2969 Bijlage 5 Concept omgevingsvergunning
Tekst van het document
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
OMGEVINGSVERGUNNING voor de activiteit: 1. Bouwen, artikel 2.1, eerste lid, onder a, Wabo; 2. Uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, artikel 2.1, eerste lid, onder b, Wabo; 3. Maken of veranderen van een uitweg, artikel 2.2, eerste lid, onder e, Wabo, juncto artikel 1:8 en artikel 2:12, eerste lid, Algemene plaatselijke verordening LeidschendamVoorburg; Nr. 658365 Aanvraag Op 24 juli 2020 hebben wij van Amvest RCF Custodian B.V., Zeeburgerkade 1184, 1019 VK Amsterdam, een aanvraag om omgevingsvergunning ontvangen voor het realiseren van zes appartementencomplexen (295 appartementen) met parkeervoorzieningen, in- en uitritten, bijbehorende bouwwerken, bouwwerken geen bouwwerk zijnde en aanlegwerkzaamheden (KPP deellocatie 3A) op het perceel kadastraal bekend gemeente Voorburg, sectie: D, nummers 6928, 6929 en 7031 (ged.), plaatselijk gemerkt Damsigtlocatie tussen Oosteinde, Johan David Zocherstraat en Nieuwe Havenstraat in Voorburg. Korte beschrijving project Het project, bekend onder KPP deellocatie 3A, bestaat uit de sloop van het Damsigt kantoorgebouw en de nieuwbouw van zes appartementengebouwen met in totaal 295 appartementen. Onder deze appartementengebouwen bevinden zich op maaiveldniveau de parkeergarages en fietsenstallingen. De parkeergarages worden ontsloten op de koppen van de appartementengebouwen.
Rondom de nieuwe appartementengebouwen zal het terrein worden heringericht met openbare tuininrichting(en). Ook de verhoogd aangelegde binnentuinen zijn openbaar toegankelijk.
Luchtfoto ontwikkellocatie
Artist impression Bodemingrepen Ten behoeve van het nieuwbouwproject vinden diverse bodem-/grondwerkzaamheden (bijv. funderingswerkzaamheden) plaats. Deze bodem-/grondwerkzaamheden zijn slechts mogelijk na verlening van de overeenkomstig het bestemmingsplan vereiste omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden. Bij aanvraag behorende gegevens en bescheiden Onderstaande gegevens en bescheiden hebben wij beoordeeld en maken integraal onderdeel uit van dit besluit: Algemeen -
aanvraagformulier omgevingsvergunning
Bouwen & Uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde & Maken of veranderen van een uitweg -
tekeningen, rapportages en aanverwante stukken zoals vermeld in Bijlage I Overzichtslijst van de bij de omgevingsvergunning behorende stukken, kenmerk 658365 – Het realiseren van zes appartementencomplexen (295 appartementen) met parkeervoorzieningen, Damsigt-locatie tussen Oosteinde, Johan David Zocherstraat en Nieuwe Havenstraat in Voorburg
Voorgeschiedenis Op 20 januari 2015 heeft de gemeenteraad een ontwikkelvisie voor Klein Plaspoelpolder vastgesteld, gevolgd door een spelregelkaart in september 2017. De spelregelkaart geldt als ruimtelijk kader waarbinnen de ontwikkelingen binnen Klein Plaspoelpolder mogen plaatsvinden. Ook heeft de gemeenteraad op 7 juli 2020 een coördinatiebesluit genomen. Dit betekent dat alle afzonderlijke besluiten die benodigd zijn in het plangebied gezamenlijk ter inzage worden gelegd als ontwerpbesluiten. Belanghebbenden kunnen in één keer een zienswijze
indienen op alle gecoördineerde besluiten en na afloop van de inzagetermijn kan de gemeenteraad één besluit nemen over de vaststelling of verlening van alle stukken die ter inzage lagen. Na vaststelling / verlening staat beroep open bij de Raad van State, die de gecoördineerde besluiten als één besluit behandelt. Op 7 juli 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders een intentieovereenkomst met de initiatiefnemer afgesloten (1765). Inmiddels is overeenstemming bereikt over onder meer het bouwplan, het aandeel sociale huurwoningen, de te voeren planologische procedure, het te betalen bedrag aan kostenverhaal, de overdracht van gronden ten behoeve van de aanleg openbare ruimte en de realisatie van het bouwplan en de onderlinge taakverdeling. Deze afspraken zijn vastgelegd in de “Anterieure overeenkomst Klein Plaspoelpolder Deellocatie 3A”. Voorbereidingsprocedure Uniforme openbare voorbereidingsprocedure Teneinde te voldoen aan het gestelde in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht hebben wij ons voornemen tot medewerking aan de aanvraag om omgevingsvergunning op woensdag 31 augustus 20222 op de gebruikelijke wijze gepubliceerd. Hierbij is gelijktijdig mededeling is gedaan van de vereiste terinzagelegging voor een periode van zes weken, ingaande op vrijdag 2 september 202. Ook hebben wij ons voornemen langs elektronische weg kenbaar gemaakt.
Gedurende de periode van terinzagelegging konden tot en met donderdag 13 oktober 2022 zienswijzen omtrent de voorgenomen medewerking aan de aanvraag kenbaar worden gemaakt. Tijdens de periode van terinzagelegging is één zienswijze ingekomen tegen het ontwerpbesluit omgevingsvergunning. Deze zienswijze heeft echter niet geleid tot aanpassing van het ingediende bouwplan. In de zienswijzennota wordt inhoudelijk ingegaan op de ingebrachte zienswijze c.q. bezwaarpunten. Gelet op de coördinatieregeling is het ontwerpbestemmingsplan “KPP Oosteinde 208 Voorburg” en aanverwante besluitvorming gelijktijdig ter inzage gelegd.
Beoordeling aanvraag – 1. activiteit BOUWEN De aanvraag hebben wij beoordeeld op de toetsingsgronden c.q. weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 2.10, eerste lid, onderdelen a tot en met d, van de Wabo. Bouwbesluit (artikel 2.10, eerste lid, onderdeel a) De aanvraag dient te voldoen aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012. Wij achten het aannemelijk dat, met toepassing van gelijkwaardigheid op grond van artikel 1.3, voldaan zal worden aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012, voor zover de ingediende stukken een toets aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012 mogelijk maken. Gelijkwaardigheid – Vluchtroutes Overeenkomstig artikel 2.101, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 heeft een te bouwen bouwwerk zodanige vluchtroutes dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt. Overeenkomstig artikel 2.104, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 is een vluchtroute vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een extra beschermde vluchtroute, tenzij die uitgang direct grenst aan het aansluitende terrein. Overeenkomstig artikel 2.104, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012 voert de in het eerste lid bedoelde vluchtroute niet langs een beweegbaar constructieonderdeel van een andere woonfunctie dan de woonfunctie waarin de vluchtroute begint.
