CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

2969 Bijlage 4g quick scan ecologie

Raadsvergadering 30 mei 2023, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: Vaststellen bestemmingsplan "KPP Oosteinde 208 Voorburg".16.233 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In lid 1 is opgenomen dat het verboden is om in vleermuizen in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen en onder lid 4 om voortplantings- of rustplaatsen van vleermuizen te beschadigen of te vernielen. De sloop van een gebouw met daarin vleermuizen kan leiden tot het doden van vleermuizen en vernielen van voortplantings- en rustplaatsen ,wat een overtreding van artikel 3.5 betreft. Om te bepalen of sprake is van een overtreding van artikel 3.5 dient in eerste aanleg te worden bepaald of voortplantings- en rustplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn in het te slopen gebouw. Voorts kan worden bepaald of de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd onder een goedgekeurde gedragscode of dat een ontheffing op de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Functionele leefomgeving (vliegroute). De bomenrij in het projectgebied functioneert mogelijk als vliegroute voor verschillende soorten vleermuizen. Een vliegroute van vleermuizen is essentieel wanneer geen alternatieven aanwezig zijn en zij gerekend worden tot de functionele leefomgeving van de voortplantings- en rustplaatsen van vleermuizen. Essentiële vliegroutes zijn beschermd middels artikel 3.5, lid 4, van de Wet natuurbescherming. Het kappen van bomen die een essentiële vliegroute van vleermuizen vormen betreft een overtreding van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming.

Om te bepalen of sprake is van een overtreding van artikel 3.5 dient in eerste aanleg te worden bepaald of sprake is van een vliegroute. Voorts kan worden bepaald of de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd door te werken onder een goedgekeurde gedragscode en het nemen van mitigerende maatregelen. De foerageergebieden in het projectgebied zijn niet van essentieel belang, omdat er in de omgeving voldoende alternatieve aanwezig zijn.

Ecologische quickscan Kleine Plaspoelpolder te Leidschendam-Voorburg Projectcode: 20171527

26

Overige en vrijgestelde soorten Op basis van bureaustudie en veldinventarisatie worden geen strikt beschermde vissen, vaatplanten, grondgebonden zoogdieren, amfibieën, weekdieren, kevers, vlinders, libellen en kreeftachtigen verwacht in het projectgebied. Wel komen van enkele deze soortgroepen algemene soorten en door provincie Zuid-Holland vrijgestelde soorten voor in het projectgebied. Deze soorten worden beschermd middels de zorgplicht, artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Dit houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

Locatie 3 Gemeentewerf Vogels Jaarrond beschermde nesten onvoldoende alternatief categorie 5 Er worden jaarrond beschermde nesten verwacht van de zwarte roodstaart (Vogelrichtlijn, categorie 5 onvoldoende alternatief). Jaarrond beschermde nesten zijn nesten van vogels die hier jaarrond gebruik van maken of jaarlijks terugkeren naar hetzelfde nest. Deze nesten zijn jaarrond beschermd, middels artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming, dus ook als het nest niet in gebruik is om te broeden. In artikel 3.1 is onder lid 2 opgenomen dat het verboden is om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Daarnaast is het onder lid 4 verboden vogels opzettelijk te storen. Lid 5 geeft aan dat lid 4 niet van toepassing is indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Indien jaarrond beschermde nesten van zwarte roodstaart aanwezig zijn zullen deze door de sloopwerkzaamheden worden vernield wat een overtreding van artikel 3.1 betreft. Zwarte roodstaarten gebruiken deze terreinen om te foerageren en te broeden. Omdat alle vier de terreinen geschikt zijn, zal een groot deel van het leefgebied verloren gaan. De zwarte roodstaart staat niet op de rode lijst, het gaat goed met de soort.

De landelijke aantallen zijn sinds 1990 min of meer stabiel (bron: Sovon). Om te bepalen of sprake is van een overtreding van artikel 3.1 dient in eerste aanleg te worden bepaald of nesten van zwarte roodstaart aanwezig zijn en of in de omgeving voldoende alternatieve aanwezig zijn om naar te kunnen uitwijken. Voorts kan worden bepaald of de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd onder een goedgekeurde gedragscode of dat een ontheffing op de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Jaarrond beschermde nesten categorie 5 (voldoende alternatief) In een boom ten zuiden van de gemeentewerf is een jaarrond beschermd nest aanwezig van de zwarte kraai (Vogelrichtlijn en categorie 5). Ook de koolmees, pimpelmees, grote bonte specht, boomkruiper, spreeuw en boerenzwaluw zijn vogels met jaarrond beschermde nesten uit categorie 5, die in het projectgebied voor (kunnen) komen. Jaarrond beschermde nesten zijn nesten van vogels die hier jaarrond gebruik van maken of jaarlijks terugkeren naar hetzelfde nest. Deze nesten zijn jaarrond beschermd, middels artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming, dus ook als het nest niet in gebruik is om te broeden. Voor jaarrond beschermde nesten uit categorie 5 geldt echter dat als in de omgeving voldoende alternatief aanwezig is, de nesten een gelijke beschermingsstatus hebben als niet-jaarrond beschermde nesten.

