2984-77 Bijlage 74 toelichting, Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
Tekst van het document
Het Oude Rijn estuarium In het noorden van het plangebied is de invloed van de Oude Rijn en het aldaar gevormde estuarium van groot belang geweest naast de vorming van strandwallen en Oude Duinen. De ontwikkeling van het Oude Rijn-estuarium hangt nauw samen met de (mate van) activiteit van de Oude Rijn tussen 4400 vóór Chr. en 1122 na Chr. (Berendsen & Stouthamer, 2001) en met de kustuitbreiding en de daarbij behorende vorming van strandwallen. Vanaf het moment van het ontstaan van de oudste strandwal is sprake van invloed vanuit de monding van de Oude Rijn. Daarbij moet niet alleen gedacht worden aan sedimentatie vanuit de rivier zelf, maar ook aan mariene sedimentatie vanuit getijdenkreken die zich vormden vanuit de riviermonding. Vanaf de Vroege IJzertijd nam de mariene invloed toe, vermoedelijk als gevolg van het afnemen van het debiet van de Oude Rijn. Onder invloed van het getij vond vanuit de Oude Rijn, in het noorden sedimentatie plaats. Overigens gebeurde dit ook ten zuiden van het plangebied, in de Maasmonding, vanuit het zogenaamde ‘Gantel-systeem’. Dit mariene sediment werd over het (Holland) veen afgezet dat zich in de strandvlaktes had gevormd. Deze mariene afzettingen zijn afgezet vanuit getijdenkreken die zich (in eerste instantie) vormden in reeds aanwezige veen(ontwaterings)stroompjes.
Ze worden tot de Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren gerekend (voorheen aangeduid als de Afzettingen van Duinkerke). Door de ligging van het gebied op de waterscheiding tussen Maas en Oude Rijn heeft in het centrum van het plangebied nauwelijks mariene sedimentatie plaatsgevonden. In het noordoosten van het gebied bevindt zich een getijdenkreek van waaruit het deel van het veengebied ten zuidoosten van de oudste strandwal afgedekt is geraakt met een laag mariene klei. Deze kreekloop bevindt zich ten dele onder de huidige Vliet en vervolgt mogelijk in de richting van Roomburg, waar deze zich bij de Oude Rijn voegt (Van Heeringen, 1992). Het is niet exact bekend hoever deze kreekloop zich in zuidelijke richting heeft ontwikkeld. Tijdens een archeologisch onderzoek in het kader van de aanleg van een nieuwe watertransportleiding is in het gebied een circa 20 m brede kreek aangetroffen. In deze kreek zijn fragmenten aardewerk uit de IJzertijd aangetroffen (Mulder, 1998). Opvallend is dat deze kreekloop niet in het huidige landschap noch op het AHN zichtbaar is. Het lijkt uitgesloten dat deze kreekloop uit-
28
RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie)
OHJHQGD Figuur 3. Paleogeografische reconstructie (Pruissers & de Gans, 1988) van het grondgebied van de gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar (rood).
29
JOREDOHOLJJLQJSODQJHELHG
ZDWHU
SODDWHQVWUDQG]DQG
]HHNOHL 'XLQNHUNH,,,
]HHNOHL
]HHNOHLDDQRSSHUYODNQDGURRJOHJJLQJ
ULYLHUNOHL
MRQJGXLQ]DQG
RXGGXLQ]DQG
YHHQ
Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
eindelijk een natuurlijke verbinding met het Gantelsysteem in het zuiden heeft gevormd. Aan de Veurseweg in Leidschendam zijn tijdens een opgraving van de Archeologische Werkgroep Voorburg (Vos e.a., 2007) duidelijke bewijzen gevonden voor een in het veen ingegraven kanaal, het zogenaamde Kanaal van Corbulo. Dergelijke aanwijzingen zijn eveneens aangetroffen op de voormalige gemeentewerf aan de Rietvinklaan te Leidschendam (De Kort, 2005). Indien er een natuurlijke (kreek)loop tussen de Rijn en de Maas aanwezig was geweest, lijkt het waarschijnlijker dat deze door de Romeinen gebruikt zou zijn, in plaats van het graven van een kanaal in het veen. Tijdens de laat-middeleeuwse overstromingen heeft in het plangebied geen sedimentatie meer plaatsgevonden. In de loop van de Middeleeuwen hebben de Jonge Duinen zich ontwikkeld, waarbij met het inactief raken van de Oude Rijn in de 12e eeuw de duinenrij zich kon sluiten. Alleen in het deel van het gebied van het estuarium dat niet afgedekt is met duinzand, hebben de kwelders en getijdenkreken zich tot het gesloten raken van de zeeverbinding kunnen ontwikkelen. Aangezien met het langzaam gesloten raken van de duinenrij de mariene invloed verminderde, zal ook hier niet al te veel meer veranderd zijn. Alleen in de zone direct langs de Oude Rijn is het landschap door erosie en sedimentatie nog drastisch gewijzigd.
Dit werd veroorzaakt doordat de fluviatiele invloed met het dicht raken van de kustbarrière groter werd. Als gevolg hiervan kreeg de Rijn een meer meanderend karakter. Dit heeft zich vertaald in het ontstaan van enkele kronkelwaarden, bijvoorbeeld ten zuidoosten van de bebouwde kom van Valkenburg. Uit fysisch geografisch onderzoek is gebleken dat deze kronkelwaard pas in de loop van de Romeinse tijd of daarna is ontstaan (Lenselink, 1990). De fluviatiele activiteit in de Romeinse tijd blijkt tevens uit opgravingen van de limesweg. Deze blijkt meerdere malen plaatselijk weggeslagen te zijn (Van Dierendonck, Hallewas & Waugh [red.], 1993).
Jonge Duinen Vanaf ongeveer het jaar 1000 staakte de westwaartse kustuitbreiding en vond weer enige kustafslag plaats. Als gevolg daarvan kwamen grote hoeveelheden zand vrij die langs de kust werden opgeblazen tot de Jonge Duinen. Dit systeem van duinen was veel hoger dan de tot dan toe ontstane Oude Duinen en dekte het oude landschap van strandwallen en duinen af. Daardoor is dat oude landschap waarschijnlijk zeer goed bewaard gebleven, maar omdat het nu zo diep onder het maaiveld ligt, is er ook bijzonder weinig over bekend. Het voordeel van de afdekking door de Jonge Duinen is niet alleen dat eventuele vindplaatsen goed zijn afgedekt, maar ook dat de grondwaterspiegel in het gebied inmiddels is gestegen, waardoor de conservering van organische vondsten bijzonder goed blijkt (Van Heeringen en Van der Valk, 1998). Illustratief voor hoe lastig kennis over dit oude landschap vergaren is, is het onderzoek in Katwijk in 2006 en 2011 op het terrein van het voormalig Zeehospitium. Hierbij werden onder een 7 tot 8 m dik pakket Jonge Duinen afzettingen van de Oude Duinen aangetroffen met daarin tot zeker negen verschillende bodemniveaus.
In vier van deze niveaus zijn archeologische indicatoren aangetroffen in de vorm van houtskool, vuursteen, kwarts, tefriet (vulkanische basaltlava), aardewerk, knappersteen, (on)verbrand bot, verbrande zaden en onverbrande organische resten zoals visschubben en hazelnoot. De bodems dateerden uit de periode Midden IJzertijd (de oudste) tot de Midden
30
RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
Romeinse tijd (de jongste) en overspannen een periode van circa zes eeuwen. De vondsten zijn gedaan op de top van een Oud Duin dat ongeveer 50 bij 50 m groot was. Als gevolg van de grote diepteligging kon de vindplaats alleen onderzocht worden met behulp van boringen. Hiervoor zijn circa 250 locaties waar heipalen waren gepland ‘voorgeboord’ (Schamp & Schute, 2006; Schute, 2011). In 1986 en 1987 werden in het kader van de aanleg van een drinkwaterleiding, eveneens in Katwijk, diepere sleuven aangelegd die het landschap van de Oude Duinen raakten. Ook hierbij werden op verschillende locaties, en in verschillende oude bodems, aardewerk, natuursteen, bot en houtskool aangetroffen. Op basis van de aardewerkmagering werden deze vondsten gedateerd in de Late Bronstijd tot de Romeinse tijd (Van Heeringen en Van der Valk, 1998).
