2830 Ruimtelijke onderbouwing appartementengebouw nabij Leidsekade 6 t/m10
Tekst van het document
Lodewijck Groep B.V.
30
Ruimtelijke onderbouwing appartementen Leidsekade 6-
Waterland Real Estate B.V.
4.3. Flora & fauna Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. De Wet natuurbescherming vervangt drie wetten: de Flora- en faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. In de Wet natuurbescherming is de bescherming van soorten en gebieden vastgelegd. Soortenbescherming De toets aan de natuurwetgeving is een getrapte toets. Allereerst is een quickscan flora en fauna (natuurtoets) nodig. De resultaten van de quickscan bepalen of een vervolgonderzoek uitgevoerd moet worden. Een voorbeeld van een vervolgonderzoek is een onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen of andere beschermde soorten. Het plan kan soms onder bepaalde voorwaarden worden uitgevoerd als er negatieve effecten worden verwacht. Een voorbeeld is door het nemen van maatregelen om negatieve effecten te voorkomen. Er is meestal een ontheffing nodig van de provincie als negatieve effecten niet voorkomen kunnen worden. Gebiedsbescherming Vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn er natuurgebieden aangewezen die beschermd zijn. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden. Deze gebieden zijn uitgesplitst in Habitatrichtlijngebieden en Vogelrichtlijngebieden. Binnen de diverse Natura 2000-gebieden komen een aantal stikstofgevoelige habitattypen voor. Het projectgebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals een Natura 2000-gebied.
Zorgplicht Tevens dient ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten de zorgplicht van artikel 1.11 Wet natuurbescherming in acht te worden genomen. Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg dient te dragen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden, in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Het projectgebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals een Natura 2000gebied. Doorwerking planinitiatief In april 2019 is er door onderzoeksbureau Aqua-Terra Nova een quickscan Flora & fauna uitgevoerd in het plangebied. Hieruit kwam naar voren dat nadere toetsing voor negatieve effecten op het Natuurnetwerk Nederland gebied (1,2 km afstand) niet noodzakelijk is, en het plangebied ook geen onderdeel is van een kerngebied aangewezen in de Stedelijke Ecologische Hoofdstructuur. Negatieve effecten op de SEH kunnen dan ook worden uitgesloten. Ten behoeve van de soortenbescherming zijn diverse nadere onderzoeken noodzakelijk. De meeste onderzoeken zijn echter niet relevant voor het deel van het plangebied wat betrekking heeft op onderhavig planinitiatief. Hier behoeft alleen een nader onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen te worden uitgevoerd.
Ter hoogte van de aanbouw en schuren zijn er geschikte kieren en gaten die kunnen dienen als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Deze aanbouw en schuren zijn inmiddels gesloopt middels een afgegeven sloopvergunning, hierdoor vormt dit aspect geen belemmering voor onderhavig planinitiatief. Wel moet er tijdens de werkzaamheden rekening gehouden worden met broedende vogels en algemeen voorkomende dieren. Ook is de zorgplicht te allen tijde van kracht. Lodewijck Groep B.V.
31
Ruimtelijke onderbouwing appartementen Leidsekade 6-
Waterland Real Estate B.V.
4.4. Stikstofdepositie Als gevolg van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 mag het PAS niet meer gebruikt worden als toestemmingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot een toename van stikstofdepositie op (stikstofgevoelige habitattypen in) Natura 2000-gebieden. De drempel- en grenswaarden uit het PAS zijn daarmee ook niet meer van toepassing. Hierdoor kan een project met een geringe depositietoename van 0,01 mol/ha/jaar al vergunningplichtig zijn (artikel 2.7 en 2.8 Wnb). Oftewel, ook relatief kleinschalige projecten dienen zorgvuldig op hun stikstofdepositie getoetst te worden om aan Europese regelgeving te kunnen. Met AERIUS Calculator kan correct berekend worden of er sprake is van stikstofdepositie op een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. Doorwerking planinitiatief Uit de rekenresultaten blijkt dat er zowel in de realisatiefase als in de gebruiksfase geen stikstofdepositie op het Natura2000 gebieden zal optreden > 0,00 mol/ha/jr. Op basis van de uitkomsten van de Aerius-berekening kan er worden gesteld dat het aspect stikstof geen belemmering vormt voor voorliggend initiatief. 4.5. Geluid In de Wet geluidhinder zijn geluidsnormen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai opgenomen, met betrekking tot geluidsbelasting op geluidsgevoelige functies zoals woningen.
