2969 Bijlage 5 Concept omgevingsvergunning
Tekst van het document
zoals vermeld in hoofdstuk 3.1 Bescherming tegen geluid van buiten in rapport R073438ab_2082443_mkl_Beoordeling bouwfysica, akoestiek en duurzaamheid, d.d. 2711-2020, van LBP Sight. Aandachtspunten Specifieke aandacht wordt gevraagd voor het type toe te passen beglazing. Deze moet voor een voldoende geluidwering, overeenkomstig bovengenoemd rapport, een RAlabwaarde voor wegverkeer van ten minste 29 dB bezitten. Met triple beglazing is dit haalbaar. Omdat voornoemde niet als zodanig “duidelijk” en “gespecifieerd” is uitgewerkt in de geveltekeningen, principedetails en renvooi heeft dit geleid tot het maken van extra opmerkingen op de betreffende stukken. 5. Bescherming tegen geluid van installaties, nieuwbouw (Bouwbesluit afdeling 3.2) Op grond van artikel 3.7, eerste lid, Bouwbesluit 2012 biedt een te bouwen bouwwerk bescherming tegen geluid van installaties. Op grond van artikel 3.9, eerste lid, Bouwbesluit 2012 veroorzaakt een toilet met waterspoeling, een kraan, een mechanische voorziening voor luchtverversing, een warmwatertoestel, een installatie voor verhoging van waterdruk of een lift in een niet-
gemeenschappelijke verblijfsruimte van een aangrenzende op hetzelfde perceel gelegen woonfunctie een volgens NEN 5077 bepaald karakteristiek installatiegeluidsniveau van ten hoogste 30 dB. De liftinstallaties dienen aan bovengenoemde eisen te voldoen, e.e.a. zoals vermeld in hoofdstuk 3.2 Bescherming tegen geluid van installaties in rapport R073438ab_2082443_mkl_Beoordeling bouwfysica, akoestiek en duurzaamheid, d.d. 2711-2020, van LBP Sight. Aandachtspunten Specifieke aandacht wordt gevraagd voor de montage van de liftmotor. Deze moet, overeenkomstig bovengenoemd rapport, bevestigd worden aan een schachtwand die niet grenst aan een woning. Bij voorkeur met een flexibele bevestiging door toepassing van het CDM elevator-fix-systeem. Dit geldt ook voor de liftgeleiderails. Als de liftwanden allemaal grenzen aan een woning moet de liftmotor bevestigd worden aan de wand die niet aan een verblijfsruimte grenst. Geconstateerd is dat in een aantal gevallen de liftgeleiderails (en liftmotor) gesitueerd is aan de zijde van een verblijfsruimte. Dit betekent dat hier extra geluidwerende voorzieningen vereist zijn. Nader ter goedkeuring aan te leveren bescheiden: -
Lifttekening met uitwerking van de te treffen geluidwerende voorzieningen, daar waar de liftgeleiderails (en liftmotor) gesitueerd is aan de zijde van een verblijfsruimte.
6. Bescherming tegen geluid van installaties, nieuwbouw (Bouwbesluit afdeling 3.2) Op grond van artikel 3.7, eerste lid, Bouwbesluit 2012 biedt een te bouwen bouwwerk bescherming tegen geluid van installaties. Op grond van artikel 3.9, tweede lid, Bouwbesluit 2012 veroorzaakt een mechanische voorziening voor luchtverversing, warmteopwekking of warmteterugwinning in een nietgemeenschappelijke verblijfsruimte van de gebruiksfunctie een volgens NEN 5077 bepaald karakteristiek installatie-geluidsniveau van ten hoogste de in tabel 3.7 aangegeven waarde. De mechanische ventilatiesystemen dienen aan bovengenoemde eisen te voldoen, e.e.a. zoals vermeld in hoofdstuk 3.2 Bescherming tegen geluid van installaties in rapport R073438ab_2082443_mkl_Beoordeling bouwfysica, akoestiek en duurzaamheid, d.d. 2711-2020, van LBP Sight. Aandachtspunten Specifieke aandacht wordt gevraagd voor de montage van de ventilatie-unit. Deze mag, overeenkomstig bovengenoemd rapport, niet op een lichte scheidingswand worden gemonteerd, maar op een wand met een massa van ten minste 200 kg/m2 (bijvoorbeeld
100mm beton of 120mm kalkzandsteen. Een alternatief is om de ventilatie-unit op een stoel te plaatsen en op de verdiepingsvloer + hechtende dekvloer te monteren, bij voorkeur met een trillingdemper. De stoel mag niet op de verend opgelegde dekvloer bevestigd worden. Nader ter goedkeuring aan te leveren bescheiden: -
Montagetekening van de toe te passen ventilatie-unit met opgaaf wandtype en/of uitwerking vloermontage
7. Beperking van galm (Bouwbesluit afdeling 3.3) Op grond van artikel 3.12, eerste lid, Bouwbesluit 2012 heeft een te bouwen woongebouw in een gemeenschappelijke verkeersruimte een zodanige geluidsabsorptie, dat geluidhinder door galm wordt beperkt. Op grond van artikel 3.13 Bouwbesluit 2012 heeft een besloten gemeenschappelijke verkeersruimte voor het ontsluiten van een woonfunctie die grenst aan een nietgemeenschappelijke ruimte van een woonfunctie, een volgens NEN-EN 12354-6 bepaalde totale geluidsabsorptie met een getalswaarde, uitgedrukt in m², die niet kleiner is dan 1/8 van de getalswaarde van de inhoud van die ruimte, uitgedrukt in m³, in elk van de octaafbanden met middenfrequenties van 250, 500, 1.000 en 2.000 H De gemeenschappelijke verkeersruimten en trappenhuizen dienen aan bovengenoemde eisen te voldoen, e.e.a. zoals berekend in hoofdstuk 3.3 Beperking van galm in rapport R073438ab_2082443_mkl_Beoordeling bouwfysica, akoestiek en duurzaamheid, d.d. 2711-2020, van LBP Sight. Nader ter goedkeuring aan te leveren bescheiden: -
Plafondtekeningen van de toe te passen akoestische voorzieningen in de gemeenschappelijke verkeersruimten en trappenhuizen
8. Geluidwering tussen ruimten, nieuwbouw (Bouwbesluit 2012, afdeling 3.4) Op grond van artikel 3.15, eerste lid, Bouwbesluit 2012 biedt een te bouwen bouwwerk bescherming tegen geluidsoverlast tussen gebruiksfuncties en tussen ruimten in een woonfunctie voor zover in het bouwwerk een woonfunctie ligt. Op grond van artikel 3.16, eerste lid, Bouwbesluit 2012 is het volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke lucht-geluidniveauverschil voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een verblijfsgebied van een aangrenzende gebruiksfunctie op een ander perceel niet kleiner dan 52 dB. Op grond van artikel 3.16, tweede lid, Bouwbesluit 2012 is het volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke lucht-geluidniveauverschil voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een niet in een verblijfsgebied gelegen besloten ruimte van een aangrenzende woonfunctie op een ander perceel niet kleiner dan 47 dB. Op grond van artikel 3.16, derde lid, Bouwbesluit 2012 is het volgens NEN 5077 bepaalde gewogen contact-geluidniveau voor de geluidsoverdracht van een besloten
ruimte naar een verblijfsgebied van een aangrenzende woonfunctie op hetzelfde perceel niet groter dan de in tabel 3.15 aangegeven waarde. Op grond van artikel 3.16, vierde lid, Bouwbesluit 2012 is het volgens NEN 5077 bepaalde gewogen contact-geluidniveau voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een niet in een verblijfsgebied gelegen besloten ruimte van een aangrenzende woonfunctie op hetzelfde perceel niet groter dan de in tabel 3.15 aangegeven waarde. De naast c.q. boven elkaar gelegen woonfuncties dienen aan bovengenoemde eisen te voldoen. Spleten onder deuren (overstroomvoorzieningen) Spleten onder de toegangsdeuren van verblijfsruimten ≥ 2 cm onder zijn in verband met de geluidwering niet toegestaan. Hier dienen geluidwerende deurroosters toegepast worden. Nader ter goedkeuring aan te leveren bescheiden: -
Type toe te passen geluidwerende deurroosters, voor zover van toepassing
Aandachtspunten - algemeen •
Indien een ander materiaal voor de ankerloze spouwmuur toegepast wordt dan waarvoor vergunning is verleend, dienen gewijzigde tekeningen ter goedkeuring ingediend worden bij het bevoegd gezag.