Duinen buiten het duingebied De Oude Duinen vormden zich voornamelijk op de hoger gelegen strandwallen, waar als gevolg van de hogere ligging van het maaiveld begroeiing plaatsvond en waar dus opgewaaid zand ingevangen kon worden, een proces dat zichzelf versterkt, omdat de duinvorming tevens bijdroeg aan de hogere ligging van het maaiveld. Het voorkomen van duinen is echter niet beperkt tot de strandwallen. Als gevolg van verstuiving hebben zich ook duinen gevormd in de met veen overgroeide strandvlaktes en zelfs achter de zone van strandwallen, in het zeeklei-getijdengebied. Deze doorgaans kleine duintjes zijn soms op oude bodemkaarten herkenbaar. Uit onderzoek is bekend dat dergelijke iets hoger gelegen en zandige bodems in de Prehistorie aantrekkelijke bewoningsplekken zijn geweest. Zo zijn in Schipluiden op een dergelijk duin bewoningsresten uit het Neolithicum aangetroffen (Louwe Kooijmans & Jongste, 2006). Ook delen van het estuarium van de Oude Rijn kunnen zijn overstoven. Bij een recente opgraving door het ADC in de Zanderij in Katwijk, zijn sporen van bewoning uit de Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen aangetroffen in duinzand, waaronder akkerlagen. Het aantreffen van dergelijke sporen kan alleen verklaard worden als het gebied al eerder -dus voor de Romeinse tijd- overstoven was.
Al tijdens de zandwinningen in de 18e eeuw zijn in de Zanderij waarnemingen gedaan van verschillende overstoven oude oppervlakken boven elkaar. De recent ontdekte akkerlagen zijn onder het in de 18e eeuw afgegraven zand aangetroffen. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat zeker al vanaf het begin van de jaartelling het kweldergebied van Katwijk grotendeels onder een laag duinzand bedolven was en dus niet meer door latere mariene of fluviatiele invloed veranderd is. Ook is uit dit onderzoek duidelijk gebleken dat de overstuivingen tot na de Romeinse tijd zijn doorgegaan. Zo werden meerdere akkerlagen uit de Romeinse tijd boven elkaar aangetroffen. Vermoedelijk heeft de bevolkingstoename in het gebied, met name in de Romeinse tijd, geleid tot intensivering van de landbouw. Hierdoor zal meer van de natuurlijke vegetatie verdwenen zijn, waardoor het verstuiven versterkt werd (Van der Velde, 2008).
Bodemverstoringen Het eenmaal ontstane landschap heeft niet ongeschonden de tand des tijds doorstaan. De meest ingrijpende verstoring van het prehistorische landschap heeft plaatsgevonden op de hogere delen
31
RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
van de strandwallen. Hier is op grote schaal, vanaf de Gouden Eeuw, zandwinning gepleegd ten behoeve van de stadsuitbreidingen. Hierdoor zijn de archeologische resten in de hogere delen van het oorspronkelijke landschap vaak verdwenen. Tijdens recent archeologisch onderzoek in Voorburg zijn aanwijzingen gevonden voor veenwinning in de strandvlaktes (Jordanov, 2006). Of en zo ja, op welke schaal dat in onderhavig gebied heeft plaatsgevonden, is onbekend. Een andere verstorende factor vormt de (glas)tuinbouw. Voor het naar boven brengen van kalkrijk materiaal wordt de grond regelmatig gediepploegd. Hierbij wordt de bodem tot circa 1,0 m -Mv omgewerkt, hetgeen betekent dat binnen deze diepte aanwezige archeologische resten verloren zijn (Heunks, 1995). Deze methode van bodembewerking heeft doorgaans op perceelsniveau plaatsgevonden en is over het algemeen niet systematisch gedocumenteerd (Schute, 2007). Een andere methode ter verbetering van de bodem die in de glastuinbouw gebruikt wordt, is het zogenaamde stomen van de grond. Door het stomen van de grond vinden geen fysieke verstoringen van de eventueel aanwezige archeologische waarden plaats. De (chemische) bodemsamenstelling verandert echter wel, waardoor archeologische cultuurlagen en sporen niet meer herkenbaar zijn (Van Kempen, 1999). Ook deze methode is mogelijk op perceelsniveau in het gebied toegepast.
32
RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
4 Bewoningsgeschiedenis
4.1 Laat Paleolithicum en Mesolithicum: jagers-verzamelaars In de gemeenten Wassenaar, Leidschendam-Voorburg en Voorschoten zijn geen archeologische vindplaatsen bekend van jagers-verzamelaars uit de periode Paleolithicum en Mesolithicum. In deze periode bestond het gebied uit een dekzandvlakte. Dit dekzand is gedurende de laatste ijstijd (het Wechselien: 115.000 tot 10.000 BP) afgezet. Door de latere geologische ontwikkelingen in het gebied zoals de snelle zeespiegelstijging, waardoor veengroei plaatsvond en waardoor in het plangebied sediment vanuit de zee werd afgezet, het sluiten van de kustbarrière en de vorming van strandwallen is dit dekzandlandschap afgedekt geraakt. De top van het pleistocene dekzand bevindt zich tegenwoordig op 12,0-10,0 m -NAP. Theoretisch kunnen sporen en resten uit het Laat Paleolithicum en/of het Mesolithicum, de periode van de jagers-verzamelaars, aanwezig zijn op het dekzand. Dat er geen vondsten in situ bekend zijn uit deze periode wordt verklaard door de relatief diepe ligging van deze resten waardoor de onderzoeksmogelijkheden beperkt zijn. Bovendien kan de top van het dekzand geërodeerd zijn waardoor eventuele bewoningssporen verdwenen zijn.
4.2 Neolithicum en Bronstijd: de eerste boeren In het Vroeg en (aan het begin van) het Midden Neolithicum vond met name kortstondige bewoning plaats waarbij voornamelijk sprake was van een bestaan als jager-verzamelaar. De jagers-verzamelaars trokken rond in het ritme van de seizoenen en verbleven slechts tijdelijk op een bepaalde plaats in kleine kampementen. Sporen van dergelijke jagerskampen, met resten van kampvuren (houtskool, verbrand bot, verbande leem) en concentraties van vuurstenen werktuigen en afval zijn op het grondgebied van de drie gemeenten niet aangetroffen. In de loop van het Midden Neolithicum vond een overgang plaats van een samenleving van jagersverzamelaars naar een samenleving van landbouwers. Vanaf deze periode kregen de verblijfplaatsen een meer permanent karakter. Daarnaast was er sprake van een geleidelijke bevolkingstoename. De nederzettingen werden groter en de diversiteit aan activiteiten nam toe (Rietkerk, 2007). Met name het duin- en strandwallengebied vormde een aantrekkelijke bewoningslocatie in het Neolithicum. De strandwallen waren uitermate geschikt voor bewoning en konden deels worden gebruikt om akkerbouw te plegen en in het nattere achterland werd het vee geweid, vis gevangen en op wild gejaagd.