In dit geval is voor alle aanwezige en te verwachten soorten voldoende alternatief in de omgeving en geldt de bescherming alleen wanneer een broedgeval aanwezig is. Niet-jaarrond beschermde nesten (algemene broedvogels) In de bomen en watergangen van het projectgebied worden niet-jaarrond beschermde nesten van vogels als de merel, houtduif, witte kwikstaart, waterhoen en meerkoet verwacht. De nesten en functionele leefomgeving van deze soorten zijn beschermd middels artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. In artikel 3.1, lid 1 is opgenomen dat het verboden is opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Onder lid 3, is onder andere opgenomen dat het verboden is om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Onder lid 4 is opgenomen dat het verboden is vogels opzettelijk te storen. Lid 5 geeft aan dat lid 4 niet van toepassing is indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Door de werkzaamheden kunnen nesten in de watergang en de oever worden vernield en kunnen eieren

Ecologische quickscan Kleine Plaspoelpolder te Leidschendam-Voorburg Projectcode: 20171527

27

en individuen worden beschadigd of doden. Dit betreft een overtreding van artikel 3.1. De periode dat de meeste kans is op de aanwezigheid van vogelnesten in het voorjaar en de zomer. Als in deze gevoelige periode wordt gewerkt dient rekening te worden gehouden met broedvogels en moeten eventueel maatregelen worden genomen om het doden van vogels en vernieling en beschadiging van nesten en eieren te voorkomen. Vleermuizen Voortplantings- en rustplaatsen De gebouwen in het projectgebied bevatten mogelijk voortplantings- en rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis, meervleermuis en laatvlieger (Habitatrichtlijn). Daarnaast bevat een boom in het projectgebied holten die kunnen dienen als voortplantings- en rustplaats van de ruige dwergvleermuis, gewone dwergvleermuis, rosse vleermuis, meervleermuis en watervleermuis. Individuen, voortplantings- en rustplaatsen van vleermuizen zijn beschermd middels artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. In lid 1 is opgenomen dat het verboden is om in vleermuizen in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen en onder lid 4 om voortplantingsof rustplaatsen van vleermuizen te beschadigen of te vernielen.

De sloop van een gebouw met daarin vleermuizen kan leiden tot het doden van vleermuizen en vernielen van voortplantings- en rustplaatsen ,wat een overtreding van artikel 3.5 betreft. Om te bepalen of sprake is van een overtreding van artikel 3.5 dient in eerste aanleg te worden bepaald of voortplantings- en rustplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn in het te slopen gebouw. Voorts kan worden bepaald of de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd onder een goedgekeurde gedragscode of dat een ontheffing op de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Functionele leefomgeving (vliegroute). De bomenrij in het projectgebied functioneert mogelijk als vliegroute voor verschillende soorten vleermuizen. Een vliegroute van vleermuizen is essentieel wanneer geen alternatieven aanwezig zijn en zij gerekend worden tot de functionele leefomgeving van de voortplantings- en rustplaatsen van vleermuizen. Essentiële vliegroutes zijn beschermd middels artikel 3.5, lid 4, van de Wet natuurbescherming. Het kappen van bomen die een essentiële vliegroute van vleermuizen vormen betreft een overtreding van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Om te bepalen of sprake is van een overtreding van artikel 3.5 dient in eerste aanleg te worden bepaald of sprake is van een vliegroute.

Voorts kan worden bepaald of de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd door te werken onder een goedgekeurde gedragscode en het nemen van mitigerende maatregelen. De foerageergebieden in het projectgebied zijn niet van essentieel belang, omdat er in de omgeving voldoende alternatieve aanwezig zijn. Overige en vrijgestelde soorten Op basis van bureaustudie en veldinventarisatie worden geen strikt beschermde vissen, amfibieën, grondgebonden zoogdieren, vaatplanten, weekdieren, kevers, vlinders, libellen en kreeftachtigen verwacht in het projectgebied. Wel komen van enkele deze soortgroepen algemene soorten en door provincie Zuid-Holland vrijgestelde soorten voor in het projectgebied. Deze soorten worden beschermd middels de zorgplicht, artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Dit houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. In de watergang ten westen van het gebied worden algemene vissen en amfibieën verwacht. Als delen worden afgedamd en gedempt dienen deze te worden afgevist in het kader van de zorgplicht.

Locatie 4 Avalex Vogels Jaarrond beschermde nesten onvoldoende alternatief categorie 5 Er worden jaarrond beschermde nesten verwacht van de zwarte roodstaart (Vogelrichtlijn, categorie 5 onvoldoende alternatief). Jaarrond beschermde nesten zijn nesten van vogels die hier jaarrond gebruik van maken of jaarlijks terugkeren naar hetzelfde nest. Deze nesten zijn jaarrond beschermd, middels artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming, dus ook als het nest niet in gebruik is om te broeden. In artikel 3.1 is onder lid 2 opgenomen dat het verboden is om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Daarnaast is het onder lid 4 verboden vogels opzettelijk te storen. Lid 5 geeft aan dat lid 4 niet van toepassing is indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Ecologische quickscan Kleine Plaspoelpolder te Leidschendam-Voorburg Projectcode: 20171527

28

Indien jaarrond beschermde nesten van zwarte roodstaart aanwezig zijn zullen deze door de sloopwerkzaamheden worden vernield wat een overtreding van artikel 3.1 betreft. Zwarte roodstaarten gebruiken deze terreinen om te foerageren en te broeden. Omdat alle vier de terreinen geschikt zijn, zal een groot deel van het leefgebied verloren gaan. De zwarte roodstaart staat niet op de rode lijst, het gaat goed met de soort. De landelijke aantallen zijn sinds 1990 min of meer stabiel (bron: Sovon). Om te bepalen of sprake is van een overtreding van artikel 3.1 dient in eerste aanleg te worden bepaald of nesten van zwarte roodstaart aanwezig zijn en of in de omgeving voldoende alternatieve aanwezig zijn om naar te kunnen uitwijken. Voorts kan worden bepaald of de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd onder een goedgekeurde gedragscode of dat een ontheffing op de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Jaarrond beschermde nesten categorie 5 (voldoende alternatief) In een boom ten zuiden van de gemeentewerf is een jaarrond beschermd nest aanwezig van de zwarte kraai (Vogelrichtlijn en categorie 5). Ook de koolmees, pimpelmees en boerenzwaluw zijn vogels met jaarrond beschermde nesten uit categorie 5, die in het projectgebied voor (kunnen) komen. Jaarrond beschermde nesten zijn nesten van vogels die hier jaarrond gebruik van maken of jaarlijks terugkeren naar hetzelfde nest.