In de omgeving van het onderhavige project is wegverkeer een relevante geluidsbron. Met het plan worden geluidgevoelige objecten gerealiseerd, derhalve is een akoestisch onderzoek noodzakelijk. Wegverkeerslawaai Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij de weg binnen een woonerf is gelegen of dat voor een weg een maximumsnelheid geldt van 30 km/uur. De overige wegen kennen een geluidszone, een aandachtsgebied waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden. De omvang van een zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de typering van het gebied (binnenstedelijk of buitenstedelijk). Op grond van artikel 82 van de Wgh bedraagt de voorkeursgrenswaarde 48 dB op de gevel van een geluidsgevoelige bestemming. Artikel 83 geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om een hogere waarde vast te stellen. Voor nieuw te bouwen geluidsgevoelige bestemming binnen de bebouwde kom is deze waarde wettelijk maximaal 63 dB. Doorwerking planinitiatief Er is door onderzoeksbureau DGMR in september 2021 een akoestisch onderzoek uitgevoerd in het kader van onderhavig planinitiatief. Hierbij is de gehele planontwikkeling (inclusief woningen aan de noordzijde) getoetst aan de Wet Geluidhinder. Het plangebied ligt binnen de geluidszone van de rijksweg A4 en de Nieuwstraat.
Uit het onderzoek blijkt dat voor 4 appartementen er sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde ten gevolge van het geluid van de Rijksweg A4 en Lodewijck Groep B.V.
32
Waterland Real Estate B.V.
Ruimtelijke onderbouwing appartementen Leidsekade 6-
N14. Voor deze appartementen wordt wel voldaan aan het gemeentelijk beleid van de gemeente Leidschendam-Voorburg, waarmee een hogere waarde kan worden afgegeven. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn ook de omliggende 30 kmph wegen beschouwd. Voor deze wegen volgt dat de geluidsbelastingen passen binnen het door de gemeente opgestelde geluidbeleid. Hiermee is er sprake van een goede ruimtelijke ordening. Indien er een hogere waarde wordt afgegeven voor de betreffende 4 woningen in het appartementencomplex, vormt het aspect geluid geen belemmering voor de realisatie van onderhavig planinitiatief. 4.6. Luchtkwaliteit Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer. Het uitgangspunt bij ruimtelijke planvorming is dat een project niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn grenswaarden opgenomen voor een aantal stoffen die als verontreiniging in de lucht voorkomen. In de praktijk richt de aanpak zich vooral op de stoffen stikstofdioxide en fijnstof (PM10 en PM2,5). Van deze stoffen komen in Nederland concentraties voor die in de buurt van de grenswaarde liggen. De overige stoffen die in bijlage 2 zijn genoemd liggen over het algemeen ver onder de grenswaarden. De grenswaarden van de stikstofdioxide en fijnstof zijn in onderstaande tabel weergegeven. Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Stikstofdioxide (NO2)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m
3
Fijn stof (PM10)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m
3
24-uurgemiddelde concentratie
Max. 35 keer p.j. meer 3 dan 50 µg/m
Jaargemiddelde concentratie
25 µg/m
Fijn stof (PM2,5)
3
Tabel 2 Grenswaarden luchtkwaliteit Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit uitoefenen indien: de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid onder b1); bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c);
Lodewijck Groep B.V.
33
Ruimtelijke onderbouwing appartementen Leidsekade 6
Waterland Real Estate B.V.
het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d).
Besluit niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit (besluit NIBM) De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate, ofwel niet in betekenende mate (NIBM), leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; Een project valt in een categorie die is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Beoordeling planinitiatief De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 15 woningen, aldus kan worden verwacht dat de ontwikkeling NIBM is. Het aspect luchtkwaliteit voldoet met betrekking tot de beoogde woningen aan het NIBM-criterium en levert geen beperkingen op voor de beoogde ontwikkeling. In aanvulling op het bovenstaande wordt opgemerkt dat binnen de ontwikkeling geen gevoelige bestemmingen als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) mogelijk worden gemaakt.
