CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

2596 Ruimtelijke onderbouwing Parkweg 127 Voorburg, d.d. 12-11-2021

Raadsvergadering 25 januari 2022, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: Ontwerp verklaring van geen bedenkingen Parkweg 127 in Voorburg.16.833 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke onderbouwing Project Status Projectnummer Datum Auteur

Parkweg 127 Voorburg Versie 2.2 19344 12 november 2021 drs. I.M. Dias

Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628

COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085 – 744 08 38 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch op geluidsband of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Mees Ruimte & Milieu.

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 2

INHOUDSOPGAVE 1 2

3

4

5

Inleiding Projectbeschrijving

4 5

Projectlocatie Projectplan Vigerend bestemmingsplan

5 6 9

Ruimtelijk beleid

11

Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

11 12 14 15

Omgevingsaspecten

19

Motivering behoefte / Ladder voor duurzame verstedelijking Archeologie en cultuurhistorie Bedrijven en milieuzonering Bezonning Bodem Duurzaamheid Externe veiligheid Geluid Luchtkwaliteit Natuur Verkeer en parkeren Water (Vormvrije) m.e.r-beoordeling

19 21 23 24 25 25 26 27 33 35 36 42 47

Beschrijving uitvoerbaarheid

48

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

48 48

Bijlagen 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13

archeologie bezonning bodemonderzoek geluidsonderzoek (memo) geluidsonderzoek compleet quickscan flora en fauna vleermuizenonderzoek stikstofberekening parkeertellingen watersleutel aanmeldnotitie m.e.r. participatieverslag tekeningen plan Parkweg 127

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 3

1

INLEIDING In opdracht van Waaijer Projectrealisatie BV heeft Mees Ruimte & Milieu een ruimtelijke onderbouwing opgesteld voor de gewenste ontwikkeling van een appartementengebouw ter plaatse van de Parkweg 127 te Voorburg. Omdat de ontwikkeling niet mogelijk is op basis van het vigerende bestemmingsplan, dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt doorlopen aan de hand van de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘planologisch strijdig gebruik’. Onderdeel van deze omgevingsvergunning is de motivatie om af te wijken van het vigerende bestemmingsplan, de zogenoemde Goede Ruimtelijke Onderbouwing (GRO). Voorliggende rapportage betreft de GRO, waarin het project aan de hand van zowel ruimtelijke als milieutechnische aspecten wordt gemotiveerd. Nb. De procedure wordt in tweeën geknipt: allereerst wordt de aanvraag voor ‘planologisch strijdig gebruik’ ingediend en op het moment dat deze verleend is, wordt de aanvraag ‘activiteit bouwen’ ingediend.

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 4

2

PROJECTBESCHRIJVING PROJECTLOCATIE De planlocatie is gelegen in de punt tussen de Rozenboomlaan en de Parkweg te Voorburg op korte afstand van het centrum, groen en openbaar vervoer. In de huidige situatie is het pand in gebruik als kantoor van de Rabobank. Kadastraal staat de projectlocatie bekend als Gemeente Voorburg, sectie E, nummer 7996. Figuur 1 luchtfoto projectlocatie

figuur 1. Kadastraal perceel (bron: Kadasterdata)

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 5

figuur 2. huidige situatie (bron: google.nl/maps)

PROJECTPLAN Het doel is om de locatie te transformeren van kantoorgebouw naar woongebouw met 16 koop appartementen. De appartementen zijn verdeeld over vijf bouwlagen, waarbij de bovenste bouwlagen gedeeltelijk terug liggen ten opzichte van de achterliggende bebouwing. Op de begane grond bevindt zich de entree, de gezamenlijke inpandige fietsenberging en worden drie appartementen gerealiseerd. De containerruimte zal ofwel inpandig of op het eigen terrein gerealiseerd worden. Op de eerste en tweede verdieping komen ook elk vijf appartementen. De derde verdieping bestaat uit twee appartementen en de vierde verdieping uit één appartement. Het parkeren vindt plaats op maaiveld, gelijk aan de bestaande situatie. figuur 3. impressie toekomstige situatie (KOW Architecten)

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 6

figuur 4. vogelvlucht impressie toekomstige situatie (KOW Architecten)

figuur 5. situatietekening toekomstige situatie (KOW Architecten)

