2879-Geactualiseerde APV
Tekst van het document
een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt, al dan niet in beweging, en
de groep er op uit is een mening uit te dragen.
De memorie van toelichting bij de WOM geeft aan dat het bij de betoging gaat om het uitdragen van gemeenschappelijk beleefde gedachten of wensen op politiek of
maatschappelijk gebied (TK 1986-1987, 19 427, nr. 3, p. 8). Er worden dus drie eisen gesteld: meningsuiting (openbaren van gedachten en gevoelens), openheid en
groepsverband. Het gezamenlijk optreden moet ook gericht zijn op het uitdragen van een
mening. Een betoging is niet noodzakelijkerwijs een optocht en een optocht is niet perse een betoging. Een betoging kan een optocht zijn (HR 30-05-1967, NJ 1968, 5). De Hoge Raad
acht voor het aanwezig zijn van een betoging geen “menigte” nodig. Acht personen worden al voldoende geacht om van een betoging te kunnen spreken (HR 11-05- 1976, NJ 1976, 540).
Bij de parlementaire behandeling van artikel 9 Grondwet is “betoging” omschreven als “het middel om, het liefst met zoveel mogelijk mensen, in het openbaar uiting te geven aan gevoelens en wensen op maatschappelijk en politiek gebied”.
Alleen een vreedzame betoging kan aanspraak maken op grondwettelijke bescherming. Het aspect van de meningsuiting moet voorop staan. Als onder het mom van een betoging
activiteiten worden ontplooid die strijdig zijn met onze rechtsorde, zal de vraag moeten
worden beoordeeld of er nog wel sprake is van een betoging in de zin van het grondwettelijk
erkende recht (TK 1975-1976, 13872, nr. 4, p. 95-96). Bij de parlementaire behandeling van artikel 9 heeft de regering er op gewezen dat de door haar gegeven karakterisering van het begrip “betoging” meebrengt dat acties, waarvan de hoedanigheid van gemeenschappelijke meningsuiting op de achtergrond is geraakt en die het karakter hebben van
dwangmaatregelen jegens de overheid of jegens derden, geen betogingen in de zin van het voorgestelde artikel 9 zijn. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij blokkades van wegen en waterwegen (TK 1976-1977, 13872, nr. 7, p. 33).
Een optocht die niet primair het karakter heeft van een gemeenschappelijke meningsuiting, zoals Sinterklaas- en carnavalsoptochten en bloemencorso’s, is geen manifestatie in de zin
van artikel 1, eerste lid, onder a WOM (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 8). Zo’n optocht kan, als die opiniërende elementen bevat, wel onder de bescherming van artikel 7, derde lid, Grondwet vallen.
Onwettig en intolerant gedrag tegenover een betoging
Het recht van betoging kan niet zonder meer beperkt worden. In de jurisprudentie over het onwettig of intolerant gedrag van derden tegenover de deelnemers aan een betoging, is
uitgemaakt dat een beperking van het recht tot betoging moet zijn gelegen in zwaarwegende omstandigheden.
Klokgelui en oproepen tot gebed
Artikel 10 WOM stelt dat de gemeenteraad bevoegd is terzake regels te stellen met betrekking tot duur en geluidsniveau.
De strekking van artikel 10 WOM is niet om een beperkingsbevoegdheid op het grondrecht
vrijheid van godsdienst of levensovertuiging te creëren, maar om het recht tot klokluiden en oproepen tot gebed buiten twijfel te stellen en daarnaast de autonome bevoegdheid van gemeentebesturen om in het kader van de beperking van geluidsoverlast regelend op te treden onverlet te laten.
Gemeentelijke regels die klokgelui en oproepen tot gebed in het kader van geluidsoverlast beperken zijn dus geen medebewind, maar autonome bepalingen.
Artikel 10 WOM vertoont een zekere overlap met artikel 4:6 APV (overige geluidhinder). Zie de toelichting bij dat artikel.
Gemeentelijke bevoegdheden
Los van zijn bevoegdheden krachtens de WOM, blijft de burgemeester bevoegd tot optreden krachtens de artikelen 175 en 176 Gemeentewet. De memorie van toelichting bij de WOM geeft dit aan en ook de minister belicht tijdens de Kamerbehandeling deze bevoegdheid
nadrukkelijk. Deze twee artikelen zijn echter slechts beperkt toepasbaar. Er mag namelijk
pas gebruik van gemaakt worden wanneer er sprake is van ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde of als er daadwerkelijk sprake is van ernstige verstoring van de openbare orde.
In die gevallen kan de burgemeester krachtens artikel 175 de nodige bevelen of krachtens artikel 176 Gemeentewet een noodverordening uitvaardigen. De vraag rijst of de
burgemeester met behulp van deze noodbevoegdheden grondrechten, zoals in dit geval het betogingsrecht, mag beperken.
De regering heeft tijdens de behandeling van de herziene Grondwet namelijk gesteld dat de clausule “behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet” inhoudt dat alleen de formele wetgever zonder delegatiemogelijkheid bevoegd is tot het beperken van
grondrechten en dat de formele wet zelf de omvang van de grondrechtbepaling moet
aangeven. In artikel 175 Gemeentewet is thans expliciet opgenomen dat de burgemeester bij het geven van noodbevelen kan afwijken van andere dan bij de Grondwet gestelde voorschriften.
Het verbod van delegatie zou een obstakel kunnen zijn voor de burgemeester om krachtens
artikel 176 Gemeentewet een grondrecht te beperken door middel van een noodverordening. Volgens de Hoge Raad voegt het voorschrift op grond van artikel 176 Gemeentewet zich in
als bestanddeel in de omschrijving van de overtreding tegen het openbaar gezag van artikel 443 Sr. en het is “dus de wet (in formele zin), die in die noodtoestand de zeer tijdelijke
onderbreking van de uitoefening van het grondrecht gedoogt”, HR 28-11-1950, NJ 1951, 137 (Tilburgse APV).
Bij betogingen waarbij ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde bestaat of de
verstoring daadwerkelijk plaatsvindt, kan de burgemeester derhalve bevelen, zoals bedoeld in artikel 175 of de noodverordening zoals bedoeld in artikel 176 Gemeentewet
uitvaardigen. Dit zou in het uiterste geval zelfs een verbod tot het houden van een betoging kunnen inhouden. Op de strekking en reikwijdte van artikel 175 en 176 Gemeentewet is tijdens de parlementaire behandeling en in de literatuur uitgebreid ingegaan. Door de
staatssecretaris is tijdens de mondelinge behandeling van dit wetsontwerp in de Eerste
Kamer opgemerkt: “De gevallen waarin de noodbevoegdheden van de burgemeester kunnen worden toegepast, staan in een logisch verband met de gronden krachtens welke
grondrechten als hier aan de orde mogen worden beperkt. De burgemeester heeft dus in de noodsituaties, bedoeld in de artikelen 175 en 176, grondwettelijk de bevoegdheid om
grondrechtbeperkende bevelen te geven ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer of ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.”
Verder wordt aangegeven dat ook uit de toepassingshistorie van de artikelen 219 en 220 van de oude gemeentewet volgt dat de noodbevoegdheden passen in het kader van de beperkingsregelingen van grondrechten.
