2984-72 Bijlage 69 toelichting, Handboek beheer openbare ruimte
Tekst van het document
4.2.6
Bermen
4.2.6.1 a.
Situering Vermijd steile taluds zoveel mogelijk (< 1 : 3).
4.2.6.2 Maatvoering a. Geen smalle stroken groen tussen aan de ene kant een voet-/fietspad en aan de andere kant de rijbaan. De reden hiervoor is dat deze niet goed te onderhouden en onderhoudsintensief zijn. 4.2.6.3 Materiaalkeuze a. Bij de aanleg van bermen schrale grond gebruiken, met maximaal 3% organische stof.
4.2.7 Natuur : flora en fauna 4.2.7.1 a.
Algemeen Gebieden die binnen de Ecologische Hoofdstructuur vallen, moeten voldoen aan de landelijke en provinciale eisen. b. Bij herinrichting van gebieden de bestaande natuurlijke waarden in kaart brengen. c. Bij natuurontwikkeling moet in een vroeg stadium nauw overlegd worden met de toekomstige beheerder en met een ecoloog. Van het bestaande moet optimaal gebruikt worden gemaakt (ongestoorde grond, bestaande floristische en faunistische waarden, voorkomen van onnodige verrijking van de grond). d. Houtakkers: belangrijke landschapselementen, die moeten worden gehandhaafd. e. Provinciaal en gemeentelijk Structuurplan volgen. f. Rekening houden met ecologische verbindingen en steppingstones.
Pagina 24
4.2.8
Handboek Beheer Openbare Ruimte | Eisen en aanbevelingen voor de inrichting en beheer van de openbare ruimte
Halfverharding
4.2.8.1 Algemeen a. Onder halfverhardingen wordt verstaan: verharding bestaande uit een laag ongebonden materialen (grind, mijnsteen, schelpen, boomschors, e.d.). b. Halfverharding is geschikt voor sportvelden en als ondergrond voor speelvoorzieningen (schors, houtsnippers), maar moet verder niet of zo weinig mogelijk worden toegepast. Redenen: - De meeste halfverharding materialen zijn gevoelig voor opdooien: na een vorstperiode dooit de bovenlaag, terwijl de ondergrond nog bevroren is, waardoor het water niet weg kan en er een papperig geheel ontstaat. - Het onkruidvrij houden van halfverharding is – zonder toepassing van chemische middelen – bijzonder intensief, vooral als het minder frequent betreden wordt. - Halfverharding raakt gemakkelijk verspreid op andere plaatsen (gras, verhardingen) en vormt daarmee een extra risico voor de beheerder (maaimachines). - Halfverharding van schelpen moet jaarlijks aangevuld worden. c. Onder halfverharding geotextiel toepassen. 4.2.8.2 Situering a. Geen halfverharding toepassen in situaties die onkruidvrij moeten zijn (bijvoorbeeld rond en onder zitbanken) en daar waar een veilige en frequente doorgang voor mensen met een functionele beperking moet worden gewaarborgd. 4.2.8.3 Materiaalgebruik a. Toe te passen materiaal in overleg en met toestemming van beheerder.
4.3
Verhardingen
4.3.1
Algemeen
a. In Nederland is de overheid verantwoordelijk voor het beperken van de geluidhinder. De wegbeheerder moet bij aanleg of reconstructies van wegen voldoen aan de eisen die gesteld zijn in de Wet Geluidhinder. Op basis van de Wet
Geluidhinder moeten zo nodig maatregelen getroffen worden zoals het toepassen van stille wegdekken. In ieder geval moet voorkomen worden dat bij reconstructie van wegen de geluidhinder toeneemt (stand-still beginsel). Voor bestaande situaties met een (te) hoge geluidbelasting moet bij grootschalig onderhoud maatregelen getroffen worden door het toepassen van stille wegdekken. b. Voldoen aan de wettelijke verkeersveiligheids eisen. c. Vanuit aanliggende bebouwing en voorbijrijdende auto’s goed zicht op de openbare ruimte. d. Goed overzicht, geen dode hoeken, voldoende doorkijk. e. Bij de inrichting van de openbare ruimte rekening houden met een goede toegankelijkheid voor mensen met een functionele beperking. Bij oversteekpunten met de rijweg een geleidelijke stoepverlagingen toepassen. f. De totale wegconstructie van de doorgaande wegen moet de maximaal toegestane Europese verkeersbelasting kunnen dragen (aslast 12 ton, totaal treingewicht 60 ton) en een levensduur hebben van 50 jaar voor de fundering en 20 jaar voor de verharding. g. Verhardingsmateriaal moet goed te reinigen zijn, courant en, binnen redelijke termijn, leverbaar. h. De afwatering moet binnen het profiel plaatsvinden door een hemelwaterstelsel met straat- of trottoirkolken (fabricaat tbs-Soest) en pvc-leidingen die, bij voorkeur, lozen op het openbaar water.
i. In geval van nieuwe aanleg, reconstructie of groot onderhoud moeten de kolken na gereedkomen van de werkzaamheden gereinigd worden zodat ze vrij van zand en vuil zijn. j. Drooglegging, vloerpeil en hoogteligging infrastructuur moet op elkaar worden afgestemd. k. De constructie moet gegarandeerd 10 jaar onderhoudsvrij zijn. l. Fysieke bescherming van fiets- en voetgangersverkeer door toepassing van hoogteverschillen in de profielen. m. Beperkt toepassen van straatmeubilair en streven naar eenvormigheid.
Handboek Beheer Openbare Ruimte | Eisen en aanbevelingen voor de inrichting en beheer van de openbare ruimte
n.
Bij de inrichting waarborgen dat hulpdiensten overal op een deugdelijke wijze kunnen komen. o. Zetting van ondergrond in relatie tot. funderingen moet van gevel tot gevel gelijkmatig zijn. p. Erftoegangswegen (woonstraten =30-km/uur) in elementenverharding, ontsluitingswegen (50-km/uur) en buiten bebouwde kom (60 en 80-km/uur) in asfalt. 4.3.1.1 Aan te houden richtlijnen en publicaties a. De richtlijnen zoals verwoord in diverse actuele CROW-publicaties. b. De laatste versie van de ontwerprichtlijnen ASVV (Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom) van het CROW is van kracht. c. De uitvoeringseisen zoals opgenomen in de ‘Standaard RAW-bepalingen’ van het CROW. d. Politiekeurmerk. e. CROW Publicatie 337, richtlijn toegankelijkheid. 4.3.1.2 Maatvoering Voor de eisen qua maatvoering van wegen, trottoirs, fietspaden etc. wordt verwezen naar de laatste versie van het ASVV en de maatvoering zoals omschreven in paragraaf 4.4 van het onderwerp Verkeer. Bij tegenstrijdigheden is het Handboek maatgevend.
4.3.2
Elementenverharding
4.3.2.1 Materiaalkeuze a. De rijbaanverharding van erftoegangswegen en parkeerstroken moet bestaan uit kleurvaste elementen. Keuze tussen gebakkensteen of betonsteen is in principe vrij maar wordt medebepaald door de omgeving en de voorschriften zoals omschreven in het BKP. b. Uitgaan van standaard types steen. Kei, dik- of waalformaat. Afwijken van de standaardformaten /materialen alleen met (schriftelijke) goedkeuring van de beheerder. c. Bij toepassing van betonelementen kiezen voor elementen met een kleurvaste, bij voorkeur natuurstenen, deklaag. Kies bij gebruik van betonmaterialen banden, straatstenen en tegels vervaardigd met geopolymeer als bindmiddel. d. De bestratingsvorm van de rijbaan is keper- of halfsteensverband.
Afdeling Stadsbeheer Handboek Beheer Openbare Ruimte - Versie 2020
Pagina 25
e. De bestratingsvorm van de parkeerstroken is elleboog- of halfsteensverband. De parkeervakken indelen door middel van witte verkeersstenen. Overige bestratingsvormen (bijv. drempels, versmallingen e.d.) in een kleurvaste deklaag uitvoering. f. De dikte van de betonklinkers moet minimaal 8cm bedragen. g. Voetpaden en kantopsluitingen moeten van beton zijn. h. Afmetingen: Kantplanken 0,06x0,20 m, opsluitbanden en gazonbanden 0,10x0,20 m Trottoirbanden 0,18/0,20x0,25 m i. Trottoirtegels 0,30x0,30x0,045 m, kleur donkergrijs met facet. Voor fietspaden betontegels 0,30x0,30x 0,06 m, kleur rood. Bij inritten en gebieden die toegankelijk moeten zijn voor autoverkeer (zeskant-)betontegels toepassen met een dikte van 0,08 m. j. Materiaal moet, afhankelijk van de bestemming, voldoende druklast kunnen dragen. k. Uitsluitend materialen toepassen die uit voorraad of binnen redelijke termijn leverbaar zijn, dit in verband met herstel en/of uitbreiding. l. Materialen moeten bestand zijn tegen de borstels van veegmachines en onkruidborstels. m. Het gebruik van klein materiaal voor de verharding van voetpaden die weinig gebruikt worden, leidt vanwege het grote aantal voegen tot intensiever onderhoud en beheer en daarmee tot hogere kosten. Uit het oogpunt van kostenbeheersing dit vermijden. n. Zo mogelijk onkruidwerende verharding toepassen.
o. Onder en rondom obstakels in de openbare ruimte voegen vullen met onkruidwerend materiaal. p. Bij voorkeur geen gladde oppervlakten of halfopen verhardingen toepassen. Oppervlakten met enige structuur verdienen aanbeveling. q. Op plaatsen waar met regelmaat aanleg, herstel of verplaatsing van ondergrondse infrastructuur plaatsvindt of waar dit verwacht wordt, heeft een verharding van elementen de voorkeur.
