3338 Vlietvoorde Weide vg toelichting en regels
Tekst van het document
5.2.1.4 Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2027 een 'goede ecologische toestand' (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2027 een 'goed ecologisch potentieel' (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2027 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn.
5.2.1.5 Regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 In het Regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 worden de provinciale opgaven beschreven in het kader van water. Het programma bevat de verplichte onderdelen om aan de Europese richtlijnen te voldoen. Dit zijn de Kaderrichtlijn Water, Grondwaterrichtlijn, Drinkwaterrichtlijn, Richtlijn Overstromingsrisico's en de Zwemwaterrichtlijn. Daarnaast bevat het programma onderwerpen als zoetwatervoorziening, wateroverlast en waterrecreatie. Door deze onderwerpen in één document te behandelen, kunnen deze in samenhang worden bekeken.
5.2.1.6 Waterbeheerplan 'Water wijst de weg' Hoogheemraadschap Rijnland Het Waterbeheerplan 'Water wijst de weg' is vastgesteld voor de periode 2022-2028. Hierin zijn de ambities van Rijnland beschreven, inclusief de richtinggevende uitgangspunten voor de planperiode. Ook de uitvoering van de opgaven wordt beschreven.
5.2.1.7 Keur Rijnland 2020 De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels voor waterkeringen, watergangen en andere waterstaatwerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen) en voor kwelgevoelige gebieden. Maar ook voor het onttrekken en lozen van grondwater en het aanbrengen van verhard oppervlak. Het uitgangspunt van deze Keur is 'ja, tenzij': in beginsel zijn handelingen en/of werken in het watersysteem toegestaan, tenzij expliciet in de Keur anders is bepaald. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Wie bijvoorbeeld op een waterkering wil bouwen, moet een watervergunning aanvragen bij Rijnland (en een omgevingsvergunning bij de gemeente). In de Uitvoeringsregels die bij de Keur horen, is dit nader uitgewerkt.
32
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde Weide
5.2.1.8 Water- en rioleringsplan 2022-2027 Leidschendam-Voorburg In het Water- en rioleringsplan Leidschendam-Voorburg 2022-2027, vastgesteld op 10 november 2021, is de toekomstvisie voor 2050 op de zorg voor riolering en grond- en oppervlaktewater beschreven. De volgende beleidsdoelen zijn als uitgangspunt aangehouden: Water- en rioleringszorg draagt bij aan een goede volksgezondheid; Leidschendam-Voorburg wordt duurzaam en klimaatbestendig gemaakt; Water- en rioleringszorg draagt bij aan een schone en prettige leefomgeving; De gemeente heeft een goede dienstverlening; De gemeente levert kwaliteit tegen een maatschappelijk verantwoord kostenniveau. Om de ambitieuze doelen van het Water- en rioleringsplan te realiseren moet water een integraal onderdeel zijn van alle strategische en ruimtelijke plannen. Het waterplan moet het waterbeheer inhoudelijk en procesmatig verbeteren, met voortdurende aandacht voor duurzaamheid. Bij een ruimtelijk plan dient een initiatiefnemer in het kader van de watertoets in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer.
5.2.2
Beoordeling plangebied
In de oorspronkelijke situatie was het gehele plangebied bebouwd. Het zuidelijke deel was bebouwd met kassen. Het noordelijke deel was, en is nog steeds, bebouwd door de GAMMA. Het terrein van de GAMMA is hoofdzakelijk verhard. Door de sloop van de kassen is ruimte ontstaan voor onderhavige ontwikkeling. Ook biedt de sloop van de GAMMA ruimte om woningen te ontwikkelen. De sanering van de locatie staat daarmee in relatie tot de nieuwe ontwikkeling. Er is sprake van een grote afname in verharding. In de voorgenomen ontwikkeling is veel ruimte voor groen en water. Het regenwater kan daardoor veel beter weglopen dan in de oorspronkelijke situatie. Hierdoor hoeft minder water aanspraak te maken op het riool. Bij de uitvoering van het bouwplan wordt rekening gehouden met het bouwen op boezemland en bouwpeil in relatie tot het tegengaan van grondwateroverlast. Ten behoeve van de ontwikkeling is een Watertoets uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn opgenomen in Bijlage 1. Hieruit blijkt dat waterschapsbelangen worden geraakt. Het Hoogheemraadschap Rijnland heeft in een vooroverlegreactie aangegeven dat een watervergunning vereist is voor het uitvoeren van de benodigde werkzaamheden. Er wordt daarmee voldoende rekening gehouden met het aspect water in het plangebied. Er zijn op dit punt geen belemmeringen te verwachten.
(vastgesteld)
33
bestemmingsplan Vlietvoorde Weide
5.3
Bodem
5.3.1
Inleiding
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen en het verlenen van omgevingsvergunningen regels stellen voor een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat de bodemkwaliteit en de voorgenomen bestemming met elkaar in overeenstemming dienen te zijn. Het is niet toegestaan om te bouwen op verontreinigde grond. Nader onderzoek in de vorm van een historisch onderzoek of een verkennend bodemonderzoek geeft inzicht of de bodem ter plaatse van een ontwikkeling geschikt is voor het beoogde gebruik en bestemming. Het bodembeleid onderscheidt drie soorten grond en bodem met ieder hun eigen beleid en wet- en regelgeving: Sterk verontreinigde grond (boven interventiewaarden); Licht verontreinigde grond (boven AW2000-waarden); Schone bodems (beneden AW2000-waarden). Het Besluit bodemkwaliteit hanteert voor het toepassen van grond en bagger een toets op de ontvangende bodem en aan de gebruiksfunctie. Het doel van het Besluit bodemkwaliteit is duurzaam bodembeheer. Dat wil zeggen: een balans tussen bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu en gebruik van de bodem voor maatschappelijke ontwikkelingen zoals woningbouw of aanleg van wegen. Tevens biedt het besluit mogelijkheden voor grondverzet.
5.3.2
Beoordeling plangebied
Er is een milieukundig (water)bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het terrein van de GAMMA. In dit deel van het plangebied is sprake van sterk verhoogde gehalten aan koper, zink en PAK. De spreiding en omvang van deze verontreiniging is onbekend. Daarom is een nader bodemonderzoek conform de NTA 5755 noodzakelijk om vast te stellen of er sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het milieukundig (water)bodemonderzoek is toegevoegd als Bijlage 2 bij de toelichting van onderhavig bestemmingsplan. Het deel van het plangebied dat voorheen bebouwd was met kassen is in dit onderzoek niet meegenomen. Voordat de bouw plaatsvindt, zal voor dit deel van het plangebied tevens een bodemonderzoek uitgevoerd moeten worden. Dit is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in artikel 5.2.5 en 6.2.5 van de regels van dit bestemmingsplan.
