CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

2984-77 Bijlage 74 toelichting, Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Raadsvergadering 17 januari 2023, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel :Vaststellen herstelbesluit bestemmingsplan Stedelijk31.816 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Bijlage: 74 6500 voor Chr.

R A P P O R T

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie)

Gemeenten LeidschendamVoorburg, Voorschoten en Wassenaar

3750 voor Chr.

Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart 2200 voor Chr.

700 voor Chr.

150 na Chr.

320 na Chr.

Archeologisch

Adviesbureau 250 na Chr.

1650 na Chr.

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie)

Gemeenten LeidschendamVoorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

drs. R.A.C. Kroes, drs. K. Wink, J. Sprangers MSc, ir. G.H. de Boer, S. van der Veen MA, drs. P. Kloosterman, drs. I.A. Schute & drs. E. van der Laan

RAAP Archeologisch Adviesbureau BV, 2013

Colofon Opdrachtgever: Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Titel: Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar; een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Status: herziene eindversie Datum: 19 februari 2013 Auteurs: drs. R.A.C. Kroes, drs. K. Wink, J. Sprangers MSc, ir. G.H. de Boer, S. van der Veen MA, drs. P. Kloosterman, drs. I.A. Schute & drs. E. van der Laan Projectcode: PAVW Bestandsnaam: RA2636_PAVW.indd Projectleider: drs. R.A.C. Kroes Projectmedewerkers: S. van der Veen MA, drs. H. Abrechi, drs. J.A. Schenk, drs. K. Anderson, N.L.A. Conradi MA ARCHIS-vondstmeldingsnummers: niet van toepassing ARCHIS-waarnemingsnummers: niet van toepassing ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummer: niet van toepassing Autorisatie: drs. I.A. Schute Bevoegd gezag: gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar

ISSN: 0925-6229

RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. Leeuwenveldseweg 5b 1382 LV Weesp Postbus 5069 1380 GB Weesp

telefoon: 0294-491 500 telefax: 0294-491 519 E-mail: raap@raap.nl

© RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2013 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Inhoud

1 Inleiding ............................................................................................................................................ 7 1.1 Kader en doelstelling ........................................................................................................................ 7 1.2 Onderzoeksgebied ............................................................................................................................ 8 1.3 Leeswijzer ........................................................................................................................................ 8 1.4 Verantwoording .............................................................................................................................. 10

2 Het opstellen van de archeologische verwachtingskaart ........................................... 13 2.1 Algemeen ....................................................................................................................................... 13 2.2 Onderzoeksopzet en -fasering ........................................................................................................ 13 2.3 Toelichting op de landschappelijke inventarisatie ............................................................................. 14 2.4 Toelichting op de archeologische inventarisatie ............................................................................... 19 2.5 Toelichting op de historisch geografische inventarisatie ................................................................... 22 2.6 Toelichting op de beleidsadvieskaart ............................................................................................... 24

3 Landschappelijke ontwikkeling ............................................................................................. 27 4 Bewoningsgeschiedenis .......................................................................................................... 33 4.1 Laat Paleolithicum en Mesolithicum: jagers-verzamelaars ................................................................ 33 4.2 Neolithicum en Bronstijd: de eerste boeren ...................................................................................... 33 4.3 IJzertijd en Romeinse tijd ................................................................................................................ 34 4.4 De Vroege Middeleeuwen ............................................................................................................... 36 4.5 Ontwikkeling vanaf de Late Middeleeuwen ...................................................................................... 37

5 De archeologische verwachtingskaart ............................................................................... 41 5.1 Archeologische verwachtingen ........................................................................................................ 41 5.2 Landschappelijke eenheden en hun verwachtingen ......................................................................... 45 5.3 Verstoringen ................................................................................................................................... 49

6 Beleidsadvieskaart (vervallen) .............................................................................................. 51 Literatuur .............................................................................................................................................. 53 Lijst van archeologische onderzoeks-rapporten .................................................................. 59 Gebruikte afkortingen ..................................................................................................................... 75 Verklarende woordenlijst ............................................................................................................... 75 Overzicht van figuren, tabellen en (kaart)bijlagen ............................................................... 77

5

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Bijlage 1: Catalogus van archeologische vindplaatsen ..................................................... 79 Bijlage 2: Catalogus van archeologische monumenten .................................................... 81 Bijlage 3: Catalogus van archeologische onderzoeksgebieden .................................... 83 Bijlage 4: Achtergrond archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart ........ 85 Bijlage 5: De AMZ-cyclus op land ............................................................................................... 91 Bijlage 6: De AMZ-cyclus onder water ...................................................................................... 97

6

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

1 Inleiding

1.1 Kader en doelstelling De gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar hebben RAAP Archeologisch Adviesbureau verzocht een archeologische verwachtingskaart voor het gemeentelijk grondgebied te vervaardigen. Eerder zijn al dergelijke kaarten vervaardigd voor het grondgebied van de drie gemeenten, of voor delen daarvan (z.a., 2008; Rietkerk, 2007). Qua aanpak en methodiek sluit de nu vervaardigde kaart van de gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar vooral aan op de kaarten van de omliggende gemeenten in het strandwallengebied, te weten Katwijk, de bollengemeenten Lisse, Hillegom en Noordwijkerhout en Teylingen (Schute & Jansen, 2007; Schute, 2007; Schute, 2009).

Doelstelling Doelstelling van de kaart is de gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar een inhoudelijk onderbouwd, kwalitatief hoogstaand afwegingsinstrument te geven om archeologische waarden op zorgvuldige wijze te laten meewegen in ruimtelijke planprocedures.

Wettelijk kader Achtergrond voor het maken van een archeologische verwachtingskaart is de toenemende mate waarin gemeenten in Nederland geconfronteerd worden met de noodzaak of verplichting het aspect archeologie te laten meewegen in ruimtelijke planprocedures. Per 1 september 2007 is door een wijziging van de Monumentenwet 1988 de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. Met de invoering van de wet is de scheiding tussen de overheid als bevoegd gezag (besluitnemer betreffende archeologie) en een gecertificeerde markt (uitvoering) een feit geworden. Kern van de wetswijziging is dat de archeologie een grotere rol binnen de ruimtelijke ordening heeft gekregen. Voor elke bodemingreep en alle inrichtingsplannen moet de noodzaak voor archeologisch (veld)onderzoek overwogen worden. Gevolg hiervan is dat archeologie een grotere ‘claim’ op grond kan leggen dan voorheen het geval is geweest. Uitgangspunt hierbij is het zoveel mogelijk behouden van archeologische waarden in de oorspronkelijke context; behoud in situ. Gemeenten hebben in de beleidsuitvoering binnen de nieuwe wetgeving een grote verantwoordelijkheid voor en een sturende rol in beheer en behoud van archeologische en cultuurhistorische resten.

