2984-72 Bijlage 69 toelichting, Handboek beheer openbare ruimte
Tekst van het document
Pagina 40
e. f.
g.
Handboek Beheer Openbare Ruimte | Eisen en aanbevelingen voor de inrichting en beheer van de openbare ruimte
Klembanden: roestvrijstaal. Bij toepassing van klembanden of beugels aan lichtmasten moet, ter bescherming van de lichtmast, eerst een rubber ring aangebracht worden. Markeringen in reflecterende thermoplastische harsmassa dik 3 mm en KOMOproductcertificaat.
4.7.6 Straatnaamborden 4.7.6.1 a. b. c. d.
Algemeen Straatnaamborden moeten te allen tijde goed zichtbaar zijn voor verkeer. Niet meer dan twee straatnaamborden per flessenpaal. Straatnaamborden bij voorkeur niet aan gevels bevestigen. Straatnaamborden overeenkomstig NEN 1772.
4.7.6.2 Materiaal a. Materiaal bord: aluminium. b. Uitvoering: dubbel omgezette rand of kokerprofiel.
4.7.7 4.7.7.1 a.
Paaltjes
Algemeen Alleen toepassen ten behoeve van: - garantie doorgangen voor hulpdiensten (eis: toepassing van driekantssloten – zie standaardtypen bijlage 5.2). - voorkoming van parkeeroverlast op en langs trottoirs. - voorkoming van beschadiging van de openbare ruimte. b. Paaltjes op verkeerseilanden moeten overrijd baar zijn, type uitvoering in overleg met beheerder. c. Ook andere anti-parkeermaatregelen toepassen waar de parkeerdruk groot is – niet direct paaltje toepassen. d. Alleen standaardtypen conform bijlage 5.2 toepassen e. Niet toepassen: - Op plaatsen waar parkeren wettelijk niet is toegestaan. Alleen in hoge uitzondering en in overleg met de beheerder - Op verkeersplateaus, tenzij er anders gevaar voor doorgang voor de hulpdiensten bestaat of er schade optreedt aan de aanliggende verhardingen en/of het meubilair.
- Binnen 5,00 m van een kruispunt: hier mag niet worden geparkeerd. - Op de hoeken bij uitritten: veroorzaakt vaak aanrijschade weggebruikers die er vlakbij parkeren. - In combinatie met parkeerverbod. Het is het een of het ander, tenzij op uitdrukkelijk verzoek van politie, Handhaving of Stadsbeheer. - Langs fietsstroken: hier mag al niet gestopt worden. - Geen betonbollen op plaatsen met veel parkeer- of verkeersbewegingen. - In vrij liggende fietspaden, tenzij er anders gevaar voor doorgang voor de hulpdiensten bestaat of ter bescherming van het aanliggende kunstwerk. Bij toepassing van palen in fietspaden zie 4.7.7.2 4.7.7.2 Palen in fietspaden Bij het plaatsen van palen in fietspaden rekening houden met de volgende eisen. a. In de as van het fietspad worden twee typen afsluitpalen toegepast: uitneembaar of verzinkbaar. b. De afsluitpaal moet 0,75 m hoog zijn (boven maaiveld). c. De effectieve breedte naast de afsluitpaal is 1,60 m. d. Bij het ontbreken van een alternatieve route moet een doorgangsruimte van 1,20 m worden aangehouden (minimum voor invalidevoertuigen). e. Afsluitpalen staan minimaal 5,00 m uit een bocht. f. Indien de afsluiting van een fietspad onderdeel is van een hulpdienstenroute, is een effectieve breedte nodig van 2,60 m tussen twee vaste afsluitpalen, met daartussen een uitneembaar of verzinkbaar exemplaar.
De vrije hoogte moet minimaal 4,20 m zijn. g. Altijd toepassen van inleidende ribbelmarkering bij een afsluitpaal in de as van het fietspad h. De inleidende asmarkering is minimaal 5,00 m lang. i. Kantmarkering alleen toepassen in krappe bochten en bij smalle fietsstroken. j. Markering uitvoeren in ribbelmarkering (thermoplast met ribbels) oplopend van 2,5 tot 5,0 mm.
Handboek Beheer Openbare Ruimte | Eisen en aanbevelingen voor de inrichting en beheer van de openbare ruimte
k. Afsluitpalen moeten in het lichtveld van een lichtmast staan, zonder dat de lichtmast zelf een obstakel vormt. Afsluitpalen met ingebouwde ledverlichting kunnen een alternatief zijn voor plaatsen waar geen openbare verlichting mogelijk is. l. Bij een afsluitpaal met ledverlichting wordt altijd een uitneembare paal toegepast. m. De afsluitpalen in de berm zijn vaste palen. n. De afsluitpaal is signaalrood (RAL 3000). o. De afsluitpaal heeft twee reflecterende witte banden. p. De afsluitpaal moeten toegankelijk zijn voor bevoegden en het sleutelsysteem bevatten van de gemeente Leidschendam-Voorburg. 4.7.8 a.
Overig straatmeubilair Toepassing van losse boom- en bloembakken is niet toegestaan m.u.v. A-gebieden en entrees. b. Inzake terrassen en overig particulier gebruik (bijvoorbeeld uitstallingen) zal in het maaiveld moeten worden aangegeven waar dit is toegestaan. c. Bovengrondse voorzieningen voor nutsbedrijven worden bij voorkeur geïntegreerd in een bouwwerk, waar dit niet mogelijk is moet in het maaiveldontwerp rekening worden gehouden met een optimale inpassing (qua plaats, kleur, e.d.). d. Ondergrondse containers moeten bereikbaar zijn voor vrachtauto’s van de gemeentelijke afvalinzamelaar. e. De afstand tussen glasbakken en fietspaden moet minimaal 5,00 m bedragen.
d. Speelplek niet te dicht bij de rijweg of water situeren. Indien geen andere locatie mogelijk is een hekwerk toepassen als afscheiding. e. Bij speelvoorzieningen moet een goede verhouding tussen spelaanleidingen (terreinsituaties en/of vormgevingselementen die uitnodigen tot spelen) en speeltoestellen gerealiseerd worden. f. Bij voorkeur moet er variatie worden aangebracht in speelvoorzieningen per speelplek en per wijk. g. Speelvoorzieningen c.q. ontmoetingsplekken voor de oudere jeugd scheiden van speelplekken voor kleine kinderen. h. Bij de aanleg van zandspeelplaatsen, rekening houden met de toegankelijkheid voor vrachtauto’s voor het verschonen/aanvullen van zand (toegangshek, zwaarte van de verharding, doorsijpelen van water tussen toestellen). i. Er worden geen zandbakken toegepast. j. Bij toepassen van gazon op een speelplek zorgen dat dit machinaal te maaien is. Hierbij rekening houden met de doorrij breedte. k. In de Algemene Plaatselijke verordening, artikel 2.4.17 en 2.4.18, is opgenomen dat honden niet mogen verblijven op een openbare speel, - en sportplek. Dit moet aangegeven worden door middel van borden. l. Bij speelplaatsen met een zandondergrond in woonwijken maatregelen nemen om honden en katten te weren. Bijvoorbeeld door hekwerk en hondenroosters toe te passen.
4.8.2
4.8
Speelvoorzieningen
4.8.1 Situering en inrichting a. Speelvoorzieningen moeten voldoen aan het warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen. b Bij iedere speelplek buurtinspraak op scholen, buurthuizen, etc. organiseren, vooral gericht op de doelgroep van de speelplek, concrete resultaten laten zien. c. Er moet een oversteekvrije route zijn van de woningen naar de speelplek voor de kleine kinderen. Speelplekken moeten zoveel mogelijk in het zicht (van woningen) liggen. Situering langs een looproute verdient de voorkeur.
Afdeling Stadsbeheer Handboek Beheer Openbare Ruimte - Versie 2020
Pagina 41
Maatvoering
a. Een speelterrein moet een minimale oppervlakte van 250 m2 bezitten om zodanig op een verantwoorde manier in te kunnen richten, te beheren/onderhouden en te gebruiken. Er worden dus geen losse speeltoestellen geplaatst. b. Voldoende obstakel vrije ruimte creëren rond de speeltoestellen, afhankelijk van type toestel en type ondergrond. c. Speelplekken langs wegen en watergangen voorzien van spijlen hekwerken van 1 meter hoogte boven het maaiveld. d. Spijlen hekwerken hart op hart maximaal 0,098 m.
