Het gedeelte achter de woonbestemming is
agrarisch gebruik meer is op het
niet meer in te passen in een volwaardige
terrein. De gronden zijn naast de
agrarische bedrijfsvoering. Het perceel wordt
instandhouding en ontwikkeling van
gebruikt als moestuin, schapenweitje,
agrarische gronden (artikel 7.1.1
paardenweitje en paardenuitloop. De
onder a.) namelijk ook bestemd voor
bestemming van dit deel van het perceel
de instandhouding, versterking en/of
dient te wijzigen naar “Wonen”.
het herstel van de landschappelijke, cultuurhistorische en (aanwezige en/of potentiële) natuurwaarden (artikel 7.1.1 onder c.) en voor het behoud van graslandvegetaties 82
(artikel 7.1.1 onder d.). Het lint van de Oostvlietweg is door de hoge ligging op de kade langs de Vliet met panoramische vergezichten over het laaggelegen weidelandschap één van de meest beeldbepalende linten in de regio. Dit karakter dient behouden te blijven en - waar mogelijk – te worden versterkt. Het is bij nagenoeg alle woonbestemmingen in het lint niet mogelijk het bestemmingsvlak “Wonen” te verruimen aangezien dat ten koste gaat van het open landschap en het karakter van het lint. Het bestemmingsplan wordt naar aanleiding van deze zienswijze niet aangepast. In de nieuwe bestemming “Waarde
Landelijk-2 bevat in tegenstelling tot
Cultuurhistorie - Lint Oostvlietweg” – artikel
Landelijk geen dubbelbestemming
43 zijn uitgangspunten en doelstellingen
meer voor de cultuurhistorische
geformuleerd die niet concreet vertaald zijn
waarden van linten. Binnen de
in regels over wat wel en niet mag. Het lijkt
planregels wordt indien aanwezig
alsof hier een groot aantal extra potentiële
verwezen naar de kwaliteitseisen uit
beperkingen opgelegd kunnen worden op
de Ruimtelijke Kwaliteitsparagraaf.
eigen grond. De in de nieuwe bestemming “Waarde
“Landelijk-2” bevat in tegenstelling tot
Cultuurhistorie – Slagenlandschap” – artikel
“Landelijk” geen dubbelbestemming
48 genoemde beperking ten aanzien van
meer voor de cultuurhistorische
bouwstenen, beplantingen en afscheidingen
waarden van het slagenlandschap.
die gebruikt mogen worden is onduidelijk.
Binnen de bestemmingsplanregels
De verwijzingen zijn niet terug te vinden en
wordt indien aanwezig verwezen naar
het is daardoor niet mogelijk om de strekking
de kwaliteitseisen uit de Ruimtelijke
van deze nieuwe bestemming te overzien.
Kwaliteitsparagraaf.
De dubbelbestemming “Waterstaat –
Waterkeringen vallen onder de
Waterkering” – artikel 51 is groter geworden.
bevoegdheid van het 83
Ook hier is niet duidelijk waar dat op
Hoogheemraadschap. In de legger
gebaseerd is.
van het Hoogheemraadschap van Rijnland is aangegeven waar de waterkeringen zich bevinden. Omdat waterkeringen versterkt, aangepast of verlegd worden, vindt er regelmatig een herziening plaats van de legger. De gemeente neemt de meest recente data over van het Hoogheemraadschap van Rijnland.
Binnen de bestemming “Wonen-
Het bouwvlak bepaalt waarbinnen het
grondgebonden” – artikel 52 is een
hoofdgebouw (in dit geval de woning)
bouwvlak getekend wat geen recht doet aan
wordt gerealiseerd. Bijbehorende
de bestaande situatie. De stal is lang
bouwwerken zoals in dit geval de stal
geleden bij het woonhuis getrokken en
kunnen zowel binnen als buiten het
sindsdien ook als zodanig in gebruik. Ook
bouwvlak (maar wel binnen de
het bijgebouw staat niet in het bouwvlak
bestemmingsgrens) worden
ingetekend.
gerealiseerd. Aanpassing van het bouwvlak is in dit geval dus niet noodzakelijk.
B5.
conclusie
Naar aanleiding van deze zienswijze zijn later aanpassingen verwerkt in Landelijk-2.
B6.
Zienswijze
Inhoud zienswijze Landelijk
Beantwoording zienswijze Landelijk
Het bouwvlak van de woonboerderij op de
Het bouwvlak wordt daarop
verbeelding is vele malen kleiner dan de
aangepast.
werkelijke bebouwing. De bijgebouwen staan niet ingetekend.
In artikel 28.2.3 onder a staat beschreven dat de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken (inclusief kassen) per woning niet meer mag bedragen dan hetgeen wettelijk maximaal 84
vergunningsvrij is toegestaan (artikel 2.1, tweede en derde lid Wabo). Hiermee is er meer flexibiliteit gekomen in het omgevingsvergunningvrij bouwen en situeren van (nieuwe) bebouwing.