Gemeentelijke taak Om deze nieuwe gemeentelijke rol als beslissend bestuursorgaan adequaat te kunnen vervullen is een gemeentelijk archeologiebeleid met een eigen (inhoudelijk en bestuurlijk) afwegingskader niet alleen nuttig maar ook noodzakelijk. De wet regelt - globaal genomen - drie aspecten van de archeologische monumentenzorg: de financiering, de bestuurlijke besluitvorming en de archeologi-

7

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

sche uitvoering. De wet verplicht de gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar niet tot het beschermen van het archeologische erfgoed onder alle omstandigheden. Het college van B&W van de gemeenten mag immers het besluit nemen dat zij bepaalde archeologische waarden niet van belang vinden en dat zij om die reden geen publiek geld zullen aanwenden voor behoudsmaatregelen. Deze keuzevrijheid is nodig, om de gemeenten in de gelegenheid te stellen zich bestuurlijk en financieel in te zetten op archeologische zaken die zij van wezenlijk belang achten. Archeologiebeleid vindt in de gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar tot nu toe plaats op basis van de eerder opgestelde Nota Archeologie (z.a., 2008). Deze kaart biedt echter onvoldoende detailniveau en driedimensionale differentiatie om in alle gevallen tot een goed afgewogen besluit te komen. Een meer gedetailleerde archeologische verwachtingskaart en een beleidsadvieskaart voor de gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar voorziet in deze omissie. De archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart alsmede de historisch-geografische waardenkaart kunnen tevens dienen als leidraad voor toekomstige inrichtingsplannen.

Hierbij vormt behoud van de cultuurhistorische waarden een eerste uitgangspunt, maar deze waarden kunnen ook dienen als een belangrijke inspiratiebron voor toekomstige inrichtingsplannen. Daarnaast kunnen de kaarten gebruikt worden bij het naar het publiek uitdragen van het archeologisch potentieel van de gemeente om daarmee het draagvlak voor het archeologisch onderzoek - en het cultuurhistorisch onderzoek in het algemeen - te vergroten.

1.2 Onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied omvat het gehele grondgebied van de gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar (figuur 1). Voor de algemene geologische en archeologische gebiedsbeschrijving is waar nodig gekeken naar de wijdere omgeving. De gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar staan afgebeeld op de kaartbladen 30D t/m 30H van de topografische kaart van Nederland (schaal 1:25.000) en hebben een gezamenlijke oppervlakte van 99,8 km 2. De gemeenten liggen aan de westkust van Nederland tussen de gemeenten Katwijk, Leiden, Zoeterwoude, Zoetermeer, Rijswijk en Den Haag.

1.3 Leeswijzer Hoofdstuk 2 vormt een algemene beschrijving van het principe van de archeologische verwachtingskaart. Tevens wordt de methodische aanpak van het onderzoek uiteen gezet. De inventarisatie van bekende vindplaatsen omvat zowel de in archieven geregistreerde vindplaatsen als nog niet eerder gemelde vindplaatsen. Deze archeologische vindplaats- en onderzoeksgegevens zijn weergegeven op kaartbijlage 1. De landschappelijke ontwikkeling van de gemeente wordt besproken in hoofdstuk 3. Deze is ontleend aan bodemkundige, geologische en geomorfologische kaarten en overige publicaties, hoog-

8

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart













         

 

 

 

   

 





 

 

 

 

   

 

 

 

 

   

 

 

 

  

 



       

     

 

 





Figuur 1. Ligging van het plangebied (gearceerd) met AMK-terreinen (blauw) op de IKAW; inzet: ligging in Nederland (ster).

9

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

tegegevens en historisch kaartmateriaal. De landschappelijke ontwikkeling vormt de basis voor de archeolandschappelijke context en achtergrond van vindplaatsen en verwachtingszones. De bewoningsgeschiedenis en het overzicht van de bekende archeologische gegevens van de gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar komen in hoofdstuk 4 aan bod. De in hoofdstuk 3 gedefinieerde landschappelijke eenheden zijn in hoofdstuk 5 vertaald naar zones met een hoge, middelmatige en lage verwachte dichtheid aan archeologische resten (de archeologische verwachtingskaart: kaartbijlage 4. De historisch-geografische elementen in de gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar verdienen een afzonderlijke weergave: kaartbijlage 3. De onderbouwing van en toelichting op dit archeologisch verwachtingsmodel (o.a. de beslissingsregels die hieraan ten grondslag liggen), zijn opgenomen in hoofdstuk 5. De vindplaatsencatalogus in bijlage 1 vormt een beknopte beschrijving van de in het kader van dit rapport samengestelde digitale database van bekende archeologische vindplaatsen. Catalogi met overzichten van de AMK-terreinen en uitgevoerde onderzoeken in de gemeenten LeidschendamVoorburg, Voorschoten en Wassenaar zijn opgenomen in respectievelijk bijlage 2 en bijlage 3. De gegevens uit de catalogi zijn afgebeeld op de kaartbijlagen.

Algemene informatie over het opstellen van gemeentelijke verwachtings- en beleidsadvieskaarten is nader toegelicht in bijlage 4. Uitleg over de werking van de AMZ-cyclus op land en water is terug te vinden in bijlagen 5 en 6. In tabel 1 worden de in dit rapport genoemde archeologische en geologische perioden weergegeven.

1.4 Verantwoording Het onderzoek is uitgevoerd volgens de normen die gelden in de archeologische beroepsgroep c.q. de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie versie 3.2 (KNA). RAAP Archeologisch Adviesbureau en de door RAAP toegepaste procedures zijn goedgekeurd door het College voor de Archeologische Kwaliteit (CvAK), die valt onder de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB; http://www.sikb.nl). Onze dank gaat uit naar de heer A. Roeloffs en de heer P. Jongste niet alleen voor het verstrekken van digitale en analoge informatie van allerhande aard maar ook voor het meedenken.

10

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Geologische perioden Tijdvak

Chronozone

Archeologische perioden Datering

Datering

Tijdperk

Nieuwste tijd (=Nieuwe tijd C) Laat Subatlanticum

Nieuwe tijd

B

- 1650

A

- 1500

Laat

- 1150 na Chr.

Vol

Merovingisch laat

Laat

Romeinse tijd

Holoceen

Karolingisch Merovingisch vroeg

Vroeg Subatlanticum

Midden Vroeg

-0

Laat

IJzertijd

- 450 voor Chr.

Midden Vroeg Laat

Bronstijd

Subboreaal

Midden Vroeg Laat

Neolithicum

- 3700

(Nieuwe Steentijd)

Laat Glaciaal

Preboreaal Late Dryas Allerød Vroege Dryas Bølling Laat Midden

Denekamp

Vroeg

Weichselien Pleniglaciaal

Vroegste Dryas

Mesolithicum

- 8700

(Midden Steentijd)

Midden Vroeg

- 9700

- 900 - 725 - 525 - 450 - 270 - 70 na Chr. - 15 voor Chr. - 250 - 500 - 800 - 1100 - 1800 - 2000 - 2850 - 4200 - 4900/5300 - 6450 - 8640 - 9700

- 11.050 - 11.500 Laat

- 12.000

- 12.500 Jong B

- 12.500 - 13.500 - 30.500

- 16.000

Jong A

- 35.000

Hengelo

- 60.000 Moershoofd

Paleolithicum - 71.000

Vroeg Glaciaal

Laat

- 7300

Prehistorie

Boreaal

Pleistoceen

Midden Vroeg

Atlanticum

- 1250 - 1050

Ottoons Vroeg

Middeleeuwen

- 1795

(Oude Steentijd)

Odderade Midden Brørup

- 114.000 Eemien Saalien II Oostermeer Saalien I Belvedère/Holsteinien Glaciaal x Holsteinien

- 126.000 - 236.000 - 241.000

- 250.000

- 322.000 - 336.000 Oud

- 384.000 - 416.000

Elsterien

463.000

tabel1_standaard_GeoBioArcheo_RAAP_2010

Tabel 1. Geologische en archeologische tijdschaal.