Dit geldt niet bij de toegang van een woonfunctie die recht tegenover de toegang ligt van de woonfunctie waarin de vluchtroute begint. Het bouwplan voldoet niet overal rechtstreeks aan artikel 2.104, tweede lid, maar voorziet volgens de (brandtechnisch) adviseur van de aanvrager in een gelijkwaardige oplossing. Hiervoor heeft adviesbureau LBP Sight een de volgende motivatie opgesteld in rapport: “DO beoordeling brandveiligheid”, kenmerk R073438ab_2094F9Q_bm_DO Beoordeling brandveiligheid, d.d. 27-11-2020: Vanuit de meeste woningen kan langs ten minste twee routes naar openbare weg worden gevlucht via de gemeenschappelijke verkeersruimten. Echter zijn er een aantal woningen aan het einde van de gemeenschappelijke verkeersruimte waar, over een beperkte afstand, maar één richting op gevlucht kan worden. Het betreft in iedere situatie maximaal 2 woningen die op het doodlopende einde ontsluiten. In deze situaties wordt voor een andere woningvoordeur langs gevlucht. Dit is conform het Bouwbesluit 2012 niet toegestaan. Om een gelijkwaardige veiligheid te realiseren worden deze woningenvoordeuren voorzien van vrijloopdrangers (gemonteerd aan de gangzijde van de deur). De aansturing van de vrijloopdrangers gebeurd middels een melder aan de gangzijde die wordt uitgevoerd conform NEN 2535. De vrijloopdrangers hebben als voordeel dat deze in het dagelijks gebruik geen belemmering vormen.
Hiermee is de betrouwbaarheid van de dranger groter omdat het risico dat deze door de gebruiker onklaar wordt gemaakt aanzienlijk kleiner dan bij een ‘gewone’ dranger. Op basis hiervan wordt naar ons inziens een gelijkwaardige veiligheid voor het doodlopende einde gerealiseerd.
Na akkoord hiervan door de Veiligheidsregio Haaglanden kan hiermee worden ingestemd en wordt in het bouwplan voorzien in een gelijkwaardige oplossing als bedoeld in artikel 2.101, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012. Gelijkwaardigheid – Inrichting vluchtroutes Overeenkomstig artikel 2.101, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 heeft een te bouwen bouwwerk zodanige vluchtroutes dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt. Overeenkomstig artikel 2.107, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 is, indien op een trap in totaal meer dan 600 m² vloeroppervlakte aan verblijfsgebied is aangewezen, de breedte van de trap ten minste 1,2 m. Het bouwplan voldoet voor wat betreft de noodtrappenhuizen, met een trapbreedte van minimaal 0,90 meter, niet aan artikel 2.107, tiende lid, maar voorziet volgens de (brandtechnisch) adviseur van de aanvrager in een gelijkwaardige oplossing. Hiervoor heeft adviesbureau LBP Sight een de volgende motivatie opgesteld in rapport: “DO beoordeling brandveiligheid”, kenmerk R073438ab_2094F9Q_bm_DO Beoordeling brandveiligheid, d.d. 27-11-2020: Volgens het Bouwbesluit moet de trapbreedte van de trappen minimaal 1,2 meter bedragen, wanneer meer dan 600 m2 aan woonfuncties is aangewezen op de trappen. In de beschouwde situatie hebben alle hoofdtrappenhuizen (nabij de liften) een trapbreedte van ten minste 1,2 meter.
De noodtrappenhuizen hebben een vrije doorgang van minimaal 0,9 meter en voldoen dus niet aan de breedte van 1,2 meter. Naar onze mening is dit ook niet nodig. Deze trappen hebben een doorstroomcapaciteit van 40 personen per minuut3. In de meest ongunstigste situatie (U-shape) zijn er per bouwlaag zes woningen op een noodtrappenhuis aangewezen. Op basis van de omvang van de woningen achten wij een maximale bezetting van zes personen per woningen ruim voldoende. Hiermee wordt naar ons inzien met een vrije doorgang van 0,9 meter voor de noodtrappenhuizen een gelijkwaardige veiligheid gerealiseerd. Na akkoord hiervan door de Veiligheidsregio Haaglanden kan hiermee worden ingestemd en wordt in het bouwplan voorzien in een gelijkwaardige oplossing als bedoeld in artikel 2.107, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012. Gelijkwaardigheid - Buitenberging Overeenkomstig artikel 4.30, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 heeft een te bouwen woonfunctie een afsluitbare bergruimte om fietsen of scootmobielen beschermd tegen weer en wind te kunnen opbergen. Overeenkomstig artikel 4.31, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 heeft een woonfunctie als nevenfunctie een niet-gemeenschappelijke afsluitbare bergruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 5 m² bij een breedte van ten minste 1,8 m en een hoogte daarboven van ten minste 2,3 m.
Het bouwplan voldoet niet rechtstreeks aan artikel 4.31, eerste lid, maar voorziet in een gelijkwaardige oplossing door een combinatie van gemeenschappelijke fietsenbergingen en interne bergruimte binnen de woonfunctie zelf. Voor deze gelijkwaardige oplossing heeft architect OZ een rapport opgesteld “Gelijkwaardigheid buitenberging-fietsenstalling”, kenmerk 18-645RB, d.d. 27-11-2020. In dit rapport, waarvan de Gemeente LeidschendamVoorburg vooraf de minimale kaders voor gelijkwaardigheid heeft bepaald, wordt beschreven hoe met gelijkwaardige voorzieningen voldaan kan worden aan de gestelde prestatie-eisen. Nu voldaan wordt aan de door Gemeente Leidschendam-Voorburg gestelde minimale kaders kan met het rapport worden ingestemd en wordt in het bouwplan voorzien in een gelijkwaardige oplossing als bedoeld in artikel 4.30, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012. Uitgangspunten toetsing Bij de toetsing van het bouwplan is uitgegaan van de volgende uitgangspunten: -
primaire gebruiksfunctie: Woonfunctie in woongebouw en Overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen
-
gehanteerd toetsniveau: Nieuwbouw volgens Bouwbesluit 2012
In ons besluit, alsmede in de bijlagen, zijn voorschriften vermeldt waaraan voldoen dient te worden, dan wel voorafgaande aan de aanvang van de desbetreffende werkzaamheden aannemelijk gemaakt dient te worden dat hieraan voldaan wordt. In bijlage B onder “Verplichtingen vanuit het Bouwbesluit 2012 - SPECIFIEK” wordt nader ingegaan op voorschriften uit het Bouwbesluit 2012. Bouwverordening (artikel 2.10, eerste lid, onderdeel b) De aanvraag is in overeenstemming met de bepalingen van de bouwverordening Leidschendam-Voorburg voor zover die van toepassing zijn op de aanvraag. Bestemmingsplan (artikel 2.10, eerste lid, onderdeel c) De aanvraag is in beginsel in strijd met het vigerende bestemmingsplan "Nieuw Damsigt”. Op de betreffende percelen rusten de bestemmingen: -
Kantoor
– artikel 9
-
Verkeer – Verblijfsgebied
– artikel 15
-
Waarde - Archeologie 5
– artikel 23
-
Waarde - Archeologie 6
– artikel 24
Fragment verbeelding – Bestemmingsplan Nieuw Damsigt
Fragment verbeelding Archeologie – Bestemmingsplan Nieuw Damsigt
Kantoor Overeenkomstig artikel 9.1.1 zijn de voor “Kantoor” aangewezen gronden bestemd voor: a. kantoren; b. een onderdoorgang uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'onderdoorgang'; c. bijgebouwen uitsluitend ter plaatste van de aanduiding 'bijgebouwen'; d. een parkeergarage uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage'; e. een ondergrondse parkeergarage, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage ondergronds'; f. een parkeerterrein uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein'; met de daarbij behorende: g. erven; h. groenvoorzieningen; i. nutsvoorzieningen; j. ontsluitingswegen; k. paden en verhardingen; l. parkeervoorzieningen; m. waterlopen en waterpartijen. Overeenkomstig artikel 9.2.2 gelden voor het bouwen van (hoofd-)gebouwen de volgende regels: a. (hoofd-)gebouwen mogen uitsluitend binnen de bouwvlakken worden gebouwd; b. de goothoogte, respectievelijk de bouwhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven; c. voor zover de in sublid 9.1.1 genoemde gronden tevens zijn aangewezen voor ''vrijwaringszone-straalpad' en/of 'geluidzone - industrie', is daarbij tevens het bepaalde in artikel 30 van toepassing. Het ingediende bouwplan voldoet niet aan de voorschriften van het bestemmingsplan “Nieuw Damsigt” qua gebruik.