•
geluidwering van woningscheidende vloeren ter plaatse van de isokorf / prefabbalkons
•
geluidwering van woningscheidende wanden ter plaatse van containerruimte en bergingen
Aandachtspunten – zwevende dekvloer •
Oneffenheden in de draagvloer mogen niet hoger zijn dan 0,3 maal de dikte van de verende laag in onbelaste toestand. Het aanbrengen van een uitvlaklaag kan wenselijk zijn;
•
De platen van de verende laag moeten goed op elkaar en op de kantstroken aansluiten;
•
Op de verende laag moet een waterdichte laag worden aangebracht (bijv. 0,2 mm folie).
•
Breng folie zorgvuldig aan, zodanig dat lekwater niet in het isolatiemateriaal dringt.
-
overlapping foliebanen tenminste 80 mm en naden aftapen
-
folie opzetten tegen de kantstrook
•
De dekvloer dient een massa te bezitten van tenminste 85 kg/m² (anhydriet) resp. 125 kg/m² (zandcement).
•
Vermijd koppelingen tussen dekvloer en constructievloer en breng de randstroken zorgvuldig aan.
•
Kantstroken met een dikte van ten minste 5 mm en een dynamische stijfheid van minimaal 100 MN/m³ moeten worden toegepast tussen de dekvloer en het opgaande werk. De kantstroken moeten minimaal 30 mm uitzetten boven de bovenzijde van de dekvloer. De kantstroken kunnen op de eventuele uitvlaklaag worden gesitueerd.
-
Breng de kantstroken zo kort mogelijk voor het aanbrengen van de dekvloer aan om beschadiging te voorkomen
-
De kantstroken moeten bij voorkeur in een zo laat mogelijk stadium worden
•
geluidwering van woningscheidende vloeren ter plaatse van de isokorf / prefab-
•
Dragende binnenwanden op de draagvloer plaatsen, zwevende vloeren vervolgens
afgesneden.
tussen wanden aanbrengen. •
Schachtwanden niet op de zwevende vloer plaatsen.
•
Leidingdoorvoeren niet zonder voorzieningen aanstorten. In mantelbuis en kantstrook aanbrengen.
•
Harde vloerafwerkingen (parket, tegels e.d.) mogen het opgaande werk niet raken (ca. 10mm vrijhouden). Ook de plinten moeten worden vrijgehouden van de harde vloerafwerking.
Uitvoeringscontrole voor aanbrengen zwevende dekvloer Voor het aanbrengen van de dekvloer dient er een controle door de afdeling Handhaving worden uitgevoerd, daar: •
Contactbruggen zijn nog zichtbaar en te herstellen
•
Verend pakket, folie, kantstroken, leidingen zijn nog zichtbaar en te controleren.
9. Wering van vocht (Bouwbesluit 2012, afdeling 3.5) Op grond van artikel 3.20, eerste lid, Bouwbesluit 2012 heeft een te bouwen bouwwerk zodanige scheidingsconstructies dat de vorming van allergenen door vocht in verblijfsgebieden, toiletruimten en badruimten voldoende wordt beperkt. Op grond van artikel 3.21, eerste lid, Bouwbesluit 2012 is een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht. Op grond van artikel 3.21, vierde lid, Bouwbesluit 2012 vormt een constructie die de scheiding tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte, en een kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op de specifieke luchtvolumestroom naar het verblijfsgebied, de toiletruimte of de badruimte, heeft een volgens NEN 2690 bepaalde, specifieke luchtvolumestroom van ten hoogste 20.10-6 m³/(m².s). De aan te brengen scheidingsconstructies in de sanitaire ruimten dienen aan bovengenoemde eisen te voldoen. Aandachtspunten •
pas een vormvast, van een tochtring en een luikring voorzien, kruipluik toe;
•
pas een goede luchtdichte meterkastbodem toe;
•
zorg voor zorgvuldige afdichtingen van de doorvoeren door de bodem van de meterkast.
10. Luchtverversing (Bouwbesluit 2012, afdeling 3.6) Op grond van artikel 3.28, eerste lid, Bouwbesluit 2012 heeft een te bouwen bouwwerk een zodanige voorziening voor luchtverversing dat het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen. Op grond van artikel 3.29, eerste lid, Bouwbesluit 2012 heeft een verblijfsgebied een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 0,9 dm³/s per m² vloeroppervlakte met een minimum van 7 dm³/s. Op grond van artikel 3.29, tweede lid, Bouwbesluit 2012 heeft een verblijfsruimte een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 0,7 dm³/s per m² vloeroppervlakte met een minimum van 7 dm³/s. Op grond van artikel 3.29, zesde lid, Bouwbesluit 2012 heeft een toiletruimte een voorziening voor luchtverversing met een capaciteit van ten minste 7 dm³/s, bepaald volgens NEN 1087. Op grond van artikel 3.29, zevende lid, Bouwbesluit 2012 heeft een badruimte een voorziening voor luchtverversing met een capaciteit van ten minste 7 dm³/s, bepaald volgens NEN 1087. Verblijfsgebieden, verblijfsruimten, toiletruimten en badruimten dienen minimaal aan bovengenoemde eisen te voldoen, e.e.a. zoals berekend in rapport 3295BRE-W2-PRVE02E_Ventilatieberekening Blok 1 t/m 6, d.d.
23-12-2020, en rapport 3295BRE-W2-PRVE08A_Ventilatieberekening woningtypes, d.d. 07-01-2021, van Techniplan adviseurs bv. De nadere uitwerking hiervan uit te voeren conform: -
tekeningboekje 3295BRE-W2-P-RVE03B_Luchtstromingen woningtypes plattegronden B1 t/m B6, d.d. 07-01-201
Spleten onder deuren (overstroomvoorzieningen) De nog in aan te leveren luchtverversingsberekeningen aan te geven hoogten van de spleten onder de deuren dienen gehaald te worden in de bewoonde situatie (dus als de vloerbedekking, e.d. aanwezig is). Alle betrokken partijen uit de bouwkolom dienen op de hoogte te zijn van de eisen die gesteld worden aan de overstroomvoorzieningen (als de vloerbedekking e.d. gelegd is). De bewoners dienen daarnaast op de hoogte gesteld te worden van het belang van de overstroomvoorzieningen; deze mogen niet geblokkeerd worden in de gebruiksfase door hoge vloerbedekking of het plaatsen van een tochtstrip.