Ook om deze reden is een aanvullend luchtkwaliteitsonderzoek niet nodig. Geconcludeerd wordt daarom dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
Lodewijck Groep B.V.
34
Waterland Real Estate B.V.
Ruimtelijke onderbouwing appartementen Leidsekade 6-
4.7. Bedrijven- en milieuzonering Bij het een ruimtelijke ontwikkeling dient de invloed van bestaande (of nieuw te vestigen) bedrijvigheid op de leefomgeving afgewogen te worden. Door middel van milieuzonering kan een ruimtelijke scheiding worden aangebracht tussen milieubelastende functies en milieugevoelige functies, zoals bijvoorbeeld wonen. De VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) geeft richtlijnen voor de in acht te nemen afstanden. Deze zijn weergegeven in onderstaande tabel. Deze afstanden worden gemeten tussen de grens van de bestemming die bedrijven/milieubelastende activiteiten toestaat en de uiterste situering van de gevel van woningen. Aan de hand van de VNGbrochure is beoordeeld of bestaande of mogelijk toekomstige bedrijvigheid een negatieve invloed heeft op de functie wonen. Milieucategorie
Gemengd gebied
Rustige woonwijk
1
0 meter
10 meter
2
10 meter
30 meter
3.1
30 meter
50 meter
3.2
50 meter
100 meter
4.1
100 meter
200 meter
4.2
200 meter
300 meter
Tabel 3 De VNG- Richtafstandentabel Bedrijven- en milieuzonering Beoordeling planinitiatief In september 2021 is er door DGMR een onderzoek verricht naar bedrijven en milieuzonering voor onderhavig plangebied. De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor. Volgens de VNG-publicatie is de definitie van het omgevingstype gemengd gebied als volgt: 'Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven'. Gebieden die direct langs hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Het plangebied behoort tot dit omgevingstype. Rondom de projectlocatie zijn de volgende bestemmingen aanwezig: - Gemengd, waar kantoren, detailhandel, maatschappelijke voorzieningen, dienstverlenende bedrijven of instellingen met of zonder baliefunctie en wonen is toegestaan; - Wonen, waar wonen met inbegrip van een aan huis verbonden beroep en/of verkoop via internet is toegestaan. Het projectgebied is gelegen in gemengd gebied.
In onderstaande afbeelding zijn de richtafstanden van de omliggende kavels weergegeven. In het groen is de ligging van de appartementen aangeduid.
Lodewijck Groep B.V.
35
Ruimtelijke onderbouwing appartementen Leidsekade 6-
Waterland Real Estate B.V.
Afbeelding 14: Richtafstanden omliggende bedrijven
Hieruit blijkt dat de richtafstanden over het algemeen niet reiken over de locatie van de appartementen. Aan de noordhoek blijkt dat de richtafstand met circa 4 meter beperkt wordt overlapt met de locatie van de appartementen. Het gaat hierbij om de kavel achter Leidsekade 13. Op deze locatie is zowel wonen als bedrijvigheid toegestaan. Momenteel lijkt de kavel te worden gebruikt voor wonen. Daarnaast geldt dat op vergelijkbare afstand (6 meter) een woning staat. Hieruit blijkt dat de bestaande woning al een beperking vormt voor de activiteiten die op deze kavel mogelijk zijn. De ontwikkeling leidt daarom ook voor deze kavel niet tot beperkingen. Daarmee is er ook bij de nieuwe appartementen ten opzichte van deze kavel sprake van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie. 4.8. Kabels en leidingen Het kan voorkomen dat er in of nabij het projectgebied planologische relevante kabels en/of leidingen liggen. Planologisch relevant zijn hoofdnutsvoorzieningen, zoals leidingen voor het transport van giftige, brandbare en/of ontplofbare stoffen, aardgasleidingen, hoogspanningsleidingen of afvalwaterleidingen. Beoordeling planinitiatief Nabij het projectgebied zijn op de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan geen kabels en leidingen weergeven.
Er zijn kabels en leidingen die planologisch gezien een belemmering vormen voor de ontwikkeling.
Lodewijck Groep B.V.
36
Ruimtelijke onderbouwing appartementen Leidsekade 6-
Waterland Real Estate B.V.