Pagina 26
Handboek Beheer Openbare Ruimte | Eisen en aanbevelingen voor de inrichting en beheer van de openbare ruimte
r. Toepassing van natuurstenen elementen en/of bestrating alleen in de gebieden die in het BKP als A-kwaliteit zijn aangegeven. Onder natuursteenverharding altijd een starre constructie toepassen in overeen stemming met publicatie 231 “Handboek natuursteenbestratingen” van het CROW. Bij aanleg van bestrating in natuursteen altijd een voegvulling toepassen.
4.3.3
Asfalt
4.3.3.1 Materiaalkeuze a. De rijbaanverharding van gebiedsontsluitingswegen moet uit asfalt bestaan dat is opgebouwd uit minimaal 3 lagen op een puinfundering met een minimale dikte van 400 mm. Dikte asfaltverhardingen en funderingen altijd onderbouwen met behulp van berekeningen - Bij voorkeur een geluid reducerende deklaag (semi dichte deklaag) ontworpen volgens het SMA-principe b.v. SMA-NL 8G+ met een dikte van min 25 mm (min. 20 mm en max 30 mm) en een minimale geluidreductie van 3 dB(A) t.o.v. DAB. Geluid reducerend asfalt is beperkt bestand tegen wringing. Op plaatsen met wringend verkeer zoals kruisingen en rotondes een ander type mengsel toepassen zoals SMANL 5 of SMA-NL 8B. Tussenlaag AC 16 bind TL-B – 50 mm, Onderlaag AC 22 base OL-B – 70 mm, Bij zwaarbelaste wegen een extra onderlaag toepassen bestaande uit 70 mm AC 22 base OL1-B. (in overleg met beheerder). Het toepassen van afwijkende deklagen behoeft vooraf de goedkeuring van de beheerder. Basisbitumen voor deklagen van asfaltbeton met gemodificeerd bitumen moet zijn: bitumen 70/100 b. De verharding van vrij liggende fietspaden moet uit asfalt bestaan dat is opgebouwd uit minimaal twee lagen op een puinfundering met een dikte van 250 mm: - Deklaag SMA-NL 5 rood of SMA-NL 8A rood – max.30 mm, - Onderlaag AC 22 base OL-B – 70 mm.
Voor deklagen van asfaltbeton, kleur rood, gelden de volgende bepalingen: - Steenslag: Tillred of “Cloburn red.” - Percentage toe te voegen rood pigment (% (m/m) op mineraal aggregaat): 3 à 4 %. Bitumen: zwart. - Brekerzand/natuurlijk fijn zand (zandverhouding 1:1). - Rood pigment voor dicht asfalt kleur rood moet zijn type Bayferrox 130® of gelijkwaardig, onveranderd kleurhoudend, fysisch en chemisch bestendig en bestand tegen hoge temperaturen (180 graden Celsius). Vooraf, ter goedkeuring, een proefmonster vragen van het gekleurde asfalt. c. De verharding van asfaltvoetpaden moet uit asfalt bestaan dat is opgebouwd uit twee lagen op een puinfundering met een dikte tussen de 150 mm en 200 mm : Deklaag AC 8 Surf DL-B4. Onderlaag AC 22 Base OL-B. d. Aanpassingen in asfaltmengsels (bijvoorbeeld het toepassen van geluid reducerende deklagen en of het toepassen van gemodificeerde mengsels) in overleg met beheerder. e. Deklaagmaterialen moeten bestand zijn tegen de borstels van veegmachines. f. Op plaatsen waar met regelmaat aanleg, herstel of verplaatsing van ondergrondse infrastructuur plaatsvindt of waar dit verwacht wordt, heeft een verharding van asfalt als nadeel dat deze na opbreken moeilijk is te herstellen, zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit van het oppervlak. Hier rekening mee houden.
g. Als polymeermodificatie voor gemodificeerde bitumen in hoog stabiele asfaltmengsels moet een SBS gemodificeerde preblended bitumen (Polymeergehalte 5%) worden toegepast. h. Als polymeermodificatie voor gemodificeerde bitumen in steenmastiekasfalt moet een SBS gemodificeerde bitumen Sealoflex 5-50 (HT) worden toegepast.
4.3.4
Afwatering
a. Afwatering van de huizen naar de straat, afwatering mag nooit plaatsvinden naar privéterrein. Goten toepassen doorgaand langs de banden en langs de rand van de wegverharding.
Handboek Beheer Openbare Ruimte | Eisen en aanbevelingen voor de inrichting en beheer van de openbare ruimte
Pagina 27
b. Geen goten toepassen in parkeervakken. De straat bij voorkeur zelf laten afwateren naar de randen (‘tonrond’ profiel). Afwateren naar het midden van de weg (de zgn. hangende rijweg), alleen toepassen bij smalle straten). c. Zorgen voor voldoende afwateringsmogelijkheden door middel van het gebruik van kolken die geïntegreerd worden in de maatvoering van trottoirbanden. d. Het materiaal moet bestaan uit straat- of trottoirkolken (fabricaat TBS-Soest) en pvc-leidingen die, bij voorkeur, lozen op het oppervlaktewater. e. Tussenafstand kolken maximaal 20,00 m. Maximaal afwaterend oppervlakte per kolk ca. 100 m2. f. Kijken naar de kansen en mogelijkheden voor het afkoppelen en toepassen van waterdoorlatende verharding. g. Wegen buiten de bebouwde kom mogen afwateren op de wegbermen. h. Afstand van een kolk tot aan een drempel is minimaal 5.00 m.
b. Tussen parkeervak en fietspad schampstrook van minimaal 0,9m en gewenst 1,20 m creëren in verband met het overstek van de auto, uitstapruimte voor de automobilist en veiligheid van de fietser. c. Voetpad naast fietspad 5 cm hoger aanbrengen gescheiden door een gazon- of opsluitband.
4.3.5
4.4
Verkeer
4.4.1
Algemeen
Rijbanen
Erftoegangswegen uitvoeren in elementenverharding, gebiedsontsluitingswegen uitvoeren in asfalt. b. In gebieden met lage verkeersintensiteit bij voorkeur geen verharding van kleine elementen toepassen in verband met onkruid. c. Bij het ontwerp en de keuze van verharding rekening houden met kabelen leidingwerkzaamheden. Kabel- en leidingwerkzaamheden onder asfalt zijn moeilijker fraai te herstellen. Asfaltverhardingen zijn echter bestand tegen grotere aslasten en hebben een grotere vlakheid dan elementenverhardingen. d. Voor de herkenbaarheid voor weggebruikers de fietsstroken uitvoeren in rood asfalt of rode tegels. e. Indien een gebiedsontsluitingsweg wordt geherprofileerd voorafgaand aan het ontwerp beoordelen of er verkeersonveilige kruispunten of wegvakken zijn. f. Kleurvaste elementenverharding toepassen.
4.3.7
Voetpaden
a. Voetpaden in asfalt altijd voorzien van een slijtlaag in verband met opzuiging en daarmee samenhangend overlast door opspattend water. b. Voetpaden in gebieden die een lage gebruiksintensiteit hebben, bij voorkeur niet uitvoeren in kleine elementen vanwege het risico op onkruid. c. Op de hoeken van voetpaden het niveau van de voetpadverharding een geleidelijke verlaging aanbrengen tot het niveau van de rijwegverharding in verband met het veilig kunnen oversteken van mensen met een functionele beperking.
a.
4.3.6
Fietspaden
a.
Fietspaden bij voorkeur uitvoeren in rood asfalt en niet in elementenverharding in verband met veiligheid en fietscomfort.