Spleten onder de toegangsdeuren van verblijfsruimten ≥ 2 cm onder zijn in verband met de geluidwering niet toegestaan. Hier dienen geluidwerende deurroosters toegepast worden. 11. Luchtverversing (Bouwbesluit 2012, afdeling 3.6) Op grond van artikel 3.28, eerste lid, Bouwbesluit 2012 heeft een te bouwen bouwwerk een zodanige voorziening voor luchtverversing dat het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen. Op grond van artikel 3.32, eerste lid, Bouwbesluit 2012 heeft een gemeenschappelijke verkeersruimte een niet afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 0,5 dm³/s per m² vloeroppervlakte van die ruimte. Op grond van artikel 3.34, derde lid, Bouwbesluit 2012 vindt de toevoer van verse lucht naar een gemeenschappelijke verkeersruimte rechtstreeks van buiten plaats. Afvoer van binnenlucht uit een dergelijke ruimte vindt rechtstreeks naar buiten plaats. De gemeenschappelijke verkeersruimten en trappenhuizen dienen aan bovengenoemde eisen te voldoen, e.e.a. zoals berekend in rapport 3295BRE-W2-PRVE02E_Ventilatieberekening Blok 1 t/m 6, d.d. 23-12-2020, van Techniplan adviseurs bv. De nadere uitwerking hiervan uit te voeren conform: -
tekeningboekje 3295BRE-W2-P-RVE07B_Luchtstromingen gemeenschappelijke ruimten plattegronden B1 t/m B6, d.d. 07-01-2021
Aandachtspunten •
100% van de vereiste ventilatiecapaciteit van een gemeenschappelijke verkeersruimten en trappenhuizen dient rechtstreeks van buiten te komen. Dit geldt ook voor de afvoer van binnenlucht.
12. Luchtverversing (Bouwbesluit 2012, afdeling 3.6) Op grond van artikel 3.28, eerste lid, Bouwbesluit 2012 heeft een te bouwen bouwwerk een zodanige voorziening voor luchtverversing dat het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen. Op grond van artikel 3.32, derde lid, Bouwbesluit 2012 heeft een schacht voor een lift een niet afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 3,2 dm³/s per m²vloeroppervlakte van die liftschacht. Op grond van artikel 3.34, vierde lid, Bouwbesluit 2012 vindt de toevoer van verse lucht naar een schacht voor een lift rechtstreeks van buiten plaats, of via de liftmachineruimte van buiten. Afvoer van binnenlucht uit een dergelijke ruimte vindt rechtstreeks naar buiten plaats, of via de liftmachineruimte naar buiten.
De liftschachten dienen aan bovengenoemde eisen te voldoen, e.e.a. zoals berekend in rapport 3295BRE-W2-P-RVE02E_Ventilatieberekening Blok 1 t/m 6, d.d. 23-12-2020, van Techniplan adviseurs bv. De nadere uitwerking hiervan uit te voeren conform: -
tekeningboekje 3295BRE-W2-P-RVE06B_Luchtstromingen stallingsruimten plattegronden B1 t/m B6, d.d. 07-01-2021
Aandachtspunten •
100% van de vereiste ventilatiecapaciteit van een liftschacht dient rechtstreeks van buiten te komen, of via de liftmachineruimte van buiten. Dit geldt ook voor de afvoer van binnenlucht. Bij ventilatie via de liftmachineruimte moet deze dan in directe verbinding met de buitenlucht staan (al dan niet via een kanalensysteem).
•
Als de personenlift een brandweerlift is (zie voor een toelichting op de begrippen «lift» en «brandweerlift» artikel 1.1), dan beperkt dit voorschrift de kans dat de brandweerlift in geval van brand onbruikbaar wordt als gevolg van het binnendringen van rook uit een andere ruimte.
13. Luchtverversing (Bouwbesluit 2012, afdeling 3.6) Op grond van artikel 3.28, eerste lid, Bouwbesluit 2012 heeft een te bouwen bouwwerk een zodanige voorziening voor luchtverversing dat het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen. Op grond van artikel 3.32, vijfde lid, Bouwbesluit 2012 heeft een stallingruimte voor motorvoertuigen een niet afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 3 dm³/s per m² vloeroppervlakte van die ruimte. Op grond van artikel 3.34, negende lid, Bouwbesluit 2012 vindt de afvoer van binnenlucht uit een stallingruimte voor motorvoertuigen rechtstreeks naar buiten plaats. De parkeergarages dienen aan bovengenoemde eisen te voldoen, e.e.a. zoals berekend in hoofdstuk 4.1 Ventilatie parkeergarage in rapport R073438ab_2082443_mkl_ Beoordeling bouwfysica, akoestiek en duurzaamheid, d.d. 27-11-2020, van LBP Sight. De nadere uitwerking hiervan uit te voeren conform: -
tekeningboekje 3295BRE-W2-P-RVE06B_Luchtstromingen stallingsruimten plattegronden B1 t/m B6, d.d. 07-01-2021
Aandachtspunten •
100% van de vereiste ventilatiecapaciteit van de parkeergarages dient rechtstreeks van buiten te komen. Dit geldt ook voor de afvoer van binnenlucht.
•
De natuurlijke ventilatie wordt ondersteund door stuwdrukventilatoren om dode punten in de parkeergarage te voorzien van verse lucht.
14. Bereikbaarheid en toegankelijkheid (Bouwbesluit 2012, afdeling 4.4) Op grond van artikel 4.21, eerste lid, Bouwbesluit 2012 heeft een te bouwen bouwwerk voldoende bereikbare en toegankelijke ruimten. Op grond van artikel 4.24, eerste lid, Bouwbesluit 2012 heeft een woongebouw een gemeenschappelijke toegankelijkheidssector, indien: a. de vloer van een verblijfsgebied in het woongebouw hoger ligt dan 12,5 m boven het meetniveau, of b. het woongebouw een gebruiksoppervlakte heeft van meer dan 3.500 m² die hoger ligt dan 1,5 m boven het meetniveau. Op grond van artikel 4.26, eerste lid, Bouwbesluit 2012 is een ruimte die in een toegankelijkheidssector ligt, rechtstreeks bereikbaar vanaf het aansluitende terrein of langs een verkeersroute die uitsluitend door een toegankelijkheidssector voert. Alle appartementengebouwen Blok 1 t/m Blok 6 dienen aan bovengenoemde eisen te voldoen, e.e.a. zoals aangegeven in tekeningboekje 18-645RB_Bouwbesluitboek, d.d. 27-11-2020. 15. Energiezuinigheid, nieuwbouw (Bouwbesluit 2012, afdeling 5.1) Op grond van artikel 5.1, eerste lid, Bouwbesluit 2012 is en te bouwen bouwwerk energiezuinig. Op grond van artikel 5.2, eerste lid, Bouwbesluit 2012 heeft een gebruiksfunctie een volgens NEN 7120 bepaalde energieprestatiecoëfficiënt van ten hoogste de in tabel 5.1 aangegeven waarde (woonfunctie < 0,4).