34
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde Weide
5.4
Niet-gesprongen explosieven
5.4.1
Inleiding
Er kunnen als gevolg van gevechtshandelingen niet-gesprongen conventionele explosieven in het onderzoeksgebied zijn achtergebleven. Er ontstaat bij het spontaan aantreffen van conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog mogelijk een verhoogd veiligheidsrisico. Onbedoelde detonaties kunnen bij de uitvoering van werkzaamheden in het ergste geval leiden tot dodelijk letsel en zware schade aan materieel en omgeving. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang om een antwoord te geven op de vraag of en zo ja in welke delen van het onderzoeksgebied er sprake is van een verhoogd risico op het aantreffen van conventionele explosieven. De gemeente Leidschendam-Voorburg heeft in de periode 2013-2015 alle gemeentelijke dossiers met gegevens uit de Tweede Wereldoorlog, luchtfoto's en dossiers aanwezig bij het Nationaal Archief, EOD en het NIMH bestudeerd en de oorlogshandelingen in kaart gebracht. Op basis van deze dossiers en luchtfoto's is een GIS-kaart gemaakt met daarop aangegeven de oorlogshandelingen, bomkraters, loopgraven, stellingen, etc. Het adviesbureau AVG heeft in september 2015, conform de landelijke norm, een explosievenonderzoek uitgevoerd waarbij gebruik is gemaakt van de gemeentelijke gegevens van Leidschendam-Voorburg, gegevens van de gemeente Voorschoten en diverse andere archieven. Dit onderzoek is toegevoegd als Bijlage 3.
Op basis van het onderzoek is vervolgens een risicokaart opgesteld. Door middel van gekleurde vlakken is aangegeven waar in de bodem mogelijk nog explosieven uit de Tweede Wereldoorlog aanwezig kunnen zijn.
5.4.2
Beoordeling plangebied
In afbeelding 10 zijn de diverse oorlogshandelingen in het gebied te zien. Rond de grens van het plangebied lag een Splitterbox. Dat was een aarden wal om oorlogsmaterialen te verbergen. Er zijn geen aanwijzingen dat in het plangebied sporen aanwezig zijn van niet-gesprongen explosieven. In afbeelding 11 is een overzicht gemaakt van locaties met gebieden die verdacht zijn op de aanwezigheid van explosieven. In en nabij het plangebied liggen geen verdachte locaties. De verdachte gebieden voor een stelling (donkerrood), een wapenopstelling (rood) en loopgraven (geel) zijn dusdanig ver van het plangebied verwijderd dat deze geen risico vormen voor deze ontwikkeling. Op basis van deze gegevens is geen concrete aanleiding dat er binnen het plangebied, vergeleken met de rest van Nederland, een verhoogde kans bestaat op de aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven.
(vastgesteld)
35
bestemmingsplan Vlietvoorde Weide
Afbeelding 10: Verzamelde feiten
36
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde Weide
Afbeelding 11: Bodembelastingkaart conventionele explosieven
(vastgesteld)
37
bestemmingsplan Vlietvoorde Weide
5.5
Luchtkwaliteit
5.5.1
Inleiding
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, artikel 5.2 van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveloxide, stikstofoxide, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs de wegen vooral de grenswaarden voor stikstofoxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 2 weergegeven. Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Stikstofoxide (NO2)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m3
Uurgemiddelde concentratie
Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m3
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m3
Fijnstof (PM10)
24-uurgemiddelde concentratie Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 Fijnstof (PM2,5)
Jaargemiddelde concentratie
25 µg/m3
Tabel 2: Grenswaarden luchtkwaliteit
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen de bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien: de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1); bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d). In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied.
Met grof stof wordt rekening gehouden bij de milieuzonering en wordt niet in het kader van luchtkwaliteit meegenomen.
Besluit niet in betekenende mate In het Besluit niet in betekenende mate (nibm) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m3). een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee
38
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde Weide ontsluitingswegen. 5.5.2
Beoordeling plangebied
Langs de Veursestraatweg zijn meetpunten aanwezig voor de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5. In de NSL-monitoringstool zijn deze concentraties inzichtelijk gemaakt. De jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 zijn minder dan 35 µg/m3. Het aantal PM10 overschrijdingen is minder dan 35 dagen. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 is minder dan 20 µg/m3. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit in het plangebied voldoende is en daarom geen belemmering vormt voor onderhavig planinitiatief. Daarnaast valt de ontwikkeling in een categorie welke niet in betekende mate gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit. Ter controle is de nibm-tool ingevuld, waaruit blijkt dat de ontwikkeling ruim onder de grenswaarde blijft. Dit is te zien in onderstaande afbeelding.
Afbeelding 12: NIBM tool
(vastgesteld)
39
bestemmingsplan Vlietvoorde Weide
5.6
Geluid
5.6.1
Inleiding
In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) moet voor het oprichten van geluidsgevoelige bestemmingen (woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen, etc.), die binnen de onderzoekszone van (spoor)wegen en gezoneerde industrieterreinen liggen, een toets aan de geluidsnormen plaatsvinden. In de Wgh worden eisen gesteld aan de toelaatbare geluidsbelasting op de gevels van nog niet geprojecteerde woningen langs een bestaande weg of spoor in stedelijk en buitenstedelijk gebied. In situaties waarbij de Wgh niet van toepassing is (bijvoorbeeld rond 30 km wegen of bij bedrijven niet gelegen op Wgh-gezoneerde bedrijventerreinen) al de bescherming tegen geluid via de invulling van een goede ruimtelijke ordening plaatsvinden. Wegverkeerslawaai Er is van rechtswege een zone gelegen langs iedere weg, met uitzondering van woonerven en 30-km/u gebieden. Voor alle woningen en geluidsgevoelige bestemmingen die binnen de zone van die weg liggen, moet de geluidsbelasting als gevolg van verkeerslawaai berekend worden. De geluidsimmissie van een verkeersweg is afhankelijk van het aantal rijstroken en ook van de aard van de omgeving. Daarom heeft een geluidszone langs een weg niet één standaardbreedte. In art. 74 Wgh wordt de omvang van de zone voor de verschillende situaties aangegeven.
Railverkeerslawaai Bij spoorweglawaai is de breedte van de zone onder andere afhankelijk van het aantal sporen en de verkeersintensiteit. Er is van rechtswege een zone gelegen langs iedere spoorlijn. De waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting, vanwege een weg, mag niet hoger worden vastgesteld dan 55 dB voor woningen en geluidsgevoelige terreinen binnen de zone van de spoorweg. Industrielawaai/bedrijfszonering Zonering in het kader van industrielawaai Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers, woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn gevestigd. Lawaaimakers kunnen aan de ene kant hun geluidsproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de lawaaimakers.
5.6.2
Beoordeling plangebied
Het plangebied valt binnen de geluidszone van de Veursestraatweg. Op basis van de Wet geluidhinder is daarom een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai. Hierbij is uitgegaan van een rijsnelheid van 50 kmph aan de Veursestraatweg. Momenteel is dit nog een 80 kmph weg, maar aangezien de gemeente Leidschendam-Voorburg in een vergevorderd stadium is met het omzetten van de snelheid op de Veursestraatweg naar 50 kmph is het aannemelijk hiermee te rekenen. Daarbij komt het feit dat de geluidsbelasting over 10 jaar moet worden berekend, dus voor 2032. Tegen die tijd is de Veursestraatweg een 50 kmph weg, waardoor deze snelheid als uitgangspunt kan worden genomen. Het onderzoek is bijgevoegd in Bijlage 4. Uit dit onderzoek is gebleken dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overgeschreden op de poortwachterswoning. Hiervoor gelden waarden van 53 dB aan de voorgevel. Daarmee wordt voldaan aan de maximaal toelaatbare grenswaarde van 53 dB conform de Wgh. Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken, dient een hogere waarde te worden aangevraagd bij de gemeente. Het besluit hogere waarde is toegevoegd als Bijlage 5. Er is in het plangebied geen sprake van geluidhinder door railverkeer of industrie. Het aspect geluid vormt daarmee geen belemmering voor onderhavig planinitiatief.