Daarnaast worden appartementengebouwen opgericht buiten de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken en voldoen deze aan de in artikel 9.2.2 gestelde bouwregels. Verkeer – Verblijfsgebied Overeenkomstig artikel 15.1.1 zijn de op de verbeelding voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden bestemd voor: a. buurtonsluitingswegen; b. parkeervoorzieningen, met uitzondering van op de verbeelding aangegeven gronden met de aanduiding 'parkeerterrein uitgesloten' (-p); c. voet- en fietspaden; d. overhangende balkons, luifels en daarmee vergelijkbare bouwwerken respectievelijk voorzieningen ten behoeve van aangrenzende gronden en/of bebouwing met de bestemming Wonen en bestemming Wonen - 1 als bedoeld in artikel 17 respectievelijk artikel 18; e. een brug, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'brug';
f. een onderdoorgang, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'onderdoorgang'; g. een tunnel, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'tunnel'; met de daarbij behorende: h. bermen; i. duikers en oeververbindingen; j. groenvoorzieningen; k. nutsvoorzieningen; l. speeltoestellen; m. voorzieningen voor het openbaar vervoer; n. voorzieningen ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer; o. (ondergrondse) inzamelplaatsen voor (gescheiden) afval; p. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding; q. waterlopen en waterpartijen. Overeenkomstig artikel 15.2.1 mogen op, dan wel in, deze gronden ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd: a. gebouwen en bouwwerken ten behoeve van het openbaar vervoer; b. bouwwerken ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer; c. bouwwerken ten behoeve van nutsvoorzieningen; d. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Overeenkomstig artikel 15.2.2 gelden voor het bouwen als bedoeld in sublid 15.2.1 de volgende regels: a. de oppervlakte van gebouwen en bouwwerken ten behoeve van het openbaar vervoer en de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer mag niet meer dan 6 m² bedragen; b. de bouwhoogte van gebouwen dan wel bouwwerken ten behoeve van het openbaar vervoer, de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer mag niet meer dan 3 meter bedragen; c.
de bouwhoogte van bouwwerken ten behoeve van nutsvoorzieningen mag niet meer bedragen dan 5 meter; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bestemming mag niet meer bedragen dan aangegeven in artikel 28. Het ingediende bouwplan voldoet niet aan de voorschriften van het bestemmingsplan “Nieuw Damsigt” qua gebruik. Daarnaast worden appartementengebouwen opgericht buiten de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken en voldoen deze aan de in artikel 15.2.2 gestelde bouwregels. Waarde - Archeologie 5 Overeenkomstig artikel 23.1.1 zijn de voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden primair bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden.
Overeenkomstig artikel 23.4.1 is het verboden om op of in de gronden als bedoeld in lid 23.1 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; b. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen; c. het verlagen of verhogen van het waterpeil; d. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; e. het aanleggen of verwijderen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; f. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen. Overeenkomstig artikel 23.4.2 is het verbod als bedoeld in sublid 23.4.1, niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden: a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij het bepaalde in lid 23.2 sub a, b en c in acht is genomen; b. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 30 m² en waarbij de bodemingreep niet dieper reikt dan 30 cm beneden maaiveld; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; d. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingvergunning; e.
ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd; f. de werkzaamheden zoals bedoeld in sublid 23.4.1 onder f worden uitgevoerd in het kader van regulier onderhoud en beheer. Omdat de bodemingrepen qua omvang meer bedragen dan de in artikel 23.4.2 genoemde uitzonderingen is een omgevingsvergunning vereist voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden, voor zover gelegen in de op de verbeelding aangegeven zone “Waarde – Archeologie 5”. Waarde - Archeologie 6 Overeenkomstig artikel 24.1.1 zijn de voor 'Waarde - Archeologie 6' aangewezen gronden primair bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden. Overeenkomstig artikel 24.4.1 is het verboden om op of in de gronden als bedoeld in lid 24.1 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; b. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen; c. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
d. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; e. het aanleggen of verwijderen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; f. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen. Overeenkomstig artikel 24.4.2 is het verbod als bedoeld in sublid 24.4.1, niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden: a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij het bepaalde in lid 24.3 sub a, b en c in acht is genomen; b. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 1000 m² en waarbij de bodemingreep niet dieper reikt dan 1 m beneden maaiveld; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; d. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingvergunning; e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd; f. de werkzaamheden zoals bedoeld in sublid 23.4.1 onder f worden uitgevoerd in het kader van regulier onderhoud en beheer. Omdat de bodemingrepen qua omvang minder bedragen dan de in artikel 24.4.2 genoemde uitzonderingen is geen omgevingsvergunning vereist voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden, voor zover gelegen in de op de verbeelding aangegeven zone “Waarde – Archeologie 6”.
Bestemmingsplan KPP Oosteinde 208 Voorburg Naar aanleiding van de op 20 januari 2015 door de gemeenteraad vastgestelde ontwikkelvisie voor Klein Plaspoelpolder is voor het betreffende perceel het (ontwerp) bestemmingsplan "KPP Oosteinde 208 Voorburg" opgesteld. Zie fragment verbeelding op volgende pagina. Op het betreffende perceel rusten nu de bestemmingen: -
Groen
– artikel 3
-
Wonen - 1
– artikel 4
-
Waarde – Archeologie 3
– artikel 5
Het ingediende bouwplan voor het realiseren van zes appartementencomplexen (295 appartementen) met parkeervoorzieningen en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is in overeenstemming met de voorschriften van het bestemmingsplan “KPP Oosteinde 208 Voorburg”.
Fragment verbeelding – Bestemmingsplan KPP Oosteinde 208 Voorburg Welstand (artikel 2.10, eerste lid, onderdeel d) De welstands- en monumentencommissie heeft het plan in diverse vergaderingen behandelend. Uiteindelijk heeft de commissie in haar vergadering van 17 mei 2022 ons geadviseerd dat de aanvraag voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Op grond van voornoemd advies zijn wij van oordeel dat de aanvraag voldoet aan artikel 12a van de Woningwet.
Beoordeling aanvraag – 2. activiteit UITVOEREN VAN EEN WERK, GEEN BOUWWERK ZIJNDE De aanvraag hebben wij beoordeeld op de toetsingsgronden c.q. weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 2.11 van de Wabo. Bestemmingsplan (artikel 2:11, eerste lid) Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd, indien het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, in strijd is met het geldende bestemmingsplan. De locatie van de uit te voeren grondwerkzaamheden is gelegen in het bestemmingsplan "KPP Oosteinde 208 Voorburg" in de (dubbel)bestemming “Waarde – Archeologie 3” (artikel 5) Waarde – Archeologie 3 Overeenkomstig artikel 5.1 zijn de voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden.