4.9. Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid voor de omgeving van een inrichting met gevaarlijke stoffen en/of transport van gevaarlijke stoffen. Elk nieuw ruimtelijk plan moet volgens de Wet ruimtelijke ordening getoetst worden aan de normen voor plaatsgebonden risico en groepsrisico. Daarbij kunnen de volgende bronnen worden onderscheiden: Inrichtingen: risico's van onder andere tankstations met LPG, gevaarlijke stoffen (PGS-15)opslagplaatsen en ammoniakkoelinstallaties; Transport van gevaarlijke stoffen over de weg; Transport van gevaarlijke stoffen per spoor; Transport van gevaarlijke stoffen over het water; Transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding.
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een denkbeeldige persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De norm (één op één miljoen per jaar) geldt voor kwetsbare objecten als grenswaarde en voor beperkt kwetsbare objecten als richtwaarde. Dit betekent dat er als gevolg van een ongeval - in theorie - per jaar slechts één persoon op een miljoen mensen mag overlijden. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is de kans op een ongeval met veel dodelijke slachtoffers. Hierbij wordt gekeken naar de werkelijk aanwezige bevolking en de verspreiding van die bevolking rond een risicobron. Bepaald wordt hoe groot de kans is op tien, honderd of meer slachtoffers tegelijk onder die bevolking. Groepsrisicoberekeningen beogen maatschappelijke ontwrichting inzichtelijk te maken. Het groepsrisico is afhankelijk van de omvang van het ongeval. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet het groepsrisico worden verantwoord (VGR). Vanzelfsprekend speelt de hoogte van het groepsrisico een rol, ook de mogelijkheden voor zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid maken onderdeel uit van de verantwoordingsplicht.
In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi), zoals deze op dit moment luiden, zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen vastgelegd. De normstelling voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (voor zowel weg, spoor als water) is gebaseerd op de Nota Risico Normering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (RNVGS) die reeds is vervallen. De nota heeft geen wettelijk bindende werking, maar is niet vrijblijvend. Voor buisleidingen geldt sinds 1 januari 2012 de regeling 'Besluit externe veiligheid buisleidingen'. Beoordeling planinitiatief In en rondom het plangebied bevinden zich geen risicovolle inrichtingen en/of risicobronnen. Het plangebied bevindt zich op circa 350 meter afstand van de A4, waardoor dit geen belemmering vormt. Ten aanzien van het plaatsgebonden risico zijn er dan ook geen belemmeringen voor de realisatie van onderhavig planinitiatief. Met de toevoeging van het planinitiatief komen er wel meer mensen in het plangebied te wonen dan in de huidige situatie. Dit betreft echter een kleine Lodewijck Groep B.V.
37
Ruimtelijke onderbouwing appartementen Leidsekade 6-
Waterland Real Estate B.V.
toevoeging gezien de omvang van de ruimtelijke ontwikkeling. Daarnaast worden de bewoners als zelfredzaam geacht gezien het zelfstandige woningen betreft. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de realisatie van onderhavig planinitiatief. 4.10. Waterhuishouding De waterparagraaf is een vast onderdeel van een ruimtelijke onderbouwing. In deze paragraaf komen relevante wateraspecten aan bod die van belang zijn in het plangebied. Het Hoogheemraadschap van Rijnland is verantwoordelijk voor de waterkwantiteit en -kwaliteit van de polder- en boezemwatergangen in en om het plangebied. De gemeentelijke taken zijn onder andere het riool- en oeverbeheer. Het plangebied valt binnen de reikwijdte van het Wateren rioleringsplan Leidschendam-Voorburg 2012-2027 dat op 10 november 2021 door de gemeenteraad is vastgesteld. Voor een ontwikkeling van deze geringe omvang is met name het gemeentelijke beleid (naast het hoogheemraadschap) van belang. Water- en Rioleringsplan Leidschendam-Voorburg 2022-2027 Het water- en rioleringsplan (WRP), bevat een aantal hoofddoelen met betrekking tot de zorg voor afvalwater, hemelwater, grondwater en oppervlaktewater.