Vierde lid
Artikel 145 van de Gemeentewet bepaalt dat de Algemene Termijnenwet van
overeenkomstige toepassing is op termijnen in gemeentelijke verordeningen, tenzij in de
verordening anders is bepaald. Het vierde lid bevat zo’n afwijkende bepaling, die voorkomt dat afhandeling op zaterdag of zondag of op een algemeen erkende feestdag of op een
werkdag na 12.00 uur moet plaatsvinden. Dat laatste is gedaan om toch nog over enige uren voor beoordeling en besluitvorming te beschikken Artikel 2:4 Afwijking termijn (Vervallen)
Opgenomen in artikel 2:3, vijfde lid
Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens (Vervallen)
Opgenomen in artikel 2:3, tweede lid
Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen
Folderen en flyeren is toegestaan, behalve op of aan door het college aangewezen wegen of
gedeelten daarvan. Het tweede lid geeft de mogelijkheid om het verbod voor die wegen nog
weer te beperken tot nader aan te geven dagen en uren, waarbij het vierde lid het college de
bevoegdheid geeft voor het dan nog resterende verbod een ontheffing te verlenen. Van de in het eerste lid toegekende bevoegdheid mag het college niet zodanig gebruik maken dat er “geen gebruik van enige betekenis” overblijft. Zie ook de toelichting op artikel 2:42.
Het college ontleent zijn bevoegdheid aan artikel 160, onder a, van de Gemeentewet.
Artikel 2:6 heeft betrekking op het grondrecht waarmee de gemeentelijke wetgever het meest wordt geconfronteerd, namelijk de vrijheid van meningsuiting.
Dit grondrecht is geformuleerd in artikel 19 IV, artikel 10 EVRM en artikel 7 van de Grondwet.
Artikel 7 Grondwet luidt als volgt:
Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of
gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio of televisie uitzending.
Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorafgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de
inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen, toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar, regelen ter bescherming van de goede zeden.
De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.
De drukpersvrijheid is in het eerste lid van artikel 7 van de Grondwet als een zelfstandige
bepaling opgenomen en vormt een lex specialis ten opzichte van het derde lid. De tekst van
het eerste lid is letterlijk gelijk aan die van artikel 7 van de oude Grondwet, waarmee beoogd is de bestaande jurisprudentie op dat punt intact te laten. De constante jurisprudentie op artikel 7 van de oude Grondwet kan als volgt worden samengevat.
Daklozenkrant
De verkoop van daklozenkranten is noch venten noch collecteren. Op grond van artikel 7 van de Grondwet kan het verkopen niet verbonden worden aan een vergunning. Wel kan de gemeente gebruik maken van artikel 2:6
Als verkoop plaats vindt op het grondgebied van bijvoorbeeld een supermarkt, dan kan de eigenaar de verkoper verzoeken weg te gaan.
Het verdient aanbeveling om te overleggen met de koepelorganisaties die de daklozen
vertegenwoordigt. Immers niet iedereen kan een straatkrant verkopen. De verkopers moeten in het bezit zijn van een identiteitsbewijs van de koelorganisatie waarmee ze kunnen aantonen dat ze officiële straatkantverkopers zijn.
Wabo
Het verspreiden van gedrukte stukken valt niet onder de Wabo, ook niet als daar een element van handelsreclame in zit.
Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d. (Vervallen)
Artikel 2:8 Dienstverlening (Vervallen)
Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen
Het oude artikel 2.1.4.1 (Feest, muziek en wedstrijd) is in 2007 geschrapt. Feesten en
wedstrijden zijn ondergebracht bij de evenementen. Muziek maken kan ook een evenement zijn, zie onder artikel 2:24.
Echter het optreden van een straatmuzikant, bijvoorbeeld een harmonicaspeler, is geen evenement. Daarom is de straatmuzikant onder artikel 2:9 gebracht.
De motieven om openbare plaatsen aan te wijzen zijn: dwingende redenen van algemeen
belang, hetgeen omvat: openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en milieu. Zie voor de betekenis van deze begrippen het commentaar onder artikel 1.8.
De activiteiten van de straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur en gids vallen
onder de werking van artikel 7, derde lid, Grondwet. Het begrip “openbaren van gedachten
of gevoelens” moet volgens de jurisprudentie en de toelichting op artikel 7 Grondwet haast
grammaticaal worden uitgelegd. Elke uiting van een gedachte of een gevoelen, ongeacht de
intenties of motieven van degene die zich uit, wordt door artikel 7 Grondwet beschermd. (KB 5 juni 1986, Stb. 337 t/m 342, KB 29 mei 1987, Stb. 365, AB 1988, 15 m.nt. PJS.) Artikel 7,
derde lid, Grondwet laat door zijn formulering (niemand heeft voorafgaand verlof nodig
wegens de inhoud) een verbod toe voor andere aspecten van de uiting dan de inhoud, zoals
bijvoorbeeld de verspreiding. Het is bij de genoemde activiteiten echter moeilijk te scheiden
tussen inhoud en verspreiding. Immers, het verbieden van een optreden van een straatartiest op een bepaalde plaats houdt in veel gevallen ook in dat de inhoud van het optreden niet
kan worden geuit. Dat betekent dat voor de beperkingsgronden van het in artikel 7, derde
lid, opgenomen grondrecht, het best kan worden gekozen voor de beperkingsgronden die
bij artikel 7, eerste lid, Grondwet zijn toegelaten. In artikel 2:6, Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen, is dat uitgewerkt in een verbod met
ontheffingsmogelijkheid dat voor bepaalde straten en uren geldt. In artikel 2:9 is dezelfde redactie gevolgd.
De bevoegdheid van de burgemeester berust op artikel 174 van de Gemeentewet.
Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000
In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000 schept een verplichting om
desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het rechtmatige verblijf blijkt. Zie voor overige informatie over dit onderwerp onder het kopje Vreemdelingen onder de Algemene toelichting.
Lex silencio positivo
Het aanwijzen van een gebied waar het verboden is als straatartiest op te treden zal
doorgaans op initiatief van het college zelf gebeuren, en niet op aanvraag. Mocht er wel een aanvraag aan de orde zijn, dan bestaan er geen duidelijke bezwaren tegen een lex silencio positivo. Een ontheffing van het verbod zal vaker op aanvraag gebeuren, maar ook een
ambtshalve ontheffing zal voorkomen, bijvoorbeeld bij bepaalde festiviteiten. Ook bij een
ontheffing op aanvraag is geen reden om van een lex silencio af te zien. In artikel 1:9 van deze verordening wordt Paragraaf 4.1.3.3. Awb op het gehele artikel van toepassing verklaard.
Alleen verbod op muzikale optredens
Er is voor gekozen om dit artikel alleen van toepassing te verklaren voor muzikanten. Dit is ook waar de meeste overlast van wordt ervaren.
Van bijvoorbeeld gidsen, mimespelers of acrobaten wordt geen overlast ervaren en wij willen deze mensen de mogelijkheid geven op te treden in onze gemeente.
Afdeling 2 Bruikbaarheid uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Algemeen
Artikel 2a van de WVW 1994 geeft uitdrukkelijk de bevoegdheid tot het maken van
aanvullende gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voor deze verordeningen niet in strijd zijn met het bepaalde in deze wet (of
krachtens de op dit punt vergelijkbare oude Wegenverkeerswet, zoals bij het RVV; aldus HR 16-12-1975, NJ 1976, 204).