In het plangebied en in de directe omgeving zijn diverse vindplaatsen uit het Midden en Laat Neolithicum bekend, die allemaal op de strandwallen zijn aangetroffen. Een voorbeeld van een nederzetting daterend vanaf het Midden Neolithicum is de vindplaats Noorthey in de Veenzijdse Polder in Leidschendam (catalogusnummer 136). Ook in de Prinsenhof zijn tijdens opgravingen in 1963 en 1964 bewoningsresten aangetroffen die zijn toe te schrijven aan een latere fase van de Vlaardingencultuur (Glasbergen e.a., 1967; catalogusnummers 145, 147 en 148). Ten
33
RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
zuidwesten hiervan zijn paalsporen en greppels aangetroffen, die waarschijnlijk tot de noordwestelijke periferie van een nederzetting behoren (Leijnse, 2004; catalogusnummer 168). Ook zijn in het plangebied resten aangetroffen van akkers uit het Neolithicum en de Bronstijd. In Voorschoten zijn op de locatie ‘De Donk’ akkerlagen met eergetouwsporen aangetroffen. Op basis van 14C-dateringen van houtskool uit deze ploegsporen worden de sporen in de Midden Bronstijd gedateerd (Van Veen, 1988; catalogusnummer 30). In het centrum van Leidschendam zijn aanwijzingen aangetroffen voor de aanwezigheid van een akkerlaag (catalogusnummer 152). Hierin zijn fragmenten houtskool en gebroken kwarts gevonden. De bijbehorende nederzetting is nog niet aangetroffen, maar moet mogelijk ten westen van het akkercomplex gezocht worden (Smit, 2006). Ook in Wassenaar zijn op de Waalsdorpervlakte ploegsporen en een akkerlaag uit de periode Neolithicum-Bronstijd aangetroffen (Kruidhof, 2007; catalogusnummer 124). Een opmerkelijke vindplaats is aangetroffen in het Weteringpark in Wassenaar (catalogusnummer 126). Het gaat om een rechthoekige kuil van 3 x 3,5 m die de skeletresten van twaalf individuen bevatte. Uit deze kuil is naast enkele kleine vuursteenafslagen een gesteelde spits met weerhaken geborgen.
Deze spits is afkomstig uit de borstkas van een van de begraven individuen en dateert uit de Vroege Bronstijd. Deze groepsbegraving wijkt sterk af van andere, uit de omgeving bekende, begravingen uit deze periode (Jungerius & Smits, 1988). Deze vindplaats is niet op een strandwal aangetroffen, zoals de bovengenoemde vindplaatsen van bewoning en landgebruik, maar op een geïsoleerde duinenrij op een zandrug in de strandvlakte. In totaal zijn in het plangebied 34 vindplaatsen bekend uit de periode Neolithicum-Bronstijd. In de helft van de gevallen gaat het echter om losse vondsten. Het betreft vondsten van één of enkele vuurstenen afslagen, van enkele fragmenten prehistorisch aardewerk of van vuurstenen werktuigen, die niet gerelateerd kunnen worden aan een nederzetting of aan een akkercomplex. Deze vondsten kunnen duiden op een nog niet ontdekt nederzettingsterrein in de omgeving, of ze kunnen samenhangen met off-site activiteiten op die locatie zoals jacht en houtkap. Deze losse vondsten vormen daarmee een indicatie voor bewoning en menselijke activiteit in die periode in de (directe?) omgeving.
4.3 IJzertijd en Romeinse tijd Ook in de IJzertijd werd in het gebied gewoond. Op basis van de nederzettingsstructuur en het grafritueel wordt aangenomen dat men in kleine gemeenschappen leefde met een weinig complexe structuur (Dijkstra, 2011). Nog steeds vormde het hooggelegen en droge Oude Duinlandschap een aantrekkelijke locatie voor bewoning. Bovendien werd vanaf het begin van de IJzertijd ook bewoning langs zogenaamde veenontwateringsstroompjes in het veengebied mogelijk. Mogelijk werd het veengebied eerst nog seizoensgebonden gebruikt, bijvoorbeeld voor het weiden van vee, het produceren van zout, voor de jacht en het verzamelen van voedsel. Bewoning op het veen in deze periode is vastgesteld in de Starrenburger in Voorschoten. Hier werd tijdens de aanleg van de rivierwatertransportleiding een woonplaats uit de Vroege IJzertijd aangetroffen (Mulder, 1998; catalogusnummer 38). Deze woonplaats is door middel van een proefsleuvenonderzoek onderzocht. Mogelijk betreft het een boerderij (een woonstalhuis), maar er kan ook gedacht worden aan een tijdelijke verblijfplaats voor het weiden van vee of het winnen van zout. Vanwege het ontbre-
34
RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
ken van vondstmateriaal uit de periode na de Vroege IJzertijd wordt aangenomen dat de woonplaats waarschijnlijk aan het einde van de Vroege IJzertijd weer is verlaten (Mulder, 1998). In de Midden IJzertijd verslechterden de omstandigheden in het veengebied door een hernieuwde invloed vanuit de zee. Hierdoor werden de bewoningsmogelijkheden minder en trok men zich waarschijnlijk terug op de strandwallen (Rietkerk, 2007). In de Late IJzertijd werd het veengebied wederom bewoonbaar. In de Romeinse tijd is het Zuid-Hollandse kustgebied tamelijk dichtbevolkt geweest. Het grootste deel van de nederzettingen bestond net als in de IJzertijd uit enkele woonstalboerderijen bij elkaar. Na de inlijving van het gebied in het Romeinse Rijk werd het als militaire zone ingericht. Langs de zuidelijke oevers van de Oude Rijn liep de Romeinse rijksgrens (limes). De grens werd versterkt met forten (castella) waartussen op min of meer regelmatige afstanden wachttorens werden geplaatst. Deze forten en wachttorens werden met elkaar verbonden door middel van een weg, de limesweg (via militaris). Rond 47 na Chr. begon veldheer Gnaeus Domitius Corbulo met de aanleg van een waterverbinding tussen de Rijn en de Maas.
Het doel van het graven van het zogenoemde Kanaal van Corbulo (Fossa Corbulonis) was de aanleg van een veiligere vaarroute tussen de Rijn en de Maas, zodat de Romeinse troepen niet langer over de Noordzee hoefden te varen. Bovendien bevorderde het kanaal de communicatiemogelijkheden in het gebied. Het kanaal is op meerdere plaatsen in het plangebied aangetoond (catalogusnummer 153) en loopt globaal van Leiden naar Naaldwijk. Hoewel de eigenschappen van het kanaal op de verschillende locaties varieert, kan worden gesteld dat het kanaal circa 8 tot 14 m breed en circa 2 m diep was (Jansen, Briels & Kloosterman, 2011). De bodem van het kanaal was vlak en op enkele plaatsen waren de oevers beschoeid met houten palen. Uit onderzoek dat de afgelopen jaren is uitgevoerd, blijkt dat delen van het kanaal daadwerkelijk zijn uitgegraven en dat daarnaast ook natuurlijke waterlopen in het tracé gebruikt zijn. Deze natuurlijke waterlopen zijn overigens wel kunstmatig opengehouden (De Jager, 2001). De exacte loop van het kanaal is nog steeds onderwerp van studie. Op basis van de gedane waarnemingen van het kanaal kan een reconstructie gemaakt worden. Vanuit Leiden volgt het kanaal eerst de loop van het Rijn-Schiekanaal en vervolgens de loop van de huidige Vliet in de richting van Leidschendam. Voor dit gedeelte van het kanaal is waarschijnlijk gebruikgemaakt van een bestaande kreek.
Ter hoogte van Leidschendam is dat niet het geval en is aangetoond dat het kanaal gegraven is. Bij de aanleg van de wijk Rietvink is een 13 m brede en 3 m diepe, in het veen uitgegraven gracht aangetroffen. Ten zuiden van Leidschendam verdwijnt het kanaal weer in een kreek. Hoe dit zuidelijke deel van het Kanaal van Corbulo verliep, is nog niet duidelijk. Mogelijk maakte het gebruik van het Gantelsysteem om uiteindelijk in de Maas uit te komen, maar een andere mogelijkheid is dat het kanaal langs Forum Hadriani in de richting van Naaldwijk liep. Mogelijk heeft langs (delen van) het kanaal een jaagpad gelopen (Jansen, Briels & Kloosterman, 2011). Hier zijn mogelijk aanwijzingen voor aangetroffen (catalogusnummer 181). Naast een mogelijke weg langs het Kanaal van Corbulo wordt ook vermoed dat er een (militaire) weg langs de kust liep die diverse wachtposten met elkaar verbond. Van deze kustweg zijn, buiten waarnemingen rond een in Ockenburgh (Den Haag) aangetroffen wachtpost, verder geen waarnemingen bekend (Jansen & De Visser, 2003).