Afdeling Stadsbeheer Handboek Beheer Openbare Ruimte - Versie 2020
Een heldere scheiding tussen openbaar gebied en uitgegeven gebied moet uitgangspunt zijn bij het ontwerp. Voorkomen moet worden dat er een “versnipperde” ruimte ontstaat. Alleen dan kan een efficiënt beheer en onderhoud van de openbare ruimte mogelijk worden. De inrichting moet, conform het concept duurzaam veilig, geschikt zijn voor het bedoelde gebruik en voldoen aan de geldende regelgeving. Bij de inrichting van de weg moet ook rekening gehouden worden met de mindervalide medemens, jonge kinderen en ouderen zodat zij veilig gebruik kunnen maken van de openbare ruimte. De inrichting van de weg is afhankelijk van de functie van de weg. Er moet goed nagedacht zijn over maatregelen en de nodige voorzieningen worden getroffen voor meerdere goede en directe ontsluitingen van een woonwijk op gebiedsontsluitings-wegen. Geen doodlopende wegen in een woonwijk creëren, dit in verband met vluchtroutes en in te kunnen stellen omleidingen bij werkzaamheden op een bepaald wegvak. Om efficiënt beheer en onderhoud te kunnen garanderen, moet bij het ontwerp rekening gehouden worden met de vereiste maatvoering, vormgeving en indeling van de openbare ruimte. De bereikbaarheid
Pagina 28
Handboek Beheer Openbare Ruimte | Eisen en aanbevelingen voor de inrichting en beheer van de openbare ruimte
en toegankelijkheid van het openbaar gebied door onderhoudsmaterieel zoals veegmachines, maaimachines en diverse hulpdiensten moet te allen tijde zijn gewaarborgd.
4.4.2
Eisen
Voldaan moet worden aan het gestelde in de vermelde bepalingen. Categoriseringsplan wegen zoals opgenomen in het gemeentelijk Verkeers en Vervoersplan. Bestemmingsplannen. - Handboek voor het toegankelijk en bruikbaar ontwerpen & bouwen voor mensen met een functionele beperking: “Handboek voor Toegankelijkheid”. Richtlijn Toegankelijkheid (publicatie 337 van het C.R.O.W.). Handboek verkeersvoorzieningen voor mensen met een functionele beperking van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Handboek wegontwerp (wegen buiten de bebouwde kom). De diverse, van toepassing zijnde, publicaties van het C.R.O.W. TOV-eisen van de MRDH (metropoolregio Rotterdam/Den Haag).
4.4.3
Type wegen
4.4.3.1 Gebiedsontsluitingswegen Deze categorie betreft hoofdwegen met een functie voor de ontsluiting en verbinding van wijken. a. Als uitgangspunt geldt op hoofdwegen een snelheid van 50 km/uur. Het kan nodig zijn maatregelen te treffen om te voorkomen dat de maximumsnelheid van 50 km/uur wordt overschreden. Bij belangrijke oversteekpunten moet een lagere snelheid worden afgedwongen. b. Een profiel met vrij liggende fietspaden heeft de voorkeur met een minimumbreedte van 2,00 m (eenrichting) en 3,50 m (tweerichtingen). Bij gebrek aan ruimte zijn fietsstroken mogelijk met een minimum breedte van 1,70 m exclusief belijning, uitgevoerd in rood asfalt. De bromfietser rijdt op de rijbaan tenzij hoge intensiteiten en / of grote snelheidsverschillen dit uitsluiten. Bromfietsers moeten op een verkeersveilige wijze van en naar de rijbaan geleid te worden. c. Op de kruispunten en rotondes is de voorrang altijd geregeld.
4.4.3.2 Erftoegangswegen Deze categorie betreft woonstraten en erven in woonen winkelgebieden en straten in bedrijfsgebieden a. Voor erftoegangswegen geldt een ontwerp snelheid van 30 km/uur. Bij straten in bedrijfs gebieden moet erop gelet worden dat het bedrijfsmatig functioneren niet wordt geschaad. Uit de vormgeving mag blijken dat de buurtontsluitingsstraten van een (iets) hogere orde zijn dan de woonerven of woonstraten. Dit kan door een ruimere maatvoering of een aangepast profiel. b. Door middel van verkeersborden wordt zonaal aangegeven dat het om “30 km-straten” gaat eventueel in combinatie met een parkeerverbodzone (ook zonaal). c. Op wegvakken langer dan 80,00 m (zonder maatregelen) kan worden verwacht dat er harder gereden wordt dan 30 km/uur. Snelheid remmende maatregelen zijn dan nodig. Daarbij kunnen zowel plateaus op kruispunten als sinusvormige drempels worden toegepast, met een onderlinge afstand van gemiddeld 80 m. d. Indien deze wegen deel uitmaken van een hoofdroute van hulpdiensten en openbaarvervoer, dan geldt voor de doelgroep een ontwerpsnelheid van 50 km/uur. De toepassing van busvriendelijke drempels of versmallingen op deze route is een mogelijkheid. e. Voorrang tussen de erftoegangswegen is onderling niet geregeld uitgezonderd met eventuele (woon)erven (uitritconstructie), busbanen en regionale fietsroutes. f.
De aansluiting van een erftoegangsweg op een gebiedsontsluitingsweg door middel van een uitritconstructie. g. Geen aparte voorzieningen toepassen voor het fietsverkeer tenzij het een regionale fietsroute of schoolroute betreft. h. Geen voetgangersoversteekplaatsen toepassen binnen erftoegangswegen. Uitzondering zijn mogelijk op drukke oversteekplaatsen, in winkelgebieden, schoolomgevingen of zorginstellingen (kwetsbare doelgroepen). i. In erven (snelheidslimiet van 15 km/uur) is een drempel gewenst bij een rechtstand van meer dan 40 m. In bestaande situaties is bij overige wegen een drempel of andere snelheidsremmer te overwegen als uit snelheidsmetingen blijkt dat de 85%-snelheid ver boven de geldende limiet ligt
Handboek Beheer Openbare Ruimte | Eisen en aanbevelingen voor de inrichting en beheer van de openbare ruimte
4.4.3.3 Fietsstraten Een fietsstraat is een inrichtingsvorm voor een straat waarop twee functies gecombineerd worden. Enerzijds een doorgaande functie voor het fietsverkeer (hoofdfietsroute) en anderzijds een erftoegangsfunctie voor het gemotoriseerd verkeer. a. Fietsstraten uitvoeren in rood asfalt en niet in elementenverharding in verband met comfort en veiligheid. Streetprint in overleg met beheerder. b. Rijbaanbreedte afhankelijk van beschikbare ruimte en maatgevende voertuigcombinatie. Voertuigcombinatie
Rijbaanbreedte
Fiets + Auto
3,70 tot 4,20 m.
Auto + Auto of Fiets(duo) + Fiets(duo)
4,50 tot 4,70 m.
Fiets + Auto + Fiets
5,40 tot 5,80 m.
Fiets(duo) + Auto + Fiets
6,40 tot 7,20 m.
c. Indeling fietsstraat zijn twee mogelijkheden. Smal of breed. Bij smalle beschikbare ruimte keuze voor indeling: rabatstrook (0,30-0,60 m) - rijloper (3,00-3,50 m) - rabatstrook (0,30-0,60 m). Bij ruime beschikbare ruimte keuze voor indeling: rabatstrook (0,30-0,60 m) - rijloper (2,00-2,25 m) – middenstrook (0,80-1,50 m) rijloper (2,00-2,25 m) - rabatstrook (0,30-0,60 m) d. Rijbaanindeling benadrukt zowel fiets- als verblijfskarakter Rabatstroken aan beide zijden (klinkers, strak gestraat) Rijlopers met fietspad/-strookbreedte eventueel middenstrook (klinkers, strak gestraat) Geen lengtemarkering toepassen. e. Sinusvormige drempels toepassen indien nodig om snelheid te verlagen. f. Kruispunten met erftoegangswegen vormgeven als uitritconstructie (voorkeur) of voorrangskruispunt. g. Bij voorkeur geen parkeren, laden/lossen, kiss&ride op de fietsstraat. Eventueel aparte voorzieningen in de lengterichting toepassen. h. Fietsstraatbord L51 toepassen.