Overeenkomstig artikel 5.3.1, lid a, heeft de aanvrager een rapport overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein, welke blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; Overeenkomstig artikel 5.3.1, lid b, wordt de onder a genoemde archeologische waarde door de bouwactiviteiten niet geschaad of mogelijke schade aan de archeologische waarde kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning een of meer van de onderstaande voorschriften te verbinden: 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ); 2. het doen van (aanvullend) inventariserend en/of waarderend archeologisch onderzoek zoals boringen, proefsleuvenonderzoek en non-destructief onderzoek (zoals grondradar- en weerstandsonderzoek); 3. het doen van een archeologische opgraving (behoud ex situ); 4. begeleiding van de bouwactiviteiten door een deskundige waarbij de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse voor de Archeologie in acht worden genomen. Overeenkomstig artikel 5.4.1, lid a, is het ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden in artikel 5.1 niet toegestaan om de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1.
het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe worden gerekend afgraven, ophogen, verwijderen van oude funderingen, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, alsmede het verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
2. het verwijderen, trekken of afbreken van funderingspalen; 3. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen; 4. het verlagen of verhogen van het waterpeil; 5. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; 6. het aanleggen of verwijderen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; 7. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen. Overeenkomstig artikel 5.4.1, lid b, is het bepaalde in lid a is niet van toepassing, indien de werkzaamheden: 1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij het bepaalde in artikel 5.3, sub a en b in acht is genomen; 2. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 100 m2; 3. niet dieper reiken dan 30 cm beneden maaiveld; 4. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; 5. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingvergunning; 6. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd door de houder van een opgravingsvergunning zoals bedoeld in de Erfgoedwet; 7. worden uitgevoerd in bestaande weg- en/of leidingcunetten; 8. worden uitgevoerd in het kader van regulier onderhoud en beheer.
Overeenkomstig artikel 5.4.2 wordt de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden slechts verleend indien en voor zover: a. de werken of werkzaamheden integraal onderdeel uitmaken van een bouwplan waarbij de voorwaarden als genoemd in artikel 5.3 in acht zijn genomen; b. de werkzaamheden waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd zijn toegestaan op grond van de regels van de andere bestemmingen, waarmee de dubbelbestemming samenvalt; c. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein, welke blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; d. aan de omgevingsvergunning kunnen één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden ten behoeve van het voorkomen van mogelijke schade aan archeologische waarden: 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ); 2. het doen van (aanvullend) inventariserend en/of waarderend archeologisch onderzoek zoals boringen, proefsleuvenonderzoek en non-destructief onderzoek (zoals grondradar- en weerstandsonderzoek); 3. het doen van een archeologische opgraving (behoud ex situ); 4.
doen van opgravingen waarbij de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie in acht worden genomen;
5. begeleiding van de activiteiten door een deskundige waarbij de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie in acht worden genomen. Omdat de bodemingrepen qua omvang meer bedragen dan de in artikel 5.4.1, lid b, genoemde uitzonderingen is een omgevingsvergunning vereist voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden. Archeologisch onderzoek en advies Met het oog op de beoogde ingrepen en het opstellen van het vigerend bestemmingsplan zijn verschillende archeologische onderzoeken uitgevoerd. Deze onderzoeken hadden tot doel inzichtelijk te maken of er in het plangebied sprake is (of kan zijn) van archeologische resten of cultuurhistorische waarden die door de ingrepen verstoord dreigen te worden en, indien mogelijk, om uitspraken te doen over de waarde hiervan (fysieke en inhoudelijke kwaliteit, zeldzaamheid en gaafheid). Ter plaatse van het vigerende bestemmingsplan zijn hiervoor de volgende onderzoeken uitgevoerd: -
Transect-rapport 1627, versie 1.1 - Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO), d.d. 13-03-2018
-
Transect-rapport 2861, versie 1.2 - Een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende en karterende fase, d.d. 04-09-2020
Op basis van het archeologisch vooronderzoek zijn een aantal conclusies te trekken. Er is vastgesteld dat het plangebied zich op een strandwal bevindt. Van de strandwal zijn zowel strandafzettingen als duinafzettingen aangetroffen. In 21 van de 36 boringen is sprake van een humeuze top in het duinzand. Bovendien is het duin- en strandzand grotendeels afgedekt met een veenpakket, wat indicatief is voor de mate van intactheid van het zand. Het zand bevindt zich op een diepte tussen 130 en 285 cm -Mv (0,7 á 2,3 m -NAP). Er zijn in de boringen geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van het kanaal van Corbulo waargenomen. Deze bevindt zich (indien aanwezig) waarschijnlijk ten noorden van boring 1. Gezien de mate van intactheid van het strandwallenlandschap en de aanwezigheid van een vegetatieniveau in de top van het duinzand is sprake van een hoge verwachting op het aantreffen van resten uit de periode Neolithicum – Bronstijd. Voor het noorden van het plangebied geldt een verwachting voor het aantreffen van het kanaal van Corbulo, al is de aanwezigheid niet geheel zeker. Gezien de diepte van het duinzand wordt geadviseerd een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren op die plaatsen waar dieper ontgraven wordt dan 130 cm -Mv.
Op basis van de huidig bekende ontgravingsdiepten heeft dit advies betrekking op de bouwvlakken van de nieuwbouw (circa 10100 m2), voor zover hier dieper wordt ontgraven dan 130 cm -Mv. De ligging van deze advieszone is opgenomen op de advieskaart in bijlage 7 van het betreffende rapport.
Wanneer blijkt dat ook in het overig deel van het terrein dieper dan 130 cm -Mv wordt ontgraven, wordt geadviseerd om ook hier een vervolgonderzoek uit te voeren. Het vervolgonderzoek kan het beste plaatsvinden in de vorm van een karterend en eventueel waarderend onderzoek in de vorm van proefsleuven (IVO-P). Voor een proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen nodig, waarin de randvoorwaarden van dit onderzoek zijn vastgelegd. Dit PvE moet voor de start van de werkzaamheden zijn beoordeeld en goedgekeurd door het bevoegd gezag, de gemeente LeidschendamVoorburg. Omdat het terrein archeologisch nog niet definitief en volledig gewaardeerd is, kan het effect van het bouwplan op het archeologisch bodemarchief op dit moment nog niet worden vastgesteld. Beoordeling en vervolgonderzoek Gelet op voornoemde heeft de Gemeente Leidschendam-Voorburg zich op het standpunt gesteld dat voorafgaande aan de bodem- c.q. grondwerkzaamheden een waarderend proefsleuvenonderzoek in de vorm van proefsleuven (IVO-P) dient plaats te vinden, waarbij de huidige (kantoor) bebouwing in eerste instantie tot aan het maaiveld c.q. bovenzijde fundering / kelder mag worden gesloopt.