40
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde Weide
5.7
Flora en Fauna
5.7.1
Inleiding
De Wet natuurbescherming vormt het voornaamste beleidsmatige toetsingskader op het gebied van de ecologische soortenbescherming en de ecologische gebiedsbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. In de toelichting van een bestemmingsplan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor ecologische waarden in beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt of de ontwikkeling voldoet aan de op grond van de Wet natuurbescherming gestelde regels. Soortenbescherming Soortenbescherming is onder de Wet natuurbescherming geregeld op basis van een drietal verschillende beschermingsregimes, namelijk voor vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijnsoorten en overige soorten. Voor al deze soorten geldt dat het verboden is ze opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eventuele eieren opzettelijk te vernielen, om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om beschermde plantensoorten opzettelijk te ontwortelen of te vernielen. Hiervan kan onder andere sprake zijn bij het kappen van bomen, het slopen van gebouwen of het storten en afgraven van gronden.
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijnen) in Nederland. Projecten of andere handelingen en plannen die negatieve effecten op deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel zonder vergunning niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (zoals ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (zoals door geluid, licht en stikstofdepositie). Natuur Netwerk Nederland De Wet natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten op om te zorgen voor de instandhouding van het binnen de eigen provincie gelegen deel van een landelijk ecologisch netwerk: het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen ook wel Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd. Het NNN is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland, dat voldoende robuust is voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke leefgemeenschappen. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.
De begrenzing en ruimtelijke bescherming van de provinciale NNN is voor Zuid-Holland uitgewerkt in de Provinciale Verordening Ruimte 2014.
5.7.2
Beoordeling plangebied
Gebiedsbescherming Het onderzoeksgebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Om de gevolgen voor Natura 2000-gebieden te onderzoeken, is door Lodewijck Groep een Aerius-berekening uitgevoerd voor zowel de realisatie- als gebruiksfase. Deze rapportage inclusief Aerius-uitdraaien zijn bijgevoegd in Bijlage 6, Bijlage 7 en Bijlage 8. Hieruit is gebleken dat in zowel de realisatie- als de gebruiksfase geen toename zal zijn van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Dit komt met name door de grote afstand naar het dichtstbijzijnde natuurgebied, Meijendel en Berkheide. Omdat de stikstofdepositie niet toe zal nemen door deze ontwikkeling, zijn er voor het aspect gebiedsbescherming geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling. Soortenbescherming Er is door Lycens op 15 juni 2022 een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd om de gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten in beeld te brengen. Dit onderzoek is bijgevoegd in Bijlage 9
(vastgesteld)
41
bestemmingsplan Vlietvoorde Weide De inrichting en gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten. Wel is het een geschikt functioneel leefgebied voor verschillende diersoorten. De aanwezigheid van marterachtigen en de waterspitsmuis kan op basis van dit onderzoek niet uitgesloten worden. Andere beschermde diersoorten leven niet in het plangebied. De bestaande bebouwing is dan ook niet geschikt voor vleermuizen, vanwege het gebrek aan potentiële vliegopeningen voor verblijfplaatsen en een schommelend binnenklimaat door het materiaalgebruik. Wel dient rekening gehouden te worden met broedende vogels. Werkzaamheden die bezette vogelnesten kunnen verstoren of vernielen, dienen buiten het broedseizoen plaats te vinden. Nader onderzoek Om de aanwezigheid van marterachtigen en de waterspitsmuis beter in beeld te brengen, is door Lycens een nader onderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek is de aanwezigheid van marterachtigen vastgesteld. Voor het uitvoeren van werkzaamheden dient ontheffing aangevraagd te worden. Daarnaast dient gewerkt te worden buiten de kwetsbare periode en dienen mitigerende en compenserende maatregelen te worden getroffen om de aantasting of vernieling van het functionele leefgebied te compenseren.
Uit het nader onderzoek zijn geen aanwijzingen gevonden dat de waterspitsmuis een vaste rust- en voortplantingsplaats in het onderzoeksgebied bezet. Op dit punt zijn dan ook geen belemmeringen te verwachten. Het volledige nader onderzoek is bijgevoegd in Bijlage 10.
42
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde Weide
5.8
Externe veiligheid
5.8.1
Inleiding
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid is erop gericht te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit is verankerd in diverse weg- en regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit). Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd: Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een risicobron bevindt, overlijdt door een ongeval met de risicobron. Het PR is daarmee de risicomaat om het beschermingsniveau voor de individuele burger uit te drukken. Het toetsingcriterium is in veel gevallen een PR van 10-6. PR wordt inzichtelijk gemaakt door vaste contouren rondom een risicobron.
Kwetsbare objecten, zoals woningen en functies met veel bezoekers, zijn niet toegestaan binnen de 10-6-contour van het PR rond inrichtingen waar opslag en/of verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het groepsrisico (GR) geeft aan wat de kans is op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde risicobron. Voor het GR geldt geen harde norm, maar een oriëntatiewaarde. De effecten van de ontwikkeling worden in een curve weergegeven en vergeleken met de curve van de oriëntatiewaarde. Bij overschrijding van de oriëntatiewaarde of een significante toename van het groepsrisico moet het bevoegd gezag het groepsrisico betrekken bij de vaststelling van het besluit (bijv. ruimtelijk besluit of milieuvergunningsbesluit). Voor deze groepsrisico verantwoording is de hoogte van het groepsrisico of de toename ervan onderdeel van de afweging. Daarnaast worden factoren meegenomen als mogelijkheden van de bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en de zelfredzaamheid van personen. Daarvoor wordt door het bevoegd gezag advies gevraagd aan de brandweer. 5.8.2
Beoordeling plangebied
Afbeelding 13 is een uitsnede van de risicokaart. De risicokaart geeft inzicht in de risicobronnen in de omgeving van het plangebied.