Afdeling Stadsbeheer Handboek Beheer Openbare Ruimte - Versie 2020
4.4.4
Pagina 29
Parkeren
a. Parkeervoorzieningen langs de rijbaan moeten als zodanig herkenbaar zijn door witte markering en in parkeer-verbodzones en woonerven door toepassing van een P-tegel. b. Bij uitritten en/of zijpaden moet de parkeerstrook onderbroken worden, bij voorkeur met een uitritconstructie die tot aan de rijbaan gelegen is om doorzicht vanuit de uitrit op de rijbaan te garanderen. c. Voor uitritten geen kruismarkering toepassen tenzij de uitrit slecht als zodanig zichtbaar is (bv als een deur vanaf de rijweg niet zichtbaar is). Wel witte tegels aanbrengen aan de uiteinden van de inrit. d. Met het toepassen van antiparkeervoorzieningen in de vorm van straatmeubilair uiterst terughoudend zijn. e. Vermijden van situaties die uitnodigen tot foutparkeren door fysieke infrastructurele maatregelen. f. Aantal parkeerplaatsen afstemmen op de feitelijke behoefte (op grond van de Nota Parkeernormen). g. Tussen parkeervak en fietspad ruimte (minimaal 0,90 m) creëren in verband met overstek auto, uitstapruimte voor de automobilist en veiligheid van de fietser. h. Bij haakse parkeerplaatsen naast groenvakken moeten stootbanden worden aangelegd, om beschadiging van groenvakken te voorkomen. i. Voorkeur gaat uit naar een ontwerp met parkeren op eigen erf.
j. Bij reconstructie en nieuwe aanleg van parkeerhavens in blauwe zone gebieden, de markering aanbrengen door middel van het instraten van een blauwe tegel of klinker met een slijtvaste toplaag. k. Geen blauwe of gele sierbestrating toepassen.
4.4.5
Maatvoering
a. De rijbaanbreedte van erftoegangswegen (tweerichtingen) heeft een maatvoering van 5,80 m met uitzondering van bedrijventerreinen in verband met manoeuvrerende vrachtwagens of bussen.
Pagina 30
Handboek Beheer Openbare Ruimte | Eisen en aanbevelingen voor de inrichting en beheer van de openbare ruimte
Plaatselijk kunnen er versmallingen worden aangebracht om een lagere rijsnelheid af te dwingen. De rijbaanbreedte van de versmalling moet minimaal 3,85 m bedragen. Fietsers moeten om de versmalling heen geleid worden. De afstand tussen de versmallingen bedraagt maximaal 80 m. Dit is afhankelijk van het aantal kruisingen en hoeveelheid opstelruimte op een bepaald wegvak. b. Erftoegangswegen met een lage verkeersbelasting kunnen, indien sprake is van éénrichtingsverkeer (auto en tweerichtingen fiets), 3,85 m breed zijn exclusief ruimte voor parkeren. c. Visuele versmalling van de rijbaan moet door middel van kleurstelling in de bestrating aangegeven worden. d. Helling rijbanen en parkeervakken dwarshelling 3%; langshelling 7%. e. Helling trottoirs dwarshelling minimaal 2% maximaal 3,5%. f. De trottoirstrook minimale verhardingsbreedte 1,80 m. g. Anti-parkeermaatregelen op voetpaden zijn te overwegen wanneer het parkeren kwetsbare voetgangers (kinderen, gehandicapten, ouderen met hulpmiddel) hindert/naar de rijbaan dwingt. h. Voor langsparkeervakken per auto 5,50 m aanhouden. Op straathoeken en tussen obstakels is het laatste of eerste p-vak minimaal 6,00 m lang (maximaal 7.00 m) i. De haakse parkeerstrook minimaal 2,50 m breed en 5,00 m lang met een reststrook (oversteek) minimaal 1,50 m. De wegbreedte bij de haakse parkeervakken minimaal 6,00 m.
j. Parkeerplaats gehandicapten (gestoken parkeren): breed 3,50 m lang 5,00 m (excl. oversteek), met bord E6, tegel met GPP-logo en witte gestrate hoeken. k. Rolstoel toegankelijke inritbreedte 1,20 m helling 1:6. in- of uitrit voorzien van ribbeltegels. l. Parkeerplaats opladen elektrische voertuigen: bord E4 met onderbord “opladen elektrische voertuigen”, voorzien van kruismarkering, groene of grijze tegel met stekkerlogo en wit gestrate hoeken. m. Parkeerplaats voor deelauto’s: bord E4 met onderbord “autodelen” of bord E8r, voorzien van kruismarkering.
n. Laad en losplaats (langsparkeren) minimaal 11,00 m lang en minimaal 3,00 m breed. Laad en losplaats inpandig voorzien van brede in- en uitrit (7,00 m) en wegbreedte minimaal 6,00 m zonder tegenoverliggende parkeerplaatsen. Eventueel in- en uitrit voorzien van een geleidelijn naar laad- of losplaats. Bij laden en lossen moeten vrachtauto’s te allen tijde over “de linkerhand” achteruit te rijden om zo het overzicht te bewaken. o. Wegberm aansluitend aan een sloot minimaal 3,00 m of hellingshoek van minimaal 1:6 om omslaan van een voertuig te voorkomen.
4.5
Watergangen en beschoeiing
4.5.1
Algemeen
De hoogheemraadschappen van Delfland en Rijnland zijn verantwoordelijk voor de waterkwantiteit en de waterkwaliteit in de gemeente. Een uitzondering hierop vormen de “Overige Watergangen” in groengebieden en watergangen rondom sportvelden. Voor dit “Overige Water” is het Hoogheemraadschap verantwoordelijk voor de waterkwaliteit en de afdeling SB voor de kwantiteit en het beheer en onderhoud van de eigen grondkeringen en oeverbeschoeiingen. De verantwoordelijkheden zijn vastgelegd in de ´Legger´ van de hoogheemraadschappen. De verdeling van de verantwoordelijkheden staat vermeld op de Waterkaart. Gestreefd moet worden naar natuurvriendelijke oevers en het instandhouden of verbeteren van relaties met andere ecologische verbindingsroutes. Het actuele Water- en Rioleringsplan (WRP) van de Gemeente Leidschendam-Voorburg is hierbij maatgevend 4.5.1.1 Bepalingen a. Voor het dimensioneren van watergangen en duikers geldt voor het gehele grondgebied van de gemeente de geldende keur van het betreffende Hoogheemraadschap. Deze keur voorziet in voorschriften ten aanzien van toelaatbare hellingspercentages van oevers, bebouwingsmogelijkheden, etc. (leggen van boezemwatergangen, polderwatergangen en waterkeringen).
Handboek Beheer Openbare Ruimte | Eisen en aanbevelingen voor de inrichting en beheer van de openbare ruimte
b. Bij het dempen van watergangen moet rekening gehouden worden met de Natuurbeschermingswet ten aanzien van amfibieënpopulaties. Het dempen van sloten waarin zich amfibieën ophouden mag alleen plaatsvinden in de minst kwetsbare periode tussen 15 augustus en 15 oktober, tenzij er ontheffing is verleend. c. Wanneer een watergang wordt gedempt waarin zich amfibieënpopulaties bevinden, moet eerst de vervangende watergang worden gegraven. Hierdoor wordt een uitwijkmogelijkheid voor de amfibieën geboden. Aanwezige vissen en amfibieën moeten overgezet worden. d. In principe moet, als er water wordt gedempt, in de naaste omgeving binnen hetzelfde peilgebied, weer open water worden gegraven met eenzelfde oppervlak als het gedempte water. In de gevallen waarin wordt gebouwd op onbebouwd terrein zal een extra wateroppervlak gerealiseerd moeten worden. Als regel kan daarbij worden gehanteerd dat ca. 15% van het verharde oppervlak, binnen het plangebied, voor waterberging (open water) moet worden gereserveerd. Exacte eisen volgen uit de “Keur” van het Hoogheemraadschap. e. De situering en dimensionering van aan te leggen waterpartijen moet voldoen aan de (keur)eisen die in het kader van de watercirculatie worden gesteld. Dit in verband met de beheersing van de waterkwaliteit (voorkomen van vissterfte, botulisme enz.).
f. Bij werkzaamheden (beheer, onderhoud en realisatie) is de Natuurkalender vanuit de Veldgids Beheer en Onderhoud van de hoogheemraadschappen richtinggevend.
4.5.2
Situering
a.
Langs watergangen, aan één zijde, een strook van minimaal 5,00 m boom- en struikvrij houden in verband met slootonderhoud. b. Het zicht op de oevers niet belemmeren door beplantingvakken. c. Langs de opgangen van bruggen en duikers beveiliging aanbrengen in de vorm van hekwerken en eventueel uitklimvoorzieningen. d. Langs wateren brede bermen realiseren om bagger op te kunnen slaan. e. Duikers moeten minimaal aan één zijde vrij toegankelijk zijn.
Afdeling Stadsbeheer Handboek Beheer Openbare Ruimte - Versie 2020
Pagina 31
f. Bij aanleg van watergangen en sloten zorgen voor een goede doorstroming van de gehele waterpartij. Voorkom dode hoeken en stilstaand water.
4.5.3
Maatvoering
a.