Zo moet afvalwater op een veilige en hygiënische manier worden afgevoerd naar de waterzuiveringsinstallatie, moet er middels het WRP en de zorg die daaruit voortvloeit een bijdrage worden geleverd aan het klimaatbestendig en duurzaam maken van de gemeente en moet het watersysteem zodanig worden ingericht dat wateroverlast en verdroging worden voorkomen en de belevingswaarde van water zo hoog mogelijk is, zonder een negatief effect op de kwaliteit ervan te hebben. Om de ambitieuze doelen van het Waterplan te realiseren moet water een integraal onderdeel zijn van alle strategische en ruimtelijke plannen. In tal van beleidsdocumenten wordt aandacht besteed aan het belang van water. Centraal uitgangspunt in het beleid zijn de drie hoofddoelen: Het watersysteem is duurzaam en robuust. Dit houdt in dat wateroverlast en verdroging door middel van waterberging kunnen worden voorkomen. Daarnaast zijn de drainage- en rioolsystemen betrouwbaar en toekomstbestendig. Het water is schoon. Dit houdt in dat het watersysteem dusdanig goed functioneert, dat er ecologisch gezond water door stroomt, dat fris en helder is, met een rijke flora en fauna. Het water is aansprekend. Dit houdt in dat de potentie van water wordt benut om de leefomgeving aantrekkelijker te maken.
Deze drie hoofddoelen raken aan de drie aandachtsgebieden met betrekking tot het water: kwantiteit, kwaliteit en ruimtelijke potentie. Waterbeheer Programma 6 Rijnland Sinds 2022 is het Waterbeheer Programma 6 (WBP 6) van het Hoogheemraadschap Rijnland van kracht. Hierin worden strategische lange termijn doelen uiteengezet. Het gaat daarin om het hanteren van de veiligheidsnormen voor de waterkeringen, voorzien in voldoende en schoon water, goed beheer van de (afval)waterketen en het verduurzamen en klimaat adaptief maken van het waterschap. Het project is van dusdanig kleine schaal, dat het geen negatieve gevolgen heeft voor het behalen van de doelen uit WBP6. Lodewijck Groep B.V.
38
Ruimtelijke onderbouwing appartementen Leidsekade 6-
Waterland Real Estate B.V.
Ligging ten opzichte van watersysteem Onderstaande afbeelding (15) is gemaakt op basis van de legger van het Hoogheemraadschap Rijnland. Te zien is dat het projectgebied in de buurt van twee primaire oppervlaktewateren ligt en grenst aan de beschermingszone van één van deze. Hierom zal in lijn met de Keur 2020 van het Hoogheemraadschap Rijnland de zorgplicht in acht worden genomen door de initiatiefnemer. Beoordeling planinitiatief Het verharde oppervlakte neemt in de nieuwe planologische situatie niet substantieel toe of af. Er wordt ca. 50m² verharding aangebracht op grond die in de oorspronkelijke situatie onverhard is (afbeelding 16), maar er wordt ook een mossedumdak aangelegd op de fietsenstalling. Dit is eveneens een oppervlakte van ca. 50m². Op de rest van het projectgebied bevond zich in de oorspronkelijke situatie al verharding. Het plan draagt daarmee niet negatief bij aan de infiltratie in de bodem en de kans op wateroverlast. Er wordt geen oppervlaktewater gedempt of aangebracht. Ook worden er geen (parkeer)kelders aangebracht.
Afbeelding 15. Watersysteem rondom projectgebied
Het te bouwen appartementencomplex blijft buiten het gebied van de dubbelbestemming ‘Waterstaat-Waterkering’. Er wordt echter wel een fietsenstalling gebouwd die grenst aan het gebied van deze dubbelbestemming. Volgens de regels in het bestemmingsplan ‘Stedelijk’ mag dit niet worden gedaan zonder omgevingsvergunning en schriftelijk advies van de beheerders van de waterkering. Daarom moet dit bij de aanvraag omgevingsvergunning worden meegenomen en worden voorgelegd aan het Hoogheemraadschap Rijnland. Het betreft grond waar zich in de oorspronkelijke situatie al opstallen bevonden, die inmiddels zijn gesloopt. Hier komt de fietsenstalling voor in de plaats. De ligging hiervan levert enige beperkingen op. Lodewijck Groep B.V.
39
Ruimtelijke onderbouwing appartementen Leidsekade 6-
Waterland Real Estate B.V.
Zo is de Keur 2020 van het Hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing en gelden daarmee aanvullende regels voor het bouwen nabij een waterkering.