B6.
conclusie
Naar aanleiding van deze zienswijze zijn later aanpassingen verwerkt in Landelijk-2.
B7.
Zienswijze Camping Noorthey
Inhoud zienswijze Landelijk
Beantwoording zienswijze Landelijk De locatie van de camping maakt geen deel uit van het bestemmingsplangebied ‘Landelijk-2’ en is in dit plan dus verder niet inhoudelijk behandeld.
B7.
conclusie
De zienswijze is inhoudelijk niet behandeld. B8.
Zienswijze
Inhoud zienswijze Landelijk
Beantwoording zienswijze Landelijk Deze planontwikkeling is niet meer actueel. De plannen voor een nieuw bedrijf zijn door initiatiefnemer ingetrokken.
B8.
conclusie
De zienswijze is inhoudelijk niet behandeld.
B9.
Zienswijze
Inhoud zienswijze Landelijk
Beantwoording zienswijze Landelijk Deze planontwikkeling is niet meer actueel. De plannen voor een nieuw bedrijf zijn door initiatiefnemer 85
ingetrokken.
B9.
conclusie
De zienswijze is inhoudelijk niet behandeld.
B10. Zienswijze Inhoud zienswijze Landelijk
Beantwoording zienswijze Landelijk
Indiener verzoekt gemeente het bouwblok
Het uitgangspunt is dat de voorheen
aan de locatie (B10) met 10 meter te
geldende bestemmingsplannen en
verlengen in noordwestelijke richting (tot een
beheersverordeningen zo veel als
grootte van 1 hectare) in verband met de
mogelijk beleidsneutraal zijn
bestaande situatie en een reële mogelijkheid
opgenomen in het bestemmingsplan
tot uitbreiding in de toekomt.
“Landelijk -2”. Volgens vaste jurisprudentie (zie o.a. ECLI:NL:RVS:2023:2018) moet de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening houden met een particulier initiatief voor een ruimtelijke ontwikkeling als dat initiatief voldoende concreet is, tijdig aan hem kenbaar is gemaakt en de raad op het moment van de vaststelling van het bestemmingsplan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan beoordelen. Aangezien dit verzoek slechts een verzoek tot vergroting van het bouwvlak omvat, zonder een nader concrete onderbouwing dan wel invulling van die uitbreiding, is niet duidelijk welke ruimtelijke en milieuhygiënische gevolgen de uitbreiding heeft. Wanneer verzocht wordt om aanpassing, wordt geadviseerd dit buiten de herziening van dit bestemmingsplan te vervolgen 86
door het verzoek voor te leggen aan de Adviestafel initiatieven.
B10.
conclusie
Naar aanleiding van deze zienswijze zijn later geen aanpassingen doorgevoerd in Landelijk-2.
B11. Zienswijze Inhoud zienswijze Landelijk
Beantwoording zienswijze Landelijk
Indiener is het niet eens met de plannen aan
Deze planontwikkeling is niet meer
de locatie (B8) om hier buiten het
actueel. De plannen voor een nieuw
bestemmingsplan om een vergunning af te
bedrijf zijn door initiatiefnemer
geven voor het realiseren van een nieuw
ingetrokken.
bedrijf. Indiener verzoekt artikel 4.1.1.4 uit het
Het uitgangspunt is dat de voorheen
ontwerpbestemmingplan te wijzigen. De
geldende bestemmingsplannen en
maximale grootte van bouwvlakken dient
beheersverordeningen zo veel als
vergroot te worden. Het hedendaags
mogelijk beleidsneutraal zijn
vrachtverkeer wordt groter en een erf moet
opgenomen in het bestemmingsplan
ruimer opgezet kunnen worden.
“Landelijk -2”. Volgens vaste jurisprudentie (zie o.a. ECLI:NL:RVS:2023:2018) moet de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening houden met een particulier initiatief voor een ruimtelijke ontwikkeling als dat initiatief voldoende concreet is, tijdig aan hem kenbaar is gemaakt en de raad op het moment van de vaststelling van het bestemmingsplan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan beoordelen. Aangezien dit verzoek slechts een verzoek tot vergroting van het bouwvlak omvat, zonder een nader concrete onderbouwing dan wel 87
invulling van die uitbreiding, is niet duidelijk welke ruimtelijke en milieuhygiënische gevolgen de uitbreiding heeft. Wanneer verzocht wordt om aanpassing, wordt geadviseerd dit buiten de herziening van dit bestemmingsplan te vervolgen door het verzoek voor te leggen aan de Adviestafel initiatieven.
B11.
conclusie
Naar aanleiding van deze zienswijze zijn later geen aanpassingen doorgevoerd in Landelijk-2.