Pagina 42
Handboek Beheer Openbare Ruimte | Eisen en aanbevelingen voor de inrichting en beheer van de openbare ruimte
4.8.3 Materiaalgebruik 4.8.3.1 Toestellen a. Speeltoestellen moeten voldoen aan het warenwetbesluit attractie en speeltoestellen b. Speeltoestellen moeten zijn voorzien van een typekeuring volgens NEN-EN 1176-2017 en een technisch constructiedossier. Dit geldt niet alleen voor fabrieksproducten, doch ook voor eigenhandig gebouwde speeltoestellen c. De speeltoestellen moeten zijn voorzien van de volgende onlosmakend op of in het toestel aangebracht, onuitwisbare opschrift: de naam en adres van fabrikant en/of importeur, het bouwjaar, de serie- en of typeaanduiding en het serienummer. d. De constructie van de houten speeltoestellen moeten, bij normaal gebruik in de openbare ruimte, een technische levensduur van minimaal 10 jaar hebben. e. De constructie van kunststof, gecoate stalen en RVS-speeltoestellen moeten, bij normaal gebruik in de openbare ruimte, een technische levensduur van minimaal 15 jaar hebben. f. Glijbanen en glijgoten zijn van RVS en worden niet op het zuiden geplaatst. g. Bevestigingsmiddelen moeten zoveel mogelijk van roestvast staal zijn. Onderdelen die in de grond staan voorzien van een voet of poer van beton. h. Betonnen sokkels van speeltoestellen 0,40 m onder maaiveld wegwerken in verband met het negatief beïnvloeden van de schokabsorptie. i. Alle materialen, verbindingen en onderdelen moeten corrosie- en vandalismebestendig zijn.
j. Het gebruik van tropisch hardhout is niet toegestaan. In gevallen waar aan het gebruik van tropisch hardhout niet is te ontkomen, moet dit aantoonbaar duurzaam geproduceerd te worden (FSC-keurmerk). k. Al het gebruikte hout moet splintervrij zijn. l. Er mag geen geïmpregneerd hout worden toegepast. Niet geïmpregneerd Robinia of gerecycled kunststof zijn goede alternatieven. m. Het gebruik van onafgewerkt (ver)zinkt staal is niet toegestaan. Poedercoaten is een goede afwerklaag. n. De gemeente heeft een overeenkomst met diverse leverancier bij voorkeur hiervan gebruik maken. De actuele lijst van leveranciers is op te vragen bij de beheerder van de speelruimte.
4.8.3.2 Valondergronden a. Valdempende ondergrond aanbrengen onder en rond speeltoestellen en bij niveauverschillen, afhankelijk van type toestel, conform de uitgangspunten in het besluit veiligheid attractie en speeltoestellen. Ondergronden
Laagdikte
Maximale valhoogte
Steen/beton
<0,60 m
Gietrubber/gebonden rubbersnippers
0,60 - 3,00 m
Zand
300 mm
3,00 m
Gras
1,00 m
Kunstgras
0.60 – 3,00 m
b. Rubber –en kunststofondergronden moeten voldoen aan de warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen. c. Los bodemmateriaal: extra laagdikte van 200 mm boven vereiste laagdikte aanbrengen. d. Zorg dragen voor een goede drainerende ondergrond onder waterdoorlatende rubber vloeren, kunstgras, gras en los bodemmateriaal. e. Keuze van het soort valdempende ondergrond afstemmen op de omgeving. f. Geen banken en/of afvalbakken plaatsen in een vaste valondergrond (kunstgras, gietrubber enz.). Eventueel een klein stukje verharding aanleggen of buiten de valdempende ondergrond plaatsen. g. Bij gebruik van hekwerken geen gaas gebruiken in verband met vandalismegevoeligheid. Een spijlenhekwerk of dubbelstaafmat hekwerk zijn goede alternatieven. h. Voordat een speeltoestel en de voorgeschreven bijhorende valondergrond kan worden vrijgegeven voor gebruik, moet met een plaatsingsinspectie worden aangetoond dat de speelvoorzieningen voldoen aan de warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen. Tot die tijd de speelplek degelijk afzetten met bijvoorbeeld bouwhekken. i. Bij de oplevering van een speeltoestel moet het logboek en constructiedossier overgedragen worden aan de aangewezen medewerker van de afdeling Stadsbeheer.
Handboek Beheer Openbare Ruimte | Eisen en aanbevelingen voor de inrichting en beheer van de openbare ruimte
4.9
Openbare verlichting
Binnen de bebouwde kom van de gemeente Leidschendam-Voorburg worden in het algemeen alle wegen, straten, pleinen en voet– en fietspaden van openbare verlichting voorzien. In parken en groenstroken wordt, behoudens een doorgaande langzaam verkeersroute, op grond van ecologische overwegingen geen openbare verlichting aangelegd.
j.
k.
l.
4.9.1 Algemeen en veiligheid a. Het ontwerp moet (verlichtingssterkte e.a.) voldoen aan de Richtlijn Openbare Verlichting 2011 van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde met uitzondering van de verlichtingssterkte in woonstraten, hier moet de gemiddelde verlichtingssterkte 5 lux en de gelijkmatigheid hierbij minimaal 0.4 bedragen zodat op een goede wijze de sociale- en verkeersveiligheid is gewaarborgd. b. Ontwerp en keuze materialen moet voldoen aan het “Beleidsplan Openbare Verlichting”. Afwijkingen op dit beleidsplan alleen in overleg met de beheerder. c. Het verlichtingsontwerp (situering, mastafstanden, lichtniveaus) moet in samenspraak met de beheerder van de openbare ruimte worden opgesteld. d. De afstand van de masten tot de trottoirband moet 0,30 m bedragen. Afwijking hiervan behoeft goedkeuring. Er moet zoveel mogelijk gestreefd worden naar een vrije doorgang op het voetpad van 1,50 m met een minimum van 1,00 m. e. Bij opstellen verlichtingsplan rekening houden met bomen. - Bij bomen van de 1e grootte de minimale afstand tussen hart bomen en zijkant lichtmasten 8,00 m. - Bij bomen van de 2e en van de 3e grootte de minimale afstand tussen hart bomen en zijkant lichtmasten 6,00 m. - Boomkronen mogen het verlichtingsarmatuur niet belemmeren. f. Beplanting mag het uitgestraalde licht niet wegnemen. g.
Lichtmasten bij voorkeur plaatsen in tegelverharding in verband met scheefzakken. h. Lichtmasten in dijklichamen voorzien van grondplaat. i. Masten bij parkeerplaatsen moeten zo worden geplaatst dat rekening wordt gehouden met openslaande portieren.
Afdeling Stadsbeheer Handboek Beheer Openbare Ruimte - Versie 2020
m.
n. o.
p.
Pagina 43
In geval van gestoken parkeerplaatsen moet de plaats van een mast worden gekozen op de kop van de overgang van de parkeervakken. Indien verlichting door middel van wandarmaturen of overspanningen wordt gerealiseerd moet hiervoor zakelijk recht gevestigd worden. Het onderhoud van het gebouw moet ten laste van de eigenaar komen. Ten behoeve van de elektrische aansluiting moet een gevelkast geplaatst worden op maximaal 2,00 m hoogte. In geval van overspanningen/wandarmaturen die door het wegverkeer kunnen worden aangereden moet een minimumhoogte van 4,50 m aangehouden worden. Verlichting moet te allen tijde bereikbaar zijn met daartoe geschikt materieel. Kabels ten behoeve van openbare verlichting worden gelegd door de netbeheerder. Aansluitingen voor lichtmasten moeten aangevraagd worden bij de netbeheerder op www.aansluitingen.nl. De lichtmasten moeten bij plaatsing aan de binnenzijde worden afgevuld met schoon zand tot 10cm boven maaiveld.
4.9.2 Materiaal (basis gebied) 4.9.2.1 a.
b. c. d.
Lichtmasten Standaardhoogten: 4,00 m paaltop voor voet/ fietspaden en 5,00 m, 6,00 m, 8,00 m en 10,00 m allen met uithouder, voor alle overige wegen. Lichtpunthoogte afgestemd op wegbreedte en wegcategorie. Fabricaat: Kaal of gelijkwaardig voorzien van een Kaalfix-sluiting. Lichtmasten poedercoaten in de kleur RAL 7040 grijs, RAL 6009 groen of RAL 9005 zwart.
4.9.2.2 Armaturen a. De beschermingsgraad van verlichtingsarmaturen moet IP 65 of hoger zijn. b. Alle nieuw toe te passen verlichtingsarmaturen moeten uitgevoerd zijn met led. c. Armaturen moeten gekozen worden uit het bestaande areaal, in overleg met de beheerder en gebaseerd te zijn op de economisch meest voordelige keuze. d. Armaturen moeten op afstand dimbaar zijn (systeem in overleg met beheerder).
Pagina 44
Handboek Beheer Openbare Ruimte | Eisen en aanbevelingen voor de inrichting en beheer van de openbare ruimte
4.9.2.3 Lampen a. Alleen ledlampen toepassen met de lichtkleur 3000Kelvin
d.