Volgens de wegenverkeerswetgeving kan tot vaststelling van verkeersmaatregelen worden
overgegaan in het belang van de vrijheid van het verkeer of de veiligheid op de weg, of in het belang van de instandhouding en de bruikbaarheid van de weg.
Artikel 2:10 Vergunning voor het plaatsen van voorwerpen op een openbare plaats
Dit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of
gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden, terrassen of containers. Terrassen
ABRvS 20-02-2019, ECLI:NL:RVS:2019:534. Het terrein waarop het terras is gelegen moet als weg in de zin van de APV worden aangemerkt, omdat het terrein een open plaats betreft als
bedoeld in de APV. Het gaat daarbij om de feitelijke toegankelijkheid. Bij de beoordeling van een aanvraag van een terrasvergunning wordt slechts getoetst aan de voorschriften in de APV. Dit betekent dat de aanvraag slechts kan worden geweigerd indien deze niet zou
voldoen aan de vereisten van artikel 2:10, derde lid, van de APV. Dit artikel brengt niet mee dat een aanvraag voor een terrasvergunning getoetst dient te worden aan het
bestemmingsplan. De weigeringsgronden zien met name op gevolgen die het plaatsen van de voorwerpen op de weg met zich brengt. Bij het beoordelen van hinder als bedoeld in
artikel 2:10, derde lid, van de APV gaat het om de inrichting van de openbare ruimte met het oog op de bruikbaarheid en het aanzien van de weg (vergelijk ABRvS 11-12-2013, ECLI:NL:RVS:2013:2334).
Rb. Den Haag 27-01-2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:584. Er is geen sprake van één of meer
weigeringsgronden zoals opgenomen in artikel 2:10, derde lid, van de APV. Verweerder heeft in redelijkheid de terrasvergunning mogen verlenen.
Deregulering: vergunningstelsel of algemene regel
In het kader van de deregulering en de vermindering van administratieve lasten heeft de VNG bekeken of de vergunningplicht in dit artikel kan vervallen. Dat is een discussie met vele
kanten, en voor diverse oplossingen valt iets te zeggen. De VNG kiest ervoor om als model een breed gestelde algemene regel op te nemen in plaats van het voorheen bestaande
vergunningsstelsel. Een dergelijke nadrukkelijke keuze biedt meer ruimte aan burger en bedrijfsleven. De gedachte daarbij is dat voor een groot aantal voorwerpen die in de
openbare ruimte worden geplaatst een vergunning overbodig wordt geacht, omdat deze voorwerpen volstrekt geen overlast veroorzaken of zelfs bijdragen aan de leefbaarheid.
Feitelijk is daarmee voor burgers en bedrijven een zogeheten “zorgplicht” neergelegd. Er mogen voorwerpen worden geplaatst, zolang de verkeersveiligheid niet in gevaar wordt gebracht en aan de andere voorwaarden wordt voldaan.
De burger dient dat zelf af te wegen. Als de gemeente wenst op te treden omdat zij van
mening is dat het verbod van het eerste lid wordt overtreden, zal daarover al snel discussie
ontstaan. Dat vraagt inschattingsvermogen, zelfstandigheid en tact van de toezichthoudende ambtenaren. De gemeente zal haar handhavingsbesluit zeer nauwkeurig dienen te motiveren Dit probleem, dat voortvloeit uit de inherente onduidelijkheid van een algemene regel, zou kunnen worden verholpen door de algemene regel aan te vullen met een lijst voorschriften die in detail regelt wat er wel en niet is toegestaan. Een aantal gemeenten heeft daarvoor gekozen.
Nadeel van die aanpak is dat zo’n regel onvermijdelijk een uitvoerig stuk wordt, omdat voor een heel scala aan voorwerpen (bloembakken, uitstallingen, bouwsteigers, straatmeubilair,
etc) moet worden omschreven waar en hoe ze kunnen worden geplaatst, en wat de omvang
mag zijn. Ook is het heel goed mogelijk dat de regel niet overal in de gemeente dezelfde zal zijn.
Maar net als een gedetailleerde regel kan een vergunning met de daarbij gestelde
voorschriften voor de nodige duidelijkheid zorgen: de houder van de vergunning weet waar hij aan toe is, net als de gemeentelijke toezichthouder.
Onze gemeente heeft vooralsnog de keuze gemaakt (raadsbesluit december 2007) om het vergunningstelsel te behouden en niet te werken met een algemene regel.
Overige deregulering
Vergeleken met het oude artikel 2.1.5.1. APV is overigens ook in dit artikel een
dereguleringsslag gemaakt. Zo is vanwege de overzichtelijkheid een aantal artikelen in de
APV, waaronder ook artikel 2:10., onderverdeeld in een aantal afzonderlijke artikelen. Verder is een aantal gedetailleerde bepalingen waar de vergunningplicht niet voor geldt, uit de APV gehaald en opgenomen in een aanwijzingsbesluit van het college.
Ook voor deze vergunning geldt dat ze in beginsel voor een onbeperkte periode wordt verstrekt. Uiteraard kan er wel een termijn worden gesteld voor zaken die per definitie
tijdelijk worden geplaatst maar waarvan wenselijk is dat ze niet onnodig lang het straatbeeld ontsieren, zoals steigers en stortcontainers.
Ter bevordering van deregulering en het aanbrengen van meer systematiek in de APV zijn
twee algemene artikelen in Hoofdstuk 1 opgenomen. Artikel 1:7 bepaalt dat de vergunning
voor onbepaalde tijd geldt en artikel 1:8 bevat de algemene weigeringsgronden die bij elke vergunning kunnen worden gehanteerd tenzij de aard van de vergunning zich daartegen verzet. Zie voor meer informatie de toelichting bij de betreffende artikelen.
In het verleden bestond die artikel uit de artikelen 2:10A tot en met 2:10D deze artikelen zijn samengevoegd in één nieuw artikel 2:10.
Artikel 2:11 Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
Algemeen
In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is bekeken of de vergunningplicht in deze bepaling zou kunnen worden opgeheven. Wij hebben ervoor gekozen de vergunningplicht te laten bestaan, omdat het in verband met de
verkeersveiligheid en de bruikbaarheid van wegen niet gewenst is dat niet-overheden
zomaar wegen aanleggen, beschadigen of veranderen. Het stellen van algemene regels in plaats van een vergunningvereiste hebben wij wel overwogen, maar dat is niet goed mogelijk, omdat het hierbij veelal om specifiek maatwerk gaat.
Op het aanleggen of veranderen van een weg is artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo
van toepassing als de activiteit verboden is in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit.
Dat betekent dat de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing zijn op deze vergunning. De beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes weken. Let wel: indien er meerdere activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel 3.10 van de
Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing (beslistermijn van 6 maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes weken).
De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning die onder de Wabo valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor). Het gaat dan om de algemene indieningsvereisten uit artikel 1.3 van de Mor.
Zie daarvoor de toelichting bij artikel 1.2 APV. Voor het aanleggen of veranderen van een weg zijn in de Mor geen aanvullende indieningsvereisten opgenomen.
In artikel 2:18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De weigeringsgronden staan in artikel 1.8 van deze verordening.