11

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

12

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

2 Het opstellen van de archeologische verwachtingskaart

2.1 Algemeen Archeologische resten zijn veelal vergankelijk en uiterst kwetsbaar: tot ver in de historische tijd is voor bewonings- en grafstructuren, alsmede gebruiksvoorwerpen voornamelijk gebruikgemaakt van plantaardig materiaal en aarde. Als gevolg van afdekking door bijvoorbeeld rivierafzettingen, veengroei of antropogene cultuurlagen zijn resten vaak ook nog eens (diep) verborgen onder het maaiveld. Dit kan positieve gevolgen hebben voor bijvoorbeeld conservering, maar het betekent ook dat dergelijke - vaak zeer waardevolle - archeologische vindplaatsen nagenoeg onzichtbaar zijn. Bij bodemingrepen kunnen archeologische resten snel verloren gaan. Gezien het feit dat verstoring van het bodemarchief onomkeerbaar en onherstelbaar is, zijn goed onderbouwde keuzes op het gebied van archeologisch beleid onontbeerlijk. Voor een realistisch en doelgericht gemeentelijk archeologisch beleid dient in eerste instantie de actuele archeologische kennis zo volledig mogelijk in beeld gebracht te worden in de vorm van een vlakdekkende gemeentelijke archeologische verwachtingskaart. Deze kaart biedt inzicht in de bestaande en verwachte archeologische situatie binnen de gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar, zowel in het horizontale als in het verticale vlak: een driedimensionale archeologische verwachtingskaart.

Ook wordt inzicht gegeven in het reeds verrichte archeologisch (veld)onderzoek. Dit inzicht is noodzakelijk om in de beleidsuitvoering een weloverwogen omgang met archeologie en het cultuurhistorisch erfgoed te bereiken. De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor een archeologische beleidsadvieskaart: aan de verwachtingen worden voorschriften gekoppeld die inzichtelijk maken waar geen onderzoek nodig is, waar wel, en zo ja, wat voor onderzoek (zie hoofdstuk 6). Deze beleidsadvieskaart vormt op zijn beurt de basis voor het aanpassen van bestemmingsplannen en bij de verlening van bouwen aanlegvergunningen. Onderhavig rapport vormt daarmee het fundament van een gemeentelijk archeologiebeleid. De verwachtingskaart is in feite een dynamisch product, gebaseerd op voortschrijdende archeologische kennis, expertise en verricht onderzoek. Nieuwe bevindingen, inzichten en veranderingen kunnen (en zouden) moeten worden toegevoegd via periodieke actualisaties.

2.2 Onderzoeksopzet en -fasering Het onderzoek is uitgevoerd in een aantal fasen die samen uiteindelijk hebben geleid tot een archeologische verwachtingskaart en historisch-geografische waardenkaart voor de gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar:

13

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

• inventarisatie van bekende gegevens (archeologie, geo(morfo)logie, bodemkunde en historische geografie en verstoringsgegevens); • analyse van de gegevens en het opstellen van archeologische verwachtingsmodellen; • vervaardiging van archeologische vindplaatsen- en onderzoekscatalogi; • vervaardiging van de archeologische verwachtingskaart en historisch-geografische waardenkaart. Voor het opstellen van de archeologische verwachtingskaart is allereerst een zo compleet mogelijke database van alle bekende archeologische gegevens uit het onderzoeksgebied samengesteld. Hierbij zijn relevante bronnen geïnventariseerd en geraadpleegd (o.a. ARCHIS-database, archeologische literatuur, bodemkundige en geo(morfo)logische bronnen, historische kaarten). Deze gegevens zijn vervolgens gebruikt om een kaart op te stellen met archeo-landschappelijke eenheden (zie bijlagen 1 en 2 en kaartbijlage 2). Op basis van het (paleo)landschap en gegevens van vindplaatsen in vergelijkbare landschappelijke eenheden, is een archeologische verwachting opgesteld. Hierbij is er naar gestreefd om de verwachting zoveel mogelijk naar archeologische periode en diepteligging te specificeren.

Deze kaart moet gezien worden als een indicatieve beschrijving van de huidige situatie ten aanzien van de archeologie in het onderzoeksgebied en geeft een vlakdekkend inzicht in de (verwachte, relatieve) dichtheid aan archeologische vindplaatsen. Daarnaast is een historisch-geografische waardenkaart gemaakt voor de periode vanaf de Late Middeleeuwen. Deze kaart is vooral gericht op de verschillende fasen van de ontginningen en de weerslag hiervan op de inrichting van het landschap (kaartbijlage 3).

2.3 Toelichting op de landschappelijke inventarisatie Bronnen Behalve op archeologische (vindplaats)gegevens, is de verwachtingskaart van LeidschendamVoorburg, Voorschoten en Wassenaar in sterke mate gebaseerd op geologische, bodemkundige en historisch-geografische bronnen. Door het combineren van de bestaande geologische en bodemkundige informatie en het AHN is een zo gedetailleerd mogelijk beeld van het landschap verkregen. Deze landschapsreconstructie vormt de basis van de archeologische verwachtingskaarten (hoofdstuk 5 en kaartbijlage 4). Gebruikt zijn de volgende bronnen: • de recente topografische kaart 1:25.000; • recente luchtfoto’s uit Google Earth (http:/www.earth.google.com); • luchtfoto’s uit 1938, verstrekt door de opdrachtgever; • het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); • de Geoarcheologische kaart van Leidschendam-Voorburg en Wassenaar (Vos, e.a., 2009); • de bodemkaart van Den Haag, schaal 1:10.000 (Van Liere, 1950); • de bodemkaart van Leidschendammerhout (Dekkers & Kleijer, 1984); • de bodemkaart van de Horsten (Mekkink, 2000); • de bodemkaart van Wassenaar (Veenenbos & Van der Knaap, 1954); • de bodemkaart van Duivenvoorde (Stoffelsen, 1983);

14

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

• de bodemkaart van Leidschendam (Van Liere, 1948); • de geomorfologische kaart van het limesgebied (Van Dinter, 2012) • boorgegevens uit Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (http://www.dinoloket.nl); • boorgegevens van boringen van RAAP uit de periode 2003-2011; • vindplaats- en onderzoeksgegevens uit het ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS). Enkele kaarten zijn niet gebruikt omdat deze niet het gewenste schaalniveau hadden of niet beschikbaar waren. Aanvullend is getracht naast de gegevens uit ARCHIS ook andere bronnen aan te boren in de vorm van onderzoeksverslagen (zie ook literatuurlijst) en gegevens van amateurs. Binnen de tijd die beschikbaar was voor het opstellen van deze rapportage bleek het om diverse praktische redenen niet mogelijk om gegevens van amateurs te verkrijgen. Hoogtekaart Het AHN bevat voor heel Nederland gedetailleerde hoogtegegevens. 1 Het gebruikte digitale AHN betreft het 5x5 m digitaal hoogtemodel dat is ingewonnen met minimaal 1 meetpunt per 16 m 2. De hoogte van de punten wijkt gemiddeld 5 cm af van de werkelijke maaiveldhoogte met een standaardafwijking van 15 cm (www.ahn.nl). Op basis van het AHN is het microreliëf van het onderzoeksgebied gedetailleerd in kaart gebracht. Op deze wijze kunnen bijvoorbeeld kreekruggen, die niet op de geo(morfo)logische of bodemkaart staan, herkend, vervolgd of verfijnd worden.