Op grond van artikel 5.3, eerste lid, Bouwbesluit 2012 heeft een verticale uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte, een volgens NEN 1068 bepaalde warmteweerstand van ten minste de in tabel 5.1 gegeven waarde (woonfunctie > 4,5 m2K/W). Op grond van artikel 5.3, tweede lid, Bouwbesluit 2012 heeft een horizontale of schuine uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte, een volgens NEN 1068 bepaalde warmteweerstand van ten minste de in tabel 5.1 gegeven waarde (woonfunctie > 6,0 m2K/W). Op grond van artikel 5.3, derde lid, Bouwbesluit 2012 heeft een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte en een kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op de warmteweerstand, een volgens NEN 1068 bepaalde warmteweerstand van ten minste de in tabel 5.1 gegeven waarde (woonfunctie > 3,5 m2K/W). Alle appartementengebouwen Blok 1 t/m Blok 6 dienen aan bovengenoemde eisen te voldoen, e.e.a. zoals berekend in rapport R073438ab_2082443_mkl_Beoordeling bouwfysica, akoestiek en duurzaamheid, d.d. 27-11-2020, van LBP Sight. Specifieke aandacht wordt gevraagd voor de aansluiting van de scheidingswand tussen woning en parkeren op de begane grond, e.e.a.
zoals bovenaan beschreven op pagina
20 van rapport R073438ab_2082443_mkl_Beoordeling bouwfysica, akoestiek en duurzaamheid, d.d. 27-11-2020, van LBP Sight. Voor de binnenspouwbladen, dragende wanden en lichte scheidingswanden geldt dat deze op de constructieve vloer staan. Isolatie wordt daartussen aangebracht. Dit zorgt voor een koudebrug. Door het aanbrengen van een strook Calsitherm ( -waarde 0,1 w/mK) met een dikte van 50 mm tussen de betonvloer en de 120 mm kalkzandsteen buitengevel, dragende wanden en lichte scheidingswanden zal de koudebrug voldoen aan een temperatuurfactor van minimaal 0,65. Nader ter goedkeuring aan te leveren bescheiden: -
Detail van de aansluiting scheidingswand op constructieve vloer met strook Calsitherm, o.g.
Aandachtspunten 1. Opnameprotocol Energieprestatie De aanvrager dient ten behoeve de controle van de Energieprestatie gedurende het bouwproces foto’s van de thermische schil en de te plaatsen installaties in te dienen bij het bevoegd gezag. 2.Tussentijdse controle: • de benodigde kier- en naaddichtingen dienen tijdens de uitvoering gecontroleerd te worden; • de benodigde Rc-waarde(n) dient tijdens de uitvoering gecontroleerd te worden door de controle van de dikte van het isolatiemateriaal en de lambda-waarde; •
er dient gecontroleerd te worden of de isolatie a) goed aansluit, zowel onderling als op het binnenspouwblad en b) ver genoeg doorloopt;
•
er dient dagelijks gecontroleerd te worden of de te plaatsen isolatie toereikend afgedekt is om te voorkomen dat dit nat kan worden;
•
er dient gecontroleerd te worden of de toegepaste glassoort(en) en kozijnen (typeaanduiding zoals aangegeven in de spouw van het glas of stickers) overeenkomen met de uitgangspunten van de EPC-berekening(en);
3. Eindcontrole Voor alle te plaatsen toestellen (verwarming, tapwater, ventilatie, etc.) dient nagegaan te worden of deze daadwerkelijk geplaatst c.q. aangesloten zijn overeenkomstig de uitgangspunten van de EPC-berekening(en). •
er dient speciale aandacht besteed te worden aan toestellen waarbij kwaliteitsverklaringen gebruikt zijn om een beter rendement te claimen;
•
als een toestel van ander fabricaat geplaatst wordt dan in de EPC-berekening(en) is aangegeven, dan dient de kwaliteitsverklaring van het betreffende toestel ter goedkeuring ingediend te worden bij het bevoegd gezag.
16. Verlichting, nieuwbouw en bestaande bouw (Bouwbesluit 2012, afdeling 6.1) Op grond van artikel 6.1, eerste lid, Bouwbesluit 2012 heeft een bouwwerk een zodanige verlichtingsinstallatie dat het bouwwerk veilig kan worden gebruikt en verlaten. Op grond van artikel 6.2, vierde lid, Bouwbesluit 2012 heeft een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute of beschermde route voert een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux. Op grond van artikel 6.4, eerste lid, Bouwbesluit 2012 is een verlichtingsinstallatie als bedoeld in de artikelen 6.2 en 6.3 aangesloten op een voorziening voor elektriciteit als bedoeld in artikel 6.8. De aan te brengen verlichtingsinstallaties dienen aan bovengenoemde eisen te voldoen. 17. Voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie, nieuwbouw en bestaande bouw (Bouwbesluit 2012, afdeling 6.2) Op grond van artikel 6.7, eerste lid, Bouwbesluit 2012 heeft een bouwwerk met een voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie een veilige voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie. Op grond van artikel 6.8, eerste lid, Bouwbesluit 2012 voldoet een voorziening voor elektriciteit aan: a. NEN 1010 bij lage spanning, en b. NEN-EN-IEC 61936-1 en NEN-EN 50522, bij hoge spanning.
De aan te brengen energievoorzieningen dienen aan bovengenoemde eisen te voldoen. 18. Watervoorziening, nieuwbouw en bestaande bouw (Bouwbesluit 2012, afdeling 6.3) Op grond van artikel 6.11, eerste lid, Bouwbesluit 2012 heeft een bouwwerk met een voorziening voor drinkwater of warmwater een voorziening voor drinkwater of warmwater die de gezondheid niet nadelig beïnvloedt. Op grond van artikel 6.12, eerste lid, Bouwbesluit 2012 voldoet en voorziening voor drinkwater aan NEN 1006. De aan te brengen drinkwatervoorzieningen dienen aan bovengenoemde eisen te voldoen. 19. Afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater, nieuwbouw en bestaande bouw (Bouwbesluit 2012, afdeling 6.4) Op grond van artikel 6.15, eerste lid, Bouwbesluit 2012 heeft een bouwwerk een zodanige voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater of hemelwater dat het water zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid kan worden afgevoerd. Op grond van artikel 6.16, eerste lid, Bouwbesluit 2012 heeft een gebruiksfunctie met een toilet- of badruimte of met een andere opstelplaats voor een lozingstoestel voor die opstelplaats een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater.