Indien de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan, beheersverordening of
voorbereidingsbesluit is de Wabo niet van toepassing en is het college bevoegd. Wanneer het gaat om normaal onderhoud van de weg is er ingevolge het derde lid geen vergunning
nodig: het college hoeft zichzelf geen vergunning te verlenen. Zie verder de toelichting aldaar.
Eerste lid
Aan artikel 2:11 ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg, beschadiging en
verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg.
Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Het is natuurlijk hoogst onwenselijk dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor - door de latere aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering, water en gasvoorziening en
verlichting - de bruikbaarheid van die weg gedurende lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten meebrengt.
Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook privaatrechtelijke
toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet worden gefrustreerd
door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is,
ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.
Tweede lid
Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip “weg” uit de Wegenverkeerswet
1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor de aanleg, verandering enz. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de
vergunningsplicht ook geldt voor de zogenaamde “eigen wegen” die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan.
Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid
daarvan voor brandweer, ambulance e.d. voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze van verharding, breedte e.d.
Die wenselijkheid is ook aanwezig voor wegen die bijvoorbeeld aangelegd worden op grote bedrijfsterreinen.
Daarvoor is in het tweede lid dan ook de toevoeging “alsmede alle niet openbare
ontsluitingswegen van gebouwen” opgenomen. De plicht om gebouwen door middel van een verbindingsweg op het openbaar wegennet aan te sluiten, staat in artikel 37 model Bouwverordening.
Derde lid
Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van hun
publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.
Desgewenst kunnen in het derde lid ook nog andere publiekrechtelijke lichamen, bijvoorbeeld de op de Wet gemeenschappelijke regelingen gebaseerde
samenwerkingsverbanden, genoemd worden. Ook is het mogelijk om voor de
landinrichtingscommissie, als bedoeld in artikel 27, jo 124, tweede lid, Landinrichtingswet, een uitzondering te maken.
De plicht om gebouwen door middel van een verbindingsweg op het openbaar wegennet aan te sluiten, staat in artikel 37 model Bouwverordening.
Vijfde en zesde lid
Om bewoners te stimuleren hun tuinen en gevels te ontharden, wordt het voor bewoners mogelijk gemaakt om geveltuinen en boomspiegels te realiseren en aan te passen.
Zevende lid
Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als in het
onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt voorzien. De term
“onderwerp” in artikel 122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het vierde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet.
Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:11 een vergunning nodig hebben voor het leggen van leidingen e.d. in een weg. Dat is niet zo voor telecommunicatiebedrijven en
kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en omroepnetwerken). Voor deze werken wordt een regeling getroffen in de Telecommunicatiewet of de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur.
Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg Algemeen
In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is in 2007 bezien
of de vergunningplicht in deze bepaling zou kunnen worden opgeheven. In veel gevallen kan de aanleg of verandering van een uitweg zonder meer gebeuren zonder dat dit problemen oplevert.
Overheidsbemoeienis is dan niet nodig. In andere gevallen is overheidsbemoeienis wel noodzakelijk ter bescherming van het algemeen belang. In navolging van de VNG is er daarom destijds voor gekozen de vergunningplicht te wijzigen in een meldingsplicht.
Het stellen van algemene regels in plaats van een meldingsplicht is wel overwogen, maar is niet goed mogelijk, omdat het hierbij veelal om specifiek maatwerk gaat.
Op de wijze waarop dit artikel toen is vormgegeven heeft de VNG terechte kritiek gekregen: door het college de gelegenheid te geven op een melding te reageren met nadere
voorschriften, wordt in die gevallen een verkapt vergunningstelsel gecreëerd. De tekst is daarom opnieuw aangepast en weer gewijzigd in een zuiver vergunningsstelsel.
De belangen die het college hierbij kan afwegen zijn vooral en in de eerste plaats gevaar of hinder voor het wegverkeer ter plaatse.
Daarnaast kan worden gedacht aan het verlies van een bestaande openbare parkeerplaats of de bescherming van openbare groenvoorzieningen.
Uit de jurisprudentie over artikel 14 Wegenwet blijkt dat de eigenaar van een weg het uitwegen daarop moet gedogen. Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat regels in een
verordening mogen worden gesteld, bijvoorbeeld in het kader van de vrijheid van het
verkeer, veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg.
Artikel 2:12 beoogt de aanleg van uitwegen zoveel mogelijk vrij te laten, maar te voorkomen dat er gevaarlijke of hinderlijke situaties voor het verkeer ontstaan, dat een uitrit op
onaanvaardbare manier ten koste gaat van openbaar groen, en desgewenst ook dat een uitweg feitelijk opheffing betekent van soms (zeer) schaarse parkeerruimte.
Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet worden gefrustreerd door
privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt
dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.
Tweede lid
De indiener van de vergunningaanvraag moet bij zijn aanvraag een situatieschets van de
gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie ter plaatse voegen. Aan de hand van deze gegevens kan het college sneller de afweging maken of de gewenste uitweg al of niet kan worden toegestaan en eventueel onder oplegging van welke voorschriften.
Derde tot en met zesde lid
Een vergunning voor een uitweg kan slechts worden geweigerd of een uitweg kan slechts door het verbinden van voorschriften aan de vergunning worden gerealiseerd, indien belangen in het geding zijn die in deze artikelleden zijn verwoord, te weten:
de bruikbaarheid van de weg (bijvoorbeeld parkeerruimte aan de kant van de weg) het veilig en doelmatig gebruik van de weg (gevaar of hinder voor het openbaar
wegverkeer ter plaatse; bescherming van het gebruik van openbare parkeerplaatsen)
de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente bescherming van openbare groenvoorzieningen.
Ten einde het gebruik van openbare parkeerplaatsen te waarborgen is het toegestaan een vergunning te eisen en via voorschriften de wijze waarop de uitweg wordt gerealiseerd te
regelen. Daarmee komt de bepaling niet in strijd met de Wegenwet. Deze wet houdt o.a. een regeling in ter zake van de onderhoudsplicht van wegen en ziet niet toe op de bescherming van de bruikbaarheid daarvan. Als voorschrift kan o.a. een onderhoudsplicht worden opgelegd.
Een weigeringsgrond die in het belang van de verkeersveiligheid is gesteld, strijdt evenmin met artikel 14 Wegenwet.
Hetzelfde geldt ten aanzien van de weigeringsgrond die in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente wordt gesteld.
De grond bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente kan bijvoorbeeld gebruikt worden om het maken van een uitweg te verbieden als daarbij een (gedeelte van) een
gemeentelijk plantsoen moet wijken. Ook kunnen ter bescherming van groenvoorzieningen
voorschriften worden gesteld, zodat de groenvoorziening zo min mogelijk wordt aangetast. Indien er een voor het verkeer gevaarlijke situatie ontstaat die niet door het verbinden van
voorschriften kan worden voorkomen, moet de vergunning in ieder geval worden geweigerd. Als het geldende bestemmingsplan een uitweg ter plaatse niet toelaat, is het moeilijk uit te
leggen dat in een voorkomend geval de uitwegvergunning wel moet worden verleend, maar dat daarvan geen gebruik kan worden gemaakt wegens strijd met het bestemmingsplan.
Strijd met het bestemmingsplan is daarom als een imperatieve weigeringsgrond opgenomen.
Volgens jurisprudentie is dit aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat.
