CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

2596 Ruimtelijke onderbouwing Parkweg 127 Voorburg, d.d. 12-11-2021

Raadsvergadering 25 januari 2022, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: Ontwerp verklaring van geen bedenkingen Parkweg 127 in Voorburg.16.833 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

GELUID Algemeen In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit:  woningen;  onderwijsgebouwen;  ziekenhuizen;  verpleeghuizen;  verzorgingstehuizen;  psychiatrische inrichtingen;  kinderdagverblijven.

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 27

Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen. De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer en/of door industrie, onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) zijn woningen geluidgevoelige bestemmingen. Volgens artikel 77 van de Wet geluidhinder is het nodig akoestisch onderzoek te verrichten naar woningen die in een geluidszone vallen.

In het kader van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen geluidszones, met uitzondering van woonerven en 30 km/uur-gebieden. Het basisbeschermingsniveau of de voorkeursgrenswaarde voor woningen bedraagt 48 dB(A) ten aanzien van wegen en 55 dB(A) ten aanzien van spoorwegen. Door middel van een hogere waarde kan door het bevoegd gezag een hogere geluidsbelasting (hogere waarde) worden toegestaan. Deze verhoging is mogelijk tot een maximaal toelaatbare waarde. De hoogte van deze maximaal toelaatbare waarde is afhankelijk van verschillende factoren, zoals de ligging van de geluidsgevoelige bestemming in binnenstedelijk of buitenstedelijk gebied. Voor woningen in stedelijk gebied bedraagt de maximale ontheffingswaarde 63 dB(A) ten aanzien van wegen en 68 dB(A) ten aanzien van spoorwegen. In het Actieplan geluid voor gemeente Leidschendam-Voorburg bedraagt de plandrempel (Lden) voor lokale wegen 65 dB. Deze plandrempel treedt niet in de plaats van de bestaande wettelijke geluidnorm, maar geeft aan boven welke waarde de gemeente maatregelen overweegt, rekening houdend met doelmatigheid en technische mogelijkheden.

Relatie tot ontwikkeling Wegverkeerslawaai Met betrekking tot het projectgebied zijn de wegen met veel verkeersintensiteit de Parkweg en de Rozenboomlaan. Op onderstaande kaart is het geluid van wegverkeer opgenomen.

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 28

figuur 11: uitsnede Altas Leefomgeving

Deze kaart geeft een ruwe indicatie van de geluidskwaliteit. Op basis van de kaart kan gesteld worden dat door het wegverkeer over de Parkweg een hoge geluidsbelasting verwacht wordt. Een akoestisch onderzoek zal aantonen wat de exacte geluidsbelasting is. Het ontwerp dient rekening te houden met de geluidsbelasting op de gevels. In het Actieplan geluid voor gemeente Leidschendam-Voorburg worden ten aanzien van geluidsoverlast door verkeer maatregelen beschreven om de geluidsoverlast door verkeer te verminderen. Deze maatregelen zullen in 2030 naar verwachting leiden tot een afname van het aantal woningen binnen de gemeente waar een geluidsbelasting hoger dan 65 dB op de gevel aanwezig is. figuur 12: uitsnede Actieplan geluid

Railverkeerslawaai Ten aanzien van het lawaai vanaf het spoor kan geconcludeerd worden dat de projectlocatie buiten de geluidscontour van railverkeerslawaai gelegen is.

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 29

figuur 13: uitsnede Atlas leefomgeving

Onderzoek weg- en railverkeerslawaai In het kader van de ontwikkeling van kantoor naar woningbouw is door M+P ingenieurs een akoestisch onderzoek verricht. Hierbij hebben zij gekeken naar de randvoorwaarden vanuit geluid die meegenomen moeten worden in het ontwerp. De resultaten worden hieronder integraal weergegeven, het onderzoek is als bijlage terug te vinden. De geluidsbelasting vanwege Parkweg bedraagt maximaal 58 dB na aftrek conform artikel art. 110g Wet geluidhinder. Vanwege de Rozenboomlaan (50 km/h) bedraagt de geluidsbelasting 51 dB na aftrek. Dit betekent een overschrijding van maximaal 10 dB respectievelijk 3 dB van de voorkeursgrenswaarde. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De Rozenboomlaan met rijsnelheid van 30 km/h, ten zuiden van Parkweg, is beschouwd in het kader van goede ruimtelijke ordening. Uit de berekeningen blijkt dat de maximale geluidsbelasting vanwege Rozenboomlaan (30 km/h) 44 dB na aftrek bedraagt. Deze waarde voldoet aan de voorkeursgrenswaarde en is daarmee niet relevant. De Rijkswegen hebben een berekende geluidsbelasting van 52 dB na aftrek. Dat betekent een overschrijding van 4 dB van de voorkeursgrenswaarde. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Uit de berekeningen blijkt dat de geluidsbelasting vanwege het spoor maximaal 49 dB bedraagt.

Deze waarde is lager dan de voorkeursgrenswaarde en is daarmee niet relevant. Hogere waarde De geluidsbelasting afkomstig van de wegen Parkweg, Rozenboomlaan en Rijkswegen A12 en A4 is hoger dan de voorkeursgrenswaarden en lager dan de maximale ontheffingswaarde die het wettelijke kader voor wegverkeerslawaai toestaat. Om de woningen mogelijk te maken is een hogere waarde besluit nodig van het college van burgemeester en wethouders van gemeente Leidschendam – Voorburg. De gecumuleerde geluidsbelasting van de wegen is berekend en weergegeven in Bijlage B van het onderzoek. De hoogste gecumuleerde geluidsbelasting bedraagt 63 dB (in wegverkeerslawaai-equivalenten, exclusief aftrek). In het geluidbeleid van gemeente Leidschendam – Voorburg staat dat de maximale toegestane gecumuleerde waarde niet meer mag bedragen dan de benodigde hogere waarde per geluidbron vermeerderd met 2 dB. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Gezien er sprake is van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder is het van belang om onderzoek te doen aan bron- en overdrachtsmaatregelen. Planbeoordeling