Tevens kan een AHN-analyse leiden tot verfijning van de begrenzing van kreekruggen en soms zelfs nog niet gekarteerde kreekruggen zichtbaar maken. Het gebruikte bestand betreft het AHN1. Aanvankelijk is getracht het AHN2 te gebruiken, die een veel grotere resolutie heeft. De daarmee gepaard gaande veel grotere omvang van de bestanden maakte het in praktische zin niet goed werkbaar het AHN2 te gebruiken en de winst ten opzichte van het AHN1 leek ook niet zo fenomenaal, voor het doel van een verwachtingskaart. Dankzij het verschil in inklinking tussen komgebied en kreekruggen zijn deze laatste over het algemeen als hoger gelegen delen waarneembaar aan het maaiveld. Dit is zelfs het geval wanneer zo’n kreekrug enkele meters diep ligt. Op basis van het hoogteverschil is idealiter het spreidingsgebied van een kreekrug beter in kaart te brengen. Gebleken is echter dat hoe dieper de kreekruggen liggen, hoe minder goed deze te zien zijn op en te begrenzen zijn met het AHN.

Werkwijze • Als uitgangspunt voor de landschappelijke eenhedenkaart is de Geoarcheologische kaart Leidschendam-Voorburg en Wassenaar (Vos, e.a., 2009; hierna: ‘de geologische kaart’) genomen. Hiervan is een nog niet op papier uitgegeven recentere versie verstrekt door de opdrachtgever. • De geologische kaart is verfijnd aan de hand van de zes hiervoor genoemde bodemkarteringen en de geomorfologische kaart van het limesgebied. Voor deze werkwijze is gekozen omdat hiermee goede ervaringen zijn opgedaan bij het vervaardigen van verwachtingskaarten in de andere 1

Voor het vervaardigen van het AHN wordt gebruikgemaakt van laseraltimetrie, een Remote Sensing-techniek voor de hoogtebepaling van het landschap. Vanuit een vliegtuig of helikopter wordt met een laserscanner de afstand tot het aardoppervlak gemeten. Tegelijkertijd wordt met satelliet- en traagheidsnavigatie bepaald wat de 3D-positie van het vliegtuig is (zie www.ahn.nl). Met deze gegevens kan worden vastgesteld wat de gemeten hoogte van het terrein is ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil (NAP).

15

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

gemeenten in de Bollenstreek. De bodemkaarten zijn doorgaans vervaardigd op basis van een groot aantal veldwaarnemingen (boringen) en vaak ook in een periode waarin nu bebouwde (en daarvoor opgehoogde) delen van het landschap nog onbebouwd en toegankelijk waren. • De bodemkaarten zijn gedigitaliseerd en in een GIS voorzien van een code voor de legenda-eenheid die de voor de archeologische verwachting relevante landschappelijke eenheid weergeeft. - De verdeling van deze legenda-eenheden is samengesteld op basis van de eerder door RAAP opgestelde kaarten voor Katwijk, Lisse, Hillegom, Noordwijkerhout en Teylingen en aangevuld voor de specifieke landschappelijke situatie van het grondgebied van de gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar. - In figuur 2 is een ideaalprofiel door het landschap van de gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar getekend. Hierin worden de gebruikte legenda-eenheden gerelateerd aan de opbouw van het landschap. De legenda-eenheden worden nader toegelicht in hoofdstuk 5. • De bodemkaarten zijn over de geologische kaart geprojecteerd en op basis van dat kaartbeeld is een nieuwe, gedetailleerdere kaart vervaardigd. De verzamelde bodemkaarten overlappen elkaar deels en dekken niet het gehele grondgebied van de gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar.

- Daar waar geen gedetailleerde informatie van bodemkarteringen voorhanden was, is de geologische kaart gebruikt als basisinformatie voor het opstellen van een archeologische verwachting. Dit is de belangrijkste reden dat het algemene kaartbeeld van de nu vervaardigde kaart lijkt op de eerder vervaardigde verwachtings- en beleidskaarten. - Daar waar meerdere bodemkaarten overlapten, is steeds in eerste instantie uitgegaan van de meest gedetailleerde informatie. Hierdoor is een kaart ontstaan die wel overal de meest gedetailleerde informatie weergeeft, maar die niet op iedere plek hetzelfde detailniveau van informatie heeft. - Vooralsnog is niet getracht om deze verschillen in detaillering op elkaar aan te laten sluiten. Als gevolg hiervan zijn op sommige plekken in de kaart ‘sprongen’ te zien. • Daarnaast zijn uit de kaart van Van Dinter (2012) een aantal kreekruggen overgenomen, waarvan bekend is dat ze in het verleden zijn bewoond, en waarop ook diverse vindplaatsen zijn aangetroffen. • Getracht is de zo samengestelde landschappelijke eenheden verder te verfijnen met behulp van boorgegevens uit de landelijke database DINO (www.dinoloket.nl), in het verleden (2003-2011) verrichte boringen door RAAP op het grondgebied van de gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar en met het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN; www.ahn.nl).

• Op een aantal plekken was sprake van tegenstrijdige informatie tussen de geologische kaart van Den Haag en omgeving en de bodemkaarten. Als regel is de informatie uit de bodemkaarten aangehouden als de juiste, tenzij sprake was van één van de volgende situaties: - De geologische kaart gaf ter plekke meer gedetailleerde informatie dan de bodemkaart. Hoewel een uitzondering, gaf de geologische kaart op enkele plekken iets gedetailleerdere informatie dan de geraadpleegde bodemkaarten. Dit was te zien aan een gedetailleerder verloop van aangegeven grenzen tussen legenda-eenheden (‘de lijn wiebelt meer’) en aan een hogere dichtheid van de aangegeven begrenzingen. Zo is het verloop van vrijwel alle begren-

16

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

OLWKRORJLH 

YODNQXPPHU ]DQG NOHL YHHQ NDONULMN]DQG ]DYHO YHUVWRRUG















 



















Figuur 2. Schematische doorsnede door het landschap van de gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar ter verduidelijking van de in kaartbijlage 2 gebruikte legenda-eenheden.

17

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

zingen van de strandwallen uit de bodemkartering van Duivenvoorde (Stoffelsen, 1983) niet overgenomen. - De in de bodemkaarten aangegeven informatie was op geen enkele wijze in te passen in de geologische kaart. Dit deed zich vooral voor in kleinere stukjes gekarteerd gebied, waar begrenzingen tussen diverse bodemeenheden soms haaks liepen op de begrenzingen op de geologische kaart. Dit probleem deed zich met name voor bij de bodemkartering van Wassenaar (Veenenbos & v.d. Knaap, 1954), waar op de kaart enkele kleine, destijds onbebouwde percelen in de bebouwde kom zijn gekarteerd. - De in de bodemkaarten aangegeven informatie werd tegengesproken door de gegevens uit het AHN. Dit is voornamelijk het geval in de droogmakerijen en polders. De bodemkartering van Van Liere van Leidschendam (1948) bleek hier niet goed overeen te komen met wat op het AHN zichtbaar is. Dit ligt vermoedelijk aan de grofmazigheid van het voor deze bodemkaart verrichte veldonderzoek ten opzichte van de dichtheid van de meetpunten in het AHN. De kaart van het gehele zuidoostelijke gebied van polders en droogmakerijen is dan ook voornamelijk gebaseerd op het AHN. Uitzondering vormt de bodemkaart van Leidschendammerhout (Dekkers & Kleijer, 1984), die zo goed als exact overeen bleek te komen met de gegevens uit het AHN.