Afbeelding 16. Weergave verharding in de oorspronkelijke situatie en in de nieuwe situatie
Het plan is door de initiatiefnemer aan het Hoogheemraadschap voorgelegd. Het advies van het waterschap luidt dat er geen watervergunning nodig is, dat de waterhuishoudkundige belangen niet in het geding zijn en dat er geen bezwaren zijn tegen de realisatie van het plan. 4.11. Verkeer en parkeren Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld. 4.11.1. Verkeersgeneratie Op basis van het type woningen kan, in combinatie met de mate van stedelijkheid, op basis van kengetallen van het CROW bepaald worden wat de te verwachten verkeersgeneratie is. De gemeente Leidschendam-Voorburg wordt, met een omgevingsadressendichtheid van 2836, aangemerkt als zeer sterk stedelijk. Binnen Leidschendam ligt de planlocatie in het centrum. Op basis van deze gegevens de maximale verkeersgeneratie van het woningbouwprogramma bepaald worden.
Lodewijck Groep B.V.
40
Ruimtelijke onderbouwing appartementen Leidsekade 6-
Waterland Real Estate B.V.
Tabel 4. Verkeersgeneratie per etmaal (zeer stedelijk gebied)
Type woning
Aantal eenheden
Maximale verkeersgeneratie per eenheid
Totale verkeersgeneratie (incl. vrachtverkeer)
Appartement, goedkoop Appartement duur Totaal
3
2,6
8
12 15
6,2
75 83
4.11.2. Ontsluiting Het projectgebied wordt ontsloten via de Leidsekade, Sluisplein, Damhouderstraat, Nieuwstraat en Vlietweg en vervolgens naar de aansluiting op de N14 of A4. Het projectgebied is bereikbaar vanaf de A4 en vervolgens de N14/Vlietweg, Nieuwstraat, Damhouderstraat/Venestraat en de Leidsekade en/of toekomstige weg ter plaatse van het Toevluchtspad. Om de parkeerplaatsen die gerealiseerd worden bij het projectgebied op een goede wijze toegankelijk te maken wordt de brug op het Toevluchtpad verbreed. Hiermee wordt dit de hoofdontsluiting voor het parkeerterrein. Naast de ontsluiting met de auto zijn in de nabijheid van het projectgebied een bushalte en tramhalte gesitueerd. Bushalte Leidschendam, Damlaan ligt op circa 750 meter en de tramhalte Voorburg, Oosteinde ligt op circa 1 kilometer afstand. 4.11.3. Parkeren Parkeren gemotoriseerde voertuigen Voor het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt evenals de verkeersgeneratie, gebruik gemaakt van de CROW kengegevens. Ook hier wordt voor Voorburg een zeer sterke mate van verstedelijking gehanteerd en voor de projectlocatie ‘Schil Centrum’. In de Nota Parkeernormen is opgenomen dat het uitgangspunt is dat het parkeren op eigen terrein opgelost moet worden.
Het ‘eigen terrein’ moet als zodanig opgepakt worden dat de parkeerbehoefte zelfstandig opgelost moet worden, met inachtneming van de vastgestelde parkeereis en de wijze waarop deze dienen te worden toegepast. Op basis van de parkeernormen uit de Nota Parkeernormen is de parkeerbehoefte inzichtelijk gemaakt. Tabel 5. Parkeerbehoefte
Type woning
Aantal
Parkeernorm gemiddeld
parkeerbehoefte
goedkope koop appartementen Dure koop appartementen Totaal
3
1,3
3,9
12
1,6
19,2
15
23,1
In totaal zijn voor 15 woningen 23,1 parkeerplaatsen nodig. Dit mag op basis van de parkeernota afgerond worden naar 23 parkeerplaatsen. Het bezoekersdeel van de gehanteerde norm is 0,3 per
Lodewijck Groep B.V.