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 30

In onderstaande figuur wordt grafisch weergegeven welke gevel “geluidluw” is met een groene lijn. En waar de geluidsbelasting tot en met 5 dB hoger is met een oranje lijn. Deze geluidsbelasting wordt voor een buitenruimte ook nog als geluidsluw aangemerkt. Daar waar geen geluidluwe gevel aanwezig is en waar de geluidsbelasting meer dan 5 dB hoger is, is paars gekleurd. Er zijn geen rode gevellijnen aanwezig aangezien er geen wettelijke grenswaarden worden overschreden. Dit betekent dat er geen “dove” gevels nodig zijn. figuur 14: geluidsluwe gevels

Begane grond (met afscherming terras noordgevel)

Eerste verdieping

Tweede verdieping

Derde verdieping

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 31

Vierde verdieping Geluidbeperkende maatregelen Zoals beschreven in het geluidbeleid van gemeente Leidschendam – Voorburg is het uitvoeren van bron- en overdrachtsmaatregelen veelal niet mogelijk in het stedelijk gebied. Voor bouwplan is eerder een verkennende studie gedaan (zie memo M+P, bijlage 4). De voorgestelde maatregelen uit de memo zijn in het ontwerp uitgewerkt. Bronmaatregelen stuiten op financiële en praktische bezwaren: De noordelijke en oostelijke gevel van het bouwplan wordt het meest geluidsbelast vanwege de Parkweg. Momenteel ligt heeft deze een SMA 0/8 wegverharding. Voor de Parkweg wordt de gemeente in overweging gegeven om de wegverharding bij een toekomstige groot onderhoud aan te passen naar bijvoorbeeld 250m SMA-NL8 G+. Daarmee kan enkele dB’s geluid worden gereduceerd, zowel bij het bouwplan als bij de omliggende woningen. Op basis van de kostentool blijkt dat de kosten voor het vervangen van het wegdek per € 42,85 per m2 bedragen (kostenpeil 2020), zie Bijlage C. De totale kosten voor het vervangen van het wegdek over een lengte van circa 200- 250 m bedragen circa € 150.000. Gezien de beperkte omvang van het plan is deze maatregel niet kosteneffectief. Daarbij komt dat een relatief klein wegdeel vervangen doorgaans op praktische bezwaren in het wegbeheer leidt, zowel bij het vervangen als op de lange duur bij het planmatige onderhoud.

Overdrachtsmaatregelen zijn praktisch niet toepasbaar: Overdrachtsmaatregelen, zoals schermen of geluidswallen zijn hier om stedenbouwkundige redenen niet mogelijk. Voor een wal met voldoende hoogte is een brede voet nodig, waarvoor de ruimte ontbreekt. De veiligheid van de kruising kan niet gewaarborgd worden met een scherm. Dit zou het zicht op verkeer belemmeren. Geluidluwe gevel Als bron- en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk zijn, moet bij een nieuwe geluidgevoelige bestemming minimaal 1 geluidluwe gevel aanwezig zijn. Ieder appartement heeft een geluidsluwe zijde of een afsluitbare loggia. Minimaal 1 slaapkamer per appartement is gesitueerd of aan een geluidsluwe zijde of is geplaatst aan een afsluitbare loggia. Het plan voldoet daar meest aan. Een uitzondering hierop zijn de twee appartementen aan de Parkweg op de begane grond en twee appartementen op de derde en vierde verdieping aan de Rozenboomlaan respectievelijk de Parkweg. Deze hebben wel een geluidsluwe gevel danwel relatief luwe gevel. Het situeren van een slaapkamer aan een geluidsluwe gevel is organisatorisch niet mogelijk.

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 32

Geluidluwe buitenruimten Minimaal 1 buitenruimten per appartement dient gesitueerd te zijn aan de geluidluwe gevel. Door het gebruik van afsluitbare buitenruimten op de verdiepingen, gesloten borstwering op de dakranden, een scherm aansluitend aan het gebouw en situering van buitenruimten is dat het geval. Samenvattende conclusie maatregelen In het ontwerp van het plan zijn maatregelen opgenomen voor een zo goed mogelijke woon- en leefkwaliteit en daarmee te voldoen aan de beleidsregels bij verhoogde geluidsbelastingen. Het treffen van bron- of overdrachtsmaatregelen is niet mogelijk. Bij alle woningen wordt voldaan aan een geluidsluwe gevel met daaraan ten minste één slaapkamer. De buitenruimten zijn geluidsluw als gevolg van ligging of het feit dat ze afsluitbaar zijn. Bij twee woningen op de begane grond is het niet mogelijk om volledig aan de beleidsregels te voldoen en bij één woning op de derde verdieping en één woning op de vierde verdieping. Aangezien het plan grotendeels voldoet aan de beleidsregel, wordt gebruik gemaakt van de uitzonderingsregel voor stedelijke situaties. Die hier nog wordt bemoeilijkt door de wigvorm van het perceel en ligging aan twee doorgaande wegen.

Conclusie Voor het bouwplan aan Parkweg 127 te Voorburg is onderzocht of deze zal voldoen aan de Wet Geluidhinder en aan de gestelde voorwaarden die vermeld staan in Hogere Waardenbeleid van gemeente Leidschendam – Voorburg. De geluidsbelasting afkomstig van de wegen Parkweg, Rozenboomlaan en Rijkswegen A12 en A4 tezamen is hoger dan de voorkeursgrenswaarden en lager dan de maximale ontheffingswaarde die de wettelijke kader van wegverkeerslawaai toestaat. Om het plan mogelijk te maken is een hogere waarde besluit nodig van het college van burgemeester en wethouders van gemeente Leidschendam – Voorburg. Met de genoemde voorwaarden voldoet het bouwplan aan het beleid van gemeente Leidschendam - Voorburg. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt een rapport ingediend met daarin berekeningen van de geluidswering conform het Bouwbesluit 2012 om zo het binnenniveau te garanderen.