4.9.3 Specials (intensief gebied) a.
In overleg met de beheerder
4.10
Kabels en leidingen (excl. riolering)
De gemeente Leidschendam-Voorburg is verantwoordelijk voor de situering van kabels en leidingen. Voor het aanleggen en omleggen van kabels en leidingen in de openbare ruimte is een vergunning van de gemeente vereist. Voor het aanleggen en omleggen van kabels en leidingen door sloten is een keurvergunning van het Hoogheemraadschap verplicht. De gemeente verstrekt pas vergunningen als een keurvergunning kan worden overlegd. Voor het aanleggen en omleggen van kabels en leidingen kan ook een aanlegvergunning vereist zijn. Wanneer en of dit van toepassing is wordt genoemd in het vigerende bestemmingsplan.
4.10.1 a.
e.
f.
g.
h.
Algemeen
Standaard tracé voor kabels en leidingen is gelegen 1,80 m1 gerekend vanaf de erfgrens. b. Ligging kabels- en leidingen in het standaardtracé gerekend vanaf de erfgrens: 0,00 m - 0,30 m Omroepnetwerken (0,60 m onder maaiveld). 0,40 m - 0,60 m Elektrakabels (0,60 m (LS) 0,90 m (HS)onder maaiveld). 0,80 m - 1,20 m Waterleiding (1,00 m onder maaiveld). 1,30 m - 1,60 m Gasleiding (0,90 m onder maaiveld). 1,60 m - 1,80 m Telecom (0,60 m onder maaiveld). Bij de aanleg van gasloze wijken worden de telecomkabels aangelegd op de plaats van de gasleiding. Reserveren vrije zone t.b.v. uitleggers riolering (HWA, DWA en drainage-aansluitingen) 0,60 m – 0,80 m onder maaiveld. c. Bomen moeten op een minimale afstand van 1,50 m worden geplaatst. Hierbij is het noodzakelijk een plantsleuf of antiwortelvoorzieningen aan te brengen. Vanaf globaal 2,50 m is dat niet meer nodig.
i.
j.
k.
l.
m.
n.
Kabels en leidingen moeten in open verharding worden aangebracht. Geen gesloten verhardingen, halfverhardingen of steenachtige funderingen boven kabel- en leidingtracés ontwerpen. Kabels en leidingen in lengterichting onder trottoir en niet onder wegen (zie ook verhardingen). Geen kabels en leidingen in de lengterichting onder de trambaan. Kruisingen van kabels en leidingen met de trambaan moeten worden voorzien van deugdelijke constructies voor bescherming en bereikbaarheid. De kosten voor het verleggen van bestaande kabels of leidingen in het te ontwikkelen terrein komen voor rekening van de ontwikkelaar. De nutsvoorzieningen voor het bouwplan moeten in het bouwplan opgenomen worden. Dit betekent dus opstallen voor trafostations voor de stroomvoorziening van Stedin en kasten voor telecomaanbieders zoals KPN en Ziggo. Bij projecten van enige omvang in overleg met gemeente en nutsbedrijven nutsleidingtracés vaststellen. Ruimte voor lichtmasten en kolken reserveren buiten tracés. Nutsleidingstroken buiten riooltracés, afstand nutsvoorzieningen tot hart rioolbuis minimaal 1,00 m voor persleidingen en minimaal 1,50 m voor vrijverval rioolbuizen. Voor gas- en waterleidingen is de afstand van de leiding tot het riool afhankelijk van diameter en hoogteligging riool, overleggen met belanghebbenden.
De verantwoordelijkheid voor kabels en leidingen liggen bij de kabel- en leidingenbeheerders. De beheerder van de openbare ruimte heeft alleen invloed op de plaats van de kabels en leidingen in het tracé. Optimaal gebruik maken van beschikbare ruimte, alle kabels en leidingen bundelen in Nutsleidingenstrook. Bovengrondse voorzieningen zoveel mogelijk vermijden boven kabels en leidingen (banken, borden, abri´s etc.). Bovengrondse voorzieningen t.b.v. nutsvoorzieningen moeten worden ingepast in de omgeving, trafo’s en andere omvangrijke voorzieningen opnemen in bebouwing. Trafo’s en andere omvangrijke voorzieningen moeten bereikbaar zijn voor vrachtverkeer
Handboek Beheer Openbare Ruimte | Eisen en aanbevelingen voor de inrichting en beheer van de openbare ruimte
o.
p. q. r.
s.
t.
Bovengrondse voorzieningen mogen het uitzicht op kruisingen en bochten niet belemmeren. Waar nutsleidingtracés verhardingen kruisen, extra mantelbuizen toepassen. Bij kruisingen met bestaande verhardingen mantelbuizen persen. Ter plaatse van kruisingen mantelbuizen voor de nutsbedrijven leggen, en wel voorafgaand aan het aanbrengen van de fundering, aantal, uitvoering en detaillering conform eisen betreffende nutsbedrijf. Bij kruisingen met vrijverval- en persrioleringen en duikers, minimale tussenafstand kruisende buizen 0,30 m (minimaal 0,20 m) tussen buitenkant leidingen Kabels en leidingen niet onder particuliere grond aanleggen.
4.10.2 Gebruik en veiligheid a.
b.
c. d. e. f.
Brandkranenplan opstellen in overleg met de brandweercommandant en het waterleidingbedrijf. In overleg met brandweercommandant markering aanbrengen rondom brandkranen i.v.m. waarneembaarheid. Locaties maximaal 15 m vanaf openbare rijbaan. Geen ondergrondse brandkranen plaatsen in parkeervakken. Rond gasregelstations een onbebouwde ruimte aanhouden conform eisen gasbedrijf. Niet meer in gebruik zijnde kabels en leidingen moeten worden verwijderd.
4.10.3 Grondwerk a. b.
In nutsleidingsleuven grondverbetering van minimaal 0,10 m toepassen. Kabel- en leidingstroken aanvullen met zand tot onderzijde cunet c.q. 0,20 m onder toekomstig maaiveld in bermen en groenstroken.
4.11
Riolering en drainage
4.11.1
Inleiding
Het netwerk van leidingen en voorzieningen voor het transport van hemel- en afvalwater en grondwater kan bestaan uit vrij verval stelsel, stelsel voor drukriolering, gemalen, randvoorzieningen, waterbergingsvoor zieningen, infiltratievoorzieningen en greppels. Afvalwater moet in een afgesloten ondergronds leiding
Afdeling Stadsbeheer Handboek Beheer Openbare Ruimte - Versie 2020
Pagina 45
systeem zonder lozingsvoorzieningen naar de (eind) gemalen worden getransporteerd. De riolering moet bovengronds goed bereikbaar zijn en veilig liggen in openbare grond. In geval van onontkoombare aanleg op particuliere grond moet een recht van opstal worden gevestigd. De beoogde levensduur van voorzieningen is in beginsel 80 jaar en hierop moet het ontwerp en de materiaalkeuze worden afgestemd.
4.11.2
Ontwerpproces
4.11.2.1
Waterhuishoudings, -drainage- en rioleringsplan
Voorafgaand aan de besteksfase moet een waterhuishoudings-, drainage- en rioleringsplan in concept worden overlegd en goedgekeurd door de water- en rioolbeheerder. Uitgangspunt is de waterparagraaf in het bestemmingsplan, een (concept) stedenbouwkundig plan en de ligging van kabels-, leidingen, watergangen en duikers. In geval van rioolvervanging is altijd aanleg van drainage en hemelwaterriolering vereist. Dit plan omvat ten minste: - Een situatietekening van de bestaande (te handhaven en te verwijderen) en geplande voorzieningen met hoofdafmetingen, hoogteligging, bestaande en geprojecteerde maaiveldhoogten, aansluiting op bestaande voorzieningen e.d. (houdt rekening met eisen in de onderstaande paragrafen over de besteksfase). - Een hydraulische berekening van de neerslagafvoer van hemelwatersysteem en gemengd stelsel bij de vereiste ontwerpregenbuien (T=2, 5 en 10 jaar) en bij de vereiste extreme regenbui (T=100 jaar, inclusief afstroming over straat). Het ontwerp van het hemelwatersysteem baseren op aansluiting van 100% van het verharde oppervlak, inclusief daken, opritten tot aan de gevel, voortuinen kleiner dan 2 m tot aan de gevel als verhard rekenen en 100% van verharde bedrijfsterreinen. De uitgangspunten voor het gemengde stelsel in overleg vaststellen.
- Een hydraulische berekening van de afvalwaterafvoer en aanvoercapaciteit van DWA-gemalen bij het ontwerp droogweerafvoer op basis van ontwerpnormen zoals vermeld in par 4.11.3.8, lid b.