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 7

Stedenbouw Situatie De bouwlocatie ligt aan het kruispunt Van de Parkweg en de Rozenboomlaan. Aan oostzijde sluit de locatie aan op de vrijstaande en in korte blokken geschakelde jaren ’30 woonbebouwing langs de Parkweg. Kenmerkend zijn de variatie in gevelarchitectuur en kapvormen, de ruime voortuinen en het ruime wegprofiel met het groene straatbeeld. De bouwhoogte bedraagt uitsluitend twee lagen met kap. Ook de laagbouw aan de Rozenboomlaan toont een gevarieerd beeld. Aan de westzijde bevinden zicht aan weerszijden van de Parkweg twee appartementengebouwen met maximale bouwhoogten van respectievelijk vier en vijf lagen. Schetsplan De uiterste rooilijnen van het nieuwbouwvlak liggen in het verlengde van de woonbebouwing aan de twee wegen waarmee een goede aansluiting op de omliggende bebouwing wordt gerealiseerd. De bouwlocatie is prominent zichtbaar vanuit de omgeving. De driehoekige vorm van de nieuwbouw maakt een passende accentuering van deze zichtlocatie mogelijk. De ligging en de driehoekige vorm van het hoekpunt de kruising vraagt om een kwalitatief hoogwaardige architectonische uitwerking. De oorspronkelijk aanwezige Wilhelminaschool vormt een aansprekend voorbeeld van een passende en herkenbare invulling.

Op basis van een uitgevoerde bezonningsstudie (zie ook paragraaf 4.5) kan geconcludeerd worden dat er voldoende zonuren aanwezig blijven in de achtertuinen van de belendende percelen na realisatie van het project. figuur 6. vogelvlucht impressie toekomstige situatie (KOW Architecten)

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 8

VIGEREND BESTEMMINGSPLAN Het vigerende bestemmingsplan is het bestemmingsplan “Oosteinde-Parkweg”, vastgesteld op 14 mei 2013. De planlocatie heeft de bestemming ‘Kantoor’, met de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie-5. Er geldt een bouwvlak, waarbinnen gebouwd mag worden met een maximale bouwhoogte van 9 meter en een maximale goothoogte van 6 meter. figuur 7. uitsnede bestemmingsplankaart op luchtfoto (QGIS)

Binnen de bestemming ‘Kantoor’ worden kantoren toegestaan, maar ook nutsbedrijven en diverse infrastructuur zoals opgenomen in artikel 12.1.1. 12.1 Bestemmingsomschrijving 12.1.1 Algemeen De voor 'Kantoor' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. kantoren; met de daarbij behorende: b. c. d. e. f. g. h.

erven; groenvoorzieningen; nutsvoorzieningen; ontsluitingswegen; paden; parkeervoorzieningen; waterlopen en waterpartijen;

12.1.2 Dubbelbestemming Voor zover de in het eerste lid genoemde gronden tevens zijn aangewezen voor de bestemming Waarde - Archeologie 5 22.1 Bestemmingsomschrijving 22.1.1 Algemeen

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 9

De voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden zijn bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden.

Omdat de voorgenomen ontwikkeling, het realiseren van woningen, strijdig is met de kantoorbestemming uit het bestemmingsplan, is een planologische procedure vereist om af te wijken van het bestemmingsplan. Om de genoemde strijdigheden weg te nemen en het project planologisch mogelijk te maken, wordt een procedure doorlopen aan de hand van een omgevingsvergunning ‘planologisch strijdig gebruik’. Bij het doorlopen van de planologische procedure dient tevens rekening te worden gehouden met het bepaalde ten aanzien van archeologie. Voor dit onderdeel wordt verwezen naar paragraaf 4.2 van voorliggende rapportage.

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 10

3

RUIMTELIJK BELEID RIJKSBELEID Nationale Omgevingsvisie Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. Figuur 3. Afwegen met de NOVI. Bron: Nationale Omgevingsvisie.

De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. 1. 2. 3. 4.

Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel Sterke en gezonde steden en regio’s Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: ‘(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 11

gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig 2. Kenmerken & identiteit 3. Afwentelen voorkomen 3.1.1.1 Relatie tot ontwikkeling Op het projectgebied zijn geen nationale belangen van toepassing. Hiermee is de Nationale Omgevingsvisie niet relevant voor het projectgebied aan de Parkweg. 3.1.1.2 Conclusie Geen van de 21 nationale belangen worden geraakt met voorliggend project. Beleid voor deze specifieke locatie dan wel ontwikkeling wordt daarom overgelaten aan de provincie en de gemeente.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk rijksbeleid te borgen en legt daarmee nationale ruimtelijke belangen vast. De ruimtelijke onderwerpen van nationaal belang zijn daardoor beperkt. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. In hoofdstuk 2 van het Barro is, om de nationale belangen te beschermen per onderwerp (één onderwerp per titel) aangegeven welke beperkingen er per welk (ruimtelijk) gebied gelden. 3.1.2.1 Relatie tot ontwikkeling Het Barro legt geen restricties op voor de locatie waar de ontwikkeling wordt voorzien. 3.1.2.2 Conclusie Het Barro vormt geen belemmering voor het realiseren van het woongebouw.