Deze nesten zijn jaarrond beschermd, middels artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming, dus ook als het nest niet in gebruik is om te broeden. Voor jaarrond beschermde nesten uit categorie 5 geldt echter dat als in de omgeving voldoende alternatief aanwezig is, de nesten een gelijke beschermingsstatus hebben als niet-jaarrond beschermde nesten. In dit geval is voor alle aanwezige en te verwachten soorten voldoende alternatief in de omgeving en geldt de bescherming alleen wanneer een broedgeval aanwezig is. Niet-jaarrond beschermde nesten (algemene broedvogels) In het projectgebied worden niet-jaarrond beschermde nesten van vogels als de merel, houtduif, witte kwikstaart, waterhoen en meerkoet verwacht. De nesten en functionele leefomgeving van deze soorten zijn beschermd middels artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. In artikel 3.1, lid 1 is opgenomen dat het verboden is opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Onder lid 3, is onder andere opgenomen dat het verboden is om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Onder lid 4 is opgenomen dat het verboden is vogels opzettelijk te storen.

Lid 5 geeft aan dat lid 4 niet van toepassing is indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Door de werkzaamheden kunnen nesten in de watergang en de oever worden vernield en kunnen eieren en individuen worden beschadigd of doden. Dit betreft een overtreding van artikel 3.1. De periode dat de meeste kans is op de aanwezigheid van vogelnesten in het voorjaar en de zomer. Als in deze gevoelige periode wordt gewerkt dient rekening te worden gehouden met broedvogels en moeten eventueel maatregelen worden genomen om het doden van vogels en vernieling en beschadiging van nesten en eieren te voorkomen. Vleermuizen Voortplantings- en rustplaatsen De gebouwen in het projectgebied bevatten mogelijk voortplantings- en rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis, meervleermuis en laatvlieger (Habitatrichtlijn). Individuen, voortplantings- en rustplaatsen van vleermuizen zijn beschermd middels artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. In lid 1 is opgenomen dat het verboden is om in vleermuizen in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen en onder lid 4 om voortplantings- of rustplaatsen van vleermuizen te beschadigen of te vernielen.

De sloop van een gebouw met daarin vleermuizen kan leiden tot het doden van vleermuizen en vernielen van voortplantings- en rustplaatsen ,wat een overtreding van artikel 3.5 betreft. Om te bepalen of sprake is van een overtreding van artikel 3.5 dient in eerste aanleg te worden bepaald of voortplantings- en rustplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn in het te slopen gebouw. Voorts kan worden bepaald of de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd onder een goedgekeurde gedragscode of dat een ontheffing op de Wet natuurbescherming noodzakelijk is.

Ecologische quickscan Kleine Plaspoelpolder te Leidschendam-Voorburg Projectcode: 20171527

29

Functionele leefomgeving (vliegroute). De bomenrij in het projectgebied functioneert mogelijk als vliegroute voor verschillende soorten vleermuizen. Een vliegroute van vleermuizen is essentieel wanneer geen alternatieven aanwezig zijn en zij gerekend worden tot de functionele leefomgeving van de voortplantings- en rustplaatsen van vleermuizen. Essentiële vliegroutes zijn beschermd middels artikel 3.5, lid 4, van de Wet natuurbescherming. Het kappen van bomen die een essentiële vliegroute van vleermuizen vormen betreft een overtreding van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Om te bepalen of sprake is van een overtreding van artikel 3.5 dient in eerste aanleg te worden bepaald of sprake is van een vliegroute. Voorts kan worden bepaald of de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd door te werken onder een goedgekeurde gedragscode en het nemen van mitigerende maatregelen. De foerageergebieden in het projectgebied zijn niet van essentieel belang, omdat er in de omgeving voldoende alternatieve aanwezig zijn. Overige en vrijgestelde soorten Op basis van bureaustudie en veldinventarisatie worden geen strikt beschermde vissen, vaatplanten, amfibieën, grondgebonden zoogdieren, weekdieren, kevers, vlinders, libellen en kreeftachtigen verwacht in het projectgebied.

Wel komen van enkele deze soortgroepen algemene soorten en door provincie Zuid-Holland vrijgestelde soorten voor in het projectgebied. Deze soorten worden beschermd middels de zorgplicht, artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Dit houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. In de watergang ten westen van het gebied worden algemene vissen en amfibieën verwacht. Als delen worden afgedamd en gedempt dienen deze te worden afgevist in het kader van de zorgplicht. 5.2 BESCHERMDE GEBIEDEN Het projectgebied is niet gelegen in een natuurgebied dat beschermd is door de Wet natuurbescherming. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied bevindt zich op circa 5,5 km ten noorden van het projectgebied en betreft Meijendel & Berkheide. Door het realiseren van woningen en een toename van verkeer in het gebied zal de stikstof uitstoot toenemen. Echter gezien de afstand tot Natura 2000-gebieden en het aantal woningen dat wordt gebouwd zal hiermee geen grenswaarde worden overschreden (bron: AERIUS). Het onderdeel gebiedenbescherming, artikel 2.7, lid 2, van de Wet natuurbescherming is dan ook niet van toepassing op het onderhavige project. Het projectgebied is niet gelegen in een gebied van Natuurnetwerk Nederland (NNN). Op circa 2 kilometer van het projectgebied is een gebied van NNN aanwezig.

Gezien de aard van de voorgenomen werkzaamheden en de afstand tot NNN wordt een negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN uitgesloten. Vervolgstappen met betrekking tot NNN zijn derhalve niet van toepassing. 5.3 HOUTOPSTANDEN De houtopstanden in het projectgebied maken geen deel uit van beschermde houtopstanden, omdat deze binnen de bebouwde kom boswet vallen. Voor het kappen van de bomen is dan ook geen melding noodzakelijk in het kader van artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming. De gemeente LeidschendamVoorburg hanteert dat een kapvergunning nodig is bij met een omtrek van 80 centimeter of meer. Mogelijk is voor een aantal bomen in het projectgebied een kapvergunning nodig.