Zevende lid Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van
artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. Jurisprudentie
ARRS 12-07-1982, tB/S III, nr. 356. Als voorschrift aan de vergunning kan onder andere een onderhoudsplicht opgelegd worden.
ARRS 28-10-1983, Gst. 6774, nr. 12 (APV Vlijmen) en ARRS 01-04-1980, tB/S V, p. 662
(APV Dongen). Via voorschriften aan de vergunning te verbinden kan de wijze waarop wordt uitgewegd worden geregeld.
Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid (Vervallen)
Artikel 2:14 Winkelwagentjes
Deze bepaling bestrijdt het “zwerfkarrenprobleem” door winkelbedrijven te verplichten
achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen en op deze winkelwagentjes een herkenningsteken aan te brengen. Een andere aanpak van het probleem is via een
statiegeldsysteem op het gebruik van winkelwagentjes. De consument kan een wagentje pas gebruiken met bijvoorbeeld een munt van 50 eurocent. Dit leidt niet altijd tot het gewenste resultaat. Om die reden zijn wij er toe over gegaan om in onze Apv bepaling een verbod jegens de burger op te nemen.
Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of voorwerp
Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de
verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn bevoegdheid om
bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 Gemeentewet, een last opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien. Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d. (Vervallen)
Artikel 2:17 Kelderingangen e.d. (Vervallen)
De artikelen 2:13, 2:16 en 2:17 verbieden inwoners gladheid te veroorzaken op de openbare weg en straatkolken en kelderingangen open te zetten. Hier tegen optreden wordt niet gezien als gemeentetaak, maar iets wat te maken heft met gezond verstand van de
inwoners. Bij excessen zouden inwoners in staat moeten zijn elkaar hier onderling op aan te spreken in plaats van de gemeente te bellen.
Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen (Vervallen)
Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp
Met betrekking tot schrikdraad kan het volgende opgemerkt worden. Ten aanzien van de
veiligheid, de goede constructie en de keuring van elektrische chrikdraadinstallaties bevatte het Veiligheidsbesluit elektrische schrikdraden (VBES), KB van 2 november 1948, Staatsblad 1482, een aantal bepalingen.
Nadat het VBES eerst onder de werking van de Arbeidsomstandighedenwet (artikel 47 ARBOwet) is gebracht is het ingetrokken per 1 juli 1997 in verband met de inwerkingtreding van het Arbeidsomstandighedenbesluit (15 januari 1997, Stb. 60). Het
Arbeidsomstandighedenbesluit geeft geen technische eisen specifiek gericht op schrikdraadinstallaties.
Elektrische schrikdraadinstallaties worden inmiddels ook door particulieren gebruikt ter
bescherming van hun (volks)tuin, volière en dergelijke tegen dieven. Aan de deugdelijkheid daarvan zijn geen eisen gesteld. Wanneer daaraan behoefte bestaat kunnen in de APV dergelijke eisen opgenomen worden die zijn ontleend aan het VBES.
De voorschriften die het college aan de vergunning kan verbinden, kunnen afgeleid worden
van de eisen die het VBES stelde, waarbij in ieder geval voorgeschreven zou moeten worden dat daar waar de schrikdraden van een weg af aangeraakt kunnen worden er voldoende waarschuwingsborden aangebracht moeten worden.
Artikel 2:19 gaat niet verder dan het stellen van een afstandsvereiste voor het aanbrengen van schrikdraad en puntdraad.
Artikel 2:20 Vallende voorwerpen
Vervallen. Verwacht wordt dat inwoners zelf op hun eigendommen letten. Als dit niet het geval is kan op basis van het Burgerlijk Wetboek worden opgetreden.
Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer, verlichting of cameratoezicht
De in het tweede lid genoemde uitzonderingen hebben betrekking op situaties waarbij het
desbetreffende specifieke belang, waterstaatswerken, verkeerslichtinstallatie, trafohuisjes en dergelijke, zich verzetten tegen het aanbrengen van allerlei voorzieningen daarop.
In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het eigendomsrecht
van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt wordt.
Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van het onderhavige artikel geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen,
borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer, de openbare verlichting of cameratoezicht het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten. Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn (Vervallen)
Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs
(Vervallen) Dit betreft het vernielen van ijsvlakten. Het wordt niet gezien als gemeentetaak
om hier tegen op te treden (zoals dit bijvoorbeeld in het Friese Elfsteden gebied wel logisch lijkt.)
Afdeling 3. Evenementen Artikel 2:24 Definities Algemeen
De begripsbepalingen zijn gelijkgetrokken met Veiligheidsregio Haaglanden (verder: VRH). Er wordt nu gesproken over 0/A/B en C- evenementen i.p.v. grote en kleine evenementen. Daarnaast is een lid opgenomen over sportwedstrijden en is het begrip definities i.p.v. begripsbepaling opgenomen conform model.
De Drank- en Horecawet is gewijzigd. De gewijzigde wet is in werking getreden op 1 juli
2021. De wet wordt voortaan aangeduid als Alcoholwet door wijziging van de citeertitel in artikel 49 van de wet.
Eerste lid
In artikel 2:24 is gekozen voor de zgn. negatieve benaderingsmethode ten aanzien van de definiëring van het begrip evenement. Uitgaande van een algemeen geldend criterium
(“namelijk elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak”) wordt vervolgens een aantal evenementen opgesomd dat niet onder de werking van de bepalingen valt.
In de eerste plaats is dit het geval bij bioscoopvoorstellingen. Deze voorstellingen worden niet als evenement aangemerkt.
Daarnaast gelden de bepalingen niet voor waren- en snuffelmarkten. Indien het
college op grond van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet een (waren-)markt heeft ingesteld, kan de gemeenteraad hiervoor regels vaststellen in een marktverordening.
De Wet op de kansspelen kent een eigen toezichtregime.
Dansen in een inrichting in de zin van de Alcoholwet is uitgezonderd van het
evenementenbegrip omdat dit in het algemeen niet als een evenement kan worden gezien.
Een andere, meer incidenteel plaatsvindende activiteit dan het gelegenheid geven tot dansen (bijv. het optreden van een band, een houseparty, of een kooigevecht) kan wel als evenement worden aangemerkt. Zie Lbr 92/78. Zie verder hieronder onder feest.
Betogingen, samenkomsten en vergaderingen zijn al geregeld in de Wom. Zie voor een toelichting op de Wom onder artikel 2:3.
Onder f zijn ten slotte van de evenementenbepaling uitgezonderd 2:9 (Straatartiest) en 2:39 (Speelgelegenheden). Dit gebeurt uiteraard om dubbele regelgeving te voorkomen.
Indien een gemeentebestuur van mening is dat bepaalde, niet in de begripsomschrijving
uitgezonderde, evenementen van de vergunningplicht behoren te worden vrijgesteld, kunnen deze evenementen ook als uitzondering worden opgenomen.
Tweede lid Herdenkingsplechtigheid
Omdat een herdenkingsplechtigheid doorgaans wel voor publiek toegankelijk is, maar uiteraard niet als een verrichting van vermaak kan worden aangemerkt, wordt ze als evenement genoemd.
Braderie
Omdat een braderie van korte duur is en niet met een bepaalde regelmaat terugkeert, kan
deze activiteit niet als jaarmarkt of gewone markt worden aangemerkt in de zin van artikel 160 Gemeentewet (Vz. ARRS 27-05-1992, JG 93.0002). Omdat een braderie een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak is, is het een evenement.