PROVINCIAAL BELEID Omgevingsvisie Zuid-Holland Per 1 april 2019 is de Zuid-Hollandse Omgevingsvisie in werking getreden. In de Omgevingsvisie is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Er is daarom geen eindbeeld voor 2030 of 2050 opgenomen, maar de maatschappelijke opgaven zijn vertaald in ambities. In de Omgevingsvisie zijn zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving vastgesteld: 1. Naar een klimaatbestendige delta 2. Naar een nieuwe economie: the next level 3. Naar een levendige meerkernige metropool 4. Energievernieuwing 5. Best bereikbare provincie 6. Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 12

Voor het realiseren van maatschappelijke belangen wordt vanuit bovenstaande vernieuwingsambities gewerkt en vanuit opgaven in gebieden. Daarnaast wordt vanuit twaalf samenhangende opgaven de zorg voor een goede omgevingskwaliteit ingevuld. Per opgave zijn de beleidskeuzes aangegeven. Omgevingskwaliteit Zuid-Holland Met betrekking tot omgevingskwaliteit stelt de provincie opgaven met onder andere betrekking op: - Ruimte en verstedelijking: Zorgen voor een zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied - Wonen: Bevorderen van de beschikbaarheid van voldoende passende woningen in een aantrekkelijke leefomgeving, aansluitend op de behoeften van verschillende doelgroepen Beleid ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Relatie tot het plan Ten aanzien van omgevingskwaliteit zal de herontwikkeling zorgen voor een kwalitatief hoogwaardig gebouw passend in de aard van het landschap (stedelijk gebied).

De ontwikkeling van appartementen speelt in op de behoefte van ouderen die hun eengezinswoning willen verkopen en gelijkvloers dichtbij het centrum willen wonen. De bestaande structuren en kwaliteiten veranderen door de ontwikkeling niet tot nauwelijks en voorziet in een bepaalde woningbehoefte. Een rol van de provincie is in deze ontwikkeling dan ook niet aan de orde.

Omgevingsverordening Zuid-Holland Per 1 april 2019 is, naast de Omgevingsvisie, ook de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in werking getreden. De inhoud van de omgevingsvisie is voor een groot deel leidend voor de inhoud van de omgevingsverordening. In de verordening van provinciale staten van Zuid-Holland zijn de regels opgenomen voor het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving waarbij een provinciaal belang speelt. De provincie heeft in de Omgevingsverordening Zuid - Holland daarom onder meer regels opgenomen over Activiteiten in de fysieke leefomgeving, zoals bodemsanering en flora- en fauna activiteiten, de leefomgevingskwaliteit en instructieregels aangaande gemeentelijke bestemmingsplannen. Zo worden er bijvoorbeeld voorwaarden gesteld aan bestemmingsplannen welke de ontwikkeling van bedrijven of kantoren mogelijk maken of welke betrekking hebben op gebieden met een provinciaal belang, zoals langs provinciale vaarwegen of nabij landgoederen en kastelen. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Hoe groot die ruimtelijke impact is wordt in specifieke gevallen bepaald aan de hand van gebiedsprofielen en door onderscheid te maken in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie.

Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 13

per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid. Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen 7. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b.

indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. 1. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 2. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie. Stedelijke ontwikkelingen Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD. Het plan past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. Relatie tot het plan Het plangebied is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied.

Daarmee wordt voldaan aan het uitgangspunt dat stedelijke ontwikkelingen bij voorkeur op dergelijke locaties plaatsvinden. In onderhavig geval is sprake van inpassing van een ontwikkeling die voldoet aan de richtpunten van de kwaliteitskaart, zie ook paragraaf 3.2.1. De in artikel 6.10 lid 7 vereiste ladder voor duurzame verstedelijking wordt in 4.1.1 doorlopen.