LUCHTKWALITEIT Algemeen In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van ‘niet in betekenende mate’ is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder:

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 33

 

woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen.

Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 16 woningen, aldus kan worden verwacht dat de ontwikkeling NIBM is. Het aspect luchtkwaliteit voldoet met betrekking tot de beoogde woningen aan het NIBM-criterium en levert geen beperkingen op voor de beoogde ontwikkeling. In aanvulling op het bovenstaande wordt opgemerkt dat binnen de ontwikkeling geen gevoelige bestemmingen als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) mogelijk worden gemaakt. Ook om deze reden is een aanvullend luchtkwaliteitsonderzoek niet nodig. Volledigheidshalve is gebruik gemaakt van de NIBM-tool (versie 2021), zie onderstaand figuur. De conclusie blijft onveranderd. Figuur 14: NIBM tool, geraadpleegd 18 juni 2021

Goed woon- en leefklimaat Met behulp van de NSL monitoringstool (geraadpleegd op 10 december 2020) is te zien dat ter hoogte van rekenpunt 15553439 de grootschalige achtergrondconcentraties in 2020 van stikstofdioxide NO2 25,7 µg/m3, van fijnstof PM10 20,1 µg/m3 en van fijnstof PM2,5 11,8 µg/m3 zijn. De grenswaarde voor toetsing voor stikstofdioxide NO2 is 40 µg/m3, voor fijnstof PM10 is 40 µg/m3 en voor fijnstof PM2,5 is 25 µg/m3 de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Wanneer de maximale bijdrage van het extra verkeer hierbij wordt opgeteld, zal de concentraties van zowel fijn stof als stikstofdioxide ruim onder de grenswaarden blijven. tabel 4. achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied Jaar GCN-achtergrondconcentratie NO2 (µg/m3) PM10 (µg/m3) PM2,5 (µg/m3)

2020 Grenswaarden

25,7 40

20,1 40

11,8 25

Voor de te realiseren woningen kan derhalve een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd worden.

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 34

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

NATUUR Algemeen Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000gebieden.

Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor, maar naar aanleiding een tweetal belangrijke uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar, kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie.

Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een ‘nee-tenzij-toets’. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN.

Relatie tot ontwikkeling Soortenbescherming Op de planlocatie is nu nog een voormalig kantoorgebouw aanwezig. Dit dient onderzocht te worden op de eventuele geschiktheid voor beschermde soorten flora en fauna. Door IDDS is een flora- en faunaonderzoek uitgevoerd op de locatie Parkweg 127 te Voorburg. Deze quickscan flora en fauna heeft ten doel de voorgenomen plannen te toetsen aan de huidige natuurwetgeving zodat duidelijk wordt welke maatregelen moeten worden getroffen om overtreding van deze wet te voorkomen. Het plangebied is onderzocht en beoordeeld op de aanwezigheid van en betekenis voor door de Wet natuurbescherming beschermde plant- en diersoorten. Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 35

Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het mogelijk is dat met de plannen enkel vaste rust- en verblijfplaatsen of belangrijk leefgebied wordt aangetast van de in de Wet natuurbescherming beschermde vleermuissoorten. Nader onderzoek is nodig om het voorkomen van vleermuizen met zekerheid vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Dit nader onderzoek is door IDDS uitgevoerd binnen de periode zoals aangegeven in het vleermuisprotocol. Nader onderzoek vleermuizen Tijdens de veldbezoeken zijn vier verschillende soorten vleermuizen waargenomen: de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en de laatvlieger. De gewone dwergvleermuis is enkele keren kortstondig foeragerend waargenomen. De laatvlieger, rosse vleermuis en de ruige dwergvleermuis zijn uitsluitend overvliegend waargenomen. Er is tijdens het derde bezoek een uitvliegende gewone dwergvleermuis waargenomen. Het betreft hier een zomerverblijfplaat. Er zijn geen aanwijzingen gevonden gedurende de veldbezoeken dat er in het plangebied een essentieel foerageergebied of een vliegroute van vleermuizen aanwezig is. In het plangebied is geen essentieel foerageergebied en zijn er geen vliegroutes van vleermuizen vastgesteld. Er is wel een zomerverblijfplaats van een gewone dwergvleermuis aangetoond in het gebouw.

Voor vleermuizen is er dus een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig om de werkzaamheden uit te kunnen voeren. De ontheffing wordt aangevraagd. Gebiedsbescherming De planlocatie is niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebieden. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ligt op circa vijf kilometer afstand en is het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide. Op circa zeven kilometer ligt het Natura 2000-gebied Westduinpark & Wapendal. De woningen worden gasloos opgeleverd, waardoor er geen stikstofdepositie door middel van de verwarming zal zijn. Gezien de afstand tot de natuurgebieden en de grootte van het project is de verwachting dat dit niet leidt tot significante negatieve effecten. IDDS heeft in december 2020 (zie bijlage) een stikstofberekening uitgevoerd. De conclusie luidt dat er geen beschermde natuurgebieden worden getroffen door deze ontwikkeling. De rekentool geeft op basis van de opgestelde input, geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van het planvoornemen treedt er dus geen stikstofdepositie op in Natura 2000-gebied.

Conclusie In het kader van de sloop van het huidige kantoorpand, is een nader onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke verblijfplaats van vleermuizen. De conclusie is dat voor het verwijderen van een zomerverblijfplaats een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast is een stikstofberekening uitgevoerd. Het planvoornemen leidt op basis van de ingevoerde gegevens niet tot extra stikstofdepositie in Natura 2000gebied. Dit aspect vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

VERKEER EN PARKEREN Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld.