(vastgesteld)
43
bestemmingsplan Vlietvoorde Weide
Afbeelding 13: uitsnede risicokaart, plangebied in rood. Transport van gevaarlijke stoffen over de weg De A4 is op circa 1,2 km van het plangebied af gelegen. Voor de A4 geldt op basis van de regeling Basisnet een plaatsgebonden risicocontour van 13 meter. Het plangebied ligt buiten deze contour en vormt daarmee geen belemmering voor het plangebied. Het plangebied bevindt zich ook niet binnen de 200 meter zone waarin het groepsrisico verantwoord moet worden bij een bestemmingsplan en het ligt ook niet binnen de 355 meter zone inzake een incident met LPG-transport. Over de rijksweg A4 worden giftige vloeistoffen vervoerd. Het invloedsgebied als gevolg van het transport van giftige stoffen over de rijksweg A4 bedraagt meer dan 4000 meter. Het plangebied ligt in zijn geheel in het invloedsgebied van het vervoer van giftige stoffen. De kans op een incident is zeer klein. Gelet op de ligging binnen het invloedsgebied wordt het volgende geadviseerd: Plaats bij gebouwen een voorziening zodat ventilatie met een eenvoudige handeling uitgeschakeld kan worden; Bereid personeel, de BHV-organisatie en/of de begeleiding van groepen personen en/of verminderd tot niet zelfredzame personen voor op calamiteiten op de rijksweg A4; Informeer bewoners en vaste gebruikers over de risico's van het transport van gevaarlijke stoffen over de rijksweg A4;
44
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde Weide
Het is belangrijk dat het plangebied goed bereikbaar is voor hulpdiensten en dat er voldoende bluswatervoorzieningen aanwezig zijn. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen In de directe nabijheid van het plangebied liggen geen ondergrondse aardgastransportleidingen. De dichtstbijzijnde leidingen bevinden zich op circa 1,2 kilometer afstand van het plangebied. De maximale werkdruk van deze buisleidingen bedraagt 40 bar en de uitwendige diameter bedraagt 12,76 inch. Conform het 'Handboek buisleidingen in bestemmingsplannen 2016' bedraagt het invloedsgebied van de buisleidingen maximaal 140 meter. Het plangebied ligt ver buiten dit invloedsgebied. Transport van gevaarlijke stoffen over het spoor en water De spoorbaan Den Haag - Leiden ligt op circa 830 meter ten noordwesten van het plangebied. Op deze spoorbaan vindt in principe geen transport van gevaarlijke stoffen plaats. Wanneer incidenteel transport van gevaarlijke stoffen over het spoor plaatsvindt zijn er geen risico's die van belang zijn om in het onderhavige plangebied op te nemen. Tevens geldt dat alleen binnen 200 meter vanaf de bron externe veiligheid een rol speelt. In de omgeving van het plangebied liggen ook geen andere spoorlijnen die gevolgen hebben voor de externe veiligheid in het plangebied. De Vliet ligt op circa 430 meter van het plangebied.
Hierover vindt incidenteel vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De Vliet is niet aangeduid als vaarweg waarmee specifiek rekening gehouden moet worden op het gebied van externe veiligheid. Opslag van gevaarlijke stoffen In de directe omgeving van het plangebied is geen opslag voor gevaarlijke stoffen aanwezig. Risicovolle inrichtingen of bedrijven In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen risicovolle inrichtingen of bedrijven.
5.8.3
Conclusie
Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
(vastgesteld)
45
bestemmingsplan Vlietvoorde Weide
5.9
Kabels en leidingen
5.9.1
Inleiding
Er kunnen planologisch relevante kabels en/of leidingen in het plangebied liggen. Ze kunnen ook in de omgeving voorkomen. Voorbeelden zijn hoofdnutsvoorzieningen. Dit kunnen leidingen voor het transport van giftige, brandbare en/of ontplofbare stoffen zijn. Daarnaast zijn aardgasleidingen, hoogspanningsleidingen en afvalwaterleidingen ook voorbeelden. Deze leidingen worden bestemd als ze voorkomen in het gebied. Met het geldende bestemmingsplan kan worden vastgesteld welke maatregelen, overleggen en/of rapporten nodig zijn voor een ruimtelijke ontwikkeling. Op basis van het geldende bestemmingsplan kan dan vastgesteld worden welke maatregelen, overleggen en/of rapporten nodig zijn om een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk te maken.
5.9.2
Beoordeling plangebied
Er komen in of nabij het plangebied geen planologisch relevante kabels en leidingen voor. Er is voor wat betreft dit aspect geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan. Nader aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk.
46
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde Weide
5.10
Duurzaamheid
5.10.1 Inleiding In paragraaf 2.4.8 is het beleid omtrent duurzaamheid beschreven. In deze paragraaf worden de duurzaamheidsmaatregelen van de voorgenomen ontwikkeling besproken.
5.10.2 Beoordeling plangebied De woningen worden gebouwd conform de wettelijke duurzaamheidseisen. Daarnaast zijn veel voorzieningen bereikbaar op de fiets, waardoor het autogebruik wordt beperkt.
(vastgesteld)
47
bestemmingsplan Vlietvoorde Weide
5.11
Bedrijven- en milieuzonering
5.11.1 Inleiding De invloed van bestaande (of nieuw te vestigen) bedrijvigheid moet op de leefomgeving worden afgewogen. Er dient een ruimtelijke scheiding te worden aangebracht tussen milieubelastende functies en milieugevoelige functies. Dit kan door middel van milieuzonering. Wonen is een voorbeeld van een milieugevoelige functie. De VNG-brochure Bedrijven- en Milieuzonering (2009) geeft richtlijnen voor de in acht te nemen afstanden. Deze afstanden worden gemeten tussen de grens van de bestemming die bedrijven of milieubelastende activiteiten toestaat en de uiterste situering van de geval van woningen. Aan de hand van de VNG-brochure is beoordeeld of de bedrijvigheid in en rondom het plangebied problemen oplevert voor de milieugevoelige functies. In onderstaande tabel staan de richtafstanden per milieucategorie uit de VNG-brochure Bedrijven- en Milieuzonering (2009) weergegeven. Milieucategorie
Gemengd gebied
Rustige woonwijk
1
0 meter
10 meter
2
10 meter
30 meter
3.1
30 meter
50 meter
3.2
50 meter
100 meter
4.1
100 meter
200 meter
4.2
200 meter
300 meter
Tabel 3: Richtafstanden VNG-brochure Bedrijven- en MIlieuzonering
5.11.2 Beoordeling plangebied De directe omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door woningen, in combinatie met bedrijvigheid, gelegen naast een drukke, doorgaande weg. De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in een nieuwe milieubelastende functie. Het plan heeft daarmee geen gevolgen voor milieugevoelige functies in de omgeving. Wel betreffen de nieuw te realiseren woningen milieugevoelige functies. Er dient daarom aangetoond te worden dat andere bedrijven geen overlast zullen geven voor deze woningen en dat deze bedrijven niet worden beperkt in de bedrijfsvoering. Aan de Veursestraatweg 195a, aangrenzend aan het plangebied, ligt de Vlinders aan de Vliet. Dit betreft een tropische vlindertuin. Er is geen specifieke richtafstand voor vlindertuinen. Deze vlindertuin is in aard en omvang niet vergelijkbaar met een reguliere dierentuin, gezien het feit dat de vlindertuin volledig overdekt is en minder bezoekers trekt dan een reguliere dierentuin. De vlindertuin heeft de karakteristieken van een met gas verwarmbare kas. Milieucategorie 2 wordt daarom het meest passend geacht, hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter. De woningen in de voorgenomen ontwikkeling liggen op voldoende afstand van de vlindertuin af. Daarmee vormt de vlindertuin geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
In de omgeving liggen geen andere bedrijven die mogelijke hinder kunnen veroorzaken voor de voorgenomen ontwikkeling. Het aspect bedrijven- en milieuzonering vormt daarmee geen belemmering voor onderhavig planinitiatief.