REGIONAAL BELEID Woonvisie woningmarktregio Haaglanden 2017-2021 De Haaglandengemeenten vormen al jaren een gezamenlijke woningmarktregio. De regionale samenwerking op het gebied van 'wonen' is na het opheffen van het Stadsgewest Haaglanden voortgezet middels een bestuurlijke tafel Wonen met de negen Haaglandengemeenten. Aan de hand van een gezamenlijk woningbouwprogramma willen de gemeenten zo goed en efficiënt mogelijk inspelen op zowel de kwalitatieve als kwantitatieve woningbehoeften van de regio Haaglanden. Een vast uitgangspunt daarbij is het zoveel mogelijk realiseren van de woonopgaven binnen bestaand stedelijke

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 14

gebieden. Dit omwille van het in stand kunnen houden van de specifieke groene en blauwe kwaliteiten van de regio, die in belangrijke mate bijdragen aan het prettige woonklimaat van Haaglanden. Qua toekomstige omvang van de regionale woningvoorraad streven de gemeenten er gezamenlijk naar om te voldoen aan de tot 2025 volgens de provinciale prognose (2016) verwachte behoefte van ruim 50.000 nieuwe woningen. Gemeenten kijken daartoe met name ook naar de mogelijkheden die leegstaande kantoren en leegstand op oude bedrijventerreinen biedt om nieuwe woningen toe te voegen. Daarnaast zal uiteraard ook nieuwbouw van woningen plaatsvinden. Relatie met ontwikkeling Eén van de uitgangspunten vanuit de regionale woonvisie is het realiseren van de woonopgave binnen bestaande stedelijke gebieden. De gemeenten streven er naar om aan de provinciale vraag van ruim 50.000 woningen tot 2025 te voldoen. Dit is een grote opgave en met het onderhavige plan wordt een kleine bijdrage geleverd door een woongebied te realiseren met 16 woningen binnen bestaand stedelijk gebied.

GEMEENTELIJK BELEID Structuurvisie Ruimte voor Wensen 2040, herijking 2012 De structuurvisie Ruimte voor Wensen 2040 is vastgesteld in 2006 en herijkt vastgesteld op 25 september 2012. De structuurvisie vormt de basis voor de (bestuurlijk) strategische keuzes en geeft richting aan de hoofdlijnen van het gewenste ruimtelijke ontwikkelingsbeeld van de gemeente tot 2040. Als overkoepelende ambitie streeft de structuurvisie naar een positionering van de gemeente als aantrekkelijke, groene en duurzame woon- en werkstad. De herijkte uitgangspunten (opgaven, doelstellingen en ambities) zijn vertaald naar drie pijlers:  versterken van de groene woonstad;  verbeteren van economische kansen en voorzieningenstructuur;  beter benutten en verbeteren van de bereikbaarheid. De structuurvisie gaat daarbij uit van een indeling van de gemeente in een stedelijk gebied, de Vlietzone en het buitengebied. Het plangebied valt binnen het zogenaamde stedelijk gebied. Voor het stedelijke gebied zijn de onderstaande opgaven geformuleerd. Stedelijk gebied, kwantitatief:  realisatie van 80% van de woningbouwopgave binnen bestaand stedelijk gebied;  faciliteren van 5% groei van de bevolking in de periode 2012-2040.

Stedelijk gebied, kwalitatief:  behoud en versterking van het groene karakter van de stad en van de kwaliteit van de bestaande woonmilieus, toevoegen van nieuwe woonmilieus;  verbetering van de leefbaarheid van bestaande wijken en kwaliteitsverbetering van het stedelijk raamwerk en de identiteitsdragers (structuurbepalende identiteitsdragers zijn bijvoorbeeld de Vlietzone, de Loo-zone en het historisch lint Parkweg -Veursestraatweg);  duurzame stedelijke ontwikkeling, onder meer door meervoudig ruimtegebruik, het beter benutten van de openbaar vervoerscapaciteit en verbetering van fietsverbindingen;  versterken van de buurt- en wijkvoorzieningen, versterken van de complementariteit en het kwaliteitsniveau van de winkelcentra;  nieuwe economische kansen creëren door functieverandering, herstructurering en transformatie van gebieden, passend bij de positionering als groene woonwerkstad. Relatie tot het plan De ontwikkeling draagt bij aan realisatie van woningbouw binnen bestaand stedelijk gebied. Door middel van functieverandering en herstructurering zorgt de ontwikkeling voor het toevoegen van een nieuw woonmilieu Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 15

nabij oud Voorburg zonder dat dit de groenstructuur aantast. Het transformeren van de kantoorfunctie naar een woonfunctie draagt bij aan het versterken van de buurt- en wijkvoorzieningen aangezien de bewoners daar meer gebruik van zullen maken.