- De in de bodemkaarten weergegeven informatie kon niet worden gecheckt aan de hand van gegevens uit het AHN vanwege de aanwezigheid van bebouwing in dat gegevensbestand. Dit gegeven speelde in de nu bebouwde kom van Voorburg en Leidschendam, waar op de bodemkaarten soms een ander verloop van de strandwallen werd aangegeven dan op de geologische kaart. Het AHN zou hier in theorie uitsluitsel hebben kunnen geven, maar de grote hoeveelheid ‘storende’ informatie maakte dit praktisch niet mogelijk. Het verloop van de strandwallen volgens de bodemkaarten is hier alleen overgenomen wanneer sprake was een nauwkeuriger begrenzing van de strandwal zoals op de geologische kaart aangegeven. Waar de bodemkaart de ligging van de strandwal leek te wijzigen, is dit niet overgenomen, tenzij het AHN hier uitsluitsel kon geven. • In twijfelgevallen is geprobeerd het concept kaartbeeld te toetsen door het raadplegen van boringen uit het DINO-archief en boringen die eerder door RAAP zijn uitgevoerd. Beide bronnen bleken maar zeer beperkt toepasbaar. De als uitgangspunt gehanteerde geologische kaart is al gebaseerd op de boringen uit DINO, dus dat lijkt dubbelop. Toch bleek het in voorkomende twijfelgevallen wel nuttig om de oorspronkelijke gegevens uit de DINO-boringen ter beschikking te hebben.

Meestal hadden de DINO-boringen (685 stuks) helaas het nadeel dat ze vaker niet dan wel op plekken stonden waar ze voor dit doel nodig waren geweest. Daarnaast is de bemonstering in de geraadpleegde DINO-boringen zo globaal, dat soms voor de specifieke vraagstelling onvoldoende antwoord kon worden gegeven. De boringen van RAAP, hoewel met 1818 stuks veel talrijker, bevonden zich slechts op enkele plekken in het grondgebied van de drie gemeenten, zij het in veel grotere dichtheid. Ook hier bleken ze vaker niet dan wel aanwezig op plekken waar ze nodig waren. Daar waar RAAP-boringen konden worden geraadpleegd, was soms sprake van zodanig fijn gedetailleerde informatie dat deze niet goed aan de te testen vraag kon worden gekoppeld. Boorinformatie is dan ook alleen gebruikt wanneer deze helder aan de vraag kon worden gekoppeld, of waar de boorinformatie duidelijk overeenkwam met één van de andere bronnen.

18

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Op deze wijze is een kaart vervaardigd van landschappelijke eenheden, relevant voor de archeologische verwachting (kaartbijlage 2). Deze is, samen met voor de archeologische verwachting relevante eenheden uit de cultuurhistorische inventarisatie en de inventarisatie van archeologische waarnemingen en vindplaatsen gebruikt voor de archeologische verwachtingskaart (kaartbijlage 4) waarin de verzamelde informatie is vertaald naar zones met een hoge, middelmatige en lage verwachte dichtheid aan archeologische resten. De wijze waarop dit is gebeurd, wordt toegelicht in hoofdstuk 5 en in bijlage 4.

2.4 Toelichting op de archeologische inventarisatie Archeologische verwachtingskaarten in holocene sedimentatiegebieden Ten aanzien van archeologische verwachtingswaarden in (holocene) sedimentatiegebieden, zoals ook de gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar, moeten enkele opmerkingen gemaakt worden. Aan de analyse liggen idealiter landschappelijke kenmerken van bekende vindplaatsen uit het te onderzoeken gebied ten grondslag. Daarbij gaat het in de meeste gevallen om oppervlaktevindplaatsen, gelegen in specifieke landschappelijke zones. Het betreft zones die vaak - aan de oppervlakte - archeologisch rijk zijn en toegankelijk zijn voor het doen van oppervlaktewaarnemingen. Als gevolg hiervan heeft de archeologische verwachtingskaart vooral een voorspellende waarde met betrekking tot de aanwezigheid van nederzettingen aan of dicht aan de oppervlakte in overeenkomstige landschappelijke zones. Op zich is laatstgenoemd aspect een positief gegeven, aangezien juist deze categorie vindplaatsen het meest door aantasting wordt bedreigd. De archeologische verwachtingswaarden lijken echter een minder betrouwbaar beeld op te leveren als het gaat om gebieden met gave vindplaatsen die door sedimenten zijn afgedekt en zich niet aan de oppervlakte manifesteren.

Van belang in dit verband voor de gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar is bijvoorbeeld de aanwezigheid van het Jonge Duinengebied tegen de kust. Sinds de Middeleeuwen zijn hier over het oude landschap heen metershoge duinen opgestoven, waardoor eventuele vindplaatsen van voor die tijd op enkele meters onder het maaiveld liggen, waardoor ze nauwelijks aan het licht komen.

Vindplaatsencatalogus Om de archeologische verwachtingskaart te vervaardigen, zijn archeologische gegevens uit de gemeenten Wassenaar, Voorschoten en Leidschendam-Voorburg geïnventariseerd en is een vindplaatsencatalogus samengesteld. Als uitgangspunt voor de vindplaatsencatalogus zijn de gegevens uit het ARCHeologisch Informatie Systeem van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed te Amersfoort (ARCHIS II, peildatum 24-12-2011) en LiveLink gebruikt. Dit is aangevuld met gegevens uit archeologische onderzoeken, die (nog) niet in ARCHIS geregistreerd staan. Binnen de gemeenten Wassenaar, Voorschoten en Leidschendam-Voorburg bevinden zich 33 archeologische monumenten (AMK-terreinen) en staan in ARCHIS II 324 waarnemingen en 13 vondstmeldingen geregistreerd. De archeologische monumenten zijn terreinen waaraan op grond van de door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed gehanteerde criteria (kwaliteit, zeldzaamheid en informatiewaarde) een bepaalde status is toegewezen. De verschillende categorieën die

19

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed hanteert, zijn: terreinen van zeer hoge archeologische waarde (beschermd en niet beschermd), terreinen van hoge archeologische waarde en terreinen van archeologische waarde. De geregistreerde waarnemingen en vondstmeldingen betreffen locaties waar archeologische vondsten en/of waarnemingen zijn gedaan. Op basis van de genoemde gegevens is uiteindelijk een catalogus van vindplaatsen vervaardigd, waarbij de vindplaatsen een RAAP-nummering hebben gekregen. De op de kaart gebruikte nummers verwijzen naar deze catalogus (kaartbijlage 1, bijlage 1). Werkwijze bij het samenstellen van de vindplaatsencatalogus De verwerking van de uit ARCHIS afkomstige data tot een vindplaatsencatalogus verdient een korte toelichting: De opzet van de ARCHIS-database laat zich niet direct vertalen in een verspreidingskaart met vindplaatsen per archeologische periode. Het basiselement in ARCHIS is de waarneming. Een waarneming omvat alle documentatie van een of meerdere grondsporen of vondsten, die gevonden zijn op een bepaalde locatie, op een bepaald tijdstip, door een bepaalde persoon (De Wit & Sloos, 2008). Dit heeft tot gevolg dat wanneer bijvoorbeeld vondsten van een bepaalde vindplaats in verschillende jaren of door verschillende waarnemers gemeld worden in ARCHIS, de vindplaats automatisch meerdere waarnemingsnummers heeft.