Ecologische quickscan Kleine Plaspoelpolder te Leidschendam-Voorburg Projectcode: 20171527

30

6. CONCLUSIE EN VERVOLGSTAPPEN In het onderhavige hoofdstuk zijn de conclusies van de ecologische quickscan opgenomen die is uitgevoerd ten behoeve van het project ‘Klein plaspoelpolder te Leidschendam-Voorburg’. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen beschermde soorten, beschermde gebieden en beschermde houtopstanden. Uit de ecologische quickscan blijkt dat tijdens de uitvoering van de werkzaamheden rekening dient te worden gehouden met de Wet natuurbescherming. 6.1 RESULTATEN EN VERVOLGSTAPPEN De resultaten en vervolgstappen zijn in onderstaande tabellen per onderdeel van de Wet natuurbescherming weergegeven. 6.1.1 BESCHERMDE SOORTEN BENZINESTATION TOTAL Soort

Verwacht/ aangetroffen (locatie)

Vleermuizen

Verwacht

Algemene broedvogels

Aangetroffen

Algemene soorten en vrijgestelde Aangetroffen grondgebonden zoogdieren en amfibieën

Vervolgstappen en te nemen maatregelen om overtreding Wet natuurbescherming te voorkomen Het uitvoeren van een soortgericht onderzoek om de aan-/afwezigheid van voortplantings- en rustplaatsen en vliegroutes van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis, meervleermuis en laatvlieger aan te tonen. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het vleermuisprotocol (2017) in de periode mei tot en met september. Vervolgens kan worden bepaald of het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. De werkzaamheden in de winter buiten het broedseizoen uitvoeren. Indien de werkzaamheden in het voorjaar en/of de zomer moeten worden uitgevoerd dient het projectgebied en de directe omgeving (‘invloedsfeer van de werkzaamheden’) voorafgaand aan de werkzaamheden te worden gecontroleerd op broedvogels. Indien broedende vogels aanwezig zijn dient door een deskundig ecoloog te worden bepaald of de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder overtreding van de Wet natuurbescherming. voldoende zorg in acht nemen voor alle in het wild voorkomende flora en fauna. Aanwezige dieren de tijd gunnen om te kunnen vluchten. Indien men onverwachts strikt beschermde soorten aantreft een deskundig ecoloog raadplegen om af te stemmen hoe een overtreding van de Wet natuurbescherming kan worden voorkomen.

Bij twijfel over de aanwezigheid van beschermde soorten de hulp van een deskundige in roepen. In de watergangen worden algemene vissoorten verwacht. Indien delen worden afgedamd en gedempt dienen deze delen te worden afgevist in het kader van de zorgplicht. In de nacht dient verstoring te worden voorkomen door verlichting, zodat vleermuizen ongehinderd kunnen foerageren.

6.1.2 BESCHERMDE SOORTEN KANTOOR DAMSIGT Soort

Verwacht/ aangetroffen (locatie)

Vleermuizen

Verwacht

Slechtvalk, categorie 3

Verwacht

Zwarte roodstaart, categorie Verwacht mogelijk onvoldoende alternatief Algemene broedvogels en Aangetroffen categorie 5

Vervolgstappen en te nemen maatregelen om overtreding Wet natuurbescherming te voorkomen Het uitvoeren van een soortgericht onderzoek om de aan-/afwezigheid van voortplantings- en rustplaatsen en vliegroutes van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis, watervleermuis en laatvlieger aan te tonen. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het vleermuisprotocol (2017) in de periode mei tot en met september. Vervolgens kan worden bepaald of het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Het uitvoeren van een soortgericht onderzoek om de aan-/afwezigheid van nest- en rustplaatsen van de slechtvalk aan te tonen. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden conform de territoriumkartering van Sovon in de periode begin februari tot en met eind juli. Vervolgens kan worden bepaald of het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. In eerste aanleg dient bepaald te worden of voor deze soort voldoende alternatieve in de omgeving aanwezig zijn. Indien dit niet het geval is, is het uitvoeren van een soortgericht onderzoek om de aan-/afwezigheid van nest- en rustplaatsen van de zwarte roodstaart aan te tonen nodig. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden conform de territoriumkartering van Sovon in de periode half april tot en met juli.

Vervolgens kan worden bepaald of het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. De werkzaamheden in de winter buiten het broedseizoen uitvoeren. Indien de werkzaamheden in het voorjaar en/of de zomer moeten worden uitgevoerd dient het projectgebied en de directe omgeving (‘invloedsfeer van de werkzaamheden’)

Ecologische quickscan Kleine Plaspoelpolder te Leidschendam-Voorburg Projectcode: 20171527

31

Soort

Verwacht/ aangetroffen (locatie)

vogels

Algemene soorten en vrijgestelde Aangetroffen grondgebonden zoogdieren en amfibieën

Vervolgstappen en te nemen maatregelen om overtreding Wet natuurbescherming te voorkomen voorafgaand aan de werkzaamheden te worden gecontroleerd op broedvogels. Indien broedende vogels aanwezig zijn dient door een deskundig ecoloog te worden bepaald of de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder overtreding van de Wet natuurbescherming. voldoende zorg in acht nemen voor alle in het wild voorkomende flora en fauna. Aanwezige dieren de tijd gunnen om te kunnen vluchten. Indien men onverwachts strikt beschermde soorten aantreft een deskundig ecoloog raadplegen om af te stemmen hoe een overtreding van de Wet natuurbescherming kan worden voorkomen. Bij twijfel over de aanwezigheid van beschermde soorten de hulp van een deskundige in roepen. In de nacht dient verstoring te worden voorkomen door verlichting, zodat vleermuizen ongehinderd kunnen foerageren.