B12. Zienswijze Inhoud zienswijze Landelijk
Beantwoording zienswijze Landelijk
Er zijn twee bouwvlakken op dit perceel.
Er is een haakje op de verbeelding
Deze worden met elkaar verbonden middels
opgenomen om aan te tonen dat beide
een haakje/boogje. In het voorgaande
agrarische bestemmingen tot één
bestemmingsplan was dit een
agrarisch bouwvlak behoren. In
aaneengesloten geheel. Indiener verzoekt
tegenstelling tot het onderliggende
gemeente om het haakje/boogje te
bestemmingsplan “Landelijk Gebied”
verwijderen op de verbeelding.
zijn in dit plan watergangen zoals kavelsloten bestemd als ‘Water’. Op gronden met een waterbestemming mag er niet worden gebouwd of de sloot worden gedempt.
B12.
conclusie
Naar aanleiding van deze zienswijze zijn later geen aanpassingen doorgevoerd in Landelijk-2.
B13. Zienswijze Inhoud zienswijze Landelijk
Beantwoording zienswijze Landelijk
De bestemmingsomschrijving in artikel
De bestemmingsomschrijving voor
12.1.1 vermeldt dat de gronden bestemd zijn
‘Cultuur en ontspanning’ bevat in 88
voor een vlindertuin. Dit begrip is echter te
artikel 12.1 onder a de toevoeging:
beperkt. Op de locatie worden veel meer
‘Vlinderjungle’. Met die term wordt de
soorten dieren gehouden dan alleen
hoofdfunctie geacht te worden
vlinders. De locatie wordt dan ook
ondervangen en is het in lijn met
geëxploiteerd op basis van een van
vergelijkbare activiteiten op andere
overheidswege verstrekte
locaties in het land.
Dierentuinvergunning en tevens een van overheidswege verstrekte ontheffing van de Flora- en fauna wet. Verzocht wordt de functieaanduiding "vlindertuin" en de regels te wijzigen in "dierentuin". Seizoensgebonden vindt op de locatie van
Voor ambulante verkoop langs de kant
de vlindertuin de verkoop van kerstbomen
van de weg, geldt een vergunningplicht
en pompoenen plaats. Verzocht wordt deze
in de gemeente Leidschendam-
verkoop in de bestemming mee te nemen.
Voorburg. Bij het beoordelen van een aanvraag voor een standplaatsvergunning (vent-en standplaatsenbeleid 2008) kijkt gemeente onder meer naar het soort activiteit waarvoor indiener een standplaatsvergunning aanvraagt, de mogelijkheden van het bestemmingsplan, het vigerende economiebeleid en de verkeersveiligheid in de buurt.
Ter plaatse van de entree wordt een
Ter plaatse van de entree wordt een
maximale bouwhoogte aangegeven van 4
maximale bouwhoogte aangegeven
meter en een maximale goothoogte van 3,5
van 4 meter en een maximale
meter. Indiener verzoekt gemeente dit gelijk
goothoogte van 3,5 meter. Dit
te trekken met de maatvoering van het
bestemmingsplan heeft een
hoofdgebouw met maximale bouwhoogte
consoliderende werking waardoor
van 5,5 meter en een maximale goothoogte
goot-en bouwhoogten zoals bestaand
van 5 meter.
worden overgenomen.
De locatie heeft in het
De dubbelbestemming "beschermd
ontwerpbestemmingsplan de
dorps- en stadsgezicht” is opgenomen 89
dubbelbestemming "Beschermd dorps- en
door de ligging binnen een
stadsgezicht". Volgens de regels betekent
rijksbeschermd erfgoedzone:
dat dat de gronden (mede)bestemd zijn voor
‘Landgoederenzone Voorschoten -
behoud en/of versterking van de aanwezige
Wassenaar - Leidschendam –
historisch ruimtelijke en/of cultuurhistorische
Voorburg’. De zone is in 2007 door de
waarde. Het gebouw op de locatie is echter
minister aangewezen als
een eenvoudige metalen kasconstructie met
rijksbeschermd dorpsgezicht. De
een metalen beplating van sandwichpanelen
bedoeling van de aanwijzing is de
in de gevels. Qua gebouw en constructie
historische karakteristieken in de
vertegenwoordigt dit gebouw geen enkele
landgoederenzone te behouden en
cultuurhistorische waarde. Ook draagt het
nadrukkelijk een plaats te geven in
gebouw niets bij aan het cultuurhistorisch
toekomstige ontwikkelingen. Bij een
landschap. Verder geeft de regelgeving bij
rijksbeschermd dorpsgezicht is een
de bestemming "Beschermd dorps- en
beschermend bestemmingsplan
stadsgezicht" allerhande beperkingen aan
verplicht. Dit resulteert in een
het gebruik van de locatie (artikel 12.1.2).