35
RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
Op een gunstige en centraal gelegen plaats langs het Kanaal van Corbulo werd de districtshoofdstad van De Cananefaten ingericht (Dijkstra, 2011). Aanvankelijk heette het plaatsje Municipium Cananefatium. Na de troonsbestijging van keizer Hadrianus in 117, mogelijk na een bezoek van de keizer aan Germanië en Brittannië in 121/122, werd de naam veranderd in Forum Hadriani (catalogusnummer 153). De stad werd in eerste instantie waarschijnlijk omgeven door een gegraven gracht of greppel. Later werd binnen deze gracht een stenen stadsmuur gebouwd. Buiten de eerste gracht werd waarschijnlijk gelijktijdig met het bouwen van de stadsmuur een tweede gracht gegraven (De Jonge, Bazelmans & De Jager, 2006). Na de vaststelling van de begrenzing van de stad werd de stadsindeling bepaald. De richting van de straten en zijstraten werd nauwkeurig bepaald en een planmatig wegenstelsel werd volgens Romeinse maatvoering aangelegd (De Jonge, Bazelmans & De Jager, 2006). De hoofdwegen werden voorzien van een zuilengalerij. Ook werden verschillende openbare gebouwen en huizenblokken gebouwd. De groei van de stad ging door tot circa 270 na Chr., waarna het belang van de stad minder werd door het uiteenvallen van het Romeinse Rijk. In totaal zijn op het grondgebied van de drie gemeenten 68 vindplaatsen bekend, die met zekerheid in de periode IJzertijd-Romeinse tijd gedateerd kunnen worden.
Ook voor deze periode geldt dat het in iets meer dan de helft van de gevallen om losse vondsten gaat; daarbij vooral om concentraties van enkele scherven aardewerk (zowel gedraaid als handgevormd).
4.4 De Vroege Middeleeuwen Op basis van recente onderzoeken is duidelijk geworden dat de bewoning in de regio sterk afnam. Waarschijnlijk trok de bevolking, na het wegvallen van het Romeinse gezag, grotendeels weg uit het gebied. Wat hiervan precies de oorzaak is geweest, blijft onduidelijk, mogelijk heeft het te maken gehad met de politieke chaos in de Laat Romeinse tijd, de economische instabiliteit, uitputting van de landbouwgronden en epidemieën. Ook kan een combinatie van deze factoren hebben geleid tot afname van de bevolkingsaantallen. In ieder geval leidde de afname van bewoning tot een toename van de bebossing van het duin- en strandwallenlandschap (Dijkstra, 2011). Aangenomen wordt dat het gebied niet geheel verlaten was in de Vroege Middeleeuwen. Dit blijkt onder meer uit enkele archeologische vondsten en uit de overlevering van toponiemen van plaats- en waternamen met een prehistorische en Romeinse oorsprong. Uit de verspreiding van archeologische vindplaatsen uit de merovingische periode blijkt dat de bewoning zich vooral concentreerde rond de monding van de Oude Rijn, van oudsher een belangrijke verkeersader. Het is opvallend dat de merovingische vindplaatsen worden gevonden ter plaatse van de nederzettingen uit de Romeinse tijd. Dit kan mogelijk duiden op een bepaalde mate van bewoningscontinuïteit.
Waarschijnlijk kan onder andere de vondst van een vroege kogelpot (catalogusnummer 198) nabij de stadsmuur van Forum Hadriani erop duiden dat op deze locatie ook in de Vroege Middeleeuwen bewoning heeft plaatsgevonden. In de Karolingische periode lijkt het aantal nederzettingen weer wat toe te nemen (Rietkerk, 2007). De aangetroffen vindplaatsen in het gebied illustreren het bovengeschetste beeld. Er zijn slechts 12 vindplaatsen bekend die in de Vroege Middeleeuwen gedateerd kunnen worden. Van deze 12
36
RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
vindplaatsen gaat het in vijf gevallen om ‘losse vondsten’ van fragmenten aardewerk. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat deze kleine hoeveelheid bekende vindplaatsen uit de Vroege Middeleeuwen mogelijk niet alleen wordt veroorzaakt door de lage bevolkingsdichtheid, maar ook door een lacune in het onderzoek. Aangenomen wordt dat de leefwijze in deze periode zich het beste laat vergelijken met die van de Late IJzertijd. De woningen waren weer van vergankelijk materiaal en het aardewerk werd met de hand gemaakt. Dit lokaal gemaakte aardewerk is slecht te herkennen en te dateren. Er moet dus rekening mee worden gehouden dat sporen en vondsten die ooit als inheems-Romeins zijn geïnterpreteerd mogelijk van latere datum kunnen zijn. Een andere oorzaak van de schaarste aan bekende vindplaatsen uit de Vroege Middeleeuwen kan zijn dat de belangrijkste woongebieden in latere eeuwen deels zijn opgeruimd door de zee en deels door de Jonge Duinen zijn overstoven. Nog in de Late Middeleeuwen zijn dorpen door de Jonge Duinen overstoven. Een bekend voorbeeld is Berkheide in het noorden van de gemeente Wassenaar. Dit dorp is in 1396 gesticht en wordt in 1548 voor het laatst vermeld. Waar eens dit dorp gelegen moet hebben (vindplaatscatalogusnummers 70 t/m 72; zie kaartbijlage 1) ligt nu een waterwingebied in de (jonge) duinen (http://www.kustgids.nl/berkheide/).
4.5 Ontwikkeling vanaf de Late Middeleeuwen De mens woonde al sinds de Prehistorie op de strandwallen, waar akkers werden aangelegd. In de loop van de Middeleeuwen werden de eerste duinen ten behoeve van de zandwinning afgegraven en op de strandwallen ontstonden bouwlanden. Deze relatief hoge en droge bouwlanden worden aangeduid met de term ‘geestgronden’. Aan de randen van de geestgronden, dus aan de randen van de strandwallen, lagen de wegen, waarlangs ook de boerderijen, en later ook de dorpen, kwamen te liggen. De lage, drassige gronden buiten de strandwal, de zogenaamde ‘broeklanden’, werden gebruikt als weiland. Meestal ontstonden dorpen op de plaats waar twee wegen bij elkaar kwamen. Omdat de structuur van de dorpen veelal voor de kerstening al vast lag, is het vaak gebeurd dat de kerk pas later werd toegevoegd en dus aan de rand van het dorp kwam te liggen.
Ontginningen Tot de 9e eeuw was het veengebied binnen de gemeenten van het Pact van Duivenvoorde nog dun bevolkt. De ontwatering van het gebied verliep op natuurlijke wijze. De nederzettingen concentreerden zich op de strandwallen, aan de mondingen van veenriviertjes of op de hoge gronden langs de Oude Rijn. In de 9e eeuw kwam hierin verandering toen de eerste grote ontginningen begonnen. Dat deze ontginningen zo vlot verliepen, kwam onder andere door de groei van de bevolking en uitbreiding van het landbouwareaal. Deze versterkten elkaar: een toenemend aantal arbeidskrachten kon worden ingezet voor de ontginningen en vervolgens bood de opbrengst van het ontgonnen land weer ruimte voor verdere bevolkingsgroei. Daarnaast zorgden inbraken langs de kust en de vorming van de Zuiderzee voor betere afwateringsmogelijkheden (Tielhof e.a., 2006). De eerste ontginningen begonnen aan de randen van het veen. Vanaf de oevers van de rivieren en de strandwallen werden blokken, verdeeld in smalle evenwijdige stroken uitgezet. Op de kop van de percelen kwam de boerderij te staan. Aan de achterzijde van het blok werd vaak een kade aan-
37
RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
gelegd om toestroom van water vanuit het hoger gelegen onontgonnen veenkussen te voorkomen. De boerderijen in de meeste oudste ontginningen hadden het recht van vrije opstrek. In eerste instantie werd alleen het gebied direct achter de boerderij ontgonnen en bleef het gebied achter de kade in collectief gebruik. Wanneer er behoefte was aan nieuwe landbouwgrond werd de ontginning aan de achterzijde verlengd en de kade naar achteren verlegd. Zo ontstond een karakteristiek verkavelingspatroon van kilometers lang opstrekkende percelen. De oudste nederzettingen die samenhangen met de aanvang van de grote ontginningen in de periode 900-1000 na Chr., lagen dus op de strandwallen en de oevers van de Oude Rijn. In de gemeenten van het Pact van Duivenvoorde liggen deze strandwallen aan weerszijden van de huidige N44 tussen Den Haag en Leiden en aan weerszijden van de N447 tussen Voorburg en Voorschoten. Veel namen van de oudste boerderijen verwijzen naar de droge, hooggelegen strandwallen, zoals Langenhorst, Eikenhorst, Zandhorst en Klein Landenhorst. De oevers van de Oude Rijn liggen ten noorden van de gemeentegrenzen. De veengebieden ten noordwesten van Voorschoten waren feitelijk geïsoleerde strandvlaktes die met veen waren opgevuld. Met het ontwateren van het gebied door middel van sloten, zette de bodemdaling in.