6.1.3 BESCHERMDE SOORTEN GEMEENTEWERF Soort

Verwacht/ aangetroffen (locatie)

Vleermuizen

Verwacht

Zwarte roodstaart, categorie mogelijk onvoldoende alternatief

Verwacht

Algemene broedvogels en Aangetroffen categorie 5 vogels

Algemene soorten en vrijgestelde Aangetroffen grondgebonden zoogdieren en amfibieën

Vervolgstappen en te nemen maatregelen om overtreding Wet natuurbescherming te voorkomen Het uitvoeren van een soortgericht onderzoek om de aan-/afwezigheid van voortplantings- en rustplaatsen en vliegroutes van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, watervleermuis, meervleermuis en laatvlieger aan te tonen. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het vleermuisprotocol (2017) in de periode mei tot en met september. Vervolgens kan worden bepaald of het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. In eerste aanleg dient bepaald te worden of voor deze soort voldoende alternatieve in de omgeving aanwezig zijn. Indien dit niet het geval is, is het uitvoeren van een soortgericht onderzoek om de aan-/afwezigheid van nest- en rustplaatsen van de zwarte roodstaart aan te tonen nodig. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden conform de territoriumkartering van Sovon in de periode half april tot en met juli. Vervolgens kan worden bepaald of het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. De werkzaamheden in de winter buiten het broedseizoen uitvoeren. Indien de werkzaamheden in het voorjaar en/of de zomer moeten worden uitgevoerd dient het projectgebied en de directe omgeving (‘invloedsfeer van de werkzaamheden’) voorafgaand aan de werkzaamheden te worden gecontroleerd op broedvogels.

Indien broedende vogels aanwezig zijn dient door een deskundig ecoloog te worden bepaald of de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder overtreding van de Wet natuurbescherming. voldoende zorg in acht nemen voor alle in het wild voorkomende flora en fauna. Aanwezige dieren de tijd gunnen om te kunnen vluchten. Indien men onverwachts strikt beschermde soorten aantreft een deskundig ecoloog raadplegen om af te stemmen hoe een overtreding van de Wet natuurbescherming kan worden voorkomen. Bij twijfel over de aanwezigheid van beschermde soorten de hulp van een deskundige in roepen. In de watergangen worden algemene vissoorten verwacht. Indien delen worden afgedamd en gedempt dienen deze delen te worden afgevist in het kader van de zorgplicht. In de nacht dient verstoring te worden voorkomen door verlichting, zodat vleermuizen ongehinderd kunnen foerageren.

6.1.4 BESCHERMDE SOORTEN AVALEX Soort

Verwacht/ aangetroffen (locatie)

Vleermuizen

Verwacht

Zwarte roodstaart, categorie mogelijk onvoldoende alternatief

Verwacht

Algemene

Aangetroffen

Vervolgstappen en te nemen maatregelen om overtreding Wet natuurbescherming te voorkomen Het uitvoeren van een soortgericht onderzoek om de aan-/afwezigheid van voortplantings- en rustplaatsen en vliegroutes van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis, meervleermuis en laatvlieger aan te tonen. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het vleermuisprotocol (2017) in de periode mei tot en met september. Vervolgens kan worden bepaald of het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. In eerste aanleg dient bepaald te worden of voor deze soort voldoende alternatieve in de omgeving aanwezig zijn. Indien dit niet het geval is, is het uitvoeren van een soortgericht onderzoek om de aan-/afwezigheid van nest- en rustplaatsen van de zwarte roodstaart aan te tonen nodig. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden conform de territoriumkartering van Sovon in de periode half april tot en met juli. Vervolgens kan worden bepaald of het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. De werkzaamheden in de winter buiten het broedseizoen uitvoeren. Indien de

Ecologische quickscan Kleine Plaspoelpolder te Leidschendam-Voorburg Projectcode: 20171527

32

Soort

Verwacht/ aangetroffen (locatie)

broedvogels en categorie 5 vogels

Algemene soorten en vrijgestelde Aangetroffen grondgebonden zoogdieren en amfibieën

Vervolgstappen en te nemen maatregelen om overtreding Wet natuurbescherming te voorkomen werkzaamheden in het voorjaar en/of de zomer moeten worden uitgevoerd dient het projectgebied en de directe omgeving (‘invloedsfeer van de werkzaamheden’) voorafgaand aan de werkzaamheden te worden gecontroleerd op broedvogels. Indien broedende vogels aanwezig zijn dient door een deskundig ecoloog te worden bepaald of de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder overtreding van de Wet natuurbescherming. voldoende zorg in acht nemen voor alle in het wild voorkomende flora en fauna. Aanwezige dieren de tijd gunnen om te kunnen vluchten. Indien men onverwachts strikt beschermde soorten aantreft een deskundig ecoloog raadplegen om af te stemmen hoe een overtreding van de Wet natuurbescherming kan worden voorkomen. Bij twijfel over de aanwezigheid van beschermde soorten de hulp van een deskundige in roepen. In de watergangen worden algemene vissoorten verwacht. Indien delen worden afgedamd en gedempt dienen deze delen te worden afgevist in het kader van de zorgplicht. In de nacht dient verstoring te worden voorkomen door verlichting, zodat vleermuizen ongehinderd kunnen foerageren.

6.1.5 BESCHERMDE GEBIEDEN Beschermde gebieden Natura 2000–gebied Natuurnetwerk Nederland Beschermd weidevogelgebied

Vervolgstappen en te nemen maatregelen om overtreding Wet natuurbescherming te voorkomen Geen effecten te verwachten. Vervolgstappen zijn dan ook niet noodzakelijk. Geen effecten te verwachten. Vervolgstappen zijn dan ook niet noodzakelijk. Het projectgebied is niet gelegen in of nabij een beschermd weidevogelgebied.