Omdat pas na sloop van de bestaande (kantoor)bebouwing het waarderend proefsleuvenonderzoek in de vorm van proefsleuven (IVO-P) kan worden uitgevoerd, heeft de gemeente ingestemd met het verzoek om het waarderend proefsleuvenonderzoek als voorwaarde te verbinden aan de omgevingsvergunning. Aanvrager is zich hierbij bewust van de mogelijke scenario’s en risico’s bij eventuele archeologische vondsten in het plangebied. Aanvrager realiseert zich dat bij het aantreffen van behoudenswaardige vindplaatsen de gemeente Leidschendam-Voorburg kan besluiten deze vindplaats veilig te stellen middels opgraving en accepteert hiervan de eventuele gevolgen. Overweging, advies en voorwaarden Het advies, zoals verwoord in Transect-rapport 2861, versie 1.2 - Een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende en karterende fase, d.d. 04-09-2020, om een waarderend proefsleuvenonderzoek in de vorm van proefsleuven (IVO-P) uit te voeren wordt door ons overgenomen met in achtneming van onderstaande: -
Omdat het terrein archeologisch nog niet definitief en volledig gewaardeerd is kan het effect van de bestemmingswijziging op het archeologisch bodemarchief op dit moment nog niet volledig worden vastgesteld. Dit vormt een risico voor de uitvoerbaarheid van het initiatief. Hiervan is de aanvrager zich bewust;
-
Voor het initiatief dient een vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) genomen te worden, namelijk het uitvoeren van een waarderend, archeologisch proefsleuvenonderzoek;
Gelet op voornoemde achten wij het in dit geval redelijk in te stemmen met het verzoek om het waarderend proefsleuvenonderzoek in de vorm van proefsleuven (IVO-P) uit te voeren na het doorlopen van de bestemmingsplanprocedure en pas uit te voeren na sloop van de bestaande (kantoor)bebouwing tot aan het maaiveld c.q. bovenzijde fundering / kelder. Het waarderend proefsleuvenonderzoek in de vorm van proefsleuven (IVO-P) dient conform een goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) en Plan van Aanpak (PvA) te worden uitgevoerd. Conclusie Gelet op het voornoemde kan gesteld worden dat de aanvraag, onder het stellen van strikte archeologische voorwaarden in de omgevingsvergunning met betrekking tot het uitvoeren van bodemingrepen, in overeenstemming is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "KPP Oosteinde 208 Voorburg". In bijlage F. Voorwaarden m.b.t. archeologie hebben wij voorwaarden opgenomen ten aanzien van bodem- en bouwactiviteiten.
Beoordeling aanvraag – 3. activiteit MAKEN OF VERANDEREN VAN EEN UITWEG De aanvraag hebben wij beoordeeld op de toetsingsgronden c.q. weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 2.18 van de Wabo, juncto artikel 1:8 en artikel 2:12 van de Algemene plaatselijke verordening Leidschendam-Voorburg.
Inrichtingsplan in- en uitrit Bouwblok 1
Inrichtingsplan in- en uitrit Bouwblok 6
Weigeringsgronden (artikel 1:8) De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c.
de volksgezondheid;
d. de bescherming van het milieu. Verbodsbepaling (artikel 2:12, eerste lid) Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. Weigeringsgronden (artikel 2:12, vierde lid en artikel 2:12, vijfde lid) In afwijking van artikel 1:8 kan een vergunning worden geweigerd in het belang van: a. de bruikbaarheid van de weg; b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg; c.
de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;
d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente. Bestemmingsplan (artikel 2:12, zesde lid) Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd, indien door de aanleg of verandering van de uitweg in strijd is met het geldende bestemmingsplan. De aanvraag is in overeenstemming met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "KPP Oosteinde 208 Voorburg". Het bevoegd gezag weigert de vergunning in ieder geval indien door de aanleg van een uitweg of de verandering van een bestaande uitweg een voor het verkeer gevaarlijke situatie ontstaat die niet door het verbinden van voorschriften aan de vergunning kan worden voorkomen. De aanvraag is positief beoordeeld door de afdeling Stadsbeheer en de afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling / cluster Mobiliteit en de Brandweer. Gelet hierop kan worden ingestemd met de aanleg van de in- en uitritconstructies ter plaatse van bouwblok 1 en bouwblok 6. In bijlage G. Aanleg in- en uitritconstructie hebben wij voorwaarden opgenomen ten aanzien van de aanleg van de in- en uitritconstructie.
Besluit Gelet op artikel 2.1, eerste lid, onder a en b, van de Wabo en artikel 2.2, eerste lid, onder e, Wabo, juncto artikel 1:8 en artikel 2:12, eerste lid, Algemene plaatselijke verordening Leidschendam-Voorburg, besluiten wij: 1. Bouwen, artikel 2.1, eerste lid, onder a, Wabo; 1. aan Amvest RCF Custodian B.V., omgevingsvergunning voor de activiteit ‘Bouwen’ te verlenen voor het realiseren van zes appartementencomplexen (295 appartementen) met parkeervoorzieningen, in- en uitritten, bijbehorende bouwwerken, bouwwerken geen bouwwerk zijnde en aanlegwerkzaamheden (KPP deellocatie 3A) op het perceel kadastraal bekend gemeente Voorburg, sectie: D, nummers 6928, 6929 en 7031 (ged.), Damsigt-locatie tussen Oosteinde, Johan David Zocherstraat en Nieuwe Havenstraat in Voorburg, overeenkomstig de bij dit besluit behorende en gewaarmerkte gegevens en bescheiden en met inachtneming van de in de bijlage genoemde verplichtingen; 2. dat het niet toegestaan is met bouw- en/of constructieve werkzaamheden aan te vangen voordat het bouwveiligheidsplan (UITVOERINGSFASE), met bijbehorende bouwplaatsinrichting-tekening, is goedgekeurd en dat deze bescheiden uiterlijk drie weken voor de aanvang van bouw- en/of constructieve werkzaamheden dienen te worden aangeleverd (zie bijlage C); 3.
dat het niet toegestaan is met de uitvoering van de constructieve werkzaamheden aan te vangen voordat de navolgende constructie-technische bescheiden (UITVOERINGSFASE) door ons college zijn goedgekeurd en dat deze bescheiden uiterlijk drie weken voor de aanvang van de betreffende werkzaamheden dienen te worden aangeleverd: a. monitoringsplan, inclusief locatietekening peilbuizen en trillingsmeters; b. bouwput- en bemalingsplan, voor zover van toepassing; c.
(definitief) funderingsadvies met berekening paaldraagvermogen;
d. palenplan, paalberekening(en) en- paalwapeningstekeningen; e. resultaten van het heiwerk (doormeting), voor zover van toepassing; f.
stabiliteits- en gewichtsberekeningen;
g. constructieve tekening(en) en berekening(en) van kraanfundaties; h. constructieve tekeningen en berekeningen van de betonconstructies, inclusief wapening; i.
constructieve tekeningen en berekeningen van de vloerconstructies;
j.
constructieve tekeningen en berekeningen van de dakconstructies;
k.
constructieve tekeningen en berekeningen van de balkonconstructies;
l.
constructieve tekeningen en berekeningen van de gevelconstructies, inclusief verankering-/ophangconstructies;
m. constructieve tekeningen en berekeningen van de houtconstructies; n. constructieve tekeningen en berekeningen van de staalconstructies;
o. constructieve tekeningen en berekeningen van overige, niet genoemde constructieonderdelen; p. capaciteitsberekening(en) van de noodoverlaten / noodafvoeren; q. resultaten van de zandzakslingerproef c.q. glasparelproef m.b.t. beglazing(en) in borstwering- en/of balkonconstructies; r.
brandwerende coating dient aangebracht te worden conform “Kwaliteitsrichtlijnen applicatie brandwerende coating”, publicatie van Bouwen van Staal, voor zover van toepassing;
4. dat het niet toegestaan is met de uitvoering van de betreffende werkzaamheden aan te vangen voordat de navolgende bouwtechnische bescheiden door ons college zijn goedgekeurd en dat ondergenoemde bescheiden uiterlijk drie weken voor de aanvang van de betreffende werkzaamheden dienen te worden aangeleverd: a. de kleuren van het voegwerk in de metselwerkvlakken aan de hand van proefmuren; b. details m.b.t. de binnenwanden en schachten (aansluitingen en doorvoeren); c.