Relatie tot ontwikkeling Op 6 september 2012 is de Nota Parkeernormen; Voor nieuwe ontwikkelingen binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg, vastgesteld. Voor de normen wordt aansluiting gezocht bij de kengetallen van het CROW. Daarnaast is het Verkeers- en Vervoerplan; Herijking 2014, met doorkijk naar 2040 vastgesteld door de gemeenteraad op 14 oktober 2014. Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 36

In het kader van de herontwikkeling moet gekeken worden wat de verkeersgeneratie is, wat de parkeerbehoefte is en hoe de ontsluiting geregeld wordt van de nieuwe functie om voldoende parkeerplaatsen te waarborgen en ongewenste verkeerssituaties tegen te gaan. Op basis van onderstaande figuur kan bepaald worden dat de projectlocatie gelegen is in het gebied “Schil Centrum”. figuur 6. Zonering parkeren (Nota Parkeernormen)

Parkeren auto Voor het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt evenals de verkeersgeneratie, gebruik gemaakt van de CROW kengegevens. Ook hier wordt voor Voorburg een zeer sterke mate van verstedelijking gehanteerd en voor de projectlocatie ‘Schil Centrum’. In de Nota Parkeernormen is opgenomen dat bij locaties waar de functie gesloopt wordt en een nieuwe functie gerealiseerd wordt, de oude parkeersituatie betrokken kan worden. Uitgangspunt is en blijft dat de nieuwe parkeerdruk op het eigen terrein opgelost wordt. De parkeerdruk moet dus binnen het plangebied opgelost worden. Daarbij dienen parkeerplaatsen die in de oude situatie op het eigen terrein lagen, op het eigen terrein te blijven. Parkeerbehoefte Er wordt van uit gegaan dat het bestaande parkeerterrein in de situatie ten tijden van het in gebruik zijnde kantoor, bestemd was voor personeel en dat bezoekers van het kantoor aan de straatzijde parkeerden. Op basis van de parkeernormen is de parkeerbehoefte inzichtelijk gemaakt.

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 37

figuur 8. Parkeerbehoefte

Aantal woningen 4 sociale appartementen 2 middeldure appartementen 10 dure appartementen 16 woningen

Parkeernorm gemiddeld 1,3 1,5 1,6

parkeerbehoefte 5,2 3 16 24,2

In totaal zijn voor 16 woningen 24,2 parkeerplaatsen nodig. Dit mag op basis van de parkeernota afgerond worden naar 24 parkeerplaatsen. Het bezoekersdeel van de gehanteerde norm is 0,3 per woning, wat dus 5 (4,8) parkeerplaatsen is. In totaal zijn dus 24 parkeerplaatsen nodig, waarvan er 19 voor de bewoners zijn en 5 voor de bezoekers. Parkeren op eigen terrein Uitgangspunt vanuit de parkeernota is dat de parkeerbehoefte volledig op eigen terrein wordt opgelost. In voorliggend plan worden er 19 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd en één extra parkeerplaats in openbaar gebied (op de plek waar nu de inrit ligt). In beginsel worden er dus 20 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarvan 19 op eigen terrein. Hiermee wordt niet voldaan aan het uitgangspunt om alle parkeerplaatsen (24 stuks) op eigen terrein op te lossen. Afwijken van uitgangspunt Het parkeerbeleid biedt wel de mogelijkheid om af te wijken van dit uitgangspunt. Hiervoor is een stappenplan opgesteld die hieronder langsgelopen wordt: 1. Hoofddoel is dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen er alles aan doet om te voldoen aan de gemeentelijke parkeereis. Uitgangspunt daarbij is dat de parkeereis op eigen terrein wordt gerealiseerd en dat parkeerplaatsen toegankelijk moeten zijn conform de richtlijnen uit het ASVV 2004 (publicatie 720), ook voor bezoekers. 2.

Indien realisatie van de benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein in eerste instantie niet mogelijk lijkt, wordt beoordeeld of een aanpassing van het bouwplan (meer parkeerplaatsen en of minder bouwvolume) kan leiden tot het wel voldoen aan de gemeentelijke parkeereis. 3. Indien ook dit niet mogelijk is zal indien de locatie buiten het centrum is gelegen worden gekeken of er parkeerruimte in de omgeving voorhanden is (conform de in deze paragraaf 2.10 genoemde procedure) 4. Als de onder 1, 2 en 3 genoemde oplossingen echt niet mogelijk blijken kan de vergunningaanvrager, om voor ontheffing in aanmerking te komen, een schriftelijk verzoek indienen bij het college van B&W. Het verzoek van de aanvrager moet gegronde redenen bevatten om aan te tonen dat de bovengenoemde oplossingen niet mogelijk zijn. 5. Het college van B&W kan besluiten ontheffing te verlenen van de gemeentelijke parkeereis. De ontheffing kan worden verleend wanneer het college van B&W de realisatie van het initiatief belangrijker acht dan de nadelige gevolgen op het gebied van bereikbaarheid en leefbaarheid. Stap 1: De ontwikkelaar heeft in voorliggend project de eigen ruimte op maaiveld maximaal uitgenut voor parkeerplaatsen, met inachtneming van het realiseren van voldoende groen in het kader van duurzaamheid en klimaatadaptie.