dubbelbestemming. In de
Enkele regels onder artikel 32.5.1 staan
bestemmingsplanregels staat
haaks op de regels en het gebruik van de
beschreven voor welke
bestemming “Cultuur en ontspanning”. Het is
werkzaamheden een
namelijk verboden om zonder toestemming
omgevingsvergunning nodig is om
van B&W wegen en verhardingen aan te
binnen een beschermd gezicht te
leggen terwijl dit wel noodzakelijk is voor
(ver)bouwen of te slopen. Het is in
bijvoorbeeld het parkeerterrein en de
artikel 38.5 verboden om zonder of in
toegangsweg. Er mogen geen
afwijking van een
grondbewerkingen plaatsvinden terwijl dit
omgevingsvergunning verschillende
wel nodig is voor de beplanting binnen en
werken of werkzaamheden uit te
buiten op de locatie. Er mag geen
voeren (benoemd onder de leden a t/m
grondwater worden onttrokken terwijl de
k). Echter, het beperkt ingevolge artikel
vlindertuin gebruik maakt van een
38.5.2 onder b niet werken die reeds in
grondwaterbron voor de watergift aan alle
uitvoering zijn op het tijdstip waarop dit
tropische binnen beplanting en voor het
bestemmingsplan rechtskracht
water ten behoeve van de aangelegde
verkrijgt. Het laten vervallen van de
vijvers (artikel 12.3.1 houdt hier geen
dubbelbestemming geldt met name
rekening mee). Verzocht wordt de
voor het toetsen van nieuwe plannen in
dubbelbestemming te laten vervallen.
het vervolg.
Alleen in de Toelichting staat iets vermeld
Ingevolge artikel 1.113 ondergeschikte 90
over horeca op de locatie (hoofdstuk
horeca uit bestemmingsplan “Landelijk-
4.4.5.3). Daar staat aangegeven dat het
2” valt hieronder: het qua aard en
vestigen van ondergeschikte horeca is
omvang beperkt verstrekken van
toegestaan binnen de bestemming "Cultuur
dranken en etenswaren voor gebruik
en ontspanning". Het vestigen van
ter plaatse als ondergeschikte
zelfstandige horeca is niet toegestaan.
activiteiten in direct in verband met
Horeca met enige omvang is voor een
andere ter plaatse toegestane
rendabele exploitatie van de vlindertuin
hoofdactiviteiten (niet zijnde horeca).
echter een belangrijke inkomstenbron. De
Een terras valt onder de
horeca richt zich ook op recreatieve fietsers,
ondergeschiktheid. De toelichting wordt
wandelaars en andere passanten. Verzocht
hierop aangepast.
wordt Horeca – categorie 1 op te nemen in de bestemming. Volgens de Toelichting van het bestemmingsplan mag bij ondergeschikte horeca alleen een terras worden gerealiseerd als de verbeelding van het bestemmingsplan dat aangeeft. De verbeelding geeft echter voor de locatie vlindertuin geen aanduiding 'terras' aan terwijl de vlindertuin wel een terras heeft. Verzocht wordt dit aan te passen. Verzocht wordt om aan de bestemming
Indiener verzoekt de oude
"Cultuur en ontspanning" de bestemming
‘Uitwerkingsplicht’ uit BP Duivenvoorde
"Uit te werken Wonen" toe te voegen.
toe te voegen aan de bestemmingsplanregels. De gemeenteraad stelde BP Duivenvoordecorridor (5 september 2007) vast met daarin een uitwerkingsplicht voor het gebied van de voormalige oude tuinderscomplexen met daarbij uitwerkingsregels. Het perceel van eigenaar bevindt zich in Beheersgebied BP Duivenvoordecorridor en heeft de bestemming “Uit te werken Buitenplaats II – UB II”. De 91
uitwerkingsplicht in de bestemmingsplanregels voor deze bestemming zijn een vertaling van een convenant tussen provincie en gemeente. In de regels zijn bouwmogelijkheden opgenomen die gelezen moeten worden in de context van de totale ontwikkeling. Het aantal vierkante meter te bouwen woonoppervlakte is al gerealiseerd. De uitwerkingsplicht is niet meer actueel en opnieuw opnemen zou tegen de afspraken uit het convenant zijn, waardoor het geen beleidsneutrale wijziging meer is. De voorwaarden tot het wijzigen of uitwerken worden onder de Omgevingswet beschouwd als beoordelingsregels voor het al dan niet meewerken aan een aanvraag voor een omgevingplanactiviteit. Echter kiest gemeente er voor een omgevingsplanactviteit niet bij recht op te nemen onder deze bestemming maar te toetsen aan het dan geldende beleid, waaronder de rijksbeschermde landgoederenzone.
B13.
conclusie
Naar aanleiding van deze zienswijze zijn later aanpassingen doorgevoerd in Landelijk-2.