Pagina 46
Handboek Beheer Openbare Ruimte | Eisen en aanbevelingen voor de inrichting en beheer van de openbare ruimte
- Een hydraulische berekening van de ontwatering van de grond bij het vereiste ontwerp neerslagintensiteit van 15 mm/dag, tenzij de ontwateringsbasis zo laag is en voldoende berging in de bodem aanwezig is om met een lagere capaciteit rekening te houden. Ook moet rekening worden gehouden met kwel vanuit de bodem of vanuit de boezemwatergangen en bij rioolvervanging met oplopende grondwaterstanden. Vereist is een geohydrologisch model nabij waterkeringen of in eenvoudige situaties de formule van Hooghoudt. - De berekeningsresultaten worden in een situatie van het netwerk gepresenteerd waarin de maximaal berekende waterstanden bij de ontwerpafvoeren en maaiveld/weghoogten in de knooppunten cijfermatig zijn weergegeven t.o.v. NAP. Tevens zijn bijzondere voorzieningen aangegeven, zoals gemalen, overstorten en lozingspunten met afmetingen en afvoerdebieten bij de ontwerpafvoeren. - Een geohydrologisch onderzoek met bodemopbouw, huidige GLG en GHG en verwachtte GLG en GHG, afgestemd op de ontwateringseisen en funderingen. Funderingswijze en ontwateringseisen verschillen per gebied en hiervoor is overleg met gemeente vereist. In dit onderzoek is ook de horizontale en verticale doorlatendheid opgenomen o.a. ten behoeve van bovenstaande berekeningen en infiltratiemogelijkheden.
- Een geotechnisch onderzoek dat aantoont dat het gekozen afschot van de riolering voldoende is om tegenschot te voorkomen ten gevolge van ongelijkmatige zettingen tijdens de levensduur van 80 jaar in zandgrond en 60 jaar in overige grondsoorten en dat er geen gevaar is op lichte schade aan omliggende bebouwing ten gevolge van de werkzaamheden. Eisen aan de uitvoeringswijze moeten hier opgenomen worden. Het rioolontwerp moet uit gaan van een gescheiden neerslagafvoer waarbij geen verhard oppervlak wordt aangesloten op het vuilwater of gemengde rioolstelsel maar afvoert naar het grond- of het oppervlaktewater. Het stelsel moet voldoen aan de daarvoor door Europa, het Rijk, de Hoogheemraadschappen en de gemeentelijke (beheerder) te stellen eisen en normen. Hiervoor wordt onder andere verwezen naar de meest actuele wet- en regelgeving, N(EN) normen en
besluiten/beleidsdocumenten: Kaderrichtlijn Water Waterwet Waterschapswet Deltawet Wet Milieubeheer Wet bodembescherming - Het gemeentelijke Water- en Rioleringsplan (WRP) van Leidschendam-Voorburg Nationaal Bestuursakkoord Water - Kennisbank Stedelijk Water van Stichting Rioned De van toepassing zijnde N(EN)-normen Bouwbesluit - Keur van het betrokken hoogheemraadschap (Af te voeren hoeveelheden en werkzaamheden aan lozingspunten en duikers vereisen een watervergunning van het betreffende hoogheemraadschap. Deze moet op basis van het rioleringsplan worden aangevraagd). 4.11.2.2 Bestek Ligging van de regen- of vuilwaterriolen en persleidingen in openbaar gebied is zodanig obstakelvrij dat de leidingen in een vrije strook liggen en bij voorkeur in het hart van de weg onder wegen met elementenverharding (erftoegangswegen). In gebiedsontsluitingswegen met asfalt is de ligging in de as van een doorgaande rijstrook. Ligging onder trottoir, parkeerplaats en groenstrook is niet wenselijk, tenzij er technisch geen passend alternatief is. De ligging is afgestemd met bestaande en toekomstige kabels en leidingen, boomgroeiplaatsen en uitvoerbaarheid. Afhankelijk van de draagkracht en de restzetting van de ondergrond moet riolering gefundeerd worden of moet een evenwichtsconstructie met lichte ophoogmaterialen worden toegepast.
Op basis van het geohydrologisch en geotechnisch onderzoek wordt een bemalingsplan opgesteld en zo nodig een grondwateronttrekkingsvergunning en lozingsvergunning van het onttrokken grondwater aangevraagd voor aanbesteding. De mechanisch-elektrische installatie incl. buitenschakelkast van gemalen wordt na een financiële afspraak door of namens de gemeente geleverd en geïnstalleerd. De (betonnen) ontvangstkelder maakt dus geen deel uit van deze levering en installatie. Voor deze installaties zijn merken en typen genoemd, die ook toegepast moeten worden en overgenomen in bestekken. Gelijkwaardige installaties zijn niet toegestaan, omdat de gemeente het beheer en technisch onderhoud in eigen beheer, met eigen of gemeenschappelijke
Handboek Beheer Openbare Ruimte | Eisen en aanbevelingen voor de inrichting en beheer van de openbare ruimte
medewerkers uitvoert. De medewerkers beschikken over onvoldoende kennis van elk type schakelkast. Hierdoor zouden reparaties en herstelwerkzaamheden onnodig langer dan normaal duren. In het kader van efficiëntie is uniformiteit in de schakelkasten noodzakelijk.
4.11.3.5 Flexibiliteit a.
Algemeen
4.11.3.1 a.
Technische staat Bestand tegen de plaatselijke gronddruk, zettingen en verkeersbelastingen. Behoudens calamiteiten en aanpassingen minimale levensduur 80 jaar, 60 jaar indien zettingen optreden Ligging van de hemel- of vuilwaterriolen in openbaar gebied moet zodanig obstakelvrij zijn dat de leidingen in een vrije strook liggen en bij voorkeur onder wegen met elementenverharding. Deze strook kan eventueel ook gelegen zijn onder een rijbaan, stoep, fietspad, parkeer- of groenstrook. Een combinatie hiervan is ook mogelijk.
b.
c.
b.
b. c. d.
e. f. g.
h.
Alle onderdelen van het gehele rioolsysteem zijn goed bereikbaar voor onderhoud en calamiteiten. Verdekte putten zijn niet toegestaan. Reguliere inspecties kunnen zonder opbrekingen plaatsvinden. In verband met levensduurverlenging van de riolering en tegengaan van zettingsverschillen zoveel mogelijk lichte materialen toepassen. Regulier onderhoud moet normaal gebruik van de openbare ruimte zo min mogelijk ontregelen. Kolken zo ver mogelijk (minimaal 5,00 m) van uitritten en verkeersdrempels. Kolken plaatsen in de goot op plaatsen die goed bereikbaar zijn voor de kolkenzuiger en waar zo min mogelijk last is van geparkeerde auto’s. De openingen van kolken moet van voldoende afmetingen zijn voor machinaal reinigen.
4.11.3.3 Technische veiligheid a.
Bij lekkages geen gevaar voor de omgeving.
4.11.3.4 Functionaliteit a.
Een zo optimaal mogelijk gebruik van de ondergrondse ruimte in relatie tot een duurzame inrichting van het totale ruimtegebruik.
Afdeling Stadsbeheer Handboek Beheer Openbare Ruimte - Versie 2020
Zoveel mogelijk kiezen voor duurzame materialen, geschikt voor hergebruik en niet milieubelastend. Volledig gescheiden afvoer van hemelwater, waarbij in voor vervuiling gevoelige gebieden zoals bepaalde bedrijventerreinen zuiverende voorzieningen vereist zijn. Hierbij gaat de voorkeur uit naar bovengrondse afvoer en toepassen van een bodempassage. Ter bescherming van het zuurstofgehalte in oppervlaktewater moet hemelwaterriolering met 2 ha verharding of meer binnen 24 uur leeggepompt te worden naar het oppervlaktewater.
4.11.3.7 Ontvangend oppervlaktewater en duikers a.
4.11.3.2 Onderhoudbaarheid a.
Wijzigingen in ligging moeten mogelijk blijven. Ook wijzigingen van het gebruik.
4.11.3.6 Milieuwaarde en waterkwaliteit a.
4.11.3
Pagina 47
b. c.
In het ontwerp is de door het betreffende Hoogheemraadschap en in de Watertoets uit het bestemmingsplan vereiste waterberging aanwezig. Het kan zijn dat vanuit de gebiedsinrichting aanvullende eisen aan de waterberging en het oppervlaktewater door de gemeente worden gesteld, zoals aanleg van natuurvriendelijke oevers. Ontwerp van duikers voldoet aan de eisen van het betreffende Hoogheemraadschap. Als de afvoer uit de riolering groter is dan de bergingscapaciteit van de direct ontvangende watergang, moeten duikers naar andere watergangen zijn gedimensioneerd op de riolering technische afvoer.