Op grond van artikel 6.16, tweede lid, Bouwbesluit 2012 heeft een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater als bedoeld in het eerste lid heeft: a. bij een te bouwen bouwwerk: een capaciteit, een lucht- en waterdichtheid en een uitmonding en capaciteit van de ontspanningsleiding die voldoen aan NEN 3215; b. bij een bestaand bouwwerk: een zodanige capaciteit dat elk daarop aangesloten lozingstoestel binnen 5 minuten kan worden geleegd en een lucht- en waterdichtheid die voldoen aan NEN 3215. Op grond van artikel 6.17, eerste lid, Bouwbesluit 2012 heeft een dak van een te bouwen bouwwerk een voorziening voor de opvang en afvoer van hemelwater met een volgens NEN 3215 bepaalde capaciteit van ten minste de volgens die norm bepaalde belasting van die voorziening. De aan te brengen afvoervoorzieningen dienen aan bovengenoemde eisen te voldoen. De nadere uitwerking hiervan uit te voeren conform: -
rapport 3295BRE-K1-E-RVE002C_Uittreksel Technisch Installaties, d.d. 22-072020
-
tekening 3295BRE-K1-V-EME001A_Opgave nutsvoorzieningen, d.d. 24-07-2020
Nader ter goedkeuring aan te leveren bescheiden: -
HWA- en DWA-rioleringsplan
20. Tijdig vaststellen van brand, nieuwbouw en bestaande bouw (Bouwbesluit 2012, afdeling 6.5) Op grond van artikel 6.19, eerste lid, Bouwbesluit 2012 heeft een bouwwerk zodanige voorzieningen dat brand tijdig kan worden ontdekt zodat veilig kan worden gevlucht Op grond van artikel 6.20, eerste lid, Bouwbesluit 2012, heeft een gebruiksfunctie een brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535 met een omvang van de bewaking en een doormelding zoals aangegeven in bijlage I bij dit besluit, indien: a. de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie of de totale gebruiksoppervlakte aan gebruiksfuncties van dezelfde soort in het gebouw voor zover die gebruiksfuncties op eenzelfde vluchtroute zijn aangewezen groter is dan de in deze bijlage aangegeven grenswaarde; b. de hoogste vloer van een verblijfsruimte van de gebruiksfunctie gemeten boven het meetniveau hoger is gelegen dan op de in deze bijlage aangegeven grenswaarde, of c. deze bijlage dit aanwijst zonder dat sprake is van een grenswaarde als hierboven bedoeld. De brandmeldinstallatie in de parkeergarages dient aan bovengenoemde eisen te
voldoen.
Omdat de totale gebruiksoppervlakte van de parkeergarages meer dan 1.000 m2 bedraagt, dienen de parkeergarages voorzien te worden van een brandmeldinstallatie
met volledige bewaking, uitgevoerd conform NEN 2535. Op de brandmeldinstallaties moet een ontruimingsalarminstallatie, type B conform NEN 2575 worden aangesloten. Omdat de stallingsgarage van blok 1 t/m 5 groter is dan 2.500 m2 moet de brandmeldinstallatie en ontruimingsalarminstallatie worden voorzien van een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema. Er is geen doormelding vereist. De parkeergarages worden voorzien van brandwerende rolschermen die bij calamiteiten zorgt voor extra brandcompartimentering. Deze brandwerende rolschermen dienen voorzien te worden van loopdeuren. Advies Veiligheidsregio Haaglanden De Veiligheidsregio Haaglanden heeft ons college (negatief) geadviseerd over de parkeergarages, waarbij is geconcludeerd dat de betreffende parkeergarages gebaseerd zijn op de minimale eisen c.q. maatregelen van het Bouwbesluit 2012 (geen afkeuringsgrondslag). Vanuit brandveiligheidsoogpunt wordt dringend geadviseerd om aanvullende maatregelen te nemen om de parkeergarages brandveiliger te maken, mede gelet op de aanwezigheid van elektrische laadvoorzieningen in de parkeergarages.
Dit is ook in een overleg nader toegelicht aan de ontwikkelaar, adviseur(s) en architect van het bouwplan, waarbij door de Veiligheidsregio Haaglanden geadviseerd is om te kiezen voor een effectief blussysteem (sprinklerinstallatie) in plaats van brandwerende rolschermen. Echter heeft de ontwikkelaar van het bouwplan besloten hier, mede vanuit financieel oogpunt, geen gevolg aan te geven. Gelet op voornoemde maakt het advies van de Veiligheidsregio Haaglanden, kenmerk VRH 2020120939547, d.d. 22 december 2020, dan ook expliciet en integraal deel uit van ons besluit. Mede met als doel de verwachte afbreuk- en veiligheidsrisico’s bij calamiteiten duidelijk inzichtelijk te maken en te benoemen.
Nader ter goedkeuring aan te leveren bescheiden: -
Programma van Eisen brandmeldinstallatie;
Aandachtspunten – Elektrische laadvoorzieningen in parkeergarages •
Het voldoen aan de brandveiligheid is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de gebouweigenaar. Wij willen u nogmaals wijzen op de risico’s en adviseren u dringend advies om geen elektrische voertuigen en/of laadpalen in deze parkeergarage te plaatsen. Zoals bij u bekend hebben wij in het traject van beoordeling van uw aanvraag meerdere keren onze zorgen uitgesproken m.b.t. de (on)veiligheid van de parkeergarages en in relatie daarmee de ontruiming van
de appartementengebouwen bij een ontwikkelde brand in de parkeergarage(s). Hierbij dient mogelijk uitgegaan te worden van een uitbrandscenario met mogelijk grote economische en maatschappelijke schade.
•
Gelet op voornoemde wordt specifieke aandacht gevraagd voor het rapport van
het Instituut Fysieke Veiligheid_Brandveiligheid van parkeergarages met elektrisch aangedreven voertuigen, d.d. 15-07-2021. Dit rapport hebben wij expliciet toegevoegd gelet op de complexe bereikbaarheid van de betreffende parkeerkelder bij een (ontwikkelde) autobrand en gesloten brandschermen. 21. Vluchten bij brand, nieuwbouw en bestaande bouw (Bouwbesluit 2012, afdeling 6.6) Op grond van artikel 6.22, eerste lid, Bouwbesluit 2012 heeft een bouwwerk zodanige voorzieningen dat het ontvluchten goed kan verlopen. Op grond van artikel 6.23, eerste lid, Bouwbesluit 2012 heeft een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 6.20, eerste, tweede en vijfde lid, een ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575. Op grond van artikel 6.23, derde lid, Bouwbesluit 2012 voldoen het beheer en de controle van een ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in het eerste lid aan NEN 2654-2. Op grond van artikel 6.23, vierde lid, Bouwbesluit 2012 heeft een ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in het eerste lid, die behoort bij een brandmeldinstallatie waarop artikel 6.20, zesde lid, van toepassing is, een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Ontruimingsalarminstallaties.
Op grond van artikel 6.23, zesde lid, Bouwbesluit 2012 heeft een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 6.20 een ontruimingsplan. De ontruimingsalarminstallatie in de parkeergarages dient aan bovengenoemde eisen
te voldoen. Nader ter goedkeuring aan te leveren bescheiden: -
Programma van Eisen ontruimingsalarminstallatie;
22. Vluchten bij brand, nieuwbouw en bestaande bouw (Bouwbesluit 2012, afdeling 6.6) Op grond van artikel 6.22, eerste lid, Bouwbesluit 2012 heeft een bouwwerk zodanige voorzieningen dat het ontvluchten goed kan verlopen. Op grond van artikel 6.26, eerste lid, Bouwbesluit 2012 is een beweegbaar constructieonderdeel in een inwendige scheidingsconstructie waarvoor een eis aan de weerstand tegen branddoorslag, weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag of weerstand tegen rookdoorgang geldt, zelfsluitend. De toegangsdeuren tot de appartementen (voor zover inwendig gesitueerd binnen de appartementengebouwen) en deuren in een inwendige scheidingsconstructie, waarvoor een eis aan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag of weerstand tegen rookdoorgang geldt, zijn zelfsluitend.