Woonvisie 2016 - 2020 De gemeentelijke woonvisie 2016-2020 benoemt een viertal thema’s: langer zelfstandig wonen, voldoende beschikbare sociale woningen, betaalbaarheid en woonlasten in de sociale sector en variatie in woonmilieus en leefbare wijken. Met het laatste thema richt de gemeente zich op het borgen van de woon- en leefkwaliteit voor de toekomst met een goede balans tussen de gewenste woonmilieus op lange termijn en aansluiting op de woningbehoefte. In dit verband moeten gebiedsontwikkelingen dusdanig zijn, dat zij ook op veel langere termijn meer waarde krijgen in sociaal opzicht en qua duurzaamheid en aanpasbaarheid. Variatie in woonmilieus en leefbare wijken. Uit de Grote Woontest en het woonmilieuonderzoek is naar voren gekomen dat er in Leidschendam-Voorburg kansen liggen voor rustig stedelijke en hoogwaardige woonmilieus. De gemeente wil bij iedere ontwikkellocatie en bij stedelijke vernieuwing sturen op de gewenste woonmilieus en aansluiten op de woningbehoefte. Om deze reden zijn er door de gemeente beleidsregels woningbouw opgesteld (zie paragraaf 3.4.3). Langer zelfstandig wonen Er moet meer ingespeeld worden op de behoefte aan geschikte, toegankelijke woningen. Ouderen zouden langer thuis moeten kunnen wonen óók wanneer zij minder mobiel en vitaal worden en de behoefte aan zorg toeneemt.

Dit betekent dat oplossingen in de eerste plaats moeten worden gezocht in de bestaande woningvoorraad. In de nieuwbouw zal het accent moeten liggen op flexibiliteit en aanpasbaarheid. Voldoende beschikbare sociale woningen In de Woonvisie wordt ingezet op het zoveel mogelijk in stand houden van de huidige sociale woningvoorraad en het borgen van een aanvaardbare kwaliteit in termen van aanpasbaarheid en duurzaamheid daarvan. Binnen de financiële mogelijkheden wordt ingezet op een substantieel aandeel nieuwbouw in de sociale sector waarbij een rechtvaardige en doelmatige verdeling van de sociale woningvoorraad in regionaal verband gehanteerd wordt om ruimtelijke segregatie te voorkomen. Relatie met het plan Onderhavig plan past binnen de woonvisie 2016-2020. Gelet op de opgaven uit de woonvisie wordt ingezet op de realisatie van een kwalitatief hoogwaardig woonmilieu, met een focus op langer zelfstandig wonen. Met de ontwikkeling van de appartementen aan de Parkweg wordt ingezet op het bieden van toegankelijke gelijkvloerse woningen waarbij openbaar gebied en openbare voorzieningen toegankelijk zijn. De toevoeging van zowel sociale woningen, middenduur en woningen in het hogere marktsegment zorgt daarnaast voor doorstroming in de bestaande voorraad.

Beleidsregels woningbouw 2018-2021 Achtergrond en beleidskader De gemeente Leidschendam-Voorburg hecht grote waarde aan een hoge kwaliteit van de leefomgeving, evenals van de woningvoorraad. Ook voor de langere termijn en evenzeer bij een wijzigende samenstelling van de bevolking moeten er voor alle inwoners voldoende hoogwaardige en betaalbare woningen beschikbaar zijn, gelegen in een duurzaam groene, prettige omgeving. Daarnaast ziet LeidschendamVoorburg zich, net als de gehele regio Haaglanden, gesteld voor de opgave om het tekortschietende aanbod aan sociale huurwoningen terug te brengen naar een meer acceptabel niveau. Tezamen zijn dit complexe kwalitatief-ruimtelijke en maatschappelijke opgaven, die vragen om een zekere mate van sturing door de overheid. Zowel in de Woonvisie 2016 -2020 als in de Beleidsregels woningbouw 2018 -2021 wordt aangegeven dat voldoende sociale woningen benodigd zijn binnen de gemeente. De gemeenteraad heeft op 7 juli 2020 de