B14. Zienswijze Inhoud zienswijze Landelijk
Beantwoording zienswijze Landelijk
Het bouwvlak op locatie (B14) is niet
Het bouwvlak is gecorrigeerd.
overgenomen in het ontwerpbestemmingsplan Landelijk. 92
B14.
conclusie
Naar aanleiding van deze zienswijze is er later een aanpassing doorgevoerd in Landelijk-2.
B15. Zienswijze Inhoud zienswijze Landelijk
Beantwoording zienswijze Landelijk
Het bouwvlak dat ter inzage ligt heeft een
Een bouwvlak vergroten is een nieuwe
oppervlakte van circa 6.000 m2. Dit is niet in
ontwikkeling. Zoals in de inleiding van
overeenstemming met de maximale maat uit
de Toelichting wordt aangegeven is dit
de Omgevingsverordening van de Provincie
bestemmingsplan in hoofdzaak
Zuid-Holland. Hierin wordt in artikel 6.18 lid
conserverend. Enkele nieuwe
1a aangegeven dat het bouwvlak maximaal
ruimtelijke initiatieven zijn toegestaan
20.000 m2 groot mag zijn. Verruiming van
waarbij bijvoorbeeld al de nodige
het bouwvlak biedt ook ruimte voor een
ruimtelijke onderzoeken zijn verricht én
nieuwe melkveeschuur waarbij niet meer
waarbij de gemeente al beoordeeld
vee gehouden wordt maar wel onder betere
heeft dat de ruimtelijke ontwikkeling
welzijnsnormen. Uitbreiding van stallen en of
toelaatbaar is. Wél biedt Landelijk-2 in
ruwvoeropslag is binnen het
tegenstelling tot Landelijk een
ontwerpbestemmingsplan niet mogelijk.
binnenplanse afwijkingsbevoegdheid
Indiener stelt een bouwvlak voor van 13.000
voor het onder voorwaarden vergroten
m2.
van het bestemmingsvlak/bouwvlak. De voorwaarden die gelden voor toepassing van de bevoegdheid staan vermeld in artikel 3.4.2 onder a t/m g.
B15.
conclusie
Naar aanleiding van deze zienswijze zijn later aanpassingen doorgevoerd in Landelijk-2.
B16. Zienswijze Inhoud zienswijze Landelijk
Beantwoording zienswijze Landelijk
Indiener wenst zijn weiland te bestemmen
De weilanden achter het agrarisch
als “Agrarisch met Waarde-
bedrijfscentrum van indiener hebben
Landschappelijke waarde”.
reeds de gewenste bestemming “Agrarisch met WaardeLandschappelijke waarde”. 93
Indiener wenst het bouwvlak aan te passen
Het bestemmingsplan is conserverend
omdat er nu te veel belemmeringen zijn.
van karakter. Nieuwe ruimtelijke initiatieven zijn toegestaan als bijvoorbeeld al de nodige ruimtelijke onderzoeken zijn verricht én als de gemeente al beoordeeld heeft dat de ruimtelijke ontwikkeling toelaatbaar is. Voor locatie (B16) loopt momenteel geen ruimtelijke procedure waarbij de noodzaak voor een groter bouwvlak wordt aangetoond. Wél biedt Landelijk2 in tegenstelling tot Landelijk een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid voor het vergroten van het bestemmingsvlak/bouwvlak. De voorwaarden die gelden voor toepassing van de bevoegdheid staan vermeld in artikel 3.4.2 onder a t/m g.
Indiener wenst een overkapping te
Nieuwe ruimtelijke initiatieven dienen,
realiseren om ook met slecht weer met te
voordat zij voor
paarden te kunnen trainen en droog te
omgevingsvergunningverlening in
rijden. Door klimaatverandering wordt dit
aanmerking komen, getoetst te worden
steeds moeilijker.
aan de mogelijkheden van het vigerende bestemmingsplan. De ruimtelijke inpasbaarheid van een overkapte paardenbak heeft gemeente niet tijdig en vooraf kunnen toetsen. Verzoeker wordt verzocht nieuwe bouwwerken te laten lopen via het initiatievenloket van gemeente.
B16.
conclusie
Naar aanleiding van deze zienswijze zijn later aanpassingen doorgevoerd in Landelijk-2.
94
C.
Wijzigingen in het bestemmingsplan
Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen zijn de volgende wijzigingen doorgevoerd in het vast te stellen bestemmingsplan ‘Landelijk – 2’. Na afloop van de termijn van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan is ambtshalve geconstateerd dat het bestemmingsplan op een aantal -veelal ondergeschikteonderdelen aangepast en/of aangevuld dient te worden. Daarbij gaat het in het algemeen om wijzigingen als verwerking van gewijzigde wet- en regelgeving, beleidskaders en inzichten en/of kleine correcties van ondergeschikte, meestal redactionele of taalkundige aard. Voor de volledigheid van voorliggende Nota Zienswijzen zijn de belangrijkste wijzigingen opgesomd.