Aansturing Indien gekozen wordt voor zgn. vrijloopdrangers, dan dient de aansturing van een vrijloopdranger te worden uitgevoerd zoals schematisch is aangegeven in figuur 3 hieronder en dient de vrijloopdranger te voldoen aan de volgende voorwaarden: Voor de automatische brandmelders moeten altijd rookmelders worden toegepast; De rookmelder moet aan NEN‐EN 54‐7 voldoen en moet zijn aangesloten op een elektriciteitsgroep van bijvoorbeeld de gangverlichting, maar niet op een elektriciteitsgroep van een woning; De maximum montage hoogte van de rookmelder conform tabel 7 NEN 2535; De afstand van de rookmelder tot de wand, waarin zich de desbetreffende deur(en) bevindt (bevinden), moet ten minste 0,5 m en mag ten hoogste 2,5 m bedragen. Bij een storing in de installatie (kortsluiting, draadbreuk, uitname detector e.d.) moet de desbetreffende te sturen vrijloopdeurdranger automatisch worden geactiveerd; De vrijloopdeurdranger is gemonteerd aan de gangzijde waardoor een toezichthouder (BRW, BWT of VVE) de installatie kan inspecteren;
De
zelfstandige brandbeveiligingsinstallatie moet maandelijks visueel worden geïnspecteerd op een goede werking en moet jaarlijks worden onderhouden door een onderhoudsdeskundige.
23. Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten, nieuwbouw en bestaande bouw (Bouwbesluit 2012, afdeling 6.10) Op grond van artikel 6.48, eerste lid, Bouwbesluit 2012 is een bouwwerk met een toegankelijkheidssector vanaf de openbare weg toegankelijk voor personen met een functiebeperking. Op grond van artikel 6.49, eerste lid, Bouwbesluit 2012 loopt ten minste een route tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een toegankelijkheidssector van een gebouw over een weg, pad of steiger met: a. een breedte van ten minste 1,1 m, en b. bij een te overbruggen hoogteverschil van meer dan 0,02 m, een hellingbaan als bedoeld in afdeling 2.6. De appartementengebouwen dienen aan bovengenoemde eisen te voldoen. 24. Veilig onderhoud gebouwen, nieuwbouw (Bouwbesluit 2012, afdeling 6.12) Op grond van artikel 6.52, eerste lid, Bouwbesluit 2012 is een te bouwen gebouw zodanig dat onderhoud aan het gebouw veilig kan worden uitgevoerd. Op grond van artikel 6.53, eerste lid, Bouwbesluit 2012 heeft, indien onderhoud niet veilig kan worden uitgevoerd zonder gebouwgebonden veiligheidsvoorzieningen, een te bouwen gebouw daarvoor voldoende gebouwgebonden veiligheidsvoorzieningen. Het onderhoud aan de appartementengebouwen dient aan bovengenoemde eisen te voldoen, e.e.a. zoals aangegeven in het bij de aanvraag ingediende rapport_Checklist Veilig onderhoud op en aan gebouwen 2012. 25.
Veilig vluchten bij brand, nieuwbouw en bestaande bouw (Bouwbesluit 2012, afdeling 7.2) Op grond van artikel 7.11, eerste lid, Bouwbesluit 2012 is het gebruik van een bouwwerk zodanig dat bij brandveilig kan worden gevlucht. Op grond van artikel 7.12, eerste lid, Bouwbesluit 2012 is een deur op een vluchtroute bij aanwezigheid van personen in het bouwwerk uitsluitend gesloten indien die deur tijdens het vluchten, zonder gebruik te moeten maken van een sleutel onmiddellijk over de ten minste vereiste breedte kan worden geopend. Deuren op een gemeenschappelijke vluchtroute(s) dienen aan bovengenoemde eisen te voldoen en dienen te openen te zijn zonder gebruikmaking van een sleutel, e.e.a. zoals aangegeven in hoofdstuk 4.5 in rapport R073438ab_2094F9Q_bm_DO Beoordeling brandveiligheid, d.d. 27-11-2020, van LBP Sight.
Bijlage C, behorende bij omgevingsvergunning nr. 658365 C. Indieningsvereisten Bouwveiligheidsplan - UITVOERINGSFASE Het bouwveiligheidsplan is reed ter toetsing voorgelegd en akkoord bevonden. Echter ontbreken nog onderstaande bescheiden. Een bouwveiligheidsplan moet naast een beschrijving van het werk of aard van de werkzaamheden de volgende onderdelen bevatten: Indieningsvereisten bouwveiligheidsplan 1. één of meerdere tekeningen waaruit de bouwplaatsinrichting blijkt: a. de ligging van het te bebouwen perceel en de omliggende wegen, bouwwerken e.d.; b. de situering van het bouwwerk; c. de aan- en afvoerwegen, inclusief in- en uitrit van de bouwplaats; d. eventuele stremmingen, al dan niet tijdelijk in verband met bijzondere werkzaamheden tijdens de uitvoering; e. de plaats van de (vaste) bouwkranen; f.
de laad-, los- en hijszones (welke kranen, stempeldrukken, draaicirkel 1:100);
g. parkeerplaatsen, benodigd voor personeel en bezoekers; h. de plaats van de bouwketen; i.
de grenzen van het bouwterrein (inclusief steigers en afrastering) waarbinnen alle bouwactiviteiten inclusief het laden en lossen, plaatsvinden;
j.
de in of op de bodem van het perceel of in de directe omgeving van de bouwplaats aanwezige ondergrondse kabels en leidingen;
k. opgaaf van type boombescherming; De schaal van bedoelde tekeningen mag niet kleiner zijn dan 1:100 of 1:1000 wanneer details op een schaal van 1:100 zijn bijgevoegd; 2. Schriftelijke instemming Stedin met betrekking tot de voorgestelde bouwmethode in relatie tot de op het perceel aanwezige hogedruk gasleiding; 3. Een bewijs van notariële vastlegging van een nul-opname van de omliggende bouwwerken, alsmede een nul-opname van het aangrenzende openbare gebied en de terreininrichting; 4. Voorlichting omwonenden a. de wijze van voorlichting naar omwonenden;
Bijlage D, behorende bij omgevingsvergunning nr. 658365 D. Opnameprotocol Energieprestatie Gaandeweg het bouwproces moet er een dossier gevormd worden in de vorm van een foto- en bonnenboek van belangrijke momenten. Waar nodig is het dossier gedocumenteerd met pakbonnen of stickers van de verpakkingen van de bouwmaterialen. Het eerste opnamemoment is wanneer het isolatiemateriaal op de bouwschil wordt aangebracht. Niet-aansluitende lagen kunnen immers zorgen voor koudebruggen of ‘valse spouw’ (koude lucht achter isolatie). Ook moet het gebruikte type en de toegepaste dikte van het isolatiemateriaal worden vastgelegd c.q. worden bevestigd. Dat kan met behulp van foto’s of afleverbonnen, eventueel aangevuld met stickers, barcodes en een KOMOcertificaat. Het tweede opnamemoment is als het dak op de woning of het appartementencomplex wordt geplaatst. Ook hier kunnen de aansluitingen worden gefotografeerd. Het derde opnamemoment vindt plaats als de leidingen worden aangebracht en dekvloeren gestort. Ook hier kunnen foto’s aantonen dat de leidingen volgens afspraak zijn geïsoleerd en dat dit op de juiste wijze is gebeurd. Het laatste opnamemoment vindt plaats bij de plaatsing van de installaties: ruimteverwarming, (balans)ventilatie, tapwater. Ook hier is het doel om aan te tonen dat de installaties en de aansluitingen op de juiste manier zijn aangebracht.