48
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde Weide
5.12
Verkeer en parkeren
5.12.1 Inleiding De reikwijdte van het begrip 'goede ruimtelijke ordening' bestrijkt ook het goed omgaan met verkeer en parkeren. Ten aanzien van verkeer is het van belang dat de nieuwe functie aantoonbaar geen onevenredige verkeersaantrekkende werking heeft en dat er sprake is van een acceptabele verkeerssituatie. Daarnaast dienen er voldoende parkeerplaatsen voor de functies van de beoogde ontwikkeling aanwezig te zijn.
5.12.2 Beoordeling plangebied 5.12.2.1
Parkeren
In het plangebied is de parkeernota 'Nota Parkeernormen 2012' van de gemeente Leidschendam-Voorburg van toepassing. Het parkeren bij de beoogde functies dient te voldoen aan de parkeernormen zoals opgenomen in de parkeernormennota. De parkeerplaatsen worden in het plangebied gerealiseerd, in de vorm van een openbaar toegankelijke parkeerplaats. Voor een koophuis in de vorm van een tussenwoning of hoekwoning geldt in het buitengebied een gemiddelde parkeernorm van 2,0 per woning. Voor een koophuis in de vorm van een twee-onder-een-kap geldt een gemiddelde parkeernorm van 2,2 per woning. Voor dit plan geldt daarmee een parkeereis van 52 parkeerplaatsen ten behoeve van de geschakelde woningen en 4,4 parkeerplaatsen ten behoeve van de poortwachterswoning. Het plangebied is opgedeeld in twee delen. In het zuidelijke deel worden 15 woningen gerealiseerd. Op het naastgelegen parkeerplaats zal ruimte zijn voor 30 parkeerplaatsen. Aan de noordzijde worden ten behoeve van de 11 geschakelde woningen 22 parkeerplaatsen gerealiseerd. Aan de overzijde van de poortwachterswoning worden 4 parkeerplaatsen gerealiseerd. Daarmee wordt voldaan aan de gestelde parkeernormen.
5.12.2.2
Verkeer
Op basis van de CROW publicatie geldt er per twee-onder-een-kap woning een verkeersgeneratie van maximaal 8,2. Voor geschakelde woningen is dit maximaal 7,8. Onderhavig plan komt daarmee uit op een totale maximale verkeersgeneratie van 219,2 verkeersbewegingen per dag. De bestaande bouwmarkt, welke nog in bedrijf is ten tijde van de terinzagelegging van het bestemmingsplan, kent een oppervlakte van tenminste 2100 m2. Hierbij hoort een verkeersgeneratie van minimaal 462 verkeersbewegingen, op basis van het CROW. Er zal daarmee geen toename zijn in verkeersbewegingen. De ontwikkeling heeft dan ook geen gevolgen voor de capaciteit van de omliggende wegen. De ontsluitingen aan de Veursestraatweg zullen duidelijk zichtbaar zijn, zodat er sprake is van een overzichtelijke verkeersituatie bij de ingangen van het plangebied. Hiermee vormt het aspect verkeer en parkeren geen belemmering voor onderhavig planinitiatief.
(vastgesteld)
49
bestemmingsplan Vlietvoorde Weide
5.13
Milieueffectrapportage
5.13.1 Inleiding Milieueffectrapportage is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. De Wm is een kaderwet waarin de uitgangspunten van het milieubeleid staan beschreven. In het Besluit m.e.r. staat wanneer een m.e.r. moet worden toegepast. Het besluit bevat bijlagen, waaronder de C- en D-lijst. Door middel van deze lijsten kan bij het opstellen van een ruimtelijk plan worden beoordeeld of het plan een ontwikkeling omvat die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kent. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit de C- en D-lijst geldt een m.e.r.-plicht respectievelijk m.e.r.-beoordelingsplicht. Als een voorgenomen ontwikkeling activiteiten bevat zoals opgenomen in de D-lijst van het besluit m.e.r., maar beneden de drempelwaarden in deze lijst ligt, dan is er een vormvrije m.e.r.-beoordeling mogelijk. Bij een m.e.r.-plicht dient een milieueffectrapportage gemaakt te worden. Bij een m.e.r.-beoordelingsplicht dient een afweging te worden gemaakt door het bevoegd gezag of een m.e.r. opgestart zal moeten worden.
5.13.2 Beoordeling plangebied Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. opgesteld. Dit onderzoek is bijgevoegd in Bijlage 11. Uit de aanmeldnotitie blijkt dat de ontwikkeling niet leidt tot belangrijke potentiële negatieve gevolgen voor het milieu en de omgeving. Daarmee vormt het aspect milieueffectrapportage geen belemmering voor onderhavig planinitiatief.
50
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde Weide
Hoofdstuk 6 6.1
Cultureel erfgoed
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe met het cultureel erfgoed binnen het plangebied omgegaan. Hierbij gaat het om de onderdelen archeologie, maar ook om monumenten, beschermde stadsgezichten en waardevolle landschapselementen.
6.2
Archeologisch erfgoed
6.2.1
Inleiding
Gemeenten zijn verplicht om in bestemmingsplannen rekening te houden met archeologische waarden. Dat is vastgelegd in de Erfgoedwet (hoofdstuk 9). De Erfgoedwet regelt samen met de toekomstige Omgevingswet de omgang met het cultureel erfgoed in Nederland, waaronder de archeologische waarden in de bodem. De zorgplicht voor het cultureel erfgoed wordt in de Erfgoedwet bij de gemeenten neergelegd. Het bestemmingsplan met het daaraan gekoppelde vergunningsstelsel is het instrument voor de uitvoering van deze zorgplicht. In deze paragraaf komen eerst het wettelijk kader en het gemeentelijke archeologiebeleid aan de orde. Daarna worden de resultaten van de uitgevoerde archeologische onderzoeken besproken, en vervolgens de maatregelen die worden genomen om de archeologische waarden te beschermen Alhoewel gemeentes in het kader van de Erfgoedwet de zorgplicht voor archeologisch waarden in de bodem hebben, zijn de archeologisch waardes binnen Vlietvoorde Weide ook van provinciaal belang. De gemeente Leidschendam - Voorburg heeft alle ontwikkelingen binnen het plangebied, dus ook ten aanzien van archeologie en cultuurhistorie, afgestemd met de provincie Zuid - Holland.