Deze zijn voor het vervaardigen van de vindplaatsencatalogus zoveel mogelijk samengevoegd tot één vindplaats. Ook kan het voorkomen dat onder één waarnemingsnummer vondsten staan geregistreerd die uit verschillende archeologische perioden dateren of tot verschillende complextypen behoren. In dat geval zijn op basis van de data van één waarnemingsnummer meerdere vindplaatsen in de catalogus opgenomen. De waarnemingen en vondstmeldingen in ARCHIS zijn dus uitgesplitst naar archeologische periode en het vindplaatstype. Uitgangspunt hierbij is dat een vindplaats een locatie is waar vondsten en/of sporen zijn waargenomen uit één periode, die tot één complextype behoren. Waar dus op één locatie verschillende vindplaatstypen zijn aangetroffen zoals een nederzetting (catalogusnummer 125) onder een jonger grafveld (catalogusnummer 126) komen op dezelfde locatie twee vindplaatsen voor. Ook wanneer een locatie meerdere malen in de tijd bewoond is geweest, kunnen op één locatie meerdere vindplaatsen voorkomen. Het is echter niet altijd met zekerheid vast te stellen of sprake is van een continue bewoning (een vindplaats) of een onderbreking in de bewoning (meerdere vindplaatsen). De aard en kwaliteit van de ARCHIS-waarnemingen is zeer divers. Waarnemingen kunnen bestaan uit uitgebreide en gedetailleerde beschrijvingen van de vindplaats met alle relevante gegevens.

Enkele waarnemingen zijn echter dermate ‘arm’ aan informatie dat deze onbruikbaar zijn voor dit onderzoek. Dit is het geval bij waarnemingen waarvan de aard en de datering van de vondsten onduidelijk is. Ook staan in ARCHIS-waarnemingen geregistreerd waarvan de precisie van de aangegeven locatie twijfelachtig is. Waarnemingen waarvan op basis van het opgegeven toponiem aan de juistheid van de coördinaten kan worden getwijfeld, zijn niet in de catalogus opgenomen. Deze vindplaatsen kunnen niet op een kaart worden weergegeven. Voor het opstellen van een verwachtingskaart is het van belang te weten in welke bodemkundige dan wel geologische eenheid een bepaalde vindplaats zich bevindt. Dit is niet na te gaan als de locatie van de vindplaats onbekend is. Waarnemingen waarvan de coördinaten slechts op een gissing zijn gebaseerd (nauwkeurigheid van maximaal 1 km) zijn wel

20

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

in de catalogus opgenomen. Hierbij is in de toelichting vermeld dat de opgegeven coördinaten bij benadering zijn. Voor dit onderzoek zijn vooral waarnemingen van belang die te relateren zijn aan terreinen met nederzettingsvondsten, grafvondsten, infrastructuur en voor de latere perioden boerderijen, buitenplaatsen en kastelen. Deze locaties zijn op een bepaald moment in de tijd van belang geweest. Toch is getracht zoveel mogelijk waarnemingen in de catalogus mee te nemen. Ook zonder dat deze waarnemingen direct duiden op bijvoorbeeld de aanwezigheid van een nederzetting of een grafveld, kunnen zij wel duiden op menselijke activiteiten ter plaatse of op bewoning in de (verre) omgeving. Indien op basis van de beschrijving van het vondstmateriaal de aard van een waarneming onduidelijk is gebleven of indien is vastgesteld dat de vondsten niet gerelateerd kunnen worden aan grondsporen of aan een archeologische laag (zoals een cultuurlaag of een ophogingspakket), is sprake van een ‘losse vondst’. Deze losse vondsten zijn in de catalogus opgenomen indien zij van vóór de Late Middeleeuwen dateren. Enkele losse vondsten uit de Late Middeleeuwen of de Nieuwe tijd zijn géén indicatie voor de aanwezigheid van archeologische resten op de plaats waar het materiaal gevonden is.

In deze perioden werd de inhoud van beerputten uit de steden en dorpen namelijk gebruikt om het land mee te bemesten waardoor het afval (vondstmateriaal) dat op een bepaalde plaats gevonden wordt, niet gerelateerd hoeft te zijn aan nederzettingssporen ter plaatse. Om de waarde van de losse vondsten ouder dan de Late Middeleeuwen in te kunnen schatten, is hieraan een waardering meegegeven. Deze waardering is gebaseerd op het aantal vondsten dat op een locatie is gedaan. Nul tot vijf vondsten heeft een waardering één gekregen, vijf tot tien vondsten een twee en meer dan tien vondsten wordt gewaardeerd met een drie. In de catalogus is een vindplaats als nederzetting opgenomen wanneer daadwerkelijk sporen van bewoning zijn aangetroffen. Een cultuurlaag, een vondstlaag, een ophogingspakket of een bepaalde hoeveelheid vondstmateriaal kan een aanwijzing zijn voor de aanwezigheid van een nederzetting op die locatie of in de directe omgeving. Indien echter geen bewoningssporen zijn aangetroffen die gerelateerd worden aan deze laag, is de vindplaats als ‘laag’ of als ‘losse vondst’ in de catalogus opgenomen. Begrenzing vindplaatsen Voor het begrenzen van de vindplaatsen zijn een aantal uitgangspunten in acht genomen. Van het merendeel van de door RAAP gedefinieerde vindplaatsen is de exacte begrenzing en oppervlakte niet bekend, omdat ze niet (of nog niet) systematisch zijn onderzocht.

Van veel vindplaatsen is bekend waar ze ongeveer liggen, maar kennis over de exacte begrenzing ontbreekt veelal. Daarom zijn de vindplaatsen als puntwaarnemingen op de kaart weergegeven. Indien de vindplaats gebaseerd is op één archeologische waarneming zijn de betreffende centrumcoördinaten uit ARCHIS II overgenomen. Wanneer verschillende waarnemingen zijn samengevoegd tot één vindplaats dan is de centrumcoördinaat berekend op basis van de oorspronkelijke coördinaten van de verschillende waarnemingen. Dit is uitsluitend gebeurd met waarnemingen die op eenzelfde complextype betrekking hadden en voornamelijk binnen AMK-terreinen, binnen historische kernen, waar de waarnemingen heel dicht bij elkaar lagen of waar volgens de onderzoekers sprake was van bij elkaar horende waarnemingen.

21

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Van een aantal vindplaatsen is de begrenzing wel bekend. Deze begrenzing is dan ook als zodanig op de kaart gezet. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de vindplaats Forum Hadriani in de gemeente Voorburg. Vanwege het grote aantal onderzoeken dat op die locatie heeft plaatsgevonden, is ervoor gekozen alle waarnemingsnummers die binnen de door Buijtendorp (de Jonge, Bazelmans & de Jager, 2006) vastgestelde grenzen vallen, samen te voegen tot één vindplaats. De begrenzingen van de archeologische monumenten (AMK-terreinen) zijn gerespecteerd. De grenzen van de AMK-terreinen staan vaak ter discussie, maar ze vormen gezien de monumentstatus wel de basis voor een beleidsmatige vertaling. Waarnemingen die binnen een AMK-terrein vallen en die betrekking hebben op dezelfde archeologische periode en hetzelfde vindplaatstype, zijn samengevoegd tot één vindplaats. Aangezien de AMK-terreinen vaak meerdere archeologische complextypen en/of periodes omvatten, kan het voorkomen dat een AMK-terrein onder meerdere vindplaatscatalogusnummers wordt genoemd.

Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd Ten slotte dient opgemerkt te worden dat de historisch-geografische elementen zoals molenplaatsen, landscheidingen, wegen en huisplaatsen die alleen bekend zijn van historische kaarten, niet zijn opgenomen in de vindplaatsencatalogus (zie hierna). Uit de historisch-geografische analyse is een groot aantal vindplaatsen naar voren gekomen dat op basis van historisch bronnenonderzoek gekarteerd is. In de vindplaatsencatalogus zijn deze alleen opgenomen indien zij tijdens (archeologisch) veldonderzoek of als toevalswaarneming bij bodemingrepen zijn gemeld.

2.5 Toelichting op de historisch geografische inventarisatie Normaliter wordt voor het bepalen van de archeologische verwachtingen in een onderzoeksgebied gebruikgemaakt van bekende archeologische vindplaatsen waarvan wordt aangenomen dat er een relatie bestaat tussen de locatie van de vindplaats en de fysische omgeving. Dit is in het bijzonder het geval voor bijvoorbeeld nederzettingen in relatie tot bodemtypen of geomorfologische eenheden, waardoor de desbetreffende zones een bepaalde voorspellende waarde hebben met betrekking tot het voorkomen van archeologische vindplaatsen. Naast vindplaatsen die bekend zijn op basis van (archeologisch) veldonderzoek of toevalswaarnemingen bij bodemingrepen, worden op de historisch-geografische waardenkaart (kaartbijlage 3) ook vindplaatsen weergegeven die op basis van historisch bronnenonderzoek zijn gekarteerd. Dit bronnenonderzoek is niet uitputtend geweest, maar heeft zich gericht op die bronnen die naar verwachting de meeste en meest betrouwbare informatie kon opleveren. Voor een aantal complextypen uit de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd, zoals kerken, kastelen, buitenplaatsen, molens, dijken of kaden is bij de bepaling van de archeologische verwachting de landschappelijke ligging minder van belang.

In deze perioden is de locatiekeuze namelijk minder afhankelijk van landschappelijke variabelen dan voor nederzettingen uit de Prehistorie t/m Vroege Middeleeuwen. Voor de inventarisatie zijn geen gebouwde monumenten geïnventariseerd. Weliswaar is archeologie de wetenschap die het menselijk verleden bestudeert aan de hand van materiële overblijfselen, in de praktijk worden in Nederland daarvan bovengrondse materiële overblijfselen uitgezonderd.

22

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

De inventarisatie heeft zich gericht op die plekken waar in het verleden gebouwen hebben gestaan en/of waar zich overblijfselen van bebouwing of bewoning zouden kunnen bevinden. Voor de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd (vanaf ca. 1000 na Chr. tot heden) wordt het archeologisch verwachtingsmodel gebaseerd op een combinatie van archeologische gegevens en historisch-geografische gegevens. De gegevens zijn in hoofdzaak ontleend aan de kadastrale minuutplans, 1811-1832. Deze kaarten zijn als basis gebruikt omdat ze voorafgaan aan de grote industrialisatie en verstedelijking van Nederland. Veel - deels inmiddels verdwenen - landschapselementen en structuren kunnen zo toch nog achterhaald worden. Bovendien is de kadastrale kaart de vroegste nauwkeurige topografische kaart, waardoor de onderscheiden elementen en structuren op de actuele topografie kunnen worden geprojecteerd. Verder zijn nog enkele oudere (historische) kaarten en topografische kaarten bestudeerd: • Historisch kaartmateriaal, onder andere: - Veldminuut van de Topografische-Militaire Kaart (1845-1850); - Chromo topografische kaarten, zogenaamde Bonnebladen (1876); - Diverse polderkaarten van Hoogheemraadschap Rijnland, onder andere Dou en Van Brouckhuijsen 1647; - Polderreglementskaarten (1860), Collectie Nationaal Archief; • Historische luchtfoto’s 1938; • Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) van de provincie.

Op de historisch-geografische waardenkaart (kaartbijlage 3) zijn op basis van bovengenoemde bronnen boerderijen en historische woonhuizen en hun bijgebouwen, buitenplaatsen en kastelen, kerken en molens geïnventariseerd. Voor de vertaling naar de archeologische verwachting en het beleid is om deze puntlocaties een buffer aangehouden. Deze bedroeg 20 m bij bruggen, dubbele schutsluizen en bijgebouwen, 30 m bij boerderijen of woonhuizen en 50 m bij omvangrijke boerderijen, buitenhuizen of kastelen, kerken en molens. Deze buffers zijn voor zover het boerderijen of woonhuizen, bijgebouwen en omvangrijke boerderijen betreft weer in omvang beperkt door er die delen af te halen die buiten de perceelsgrenzen vielen zoals deze zijn aangegeven op de kadastrale minuutplans van 1832. Dijken en kaden zijn als lijnlocaties geïnventariseerd en voor de archeologische verwachting voorzien van een buffer van 10 m om de gehele dijk te dekken. De dijken zijn niet vertaald naar beleid. Een onderverdeling naar periode of hoogte is ook niet gemaakt. Als vlakken zijn in de kaart opgenomen: kerkhoven en omgrachte terreinen op basis van hun daadwerkelijke grens, dus zonder buffer; ontginningsbases als zone. Parkaanleg is eveneens als vlak opgenomen op basis van historisch kaartmateriaal.

Het blijkt lastig om historische parken eenduidig te begrenzen, omdat het verschil met natuur lastig op de kaart te zien is. Bij de begrenzing van parken is als uitgangspunt gehanteerd dat het moet gaan om een duidelijk ingericht landschap met elementen met een verwachte archeologische waarde zoals vijverpartijen, grachten, koepeltjes, vinkenhuisjes etc. Daarnaast is als uitgangspunt gehanteerd dat alleen fenomenen zijn gekarteerd voor zover deze op de genoemde bronnen inderdaad zichtbaar waren. Fenomenen waarvan de aanwezigheid op

23

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

een bepaalde locatie op grond van een theorie of hypothese kon worden aangenomen, zijn desalniettemin niet op de kaart weergegeven. In de historisch-geografische waardenkaart zijn ook de verschillende poldereenheden aangegeven. Daarbij is voor de benaming en de begrenzing gekozen voor de situatie van 1832, zoals die op de kadastrale minuutplans is weergegeven. Door 1832 als uitgangspunt te nemen zijn de latere droogmakerijen niet meegenomen en ook niet het landschap van vóór 1832. Een deel van de polders was in 1832 al weggebaggerd en ingericht als droogmakerij. Het polderlandschap van voor 1832 is -waar mogelijk- wel aangegeven in de vorm van nederzettingslinten. De historisch-geografische waardenkaart is in strikte zin geen verwachtingswaardenkaart. De kaart is voornamelijk een weergave van historisch-geografische elementen in het huidige landschap die toe te schrijven zijn aan bepaalde historische ontwikkelingen. Wel is aan de zones van de (verdwenen) ontginningsassen een archeologische verwachtingswaarde gekoppeld voor de Late Middeleeuwen, aangezien niet alle huisplaatsen langs deze assen al in kaart zijn gebracht. Ook de historische kernen hebben een aparte verwachtingswaarde.

Gezien de directe relatie tussen de laat-middeleeuwse ontginningen en de indeling van het huidige landschap was deze kaart noodzakelijk voor een visuele weergave van de historische ontwikkeling van de gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar.