C1. ▪
Toelichting Paragraaf 2.2 is de tekst aangevuld met het vastgesteld provinciaal Inpassingsplan ‘WarmtelinQ Rijswijk-Leiden en aanlandlocatie’ in dit plan. Naar aanleiding hiervan is tevens paragraaf 6.3.14 aangevuld.
▪
Paragraaf 6.3.5 Cultuur en ontspanning is de tekst aangepast.
▪
Paragraaf 6.3.1.3 Agrarisch – Paardenhouderij: Tekst in overeenstemming gebracht met het gemeentelijk paardenbeleid.
▪
Paragraaf 6.3.13.3 Wonen - Grondgebonden - buitengebied 3 toegevoegd.
▪
Paragraaf 6.3.16.2 Waarde – Cultuurhistorie: Kostverlorenweg toegevoegd.
▪
Paragraaf 4.3.12.3 Beleidsregels terrassen gemeente LeidschendamVoorburg 2015 is geworden: Beleidsregels Terrassen gemeente Leidschendam-Voorburg 2023.
C2.
Regels
Artikel 1 ▪
Het begrip 1.11 agrarisch loonbedrijf is verwijderd en vervangen door het begrip agrarisch aanverwant bedrijf: ‘een bedrijf dat uitsluitend of overwegend arbeid verricht ter productie of levering van goederen of diensten ten behoeve van agrarische bedrijven met behulp van landbouwwerktuigen en landbouwapparatuur, alsmede het verrichten van werkzaamheden tot onderhoud en reparatie van landbouwwerktuigen en landbouwapparatuur’;
▪
Het begrip 1.9 agrarisch aanverwant bedrijf is toegevoegd. Het artikel komt als volgt te luiden: ‘een bedrijf dat is gericht op het leveren van diensten aan agrarische bedrijven en groene- en blauwe functies in het buitengebied, zo nodig met behulp van werktuigen en apparatuur, en op het verrichten van werkzaamheden tot onderhoud of reparatie van werktuigen of apparatuur. 95
Kenmerkende werkzaamheden zijn (agrarisch) loonwerk, cultuurtechnische werken
en
grondverzet,
meststoffendistributie,
onderhoud
van
(openbare)groenvoorzieningen, natuur- en bosbouw en overige gerelateerde werken.’ ▪
Het begrip 1.23 bed & breakfast is toegevoegd. Het artikel komt als volgt te luiden: ‘een voorziening gericht op het bieden van de mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt als toeristisch recreatieve activiteit, die ondergeschikt is aan de hoofdbestemming. Onder een bed & breakfastvoorziening wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid’.
▪
In het begrijp 1.70 extensieve weidegang (door paarden) wordt ten onrechte gesteld dat een pony gelijkgesteld wordt met een paard. In overeenstemming met het beleid ‘Schaken met paard en landschap’ wordt een pony gelijkgesteld met een veulen.
Artikel 3 ▪
In artikel 3.1.1 onder e is het volgende lid toegevoegd: ‘Ter plaatse van de aanduiding 'sa-bb': een bestaande Bed & Breakfast.’ `
▪
In artikel 3.1.1 onder i is ‘onder lid h’ vervangen door ‘onder lid g’.
▪
In artikel 3.2.2 onder o is de zinssnede gewijzigd in: ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - recreatief nachtverblijf' (sa-02): ‘de gezamenlijke oppervlakte van de bestaande recreatieve nachtverblijven (maximaal 8 appartementen of kamers) niet meer mag bedragen dan 530 m²’
▪
In artikel 3.2.3 onder a sub 4 is ‘onder sub’ vervangen door ‘in leden’.
▪
In artikel 3.3.1 onder a is ‘onder h’ vervangen door ‘onder j’.
▪
In artikel 3.3.1 onder b is vervangen en luidt als volgt: b. recreatieve nachtverblijven bestaan uit maximaal 8 appartementen of kamers;
▪
In artikel 3.3.1 onder c is ‘onder j’ vervangen door ‘onder k’.
▪
In artikel 3.3.1 aanhef is een woord ‘in’ verwijderd en ‘onder i’ vervangen door ‘onder j’.
▪
In artikel 3.3.1 onder c sub 3 is (eigen paarden inbegrepen) verwijderd. Het artikel komt als volgt te luiden: een paardenpension, zoals bedoeld in lid 3.1.1 onder j, is toegestaan als ondergeschikte deelactiviteit; o
bij een volwaardig grondgebonden agrarisch bedrijf, geen paardenfokkerij zijnde; 96
o
voor maximaal 15 paarden;
o
voor zover aan de milieuwetgeving wordt voldaan.