41
Ruimtelijke onderbouwing appartementen Leidsekade 6-
Waterland Real Estate B.V.
woning en zit bij deze parkeernorm. Dit betekent dat in totaal voor de ontwikkeling 23 parkeerplaatsen benodigd zouden zijn. Middels een anterieure overeenkomst is echter met de gemeente door initiatiefnemer het volgende overeengekomen: Artikel 8 Parkeerplaatsen van de woningen 1. De Initiatiefnemer en de Gemeente komen overeen dat de parkneernormen die uit hoofde van de voor deze herontwikkeling benodigde omgevingsvergunning(en) worden gesteld, tevens gelden als resultaatsverplichting uit hoofde van deze overeenkomst. 2. De Initiatiefnemer zal de in lid 1 bedoelde parkeerplaatsen conform het Inrichtingsplan realiseren in de vorm van ten minste 21 parkeerplaatsen in de parkeergarage, waarvan 9 parkeerplaatsen een openbaar karakter krijgen en niet verkocht worden. De overige ten minste 12 parkeerplaatsen in de parkeergarage kunnen worden verkocht aan de woningeigenaren van het Bouwplan Achterzijde en/of het Bouwplan Voorzijde, maximaal twee (2) per woning. In de parkeerruimte onder het gebouw worden 27 parkeerplaatsen gerealiseerd (zie afbeelding 17). Hiervan worden 19 parkeerplaatsen gerealiseerd ten behoeve van de bewoners van het appartementsgebouw. Dit is gebaseerd op de bovenstaande berekening van de parkeerbehoefte (23,1), minus het aandeel bezoekersparkeerplaatsen (15 x 0,3 = 4,5).
Deze plaatsen worden voorzien van een parkeerbeugel, waardoor enkel gerechtigden op de plaatsen kunnen parkeren. De overige plaatsen zijn openbaar en de parkeerruimte blijft openbaar toegankelijk. Dit betekent dat alle bewoners en bezoekers kunnen parkeren in de parkeergarage onder het appartementengebouw en op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid.
Afbeelding 17. Plattegrond parkeerruimte onder het appartementengebouw.
Extra parkeerplaatsen bezoekers Eventuele extra bezoekers kunnen parkeren op het parkeerterrein direct naast het appartementengebouw. Op dit parkeerterrein worden 54 parkeerplekken gerealiseerd, dus hier is afdoende gelegenheid voor extra bezoekers om te parkeren. Parkeren fietsen Het Verkeers- en Vervoerplan; Herijking 2014, met doorkijk naar 2040 is vastgesteld door de gemeenteraad op 14 oktober 2014. Doel is het fietsgebruik in de periode tot 2020 met 30% te laten Lodewijck Groep B.V.
42
Ruimtelijke onderbouwing appartementen Leidsekade 6-
Waterland Real Estate B.V.
groeien en in de periode tot 2040 met 50%. Dit doel sluit naadloos aan op het fietsbeleid van het Stadsgewest Haaglanden. Daarbij wordt onder andere ingezet op voldoende en goede parkeervoorzieningen voor de fiets, met name bij openbaar vervoer haltes/stations en nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en daarnaast bij woningen zonder berging. Voor het fietsparkeren is in de bijlagen van de Nota Parkeernormen onderstaande tabel opgenomen. Voor het fietsparkeren is in de bijlagen van de Nota Parkeernormen onderstaande tabel opgenomen. Tabel 6. Parkeernormen fietsparkeren voor woningen.
Voor fietsparkeren wordt een gezamenlijke fietsenstalling gerealiseerd met 57 plekken en daarmee worden er voldoende fietsparkeerplaatsen gerealiseerd Beoordeling planinitiatief De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie. 4.12 Duurzaamheid Het duurzame beleid van de Nederlandse overheid is vastgesteld in de Energieagenda (2016). Het doel van deze agenda is om de transitie naar een CO2-arme energievoorziening in 2050 te bewerkstelligen. In het Klimaatakkoord van Parijs is vastgelegd de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder de twee graden Celsius, met het streven een maximale temperatuurstijging van anderhalve graad Celsius te realiseren. Dat vraagt om een drastische reductie van het gebruik van fossiele energie, tot dichtbij nul in het jaar 2050. Elektriciteit wordt dan duurzaam opgewekt, gebouwen worden voornamelijk verwarmd door aardwarmte en elektriciteit, bedrijven hebben hun productieprocessen aangepast, er wordt niet langer op aardgas gekookt en er rijden vrijwel alleen maar elektrische auto’s. Tot 2020 neemt de CO2-uitstoot fors af. Doorzetten van het huidige beleid is na 2020 echter onvoldoende om een geleidelijke transitie mogelijk te maken. Zonder aanvullend beleid zal de CO2-uitstoot zelfs weer kunnen toenemen.