4.11.3.8 Ontwerpnormen a.
Bij het ontwerpen van het gescheiden rioolstelsel is het van belang aandacht te schenken aan het: - voorkomen van verontreiniging van de bodem, grondwater(overlast) en dichtslibben van voorzieningen. - aparte afvoeren van hemel- en drainagewater in verband met drukverhogingen bij piekafvoeren. - nieuwe gemengde en vuilwater overstorten zijn niet toegestaan en zo nodig opvangen bufferen en/of zuiveren van de piekbelasting. Bestaande overstorten moeten zoveel mogelijk gesaneerd worden.
Pagina 48
b.
Handboek Beheer Openbare Ruimte | Eisen en aanbevelingen voor de inrichting en beheer van de openbare ruimte
- afkoppelen hemelwater van daken en bij voorkeur vertraagd afvoeren naar het grond- en oppervlaktewater (regentonnen, grindbakken e.d.). - bij voorkeur toepassen van minder verharding en/of waterdoorlatende verharding. - de tijdelijke situatie waarin ook sprake moet zijn van een goed functionerend rioolstelsel. Per fase moet een ontwerp en berekeningen worden gemaakt. Hiervoor moeten de benodigde vergunningen ‘werken in de openbare ruimte’ worden aangevraagd en door de gemeente Leidschendam-Voorburg te worden verstrekt. Bij de berekening moet worden uitgegaan van de navolgende basisgegevens: - Berekenen vrijvervalriolering (voorheen C2100) overeenkomstig Kennisbank Stedelijk Water. - De droogweerafvoer (dwa) bedraagt voor vrijvervalrioolsystemen 12 l / inw.h en voor drukrioleringssystemen 15 l / inw.h Gemiddelde woningbezetting 3 inw./ woning. Voor kantoren en scholen is dit 5 liter/uur/persoon. Bijzondere afvoeren afhankelijk van aard en omvang te vestigen bedrijven en bijzondere bebouwing zie Kennisbank Stedelijk Water, Functioneel ontwerp (voorheen module B2100) van de kennisbank Stedelijk Water.
- De ontwerpregenintensiteit is 100 liter/ sec/ha verhard oppervlak of bui 8 uit de Kennisbank Stedelijk Water en in geval kans op schade ontstaat aan woningen of gebouwen 150 l/s/ha of bui 9 uit de Leidraad Riolering (bijvoorbeeld in geval van verdiepte ligging of vloerpeilen gelijk aan of minder dan 0,15 m boven straatniveau). - het spiegelverhang in de leidingen mag niet verder oplopen dan tot maximaal 0,20 m onder het niveau van de kruin van de weg bij de bovengenoemde ontwerpregenbui/intensiteit.
4.11.3.9 Amoveren oude riolering Oude, niet meer in gebruik zijnde rioleringen, gemaal put inclusief inwendig materiaal, sokkel, buitenopstellingskast met inwendig materiaal, mantelbuizen, persleidingen en andere onderdelen van het rioolstelsel moeten worden gereinigd en op
milieuverantwoordelijke wijze worden afgevoerd; Indien delen van het riool niet kunnen worden verwijderd, is dichtspuiten met lichtbeton, dicht- schuimen of anderszins behandelen in overleg met de beheerder toegestaan. Dit geldt uitsluitend voor de delen waar amoveren onmogelijk is.
4.11.4
Vrij verval riolering
4.11.4.1 Technische eisen a. Geen verbindingen tussen het DWA- stelsel en HWA-stelsel aanbrengen. b. Bij dode einden van het DWA-stelsel 2 kolken aansluiten of bij voorkeur een afschot van 1:200 realiseren. c. Op het DWA en gemengde -riool mogen geen drainageleidingen worden aangesloten. d. Drainageleidingen direct, of na toestemming via het HWA-stelsel, laten afvoeren op het oppervlaktewater. e. Voor het DWA- en het RWA-hoofdriool is de minimale nominale diameter inwendige 300 mm (beginriolen min. 250 mm). f. Huis- en kolk-aansluitingen dimensioneren op de te verwachten afvoer: DWA: maximaal halve buisvulling en HWA: aangesloten verhard oppervlak bij een ontwerpregenintensiteit van 300 l/s/ha met een toegestane opstuwing van maximaal 0,05 m inclusief intreeverlies van kolken. Minimale diameter Ø125 mm en bij aansluiting van DWA van meerdere woningen b.v. etagewoningen Ø160 mm. g. Het toepassen van 90º bochtstukken/ (haakse) T- stukken is niet toegestaan. Haakse T-Stukken mogen wel gebruikt worden als ontstoppingsstuk. Gebruik 2 bochten van 45º. h. Het bodemverhang van het DWA-straatriool moet in het algemeen 1:300 tot 1:500 zijn, van het HWA-riool 1:500 tot 1:700. Drainage ligt horizontaal en hiervan mag niet worden afgeweken, zeker niet met een hogere ligging, b.v. voor het kruisen van kabels en leidingen.
De hoogteligging van drainage is gerelateerd aan het oppervlaktewaterpeil: Binnen-bovenkant buis ligt 0,10 m beneden waterpeil of lager. i. Hoofdriolen en drainage moeten zodanig worden gelegd dat deze, gerekend ten opzichte van de bovenkant van de buis, minimaal een gronddekking hebben van 1,35 m. De maximale gronddekking is 3.50 m.
Handboek Beheer Openbare Ruimte | Eisen en aanbevelingen voor de inrichting en beheer van de openbare ruimte
j.
k.
l.
m.
n.
o.
p.
q. r.
Huis- en kolkaansluitingen op het hoofdriool uitvoeren met zettingsmof volgens type-tekening LC07-64 of vergelijkbaar met flexibele leiding. Hemelwateraansluitingen van kunststofbuizen hebben de kleur grijs en vuilwater aansluitingen de kleur bruin. Elke rioolhuisaansluiting voor vuilwater (DWA) moet voorzien zijn van een eenvoudig toegankelijk ontstoppingsstuk (PVC/PE met overgang op gres diameter 150 mm inwendig) 0,50 m buiten de eigendomsgrens. Hiervoor is een standaard detailtekening beschikbaar. Elke regenwater-huisaansluiting voorzien van een eenvoudig toegankelijk ontstoppingsstuk nabij de gevel. Ontluchting vindt plaats via een standleiding op particuliere grond. Bij aanleg van gescheiden aansluitingen moet aandacht zijn voor voldoende ontluchtingsmogelijkheid In het geval van aansluiten van de woning riolering op een gemengd stelsel, onderaan in de regenpijpen een overloop constructie aanbrengen om hoge waterdruk en schade in de woning te voorkomen. Hierbij rekening houden met een stankscherm/-afsluiter. Kolkaansluitingen moeten ontstopt kunnen worden via de kolk welke voorzien moet zijn van een stankafsluiter. De verbindingen van de kunststofbuizen uitsluitend door middel van moffen en rubbermanchet. Kunststof (pvc) riolen met bijpassende hulp stukken aansluiten op beton- en gresbuizen.
In gemengde stelsels waar de weg niet op is aangesloten waar nodig enkele roosterdeksels met geurfilter toepassen ten behoeve van de ontluchting en om hoge waterdruk te voorkomen.
4.11.4.2 Materialen a. DWA-hoofdriolen uitvoeren in beton (600 mm en groter) of gresbuizen (max 500 mm) met kraag en flexibele polyurethaanverbinding (K-dichting). In niet zettingsgevoelige gebieden gres toepassen om een langere levensduur te realiseren. In zettingsgevoelige gebieden gaat de voorkeur uit naar PE of PP. b. HWA-hoofdriolen uitvoeren in beton met rubberring verbinding. c. Regenwaterhuis- en kolkaansluitingen maken van kunststofbuizen (of polypropyleen) met bijbehorende hulpstukken gelijkwaardig aan Sn 8 met een minimale diameter van 125 mm resp. van 160 mm.
Afdeling Stadsbeheer Handboek Beheer Openbare Ruimte - Versie 2020
Pagina 49
d.
Rioolspindelschuiven uitvoeren in kunststof, type/fabr. TBS.
4.11.5
Inspectieputten
4.11.5.1 a.
Technische eisen De minimale inwendige afmeting van een inspectieput is minimaal 0.80 x 0.80 m, compleet met een rammelvrije overrijdbare putafdekking voor zwaar verkeer (leverancier TBS-Soest). De putten moeten bestand zijn tegen de lokale horizontale en verticale gronddruk. Alleen in overleg met de rioolbeheerder kan, afhankelijk van de toe te passen leiding, van de putdiameter afgeweken worden. Putten alleen in speciale situaties voorzien van coating ingestorte mofaansluitingen en rubberringverbinding (bij DWA-stelstel: gresmoffen). De inspectieputten in het DWA-riool en HWA-riool voorzien van een stroomprofiel. De afstand tussen inspectieputten mag zowel in de vuilwaterriolen als in de regenwaterriolen in principe niet groter zijn dan 120 m. Drainage bij voorkeur direct aansluiten op open water en na toestemming beheerder Riolering en Water, eventueel op HWA-putten.
b.
c.
d.
e.