6.2.1.1 Wettelijk kader: Verdrag van Valletta en de Erfgoedwet In 1993 heeft Nederland het Verdrag van Valletta, ook wel bekend onder de naam Verdrag van Malta, getekend, en in 1998 geratificeerd. Doel van het Verdrag van Valletta is een betere bescherming van het Europese cultureel erfgoed door een structurele inpassing hiervan in de ruimtelijke ordening. De bepalingen van het Verdrag van Valletta zijn in Nederland geïmplementeerd in de Erfgoedwet. In de Erfgoedwet is de bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed gebundeld. De Erfgoedwet regelt de bescherming van het archeologische erfgoed, de inpassing hiervan in ruimtelijke ontwikkelingen en de financiering van het archeologische onderzoek. Bij het ingaan van de Erfgoedwet op 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de Monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet (certificeringsstelsel en aanwijzing Archeologische Rijksmonumenten). Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming) gaat over naar de Omgevingswet. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het overgangsrecht van de Erfgoedwet, waar ze van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
Het betreft vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; en de bescherming van stads- en dorpsgezichten. De uitgangspunten voor de bescherming van het archeologisch erfgoed in de wetgeving zijn de volgende: Archeologische waarden moeten zoveel mogelijk in de bodem, in situ, behouden en ontzien worden. Alleen als behoud in situ niet mogelijk is, wordt overgegaan tot behoud ex situ, d.w.z. behoud van de archeologische waarden door middel van een archeologische opgraving; Het onderzoek naar archeologische waarden moet in een zo vroeg mogelijk stadium van de planvorming plaatsvinden, zodat in de uitwerking en uitvoering van de plannen rekening gehouden kan worden met de aanwezige archeologische vindplaatsen; De verantwoordelijkheid voor het archeologische erfgoed ligt bij de gemeenten, die verplicht zijn tot het opstellen en uitvoeren van archeologiebeleid; De initiatiefnemer van bodemverstorende activiteiten moet de kosten dragen van het archeologische onderzoek en de eventuele inpassing van archeologische waarden in de planontwikkeling.
(vastgesteld)
51
bestemmingsplan Vlietvoorde Weide
6.2.1.2 Gemeentelijk beleid De gemeente Leidschendam-Voorburg beschikt sinds 2009 over een archeologiebeleid, waarin wordt samengewerkt met de gemeenten Wassenaar en Voorschoten. In 2014 is het archeologiebeleid herzien en is de "Nota herijking archeologiebeleid 2013, gemeenten Leidschendam-Voorburg, Wassenaar en Voorschoten" vastgesteld. Op de beleidskaart behorende bij de Nota is het grondgebied van de gemeenten opgedeeld in vier categorieën archeologische gebieden: Waarde Archeologie 1 t/m Waarde Archeologie 4. Voor elke categorie gelden verschillende vrijstellingsgrenzen (oppervlakte- en dieptegrenzen) en verschillende beleidsregels, afhankelijk van de archeologische waarde of verwachting. Bij bodemingrepen die de vrijstellingsgrenzen overschrijden, kan de gemeente voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning. De voorwaarden kunnen bestaan uit de verplichting tot het uitvoeren van een archeologisch onderzoek en/of het treffen van maatregelen om de archeologische waarden in de bodem te behouden. De gemeente maakt daarbij een afweging tussen archeologische en andere, maatschappelijke belangen. Het is ook mogelijk dat een vergunning in het belang van het archeologische erfgoed niet wordt verleend.
Afbeelding 14: Gemeentelijke archeologische beleidskaart
Op de gemeentelijke beleidskaart ligt Vlietvoorde Weide in een gebied met Waarde Archeologie 3. Voor deze categorie gelden vrijstellingsgrenzen van 100 m2 en 30 cm beneden maaiveld.
52
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde Weide
6.2.1.3 Archeologievriendelijk en archeologieduurzaam bouwen Waar mogelijk probeert de gemeente Leidschendam-Voorburg de archeologische waarden in de bodem zoveel mogelijk te behouden. Bij de ontwikkeling van Vlietvoorde Weide wordt daarom gekeken naar het gebruik van archeologievriendelijke of archeologieduurzame methoden. Hiervoor wordt enerzijds aansluiting gezocht bij de "Handreiking Archeologievriendelijk bouwen" van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Deze Handreiking doet geen uitspraken over de maximaal toelaatbare verstoringen op archeologische vindplaatsen, omdat dit een bevoegdheid is die aan de gemeenten toekomt. Wel biedt de Handreiking uitgangspunten waaraan een archeologievriendelijk bouwplan moet voldoen, beoordelingscriteria voor de toetsing van bouwplannen, en diverse oplossingen om een bouwplan archeologievriendelijk(er) te maken. Anderzijds wordt een specialist op het gebied van archeologieduurzaam bouwen ingeschakeld. Daar waar archeologieduurzaam bouwen niet mogelijk of wenselijk is, zal voorafgaand aan de ontwikkeling regulier archeologisch onderzoek plaatsvinden.
6.2.2
Toekomstige archeologische situatie
6.2.2.1 Archeologisch onderzoek Met het bestemmingsplan Vlietvoorde Weide worden nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. In het kader van deze bestemmingswijziging zijn verschillende archeologische onderzoeken uitgevoerd. Deze onderzoeken hadden tot doel te onderzoeken of door de voorgenomen ontwikkeling archeologische waarden bedreigd worden. Ter plaatse van het bestemmingsplan Vlietvoorde Weide zijn de volgende onderzoeken uitgevoerd. Locatie Schakelstuk is reeds archeologisch onderzocht, door middel van een proefsleuvenonderzoek in 2017 (Goossens 2017). Het onderzoeksgebied ligt op het hoogste deel van de strandwal waarop ook Leidschendam en Voorburg gelegen zijn. Haaks op de strandwal zijn vier proefsleuven gegraven tot een diepte van 2,0 - 2,2 m -Mv. In de ondergrond bevinden zich tot ten minste een diepte van 2,2 m beneden maaiveld duinafzettingen. Het bovenste deel van het duin is ten behoeve van de tuinbouw in de 19e eeuw geëgaliseerd, waardoor eventueel aanwezige archeologische resten op de top van het duin zijn verdwenen. Ook op diepere niveaus binnen de duinafzettingen zijn geen vondsten of sporen aangetroffen. Op basis hiervan en gecombineerd met de beperkte verstoringsdiepte van de geplande nieuwe ontwikkelingen adviseerde Archol om geen vervolgonderzoek uit te voeren. Dat advies is destijds overgenomen door het bevoegd gezag (Van Geijn 2019, per mail).
Schakelstuk is dus archeologisch gezien vrijgegeven, maar de huidige nieuwbouwplannen omvatten ook het noordoostelijk gelegen perceel van de Gamma. Hier heeft nog geen onderzoek plaatsgevonden vanwege de aanwezige verharding. Kijkend naar de bodemopbouw onder de vlindertuin is echter de verwachting dat die onder de naastgelegen Gamma identiek zal zijn, en dat ook hier de bodem reeds geëgaliseerd is.
6.2.3
Conclusie
Op basis van de beschikbare gegevens is bij Schakelstuk geen aanvullend archeologisch onderzoek noodzakelijk en kan het bouwplan in de huidige vorm doorgang vinden. Op de locatie van de voormalige Gamma wordt ten behoeve van de activiteit bouwen nog een aanvullend archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit is in de planregels gewaarborgd middels de dubbelbestemming Archeologie.