6.1.6 BESCHERMDE HOUTOPSTANDEN Beschermde houtopstanden De bomen in het projectgebied maken geen deel uit van beschermde houtopstanden

Vervolgstappen en te nemen maatregelen om overtreding Wet natuurbescherming te voorkomen Voor het kappen van de bomen is dan ook geen melding noodzakelijk in het kader van artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming. Mogelijk dient voor het kappen van de bomen wel een omgevingsvergunning te worden aangevraagd bij gemeente Leidschendam-Voorburg

Ecologische quickscan Kleine Plaspoelpolder te Leidschendam-Voorburg Projectcode: 20171527

33

REFERENTIELIJST Alterra Wageningen UR. Landelijke Vegetatie Databank. http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapslvddata.aspx?meta=info De Vlinderstichting. Libellennet; alles over libellen. http://www.libellennet.nl/ De Vlinderstichting. Vlindernet; alles over vlinders. http://www.vlindernet.nl/ Diepenbeek, A. van (1999). Veldgids Diersporen. Sporen van gewervelde landdieren. Uitgeverij KNNV. Koning, J. de; Broek, JW van den; Meyere, D. de & Bruens, H. (2009). Dendrologie van de lage landen. Uitgeverij KNNV. Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI). Weeroverzichten Lange, R., P. Twisk, A. van Winden & A. van Diepenbeek, Zoogdieren van West-Europa. 2e druk 2003 VZZ. Uitgeverij KNNV. Lenders, H.J.R., C.C.H. Marijnissen en R.P.W.H. Felix (1993). Waarnemen en herkennen van Amfibieën en Reptielen in het veld. 4e geheel herziene druk. RAVON. Meijden, R. van der (2004). Heukels’ Flora van Nederland. 23e druk. Uitgeverij Wolters-Noordhoff. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (1979). Vogelrichtlijn. 79/409/EEG. Nederlandse vereniging voor libellenstudie (2002). Atlas van de Nederlandse libellen – Nederlandse fauna 4. KNNV, EIS. Nationale Databank Flora en Fauna (2016), NDFF Uitvoerportaal. Nie, H.W. de (1996). Atlas van de Nederlandse Zoetwatervissen. Provincie Zuid-Holland (2016).

Besluit van Provinciale Staten van Zuid-Holland van 9 november 2016, tot vaststelling van de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland, met nummer 6949 Provincie Zuid-Holland (2016), Interactieve atlassen en kaarten. https://www.zuid-holland.nl/overons/feiten-cijfers/interactieve/ Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. AERIUS Calculator SOVON Vogelonderzoek Nederland. https://www.sovon.nl/ SOVON Vogelonderzoek Nederland (2002). Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998 - 2000 Nederlandse fauna 5. KNNV & EIS. SOVON Vogelonderzoek Nederland en Vogelbescherming Nederland (2005). Rode Lijst van de Nederlandse broedvogels. Tirion Uitgevers Stichting Reptielen Amfibieën Vissen Onderzoek Nederland (RAVON). http://www.ravon.nl/ Stichting VeldOnderzoek Flora en Fauna (VOFF). Waarnemingen van flora en fauna. https://www.telmee.nl/?c=portal&m=telmee Rijksoverheid (2012). Versie 0.4. Memorie van toelichting bij het voorstel van wet met regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming) Rijksoverheid (2016). Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden. Stb-2016-34 ISSN 0920 – 2064 ’s-Gravenhage 2016. Wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de Natuur (Wet natuurbescherming). Zoogdiervereniging. Zoogdieratlas. http://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdieratlas

Ecologische quickscan Kleine Plaspoelpolder te Leidschendam-Voorburg Projectcode: 20171527

34

BIJLAGE 1

REGIONALE SITUATIEKAART PROJECTGEBIED

= Projectgebied

Ecologische quickscan Kleine Plaspoelpolder te Leidschendam-Voorburg Projectcode: 20171527

Bijlage

BIJLAGE 2

WETTELIJKE EN BESTUURLIJKE KADERS NATUURBESCHERMING

In Nederland wordt de bescherming van natuur geregeld met behulp van de Wet natuurbescherming. Onder de Wet natuurbescherming valt de bescherming van enerzijds in het wild levende dieren (fauna) en planten (flora) en anderzijds de gebiedsbescherming en de bescherming van houtopstanden. In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de vigerende wet- en regelgeving inzake de Wet natuurbescherming. WET NATUURBESCHERMING (01-01-2017) De Wet natuurbescherming is een samenkomst van drie voormalige natuurwetten: De Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Onder de Wet natuurbescherming valt nu de soortenbescherming en de gebiedsbescherming. SOORTENBESCHERMING (FLORA EN FAUNA) De Wet natuurbescherming beschermd kwetsbare en zeldzame flora en fauna. De wet geldt daar waar beschermde soorten voorkomen. De beschermde soorten zijn onderverdeeld in Europees- en nationaal beschermde dier- en plantensoorten. Afhankelijk van de beschermde status van een soort dient bij de aantasting van exemplaren of nesten, voortplantings- of rustplaatsen van deze soort, een ontheffing op de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Belangrijk voor de toekenning hiervan is de status, maar ook of de duurzame instandhouding van de populatie wel of niet in het geding is. Indien geen verbodsbepalingen worden overtreden kan mogelijk worden volstaan met een mitigatieplan.

Europees beschermde dier- en plantensoorten Deze soorten betreffen in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern, bijlage I bij het Verdrag van Bonn en vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern, bijlage I bij het Verdrag van Bonn Voor deze soorten dienen in het geval van ruimtelijke ontwikkeling mitigerende maatregelen opgesteld te worden die ervoor zorgen dat de functionaliteit van de nesten, voortplantings- of rustplaatsen gegarandeerd wordt. Tevens kunnen werkzaamheden, onder voorwaarden, worden uitgevoerd volgens een goedgekeurde gedragscode. Wanneer dit niet mogelijk is kan, indien de volgende belangen aan de orde zijn: bescherming van flora en fauna, dwingende redenen van groot openbaar belang of volksgezondheid of openbare veiligheid, een ontheffing aangevraagd worden. Vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn Voor vogels dienen in het geval van ruimtelijke ontwikkeling mitigerende maatregelen opgesteld te worden die ervoor zorgen dat de functionaliteit van de nesten en rustplaatsen gegarandeerd wordt. Tevens kunnen werkzaamheden, onder voorwaarden, worden uitgevoerd volgens een goedgekeurde gedragscode.