De totale parkeerbehoefte is 24 plaatsen; er worden 19 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd en 1 parkeerplaats in de openbare ruimte (waar nu de inrit zit). Gesteld kan worden dat in ieder geval het bewonersparkeren op eigen terrein opgelost kan worden. Voor het bezoekersparkeren is er nog een tekort van 4 parkeerplaatsen. Stap 2: Nu het realiseren van alle 24 parkeerplaatsen op eigen terrein niet mogelijk is, worden de verschillende alternatieven bekeken:  Aanpassen bouwplan: het bouwplan met 16 woningen in de sociale, middeldure en dure sector levert een bijdrage aan niet alleen de kwantitatieve, maar ook de kwalitatieve behoefte binnen de Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 38

gemeente. Het is niet wenselijk het programma te wijzigen en minder woningen te realiseren. Dit zou feitelijk betekenen dat er of vier sociale woningen achterwege moeten blijven, of twee middeldure en twee dure woningen. Dit gaat ten alle tijden ten koste van het gevarieerde en gewenste programma. Realiseren parkeerkelder: de realisatie van een parkeergarage voor een relatief klein bouwplan met 16 woningen is dermate kostbaar waardoor de financiële haalbaarheid in het geding komt. Bovendien is er een ruim terrein aanwezig om parkeren op maaiveld aan te bieden. Hierdoor zou er enkel voor een klein aantal plaatsen een parkeergarage gerealiseerd moeten worden, wat financieel niet realistisch is. Parkeren aanbieden op een nabijgelegen locatie: er is geen fysieke ruimte aanwezig binnen een straal van 100 meter waarbij parkeerruimte gekocht/gehuurd kan worden om aan te bieden aan bewoners/bezoekers van de nieuwbouw.

Stap 3: Als redelijkerwijs op eigen terrein niet aan de parkeereis kan worden voldaan, dan kan mogelijk een beroep gedaan worden op de beschikbare openbare parkeerruimte, als na onafhankelijk onderzoek blijkt dat daarmee de parkeerdruk in de directe omgeving op het maatgevende moment in de week onder de 85% zal blijven. Hiervoor is door Datacount een parkeertellingenonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage toegevoegd. Hierbij is het volgende uitgangspunt gehanteerd: er worden 19 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. Op basis van de parkeerbehoefte kan hiermee voorzien worden in het volledige parkeren voor bewoners. Er zijn echter nog vijf parkeerplaatsen nodig voor bezoekers. Één parkeerplaats wordt als onderdeel van voorliggend plan al gerealiseerd in de openbare ruimte, waar nu nog een inrit aanwezig is richting het parkeerterrein. Deze inrit verdwijnt en hier wordt een parkeerplaats gerealiseerd die door bezoekers kan worden gebruikt waardoor er nog vier parkeerplaatsen voor bezoek nodig zijn. Conform de Nota Parkeernormen van de gemeente Leidschendam-Voorburg is dit mogelijk, indien redelijkerwijs niet op eigen terrein aan de parkeereis voldaan kan worden. Hiervoor is wel de vereiste dat de openbare parkeerdruk op het maatgevende moment onder de 85% zal blijven.

Bezoekersparkeren Voor bezoekersparkeren geldt dat de maatgevende momenten conform de parkeernota gelegen zijn op werken weekenddagavond en op de weekenddagmiddagen. Daarom is op die momenten parkeeronderzoek uitgevoerd in een gebied tot 100 meter loopafstand. Datacount heeft in december 2020 parkeertellingen uitgevoerd om dit te kunnen toetsen (zie bijlage). Tabellen aanwezigheidspercentages

Capaciteitsinventarisatie De volgende capaciteiten zijn waargenomen in het onderzoeksgebied, waarbij bij de totale capaciteit ook de invalidenparkeerplaatsen, laad- en losplekken en een parkeerplaats gereserveerd voor artsen zijn meegeteld: Onderzoeksgebied 100 meter Totaal

Totale capaciteit 78 78

Openbare capaciteit 77 77

Hiermee mag de maximale bezetting uitkomen op 65 parkeerders op de openbare capaciteit, indien voldaan moet worden aan de 85%-eis.

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 39

Voor de belangrijkste maatgevende momenten, werkdagavond en zaterdagavond, geldt dat er van de 77 beschikbare openbare parkeerplaatsen respectievelijk 55 en 56 bezet waren. Om een parkeerdruk onder de 85% te houden, mogen er maximaal 65 bezet zijn, wat betekent dat er respectievelijk 10 en 9 vrije plaatsen beschikbaar zijn om de extra behoefte mee op te vangen. Dit geeft de mogelijkheid om het bezoekersparkeren volledig af te wentelen op de openbare ruimte en de parkeerplaatsen op eigen terrein ook aan te kunnen bieden aan de bewoners van het nieuwe appartementengebouw. Nu uit het onderzoek blijkt dat er voor zowel bewoners (op eigen terrein) als voor bezoekers (openbare ruimte) op de maatgevende momenten voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn, kan gesteld worden dat met voorliggend plan en parkeeroplossing in voldoende parkeerplaatsen wordt voorzien. Het doorlopen van stap 4 en 5 is hiermee niet meer nodig. figuur 8. Parkeerplaatsen nieuwe situatie (Bron: KOW architecten, bewerking Mees)

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 40

Parkeren fiets Het Verkeers- en Vervoerplan; Herijking 2014, met doorkijk naar 2040 is vastgesteld door de gemeenteraad op 14 oktober 2014. Doel is het fietsgebruik in de periode tot 2020 met 30% te laten groeien en in de periode tot 2040 met 50%. Dit doel sluit naadloos aan op het fietsbeleid van het Stadsgewest Haaglanden. Daarbij wordt onder andere ingezet op voldoende en goede parkeervoorzieningen voor de fiets, met name bij openbaar vervoer haltes/stations en nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en daarnaast bij woningen zonder berging. Voor het fietsparkeren is in de bijlagen van de Nota Parkeernormen onderstaande tabel opgenomen. Tabel 2. Parkeernormen fietsparkeren voor woningen (Nota Parkeernormen, 2012)