In verband met veiligheid en maaibaarheid taluds langs waterpartijen niet steiler aanleggen dan 1:3. b. Watergangen mogen niet doodlopen. c. Ontwerp van duikers voldoet minimaal aan de eisen van het betreffende Hoogheemraadschap, maar als de afvoer uit de (HWA) riolering groter is dan de bergingscapaciteit van de direct ontvangende watergang, moeten duikers naar andere watergangen zijn gedimensioneerd op de rioleringtechnische afvoer, mits technisch mogelijk en doelmatig. d. Bij nieuwe duikers geen krooshek toepassen i.v.m. vismigratie. e. Eisen t.a.v. diepte: Watergangbreedte
Minimale diepte
1,00-5,00 m
0,80 m
5,00-10,00 m
1,00 m
10,00 m
1,25 m
f.
Daar waar mogelijk diepere gedeeltes aanbrengen voor de vissen. g. Doorvaarhoogten hoogheemraadschap: - Streefwaarde 1,25 m. Absolute minimum 1,10 m. - Bij niet varend onderhoud is maatwerk toegestaan. h. Beschoeiing mag maximaal 20 cm hoogteverschil overbruggen. Bij meer dan 20 cm verankering vereist. i. Bij “eilandjes” in waterpartijen, een onderwaterbeschoeiing toepassen tenzij erosie van de eilandjes toegestaan/toelaatbaar is. j. Maak voorzieningen (b.v. eendentrappen of verspringende beschoeiing) voor watervogels, amfibieën etc. om in/uit het water te komen. (FUP – Fauna Uittreed Plaats). k. Langs de opgangen van bruggen en duikers beveiliging aanbrengen in de vorm van hekwerken en eventueel uitklimvoorzieningen. l. Bij hoge kades is een uitklimvoorziening nodig (>80cm).
Pagina 32
Handboek Beheer Openbare Ruimte | Eisen en aanbevelingen voor de inrichting en beheer van de openbare ruimte
4.5.4
Materiaalkeuze
a.
Pas waar mogelijk natuurvriendelijke oevers en beschoeiingen toe. Gebruik voor beschoeiingen milieuvriendelijke materialen (bij gebruik van hardhout alleen hout toepassen met FSC-keurmerk.) Pas inrijmogelijkheden met grastegels toe voor maaiboten.
b.
c.
4.5.5 Natuurvriendelijke oevers 4.5.5.1 Algemeen Natuurvriendelijke oevers zijn aantrekkelijke bloemrijke oevers die veilig zijn voor kinderen, aantrekkelijk voor recreatief gebruik zoals vissen en bijdragen aan de ecologische waterkwaliteit en de natuur. De randvoorwaarden en richtlijnen zijn gebaseerd op het Water- en rioleringsplan (WRP) van de gemeente Leidschendam-Voorburg, het milieubeleid en de handreiking natuurvriendelijke oevers van het Hoogheemraadschap van Rijnland. 4.5.5.2 Ecologische kwaliteit Randvoorwaarden om de gewenste ecologische kwaliteit te realiseren. a. Bij voorkeur toepassen van bruggen in plaats van duikers (hoogte doorgang minimaal 1,25 m). b. Kunstwerken voorzien van faunapassages. c. Harde beschoeiingen alleen toepassen indien technisch niet te vermijden. De eerste voorkeur is dan een onderwaterbeschoeiing (onbehandeld inlands naaldhout). Als dit niet mogelijk is: de schoeiing ondergronds verwerken in het talud. d. Voorkeur om een zo breed mogelijke oeverzone te creëren omdat de natuurwaarde met de breedte snel toeneemt voor zowel flora als fauna. e. Inpassen van bestaande natuurwaarden en indien niet inpasbaar het aanwezig plantmateriaal in principe hergebruiken o.a. waterplanten benutten voor ‘enten’, Knotbomen, meerstammige Elzen en wilgensoorten zijn vaak goed verplaatsbaar. f.
Bij voorkeur grondsoorten variëren voor diversiteit (in cultuurhistorische context wel baseren op streekeigen situatie). g. Rafelige randen ten behoeve van diversiteit in flora en fauna zijn toegestaan. Geen liniaalrechte oeverlijnen. Een uitzondering kan worden gemaakt voor bijzondere ontwerpen. h. In principe een plasberm van minimaal 1.50 à 2.00 m breed; met een diepte van maximaal 0.20 m.
i. Aanleg van natuurlijke(r) oevers afstemmen met Delfland en Rijnland. Qua inrichting van natuurvriendelijke oevers, inclusief diverse zoneringen, zijn de richtlijnen van de hoogheemraadschappen leidend. j. Inrichting van de natuurvriendelijke oever mag geen invloed hebben op de stabiliteit van de waterkerende functie. k. Voor nieuwe watergangen hebben het HH Rijnland en HH Delfland de volgende ontwerpeisen: parameter
overige primaire watergangen watergangen
minimale waterdiepte 0,50 m
1,00 m
aanlegdiepte
0,60 m
1,10 m
minimaal talud
1:4
1:4
minimale bodembreedte
0,50 m
0,50 m
minimale breedte
4,10 m
7,10 m
4.5.5.3 Recreatieve aspecten a. Inbouwen van de visuele aantrekkelijkheid; o.a. aantrekkelijke zichtlijnen in de lengterichting. Voor extra effect deze zichtlijnen oriënteren op infrastructuur of aantrekkelijke locaties (bijv. zichtlijnen in verlengde van straten en bij zitgelegenheid) b. Voor publiek en hengelsporters oevers op aantrekkelijke plaatsen toegankelijk maken; eventueel voorzieningen zoals bankjes en steigers ook toegankelijk maken voor mensen met een functionele beperking) c. Natuurpaden mogelijk maken (eventueel uitmaaien looproutes; recreatief medegebruik weiland e.d.). 4.5.5.4 Flexibiliteit voor toekomstige ontwikkelingen a. Rond bestaande duikers ruimte laten voor toekomstige vervanging door bij voorkeur een brug of een kortere duiker toe te passen. 4.5.5.5 Veiligheid langs natuurvriendelijke oevers Bij de inrichting van deze oevers spelen naast ecologische en beheerstechnische aspecten, ook de veiligheid een rol. Voor het onderstaande is gebruik gemaakt van praktijkervaring en gegevens van de stichting Consument en veiligheid.
Handboek Beheer Openbare Ruimte | Eisen en aanbevelingen voor de inrichting en beheer van de openbare ruimte
a. Waar mogelijk flauw hellend talud; b. Hekken alleen op locaties waar het gevaar bestaat dat onverwacht een situatie kan ontstaat waardoor iemand te water raakt, bijv. T-splitsingen of formele speellocaties direct grenzend aan water.
4.6
Kunstwerken (civiele constructies)
4.6.1
Algemeen
De te bouwen bruggen, keermuren enz. moeten voldoen aan de bouwverordening. Dit betekent onder meer dat een aanvraag voor een omgevingsvergunning en (soms) een welstandsbeoordeling nodig zijn. Bij het ontwerp moeten we architectonische uitgangspunten betrekken. Het ontwerp moet duurzaam, vandalismebestendig en onderhoudsarm zijn. De onderbouwing hiervan moet gebeuren met een rapportage over de te verwachten levensduur, de onderhoudskosten en exploitatiekosten tijdens de levenscyclus, de vervangingskosten, de duurzaamheid in het productieproces en de wijze van hergebruik aan het einde van de levensduur. Bij ontwerp van bruggen moet in het bijzonder rekening gehouden te worden met de toegankelijkheid voor mensen met een functionele beperking zoals bijvoorbeeld het toepassen van de juiste hellingshoek van opritten voor rolstoelgebruikers (zie o.a. de meest recente ASVV-publicatie en de CROW-publicatie 337 Richtlijn Toegankelijkheid).
4.6.2
Levensduur
a.
Betonnen kunstwerken ontwerpen op basis van een beoogde levensduur van minimaal 80 jaar, houten kunstwerken minimaal 25 jaar. b. Installaties van beweegbare bruggen: 40 jaar. c. Pompen en overige elektronica minimaal 15 jaar. d. Landhoofden: minimaal 80 jaar. e. Staal- en betonconstructies: minimaal 80 jaar. f. Houtconstructies: minimaal 25 jaar. g. Beschoeiingen 25 – 35 jaar. h. Kademuren 60 – 90 jaar. In de ontwerpfase moet een beheer- en onderhouds plan te worden opgesteld, dit plan moet ter goed keuring aangeboden worden aan de toekomstige beheerder. Het plan moet de hele levensduur van het kunstwerk omvatten, ook moet een raming van de vervangingskosten zijn opgenomen.