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 16

‘Verordening sociale en middeldure woningbouw’ vastgesteld. Deze verordening is van kracht vanaf 14 juli 2020. Deze verordening geldt echter niet voor projecten waarin voor de vaststelling reeds afspraken zijn gemaakt met de gemeente. Voorliggend project betreft zo’n project waar reeds afspraken zijn gemaakt. Hierdoor geldt het beleid van voor 7 juli 2020, wat betekent dat de Nota vereveningsfonds sociale woningbouw van toepassing is op dit project. Een van de uitgangspunten is dat bij elk nieuw woningbouwproject er minimaal 30% aan sociale woningbouw gerealiseerd wordt. In beginsel zal ook de herontwikkeling van het kavel aan de Parkweg hier aan moeten voldoen. Relatie met het plan In het plan worden 16 appartementen gerealiseerd. Hiervan worden er vier appartementen in de sociale sector gerealiseerd en twee appartementen in de middeldure sector. Conform de Nota vereveningsfonds sociale woningbouw moeten er echter 4,8 woningen als sociale woning worden aangeboden (16x30%=4,8). Het project realiseert echter vier sociale woningen (25%) en er wordt net niet voldaan aan de volledige 30% eis. De Nota vereveningsfonds sociale woningbouw biedt echter ook de mogelijkheid om af te wijken van de eis tot sociale woningbouw.

Daarin valt te lezen dat als de ontwikkelaar met gegronde redenen kan onderbouwen waarom de toevoeging van sociale woningen in het betreffende woningbouwproject niet haalbaar of wenselijk is, het college in uitzonderlijke gevallen af kan wijken van de sociale woningbouwnorm. Te denken valt aan de (beperkte) omvang van een nieuwbouwproject en/of locatiespecifieke factoren. Het is aan het college hierover een besluit te nemen. Indien de ontwikkelaar van een woningbouwproject minder of geen sociale woningen realiseert, is een financiële bijdrage in het vereveningsfonds verplicht. Om af te wijken van het verplicht realiseren van 30% sociale woningen zijn in voorliggend geval een aantal argumenten aanwezig. Deze argumenten zijn hieronder weergegeven. Kwalitatief hoogwaardig woonmilieu Onderhavig plan past binnen de woonvisie 2016-2020. Gelet op de opgaven uit de woonvisie wordt ingezet op de realisatie van een kwalitatief hoogwaardig woonmilieu, met een focus op langer zelfstandig wonen. Met de ontwikkeling van de appartementen aan de Parkweg wordt ingezet op het bieden van toegankelijke gelijkvloerse woningen waarbij openbaar gebied en openbare voorzieningen toegankelijk zijn. Het beoogde eindbeeld van het gebied is dan ook in overeenstemming met, resp.

levert, een concrete en significante bijdrage aan de beleidsdoelstelling om bij nieuwe woningbouwprojecten in te zetten op binnenstedelijke nieuwbouw in stedelijk rustige en hoogwaardige (stedelijke exclusief) woonmilieus. Doorstroming De toevoeging van woningen in het hogere marktsegment zorgt daarnaast voor doorstroming in de bestaande voorraad. De doelgroep voor de duurdere koopwoningen betreft de senioren die nu al in de wijk wonen en de laatste woonfase ingaan. Zij kunnen hun grondgebonden woning verkopen en inruilen voor een levensloopbestendige woning. De grondgebonden woning kan weer ingevuld worden door jonge gezinnen die weer een kleinere woning (huur of koop) achterlaten voor een starter op de woningmarkt. Daarnaast komen er nog steeds vier sociale appartementen, die tevens een bijdrage leveren aan de doorstroming. Uit de eerste participatiemomenten met de buurt is overigens ook gebleken dat een aantal bewoners vanuit de wijk meer dan gemiddelde interesse hebben getoond in de appartementen. Gedifferentieerd aanbod Daarnaast biedt een nieuw aanbod in het hogere marktsegment een goede invulling aan de vraag naar dit segment én een meer gedifferentieerd aanbod in appartementen ten opzichte van het reeds aanwezige grote aandeel sociale appartementen in de directe omgeving.

Ook hier moet worden opgemerkt dat er in voorliggend plan alsnog vier sociale appartementen én twee middeldure appartementen gerealiseerd worden, wat binnen deze kleine woningbouwontwikkeling voor een gedifferentieerd aanbod zorgt.