Voor fietsparkeren wordt een gezamenlijke fietsenstalling gerealiseerd met voldoende plek voor de benodigde fietsen. Hiervoor komt een concreet voorstel bij de omgevingsvergunning activiteit bouwen. Verkeersgeneratie Op basis van het type woningen kan, in combinatie met de mate van stedelijkheid, op basis van kengetallen van het CROW bepaald worden wat de te verwachten verkeersgeneratie is. De gemeente LeidschendamVoorburg wordt, met een omgevingsadressendichtheid van 2836, aangemerkt als zeer sterk stedelijk. Binnen Voorburg ligt de planlocatie aan de rand van het centrum. Op basis van deze gegevens de maximale verkeersgeneratie van het woningbouwprogramma bepaald worden. Tabel 3. Verkeersgeneratie per etmaal (zeer sterk stedelijk, schil centrum)

Type woning

Maximale verkeersgeneratie per eenheid

Aantal eenheden

Totale verkeersgeneratie (incl. vrachtverkeer)

appartement , goedkoop

4

2,6

10,4

appartementen, middenduur

2

4,5

9

appartement, duur

10

6,2

62

Totaal

16

81,4

Ontsluiting Vanaf de projectlocatie voert de Parkweg in westelijke richting, via het centrum van Voorburg, de Laan van Nieuw Oosteinde en de Maanweg naar de aansluiting op de A12. Richting het oosten leidt de Parkweg via Oosteind en de N14 naar de aansluiting op de A4. Naast de ontsluiting met de auto zijn busstations aan beide zijden van de projectlocatie gelegen. Het metrostation Voorburg, Leidschendam-Voorburg ligt op circa 1,5 kilometer en treinstation Voorburg op 700 meter afstand.

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 41

Afwikkeling verkeer De Parkweg is een weg voor doorstromend stadsverkeer (30-50 km per uur) met een intensiteit van 10.000 tot 20.000 voertuigen per etmaal. De toevoeging van 75 voertuigen per etmaal zal niet zorgen voor een significant verschil en kan goed opgevangen worden om de omliggende wegenstructuur. Openbaar vervoer Op loopafstand liggen binnen een straal van 40 meter twee bushaltes voor buslijnen 23, 45 en 46. Het metrostation Voorburg, Leidschendam-Voorburg ligt op circa 1,5 kilometer en treinstation Voorburg op 700 meter afstand, beide op fietsafstand.

Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

WATER Algemeen Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het doorlopen van de watertoets verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt.

Beleid Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en is opgesteld voor de planperiode 2016 - 2021. Het Nationaal Waterplan beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid. Het Rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op de korte en de lange termijn. Om een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem te bereiken moet het water meer bepalend zijn bij de besluitvorming over grote ruimtelijke opgaven dan voorheen. De mate waarin wordt afhankelijk gesteld van, onder meer, de omvang en de aard van de ingrepen, bestaande functies, nieuwe andere ruimteclaims en de bodemgesteldheid van een gebied. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het Nationaal Waterplan is gedetailleerder dan de SVIR en blijft als uitwerking van de SVIR bestaan. Specifiek gaat het over de gebieden die deel uitmaken van de ruimtelijke hoofdstructuur, het IJsselmeer, de Noordzee en de rivieren.

Ook de bescherming van vitale functies en kwetsbare objecten is een onderwerp van nationaal belang. Hiervoor geldt het Barro. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daar- bij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 42

hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten.

In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen in 2015 op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2027 een 'goede ecologische toestand' (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2027 een 'goed ecologisch potentieel' (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2027 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn. Waterplan Leidschendam-Voorburg 2016-2021 Het water- en rioleringsplan gaat ervan uit dat het watersysteem zo veel water kan bergen dat wateroverlast en verdroging voorkomen kunnen worden. Bovendien moet het water dan schoon en ecologisch gezond zijn en bijdragen aan een prettige leefomgeving. Daarnaast dient bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden met de effecten van klimaatverandering. Om de ambitieuze doelen van het Waterplan te realiseren moet water een integraal onderdeel zijn van alle strategische en ruimtelijke plannen. Het waterplan moet het waterbeheer inhoudelijk en procesmatig verbeteren, met voortdurende aandacht voor duurzaamheid. In tal van beleidsdocumenten wordt aandacht besteed aan het belang van 'water'.

Centraal uitgangspunt in het beleid is dat water meer ruimte gegeven moet worden om te voorkomen dat de waterproblematiek in tijd of ruimte wordt afgewenteld. Er worden daarvoor twee drietrapsstrategieën als uitgangspunten aangegeven: 1. ten aanzien van waterkwantiteit: Vasthouden - Bergen - Afvoeren; 2. ten aanzien van waterkwaliteit: Schoonhouden - Scheiden - Zuiveren. Daarnaast zijn aspecten als beperken van bodemdaling en het vergroten van de ecologische potenties van het water inclusief de oeverzones van belang. Deze strategieën vertalen zich voor het stedelijk gebied in aandachtspunten als: meer ruimte voor water en een relatie tussen het stedelijk water en het water in het omliggende gebied;  verbetering van de waterkwaliteit;  vergroting van de belevingswaarde van water;  kansen voor natuur en recreatie in en rondom stedelijk water. Beleid waterbeheerder In het Waterbeheerplan 2016-2021 (WBP5) heeft Delfland de ambities en doelstellingen voor de komende jaren vastgelegd. Voor de zorgplicht voor ‘droge voeten’, ‘stevige dijken’ en ‘schoon water’ zijn meerjarenprogramma’s opgesteld die doorlopen in de planperiode tot 2021. Delfland zet in op integraal waterbeheer in het sterk verstedelijkt deel van Nederland. Samen met de gemeenten en andere partners werkt Delfland aan klimaatadaptatie.