certificaten waaruit blijkt dat constructieonderdelen zoals kozijnen, ramen, deuren en hang- en sluitwerk voldoen aan inbraakwerendheidklasse 2;
d. nadere bouwtechnische specificaties omtrent de te treffen voorzieningen zoals voorgeschreven in rapport R073438ab_2082443_mkl_Beoordeling bouwfysica, akoestiek en duurzaamheid, d.d. 27-11-2020, van LBP Sight; KOMO-attesten 1. KOMO-attest van de (prefab) gevelelementen; 2. KOMO-attest van de (prefab) dakelementen; 3. KOMO-attest van de (akoestische) beglazingen; 4. KOMO-attest van de akoestische plafonds in de gemeenschappelijke verkeersruimten; 5. KOMO-attest van alle toe te passen isolatiematerialen, met hierbij aangegeven waar welke soort, type, dikte en λ-waarde wordt toegepast; 6. Indien toegepast KOMO-attest(en) van geluidwerende geluidroosters in toegangsdeuren van de verblijfsruimten, waaruit het volgende blijkt: - de vereiste afvoercapaciteit in dm³/s; - de vereiste geluidwering; - het vereiste dat het geluidsrooster niet afsluitbaar is; - de maximale spleethoogte(n) volgens leverancier van de toegangsdeuren van de verblijfsruimten; 5. dat het niet toegestaan is met de uitvoering van de betreffende werkzaamheden aan te vangen voordat de navolgende brandtechnische bescheiden door ons college zijn goedgekeurd en dat ondergenoemde bescheiden uiterlijk drie weken
voor de aanvang van de betreffende werkzaamheden dienen te worden aangeleverd: a. productcertificaat van de toe te passen panieksluitingen c.q. paniekbeslag; b. productcertificaat van het toe te passen brandwerende rolscherm in de parkeergarage(s); c.
nadere brandtechnische specificaties omtrent de te treffen voorzieningen zoals voorgeschreven in rapport R073438ab_2094F9Q_bm_DO Beoordeling brandveiligheid, d.d. 27-11-2020, van LBP Sight;
d. Programma van Eisen brandmeldinstallatie; e. Programma van Eisen ontruimingsalarminstallatie; KOMO-attesten 1. KOMO-attest en/of T.N.O.-rapport van de leidingdoorvoeren, inclusief brandmanchetten, welke door een brandwerende wand-, plafond- of vloerconstructie gaan, waaruit de vereiste brandwerendheid blijkt; 2. KOMO-attest en/of T.N.O.-rapport van de brandwerende rolschermconstructie, waaruit de vereiste brandwerendheid blijkt; 3. KOMO-attest en/of T.N.O.-rapport van de brandwerende kozijn- en deurconstructie(s), waaruit de vereiste brandwerendheid blijkt; 4. KOMO-attest en/of T.N.O.-rapport van de brandwerende beglazing(en), waaruit de vereiste brandwerendheid blijkt; 6. dat het niet toegestaan is met de uitvoering van de betreffende werkzaamheden aan te vangen voordat de navolgende installatietechnische bescheiden door ons college zijn goedgekeurd en dat ondergenoemde bescheiden uiterlijk drie weken voor de aanvang van de betreffende werkzaamheden dienen te worden aangeleverd: 1. leidingplan riolering (HWA en DWA), uitvoeringsfase; 2. leidingplan mechanische ventilatie, uitvoeringsfase; 7. dat de in blok 1, blok 5 en blok 6 (U-shape gebouw) aan te brengen afschermende akoestische voorzieningen uitgevoerd dienen te worden overeenkomstig hoofdstuk 4.2 en bijlage IV van rapport R001_02_0734398ad_Akoestisch onderzoek wegverkeer, d.d. 16-03-2023, van LBP Sight; 8.
dat gedurende het bouwproces ten behoeve de controletoets van de Energieprestatie, foto’s van de thermische schil en de installaties ter goedkeuring worden aangeleverd (zie bijlage D); 9. dat na gereedmelding van het werk door een door de afdeling Handhaving aanvaarde deskundige instantie of persoon, in het bijzijn van een inspecteur van de afdeling Handhaving, de navolgende metingen dienen te worden verricht: a. ventilatiemetingen, waaruit blijkt dat er aan afdeling 3.6 van Bouwbesluit 2012 wordt voldaan;
b. blowerdoortest (Qv10-meting), waaruit blijkt dat de luchtdichtheid van de woningen overeenkomt met de gehanteerde waarde uit de EPCberekening, overeenkomstig opgaaf afdeling Handhaving; c.
infraroodmetingen van de uitwendige vloer-, gevel- en dakconstructies, overeenkomstig opgaaf afdeling Handhaving.
2. Uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, artikel 2.1, eerste lid, onder b, Wabo: 10. in te stemmen met het verzoek om het waarderend proefsleuvenonderzoek in de vorm van proefsleuven (IVO-P) uit te voeren na het doorlopen van de bestemmingsplansprocedure en pas uit te voeren na sloop van de bestaande (kantoor)bebouwing tot aan maaiveld c.q. bovenzijde fundering / kelder; 11. dat het waarderend proefsleuvenonderzoek in de vorm van proefsleuven (IVO-P) uitgevoerd dient te worden conform het door het bevoegd gezag goedgekeurde Programma van Eisen (PvE) en Plan van Aanpak (PvA); 12. aan Amvest RCF Custodian B.V., onder voorwaarden omgevingsvergunning voor de activiteit ‘Uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde’ te verlenen voor het aanleggen van parkeervoorzieningen en het uitvoeren van sloop-, aanleg- en bodemactiviteiten, Damsigt-locatie tussen Oosteinde, Johan David Zocherstraat en Nieuwe Havenstraat in Voorburg, overeenkomstig de bij dit besluit behorende en gewaarmerkte gegevens en bescheiden en met inachtneming van de in de bijlage F genoemde voorwaarden en verplichtingen; 13.
dat het niet toegestaan is met de uitvoering van de buitenruimte (taluds, buitentrappen en (verhoogde) binnentuinen) aan te vangen voordat het inrichtingsplan en het beplantingsplan door ons college zijn goedgekeurd en dat deze bescheiden uiterlijk drie weken voor de aanvang van de betreffende werkzaamheden dienen te worden aangeleverd. 3. Maken of veranderen van een uitweg, artikel 2.2, eerste lid, onder e, Wabo, juncto artikel 1:8 en artikel 2:12, eerste lid, Algemene plaatselijke verordening LeidschendamVoorburg; 14. aan Amvest RCF Custodian B.V., omgevingsvergunning voor de activiteit voor de activiteit ‘Maken of veranderen van een uitweg, geen bouwwerk zijnde’ te verlenen voor het aanleggen van een in- en uitritten, Damsigt-locatie tussen Oosteinde, Johan David Zocherstraat en Nieuwe Havenstraat in Voorburg, overeenkomstig de bij dit besluit behorende en gewaarmerkte gegevens en bescheiden en met inachtneming van de bijlage G genoemde voorwaarden en verplichtingen; Leidschendam, 31 mei 2023
namens burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg re1/
Glenn Boere Afdelingshoofd Klantcontactcentrum
Bijlage A, behorende bij omgevingsvergunning nr. 658365 A. Verplichtingen vanuit het Bouwbesluit 2012 – ALGEMEEN Wij wijzen u op artikelen 1.16, 1.23, 1.25 en 8.2 t/m 8.8 van het Bouwbesluit 2012 die u, voor zover van toepassing, een aantal verplichtingen oplegt die u in acht behoort te nemen tijdens de bouw en het sloopterrein. Deze artikelen luiden: Artikel 1.16 – Zorgplicht Lid 1. Een bij of krachtens de wet aanwezige installatie als bedoeld in hoofdstuk 6 van dit besluit: a. functioneert overeenkomstig de op die installatie van toepassing zijnde voorschriften; b. wordt adequaat beheerd, onderhouden en gecontroleerd, en c. wordt zodanig gebruikt dat geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat dan wel voortduurt. Lid 2. Na het aanbrengen of wijzigen van een kabel-, leiding- of andere doorvoer in of door een scheidingsconstructie waarvoor op grond van dit besluit een eis met betrekking tot de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag of rookdoorgang geldt, wordt de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag of rookdoorgang op adequate wijze gecontroleerd. Artikel 1.23 – Aanwezigheid bescheiden Tijdens het bouwen zijn, voor zover van toepassing, de volgende bescheiden of een afschrift daarvan op het terrein aanwezig: a. vergunning voor het bouwen; b. bouwveiligheidsplan als bedoeld in artikel 8.3; c.