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 17

Kleinschaligheid De afwijking van de in de beleidsregels gestelde 30% is bovendien te motiveren op basis van de kleinschaligheid van het project met in totaal maar 16 wooneenheden. Het plan is met 16 wooneenheden kleinschalig te noemen en daarbij worden er al vier sociale woningen gerealiseerd en twee middeldure woningen. Binnen dit kleine aantal woningen wordt er dus 62,5% aan vrije sector woningen opgeleverd, 25% sociale woningen en 12,5% middeldure woningen. Dit kleinschalige project kent daarmee alsnog een uitgebalanceerde woningdifferentiatie. Aanbod sociale huurwoningen In de directe omgeving is reeds een groot aanbod sociale huurappartementen aanwezig. Er is een vrij hoge concentratie bestaande aanwezige sociale woningen op het kruispunt en overzijde bij de entree centrum aanwezig. In het totaal op de wijk is het niet volledig realiseren van de gewenste 30% sociaal niet onevenredig. Bovendien wordt een belangrijke doelgroep wel vertegenwoordigd door het realiseren van twee middeldure woningen. Parkeren Het plan voorziet in voldoende mate in zijn eigen parkeerbehoefte door 19 parkeerplaatsen aan te bieden op eigen terrein én een extra parkeerplaats in openbaar gebied. Het bezoek kan, gezien het aantal te realiseren parkeerplaatsen en het woningbouwprogramma op eigen terrein parkeren.

De bewoners van de appartementen komen overigens niet in aanmerking voor een vergunning voor de nabij gelegen blauwe zone van het centrum. Het is derhalve niet de verwachting dat de realisatie van de appartementen leidt tot een onevenredige verhoging van de parkeerdruk. Overig Het onderhavig plan draagt, ook al omvat dit niet de in de Beleidsregels vereiste 30% sociale woningbouw, toch wezenlijk bij aan thema's als:  rekening houden met langer zelfstandig wonen (gelijkvloers wonen);  toevoegen van een hoogwaardig woonmilieu in het hogere segment voor senioren;  toevoegen van vier sociale woningen en twee middeldure woningen;  bevordering van de doorstroming;  mogelijkheid voor senioren voor het blijven wonen in eigen wijk;  het verwezenlijken en in stand houden van een aantrekkelijk woon- en leefklimaat. Conclusie De herontwikkeling van de voormalige Rabobank aan de Parkweg tot 16 koopappartementen voldoet net niet aan het beleid om minimaal 30% sociale huurwoningen in elk woningbouwproject te realiseren. Er worden vier sociale woningen gerealiseerd, waardoor het aandeel sociaal op 25% staat. Echter, de Nota vereveningsfonds sociale woningbouw biedt het college van burgemeester en wethouders de mogelijkheid om hiervan af te wijken. In deze memo zijn diverse argumenten benoemd die het college een handvat kan geven bij het besluit om af te wijken van de 30% sociale norm.

Gezien de kleinschaligheid, doelgroep, aanbieden van twee middeldure woningen, doorstroommogelijkheden, levensloopbestendigheid en parkeeroplossingen die dit project biedt, is het goed te motiveren dat in dit specifieke project net niet aan de volledige 30% sociaal wordt voldaan.

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 18

4

OMGEVINGSASPECTEN MOTIVERING BEHOEFTE / LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING Algemeen De Ladder voor duurzame verstedelijking is voor het eerst geïntroduceerd in de SVIR en is als motiveringseis verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Wettelijk kader De Ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in het Bro. Artikel 1.1.1. definieert relevante begrippen:  

Bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Artikel 3.1.6 van het Bro: 

Lid 2: de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Toelichting op gebruik De Ladder is in de Nota van Toelichting (Stb. 2017, 182) gemotiveerd: “Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting.

Relatie tot ontwikkeling Uit jurisprudentie blijkt dat wanneer een ruimtelijk plan voorziet in niet meer dan elf woningen of een gebouw met een bruto vloeroppervlakte kleiner dan 500 m², die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro kunnen worden aangemerkt, deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt (bron: uitspraak 201608869/1/R3, kenmerk: ECLI:NL:RVS:2017:1724).

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 19

Gezien de ontwikkeling bestaat uit het realiseren van in ieder geval 16 woningen, is er sprake van een stedelijke ontwikkeling. De ladder dient doorlopen te worden door de omvang van het plan en de behoefte van de voorgenomen ontwikkeling dient aangetoond te worden. Ten aanzien van de kwantitatieve woningbehoefte wordt door de provincie de Woningbehoefteraming (WBR) en de Trendraming (TR) gebruikt. De provincie stelt de hoogste uitkomst vast als regionale behoefte aan nieuwe woningen in een bepaalde periode. Hierdoor is er één richtgetal per regio. In de praktijk betekent dit dat voor regio's waar de TR lager dan de WBR uitvalt, de WBR het uitgangspunt voor de behoefte is, en voor regio's waar de TR hoger dan de WBR uitvalt, de TR dat is. In tabel 3.1 is de WBR weergegeven voor de gemeente Leidschendam-Voorburg. De gegevens zijn in de tabel blauw gearceerd. Tabel 3.2 betreft een weergave van de TR voor de gemeente LeidschendamVoorburg voor dezelfde perioden. Ook hier zijn de gegevens blauw gearceerd.