Een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem is vertaald naar zelfvoorzienendheid door het sluiten van kringlopen van water, energie en grondstoffen. Om doelen te bereiken werkt Delfland samen met gebiedspartners. Delfland werkt ook aan het waterbewustzijn om de kosten van het waterbeheer Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 43

waar mogelijk te verlagen en het draagvlak te vergroten voor het zelf nemen van maatregelen. Met de watertoets wordt gestreefd naar een goede inpassing van water in ruimtelijke planvorming. Voorkomen moet worden, dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen negatieve effecten hebben op het watersysteem. Waar mogelijk moeten kansen worden benut om het watersysteem te verbeteren. Standstill-beginsel (thema Voorkomen wateroverlast) Conform het standstill-beginsel mag de kans op wateroverlast niet toenemen als gevolg van het ruimtelijke plan. De initiatiefnemer moet ervoor zorgen, dat de negatieve gevolgen van het ruimtelijke plan worden gecompenseerd. Compensatie moet worden gerealiseerd door middel van bergen óf in het onderdeel van de trits vasthouden-bergen-afvoeren, waarin de verslechtering optreedt. Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, of de vasthoudcapaciteit van een gebied op andere manieren wordt verkleind, zorgen voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater, doordat water niet langer in de bodem kan infiltreren maar oppervlakkig of via (hemelwater)riolering wordt afgevoerd. Dit kan leiden tot wateroverlast, en past dus niet binnen het standstill-beginsel, tenzij ter compensatie extra waterberging wordt gerealiseerd.

Relatie tot ontwikkeling Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het doorlopen van de watertoets verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt. In dit kader heeft het Hoogheemraadschap van Delftland op 21 januari 2021 een advies uitgebracht over het voorliggende plan. Dit advies is verwerkt in voorliggende paragraaf. Situatie plangebied Verantwoordelijk voor de waterkwaliteit en waterkwaliteit ter plaatse van de projectlocatie is het hoogheemraadschap van Delfland. Voor de riolering is de gemeente Leidschendam-Voorburg het bevoegd gezag. Waterkwaliteit Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, zo veel mogelijk vermeden / niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Waterkwantiteit Bij een toename van het verhard oppervlak kan een watervergunning en kunnen compenserende maatregelen aan de orde zijn.

Het plangebied is in de huidige situatie al volledig verhard met een deel bebouwing (circa 270 m2) en bestrating. In de toekomstige situatie zal het bebouwde oppervlakte toenemen tot een totaal bvo van circa 400 m2. Om te bepalen hoeveel waterberging nodig is om de ontwikkeling hydrologisch neutraal te kunnen uitvoeren is gebruik gemaakt van de Watersleutel. Deze rekentool heeft Delfland ontwikkeld om voor eenvoudige plannen op basis van een aantal kenmerken van de ontwikkeling en het watersysteem snel inzicht te krijgen in de benodigde compensatie. De huidige hoeveelheid oppervlaktewater geldt vanuit het waterschap als absoluut minimum. Het plangebied kent geen waterbergingstekort. Vanuit het Water- en rioleringsplan dient bij herontwikkeling de bergingscapaciteit tenminste gelijk te blijven. De watersleutel is als bijlage terug te vinden.

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 44

figuur 9. Groen/onverhard bestaand en toekomstig (Bron: KOW architecten, bewerking Mees)

Belangrijk bij het bepalen van een eventuele wateropgave is de vraag of de ruimtelijke ontwikkeling de hoeveelheid m2 verhard oppervlakte vergroot. In onderstaande tabel is de hoeveelheid bebouwing in de oude situatie vergeleken met de nieuwe situatie. Op basis van onderstaande tabel kan geconcludeerd worden dat de hoeveelheid verharding in de nieuwe situatie met circa 269 m2 afneemt. In de toekomstige situatie zal er sprake zijn van een enorme kwaliteitswinst ten opzichte van de waterhuishouding in onderhavig plangebied, van een wateropgave is derhalve geen sprake. Naast de nieuw aan te leggen groenstroken, wordt nader onderzocht of de parkeerplaatsen ook middels open verharding met grasblokken uitgevoerd kunnen worden. Aangezien dit nog niet concreet genoeg is, is dit niet meegenomen in de watersleutel. Tabel: verharding

Oude situatie Nieuwe situatie Verschil (oud - nieuw)

Bebouwd oppervlak in m2 1.473 1.204 -269

Onverhard 74 343 +269

Klimaatadaptatie Gezien de verwachte klimaatverandering waardoor steeds vaker langdurige hevige regen optreedt en hitte vaker voorkomt is het raadzaam om verharding zo mogelijk te beperken, regenwater vast te houden waar het valt en vertraagd af te voeren. Hierdoor worden hoge waterstanden verkleind en daarmee de kans op wateroverlast. Op hitte heeft het aanleggen van groen (en daarmee verharding verminderen) een verminderend effect: het versterkt verdamping wat een verkoelend effect heeft. Met de herinrichting van de buitenruimte rondom het appartementencomplex wordt meer groen toegevoegd. Hemelwater zal in de toekomstige situatie makkelijker kunnen infiltreren waardoor de kans op wateroverlast verkleind wordt. De afname van verharding heeft bovendien een positief effect op de hitte binnen het plangebied.

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 45

Beschermde gebieden en onderhoud watergang Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een waterkering. Op de legger van het hoogheemraadschap is te zien dat er een duiker langs de projectlocatie gelegen is. Aangezien dit geen oppervlaktewater betreft, ligt er langs de duiker geen beschermingszone. figuur 8: uitsnede legger

Op basis van de legger ligt de duiker buiten het kadastrale perceel waaruit het projectgebied bestaat. De instandhouding van de constructie en het onderhoud ten behoeve van de doorstroming van de duiker berust bij de eigenaar van de grond waarin de duiker is gelegen. In geval de nieuwbouw binnen het kadastrale perceel blijft, lijkt hier geen belemmering te zijn. Grondwater Het nieuwbouwplan wordt op gelijk niveau gerealiseerd als het bestaande gebouw. Er worden geen ondergrondse constructies of kelders gerealiseerd die gevolgen kunnen hebben voor het grondwater. Riolering De gemeente stelt als eis dat nieuwbouwplannen voorzien in het gescheiden aanbieden van vuilwater en schoon hemelwater. Schoon hemelwater kan dan (op termijn) worden 'afgekoppeld' van het gemengde rioolstelsel en (vertraagd) afgevoerd worden naar het oppervlaktewater. In voorliggend project wordt in ieder geval aangesloten op het huidige systeem in de omgeving. Het hemelwater wordt gescheiden afgevoerd, waarbij gebruik gemaakt kan worden van de infiltratiemogelijkheden die gerealiseerd worden door nieuwe groenstroken aan te leggen in de openbare ruimte rondom het gebouw.