4.11.5.2 Materialen a. Inspectieputten voor het riool zijn uitgevoerd in beton volgens NEN 7035, met een minimale inwendige afmeting van 0,80 m x 0,80 m. Bij putten dieper dan 2,00 m is de minimale afmeting 1,00 m x 1,00 m. b. De inspectieputten waar mogelijk voorzien van kegelopzetstukken. Asymmetrisch bij spindels/ afsluiters). c. Alle inspectieputten van het DWA-riool en HWAriool uitvoeren met stroomprofielen. d. Materiaalkeuze voor drainage in overleg met de beheerder Riolering en Water. Altijd hiervoor aparte (kleine) putdeksels toepassen.
Pagina 50
4.11.6 4.11.6.1 a.
b.
c.
Handboek Beheer Openbare Ruimte | Eisen en aanbevelingen voor de inrichting en beheer van de openbare ruimte
Putafdekking Materialen De gietijzeren putranden met deksels moeten geschikt zijn voor zwaar verkeer, met een dagmaat van 0,60 m (TBS type 313, randhoogte 0,24 m), De toe te passen deksels moeten voorzien zijn van rubberen stankafdichtingen. De putranden voorzien van de opschriften V.W. (DWA-riool), dan wel R.W. (HWA-riool), dan wel D.R. (drainage). Eventuele originele oude gietijzeren putten hergebruiken in de historische gebieden of anders op het gemeentedepot inleveren. Dit in overleg met de rioolbeheerder. Vierkante putdeksels moeten bij rioolvervanging worden vervangen conform 4.11.6.1.a.
4.11.7
Straat en trottoir kolken
4.11.7.1 a.
Technische eisen In overleg met de rioolbeheerder regenwater, via verharding met voldoende afschot, afvoeren naar het oppervlaktewater. Bij de aanleg van een regenwaterstelsel (HWA) moeten straat en trottoirkolken toegepast worden. Ter plaatse van speelplaatsen moeten kolken met een sluiting worden toegepast. Toepassen van lijngoten en/of een ander type afwatering alleen in overleg met de beheerder.
b.
c.
4.11.7.2 Materialen a. De toe te passen straat- en trottoirkolken zijn van het merk “TBS-Soest” type TRK 4717 S en STR 9737 S. b. Gelijkwaardige kolken zijn niet toegestaan, omdat de gemeente het beheer en technisch onderhoud in eigen beheer, met eigen of gemeenschappelijke medewerkers uitvoert. De gemeente beschikt over onvoldoende mogelijkheden om van elk type kolk reserveonderdelen aan te houden. In het kader van efficiëntie is uniformiteit in de kolken noodzakelijk. Zonder deze eis zouden reparaties en herstelwerkzaamheden onnodig langer dan normaal duren, waardoor gevaarlijke situaties onnodig lang duren.
4.11.8
Drukriolering, gemalen en persleidingen
De gemeente Leidschendam-Voorburg werkt met een aanwijsbeleid voor werkzaamheden aan elektrotechnische installaties. Dat betekent dat iedereen die werkzaamheden met of in de directe omgeving van gemeentelijke elektrotechnische installaties uitvoert is aangewezen conform de van toepassing zijnde NEN-norm. Alle werkzaamheden moeten vooraf aangemeld worden bij de werkverantwoordelijke van de gemeente Leidschendam-Voorburg. De installatieverantwoordelijke/werkverantwoordelijk coördineert als opdrachtgever de aanbesteedde werkzaamheden. 4.11.8.1 Technische eisen a. In verband met de bereikbaarheid van het gemaal voor een servicewagen rondom het gemaal verhardingen aanbrengen. Hier mogen geen verkeer belemmerende maatregelen worden aangebracht. Bij slechte bereikbaarheid van de pompen is een nietpermanente hijsdavid-opstelling toegestaan. b. De persleiding buiten de pompput aanbrengen van buizen, minimaal 0,6 MPa, van een kwaliteit die overeenkomt met HPE-buizen. Diameter afstemmen op een minimale stroomsnelheid van 0,7 m/s en een maximale stroomsnelheid van 1,5 m/s bij het werkpunt van gemaal en persleiding. Bijbehorende druk in de persleiding maximaal 0,3 MPa. c. In de inspectieput waar de persleiding het riool binnenkomt een kunststof-coating aanbrengen en de persleiding geleiden in de afvoerrichting.
d. In de persleiding de benodigde ontluchtingen aanbrengen en voorzien van straatpotten. De straatpotten zodanig aanbrengen dat ze gemakkelijk bereikbaar zijn en goed zichtbaar. e. Persleidingen op rioolgemalen en ontvangputten aansluiten met behulp van flexibele trekvaste aansluitingen. f. Persleidingen onder gesloten verhardingen voorzien van een mantelbuis. De persleiding door de mantelbuis voeren met afstandhouders (insulators). Op de uiteinden van de mantelbuizen grondkerende kappen aanbrengen.
Handboek Beheer Openbare Ruimte | Eisen en aanbevelingen voor de inrichting en beheer van de openbare ruimte
g. De pompen aansturen en alarmeren d.m.v. een besturingsunit (Xylem) aangebracht in een kunststof/metalen binnenkast met een HMI-display in het frontpaneel, die minimaal de navolgende functies kan uitvoeren: - Het bij toerbeurt doen schakelen van de dubbelpomps gemalen (gemalen anders dan drukriolering). - Blokkeren van de pompen op afstand (DWA en HWA afzonderlijk) via Xylem hoofdpost. - Keuzeschakelaars voor de pompen -hand, (vaste stand) -uit- en -automaat. Controle/waarschuwingslampen voor: In bedrijf zijn van de pomp(en). Storing van de pomp(en). Hoogwateralarm. - Hoog-hoogwateralarm (resetbaar middels een drukknop en met de gemaalcomputer). - Blokkade van gemaal (DWA/HWA). - Elektrisch schema wordt ter goedkeuring aangeboden aan de beheerder. - Bij gemalen (niet drukriolering of perceelaansluiting) altijd een dubbele pompopstelling toepassen. h. diepte gemaalkelder afstemmen op een gebruikelijke schakelfrequentie en minimaal 0,70 m dieper dan de laagst inkomende binnen onderkant buis. Inslagpeil instellen op 0,40 m onder de laagst inkomende binnen onderkant buis. i. binnenmaatafmetingen van de ontvangkelder minimaal 1,60 m x 1,60 m (niet bij drukriolering). Bij dubbelpompsgemalen: a. Per gemaal minimaal twee pompen voor het DWA-stelsel en twee pompen voor het HWAstelsel. De pompen installeren als elkaars reserve. b.
De pompen moeten zijn automatisch werkende rioolwaterpompen van het type teruggetrokken wervelradwaaier, aangestuurd door een besturingsunit en geplaatst worden op een voetbocht. Verder wordt in de stijgleiding per pomp zo hoog mogelijk een balkeerklep geplaatst en wordt er per pomp een doorspuitkoppeling gemaakt.
Afdeling Stadsbeheer Handboek Beheer Openbare Ruimte - Versie 2020
c.
d.
e. f. g.
h.
i.
j.
k. l.
m.
n.
o.
Pagina 51
Een buitenopstellingskast van 3 mm RVSplaat, gemoffeld in ralkleur 7016, plaatsen met daarin voldoende ruimte voor apparatuur van het stroomleverende bedrijf en de hieronder genoemde elementen. De buitenopstellingskast voorzien van twee deuren met een windhaak en een standaard slot met twee sleutels (Ronis BC 1374) en een luik in de kast voor het eventueel doorvoeren van noodstroomkabels. De naad tussen de apparatuurkast en de betonvoet afdichten met een laag kompriband Schakelautomaat van het fabricaat Xylem. Het overige schakelmateriaal is van het merk ABB. Gemaalcomputer van het fabricaat Xylem met GPRS-modem voor het beheer en besturing van de pompen op afstand te koppelen op het gemaalbeheersysteem van de gemeente Leidschendam-Voorburg. Niveaumeting op basis van een piëzo resistieve drukopnemer van het merk Xylem, type LTU601, 0,00 tot 3,00 m of 0,00 tot 5,00 m waterkolom indien de pompkelder dieper is dan 3,00 m. De kast moet vochtvrij gehouden worden door middel van een verwarmingselement van 150 watt met bijbehorende hygrostaat. Een dubbele wandcontactdoos voor 230 V, gezekerd voor 16 ampère een en ander volgens de norm. Meterbord en, alsmede 1 huisaansluitkast met kabelinvoer. Kastverlichting, bestaande uit 1 Tl-armatuur 8 watt (led uitvoering) De kastverlichting moet worden bediend d.m.v. een deurschakelaar. De pompen aansluiten op de persleiding d.m.v. zgn.
voetbocht - koppelingen. De pompen voorzien van 8 mm gecertificeerde R.V.S.hijsketting met overneemogen. In het gemaal een persleiding aanbrengen van HPE of RVS tot 1,00 m beneden maaiveld voordat deze door de wand naar buiten wordt geleid. Bij gemalen met een afvoer > 50 m3/ uur moet een afsluiter per pomp worden geïnstalleerd. Op verzoek van de opdrachtgever en in elk geval bij gemalen > 15 m3/h in de persleiding een debietmeter van het fabricaat MJK type MagFlux plaatsen. De debietmeter buiten het gemaal installeren in een toegankelijke betonnen put met genoeg werkruimte in overleg met de beheerder.