Bijlage E, behorende bij omgevingsvergunning nr. 658365 E. Checklists brandwerende applicatie De checklist kent en indeling in de procesfasen van kwaliteitsborging: •
ontwerp / enginering;
•
product;
•
applicatie;
•
oplevering na applicatie;
•
oplevering en ingebruikname van het gebouw;
•
inspectie en onderhoud;
•
eigendom en beheer.
De checklist (per fase) is in de vragende vorm geformuleerd. Checklist ontwerp / enginering •
is de kritieke staaltemperatuur (per constructie-onderdeel of generiek) berekend conform NEN-EN 190 + NB, NEN-EN 191-1-2 (buitengewone belastinggeval brand) en NEN-EN 193-1-2 (brandwerendheid staalconstructies) of op basis van en veilige default (bijv. het BmS-rapport ʻ Veilige warden voor de kritieke staaltemperatuur bij ontwerp en aanbesteding?
•
voldoet de voor het constructie-onderdeel gehanteerde brandwerendheidseis aan de eis in het Bouwbesluit (afd. 2.2 ʻ Sterkte bij brand)?
•
is bij het vaststellen van de voor de constructie-onderdelen gehanteerde brandwerendheidseis rekening gehouden met het in stand houden van wanden, vloeren, gevels waarvoor en brandwerendheidseis geldt volgens Bouwbesluit afdelingen 2.10 ʻ Beperking van uitbreiding van brand, 2.1 ʻVerdere beperking uitbreiding van brand en beperking verspreiding van rookʼ , en/of 2.12 ʻVluchtroutesʼ ?
•
is de profielfactor van het constructie-onderdeel correct gespecificeerd rekening houdend met de wijze van verhitting en de aanwezigheid van voldoende brandwerend uitgevoerde aansluitende elementen (vloer, wand, gevel)?
•
is de laagdikte op de juiste wijze gespecificeerd, conform en geldig ETA-rapport, de juiste tabel (I/H-vormige ligger, I/H-vormige kolom, koker of buis) voor de specifieke brandwerendheid, profielfactor en kritieke staaltemperatuur?
•
is bij het ontwerp van de constructie rekening gehouden met het op de juiste wijze en bereikbaar aan kunnen brengen van de coating?
•
is bij het ontwerp van de constructie en na ingebruikname rekening gehouden met de mogelijkheid tot inspectie en het eventueel uitvoeren van onderhoud of herstellingen?
•
is bij het ontwerp van het constructie-onderdeel rekening gehouden met aansluitende brandwerende scheidingen (bijv. metalstudwanden), zeker wanneer de brandwerendheid daarvan lager is dan van het constructie-onderdeel (wederzijds invloed op elkaars prestatie)?
•
is bij het bepalen van de laagdikte rekening gehouden met niet-brandwerend uitgevoerde aansluitende delen (bouwkundig stal, stabiliteitsverbanden)?
Checklist product •
is het product dat wordt toegepast op het constructie-onderdeel geschikt voor de blootstelingscondities (Z2 binnen met lage vochtigheid; Z1 binnen met hoge vochtigheid; Y semi-buiten; X buiten)?
•
is het product CE-gemarkeerd en zo ja voldoet het CE-document, de prestatieverklaring en het ETA-rapport?
•
is het product conform NEN-EN 1381-8 getest en beoordeeld dor en ʻ notified bodyʼ (automatisch het geval bij CE-markering van het product)?
•
verklaart de leverancier dat het geleverde product in overeenstemming is met de gestelde eisen waarop genoemde documenten gebaseerd zijn?
Checklist applicatie •
wordt de applicatie uitgevoerd volgens en kwaliteits- en/of certificeringsysteem (eigen kwaliteitsborgingsystem, volgens ISO 1401 of anderszins)?
•
wordt de applicatie uitgevoerd en gedocumenteerd volgens de ABC-richtlijn van BmS of de European Industry best practice guide on the application of intumescent coatings to constructional steel (CEPE/EAIPC/EAPFP 2015)?
•
wordt de applicatie uitgevoerd dor voldoende vakbekwame medewerkers (spuiters, schilders)? De applicateur moet aan kunnen tonen dat de medewerkers opgeleid zijn om de werkzaamheden uit te voeren conform de verwerkingsinstructies van de leverancier. •
wordt de applicatie uitgevoerd met de juiste apparatuur (die voldoet aan de verwerkingsinstructies van de leverancier)?
•
zijn de applicatiecondities (temperatuur, relatieve luchtvochtigheid) gemeten en het dauwpunt bepaald (in ieder geval dagelijks bij aanvang, halverwege en aan het eind van de dag en tussendoor, wanneer daar bij extreme weersomstandigheden aanleiding toe is) en gedocumenteerd en voldoen deze daarbij aan de verwerkingsinstructies?
•
is de staalondergrond op het moment van applicatie Sa 2,5 gestraald, droog, schoon en in overeenstemming met de in de door de leverancier bepaalde technische specificaties?
•
is het type en de laagdikte van de primer in overeenstemming met de door de leverancier afgegeven technische specificaties?
•
zijn de voorgeschreven droog-/uithardingstijden van de primer- en opschuimlagen aangehouden en (controleerbaar) gedocumenteerd?
•
wat is de gemeten laagdikte van de primer?
•
hoe borgt de applicateur dat een voldoende natte laagdikte van de opschuimlaag (base coat) wordt aangebracht?
•
wat zijn de gemeten laagdikte van de opschuimlaag per constructie-onderdeel en voldoen deze (na aftrek van de primerdikte) aan de gespecificeerde laagdikte, rekening houdend met de acceptatiecriteria volgens de ABC-richtlijn van BmS of de European Industry best practice guide on the application of intumescent coatings to Constructional steel (CEPE/EAIPC/EAPFP 2015)?
•
is de apparatuur om de laagdikte te meten gekalibreerd?
•
is door de applicateur gecontroleerd en aantoonbaar geborgd dat de laagdikte voldoende zijn en er geen beschadigingen in de opschuimlaag aanwezig zijn alvorens de topcoating aan te brengen?
•
is er en door de verfleverancier toegestane, verenigbare topcoating toegepast met voldoende laagdikte en wat is de gemeten laagdikte (het verschil tussen de totale gemeten laagdikte en de gemeten laagdikte van het systeem na aanbrengen van de opschuimlaag)?
•
bij prefab applicatie: zijn de bouten en moeren (of andere verbindingsmiddelen) afzonderlijk beoordeeld (en wat is de kritieke staaltemperatuur hiervan) op het wel/niet brandwerend coaten daarvan en leidde dit tot de conclusie: dat deze ongecoat konden blijven, met dezelfde laagdikte gecoat moeten worden of met en afwijkende dikte?
Aandachtspunt: Is het geheel van bovenstaande punten van de “checklist applicatie” aantoonbaar, duidelijk, reproduceerbaar en geborgd vastgelegd in en rapport en is dit rapport ondertekent door de verantwoordelijke voor de applicatie, de opdrachtgever of diens gemachtigde of eventueel en onafhankelijke derde partij? Checklist oplevering na applicatie •
zijn de aansluitingen op wanden, gevels en bouwkundige afbouw zodanig gedetailleerd dat er voldoende ruimte is voor de brandwerende coating om op te schuimen en is dit met foto’s of anderszins te onderbouwen?