Tussen de hooggelegen strandwallen en de onontgonnen veenkoepels ontstonden laagtes. Om deze te kunnen ontwateren werden parallel aan de ontginningsas weteringen of wateringen gegraven, zoals de Veenwatering en de Voorwatering. Vanaf de 10e-11e eeuw getuigen nieuwe nederzettingsvormen zoals mottes, kastelen en versterkte hoeven van een toenemende feodalisering. Al dan niet adellijke grootgrondbezitters namen een overheersende positie in. Rond 1200 stopten de ontginningen. Reden hiervoor was het dichtslibben van de Oude Rijnmonding als gevolg van de afdamming van de Oude Rijn in 1122 bij Wijk bij Duurstede, waardoor de afwatering verslechterde. Nieuwe afwateringsmogelijkheden moesten worden gezocht en werden gevonden door de hoofduitwatering te verleggen naar het noorden, via het Spaarne (Tielhof e.a., 2006). Doordat recent de Zuiderzee en het IJ waren gevormd kon het water nu hierop worden geloosd. Deze oplossing bleek niet ideaal. Het zeeniveau en daarmee het waterpijl in het IJ kwam steeds hoger te staan. Daarnaast daalde het maaiveld door de onttrekking van water uit het veen, waardoor delen van Rijnland onder het niveau van het buitenwater zakten. Een derde probleem vormde de ontginning van de veengebieden tussen de duinen, waarbij de afwatering werd aangesloten op de boezem van Rijnland.
Turfwinning Door de verslechterde afwateringsmogelijkheden was landbouw minder goed mogelijk en werd gezocht naar andere inkomstenbronnen. Deze werden gevonden in de turfwinning. Dit gebeurde al eeuwen op kleine schaal, maar werd vanaf de 14e eeuw op commerciële wijze ter hand genomen (Tielhof e.a., 2006). Het afgegraven veen vond een afzetmarkt in de industriële centra in Holland, Vlaanderen en Brabant. De verveningen hadden grote invloed op de waterhuishouding. Het Hoogheemraadschap Rijnland trachtte met keuren de grote waterstaatkundige werken, zoals de landscheidingen en oevers van meren te behouden. Een systematisch toezicht ontbrak echter,
38
RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
waardoor grote delen land veranderden in water. Bovendien zorgden opstuwing en golfslag bij stormachtig weer voor afkalving van de oevers. Vanaf de 15e eeuw verschenen de eerste windmolens in het Hollandse landschap. De eerste molens verschenen aan de oevers van de Oude Rijn, waar het veenpakket het dunst was en maaivelddaling het eerst problemen opleverden. Vanaf de eerste helft van de 16e eeuw werden ook molens geïntroduceerd in de venige polders tussen de strandwallen (Tielhof e.a., 2006). De bemaling zorgde voor een kettingreactie: door bemaling op de ene plaats ontstonden problemen in niet bemalen veengebieden, die vervolgens ook tot bemaling moesten overgaan. In de 16e eeuw stegen de turfprijzen en lagen de lonen laag waardoor een meer arbeidsintensieve vorm van turfwinning lucratief werd: slagturfen, waarbij metersdiepe veenlagen werden opgebaggerd. Voor kleine boerenbedrijven was dit een gunstige tijd. Zij verveenden hun slechtste veengrond en behielden hun beste land en verbeterden dit door het opbrengen van grond.
Droogmakerijen De ‘verslagturfde’ gebieden lagen vooral rond de Zoetermeersche Meerpolder. Hier was al een groot deel van het veen verwijderd. Op grote diepte was echter nog veen over wat door de aanleg van een zogenaamde ‘Generale Bepoldering’ kon worden gewonnen (Tielhof e.a., 2006). Na de bepoldering werd het resterende veen gewonnen en de plas die overbleef drooggemaakt. In 1668 ontstond zo de Driemanspolder en in 1771 de Drooggemaakte Grote Polder. Ook andere polders verdwenen in grote plassen die later werden drooggemaakt. De Starrevaartsepolder en Damhouderspolder werden in 1759 drooggemaakt, de Gecombineerde Huiszitters en Meeslouwerpolder in 1850, de Kleine Blankaardpolder in 1867 en de Kleine Westeindse Droogmakerij in 1883.
Nieuwe polders In de 17e eeuw was op veel plaatsen het veen zo ver ingeklonken dat natuurlijke afwatering niet meer mogelijk was en polders moesten worden ingericht. Een dergelijke inrichting omvatte vaak de aanleg van dijken, het graven van weteringen, het plaatsen van schutten en een locatiekeuze voor een molen (Tielhof e.a., 2006). Tussen 1627 en 1634 werd een groot aantal polders aangelegd tussen Voorschoten en Wassenaar, waaronder de Duivenvoordse Polder en Papewegsepolder. Later in de periode 1673-1675 volgde de Oranjepolder. Ook de meeste polders ten zuidoosten van Voorschoten zijn in deze periode gesticht. Een groot deel hiervan is echter hierna verveend en drooggemaakt.
39
RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
40
RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
5 De archeologische verwachtingskaart
5.1 Archeologische verwachtingen Archeo-landschappelijke eenheden Aan de hand van de landschappelijke ontwikkeling en de bewoningsgeschiedenis kunnen voor de gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar een aantal ‘archeologische landschappen’ worden onderscheiden. Deze vormen de basis voor de archeologische verwachtingskaart (kaartbijlage 4): • het post-middeleeuwse landschap van de Jonge Duinen, dat vooral belangrijk is omdat het er onder liggende landschap van Strandwallen en Oude Duinen met een dik pakket duinzand heeft afgedekt. • het strandwallenlandschap, dat bewoonbaar was vanaf het Midden Neolithicum en dat goede bewoningscondities bood tot op de dag van vandaag. • droogmakerijen en polders , waar het oude kwelderlandschap door het verdwijnen van het veen weer aan de oppervlakte is komen te liggen en waar het afdekkende veenlandschap (het ‘bovenland’) deels nog intact is. Op ruggen van getijdengeulen en kreken kan tot ongeveer het Midden Neolithicum zijn gewoond. Daarnaast zullen plaatselijk vanuit het strandwallengebied opgewaaide duinen aantrekkelijke woonplaatsen geweest zijn, eveneens tot net Midden Neolithicum. Na die tijd wordt het gebied weer bewoond vanaf het moment dat het inmiddels grotendeels verdwenen veengebied wordt ontgonnen. Dat is in de loop van de Middeleeuwen.