Wanneer dit niet mogelijk is kan, indien de volgende belangen aan de orde zijn: bescherming van flora en fauna, veiligheid van het luchtverkeer of volksgezondheid of openbare veiligheid, een ontheffing aangevraagd worden. Nationaal beschermde dier- en plantensoorten Deze soorten betreffen in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij de Wet natuurbescherming.

Ecologische quickscan Kleine Plaspoelpolder te Leidschendam-Voorburg Projectcode: 20171527

Bijlage

Vrijstelling Middels een vrijstellingsregeling kan in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling vrijstelling verleend worden voor nationaal beschermde dier- en plantensoorten. Derhalve hoeft voor deze soorten geen ontheffing te worden aangevraagd. Voor deze soorten blijft wel de algemene zorgplicht van kracht. Per provincie wordt een vrijstellingslijst opgesteld. Elke provincie kan ervoor kiezen om verschillende soorten vrij te stellen. Per project zal gekeken moeten worden welke dier- en plantensoorten in de betreffende provincie zijn vrijgesteld. Voor soorten die niet zijn vrijgesteld dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde gedragscode, of dient bij de aantasting van exemplaren nesten, voortplantings- of rustplaatsen van deze soort bij activiteiten die de verbodsbepalingen overtreden, een ontheffing op de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. VERBODEN HANDELINGEN Naast de zorgplicht zijn een aantal verboden handelingen opgenomen. Deze worden hieronder weergegeven. Artikel 3.1 Vogelrichtlijn 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3.

Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.5 Habitatrichtlijn 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.10 Nationaal beschermde dier- en plantensoorten 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a.

in het in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen;

Ecologische quickscan Kleine Plaspoelpolder te Leidschendam-Voorburg Projectcode: 20171527

Bijlage

c.

ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang. 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Gedragscode Voor zowel Europees als nationaal beschermde soorten geldt dat werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden volgens een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode. De betreffende gedragscode moet voor de werkzaamheden en soort(groep) geschreven en beschikbaar zijn.

Dit geldt indien de werkzaamheden plaatsvinden in het kader van: - een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of –bermen, of in het kader van natuurbeheer; - een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; - een bestendig gebruik, of - een ruimtelijke inrichting of ontwikkeling. Werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd onder een gedragscode, mits de functionaliteit van de nesten, voortplantings- of rustplaatsen van de soorten behouden blijft. Positieve afwijzing Als er maatregelen genomen worden om de functionaliteit van de nesten, voortplantings- of rustplaatsen van zowel Europees als nationaal beschermde soorten garanderen, is een ontheffing op de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk. Om er echter zeker van te zijn of de opgestelde mitigerende maatregelen voldoende zijn, kan op basis van deze maatregelen een ontheffing bij de betreffende provincie worden aangevraagd. Indien de provincie akkoord gaat met de mitigerende maatregelen en de functionaliteit van de nesten, voortplantings- of rustplaatsen van de soorten hiermee behouden blijft, wordt de ontheffingsaanvraag positief afgewezen en mogen de werkzaamheden zonder ontheffing worden uitgevoerd. ZORGPLICHT De zorgplicht valt onder zowel de soortenbescherming (dier- en plantensoorten) als gebiedsbescherming.

Onderstaand worden de maatregelen met betrekking tot zorgvuldig handelen weergegeven, zoals opgenomen artikel 1.11 en artikel 3.31, lid 3, van de Wet natuurbescherming. Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura-2000 gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura-2000 gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. Ecologische quickscan Kleine Plaspoelpolder te Leidschendam-Voorburg Projectcode: 20171527

Bijlage

Artikel 3.31, lid 3, van de Wet natuurbescherming 3. Van zorgvuldig handelen is in elk geval sprake, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er worden slechts handelingen verricht waarvan geen wezenlijke invloed uitgaat op de soorten, bedoeld in het tweede lid, en b. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op dieren wordt voorafgaand en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat: i. dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden gedood; ii. nesten van vogels worden vernield, beschadigd of weggenomen, rustplaatsen van vogels worden vernield of beschadigd, dan wel voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in artikel 3.5, eerste lid, of artikel 3.10, eerste lid, bedoelde dieren worden beschadigd of vernield, en iii. eieren van dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden vernield, of c. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op planten van soorten als bedoeld in artikel 3.5, vijfde lid, of 3.10, eerste lid, wordt voorafgaand aan en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen dat deze planten worden geplukt, afgesneden, ontworteld of vernield.

GEBIEDSBESCHERMING Onder de gebiedsbescherming vallen de Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland, Beschermde Natuurmonumenten, gebieden ter uitvoering van verdragen en andere internationale verplichtingen (zoals wetlands) en houtopstanden. NATURA2000 Natura 2000-gebieden zijn gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn. Voor elk Natura 2000-gebied wordt door de betreffende provincie een beheerplan opgesteld, waarin de nodige instandhoudingsmaatregelen zijn opgenomen. Artikel 2.7, lid 2, van de Wet natuurbescherming stelt over Natura 2000-gebieden het volgende: ‘Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.’ De toetsing betreft het vaststellen of het projectgebied in of in de omgeving van een beschermd natuurgebied gelegen is en of er sprake is van een negatief effect op de beschermde natuurwaarden. Als dit niet het geval is dan is verder onderzoek niet nodig.

Indien er wel sprake is van een effect op beschermde natuurwaarden is een aanvullende toetsing noodzakelijk, waarbij wordt vastgesteld in hoeverre er sprake is van een negatief effect. NATUURNETWERK NEDERLAND Het beschermingsregime voor gebieden die vallen onder het NNN vloeit voort uit het Natuurbeleidsplan uit 1991 en de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. Het is in de Nota Ruimte op nationaal niveau en vervolgens door de provincies op provinciaal niveau nader uitgewerkt. Bescherming van deze gebieden is op planologische basis en er wordt van uitgegaan van het "Nee, tenzij‟-regime en compensatiebeginsel. Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden. Daarom geldt in het NNN het "nee, tenzij‟- regime. Indien een voorgenomen ingreep de "nee, tenzij‟-afweging met positief gevolg doorloopt kan de ingreep plaatsvinden, mits de eventuele nadelige gevolgen worden gemitigeerd en resterende schade wordt gecompenseerd. Indien een voorgenomen ingreep niet voldoet aan de voorwaarden uit het "nee, tenzij‟-regime dan kan de ingreep niet plaatsvinden.