Optochten
Het houden van optochten, zoals carnavals- en Sinterklaasoptochten, bloemencorso’s enz,
die niet opgevat kunnen worden als een middel tot het uiten van een mening of gedachten of gevoelens, valt niet onder de bescherming van de Grondwet, het Europees verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of andere
internationale verdragen die de vrijheid van meningsuiting waarborgen. Evenmin is hierop de Wet openbare manifestaties (Wom) van toepassing.
Feest, muziek
Wanneer een feest voor publiek toegankelijk is, is er sprake van een vergunningplichtige
activiteit omdat het valt onder de reikwijdte van de begripsomschrijving van artikel 2:24,
eerste lid. Het feest kan als een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak worden aangemerkt. Besloten feesten daarentegen vallen niet onder de reikwijdte van de
evenementenbepaling omdat deze activiteit niet een voor het publiek toegankelijke
verrichting van vermaak is. Bijvoorbeeld bij het houden van een bedrijfsfeest waar aan de
hand van uitnodigingslijsten publiek aanwezig is, is er geen sprake van een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak.
Maar wanneer een feest een “besloten” karakter heeft en er publiekelijk kaarten worden
verkocht en/of reclame wordt gemaakt, is er sprake van een evenement. De gemeente kan
bij feesten waarvoor geen vergunning nodig is, optreden wanneer deze bijvoorbeeld worden
georganiseerd in ruimten strijdig met het bestemmingsplan. Zie de uitspraak met betrekking tot het verplicht handhavend optreden bij schuurfeesten. ABRS 02-04-1999, Gst. 1999,
7103 m.nt. P.J.H.) Ook in het kader van de Wegenverkeerswet 1994 kan worden opgetreden in geval van parkeer- en verkeersoverlast.
Feesten die gehouden worden in horecagelegenheden en niet behoren tot de normale
bedrijfsvoering (bijvoorbeeld een optreden van een bekende disc-jockey of een optreden van een bekende band) zijn op grond van artikel 2.2.2 (oud) vergunningplichtig. ABRS 11-012006, LJN-nr. AU9388 (Ghostship/Ghosthouse).
Wanneer een feest al dan niet besloten “op of aan de weg” plaats vindt, is dit een
vergunningplichtige activiteit omdat het plaats vindt op doorgaans voor publiek toegankelijk gebied. Het feit dat het feest besloten is, dus niet voor publiek toegankelijk, doet daar niets aan af. Optreden van muziekkorpsen, muziekbandjes, etc. die voor iedereen toegankelijk zijn (zowel in een inrichting als in de buitenlucht) vallen onder de vergunningplicht van artikel 2:25.
Voorschriften met betrekking tot geluid in een inrichting zijn opgenomen in het
activiteitenbesluit milieubeheer. De artikelen 4:2 en 4:3 van de Apv geven het college de
bevoegdheid om ontheffing te verlenen voor geluidshinder in een inrichting.Voorschriften
met betrekking tot geluid buiten een inrichting kunnen op grond van artikel 4:6 van de Apv in de vergunning worden opgenomen.
Wedstrijd op of aan de weg
Voor wedstrijden op of aan de weg is een vergunning van de burgemeester vereist,
krachtens het bepaalde in het eerste lid, van artikel 2:25 en artikel 2:24, tweede lid, onder d. Wedstrijden met voertuigen op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) zijn op grond van artikel 10, eerste lid, WVW
1994 verboden. Het eerste lid van artikel 148 WVW 1994 bepaalt echter dat van dat verbod ontheffing kan worden verleend. Het verlenen van die ontheffing geschiedt:
voor wegen onder beheer van het Rijk, door de minister van Verkeer en Waterstaat; voor andere wegen, door gedeputeerde staten; in afwijking hiervan wordt de
ontheffing verleend door het college, indien de wegen waarvoor de ontheffing wordt gevraagd, alle gelegen zijn binnen een gemeente.
Artikel 1, onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 geeft aan wat onder voertuigen moet worden verstaan: fietsen, bromfietsen, invalidenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens.
Aan de ontheffing kan het college voorschriften verbinden om binnen redelijke grenzen een veilig verloop van de wedstrijd te waarborgen. Op basis van de WVW 1994 mogen ook milieumotieven een rol spelen bij het reguleren van het verkeer.
In artikel 2, tweede en derde lid, WVW 1994 worden onder meer de volgende motieven worden genoemd:
het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade;
het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden;
het bevorderen van een doelmatig of zuinig energiegebruik.
Wanneer een wedstrijd onder auspiciën van een sportbond plaatsvindt, zal deze sportbond
in veel gevallen zelf reglementen hebben opgesteld die de organisator van de wedstrijd moet naleven. Het niet naleven kan tuchtrechtelijke gevolgen voor de organisator hebben,
bijvoorbeeld uit de bond gezet worden. De veiligheidseisen die de sportbonden stellen, zijn
veelal voldoende om een veilig verloop van de wedstrijd mogelijk te maken. Het college kan
deze voorschriften van de sportbonden ook een publiekrechtelijk karakter geven door ze als voorschriften in de vergunning op te nemen. Als de organisator deze voorschriften
vervolgens niet naleeft en de sportbond zelf ook niet ingrijpt, kan uiteindelijk via een
administratiefrechtelijke sanctie het houden van die wedstrijd alsnog verboden worden. Indien een wedstrijd wordt gehouden met voertuigen op wegen als bedoeld in de
Wegenverkeerswet 1994 dan is - naast artikel 10 juncto artikel 148 Wegenverkeerswet 1994 - artikel 2:25 van toepassing. De evenementenbepaling is namelijk van een geheel andere
orde dan de wedstrijdbepalingen uit de Wegenverkeerswetgeving. De burgemeester kan op
grond van andere motieven, zoals openbare orde, veiligheid in het algemeen en zedelijkheid en gezondheid, weigeren medewerking te verlenen aan het evenement, in casu de wedstrijd op de openbare weg. In die zin is de evenementenbepaling aanvullend op de
westrijdbepalingen uit de Wegenverkeerswetgeving. Vindt echter een wedstrijd met een motorvoertuig of bromfiets plaats op een terrein dat niet behoort tot een weg als hier
bedoeld, dan moet daarvoor een vergunning verkregen zijn van de burgemeester op grond van artikel 2:25.
Op grond van de artikel 2:25 geldt voor andere wedstrijden op of aan de weg eveneens een
vergunningplicht. Hierbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld “vossenjachten”, droppings e.d.
0-evenement/ melding
Voor het organiseren van 0-evenementen, zoals een buurtbarbecue of een straatfeest, is in
het kader van de vermindering van administratieve lasten voor de burger gekozen voor een
meldingsplicht. Deze categorie valt onder het begrip evenement, maar onder voorwaarden is er geen vergunning vereist. In artikel 2:25, tweede lid is aangegeven wanneer bij een evenement kan worden volstaan met een melding. Artikel 2:24a Evenementenoverzicht
In dit artikel is opgenomen dat het college bevoegd is om een evenementenoverzicht vast te stellen. In 2:25, zesde lid is de mogelijkheid opgenomen een vergunning te weigeren als
deze niet voor 1 december het jaar voorafgaand is gemeld. In de praktijk wordt al meer dan 10 jaar gewerkt met dit systeem.