Enkele delen van het veengebied zijn in de vorm van ‘bovenland’ nog intact gebleven. Bij de laatste twee genoemde landschappen heeft de invloed vanuit de Oude Rijn in het noorden en die van de Maas in het zuiden gezorgd voor enkele landschappelijke subeenheden waar rekening gehouden moet worden met (peri-)mariene invloed. Binnen deze drie landschappen worden 14 archeo-landschappelijke eenheden onderscheiden die elk een andere archeologische verwachting hebben. Het strandwallenlandschap 1. Ongeschonden Oude Strandwallen en Duinen 2. Afgegraven Oude Duinen met diep ontkalkte profielen 3. Afgegraven Oude Duinen met ondiep ontkalkte profielen 4. Strandvlakte, afgedekt met klei (vanuit de Oude Rijn of de Maas) en veen 5. Strandwalflank, afgedekt met veen en eventueel klei (vanuit de Oude Rijn of de Maas) 6. Strandvlakte, eventueel met al of niet afgedekte Oude Duinen 7. Tot zeer diep verstoorde percelen
41
RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
Het kwelderlandschap en het bovenland 1. Komgebieden van het kwelderlandschap 2. Getijdengeul- en kreekruggen van het kwelderlandschap 3. Met (rest)veen afgedekt kwelderlandschap 4. In het kwelderlandschap ingewaaide duinen, eventueel afgedekt 5. In het bovenland diep, tot in het kwelderlandschap, ingesneden, en later weer opgevulde, geulen (vanuit de Oude Rijn of de Maas) 6. Ondiep in het bovenland ingesneden geulen en oeverafzettingen van deze geulen (vanuit de Oude Rijn of de Maas) Het jonge duinenlandschap 7. Jonge Duinen
Verwachtingsmodel Voor de perioden tot en met de Middeleeuwen is het verwachtingsmodel gebaseerd op het gegeven dat vooral landschappelijke factoren bepalen waar mensen zich het liefst vestigen. Aan de bovenstaande landschappelijke eenheden is op basis daarvan een verwachting toegekend. Dat betekent dat het begrip ‘archeologische verwachting’ automatisch wordt versmald van ‘de verwachting op materiële overblijfselen van menselijke activiteiten’ naar ‘de verwachting op materiële overblijfselen van menselijke bewoning’. Dit heeft te maken met het feit dat resten van bewoning systematisch en effectief kunnen worden opgespoord. Andere menselijke activiteiten zijn doorgaans in ruimte en/of tijd zo beperkt, dat gerichte opsporing praktisch vaak niet mogelijk is of leidt tot in verhouding grote arbeidsinzet en hoge kosten. De locatie van menselijke bewoning is echter goed te voorspellen aan de hand van een aantal eenvoudige uitgangspunten: mensen vestigen zich het liefst op plekken die hoog en droog liggen en vaak op een overgang van twee (of meer) ecosystemen, omdat dat maximale gelegenheid biedt op het vinden van voedsel. Landbouwers vestigen zich bovendien bij voorkeur op grond die vruchtbaar en makkelijk bewerkbaar is.
wat tòt de uitvinding van de keerploeg in de twaalfde eeuw betekent dat zandige gronden de voorkeur hebben boven kleigronden en relatief drogere gronden boven natte en drassige. Dat betekent dat alle plekken in het landschap die relatief hoger en zandiger zijn, werken als een ‘mensenmagneet’. De inventarisatie van bekende vindplaatsen kan dienen als ‘check’ voor de opgestelde verwachting, al kleeft hieraan een caveat: de populatie aangetroffen vindplaatsen is niet noodzakelijk een representatieve afspiegeling van de in de bodem aanwezige vindplaatsen. In het grondgebied van de drie gemeenten is het gebied van de Jonge Duinen een goed voorbeeld. Deze hebben zelf een lage verwachting en zijn niet rijk bezaaid met archeologische vondsten, maar we weten dat het een ouder landschap afdekt waarvan, op grond van bekende gegevens uit het gebied waarin dit landschap dichter aan de oppervlakte ligt, moet worden aangenomen dat het een zeer hoge archeologische verwachting heeft. Andersom is bijvoorbeeld op grond van bovenstaand verwachtingsmodel een middelhoge verwachting toegekend aan hoge, droge en zandige ruggen van fossiele getijdengeulen in het kwel-
42
RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
dergebied achter (ten zuidoosten van) het landschap van strandwallen. Uit de inventarisatie van bekende vindplaatsen komt echter geen beeld naar voren van een rijke bewoningsgeschiedenis op deze kwelderruggen. Dat kan komen omdat er nooit naar gekeken is, maar het vermoeden kan ook worden geformuleerd dat de mens in de Prehistorie deze ruggen nooit (interessant genoeg) heeft gevonden. Al met al is dit reden geweest deze ruggen in het beleid anders te behandelen dan op grond van de verwachting kon worden verwacht. Een tweede belangrijke punt ten aanzien van de archeologische verwachting is de verstoring van de in de bodem aanwezige resten door latere activiteiten. Bouwputten, zandwinning, diepploegen en diverse andere bodemingrepen kunnen soms uit historische gegevens worden gelokaliseerd. Op deze plekken kan niet alleen een uitspraak gedaan worden over de oorspronkelijke archeologische verwachting, maar ook over de actuele. Hieronder is onder ‘landschappelijke eenheden en hun verwachtingen’ de toepassing van bovenstaande principes per landschappelijke eenheid uitgewerkt en toegelicht.
Archeologische verwachtingzones Aan de verschillende archeo-landschappelijke eenheden is een archeologische verwachting toegekend. De verschillende verwachtingzones hebben verschillende implicaties: • in zones met een zeer hoge of hoge archeologische verwachting wordt de hoogste dichtheid aan archeologische vindplaatsen (m.n. nederzettingsterreinen) verwacht; • in zones met een middelmatige archeologische verwachting worden archeologische vindplaatsen verwacht, maar in een lagere dichtheid dan in de zones met een hoge archeologische verwachting; • in zones met een lage of zeer lage archeologische verwachting wordt de kans op het voorkomen van archeologische vindplaatsen respectievelijk klein of zeer klein geacht. Wel dient opgemerkt te worden dat de aanwezigheid van archeologische resten niet kan worden uitgesloten. Archeologen zouden graag zien dat aanduidingen als ‘hoog’, ‘gemiddeld’ en ‘laag’ gekwantifceerd kunnen worden in termen van de verwachte dichtheid van archeologische vindplaatsen. Dergelijke kwantificeringen zijn tot dusverre mogelijk gebleken op basis van één landschappelijke bron. De landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) bijvoorbeeld, is in eerste aanleg gebaseerd op de Bodemkaart van Nederland 1:50.000.
De kwantificering van de verwachting is opgesteld aan de hand van de dichtheid van vindplaatsen binnen één archeologische regio -bijvoorbeeld het Hollandse Duingebied- binnen één bepaald bodemtype. ‘Hoog’ stond in de IKAW voor een bepaalde afwijking van de ‘gemiddelde’ vindplaatsdichtheid binnen één bodemtype ten opzichte van de gemiddelde dichtheid binnen de gehele archeoregio. Datzelfde gold voor ‘laag’ (zie bijlage 4 over het ‘inductieve model’). Bij gebruik van twee of meer bronnen wordt een dergelijke exercitie al gauw een methodische nachtmerrie, omdat de verschillende bronnen tegen elkaar afgewogen moeten worden. Dat dient te gebeuren op een kwantificeerbare manier, omdat anders geen kwantitatieve uitspraken gedaan kunnen worden. Omdat bronnen alleen een kwalitatief (bodem, geomorfologie, geologie, relatieve maaiveldhoogte) onderscheid laten zien, is dat zeer discutabel en soms ook nauwelijks zinnig. Bij gebruik van een veelheid aan -landschappelijke-
43
RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
bronnen wordt dan ook vaker vertrouwd op expert judgement inzake het opstellen van een hypothese ten aanzien van de archeologische verwachting (zie bijlage 4 over het ‘deductieve model’). Een mogelijke oplossing is het gebruiken van reeds bekende vindplaatsen om een eerder opgesteld model te ‘toetsen’ (zie bijlage 4 over het ‘hybride model’), maar hieraan kleven wel methodische bezwaren, vooral in gebieden waar de afwezigheid, of lagere dichtheid, van reeds aangetroffen vindplaatsen geen enkel bewijs vormt voor de afwezigheid, of lagere dichtheid, van vindplaatsen (absence of evidence is not evidence of absence). Ongetwijfeld zal dit probleem -na zeer fundamenteel archeologisch onderzoek- in de toekomst nog wel op een bevredigende manier worden opgelost, maar tot die tijd levert het doen van kwantitatieve uitspraken over de verwachte dichtheid aan archeologische vindplaatsen in een bepaalde zone niet per se betrouwbaardere gegevens op. Vandaar dat binnen dit document alleen relatieve uitspraken worden gedaan: ‘hoog’, ‘gemiddeld’ en ‘laag’. Bekende archeologische waarden (zoals AMK-terreinen, historische kernen, ‘losse’ vindplaatsen e.d.) vormen een andere categorie dan archeologische verwachtingszones: archeologische resten zijn immers daadwerkelijk aangetoond en vaak ook al gewaardeerd (§ 6.3). Hierbij kunnen twee kanttekeningen worden gemaakt.