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 46

(VORMVRIJE) M.E.R-BEOORDELING Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt alsnog een m.e.r.-plicht. In bijlage D worden in kolom 2 drempelwaarden gegeven. Indien een ontwikkeling boven de drempelwaarden uitkomt, geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Op het moment dat een ontwikkeling genoemd staat in bijlage D, maar onder de drempelwaarden valt, dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze beoordeling vindt plaats middels de zogeheten ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’.

Sinds 16 mei 2017 dient het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen teneinde vast te stellen of voor een ruimtelijke ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld door de initiatiefnemer. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU.

Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van 16 woningen op de plek waar nu een kantoorpand aanwezig is. Een dergelijke ontwikkeling kan worden getypeerd als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Een stedelijk ontwikkelingsproject staat genoemd in bijlage D, onderdeel D11.2 en is m.e.r.beoordelingsplichtig wanneer het betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Onderhavige ontwikkeling valt daarmee ruim onder de drempelwaarden. Er geldt geen directe m.e.r.beoordelingsplicht, een vormvrije m.e.r.-beoordeling is wel noodzakelijk. Indien hieruit blijkt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, geldt alsnog een m.e.r.-beoordelingsplicht. Ten behoeve van de ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld. De aanmeldnotitie met daarin opgenomen de vormvrije m.e.r.-beoordeling is toegevoegd aan de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Geconcludeerd kan worden dat er geen significant negatieve effecten op het milieu ontstaan als gevolg van de ontwikkeling van het projectgebied van kantoorlocatie naar woningbouw.

De activiteiten die mogelijk worden gemaakt zijn, gelet op de kenmerken en de plaats van de activiteiten en de kenmerken van de potentiële effecten, niet zodanig van invloed op het milieu dat een milieueffectrapportage moet worden doorlopen. Op basis van de aanmeldnotitie neemt het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit.

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 47

5

BESCHRIJVING UITVOERBAARHEID ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Het project wordt door initiatiefnemer uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. Er is geen aanleiding om aan de economische haalbaarheid van het plan te twijfelen. Ten behoeve van de herontwikkeling wordt een overeenkomst gesloten tussen Gemeente Leidschendam Voorburg en Waaijer Projectrealisatie bv. Hierin wordt overeengekomen dat op het moment er sprake is van planschade, voortvloeiend uit voorliggende planologische mutatie, deze schade in zijn geheel ten laste komt aan initiatiefnemer.

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Planologische procedure Voor deze ontwikkeling wordt de uitgebreide planologische procedure doorlopen. Het is daarom in eerste instantie voor een ieder mogelijk door middel van een inspraakreactie of zienswijze te reageren op het ontwerpbesluit, dat gedurende zes weken ter inzage ligt. Vervolgens staat nog de gang naar de rechtbank en daarna de Raad van State open. Met bovenstaande procedures wordt de maatschappelijke betrokkenheid afdoende gewaarborgd.

Participatie In het kader van de herontwikkeling is door initiatiefnemer een uitgebreid participatietraject gevoerd. Hierbij zijn de omliggende percelen betrokken en de Wijkvereniging Oud Voorburg en Stichting Mooi Voorburg. Hiervan is een verslag gemaakt dat terug te vinden is in de bijlagen. De volgende acties zijn ondernomen:  18-12-2019: informatiebrief verzonden  April – mei 2020: participatiebijeenkomsten op projectlocatie: participanten zijn individueel uitgenodigd  27 januari 2021: informatiebrief met terugkoppeling aanpassingen n.a.v. participatie Aanpassingen: De aanpassingen die zijn verwerkt in de plannen bestaan in hoofdzaak uit: 1. De pergola met zonnepanelen op het parkeerterrein is vervallen. 2. De derde bouwlaag heeft een set back met daarop een dakterras gekregen. 3. In het programma zijn vier sociale en twee middeldure koopwoningen opgenomen, zoals met de gemeente overeengekomen. 4. Aan de Rozenboomlaan is één verticale rij buitenruimten vervallen als gevolg van de wijzigingen in het programma. 5. De entree is verplaatst van de Parkweg naar de Rozenboomlaan als gevolg van de wijzigingen in het programma.

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 48

Met deze wijzigingen is het ontwerp aangepast om zodoende de opmerkingen met betrekking op de schaduw, bouwhoogte en zonnepanelen te beantwoorden. In het voorlopige ontwerp is ook de bezonningsstudie verder uitgewerkt en heeft een hovenier alle beplanting en is toegezegd dat het gebouw ook in andere kleuren metselwerk zal worden getoond bij de uitwerking van het VO. Hiermee is gereageerd op alle gemaakte opmerkingen, met uitzondering van de opmerkingen met betrekking tot het uitzicht. Met betrekking tot deze opmerkingen is terug gekoppeld dat de beperkingen met betrekking tot het uitzicht binnen de voorgenomen ontwikkeling niet kunnen worden voorkomen, maar dat hiervoor de mogelijkheid bestaat een planschadeclaim in te dienen.

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 49

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 50

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=a97a3a27-b991-4a23-bd07-99c9e9297a33