De evenementenorganisatoren zijn dan ook gewend aan deze manier van werken. Dit was echter nog niet juridisch gewaarborgd. Artikel 2:25 Evenement Algemeen
Evenementen vervullen een belangrijke functie in de gemeenten. Er worden verschillende evenementen georganiseerd, grootschalig, met uitstraling voor bijv. de hele stad,
middelgroot of kleinschalig, bijvoorbeeld beperkt tot de eigen straat. Voor een goed verloop van een evenement moeten verschillende belangen worden afgewogen en duidelijke afspraken met de organisator worden gemaakt.
Het oude artikel 2.2.2 ging uit van een algeheel verbod op het organiseren van een evenement zonder vergunning van de burgemeester. Het vervangen van
vergunningvoorschriften door het doen van een melding geeft organisatoren van een klein evenement meer vrijheid maar tegelijk ook meer verantwoordelijkheid voor zorgvuldig gebruik van die openbare ruimte.
Volgens de Europese Dienstenrichtlijn is in beginsel een vergunningstelsel geoorloofd. De lidstaten mogen de toegang tot de uitoefening van een dienstenactiviteit niet afhankelijk stellen van een vergunning tenzij: 1. de vergunning niet discriminatoir is, 2. het
vergunningstelsel gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang
(noodzaakvereiste), en 3. het nagestreefde doel niet door een minder beperkende maatregel kan worden bereikt, met name omdat controle achteraf te laat zou komen om werkelijk doeltreffend te zijn (proportionaliteitsvereiste).
Bij A-B- en C- evenementen is vooraf een vergunning noodzakelijk, controle achteraf kan niet volstaan wegens mogelijk gevaar voor de openbare orde, overlastsituaties,
verkeersveiligheid, volksgezondheid, zedelijkheid e.d. Ook de organisator is bij een
vergunningstelsel gebaat, omdat hij met de gemeente kan onderhandelen om goede afspraken te maken. Zo krijgt hij op het evenement toegesneden voorwaarden.
In het geval van een 0-evenement kan volstaan worden met een melding. Het is dan niet per se noodzakelijk en proportioneel om een vergunning te eisen.
Eerste lid
Bij het beoordelen van een aanvraag wordt gekeken of de vergunning al dan niet geweigerd wordt aan de hand van de in artikel 1:8 genoemde criteria. Bij het bepalen van
geluidsnormen in een evenementenvergunning kan de burgemeester gebruik maken van
objectieve bronnen, zoals een nota evenementenbeleid. Maar het is vaste jurisprudentie dat
op objectieve gronden niet valt vast te stellen wanneer een omwonende ten gevolge van een evenement onduldbare geluidshinder ondervindt. Het oordeel of geluidshinder
onaanvaardbaar is, is afhankelijk van het antwoord op de vraag of de burgemeester aan de belangen die zijn gediend met de activiteit die dat geluid veroorzaakt, redelijkerwijs
doorslaggevend gewicht heeft kunnen toekennen. De burgemeester moet dus in een
voorliggend geval onderzoek doen naar en inzicht hebben in de mate van hinder aan de zijde van de omwonenden. Zie ABRvS 11-05-2016, ECLI:NL:RVS:2016:1245 (Hardshock
Festival Zwolle), ABRvS 15-05-2019, ECLI:NL:RVS:2019:1566 (Evenement Pride Amsterdam 2017), ABRvS 06-11-2019, ECLI:NL:RVS:2019:3720 (Pride 2018 Amsterdam), ABRvS 10-7-
2019, ECLI:NL:RVS:2019:2346 (Muziekboulevard 2017 en Kermis Eikenboomgaard 2017 Oss).
Tweede lid
Voor 0-evenementen volstaat een meldingsplicht. Het blijft verboden om zonder melding
zo’n evenement te houden, zodat de gemeente kan optreden als zonder deze melding zo’n evenement wordt georganiseerd.
De meldingsplicht is uitgebreid. Er kunnen meer en grote objecten worden geplaats en
onversterkt geluid leidt niet langer tot een vergunningsplicht. Daarnaast is niet automatisch bij elke wegopbreking een vergunning noodzakelijk. De meeste voorwaarden spreken voor zich.
Tweede lid , onder b
Het is de verantwoordelijkheid van de organisator om zich tijdig over de regels te informeren zodat hij niet met termijnen in problemen komt. De organisator kan een natuurlijk persoon of rechtspersoon zijn.
Tweede lid, onder g
Hier wordt met object bedoeld een kleine partytent, een barbecuetoestel, een springkussen voor kinderen e.d. De beschikbare ruimte bepaalt het aantal te plaatsen voorwerpen. Het
aantal m² per object is uitgebreid naar 25 m², zodat niet bij elke feest met een luchtkussen een vergunning noodzakelijk is.
Tweede lid , onder i en j
In dit artikellid wordt juridisch de geregeld dat aan de geluidsvoorschriften in de
locatieprofielen moet worden voldaan. Is een evenement op een locatie waar door het college een locatieprofiel voor is opgesteld (bijvoorbeeld Park Vreugde & Rust) dan moet worden voldaan aan de geluidsvoorschriften in dit profiel. Zo niet mag maximaal 70 dB(A) geluid
worden geproduceerd zonder dat een evenement onder de vergunningsplicht valt. In artikel 2:25, vierde lid is opgenomen dat locatieprofielen kunnen worden opgesteld.
Derde lid
Er kan aanleiding zijn om het organiseren van een 0-evenement te verbieden. Dit is alleen
mogelijk, als de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. De criteria van de Dienstenrichtlijn zijn namelijk van toepassing op een melding, omdat de Dienstenrichtlijn een melding beschouwt als een vergunning.
Rol van de burgemeester en de raad
De bevoegdheid van de burgemeester in het kader van het toezicht op evenementen stoelt op artikel 174 Gemeentewet. In het derde lid van dit artikel is aangegeven dat de
burgemeester belast is met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking
hebben op het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden alsmede op de
voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Het begrip “toezicht” is ruimer dan alleen de handhaving van de openbare orde. Het gaat hier ook om de
bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de burger in incidentele gevallen en op bepaalde plaatsen. Indien de burgemeester de uitvoering van zijn toezichthoudende taak wil overlaten aan ambtenaren dan kunnen deze bevoegdheden worden gemandateerd overeenkomstig afdeling 10.1.1. Awb.
Het is ook de bevoegdheid van de burgemeester het beleid ten aanzien van voorschriften met betrekking tot de evenementenvergunning vast te stellen. Wanneer de burgemeester
voornemens is een evenement te verbieden, is het zaak dat dit van een goede motivering is voorzien.
De raad is sinds de dualisering niet langer bevoegd om beleidsregels vast te stellen. Dit neemt niet weg dat de raad de burgemeester kan aanspreken op zijn beleid bij de uitoefening van zijn bestuursbevoegdheden (artikelen 169 en 180 Gemeentewet).
Bovendien kan de raad op grond van haar kaderstellende bevoegdheid (artikel 147
Gemeentewet) aangeven dat het wenselijk is dat de gemeente actief is met het aantrekken van evenementen in de gemeente, bijvoorbeeld het binnenhalen van minimaal één groot landelijk evenement per jaar.
Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000
In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000 schept een verplichting om
desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het rechtmatige verblijf blijkt. Zie voor overige informatie over dit onderwerp onder het kopje Vreemdelingen onder de Algemene toelichting.
Aansprakelijkheid Vergunninghouder/organisator.
Voorop staat dat de vergunninghouder of de organisator zelf, of degene die bijvoorbeeld tijdens een evenement een gevaar in het leven roept dat zich vervolgens verwezenlijkt, primair aansprakelijk kan worden gesteld voor daardoor veroorzaakte schade. Het arrest Vermeulen/Lekkerkerker (HR 10 maart 1972, NJ 1972, 278) is van
overeenkomstige toepassing op de houder van de evenementenvergunning. De Hoge Raad oordeelt in dat arrest dat het feit dat een Hinderwetvergunning (nu: Wet milieubeheer) is
verleend, nog niet betekent dat eigenaren van naburige erven schade en hinder, welke zij in het algemeen niet behoeven te dulden, wel zouden moeten verdragen van een vergunninghouder.
Een dergelijke vergunning vrijwaart de vergunninghouder volgens de Hoge Raad dan ook
niet voor zijn aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, ook niet als door de desbetreffende eigenaar tegen verlening van de vergunning tevoren bezwaren zijn ingebracht, maar deze bezwaren zijn verworpen.
Toezicht houden
Mr. V.H. Affourtit gaat in het tijdschrift “Risicobewust” onder andere in op de
aansprakelijkheid voor toezichtsfalen (Aansprakelijkheid van gemeenten bij evenementen, Tijdschrift Risicobewust, nr. 4, november 2003). Kort samengevat komt zijn artikel op het volgende neer.
Voor het houden van toezicht op evenementen bestaan op zichzelf geen heldere regels bij
overtreding waarvan de aansprakelijkheid eenvoudig kan worden vastgesteld. De grondslag voor aansprakelijkheid moet dan ook worden gezocht in artikel 6:162 BW en de door het
zogenaamde Kelderluikarrest (HR 5 november 1965, NJ 1966, 136) ingevulde ongeschreven zorgvuldigheidsnorm. Op basis daarvan is een afweging nodig van de mate van
waarschijnlijkheid waarmee niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en
voorzichtigheid kan worden verwacht, de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen
ontstaan, de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en de mate van bezwaarlijkheid
van te nemen veiligheidsmaatregelen. Door dit laatste criterium komt de toezichthouder een zekere “beleidsvrijheid” toe. Dit betekent dat niet van hem gevergd kan worden dat hij op alles waarop hij toezicht uitoefent ook daadwerkelijk steeds toeziet, omdat zijn middelen
beperkt zijn. Het gaat er om dat de door de toezichthouder gemaakte keuzes redelijk zijn. Affourtit trekt de volgende conclusies:
Als een op deugdelijke wijze totstandgekomen vergunning eenmaal is verleend,
bestaat geen verplichting tot het houden van algemeen toezicht (HR 22 juni 2001,
Gst. 2001, 7146, 2, Boeddha). Het nalaten om een dergelijk toezicht te houden, zal
dan ook niet snel tot aansprakelijkheid leiden. Indien echter een geringe overtreding van een vergunningvoorschrift zeer ernstige schade zou kunnen veroorzaken, ligt een algemene controleplicht voor de hand.
Als er concrete aanwijzingen bestaan van een op handen zijnde wetschending, zoals het handelen zonder vergunning of het handelen in afwijking van de
vergunningvoorschriften, heeft het bestuursorgaan een verplichting tot ingrijpen.
Indien er sterke aanwijzingen zijn die bij het bestuursorgaan het vermoeden van niet naleving (moeten) doen rijzen, is actief toezicht en eventueel ingrijpen met
gebruikmaking van bestaande bevoegdheden vereist. Niets doen is dan spoedig een onrechtmatig nalaten.
Als een overheidslichaam concreet wordt gewaarschuwd voor (dreigende) schade, is het in
ieder geval gehouden hiernaar een onderzoek in te stellen (HR 8 januari 1999, NJ 1999, 319, Waterschap West-Friesland/Kaagman).
Indien de gemeente aansprakelijk wordt gehouden in verband met het niet voldoende
houden van toezicht, zal vaak tevens de vergunninghouder of de derde-schadeveroorzaker kunnen worden aangesproken. De in rechte aangesproken gemeente kan een van beide of allebei in vrijwaring oproepen of de schade in een aparte procedure (afhankelijk van de omstandigheden geheel of gedeeltelijk) op hem/hen verhalen.
Belastingheffing
Voor het behandelen van een aanvraag voor een vergunning voor het houden van een evenement kunnen leges worden geheven. In de gemeentelijke legesverordening kan
hiervoor een tariefbepaling worden opgenomen. De gemeentelijke legesverordening is
gebaseerd op artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet. De tarieven in die verordening worden zodanig vastgesteld dat de geraamde baten niet uitgaan boven de
geraamde lasten. De Dienstenrichtlijn bepaalt in artikel 13, tweede lid, dat de kosten redelijk en evenredig met de kosten van de vergunningsprocedures in kwestie moeten zijn; ze mogen de kosten van de procedures niet overschrijden. Binnen deze grens van
kostendekkendheid op verordeningenniveau is het mogelijk tarieven te differentiëren als
zich dat beter verstaat met het gemeentelijke (evenementen)beleid. Zo zal de behandeling
van een vergunning voor een B- of C-evenement meer werk en dus kosten met zich brengen dan een A-evenement zoals een straatfeest met grote voorwerpen. Naast dit kostenaspect zal ook het profijt dat een organisator van een B-/C-evenement heeft van de
evenementenvergunning groter zijn dan het profijt van de organisator van een A-evenement. Veelal zal een B-/C-evenement ook door een professionele organisatie worden
georganiseerd, terwijl bijvoorbeeld een straatfeest door vrijwilligers wordt georganiseerd.
Een en ander kan voor de gemeente aanleiding zijn tot beleidsuitgangspunt te nemen dat de leges voor een vergunning voor een B-/C- evenement hoger moet zijn dan die voor een Aevenement. Of dat voor het A-evenement helemaal geen leges worden geheven.
Opmerking verdient dat de tarieven niet naar het inkomen, de winst of het vermogen mogen worden gedifferentieerd.
Artikel 229, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gemeentewet maakt het mogelijk dat een vermakelijkheidsretributie geheven wordt voor evenementen. Vereiste daarvoor is dat
gebruik moet worden gemaakt van door of met medewerking van de gemeente tot stand gebrachte of in stand gehouden voorzieningen. Hieronder valt ook een bijzondere
voorziening in de vorm van toezicht. De gemeente moet derhalve (extra) kosten maken in
verband met het evenement. De gemeente hoeft de hoogte van de kosten niet aan te tonen.
Het is dus niet zonder meer mogelijk om de vermakelijkheidsretributie in het leven te roepen op grond van het feit dat een organisator een gemeentelijke weg gebruikt voor een
evenement. Het gebruik van de weg moet zodanig zijn dat de gemeente hierdoor extra onderhoudskosten heeft.
Opmerking verdient dat de vermakelijkheidsretributie in een belastingverordening moet worden geregeld. De reikwijdte van een dergelijke verordening zal zich veelal ook uitstrekken tot andere “vermakelijkheden” in de gemeente.