In de eerste plaats blijkt uit een vergelijking van de bewoningsgeschiedenis met de daadwerkelijk bekende archeologische vindplaatsen dat deze laatste een niet geheel representatieve afspiegeling vormt van wat er ooit geweest moet zijn, of nog in de bodem aanwezig is. Dit hangt samen met de sedimentaire opbouw van het landschap in de gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar en de daardoor soms moeilijke ‘vindbaarheid’ van de mogelijk aanwezige archeologische waarden. Diepere archeolandschappelijke eenheden liggen namelijk deels verborgen onder een pakket Jonge Duinen. Het feit dat de perioden voorafgaand aan de Middeleeuwen nauwelijks vertegenwoordigd zijn in het vindplaatsenbestand van het Jonge Duinengebied, wil dus niet zeggen dat deze daar niet aanwezig zijn. Voor conservering van eventuele vindplaatsen is deze ligging juist bijzonder gunstig. Dit is een voorbeeld van een landschappelijke zone waar de absence of evidence-problematiek een grote rol speelt. In de tweede plaats zijn de verschillende archeo-landschappen niet exact in tijd en ruimte af te bakenen. Ze moeten dan ook niet strikt opgevat worden als gescheiden, afzonderlijke eenheden, maar als diachrone landschappen. Een goed voorbeeld is de opeenvolging van de opbouw van strandwallen van oost naar west. De oudste strandwal bevindt zich aan de oostelijke rand van het strandwallengebied.
De meest westelijke moet zich nog onder het pakket Jonge Duinen bevinden, dat is ontstaan nadat de westelijke kustuitbouw zich ‘omdraaide’ en zich richting het oosten weer kustafslag voordeed. Van de duinen die zich op deze laatste strandwal hebben gevormd tijdens dit ‘moment van omkering’ kan eigenlijk niet op zinnige wijze worden bepaald of ze nu tot de Oude of tot de Jonge Duinen behoren; het gaat immers om een conceptueel onderscheid.
44
RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
5.2 Landschappelijke eenheden en hun verwachtingen Het strandwallenlandschap De strandwallen vormden bij uitstek geschikte bewoningsplekken vanwege hun hogere ligging en hun goed bewerkbare, zandige gronden. De archeologische verwachting voor deze strandwallen is echter sterk beïnvloed door de latere zandwinning en afgraving van de zandlichamen. Intacte Oude Duinen komen momenteel nog in de Keukenhof voor, in oude bewoningskernen en onder oude wegen. Ze komen ook nog voor in afgedekte vorm onder de Jonge Duinen. Vrijwel overal elders zijn ze afgegraven. Daarnaast zijn ter wille van de bollenteelt veel percelen omgespoten of tot zeer diep omgezet. Binnen de eenheid ‘strandwal’ kan dan ook een onderscheid worden gemaakt tussen strandwallen die nog intact zijn, strandwallen die zeer diep zijn verstoord en strandwallen die niet al te diep zijn verstoord. Een onderscheid tussen de twee laatste categorieën is te maken op basis van het kalkgehalte. Oud Duinzand is in de loop der eeuwen namelijk onder invloed van neerslag ontkalkt geraakt. Kalkrijk duinzand zit daardoor dieper in het profiel. Bij afgraving van een strandwal tot grotere dieptes komt de kalkrijke zone weer dicht aan het maaiveld te liggen.
Dat wil zeggen dat afgegraven percelen op een strandwal met kalkhoudend of kalkrijk zand aan maaiveld, zodanig diep zijn afgegraven dat alle eventuele archeologische resten daarmee verdwenen zullen zijn. Percelen met een voldoende diep kalkloos profiel zijn echter relatief minder diep afgegraven, waardoor de mogelijkheid bestaat dat eventuele diepere vondsten en sporen nog intact zijn bewaard. Bij een nog intacte strandwal geldt dit uiteraard des te sterker (zie figuur 2). De tussen de strandwallen gelegen strandvlaktes waren in principe niet aantrekkelijk voor bewoning. Ze zijn al snel na vorming ook afgedekt geraakt met veen en soms, onder invloed van getijdenkreken, met klei. Hier geldt een lage archeologische verwachting. Op het bovenstaande zijn twee uitzonderingen te maken. Op de overgang van strandvlakte en strandwal, op de flank van de standwal dus, kon goed worden gewoond. Het bood het extra voordeel van twee ecosystemen naast elkaar: de hogere strandwallen en de lagere, nattere strandvlaktes. Voordeel van deze locatie is bovendien dat de strandwalflanken vaak later afgedekt zijn geraakt door veen en som ook klei. Daardoor is de eventueel aanwezige archeologie beter beschermd, waardoor vondsten en sporen waarschijnlijk niet alleen ongeschonden zijn gebleven, maar naar verwachting ook beter geconserveerd zijn dan elders op de strandwallen.
In de -al dan niet met veen en/of klei afgedekte- strandvlakte vormden zich soms duinen, opgewaaid met zand afkomstig van de strandwallen en Oude Duinen. Ook dergelijke vaak kleinere duintjes vormden goede bewoningsplekken. Deze zijn later weer afgedekt door veen en/of klei en vormen zo een vergelijkbare situatie als de strandwalflanken: mogelijk goed beschermde en goed geconserveerde archeologische resten. Voor het strandwallengebied leidt dit tot het volgende overzicht:
45
RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
Archeo-landschappelijke eenheid
Bewoonbaarheid en verstoring
Verwachting
1.
Ongeschonden Oude Strandwallen en Duinen
hooggelegen, zandig en dus goed bewerkbaar
hoog
2.
Afgegraven Oude Duinen met diep ontkalkte profielen
hooggelegen, zandig en dus goed bewerkbaar, maar verstoord
middelhoog
3.
Afgegraven Oude Duinen met ondiep ontkalkte profielen
hooggelegen, zandig en dus goed bewerkbaar, maar diep verstoord
laag
4.
Strandvlakte, afgedekt met klei en veen
Laaggelegen, drassig of nat en slecht bewerkbaar
laag
5.
Strandwalflank, afgedekt met veen en eventueel klei
Relatief hooggelegen, zandig en dus goed bewerkbaar, bij de grens tussen twee ecosystemen en later afgedekt en dus wellicht beter intact gebleven
hoog
6.
Strandvlakte, eventueel met al of niet afgedekte Oude Duinen
Strandwalvlakte als 4, Oude Duinen (plaatselijk) als 5.
middelhoog
7.
Tot zeer diep verstoorde percelen
Te diep verstoord en dus ongeacht de oorspronkelijke verwachting geen verwachting meer.
geen
Op basis van het beschikbare kaartmateriaal en de geraadpleegde boringenarchieven bleek het niet mogelijk een onderscheid te maken tussen ongeschonden en afgegraven Oude Duinen, en evenmin tussen kalkhoudend en kalkarm Oud Duinzand. In de kaarten zijn de eerste drie eenheden dan ook samen genomen als één eenheid met een hoge verwachting. Verder bleek op basis van de geraadpleegde kaarten geen eenduidige, voor alle kaarten geldige en werkbare, begrenzing te bepalen te zijn tussen strandwal (1), strandwalflank (5) en strandvlakte (6). Daarom is uiteindelijk besloten om de kaarteenheden primair onder te verdelen in tweeën: strandwal en strandvlakte. Vervolgens is op grond van een oude bodemkartering waarin de breedte van de afgedekte strandwalflank zeer goed gekarteerd was (Van der Meer, 1950) steekproefsgewijs bepaald wat de gemiddelde breedte van de flank was. Deze breedte bedroeg circa 90 m met een meetfout van circa 10 m. Rond de eenheid ‘strandwal’ is daarom een buffer van 100 m genomen waaraan de legenda-eenheid ‘strandwalflank’ (5) is toegekend. Deze oplossing is modelmatig en de kritiek ligt dan ook voor de hand dat op concrete plaatsen in het veld de aangegeven strandwalflank niet overeenkomt met de situatie ter plaatse. Een kaart die dit nauwkeuriger dan nu is gebeurd aangeeft, vergt echter uitgebreid veldwerk, en daarin was niet voorzien.