•
In artikel 3.3.2 onder a is ‘onder k’ vervangen door ‘onder m’.
•
In artikel 3.3.3 onder a is ‘onder l’ vervangen door ‘onder n’.
•
In artikel 3.3.4 onder a is ‘onder m’ vervangen door ‘onder o’.
•
In artikel 3.4.4 onder h is een kennelijke verschrijving van aArtikel 3 gecorrigeerd naar Artikel 3.
•
Artikel 3.4.9 onder b wordt gewijzigd in: ter plaatse een paardenhouderij met een reëel toekomstperspectief wordt gevestigd en dat wijziging van de bestemming noodzakelijk is voor de (continuïteit van de) bedrijfsvoering.
Artikel 5 •
In artikel 5.2.2. onder f sub 6 zijn de woorden ‘volgens de aanduiding (ma)’ verwijderd. Het artikel komt als volgt te luiden:
bij een paardenhouderij zijn toegestaan: 1. maximaal twee paardenbakken; 2. een paddock; 3. een longeercirkel; 4. een stap-/trainingsmolen; 5. een draf- en renbaan; 6. een binnenrijbaan, uitsluitend daar waar een manege is toegestaan; 7. een kantine/foyer. •
In artikel 5.2.2 onder m is ten aanzien van bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen de maximale goot- en bouwhoogte aangepast naar 6 respectievelijk 10 meter.
•
In artikel 5.2.2 onder m is in de tabel de verwijzing naar ‘onder e’ vervangen door ‘onder lid f’.
•
In artikel 5.2.2 onder n sub 1 is vergelijkbaar met onder lid 2 het woord ‘onevenredig’ toegevoegd. Het artikel komt als volgt te luiden: Lichtmasten ten behoeve van paardrijactiviteiten mogen slechts worden gebouwd op voorwaarde dat het gebruik van de lichtmasten: a. geen onevenredige overlast en / of hinder veroorzaakt voor omwonenden; b. geen onevenredige aantasting veroorzaakt van flora en/ fauna.
97
•
In artikel 5.3.4 aanhef wordt ten onrechte verwezen naar lid 5.6.3. Dit is vervangen door lid 5.3.3.
•
In artikel 5.3.8 aanhef wordt ten onrechte verwezen naar lid 5.6.7. Dit is vervangen door lid 5.3.7.
Artikel 6 •
In artikel 6.1.1. onder d is de verwijzing ‘onder c. en d.’ vervangen door ‘onder b. en c.’.
•
In artikelen 6.1.1 onder g en h is het zinsdeel ‘behorende bij de onder b. bedoelde paardenhouderijen’ verwijderd.
•
In artikel 6.3.1 onder a is de verwijzing ‘onder l’ vervangen door ‘onder k’.
•
In artikel 6.3.3. onder a is de verwijzing ‘onder n’ vervangen door ‘onder m’.
•
In artikel 6.3.3 onder a sub 3 is de verwijzing ‘onder c. en d.’ vervangen door ‘b. en c. ‘.
Artikel 7 ▪
In artikel 7.1.1 onder h is het volgende toegevoegd: ‘Ter plaatse van de aanduiding 'saw-06': twee bestaande recreatieve nachtverblijven.’
▪
In artikel 7.4.1 aanhef is ‘lid 7.4.1 onder h’ vervangen door ‘lid 7.4.1 onder i’
▪
In artikel 7.4.1 aanhef is ‘lid 7.4.1 onder i’ vervangen door ‘lid 7.4.1 onder j’
▪
In artikel 7.4.1 aanhef is ‘lid 7.4.1 onder j’ vervangen door ‘lid 7.4.1 onder k’
Artikel 8 ▪
In artikel 8.1.1 onder a is in de tabel bij de specifieke aanduiding ‘sb-09’ het type bedrijf aangepast van ‘agrarisch loonbedrijf’ naar ‘agrarisch aanverwant bedrijf’.
▪
In artikel 8.2.3 onder a is het woord ‘hoofdgebouw’ abusievelijk niet opgenomen en komt als volgt te luiden: a. Het bouwen van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan bij een hoofdgebouw is toegestaan, mits wordt voldaan aan de volgende regels:
▪
In artikel 8.2.3 onder e sub 3: woordje één is weggehaald.
▪
In artikel 8.2.3 onder a sub 3 is het woord ‘sub’ vervangen door ‘leden’
▪
In artikel 8.4.1 onder b is de verwijzing naar ‘onder b’ vervangen door ‘onder a’.