(vastgesteld)
53
bestemmingsplan Vlietvoorde Weide
6.3
Cultuurhistorisch erfgoed
6.3.1
Geschiedenis
Het exemplarische strandwallenlandschap is kenmerkend voor dit gebied. Het is een coulisselandschap met een aaneenschakeling van landschappelijke kamers die zijn gevormd tussen bosvolumes en lanen. De doorzichten en zichtlijnen, samen met het ecologische-, cultuur-, historische- en recreatieve netwerk maken dit landschap zeer waardevol voor de regio. Dit landschap werd grofweg 3000 jaar geleden gevormd. Het bestond uit hoger gelegen strandwallen, met daartussen lager gelegen strandvlakten. Loodrecht op de strandwallen werden ontginningssloten aangelegd, om het veengebied dat op de lager gelegen strandvlakte was gelegen in cultuur te brengen en als weidegebied te gebruiken. Weteringen, zoals de vroegere Dobbewetering, waren verantwoordelijk voor de afwatering van de strandvlakten. Op de randen van de strandwallen (de grens tussen de strandwal en de standvlakten) werden boerderijen gebouwd. Kenmerkend voor dit gebied zijn de aaneengesloten reeks landgoederen en buitenplaatsen met landerijen, de villaparken en villawijken van de hogere middenstandswijken. Dit is regio-overstijgend en deze kenmerken worden gedeeld met een deel van de gemeente Wassenaar en Voorschoten. Het is een bijzonder intact gebleven representatief voorbeeld van een historische landgoederen zone uit de 7e eeuw naast de vroege 20e eeuwse suburbanisatie villaparken die naast elkaar bestaan. 6.3.2
Plangebied
De ligging van het plangebied in het kroonjuweel Landgoederenzone Wassenaar-Den Haag onderstreept het belang om de cultuurhistorische structuren te behouden. De structuur wordt enerzijds behouden door de dubbelbestemming 'Waarde - beschermd stads- en dorpsgezicht op te nemen in de regels van dit bestemmingsplan. Anderzijds door in de planvorming rekening te houden met- en het versterken van de bestaande doorzichten en zichtassen vanuit de omgeving, het open bosrijk karakter en de unieke lanen. De in het landschap voorkomende zichtassen hebben de structuur van de woningen bepaald. De belangrijke zichtassen vanuit het plangebied op het omringende landschap worden versterkt door de infrastructuur, de openingen tussen de bosstroken en het selectief maaien over assen van zichtlijnen. Verschillende vegetatievormen zijn in de 19e eeuw ingezet om het coulisselandschap te versterken. Op de hogere rand van de oude strandwal sluit de bosstructuur aan op kenmerkende buitenplaatsen op hogere zandgronden in omgeving: een mengsel van beuken, eiken met ondertapijt van Stinze-beplanting. Op de lagere gronden binnen het plangebied bevindt zich een mengsel van Els, Schietwilg en Berk en binnen het plangebied bevinden zich ook weide van grassen en bloemrijke planten.
Door de verschillende vegetatievormen wordt het contrast tussen het besloten, boomrijke karakter van de strandwallen en de open veenweidepolders van de strandvlakten in stand gehouden en versterkt. De waterstructuur wordt op een krachtige manier naar binnen getrokken door een netwerk van natuurlijke oevers aan te sluiten op het ecologische netwerk van het landschap. Op deze manier blijft de oostwest oriëntatie van het strandwallen- en strandvlaktenlandschap bestaan.
54
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde Weide
Hoofdstuk 7 7.1
Juridische vormgeving
Systematiek van de bestemmingsregels
De juridisch-planologische regeling van dit bestemmingsplan is conform de gangbare en actuele bestemmingsplannormen en standaarden voor digitaal uitwisselbare ruimtelijke plannen. De plandocumenten omvatten de bindende stukken, namelijk de regels en de verbeelding, en de onderbouwende of toelichtende planstukken. De regels en verbeelding bevatten een juridische vertaling van de beleidsvoorwaarden vanuit de diverse overheden enerzijds en van het beoogde ruimtelijk toekomstperspectief anderzijds. De bindende planstukken worden nader onderbouwd met de toelichting op verbeelding en regels en nadere onderzoeken ten behoeve van diverse specifieke beleidsaspecten.
7.2
Inleidende regels
Artikelen 1 en 2 omvatten alle gebruikelijke bepalingen en definities die van belang zijn voor de toepassing van de bestemmingsregels, de dubbelbestemmingen en de algemene regels. Zodoende hebben zij een zekere betekenis voor de handhaving van de regels en de hierin bepaalde eisen.
7.3
Bestemmingsregels
Groen Structuurbepalende groene elementen worden bestemd als Groen. Het gaat om de gronden die in gebruik zijn als bosstroken, plantsoenen, bermen, speelvoorzieningen en voet- en fietspaden. Daarbij is binnen de bestemming Groen tevens de functie water toegestaan en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding. Ook is een gemeenschappelijke berging voorzien binnen deze bestemming. Verkeer - Verblijfsgebied De bestemming Verkeer is van toepassing op de toegangswegen en de parkeervoorzieningen in het plangebied. Water Alle watergangen in het gebied zijn bestemd als Water. Met deze bestemming wordt tevens beoogd de in en direct langs het water (oevers) voorkomende natuurwaarden te beschermen. Binnen de bestemming water zijn tevens groenvoorzieningen toegestaan. Wonen De bestemming Wonen is van toepassing op de poortwachterswoning aan de Veursestraatweg. Binnen deze bestemming mag een twee-onder-een-kap woning worden gebouwd. Binnen deze bestemming is tevens ruimte voor aan- en uitbouwen en andere bijbehorende bouwwerken. Woongebied De bestemming Woongebied is van toepassing op de geschakelde woningen in het plangebied. Binnen het woongebied is wonen toegestaan in rijwoningen. Waarde - Archeologie 3 Het plangebied kent op grond van het gemeentelijk archeologische beleid een hoge verwachtingswaarde.
Ter bescherming van in het gebied aanwezige of te verwachten archeologische waarden is conform het gemeentelijke beleid de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3 opgenomen. Voor werkzaamheden die in deze gebieden de grond verstoren, is een omgevingsvergunning noodzakelijk. Voor bodemverstorende activiteiten met een oppervlakte groter dan 100 m2 en die dieper reiken dan 30 cm beneden maaiveld dient de aanvrager van een omgevingsvergunning een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
(vastgesteld)
55
bestemmingsplan Vlietvoorde Weide Waarde - Beschermd stads- en dorpsgezicht Het plangebied is gelegen binnen een rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht. Deze dubbelbestemming regelt dat nieuw op te richten bouwwerken niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de cultuurhistorische waarden.
7.4
Algemene regels, overgangs- en slotregels
In het bestemmingsplan is een aantal algemene regels opgenomen. Het betreft een aantal algemene bouw- en gebruiksregels. Daarnaast zijn algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels opgenomen. Tenslotte zijn de wettelijk verplichte bepalingen ten aanzien van het overgangsrecht opgenomen in het bestemmingsplan.