overige voor het bouwen van belang zijnde vergunningen en documenten met nadere voorwaarden en ontheffingen. Artikel 1.25 – Mededeling aanvang en beëindiging bouwwerkzaamheden Aan de Afdeling Handhaving dient vergunninghouder schriftelijk en/of telefonisch kennis te geven van de volgende zaken en op de volgende tijden: - ten minste twee werkdagen voor de feitelijke aanvang van bouwwerkzaamheden, waarvoor een vergunning voor het bouwen is verleend, van de aanvang van die werkzaamheden, met inbegrip van ontgravingswerkzaamheden; - de aanvang van het heien van funderingspalen, waaronder ook de proefpalen, ten minste twee werkdagen van te voren per telefoon; - de aanvang van het aanbrengen c.q. intrillen van damwanden, ten minste twee werkdagen van te voren per telefoon; - de aanvang van grondverbeteringswerkzaamheden, ten minste twee werkdagen van te voren per telefoon; - voorgenomen storten van beton, ten minste één werkdag van te voren per telefoon;
- gereedkomen van putten en van grondrioleringswerkzaamheden, terstond na gereedkomen per telefoon, waarbij deze niet aan het oog mogen worden onttrokken gedurende ten minste twee werkdagen na de kennisgeving; - ten minste op de dag van beëindiging van de bouwwerkzaamheden, waarvoor een vergunning voor het bouwen is verleend U kunt de aanvang- en gereedmelding digitaal doen op www.lv.nl/begin-en-eindewerkzaamheden-melden. Vermeld hierbij s.v.p. ons kenmerk. Voor het doorgeven van de start van diverse onderdelen zoals hiervoor aangegeven kunt u terecht bij de heer F. van der Hulst van de afdeling Handhaving, telefoonnummer 070 300 9522. Artikel 8.2 – veiligheid in de omgeving Bij het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden worden maatregelen getroffen ter voorkoming van: a. letsel van personen op een aangrenzend perceel of een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen; b. letsel van personen die het bouw- of sloopterrein onbevoegd betreden, en c. beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere al dan niet roerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen. Artikel 8.3 – Geluidhinder Lid 1. Bedrijfsmatige bouw- of sloopwerkzaamheden worden op werkdagen en op zaterdag tussen 7.00 uur en 19.00 uur uitgevoerd.
Lid 2. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid worden de in tabel 8.3 aangegeven dagwaarden en de daarbij behorende maximale blootstellingsduur niet overschreden. Tabel 8.3 Dagwaarde maximale blootstellingsduur
≤ 60 dB(A)
> 60 dB(A)
> 65 dB(A)
> 70 dB(A)
> 75 dB(A)
onbeperkt 50 dagen 30 dagen 15 dagen 5 dagen
> 80 dB(A) 0 dagen
Lid 3. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het eerste en tweede lid. Onverkort het gestelde in de ontheffing, wordt bij het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden gebruik gemaakt van de best beschikbare stille technieken. Lid 4. Indien het bevoegd gezag met betrekking tot het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden beleidsregels als bedoeld in titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht heeft vastgesteld, is in afwijking van het derde lid geen ontheffing vereist indien het uitvoeren van de werkzaamheden voldoet aan die beleidsregels en het bevoegd
gezag ten minste twee werkdagen voor de feitelijke aanvang van die werkzaamheden in kennis is gesteld van de aanvang van de werkzaamheden. Artikel 8.4 – Trillingshinder Lid 1. Trillingen veroorzaakt door het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden bedragen in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en in verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel d, van het Besluit geluidhinder niet meer dan de trillingsterkte, genoemd in tabel 4 van de Meet- en beoordelingsrichtlijn deel B «Hinder voor personen in gebouwen» 2006. Lid 2. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van de trillingsterkte, bedoeld in het eerste lid. Artikel 8.5 – Stofhinder Tijdens het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden worden maatregelen getroffen om visueel waarneembare stofverspreiding buiten het bouw- of sloopterrein te voorkomen. Artikel 8.6 – Grondwaterstand Het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden leidt niet tot een zodanige wijziging van de grondwaterstand dat gevaar kan ontstaan voor de veiligheid van belendingen. Artikel 8.8 – Afvalscheiding Lid 1. Bouw- en sloopwerkzaamheden worden zodanig uitgevoerd dat tijdens de uitvoering vrijkomend bouw- en sloopafval deugdelijk wordt gescheiden. Lid 2.
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze afdeling en de krachtens die bepalingen gegeven voorschriften.
Bijlage B, behorende bij omgevingsvergunning nr. 658365 B. Verplichtingen vanuit het Bouwbesluit 2012 Wij hebben uw aanvraag getoetst aan het Bouwbesluit 2012, voor zover de ingediende gegevens en bescheiden dit mogelijk maakten. Naar aanleiding van onze toets vragen wij uw aandacht voor het volgende. Uit de door u overlegde gegevens en bescheiden is niet (of niet geheel) na te gaan of aan de volgende artikelen uit het Bouwbesluit zal worden voldaan (terwijl u hiertoe wel bent verplicht). 1. Sterkte bij brand (Bouwbesluit afdeling 2.2) Op grond van artikel 2.9, eerste lid, Bouwbesluit 2012 kan een te bouwen bouwwerk bij brand gedurende redelijke tijd worden verlaten en doorzocht, zonder dat er gevaar voor instorting is. Op grond van artikel 2.10, tweede lid, Bouwbesluit 2012 bezwijkt een bouwconstructie bij brand in een brandcompartiment waarin die bouwconstructie niet ligt, niet binnen de in tabel 2.10.1 aangegeven tijdsduur door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan dat brandcompartiment. Voor zover dat brandcompartiment een woonfunctie is, geldt dit niet voor een bouwconstructie van een aan dat brandcompartiment grenzend subbrandcompartiment of grenzende buitenruimte. Tabel 2.10.1 woonfunctie
tijdsduur van de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken in minuten
Indien geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt 60 dan 7 m boven het meetniveau Indien een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 7 m en geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau
90
Indien een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau
120
In hoofdstuk 2.7 Bouwconstructies bij brand van rapport 19427900_Uitgangspuntenrappport, d.d. 16-07-2020, van Aveco de Bondt is het volgende vermeld: De brandwerendheid met betrekking tot bezwijken van een bouwconstructie dient 120 minuten te zijn. In hoofdstuk 5.1 Brandwerendheid met betrekking tot bezwijken van rapport R073438ab_2094F9Q_bm_DO Beoordeling brandveiligheid, d.d. 27-11-2020 van LBP Sight is het volgende vermeld: De brandwerendheid met betrekking tot bezwijken van de constructie van woonblok 1 tot en met 5 moeten ten minste 120 minuten bedragen omdat de hoogste vloer van een verblijfsgebied boven de 13 meter boven meetniveau is gelegen. Voor de U-shape geldt een brandwerendheid met betrekking tot bezwijken van ten minste 90 minuten (hoogste vloer tussen 7 en 13 meter boven meetniveau). Daarnaast geldt dat vloeren
waarover vluchtroutes voeren niet binnen 30 minuten mogen bezwijken bij een brand in een ander brandcompartiment. Gelet op de beide rapporten, waarin wordt beschreven dat de brandwerendheid van de hoofddraagconstructie minimaal 120 minuten (woonblok 1 t/m 5) respectievelijk 90 minuten (woonblok 6) dient te bedragen, wordt aan bovengenoemde eisen voldaan. Aandachtspunten – Aanvullende behandeling •
Onderdelen van de bouwconstructie die uitsluitend met een aanvullende behandeling kunnen voldoen aan de in het Bouwbesluit 2012 gestelde eisen met betrekking tot de tijdsduur van bezwijken c.q. brandveiligheid zijn voorzien van een geldig door het bevoegd gezag aanvaard document waaruit blijkt dat deze aanvullende behandeling adequaat is toegepast.