Pagina 52
p.
q. r. s. t.
u. v.
w.
x.
y. z.
aa.
Handboek Beheer Openbare Ruimte | Eisen en aanbevelingen voor de inrichting en beheer van de openbare ruimte
In elk compartiment van het gemaal 1 drukopnemer (niveaumeting) van het fabricaat Xylem type LTU601, 0-3 m of 0-5 m indien de pompkelder dieper is dan 3,00 m en een vlotterschakelaar t.b.v. hoogwatermelding aanbrengen. Het gemaal aan de binnenzijde voorzien van een kunststof coating. De gehele installatie aarden. De pompen moeten in overleg met de beheerder ingekocht worden bij KSB. In elk compartiment van het gemaal een RVS/ HDPE-rioolafsluiter plaatsen in het toevoerriool zodat de kelder bij werkzaamheden geheel droog kan worden gepompt. Alle overige metalen onderdelen zijn uitgevoerd in RVS. Werkzaamheden aan gemalen moeten vooraf zijn afgestemd met de gemeentelijke installatieverantwoordelijke. Pompinstallaties moeten voldoen aan NEN1010, NEN3140 en de actuele eisen vanuit de ARBO. Bij ingebruikname is er door een onafhankelijke partij een NEN1010 keuring uitgevoerd en wordt dit schriftelijk aan de beheerder overlegd. Luik op het gemaal moet uitgevoerd zijn met een valrooster en gasveren op het te openen luik. Het luik moet een ingestort luik zijn type HS8, fabrikant van Morstelt. De schakelkast moet uit gevoerd zijn met overspanningsbeveiliging van het merk Dehn. De schakelkast moet uitgevoerd worden met een WCD-krachtaansluiting met een omkeerschakelaar, vaste stand, netvoedinguit-aggregaat, die op een aggregaat gekoppeld kan worden.
De pompput heeft een minimale binnenafmeting van 1600 mm x 1600 mm en anders in overleg met de beheerder.
4.11.9
4.11.9.1 a. b. c.
d. e. f.
g.
h.
i. 4.11.8.2 Materialen a. Persleidingen uitvoeren met trekvaste verbindingen. b. aftakkingen van persleidingen uitvoeren met behulp van een y-stuk, zodanig gemonteerd dat reiniging met een PIQ vanuit de gemalen zonder problemen mogelijk is (dus de onderste poot van de y in de richting van het lozingspunt van de persleiding). c. tracé en hoogteligging van de persleiding inmeten ten behoeve van de WION en het beheer.
Drainage
Drainage in gemeentelijke grond uitvoeren samen met HWA-riolering, als IT/drainageriool. Drainage/infiltratiesysteem zonder grind waarbij de infiltratiebuis bestaat uit geperforeerde kunststof pijp van polyethyleen. Daaromheen zit het filter, een net gevuld met gerecycled polystyreen kunstgrind, dat vastgemaakt is aan beide uiteinden van de pijp. Om het filter zit een geosynthetische waterdoorlaatbare wikkel, gefabriceerd van gerecycled uitgerekt polypropyleen, dat het risico van verstopping tegengaat. Het net, dat het geheel omsluit, is gemaakt van gerecycled polyethyleen. Het verbindingsstuk voor het aan elkaar koppelen van de drainagebuizen is eveneens van polyethyleen. (productnaam Drenotube). Situering tussen DWA en HWA –stelsel. Minimale diameter 160 mm en moet voldoen aan kwaliteitsklasse SN8.
j.
k.
l.
Ontwerp-aspecten Drainage op basis van drainageplan. Afstand tot bomen minimaal 2,00 m. Drainagewater alleen direct lozen op oppervlaktewater, niet via de gemeentelijke riolering. Gemeentelijke drainage geheel in openbaar terrein aanleggen. Aansluitingen van privaatterrein alleen via inspectieputten. Inspectieputten moeten bereikbaar zijn voor onderhoudsvoertuigen en ten behoeve van reiniging, doorspuitstukken aanbrengen in inspectieput volgens drainageplan. Inspectieputten van PP met diameter 600 mm, afdekking met betonnen voet en gietijzeren rand met bijbehorend deksel voorzien van opschrift “Drain”. Afstand inspectieputten maximaal 100 m, kruispunten en richtingsveranderingen eveneens voorzien van putten. In cunetten aan weerszijden van cunet een drain met diameter minimaal 160 mm en omhuld met kunststof vezels. Bij lozingspunten op oppervlaktewater betonnen uitstroombakken met regelbare afvoer(hoogte) en vanggedeelte toepassen. De drainageleiding voldoende diep aanleggen, waardoor de kans kleiner is dat machines de leiding tijdens graafwerkzaamheden raken. Bij onderwaterdrainage liggen de leidingen meestal diep genoeg. Bovenkant drainage ligt op 10 cm onder oppervlaktewaterpeil.
Handboek Beheer Openbare Ruimte | Eisen en aanbevelingen voor de inrichting en beheer van de openbare ruimte
m.
Gebruik drainagezand of goed doorlatend materiaal om de drainagesleuf aan te vullen.
4.11.9.2 Ecologie en milieu a. Ondergrondse infrastructuur niet dieper aanleggen dan noodzakelijk, bemalingen zoveel mogelijk beperken. Bij aanwezigheid van bomen de tijdsduur van de bemaling zoveel mogelijk beperken. Eventueel toepassen van retourmaling. Overleg met groenbeheerder is verplicht. b. Waar mogelijk regenwater infiltreren. c. Vrijkomende materialen scheiden, reinigen en op een milieutechnisch verantwoorde wijze afvoeren c.q. verwerken. d. Geen uitlogende materialen als onbehandeld zink gebruiken.
4.11.10 Relinen 4.11.10.1 Ontwerp a. Voorkomen van overlast als gevolg van elke renovatiemethode die styreenhoudende materialen/harsen toepast. Informatieblad ‘Het voorkomen van overlast bij rioolrenovatie met styreenhoudende technieken” b. Programma van eisen of bestek, en het toetsen van het ontwerp door een deskundig extern specialist op het gebied van renovatie. c. Dimensionering en kwaliteitseisen van de aan te brengen liner moet gebaseerd worden op: Een recente (< 3 jaar oud) rioolinspectie. - Een representatieve 10.000 uren test van de aan te brengen materialen. - Recente grondwatergegevens (< 3 jaar oud) van de grondwaterstand die maximaal voor kan komen. - Een zo goed mogelijke bepaling van de grondslag ter plaatse van de te renoveren leiding. - Een juiste aanname van de huidige oude buis toestand conform de laatste normering volgens de ATV-M methodiek 127-2:2000 of de DWA A 143-2:2015 methodiek. d. In zettingsgevoelig gebied Naaldvilten renovatie toepassen. e. In niet zettingsgevoelig gebied GVK of Naaldvilten renovatie toepassen. f. Bij veel lekkages > klasse 3 in de streng Naaldvilten renovatie toepassen.
Afdeling Stadsbeheer Handboek Beheer Openbare Ruimte - Versie 2020
Pagina 53
4.11.10.2 Controle a. Uitvoeringsbegeleiding, kwaliteitscontrole en beproeving door een deskundig extern specialist . b. Kwaliteitscontrole omvat de controle van de ontwerpberekening, uitnemen proefstukken na het installeren van de liner, het testen van de proefstukken in het laboratorium en het analyseren van de testresultaten.