7.5
Toepassing en handhaving van het bestemmingsplan
Het ontwikkelen van beleid en de vertaling daarvan in een bestemmingsplan heeft geen zin, indien na de vaststelling van het bestemmingsplan geen handhaving plaatsvindt. Daarom is het belangrijk om reeds ten tijde van het opstellen van een bestemmingsplan aandacht te besteden aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels. De wettelijke basis hiervoor is gelegd in artikel 125 van de Gemeentewet, in samenhang met de afdelingen 5.3 en 5.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Vier factoren zijn van wezenlijk belang voor een goed handhavingsbeleid: 1. Voldoende kenbaarheid van het plan. Een goed handhavingsbeleid begint bij de kenbaarheid van het bestemmingsplan bij degenen die het moeten naleven. Het bestemmingsplan is immers aan eenieder kenbaar gemaakt zodat wordt aangenomen dat belanghebbenden in het plangebied op de hoogte (kunnen) zijn van de regels. 2. Voldoende draagvlak voor beleid en regeling in het plan. De inhoud van het plan kan slechts gehandhaafd worden indien het beleid en de regeling in grote kring ondersteund wordt door de gebruikers van het plangebied. Uiteraard kan niet iedereen zich vinden in elk onderdeel van het plan. Een algemene positieve benadering van het bestemmingsplan is echter wel wenselijk. 3. Realistische en inzichtelijke regeling.
Een juridische regeling dient realistisch en inzichtelijk te zijn; dat wil zeggen niet onnodig beperkend of inflexibel. Bovendien moeten de bepalingen goed controleerbaar zijn. De regels moeten derhalve niet meer regelen dan noodzakelijk is. 4. Actief handhavingsbeleid. Het sluitstuk van een goed handhavingsbeleid is voldoende controle van de feitelijke situatie in het plangebied. Daarnaast moeten adequate maatregelen worden getroffen indien de regels worden overtreden. Indien dit wordt nagelaten, ontstaat een grote mate van rechtsonzekerheid. De afdeling die belast is met handhaving heeft jaarlijkse handhavingsplannen en een handhavingsprogramma voor meerdere jaren. Daarin zijn prioriteiten gesteld ten aanzien van de te handhaven zaken. In het algemeen geldt op grond van vaststaande jurisprudentie een beginselplicht tot handhaving. Dat neemt natuurlijk niet weg dat per geval moet worden onderzocht of handhaving (nog) mogelijk of proportioneel is. Een uitzondering is bijvoorbeeld concreet zicht op legalisatie van de overtreding. Bij handhaving van de regels wordt onder meer aandacht besteed aan de normen met betrekking tot brandveiligheid en constructieve veiligheid, monumentenstatus, toezicht op de naleving en uitvoering van omgevingsvergunningen en de handhaving op milieu-overtredingen.
56
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde Weide
Hoofdstuk 8
Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid
8.1
Economische uitvoerbaarheid
8.1.1
Financieel - economische uitvoerbaarheid
Het vereiste van economische uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan dwingt tot economische planvorming: bij de ontwikkeling van het ruimtelijk plan dienen voortdurend de lasten die zijn verbonden aan het realiseren van de doelstellingen van het plan te worden afgezet tegen de baten daarvan. Bij de economische verantwoording in de plantoelichting zal vooral aandacht moeten worden besteed aan de cijfermatige verklaring van de bij de planontwikkeling gemaakte keuzes. Daarbij moeten ook de feitelijk te verwachten exploitatiekosten worden beschouwd in relatie tot de materiële en immateriële 'nuttigheid' van de met het desbetreffende bestemmingsplan mogelijk gemaakte voorzieningen. Van de verantwoording van de uitkomsten van het verplichte onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan zal meestal een verantwoording van de berekeningen over de grondexploitatie deel uitmaken, maar dat is daarvan slechts één aspect. De verantwoordingsplicht gaat niet zover dat in het (openbare) bestemmingsplan gedetailleerde cijfers moeten worden opgenomen over bijvoorbeeld vertrouwelijke bedrijfsinformatie, kostenramingen voor aanbestedingen of vertrouwelijke informatie over de financiële positie van particuliere participanten.
In de jurisprudentie is geaccepteerd dat in het bestemmingsplan kan worden volstaan met het opnemen van de op basis van deze gegevens getrokken conclusies. Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om op de locatie 'Vlietvoorde Weide' nieuwbouw te realiseren. Er wordt geen exploitatieplan opgesteld. Voorafgaand aan het opstellen van dit bestemmingsplan is een anterieure overeenkomst gesloten tussen de gemeente Leidschendam-Voorburg en de initiatiefnemer, waarmee het kostenverhaal anderszins is verzekerd.
8.1.2
Grondexploitatiewet
Op grond van artikel 6.12 Wro is de gemeenteraad verplicht om een exploitatieplan vast te stellen voor gronden, waarop de verwezenlijking van een bouwplan als genoemd in artikel 6.2.1 Bro is voorgenomen. Met deze dwingende wettelijke regeling heeft de wetgever beoogd een transparante en rechtvaardige regeling vast te leggen op basis waarvan door de gemeente gemaakte grondexploitatiekosten op de particuliere grondeigenaren binnen het te exploiteren gebied kunnen worden verhaald. Het voorliggende bestemmingsplan 'Schakelstuk en Gamma-locatie' beoogt een juridisch-planologische regeling vast te leggen, die het verwezenlijken van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro mogelijk maakt. De vaststelling van een exploitatieplan is zoals gezegd voor de in het Bro genoemde gevallen dwingend voorgeschreven. De gemeenteraad kan echter bij het besluit tot de vaststelling van een bestemmingsplan tevens besluiten van de gelijktijdige vaststelling van een exploitatieplan af te zien, indien het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in dat bestemmingsplan voorziene ontwikkelingen anderszins is verzekerd. Onder 'anderszins verzekerd zijn' kan in het bijzonder worden verstaan verhaal van deze grondexploitatiekosten via het privaatrechtelijke spoor, zoals door middel van het sluiten van een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer / grondeigenaar.
8.1.3
Gevolgen voorliggend bestemmingsplan
Ten behoeve van de ontwikkeling sluit de gemeente met de ontwikkelende partij een anterieure overeenkomst. Hierin zijn afspraken gemaakt over onder andere de uitvoering, kosten en planschade. Daarmee is de financiële uitvoerbaarheid verzekerd.
(vastgesteld)
57
bestemmingsplan Vlietvoorde Weide
8.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het opstellen van een bestemmingsplan dient zorgvuldig te gebeuren. In dat kader blijft het van belang dat er vooroverleg met betrokken instanties, burgers en maatschappelijke organisaties plaatsvindt, zodat in een vroeg stadium knelpunten, belangen en verbeterpunten kunnen worden gesignaleerd. De verplichting tot het voeren van vooroverleg vloeit voort uit de artikelen 3.1.1 en 3.1.6 sub e van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in samenhang met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gecodificeerde zorgvuldigheidsbeginsel. Op grond hiervan is de gemeente verplicht bij de voorbereiding van een bestemmingsplan de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen. Het bestemmingsplan wordt niet aan inspraak onderworpen op grond van de Inspraakverordening gemeente Leidschendam-Voorburg. Door het volgen van de procedure als bedoeld in artikel 3:4 Awb (uniforme openbare voorbereidingsprocedure) wordt eenieder immers actief betrokken bij de voorbereiding van het bestemmingsplan. Naast de wettelijke verplichting om de mogelijkheid te bieden om door eenieder zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan in te dienen, zal er tevens vooroverleg met betrokken instanties, maatschappelijke organisaties, ingezetenen en belanghebbenden plaatsvinden.