Ecologische quickscan Kleine Plaspoelpolder te Leidschendam-Voorburg Projectcode: 20171527

Bijlage

HOUTOPSTANDEN Onder de Wet natuurbescherming (houtopstanden) vallen: - alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen; - alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are; - bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. De gemeente stelt de grenzen van de ‘bebouwde kom Boswet’ bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de ‘bebouwde kom Verkeerswet’. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd. Wanneer voor het uitvoeren van werkzaamheden houtopstanden zoals hierboven beschreven gekapt moeten worden geldt een meldings- en herplantplicht. De kapmelding is geen kapvergunning. In sommige gemeenten is een kapvergunning vereist, die door de gemeente wordt afgegeven. Voordat gekapt wordt, is het raadzaam bij de gemeente na te vragen of een vergunning vereist is. Als dat zo is, moet die apart worden aangevraagd. Gemeenten leggen in de bomenverordening vast welke bomen zonder vergunning mogen worden gekapt en voor welke bomen een meldings- of vergunningsplicht geldt. Binnen drie jaar nadat een bos is gekapt, moet het worden herplant. Deze termijn van drie jaar geldt ook als het bos door een calamiteit (brand, storm, ziekten of plagen) verloren gaat. Na drie jaar moet er een geslaagde herbebossing zijn uitgevoerd. Een herbeplanting die niet goed is aangeslagen moet, binnen 3 jaar na kap, worden ingeboet.

In de Wet natuurbescherming zijn verboden handelingen ten aanzien van houtopstanden opgenomen in artikel 4.2. Deze worden hieronder weergegeven. Artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming 1. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen over de melding, bedoeld in het eerste lid. Deze regels kunnen in elk geval betrekking hebben op: a. de gegevens die bij de melding worden verstrekt; b. de termijn waarbinnen de melding wordt gedaan, en c. de wijze waarop de melding wordt gedaan. 3. Gedeputeerde staten kunnen het vellen van houtopstanden telkens voor ten hoogste vijf jaar verbieden ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden. De meldings- en herplantplicht is niet van toepassing: - indien houtopstanden worden geveld ter uitvoering van instandhoudingsmaatregelen of ten behoeve van Natura 2000-gebieden; - voor het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in en aantoonbaar wordt gerealiseerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode. In uitzonderingsgevallen kan een kapverbod worden opgelegd als het natuur- en landschapsschoon ernstig geschaad dreigt te worden door de voorgenomen kap.

In de praktijk gebeurt dit nagenoeg nooit. Er moet sprake zijn van opstanden of lanen van een uitzonderlijke natuurwaarde of landschappelijke waarde.

Ecologische quickscan Kleine Plaspoelpolder te Leidschendam-Voorburg Projectcode: 20171527

Bijlage

BIJLAGE 3

FOTO’S TER PLAATSE

Foto 1: Total benzinestation.

Foto 2: Ruimte achter daklijst, geschikt voor vleermuizen.

Foto 3: Open stootvoegen, geschikt voor vleermuizen.

Foto 4: Watergang.

Foto 5: Bomen geschikt voor broedvogels en vliegroute vleermuizen.

Foto 6: Kantoor Damsigt.

Ecologische quickscan Kleine Plaspoelpolder te Leidschendam-Voorburg Projectcode: 20171527

Bijlage

Foto 7: Ruimte achter daklijst, geschikt voor vleermuizen.

Foto 8: Dakopbouwen geschikt voor vleermuizen.

Foto 9: Zilvermeeuw op dak Damsigt.

Foto 10: Ruimte achter daklijst, geschikt voor vleermuizen en dakopbouw.

Foto 11: Bomenrij, geschikt als vliegroute voor vleermuizen.

Foto 12: Opslag terrein geschikt als broedlocatie voor de zwarte roodstaart.

Ecologische quickscan Kleine Plaspoelpolder te Leidschendam-Voorburg Projectcode: 20171527

Bijlage

Foto 13: Voormalige gemeentewerf.

Foto 14: Opening geschikt voor vleermuizen.

Foto 15: Open stootvoegen, geschikt voor vleermuizen.

Foto 16: Open stootvoegen, geschikt voor vleermuizen.

Foto 17: Bomenrij, geschikt als vliegroute voor vleermuizen.

Foto 18: Schietwilg, linker boom, met zwarte kraaien nest.

Ecologische quickscan Kleine Plaspoelpolder te Leidschendam-Voorburg Projectcode: 20171527

Bijlage

Foto 19: Halsbandparkiet in een dode boom.

Foto 20: Opslag terrein geschikt als broedlocatie voor de zwarte roodstaart.

Foto 21: Open schuur, geschikt als broedlocatie voor de boerenzwaluw.

Foto 22: Open stootvoegen, geschikt voor vleermuizen.

Foto 23: Ruimte achter daklijst, geschikt voor vleermuizen.

Foto 24: Ruimte achter daklijst, geschikt voor vleermuizen.

Ecologische quickscan Kleine Plaspoelpolder te Leidschendam-Voorburg Projectcode: 20171527

Bijlage

Foto 25: Open stootvoegen, geschikt voor vleermuizen.

Foto 26: Open luchtroosters, geschikt voor vleermuizen.

Foto 27: Open schuur, geschikt als broedlocatie voor de boerenzwaluw en zwarte roodstaart

Ecologische quickscan Kleine Plaspoelpolder te Leidschendam-Voorburg Projectcode: 20171527

Bijlage

BIJLAGE 4

EFFECTENINDICATOR

Ecologische quickscan Kleine Plaspoelpolder te Leidschendam-Voorburg Projectcode: 20171527

Bijlage

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=9ab9adb6-bde6-45d7-9fca-ddb4413498d2