4.11.11
Revisie en oplevereisen riolering
4.11.11.1 Eisen putnummering In de definitieve ontwerpfase, een riooltekening digitaal aanleveren aan de gemeente. De gemeente zet hierop de putnummering en voert de riolering in het beheerpakket in. De tekening wordt retour gestuurd met putnummering, waarna in iedere volgende fase (bestek, aanleg, oplevering inspecties, etc.) deze putnummering ongewijzigd wordt gehanteerd. Stadsbeheer stelt een RibX bestand samen waarin de te inspecteren en/of te reinigen objecten (leidingen, putten, kolken) zijn opgenomen. 4.11.11.2 Eisen beheeroverdracht Voorwaarden aan beheeroverdracht van de riolering, drainage, gemalen en persleidingen Tracé en hoogteligging van de leidingen inmeten ten behoeve van de WIBON en het beheer. Dit geldt ook voor niet verwijderde (wees)leidingen/objecten, huisaansluitingen en drainage tot aan de gevel Inmeten nieuwe situatie x,y,z t.o.v. N.A.P. van straathoogtes, rioolputdeksels, bob-leidingen en ontstoppingsstukken. De liggingsgegevens zijn ingemeten binnen 30 dagen na realisatie. De gegevens worden aangeleverd overeenkomst de CAD-standaard NLCS in DWG en pdf-formaat. Voorafgaande aan de overdracht het gehele rioolstelsel reinigen, inclusief putten, drainage, persleidingen, gemalen, pompputten en andere zaken die onderdeel uitmaken van het rioolstelsel. De rapportage van de reiniging aan afdeling Stadsbeheer op een USB-stick inclusief viewer en RibX.-bestand.
Pagina 54
Handboek Beheer Openbare Ruimte | Eisen en aanbevelingen voor de inrichting en beheer van de openbare ruimte
4.11.11.3 Eisen aan te leveren inspectie bij oplevering/ overdracht Bij overdracht bewijsstukken aanleveren voor het afdoende doorlopen van de volgende acties. Geconstateerde gebreken worden binnen 1 kalendermaand hersteld. Inspectie (groot preventief onderhoud) van mechanische- en elektrotechnische installaties, inclusief werking besturingssysteem van rioolgemalen en drukrioleringssystemen. NEN 3140 en NEN 1010 keuring uitvoeren door volledig onafhankelijke partij. Video-inspectie leveren met behulp van een rijdende camera gebruikmakend van een actuele techniek. De rapportage digitaal met viewer en (RibX) bestanden (nieuwste beschikbare format) overleggen aan de gemeente
4.12
Reiniging
4.12.1
Algemeen
4.12.1.1 Ontwerp a. Rekening houden met gebruik van veegmachines. b. Zogenaamde “veegvriendelijke” profielen, materialen en details toepassen. 4.12.1.2 Onkruid op verharding a. Rekening houden met gebruik van onkruidbestrijdingmachines. 4.12.1.3 Graffiti a. Bevorderen reinheid: voorkomen van graffiti en zwerfvuil. 4.12.1.4 Veiligheid a. Aandacht besteden aan sociale veiligheid, onoverzichtelijke plekken voorkomen.
4.12.2
Vegen
4.12.2.1 Toepassing a. Vanwege de inzetbaarheid van de veegmachines zijn in het algemeen lange rechte wegen en paden, zonder obstakels zoals wegversmallingen en drempels, optimaal. b. Goten aan de straatzijde van parkeervakken. c. Langsparkeervakken voorzien van afgeschuinde hoeken.
d.
Bij bomen tussen haakse parkeervakken de opsluiting op de koppen door laten lopen en de boomspiegel op minimaal 2,50 m vanaf de kop van de parkeervakken laten beginnen.
4.12.2.2 Situering a. Paaltjes, hekjes en anti-parkeerblokken alleen dan toepassen indien dit om verkeerstechnische redenen noodzakelijk is. Eventueel sleutelpaaltjes toepassen. Zie ‘straatmeubilair’. b. Creëer een veegvriendelijk profiel voor fietspaden en wegen, met voldoende breedte etc. Woonstraten zijn een minder groot probleem. 4.12.2.3 Maatvoering a. De minimale breedte voor doorgang van veegmachines moet 1,60 m zijn. b. De minimum draaicirkel voor veegmachines moet 12,00 m zijn. c. De maximale wielbelasting van de veegmachine is 1.000 kg. d. De minimale hoogte van poorten en onderdoorgangen moet zijn: 4,50 m. e. Bij de aanleg van vluchtheuvels, asverspringingen en trottoirbanden moeten rechte hoeken worden vermeden (ronde bochten dus). f. De breedte (van de toegangen) van fiets- en voetpaden moet ten minste 1,20 m zijn. g. De breedte van op- en afritten voor invaliden moet minimaal 1,20 m zijn. 4.12.2.4 Materiaalkeuze a. Straatmeubilair indien mogelijk niet aan muren bevestigen. Maximaal 2 elementen per mast toepassen. b. De openingen van kolken moeten van voldoende afmeting zijn voor het machinaal reinigen. c. Verhardingsmaterialen toepassen die bestand zijn tegen het verwijderen van kauwgum door stralen. 4.12.2.5 Beheeraspecten a. Indien een weg aan één kant afwatering heeft, dan zo mogelijk aan die kant van de weg een parkeerverbod instellen. b.
Bij de aanleg van parkeerstroken moet de afwatering plaats vinden aan de “straatzijde” van de geparkeerde auto’s. c. Alleen indien het afsluiten van fiets en voetpaden voor autoverkeer absoluut noodzakelijk is, kunnen sleutelpalen worden toegepast.
Handboek Beheer Openbare Ruimte | Eisen en aanbevelingen voor de inrichting en beheer van de openbare ruimte
d.
Vrije ruimte onder banken, fietsklemmen, afvalbakken moet minimaal 0,20 m zijn.
4.12.3 Onkruid op verharding 4.12.3.1 Algemeen a. Onkruid in verhardingen wordt periodiek met hete lucht of heet water weggebrand of met toestemming van de beheerder weggeborsteld. Dit is een arbeidsintensieve werkwijze, waardoor preventieve maatregelen noodzakelijk zijn. b. Leidschendam-Voorburg gebruikt geen chemische middelen voor onkruidbestrijding. 4.12.3.2 Toepassing a. Zo weinig mogelijk obstakels op de verharding toepassen. b. Rekening houden met bereikbaarheid voor onderhoudsmaterieel (Onkruidbestrijdingsmachines.). 4.12.3.3 Situering a. Rond en onder straatmeubilair (bijv. zitbanken) bij elementverharding ander materiaal kiezen of met een tuinband (10 cm) apart gebiedje creëren met brede voegen tussen de stenen, die gevuld worden met onkruidwerend (cementachtig) materiaal. Daardoor is het niet langer nodig het onkruid (handmatig) onder banken te verwijderen. b. In boomkransen de grond afdekken met kleiachtig, onkruidwerend materiaal dat wel lucht en water doorlaat maar onkruidgroei bemoeilijkt.
4.12.4 Afvalinzameling 4.12.4.1 Toepassing a. Bereikbaarheid van de inzamellocaties voor bewoners en voor wagens van de gemeentelijke inzamelaar garanderen. b. Onder milieuparken gesloten verharding aanbrengen (asfalt of beton). 4.12.4.2 Situering a. De 4 inzamelfracties (GFT, PMD, OPK en restafval) zoveel mogelijk bij elkaar plaatsen. b. Loopafstanden voor inzamellocaties zodanig kiezen dat er voor grondstoffen max. 75 meter en voor restafval max. 250 meter gelopen hoeft te worden. c. Maximaal aantal huishoudens per inzamelfractie, Inzamelfractie
d.
e.
f. 4.12.3.4 Maatvoering a. Zie voor maatvoering voet- en fietspaden de hoofdstukken Verhardingen en Verkeer. 4.12.3.5 Materiaalkeuze a. Bij voorkeur gesloten verhardingen toepassen. b. Maatvoering en detaillering zo kiezen dat totale voeglengte wordt geminimaliseerd. c. Bij elementverhardingen hebben grote elementen de voorkeur.
g. h. i. j. k.
Afdeling Stadsbeheer Handboek Beheer Openbare Ruimte - Versie 2020
Pagina 55
Aantal huishoudens
Restafval
80
PMD
75
GFT
100
OPK
250
Glas
500
Textiel
900
Glas- en papiercontainers zoveel mogelijk plaatsen op locaties nabij winkels, supermarkten. Voor alle soorten containers geldt: door uitgekiende plaatsing stank- en lawaaioverlast voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door locaties aan de zuidzijde (schaduwzijde) van de weg te plaatsen. Minimaal 6 m afstand tot de voorzijde woning aanhouden, geen containers plaatsen onder openslaande ramen en balkons. Tussen zijkant containers en bomen minimaal 5 m aanhouden. De afvalcontainers zijn bij voorkeur bereikbaar zonder drukke wegen over te steken. Containers plaatsen in trottoirs, parkeerplaats, en groenstrook als alternatief. Geen containers op speel- en zitplekken, niet onder lichtmasten of bomen. Ondergrondse containers bij voorkeur direct naast de rijbaan situeren. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een parkeerstrook en een verbreding van het trottoir (‘koppen”).