Afdeling Stadsbeheer Handboek Beheer Openbare Ruimte - Versie 2020
4.6.3
Pagina 33
Constructie
a. Voor het aanleggen van een brug, kademuur etc. is altijd een omgevingsvergunning vereist. b. Bruggen moeten altijd voldoen aan het Bouwbesluit. c. Bruggen moeten voldoen aan de Eurocode voor bruggen. d. Brugleuningen conform Bouwbesluit en/of handboek bermbeveiligingsvoorzieningen(CROW) met specifieke aandacht voor kind veiligheid. e. Funderingsadvies voor een kunstwerk is noodzakelijk, constructie afstemmen op advies en bodemeigenschappen. f. Constructie afstemmen op berekende verkeersbelastingen. Classificatie van de weg is tevens classificatie van het kunstwerk. Denk hierbij aan eventuele extra eisen voor strooiroutes voor gladheidbestrijding en bereikbaarheid van hulpdiensten. g. Viaducten en bruggen beschermen tegen beschadigingen ten gevolge van aanrijdingen en of aanvaringen. h. Constructie moet weinig reparatiegevoelig zijn. i. Constructie moet onderhouds- en beheervriendelijk zijn. j. Constructies moeten in detail te worden uitgewerkt.
4.6.4 Ontwerpaspecten/ afmetingen a. Doorvaarthoogte in watergangen met recreatievaart en in schaatsroutes: minimaal 1,50 m ten opzichte van de hoogste waterstand. b. Vorm en afmetingen afstemmen op berekende verkeersstromen. c. Ontwerp en materiaalgebruik afstemmen op omgeving. d. Geen onnodig materiaalgebruik ten behoeve van geforceerde en technisch onlogische constructies. e. Door materiaalkeuze en detaillering hergebruik van materialen bevorderen (gescheiden terugwinnen). f. Materiaalkeuze afstemmen op schaal kunstwerk (klein in hout, staal of kunststof, groot in beton of staal). g. Taluds onder brugdekken bekleden met een gesloten verharding. Waterlijn voorzien van een beschoeiing van betonnen damwandplanken, ter plaatse geen natuurvriendelijke oever toepassen.
Pagina 34
Handboek Beheer Openbare Ruimte | Eisen en aanbevelingen voor de inrichting en beheer van de openbare ruimte
h. Onder bruggen in het verlengde van het grastalud of natuurvriendelijke oever grasbetontegels of gelijkwaardige zware elementen verwerken en groen afwerken. i. Achter beschoeiing en damwanden geotextiel toepassen, dit goed aan de constructie bevestigen. Geen vlechtschermen toepassen. j. Afdekplanken minimaal 35 mm dik in verband met kromtrekken. Geen houtdraadbouten in kops hout. k. Langs damwanden dubbele gordingen toepassen, schuine liplassen verspringend over halve planklengte. l. Niveau bovenkant steigers minimaal 0,30 m boven hoogste waterstand aanbrengen. m. Veiligheidsvoorzieningen als antislipprofielen, klimbeugels, hekwerken, enzovoort toepassen. n. Voor installaties voorzieningen treffen ten behoeve van in- en uithijsen. o. Aan weerszijden van beweegbare bruggen een afmeergelegenheid en verbinding met de wal voor één schip realiseren. p. Beperk geluidhinder van op- en afrijdend verkeer en installaties. q. Altijd stootplaten toepassen over de volle breedte van de brug. Stootplaten minimaal 3,5m lang maken, aandacht besteden aan laagsgewijze aanvullingen en voldoende verdichting van grondwerk rond landhoofden. r. Kunstwerken moeten zoveel mogelijk onderhoudsarm te worden ontworpen. Alle onderdelen moeten goed en eenvoudig bereikbaar zijn voor inspectie en onderhoud. s. Kunstwerken los van bouwwerken funderen in verband met doorgeven trillingen.
t. Brugdekken voorzien van antisliplaag met gegarandeerde levensduur van minimaal 5 jaar. u. Hemelwaterafvoer in de constructie opnemen, goed bereikbare ontstoppingsvoorziening toepassen. v. Het rijvlak van beton- of duikerbruggen afdekken met een waterdichte slijtlaag. w. Afvoer van lek, regen en druipwater in tunnels en dergelijke constructies door middel van pomp via een olie-afscheider op DWA-riool. x. Er mag nergens (dooi)water blijven staan. y. Kunstwerken zodanig ontwerpen dat de constructie afdoende beschermd is tegen dooizouten.
z. Bij bruggen, gelegen in hoofd- en strooiroutes een gesloten brugdek aanbrengen met een apart afwateringssysteem zodat dooizouten en pekelwater niet in de watergang terechtkomen. aa. Tijdig (rekening houden met ca. 9 maanden doorlooptijd) contact opnemen met de nutsbedrijven om plannen voor nutsvoorzieningen door en langs het kunstwerk te inventariseren. bb. Voorzieningen opnemen ten behoeve van nutsbedrijven. cc. Geen kabels en leidingen aan de brug bevestigen of doorvoeren door de constructie. dd. Geen reclamezuilen/borden bevestigen aan de constructie. ee. Hellingspercentage toeritten conform laatste versie ASVV. ff. Mogelijkheden tot het verbreden of vergroten kunstwerk of onderdoorgang moeten in het ontwerp worden geïntegreerd. gg. Voorkom dat vogels en andere dieren zich in de constructie kunnen ophouden. hh. Voorkom beschutte hoekjes en daarmee vuilophoping en wildplassen.
4.6.5 Gebruik en veiligheid a. Veiligheid van de weggebruikers waarborgen. b. Sociale veiligheid waarborgen. c. Geen bochten in tunnels of wijkende wanden toepassen in fiets en voetgangerstunnels. d. Doorzicht en toezicht door aanwonenden en overige weggebruikers mogelijk maken. e. Voldoende en vandalismebestendige verlichting toepassen. f. Glasgebruik is slechts toegestaan na goedkeuring van de beheerder. g. Directe vluchtmogelijkheid vanaf uitgang tunnel naar drukke weg maken. h. Rekening houden met betreedbaarheid en berijdbaarheid (juiste hellingshoek brug voor rolstoelgebruikers) voor mensen met een functionele beperking. i. Aanrijd- en aanvaarbeveiligingen toepassen, afmetingen en zwaarte afhankelijk van berekende verkeersstromen en vaartuigkarakteristieken. j. Beweegbare bruggen voorzien van veiligheidslinten zodat brugdek en aansluitend wegdeel in zijn geheel afgesloten kan worden. k. Leuningen doorzetten tot minimaal boveninsteek talud of einde brug, er mogen geen gaten vallen tussen einde leuning en taluds.
Handboek Beheer Openbare Ruimte | Eisen en aanbevelingen voor de inrichting en beheer van de openbare ruimte
l. In tunnel voldoende natuurlijke of eventueel geforceerde ventilatie aanbrengen.
4.6.6
Materiaalkeuze
a. Materialen samenstellen, verwerken en behandelen conform meest recente Nennormen en het bouwbesluit. b. Zoveel mogelijk standaard handelsartikelen en –materialen, genormaliseerde onderdelen, gangbare constructies en detailoplossingen toepassen. c. Materialen kiezen met langdurig hoogwaardige uitstraling. d. Onderlegringen zijn bij voorkeur van kunststof. e. Bij het toepassen van stalen onderdelen bij voorkeur kiezen voor thermisch verzinken met een coating of de onderdelen voorzien van een poedercoating. Op verfsystemen moet door de applicateur een garantie afgegeven worden van 10 jaar waarvan 5 jaar 100% garantie en de resterende 5 jaar afbouwend. f. Maatregelen nemen ter voorkoming van roestvorming, roestvrijstalen leuningen toepassen ter plaatse van laswerk. g. Voor houten en kunststof constructies roestvrijstalen bevestigingsmiddelen toepassen. h. Sparingen in brugdekken ten behoeve van bevestiging voertuiggeleiders vullen met bitumineus gietproduct of gelijkwaardig, leuningen bevestigen aan de zijkant van de brug. i. Niet corroderende en brandveilige/ brandwerende materialen kiezen. j. Vandalismebestendige constructies en materialen toepassen (geen glas). k. Onderdelen van kunstwerken zo bevestigen dat ze niet zonder gereedschap kunnen worden verwijderd. l. Waar mogelijk lasverbindingen toepassen in plaats van bouten en moeren.
m. Gekleurde, in het zicht zijnde prefabbetonelementen door en door kleuren, zodat eventuele beschadigingen minder opvallen. n. In het bestek de omstandigheden waaronder een oppervlaktebehandeling moet worden verwerkt omschrijven, te denken valt aan een minimumtemperatuur en toelaatbare vochtigheid brugdek. o. Goten, roosters en afvoerbuizen in kunstwerken moeten snel en zonder speciale gereedschappen schoongemaakt kunnen worden.