•
zijn er in de periode tussen begin en einde van de applicatie in het gebouw beschadigingen aan de coating opgetreden (mechanisch, vocht) en zo ja zijn deze op de juiste, gespecificeerde wijze gerepareerd met voldoende laagdikte en met herstel van de topcoating?
•
zijn gecoate onderdelen die na applicatie bouwkundig worden weggewerkt (achter / boven plafond bijv.) en dus niet of moeilijk inspecteerbaar goed gedocumenteerd (foto)?
•
is door de bouwdirectie gecontroleerd of de droge laagdikte voldoende zijn en er gen beschadigingen in de opschuimlaag aanwezig zijn alvorens de topcoating is aangebracht?
Checklist oplevering bij ingebruikname van het gebouw •
zijn er na oplevering van de applicatie (door opvolgende bouwdisciplines) beschadigingen opgetreden (mechanisch, vocht) en zo ja zijn deze op de juiste, gespecificeerde wijze gerepareerd met voldoende laagdikte en met herstel van de topcoating?
•
is de coating bij de bevestiging van plafonds, leidingen, lift, enz. onbeschadigd gebleven?
•
is de coating bij oplevering in goede staat (aaneengesloten topcoating, geen blaasvormig, geen craquelé, geen grote oneffenheden, gen beschadigingen)?
•
heft de leverancier de applicatie goedgekeurd en er zijn garantieverklaring (onder redelijke, nader te specificeren voorwaarden en afbakening) op afgegeven?
Checklist inspectie en onderhoud •
is er en inspectie- en onderhoudscontract afgesloten en aan wie worden de inspectierapporten voor akkoord voorgelegd?
•
is de beheerder op de hoogte van de aanwezigheid van brandwerende coating, van zijn verantwoordelijkheid deze bij beschadigingen te laten repareren en van zijn verplichting me te werken aan inspecties en onderhoud?
•
is de beheerder op de hoogte van de aanwezigheid van niet-inspecteerbare brandwerende coating (bijv. achter plafonds) van zijn verantwoordelijkheid om bij werkzaamheden in de nabijheid hiervan (bijvoorbeeld nieuwe installaties achter het plafond) de werkzaamheden goed te (laten) monitoren en te documenteren dat de coating na afronding van deze werkzaamheden geen beschadigingen heeft ondergaan en nog in goede staat is?
Checklist eigendom / beheer •
is er een overeenkomst hoe en door wie er garantie wordt afgegeven?
•
is er een overeenkomst of document, waarin is bepaald welke informatie moet worden overgedragen bij verandering van eigenaar, beheerder of gebruiker?
Aandachtspunt: Is er een overeenkomst of document waarin is bepaald of vastgesteld hoe gehandeld moet worden bij verandering van gebruik?
Bijlage F, behorende bij omgevingsvergunning nr. 658365 F. Voorwaarden m.b.t. archeologie Overweging, advies en voorwaarden Het advies, zoals verwoord in Transect-rapport 2861, versie 1.2 - Een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende en karterende fase, d.d. 04-09-2020, om een waarderend proefsleuvenonderzoek in de vorm van proefsleuven (IVO-P) uit te voeren wordt door ons overgenomen met in achtneming van onderstaande: -
Omdat het terrein archeologisch nog niet definitief en volledig gewaardeerd is kan het effect van de bestemmingswijziging op het archeologisch bodemarchief op dit moment nog niet volledig worden vastgesteld. Dit vormt een risico voor de uitvoerbaarheid van het initiatief. Hiervan is de aanvrager zich bewust;
-
Voor het initiatief dient een vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) genomen te worden, namelijk het uitvoeren van een waarderend, archeologisch proefsleuvenonderzoek.
Gelet op voornoemde achten wij het in dit geval redelijk in te stemmen met het verzoek om het waarderend proefsleuvenonderzoek in de vorm van proefsleuven (IVO-P) uit te voeren na het doorlopen van de bestemmingsplanprocedure en pas uit te voeren na sloop van de bestaande (kantoor)bebouwing tot aan het maaiveld c.q. bovenzijde fundering / kelder. Het waarderend proefsleuvenonderzoek in de vorm van proefsleuven (IVO-P) dient conform een goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) en Plan van Aanpak (PvA) te worden uitgevoerd. Meldingsplicht bij archeologische vondsten Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is overeenkomstig artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de betreffende vondsten bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, telefoon 033 – 4217456) verplicht (vondstmelding via ARCHIS). Tevens dient de gemeente Leidschendam-Voorburg direct te worden geïnformeerd bij een eventuele ontdekking van archeologische resten. U dient hiervoor contact op te nemen met de heer A.A. Roeloffs (telefoonnummer 070 – 3009046 of mobiel op nummer 06 – 53883123). Eventuele vondsten mogen niet worden verplaatst of verwijderd zonder toestemming van de gemeente.
Bijlage G, behorende bij omgevingsvergunning nr. 658365 G. Aanleg in- en uitritconstructie De inrichting van het openbaar gebied, inclusief de parkeerplaatsen en toegangswegen, worden door de Gemeente Leidschendam-Voorburg aangelegd, e.e.a. conform gemaakte afspraken dan wel op kosten initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Aan deze omgevingsvergunning verbinden wij tevens de volgende voorwaarden en voorschriften: 1. Het is niet toegestaan is om de in- en uitrit, voor zover deze gelegen zijn op gemeentelijke grond, zelfstandig aan te leggen, tenzij anders overeengekomen; 2. De gemeente past de bestrating van de in-/uitrit langs de openbare weg aan, tenzij anders overeengekomen; 3. De bestrating of verharding van de in-/uitrit zal een afwijkende kleur hebben ten opzichte van de bestrating of verharding in de openbare weg; 4. Het op de in- en uitrit te parkeren voertuig mag niet uitsteken op de openbare weg c.q. het trottoir; 5. De kosten voor het aanleggen van de in-/uitritten langs de openbare weg worden op basis van nacalculatie aan u doorberekend; 6. De gemeente Leidschendam-Voorburg wordt gevrijwaard voor alle schade, die als gevolg van het gebruik van de in-/uitrit ontstaat, tenzij de gemeente opzet of schuld inzake het ontstaan van de schade kan worden verweten; 7. Voor de planning van voornoemde werkzaamheden dient u contact op te nemen met de afdeling Stadsbeheer, de heer M.
vd Reep, telefoon (070) 300 8351, e-mail M.vd.Reep@leidschendam-voorburg.nl of de heer P. Loorij, telefoon (070) 300 8549, e-mail ploorij@leidschendam-voorburg.nl
Bijlage H, behorende bij omgevingsvergunning nr. 658365 H. Overigen Voorwerpen op de openbare weg Uit uw aanvraag valt op te maken dat u mogelijk extra gebruik zult moeten maken van het gemeentelijk grondgebied om de werkzaamheden te kunnen uitvoeren. We willen u erop attenderen dat u voor het plaatsen van voorwerpen op de plaats, zoals steigers, mogelijk een melding moet doen dan wel een vergunning moet aanvragen op grond van de Algemene plaatselijke verordening. U kunt een melding doen of een vergunning aanvragen via het digitaal loket (http://www.leidschendam-voorburg.nl > Digitaal Loket > Product of Dienst op Thema “Bouwen & Wonen” > Voorwerp op de openbare weg plaatsen) van de gemeente.