2.6 Toelichting op de beleidsadvieskaart Een beleidsadvieskaart is een term voor een archeologische verwachtingskaart waarbij aan de verschillende onderscheiden archeologische gebieden en zones vanuit de optiek van de ruimtelijke ordening een advies met betrekking tot de gemeentelijke Archeologische MonumentenZorg (AMZ) is gekoppeld (kaartbijlage 5). Een beleidsadvies is dan niet meer dan (bijvoorbeeld) de uitspraak dat in geval van bodemingrepen dieper dan de bouwvoor of groter dan een bepaalde oppervlakte inventariserend archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Deze beleidsadviezen worden dusdanig geformuleerd dat ze eenvoudig naar voorschriften voor bestemmingsplannen omgezet kunnen worden. Meer expliciet houdt dit in dat aangegeven wordt in welke vorm en intensiteit archeologisch onderzoek noodzakelijk wordt geacht in het kader van de verlening van bouw-, sloop- en/of aanlegvergunningen. Omdat bij de beleidsadviezen sprake is van ondergrenzen waarbij archeologisch onderzoek al dan niet noodzakelijk is, dienen ze bij voorkeur te zijn vastgelegd in het archeologiebeleid van de gemeente. Ook dient een archeologische onderbouwing van de gehanteerde ondergrenzen te zijn opgenomen in het gemeentelijk archeologiebeleid.

In de beleidskaart is geen tweedeling gemaakt in gebieden met archeologische waarden en gebieden met een archeologische verwachting, maar de verschillende beleidsgebieden zijn in doorgenummerde ‘categorieën’ weergegeven volgens onderstaand overzicht.

24

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

archeologische gebieden en zones

advies

Beschermde Rijksmonumenten.

Cat 1

Gewaardeerde archeologische terreinen, allen AMK-terreinen.

Cat 2

Terreinen met een verwachting op historische bebouwingsresten, zoals boerderijplaatsen, ontginningslinten en dorpskernen.

Cat 2

Gebieden met een hoge archeologische verwachting.

Cat 3

Gebieden met een middelhoge archeologische verwachting.

Cat 4

Gebieden waarbinnen een landschappelijke verwachting bestaat op het aantreffen van locaties waar van een hoge archeologische verwachting sprake kan zijn, zoals afgedekte duintjes.

Cat 4

Gebieden met een lage of zeer lage verwachting

Cat 5

Gebieden met in het geheel geen archeologische verwachting.

Geen aanduiding

De archeologische verwachting wordt nader toegelicht in hoofdstuk 5 en de inhoud van de adviezen wordt in hoofdstuk 6 nader toegelicht.

25

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

26

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

3 Landschappelijke ontwikkeling Algemeen Het plangebied maakt landschappelijk gezien deel uit van de kuststrook van West-Nederland. De ontstaanswijze van dit gebied hangt nauw samen met de zeespiegelstijging in het Holoceen. Omstreeks 9800 voor Chr. zette een definitieve klimaatsverandering in die het begin van het Holoceen markeert. De enorme landijskappen smolten en de zeespiegel steeg snel. Door de stijging van de zeespiegel steeg ook de grondwaterspiegel en langzaam begon het laat-pleistocene landschap te vernatten. Door de verandering van het klimaat trad ook een verandering van de vegetatie op naar een gemengd loofbos met eiken, linden en iepen. De vernatting vormde tevens een ideale conditie voor veengroei en langzaam maar zeker ontstonden dikke veenkussens. Het veen, dat wordt aangeduid als Basisveen, wordt gerekend tot de Formatie van Nieuwkoop. Circa 7000 voor Chr., in de periode van snelle zeespiegelstijging in het Atlanticum, zijn buiten de huidige kustlijn waarschijnlijk al strandwallen gevormd door sedimenttransport onder invloed van getijden, golfwerking en wind. Deze strandwallen werden bij een snel stijgende zeespiegel echter na korte tijd weer afgebroken (Berendsen, 2004).

Binnen het grondgebied van de drie gemeenten zijn grofweg vier zones te onderscheiden naar landschappelijke ontwikkeling: het achterland, gevormd door getijdenafzettingen, nu bestaande uit polders en droogmakerijen; het centrale gebied met strandwallen en Oude Duinen; de kuststrook met Jonge Duinen en in het noorden een gebied met -voornamelijk mariene- afzettingen van het estuarium van de Oude Rijn. Deze worden hieronder behandeld.

Zeekleigebied Rond het zesde millennium voor Chr. lag geheel Wassenaar en de noordwestelijke strook van Leidschendam-Voorburg en Voorschoten nog in open zee of in een wadden- en strandmilieu (onder en rond gemiddeld hoogwater). De zuidoostelijke strook van Leidschendam-Voorburg en Voorschoten werden gevormd door een kweldermilieu, waarin vanuit zee via getijdengeulen en -kreken zeeklei werd afgezet (figuur 3). Dit zeekleigebied behoort tot de Afzettingen van Wormer. Na vorming van de strandwallen is dit gebied overgroeid geraakt met veen en geheel afgedekt. Het veen is in de Middeleeuwen ontgonnen en op veel plekken verdwenen waardoor de zeekleiafzettingen momenteel weer aan de oppervlakte liggen. Het beslaat nu een groot deel van Leidschendam. Waar het veen nog intact is, spreekt met van ‘bovenland’.

Strandwallengebied Aan het einde van het Atlanticum en het begin van het Subboreaal (ca. 3900 voor Chr.) bereikte de zee zijn maximale uitbreiding, waarna door een minder snel stijgende zeespiegel uitbouw van de kust in westelijke richting kon plaatsvinden. Uit onderzoek is gebleken dat strandwallen (met duinen) vanaf circa 4800 voor Chr. zijn gevormd, hetgeen duidt op het feit dat al vanaf dat moment uitbouw van de kustlijn plaatsvond (Van der Valk, 1992; Pruissers & De Gans, 1988). Vanaf dit moment ontstond een complex van strandwallen die bedekt werden met lage duinen (de zoge-

27

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

naamde Oude Duinen) met tussen de strandwallen laaggelegen strandvlakten (Berendsen, 2004), waarbij in circa 1500 jaar zich van zuidwest naar noordoost een aantal min of meer parallelle strandwallen ontwikkelden. Zowel in het zuidwesten, in het noordoosten als tussen de strandwallen bevinden zich lager gelegen strandvlakten. Tussen 2000 voor Chr. en het begin van de jaartelling vond in het gebied geen mariene sedimentatie plaats. In deze periode vormde zich vanuit de lager gelegen strandvlakten veen. Dit veenpakket ontwikkelde zich zo ver dat delen van de strandwallen afgedekt raakten. Centraal in het gebied bevindt zich een brede noordoost-zuidwest georiënteerde strandwal. Uit het Actueel Hoogtebestand Nederland blijkt dat binnen deze strandwal meerdere hoger gelegen ruggen voorkomen. Mogelijk betreft dit afzonderlijke strandwallen of rijen Oude Duinen. Het plangebied bevindt zich op de waterscheiding tussen de Maas en de Oude Rijn. In het zuidwestelijke deel van het gebied waterden de tussen de strandwallen aanwezige veenstroompjes richting de Maas af, die in het noordoostelijke deel richting de Oude Rijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=40e9fa2a-f6c1-44bb-9d64-c5a436feaee2