▪ 8.4.5
Artikel 8.4.5 en 8.4.6 zijn toegevoegd en komen als volgt te luiden: Wro-zone - wijzigingsgebied - 2
Burgemeester en wethouders zijn op grond van het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro bevoegd ter plaatse van de voor 'Wro-zone - wijzigingsgebied - 2' aangewezen 98
gronden, de bestemming 'Bedrijf' als bedoeld in artikel 8, met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - 03' ten behoeve van het ter plaatste gevestigde dierenpension annex crematorium, te wijzigen in de bestemming 'Wonen Grondgebonden - buitengebied' als bedoeld in artikel 28, ten behoeve van de bouw van twee nieuwe burgerwoningen als compensatie voor de bedrijfsbeëindiging en sloop van de (voormalige) bedrijfsbebouwing, indien is komen vast te staan dat: a. de bedrijfsvoering van het ter plaatse gevestigde bedrijf is of wordt beëindigd; b. vestiging van een nieuw niet-agrarisch bedrijf ter plaatse niet gewenst is; c.
wijziging van de bestemming ten behoeve van de woonfunctie gewenst dan wel noodzakelijk is en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse door de wijziging noemenswaardig zal verbeteren.
d. Voor zover van toepassing, worden bij de wijziging delen van het bestaande bestemmingsvlak/bouwvlak verwijderd en bestemd voor 'Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden' als bedoeld in artikel 7. 8.4.6
Voorwaarden wijziging
Voor de toepassing van de in lid 8.4.5 genoemde wijzigingsbevoegdheid gelden de volgende voorwaarden: a. voor de inrichting van de nieuwe bouwpercelen dient vooraf bij burgemeester en wethouders een inrichtingsplan te worden ingediend, op basis waarvan onder andere de meerwaarde van de wijziging voor de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse en de ruimtelijke dan wel landschappelijke inpassing van de nieuwbouw (inclusief bijbehorende voorzieningen, zoals ontsluiting, parkeren) kunnen worden getoetst; b. de grootte en situering van de voor de nieuwe woningen op te nemen bestemmingsvlakken met de bestemming 'Wonen' dient te worden afgestemd op het aantal nieuw te bouwen woningen, de inrichting van de erven en de inpassing daarvan in het gebied; c.
het bepaalde in artikel 21 is van overeenkomstige toepassing voor de nieuw te bouwen woningen, voor zover in het wijzigingsplan niet anders is geregeld;
d. eventueel resterende gronden (gronden die niet voor 'Wonen' worden bestemd) worden toegevoegd aan en bestemd overeenkomstig de agrarische bestemming, waaraan het bestemmingsvlak grenst, zijnde 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' of 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden', waarbij het bepaalde in artikel 6respectievelijk artikel 7 van overeenkomstige toepassing is; e. de bebouwing dient landschappelijk goed te worden ingepast, met inachtneming van de in de Ruimtelijke kwaliteitsparagraaf beschreven 99
kwaliteit van het gebied, ten aanzien waarvan burgemeester en wethouders advies kunnen inwinnen bij een landschapsdeskundige; f.
op geen van de gevels van de nieuw te bouwen woning(en), bij voltooiing, mag de geluidbelasting de ter plaatse toegestane voorkeursgrenswaarde krachtens de Wet geluidhinder wordt overschreden;
g. de wijziging mag niet tot gevolg hebben dat omliggende (agrarische) bedrijven in onevenredige mate in hun bedrijfsvoering worden aangetast; h. de wijziging mag geen onevenredige schade, hinder of andere nadelige (milieu)gevolgen voor de omgeving met zich meebrengen; i.
indien in het kader van de grondexploitatiewetgeving kosten (o.a. plankosten) worden verhaald bij de bij de bouw van de nieuwe woningen belanghebbende partij(en), dient vóór de vaststelling van het betreffende wijzigingsplan, een anterieure overeenkomst met die partij(en) te zijn gesloten of van gemeentewege een exploitatieplan te zijn vastgesteld.
j.
in het wijzigingsplan dient te worden aangegeven hoe de veiligheid en bereikbaarheid van het betreffende perceel voor verkeer dan wel hulpdiensten wordt gewaarborgd.
Artikel 13 ▪
In artikel 13.2.2 onder b is het zinsdeel ‘als bedoeld in artikel 13.2.2 sub a niet toegestaan.’ vervangen door ‘als bedoeld in artikel 13.2.2 onder a niet toegestaan.’.
Artikel 15 ▪
In artikel 15.2.3 onder a is het zinsdeel ‘bepaalde onder sub b en c.’ vervangen door ‘bepaalde onder leden b en c’.
Artikel 19 ▪
In artikelen 19.3.1 onder a en 19.3.2 onder a is de verwijzing naar ‘artikel 19.2.2 sub a’ vervangen door ‘artikel 19.2.2 onder a’.
Artikel 21 ▪
In artikel 21.2.2 onder g is de verwijzing naar ‘artikel 21.2.2 sub f’ vervangen door ‘artikel 21.2.2 onder f’.
Artikel 28 ▪
In artikel 28.1.1 onder b is de letter F verwijderd achter ‘aan huis verbonden beroep;’
100