•
Een eventuele brandwerende coating moet worden aanbracht conform de ‘Kwaliteitsrichtlijn Applicatie Coating’ met inachtneming van de bijlage E vermelde ‘Checklists brandwerende applicatie’.
Aandachtspunten – Elektrische laadvoorzieningen in parkeergarages •
Het voldoen aan de brandveiligheid is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de gebouweigenaar. Wij willen u nogmaals wijzen op de risico’s en adviseren u dringend advies om geen elektrische voertuigen en/of laadpalen in deze parkeergarage te plaatsen. Zoals bij u bekend hebben wij in het traject van beoordeling van uw aanvraag meerdere keren onze zorgen uitgesproken m.b.t. de ontruiming van het appartementengebouw bij een ontwikkelde brand in de parkeergarage. Hierbij dient mogelijk uitgegaan te worden van een uitbrandscenario met mogelijk grote economische en maatschappelijke schade.
•
Gelet op voornoemde wordt specifieke aandacht gevraagd voor het rapport van
het Instituut Fysieke Veiligheid_Brandveiligheid van parkeergarages met elektrisch aangedreven voertuigen, d.d. 15-07-2021. Dit rapport hebben wij expliciet toegevoegd gelet op de complexe bereikbaarheid van de betreffende parkeerkelder bij een (ontwikkelde) autobrand en gesloten brandschermen. 2. Beperking van het ontwikkelen van brand en rook (Bouwbesluit afdeling 2.9, nieuwbouw) Op grond van artikel 2.66, eerste lid, Bouwbesluit 2012 is een te bouwen bouwwerk zodanig dat brand en rook zich niet snel kunnen ontwikkelen. Op grond van artikel 2.67, eerste lid, Bouwbesluit 2012 voldoet een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht aan de in tabel 2.66 aangegeven brandklasse en aan rookklasse s2, beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1. Op grond van artikel 2.68, eerste lid, Bouwbesluit 2012 voldoet een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de buitenlucht aan de in tabel 2.66 aangegeven brandklasse, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
Op grond van artikel 2.68, tweede lid, Bouwbesluit 2012 voldoet het deel van een zijde van een constructieonderdeel dat grenst aan de buitenlucht en hoger ligt dan 13 m, aan brandklasse B, bepaald volgens NEN-EN 13501-1. Op grond van artikel 2.68, derde lid, Bouwbesluit 2012 voldoet een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de buitenlucht, van een bouwwerk waarvan een voor personen bestemde vloer ten minste 5 m boven het meetniveau ligt, vanaf het aansluitende terrein tot een hoogte van ten minste 2,5 m aan brandklasse B, bepaald volgens NEN-EN 13501-1. Op grond van artikel 2.68, vierde lid, Bouwbesluit 2012 zijn het eerste tot en met derde lid niet van toepassing op de bovenzijde van een dak. Op grond van artikel 2.68, vijfde lid, Bouwbesluit 2012 voldoet in afwijking van het eerste tot en met derde lid een deur, een raam, een kozijn en een daaraan gelijk te stellen constructieonderdeel aan brandklasse D, bepaald volgens NEN-EN 13501-1. Op grond van artikel 2.69, eerste lid, Bouwbesluit 2012 geldt in afwijking van artikel 2.67 voor de bovenzijde van een vloer, een trap en een hellingbaan die grenst aan de binnenlucht rookklasse s1fl en de in tabel 2.66 aangegeven brandklasse, beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
Op grond van artikel 2.69, tweede lid, Bouwbesluit 2012 geldt in afwijking van de artikel 2.68 voor een bovenzijde van een vloer, een trap en een hellingbaan die grenst aan de buitenlucht de in tabel 2.66 aangegeven brandklasse, bepaald volgens NEN-EN 135011. Tabel met de vereiste brandklasse van constructieonderdelen per functie
extra beschermde
vluchtroute beschermde vluchtroute
overig
extra beschermde
vluchtroute beschermde vluchtroute
overig
bovenzijde
overig
buitenlucht*
vluchtroute beschermde vluchtroute
Woonfunctie in een
binnenlucht
extra beschermde
zijde grenzend aan de
B
B
D
C
C
D
Cfl
Cfl
Dfl
B
D
D
C
D
D
Cfl
Dfl
Dfl
woongebouw Overige gebruiksfunctie
De toe te passen materialen aan binnen- en buitenzijde van de appartementengebouwen dienen aan bovengenoemde eisen te voldoen, e.e.a. zoals aangegeven in hoofdstuk 5.2 van rapport R073438ab_2094F9Q_bm_DO Beoordeling brandveiligheid, d.d. 27-112020, van LBP Sight. Een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht voldoet aan rookklasse s2 bepaald volgens NEN-EN 13501-1. In afwijking hiervan geldt voor de
bovenzijde van een vloer, een trap en een hellingbaan die grenst aan de binnenlucht rookklasse s1fl bepaald volgens NEN-EN 13501-1. 3. Inbraakwerendheid (Bouwbesluit afdeling 2.15) Op grond van artikel 2.129, eerste lid, Bouwbesluit 2012 biedt een te bouwen woonfunctie, niet zijnde een woonwagen, weerstand tegen inbraak. Op grond van artikel 2.130 Bouwbesluit 2012 hebben deuren, ramen, kozijnen en daarmee gelijk te stellen constructieonderdelen in een scheidingsconstructie van een niet-gemeenschappelijke ruimte die volgens NEN 5087 bereikbaar zijn voor inbraak, een volgens NEN 5096 bepaalde inbraakwerendheid die voldoet aan de in die norm aangegeven weerstandsklasse 2. De buitendeuren, ramen en gevelkozijnen, die bereikbaar zijn voor inbraak, dienen aan bovengenoemde eisen te voldoen. 4. Bescherming tegen geluid van buiten, nieuwbouw (Bouwbesluit afdeling 3.1) Op grond van artikel 3.1, eerste lid, Bouwbesluit 2012 biedt een te bouwen bouwwerk in een verblijfsgebied bescherming tegen geluid van buiten. Op grond van artikel 3.2, eerste lid, Bouwbesluit 2012 heeft een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering met een minimum van 20 dB. De toe te passen dichte geveldelen, beglazing, kier- en naaddichtingen, kozijnen, ramen en deuren in alle woningtype dienen aan bovengenoemde eisen te voldoen, e.e.a.