Afdeling Stadsbeheer Handboek Beheer Openbare Ruimte - Versie 2020
Pagina 35
p. Verlichting moet vandalismebestendig zijn, de armaturen en leidingen in de constructie opnemen. q. Het vervangen van de lampen moet zonder speciaal gereedschap of bijzondere verkeersmaatregelen plaats kunnen vinden. r. Onderdelen van kunstwerken zo bevestigen dat ze niet zonder gereedschap kunnen worden verwijderd. s. Maatregelen treffen ter voorkoming van graffiti, bijvoorbeeld anti-graffiticoating of keramische materialen. In plaats van wanden taluds toepassen, mede uit het oogpunt van sociale veiligheid. t. Wanden van tunnels en viaducten met tegels bekleden of voorzien van een antigraffiticoating met een minimale levensduur van 3 jaar. u. Geen kieren, richels of sparingen toepassen waar zand en bladeren in achterblijven ter voorkoming van onkruid. v. Bij gebruik van hout alleen goedgekeurde houtsoorten gebruiken die voorzien zijn van het FSC-keurmerk. Al het hout (inclusief houten producten) dat wordt verwerkt of toegepast moet aantoonbaar voldoen aan de specificaties die ten grondslag liggen aan het FSC-keurmerk. w. Toepassing van verduurzaamd hout is niet toegestaan. x. Bij voorkeur geen houten dekken meer toepassen maar brugdekken van kunststof (Fiberline of gelijkwaardig) of brugdekken van composietmateriaal.
4.6.7 Ecologie en milieu a. Ecologische aspecten meenemen in ontwerp, vrije migratie van land- en waterdieren moet mogelijk zijn, eventueel via speciale voorzieningen. Geschikte toeleidende routes met voldoende dekking realiseren. b. De toe te passen materialen moeten zoveel mogelijk recyclebaar zijn. c. Waar mogelijk en verantwoord gerecyclede materialen toepassen. d. Geen chemisch verduurzaamde materialen toepassen. e. Streef naar een minimaal energiegebruik. f. Indien het kunstwerk in een ecologische route ligt, moet de barrièrewerking zo beperkt mogelijk zijn. Tref hiertoe maatregelen in het ontwerp conform het advies van de ecoloog.
Pagina 36
Handboek Beheer Openbare Ruimte | Eisen en aanbevelingen voor de inrichting en beheer van de openbare ruimte
4.7
Straatmeubilair
4.7.1
Algemeen
Op het merendeel van het hieronder genoemde straatmeubilair heeft de beheerder van de openbare ruimte weinig invloed. Deze zijn niet in beheer bij de gemeente maar worden door derden geplaatst en onderhouden. De beheerder moet wel betrokken worden bij de locatiebepaling van de te plaatsen of aan te brengen elementen. Dat is van wezenlijk belang voor het beheer en onderhoud van het geheel en soms ook voor het element zelf.
c.
d. Sommige elementen kunnen alleen via een bouwaanvraag-procedure worden gerealiseerd. In die gevallen zal de intern gemeentelijke coördinatie op het advies van de beheerder van de openbare ruimte moeten letten. In andere gevallen wordt tijdens het inrichtingsproces al vastgelegd wat waar zal komen. Ook daarin heeft de beheerder een adviesrol. Een aantal soorten straatmeubilair speelt bij de inrichting van de openbare ruimte een rol. a. Ten behoeve van het verblijf in de openbare ruimte: Zitbanken. Brievenbussen. Urinoirs en openbare toiletvoorzieningen. Haltevoorzieningen, abri. b. Ten behoeve van het aanbieden van afval: - Door nieuwe inzamelingsmethoden voor huisvuil, wordt steeds meer gebruik gemaakt van containers (verzamel containers voor huishoudelijk afval). Deze staan bovengronds of zijn ondergronds (ondergrondse restafvalcontainers: verder Orac’s) aangebracht. - Voor de gebruikers van de openbare ruimte zijn prullen- of afvalbakken, al dan niet voorzien van hondenpoepzakjes, van belang. Deze zijn vooral van belang op plaatsen waar veel mensen (tijdelijk) verblijven of zich willen en kunnen ontdoen van klein afval. - Er zijn specifieke containers voor glas, papier + karton, textiel en kunststof verpakkingen. Deze containers staan op milieuparkjes en worden door zware vrachtwagens met kraan opgehaald of geleegd.
Bij de situering moet ook daarmee rekening worden gehouden.
e.
f.
- Orac’s worden door zware vrachtwagens met kraan geleegd. Bij de situering moet ook daarmee rekening worden gehouden. Ten behoeve van het parkeren van fietsen: - In de eerste plaats gaat het om fietsnietjes en –rekken van verschillende typen. De verschillende tegels met uitsparing voor fietswielen en fietsbeugels voor alleen het voorwiel raken steeds meer in onbruik. In de situatie waar de fysieke ruimte beperkt is, worden zoveel mogelijk dubbellaagse stallingen toepassen. Ten behoeve van het parkeren van auto’s: - Voor algemene parkeervoorzieningen ten behoeve van invaliden wordt een witte markering op de hoeken aangebracht en een verkeersbord (E6), waarop de invalidenparkeerplaats staat aangegeven. - Bij haaks parkeren indien noodzakelijk stootbanden aanbrengen bij groenstroken, aanliggende trottoirs en ter bescherming van lichtmasten. Ten behoeve van het geven van nadere verkeersaanwijzingen: Ten behoeve van begrenzingen, orde en veiligheid: De openbare verlichting. - Paaltjes (ook afsluitbare), blokken en banden in de openbare ruimte. Hekwerken, slagbomen. Waarschuwingshekjes (schrikhek), etc. Middenbermbeveiliging, hoogtebegrenzers. De (stoot) hekjes bij openbaar water. Reddingsmiddelen. Ten behoeve van voorzieningen van openbaar nut: - Straatmeubilair samenhangend met de kabels en leidingen (deksels, kolken, putjes, zinkerborden, etc.). Brandkranen.
- Gasregelstations en transformatorhuisjes, versterkerkastjes voor de kabeltelevisie, regelkastjes voor de verkeerslichten, gemaalhuisjes of pompkelders voor de riolering, etc. Zendmasten.
Handboek Beheer Openbare Ruimte | Eisen en aanbevelingen voor de inrichting en beheer van de openbare ruimte
g.
h.
i.
Ten behoeve van algemene informatieverschaffing: Straatnaamborden. (Wijk)informatie borden. Speciale verbodsborden of borden met aanwijzingen. Reclameborden. Bewegwijzering. - Verkeersborden die volgens verkeersbesluit worden geplaatst. Bij plaatsing van verkeersborden op gevels moet de eigenaar van het pand worden geïnformeerd. ANWB-bebording en andere routeaanduidingen. Ten behoeve van opfleuring van de openbare ruimte: Bloembakken. Vlaggenmasten. Kunstobjecten. Fonteinen. Ten behoeve van speciale herdenkingsmomenten: Monumenten. Gedachtenisplekken.
Plaatsing Verzoeken tot plaatsing van straatmeubilair gaan altijd via de beheerder straatmeubilair van SB. b. Alleen standaardtypes toepassen conform bijlage 5.3. Afwijkingen hierop zijn alleen toegestaan in A-gebieden en na goedkeuring van de beheerder. c. Alleen plaatsen als: - Het meubilair op die locatie beantwoordt aan het doel. - Er een duidelijke aanleiding is om het meubilair te gebruiken. - Het meubilair aansluit op het gewenste gebruik van de openbare ruimte. d. Betrek met name bij meubilair ten behoeve van begrenzingen, orde en veiligheid de levertijd van het materiaal in de afweging. e. Zo weinig mogelijk straatmeubilair plaatsen op maaiveld in de openbare ruimte in verband met schoonhouden, probeer zoveel mogelijk te bundelen (met name verlichting en bebording). f. De afstand tussen straatmeubilair en parkeervakken moet ter voorkoming van onveilige situaties en beschadiging ten minste 1,00 m bedragen.
4.7.1.2 Beeld a. In A-gebieden is de materiaal- en kleurkeuze vrij (maar dient wel in overleg met de betreffende beheerder gekozen te worden). b. Afwijkende kleurstellingen gelden voor twee A-gebieden: Damcentrum: Akzo 900 noir. Huygenskwartier: Klassiek groen RAL 6012. 4.7.1.3 a.
b.
c.
4.7.1.1 a.
Afdeling Stadsbeheer Handboek Beheer Openbare Ruimte - Versie 2020
Pagina 37
Technisch Meubilair en onderdelen moeten bij normaal gebruik een gegarandeerde levensduur van minimaal tien jaar kennen en voldoende vandalismebestendig te zijn; Constructies zijn: Robuust. - Elementen lopen uit een stuk door onder maaiveld en hebben een grondplaat. - Er is rekening gehouden met de overgang naar het maaiveld (water & oxidatie). Het meubelstuk (of onderdelen ervan) is: - eenvoudig te vervangen en te onderhouden, goed schoon te maken (bereikbaarheid hogedrukspuit, handmatig). graffiti is goed te verwijderen van het meubelstuk. - het voldoet aan de ARBO-eisen (plaatsing, maximumgewicht, omvang, gebruik) goed bereikbaar met een servicewagen.