Het kwelderlandschap In de polders en droogmakerijen achter het strandwallengebied ligt een oud kwelderlandschap aan de oppervlakte waarin goed gewoond kan zijn tot het Midden Neolithicum. Dit geldt met name voor de ruggen van getijdengeulen en -kreken. Dit landschap is later overgroeid geraakt met veen waardoor enerzijds de ligging van goed bewoonbare plekken niet meer vastgesteld kan worden zonder veldonderzoek, maar anderzijds de eventueel aanwezige archeologische resten weer wel goed beschermd zijn. Delen van het kwelderlandschap zijn nog afgedekt met ‘bovenland’, veen dat niet als gevolg van de ontginning is verdwenen. Plaatselijk zijn in dit veenlandschap getijdengeulen actief geweest
46
RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
die zich soms tot in het onderliggende kwelderlandschap hebben ingesneden en kleiig sediment hebben afgezet in en naast deze geulen. Waar het bovenland intact is gebleven, zijn deze getijdenafzettingen ook bewaard gebleven. Voor het kwelderlandschap leidt dit tot het volgende overzicht: Archeo-landschappelijke eenheid
Bewoonbaarheid en verstoring
Verwachting
8.
Ruggen van getijdengeulen en -kreken
Iets hoger en zandiger en daardoor mogelijk beter bewoonbaar
middelhoog
9.
Komgebied van het kwelderlandschap
Laag, nat en kleiig en daardoor zeer onaantrekkelijk voor bewoning
laag
10.
Met veen afgedekt kwelderlandschap
Nat en drassig, woeste gronden die niet aantrekkelijk zijn voor bewoning
middelhoog
11.
Ingewaaide duinen (evt. afgedekt)
Lokaal hoge en droge plekken met een zandige en dus goed bewerkbare bodem
hoog
12.
In bovenland en kwelderlandschap ingesneden geulen
Laag en nat, soms zelfs nog watervoerend en dus niet aantrekkelijk voor bewoning
laag
13.
In bovenland ingesneden geulen
Laag en nat, soms zelfs nog watervoerend en dus niet aantrekkelijk voor bewoning
laag
Uitzondering vormen de fossiele ruggen gevormd door reliëfinversie van getijdengeulen en -kreken in het estuariumlandschap van Maas en Oude Rijn. Op basis van de op deze landschappelijke eenheden aangetroffen vindplaatsen moet worden besloten dat deze een hoge verwachting hebben. Grote delen van het kwelderlandschap hebben archeologisch gezien een lage verwachting. Vanaf het moment van inpoldering en in cultuurname echter is het landschap in grote delen vrijwel ongewijzigd gebleven. Ook waar het wel gewijzigd is, is vaak de structuur van het landschap wel bewaard gebleven. Deze landschappen vormen dan ook een waarde van cultuurhistorisch karakter. Dit kan niet vertaald worden in een archeologische verwachting, maar is wel de moeite van het vermelden waard.
Het jonge duinenlandschap De sinds de Middeleeuwen opgestoven Jonge Duinen vormden geen bijster aantrekkelijk bewoningsgebied. Het zand stoof er en de duinen waren bijzonder hoog. Het belang van het Jonge Duinengebied ligt vooral in het feit dat het een ouder landschap van strandwallen, strandvlaktes en Oude Duinen afdekt. Een nadeel van deze hoge duinen is dat vrijwel niets bekend is over het onderliggende Oude Duinen en Strandwallenlandschap, en dan met name het verloop van het reliëf. Bekende boorgegevens in het gebied leveren vaak geen nadere informatie op omdat het lithologisch gezien allebei zandlandschappen zijn. Bij de meeste boringen -toch verreweg het meeste beschikbare materiaal- wordt nauwelijks gelet op zaken als wijzigingen in kalkgehaltes en oude bodemhorizonten en juist die zijn nodig om het scheidingsvlak tussen Oude en Jonge Duinen
47
RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
te herkennen. Ontsluitingen in het Jonge Duinengebied zijn zeldzaam, omdat het immers natuuren waterwingebieden zijn en er niet altijd een geoloog paraat is als er een kelder wordt aangelegd. Onderzoek aan vindplaatsen op het diep begraven Oude Duinlandschap is zeldzaam, maar levert wel aanwijzingen op voor een hoge archeologische verwachting en een goede conservering van vindplaatsen (Van Heeringen & Van der Valk, 1989; Schamp & Schute 2006; Schute, 2011). Om het gebrek aan kennis over de diepteligging van de top van het Oude Duinlandschap te ondervangen, is voor het Jonge Duinengebied een methode gebruikt die is ontwikkeld voor de verwachtingskaart van Katwijk (Schute & Jansen, 2007). Op basis van beschikbare gegevens over de hoogteligging van het landschap van Oude Duinen en Strandwallen is een maximale hoogte bepaald van 5 m +NAP (Van der Valk, 1992). Vervolgens is met behulp van het AHN van het Jonge Duinengebied de maximale ontgravingsdiepte bepaald die vanaf huidig maaiveld mogelijk is, zonder dat de theoretische hoogte van het Oude Duinenlandschap kan worden geraakt. Uiteraard zal in de meeste gevallen het Oude Duinenlandschap lager liggen en dus dieper ontgraven kunnen worden, maar de nu gereconstrueerde ‘veiligheidszone’ is in ieder geval veilig voor het bodemarchief. De kans dat het Oude Duinenlandschap hoger reikt dan 5 m +NAP is theoretisch aanwezig, maar klein.
Voor het gebied van de Jonge Duinen leidt dit tot het volgende overzicht:
14.
Archeo-landschappelijke eenheid
Bewoonbaarheid en verstoring
Verwachting
Jonge Duinen
Onder Jonge Duinen begraven landschap: als het Oude Strandwallen en Duinenlandschap goed bewoonbaar en bovendien afgedekt door een dik, beschermend pakket Jonge Duinen. Jonge Duinen zelf: stuifzand en zo hoog gelegen dat het weer onaantrekkelijk wordt om er te wonen.
hoog beneden 5 m +NAP, daarboven laag
Archeologische verwachting voor de waterbodem Voor de bodem van een aantal waterlopen is een verwachting toegekend op grond van tabel 2. Waterlopen als geheel hebben hierbij een zeer lage verwachting gekregen. Archeologische vondsten in waterlopen zijn doorgaans bijzonder dun gezaaid, enerzijds omdat er niet veel archeologie in terechtkomt, anderzijds omdat waterlopen ten behoeve van de scheepvaart de ongehinderde ontwatering van gronden regelmatig worden opgeschoond en zelfs uitgebaggerd. Waar sprake is van één van de in de tabel genoemde geografische factoren, is sprake van een lage archeologische verwachting. Waar twee factoren een rol spelen, geldt een middelhoge archeologische verwachting en bij drie een hoge. Het resultaat is afgebeeld op kaartbijlage 4. Voor de verwachting op de Noordzee is aangesloten bij het meest recente onderzoek ten aanzien van de maritieme archeologische verwachting langs de Nederlandse kust (Schoon, 2011). Op basis van dit onderzoek moet worden geconcludeerd dat het gehele gebied van de Noordzee dat binnen de gemeentegrenzen valt, een hoge archeologische verwachting heeft voor de periode vanaf de Midden Bronstijd voor wat betreft de archeologie van bewoning en gebruik als ‘land’. De