Voor de bestaande woningvoorraad betekent een geleidelijke transitie dat jaarlijks 170.000 woningen aangepast dienen te worden. Voor de nieuwbouw van woningen bepaalt de Europese EPBD-richtlijn de ambitie om tot bijna energieneutrale gebouwen te komen. Vanaf 2021 moeten alle nieuwe gebouwen voldoen aan overeenkomstige wettelijke vereisten. Nieuwe woningen moeten worden voorzien van warmtepompen, zonnecollectoren en extra isolatie en eisen worden gesteld aan de maximum vervuiling van auto’s. Het plan zal in ieder geval voldoen aan de eis van gasloos bouwen en aan de overige wettelijke vereisten ten aanzien van duurzaamheid. Daarnaast wordt nader onderzocht welke duurzaamheidsaspecten meegenomen kunnen worden in het ontwerp. In ieder geval wordt meer Lodewijck Groep B.V.
43
Ruimtelijke onderbouwing appartementen Leidsekade 6-
Waterland Real Estate B.V.
groen teruggebracht op maaiveld, wat een bijdrage levert aan het tegengaan van hittestress en klimaatadaptief bouwen. Hemelwater zal in de toekomstige situatie makkelijker kunnen infiltreren waardoor de kans op wateroverlast verkleind wordt. Daarnaast wordt het realiseren van zonnepanelen op de daken nader onderzocht. Om keuzes te maken bij de verdere uitwerking op het gebied van duurzaamheid, wordt het instrument GPRgebouw gebruikt. Hierbij wordt ernaar gestreefd om op alle thema’s minimaal een 7 te scoren. De GPRgebouw berekening wordt bij de aanvraag voor de activiteit bouwen verder uitgewerkt. Beoordeling planinitiatief Er wordt voldaan aan de wettelijke eisen voor duurzaamheid. Daarnaast wordt een bijdrage geleverd aan het tegengaan van hittestress en wordt klimaat adaptief gebouwd. Hemelwater wordt opgevangen en afgewenteld via het nabijgelegen oppervlaktewater. Er wordt netto geen verharding aan het gebied toegevoegd (zie ook 4.10).
Lodewijck Groep B.V.
44
Ruimtelijke onderbouwing appartementen Leidsekade 6-
5.
Waterland Real Estate B.V.
Procedurele aspecten
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) Het door initiatiefnemer voorgestelde plan is in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Op grond van art. 2.12, lid 1 onder a, sub 3, van de Wabo kan via een omgevingsvergunning afgeweken worden van het vigerende ruimtelijke plan. De afwijking dient voorzien te worden van een goede ruimtelijke onderbouwing. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing vormt de argumentatie en onderbouwing waarom het door initiatiefnemer voorgestelde plan kan voldoen aan een goede ruimtelijke ordening. 5.1.1. Zienswijzenprocedure De zienswijzenprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is op de onderhavige omgevingsvergunning(procedure) van toepassing. De ontwerp omgevingsvergunning(en) wordt samen met de ruimtelijke onderbouwing voor een periode van 6 weken ter visie gelegd. Tijdens deze periode kan éénieder een zienswijze indienen.
Lodewijck Groep B.V.
45
Ruimtelijke onderbouwing appartementen Leidsekade 6-
6.
Waterland Real Estate B.V.
Economische uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Daarnaast is tevens de Grondexploitatiewet van toepassing als een plan voorziet in het juridisch-planologisch faciliteren van bouwplannen, zoals bepaald in het Bro. Onderhavig plan voorziet in de ontwikkeling van een plan, zoals opgenomen in het Bro. Dit betekent dat er voor dit plan ook een exploitatieplan vastgesteld moet worden. Echter kan op basis van artikel 6.12 lid 2 van de Wro ook door de gemeenteraad besloten worden om geen exploitatieplan vast te stellen, indien: het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. De kosten van voorgenomen initiatief zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Initiatiefnemer is reeds eigenaar van de gronden. Het gemeentelijk kostenverhaal is anderszins verzekerd door middel van leges en een anterieure overeenkomst. Op basis van het voorgaande kan gesteld worden dat het uitwerkingsplan economisch uitvoerbaar is.
Lodewijck Groep B.V.
46