4.7.1.4 a.
Materiaalkeuze Toegestane materialen: - RVS, thermisch verzinkt volgens NEN/ISO 1461. Galvanisering en coating. Aluminium, mits minimaal 70% gerecycled. Hout, mits met FSC-keurmerk. Beton. Gerecycled kunststof en pvc. Zink, koper, lood en andere uitlogende stoffen zo min mogelijk toepassen.
4.7.2 Fietsparkeervoorzieningen 4.7.2.1 a. b.
Toepassing Alleen toepassen ten behoeve van de stalling van fietsen Alleen toepassen op gemeentegrond
Pagina 38
Handboek Beheer Openbare Ruimte | Eisen en aanbevelingen voor de inrichting en beheer van de openbare ruimte
c.
Toepassen fietsnietjes: bij abri’s (indien ruimte). - in gebieden waar meerdere mensen aanleiding hebben om de fiets te stallen (ingang stations, winkelcentra, openbare gebouwen, maatschappelijke instellingen zoals gezondheidscentra). d. Toepassing overige fietsparkeervoorzieningen: - bij ingang van flatgebouw/ appartementencomplex. - bij inpandig ruimtegebrek. - in overleg met beheerder. e. Toepassing overkapte fietsenstallingen: bij stations en A gebieden. f. Bij aanvragen van individuele burgers wordt altijd eerst naar de algemene behoefte aan stallingsmogelijkheden ter plekke gekeken voordat overgegaan wordt tot (bij)plaatsing. Bij aanvragen van commerciële bedrijven wordt altijd eerst naar de algemene behoefte aan stallingsmogelijkheden ter plekke gekeken. In incidentele gevallen kan de gemeente overgaan tot (bij)plaatsing van fietsnietjes bij bedrijven, maar dan altijd op kosten van het aanvragende bedrijf. 4.7.2.2 Situering a. Zorg voor voldoende fietsstallingscapaciteit (op basis van de Nota Parkeernormen). b. Rekening houden met plaatsruimte fiets en uitrijruimte. c. Situering altijd zo dat stalling goed zichtbaar is (veiligheid). d. Rekening houden met veegbaarheid en onkruidvrijhouden. e. Plaatsing altijd per locatie bekijken. f. Houdt rekening met opstelplaatsen voor scootmobielen.
g. Gestalde fietsen mogen geen overlast veroorzaken, in het ontwerp rekening mee houden, bijvoorbeeld opstelling minstens 1,50 m van parkeerplaats. 4.7.2.3 Materiaalkeuze a. Fietsnietjes: bij voorkeur met antidiefstalvoorziening (bijvoorbeeld dubbele dwarsstang). b. Alleen standaardtypen conform bijlage 5.3 toepassen. Afwijking in overleg met beheerder.
4.7.3
Banken
4.7.3.1 a.
Toepassing Alleen toepassen ten behoeve van: - Mogelijkheid bieden tot uitrusten op een looproute of langs een fietsroute in het buitengebied. - Mogelijkheid bieden om als ouder naar spelende kinderen kijken. - Mogelijkheid bieden om rustig te genieten van de natuur en de omgeving b. Toepassing zitbanken: - In gebieden waar veel mensen zijn (A-gebieden, stations e.d.). - In speciale gebieden, dus rondom zieken-, bejaarden-, en verzorgingshuizen; - Langs een hoofdlooproute voor ouderen (advies van de wijkmanagers kan in deze bepalend zijn). - Bij speelplaatsen voor kleine kinderen (0-6 jaar), na locatiebeoordeling. - Bij speelplaatsen met drie of meer speeltoestellen. - Langs de Vliet en in parken waar directe aanleiding is tot een zitplek, dus bij vijvers, dieren- en/of grasweides. c. Toepassing picknicksets: - Langs recreatieve fietsroutes in het buitengebied. - In verblijfsruimtes (parken, winkelcentra, A-gebieden). d. In principe geen zitmeubilair toepassen in woonwijken. 4.7.3.2 Materiaalkeuze a. In A-gebieden: vrije keuze. b. Banken in A-gebieden moeten vandaalbestendig zijn, niet verplaatsbaar en moeten voorzien zijn van een anti-graffitilaag. c. In overige gebieden: standaardtypen conform bijlage 5.3.
4.7.4
Afvalbakken
4.7.4.1 Toepassing a. Alleen toepassen ten behoeve van het tegengaan van zwerfvuil op straat.
Handboek Beheer Openbare Ruimte | Eisen en aanbevelingen voor de inrichting en beheer van de openbare ruimte
b.
Toepassing (gerelateerd aan ander meubilair): - Bij een abri hoort altijd een afvalbak aanwezig te zijn. - Bij banken die bedoeld zijn voor langer gebruik kan een afvalbak worden geplaatst. NB: de afvalbak hoeft niet direct naast de bank te staan, vanwege mogelijke overlast van stank en wespen. Een afvalbak binnen 25 m van een bank is voldoende. c. Gerelateerd aan specifieke gebieden en locaties: - In de parken: op logische plekken, dus op die plekken waar men langer verblijft - Op locaties waar veel mensen verblijven: in winkelcentra, rondom stations, en rondom scholen (looproutes), bij speelplekken, op sportparken en bij andere openbare gebouwen en instellingen. In winkelstraten: met een tussenafstand/ radius van 100 m. - Langs lunchroutes rondom grote kantoorcomplexen kan een afvalbak ook nut hebben. d. Niet toepassen: In woonwijken. - Niet bij elke bank is een afvalbak nodig: een bank die op een looproute staat en bedoeld is om korte tijd te rusten is geen afvalbak nodig e. Alleen daar toepassen waar een inzamelwagen kan komen. Dus niet langs smalle paden. 4.7.4.2 Materiaalkeuze a. In A-gebieden: vrije keuze. b. In overige gebieden: standaardtypen conform bijlage 5.2. c. Bakken moeten: Vandaalbestendig zijn (niet verplaatsbaar, voorzien van een anti-graffitilaag en vuurwerkbestending – afsluitbaar). d.
Voorzien van binnenbak van maximaal 85 liter in verband met handmatig legen en ARBOeisen; Opening klein houden in verband met meeuwen en kraaien, geen opening naar boven en geen horizontale delen waar afval op kan blijven liggen; houdt ook rekening met evt. rokers.
Afdeling Stadsbeheer Handboek Beheer Openbare Ruimte - Versie 2020
Pagina 39
4.7.5
Verkeersborden
4.7.5.1 a.
Algemeen Voor verkeersborden is het volgende wettelijk kader van toepassing: - Reglement Richtlijnen voor Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV) 1990, - Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW), - Uitvoeringsvoorschriften BABW, Verkeersborden overeenkomstig het RVV 1990. Verkeersborden waar mogelijk op bestaande palen of lichtmasten toepassen met inachtneming van de wettelijke vereisten.
b. c.
4.7.5.2 a.
Plaatsen Plaatsen, overeenkomstig de uitvoeringsvoor schriften van het BABW inzake verkeerstekens, op een zodanige wijze dat het bord van alle kanten goed zichtbaar is en dat het zicht op andere objecten zoals VRI’s niet wordt ontnomen. b. Niet achter een boom of ander obstakel plaatsen c. Plaatsen conform volgorde van Bijlage I van de RVV 1990. d. Binnen de bebouwde kom: niet wenselijk meer dan twee borden + een onderbord per flessenpaal. e. Buiten de bebouwde kom: Niet toegestaan om meer dan twee borden boven elkaar te plaatsen. f. Plaatsen van verkeersborden aan lichtmasten is toegestaan mits voldaan wordt aan de uitvoeringsvoorschriften (hoogte boven het wegdek en vrije ruimte). Dit om te voorkomen dat de borden worden “aangereden” en hierdoor de lichtmast beschadigt of zelfs omvalt. 4.7.5.3 Materiaal a. Reflectieklasse: alle verkeersborden, incl. straatnaamborden in Scotchlite Diamond Grade Klasse III met 20 jaar garantie. b. Materiaal bord: aluminium. Afwijking van materiaal in overleg met beheerder. c. Palen: Stalen flespalen, diameter 48/76mm, CO2 gelast en volbad in-en uitwendig thermisch verzinkt volgend NEN 1275. Stalen buispalen diameter 48mm. Standaard voorzien van losse buisankers. d. Beugels: van aluminium met roestvrij schroefwerk waardoor corrosie tot een minimum beperkt blijft.