Tabel 3.1 WBR uitgedrukt in woningvoorraadontwikkeling, Staat van Zuid-Holland (bron: http://staatvan.zuidholland.nl/portfolio_page/prognoses-naar-gebied-en-periode)

Tabel 3.2 Trendraming gemeente Leidschendam-Voorburg (bron: http://staatvan.zuid-holland.nl/portfolio_page/prognoses-naar-gebieden-periode)

Op basis van de WBR en BP blijkt voor de periode 2019-2030 een woningbehoefte van 260 woningen. Uit de TR blijkt voor de periode 2019-2030 een te woningvoorraadtoename van 1.740 woningen voor de gehele gemeente Leidschendam-Voorburg. De TR valt daarmee hoger uit dan de WBR en is daarmee het uitgangspunt voor de behoefte. Het toevoegen van 16 woningen (na eventuele splitsing 16 woningen) draagt bij aan de woningbehoefte in de regio. Daarnaast is in paragraaf 3.3.1. reeds aangehaald dat de gemeenten binnen de regio Haaglanden gezamenlijk de woonopgave van ruim 50.000 woningen tot 2025 binnen bestaande stedelijke gebieden te realiseren. In paragraaf 3.4.2 en 3.4.3 is daarnaast ingegaan op de behoefte aan een gedifferentieerd woonmilieu met sociale, middendure en dure woningen, waarmee voorliggend project een bijdrage levert aan niet alleen de kwantitatieve, maar ook de kwalitatieve behoefte binnen de gemeente.

Conclusie Met toevoeging van 16 woningen wordt kleinschalig voorzien in de woningbehoefte in de regio. Daarnaast betreft het een binnenstedelijke ontwikkeling waarmee de ladder positief doorlopen is.

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 20

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE Algemeen Erfgoedwet De Erfgoedwet bevat de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet, welke naar verwachting in 2022 in werking treedt. Gemeentelijk beleid archeologie De gemeenten Leidschendam-Voorburg, Wassenaar en Voorschoten, samenwerkend in het Pact van Duivenvoorde, hebben een gezamenlijk archeologiebeleid ontwikkeld, dat is vastgelegd in de Nota 'Het bodemarchief ontrafeld' en de daarbij behorende beleidskaart archeologie. In de Nota archeologie herijking 2013 (vastgesteld in 2014) wordt een globaal overzicht van het archeologische erfgoed van de pactgemeenten gegeven en zijn de beleidsregels ten aanzien van de omgang met het archeologische bodemarchief geformuleerd.

De archeologische beleidskaart toont de globale archeologische waarde en verwachting per (soort) gebied met de daarbij behorende beleidsregels. Op de kaart wordt vermeld welke eventuele beperkende maatregelen van toepassing zijn en welk archeologisch onderzoek bij bodemverstorende activiteiten verplicht is gesteld. De gemeente Leidschendam Voorburg voert een actief beleid om de bekende archeologische waarden binnen de gemeentegrenzen te actualiseren indien er nieuwe of aanvullende gegevens bekend worden.

Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen ter plaatsen van een gebied met hoge archeologische verwachting en heeft in het vigerend bestemmingplan daarmee de dubbelbestemming Archeologie 5 gekregen.

Artikel 22 Waarde - Archeologie 5 Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag niet worden gebouwd, tenzij het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende bouwwerken: a.

c.

vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; een bouwwerk met een oppervlakte kleiner dan 30 m² en waarbij de bodemingreep niet dieper reikt dan 30 cm beneden maaiveld; een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst;

d.

een bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist.

b.

Wanneer de nieuwbouw binnen het bouwvlak op de bestaande fundering gebouwd wordt, is archeologisch onderzoek niet nodig. Wanneer buiten de bestaande fundering gebouwd wordt en de grond tevens dieper dan 30 cm beneden maaiveld geroerd wordt, is er een verkennend archeologisch onderzoek nodig. In opdracht van Waaijer Projectrealisatie bv heeft IDDS Archeologie in januari 2020 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende en karterende fase, uitgevoerd aan de Parkweg 127 in Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg. De noodzaak tot het archeologisch onderzoek komt voort uit het bestemmingsplan. De doelstelling van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en zo nodig aanvullen van de gespecificeerde verwachting. Tevens wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische resten.

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 21

Op basis van de resultaten van het onderzoek adviseert IDDS Archeologie om het plangebied, voor wat betreft het aspect archeologie, vrij te geven voor de voorgenomen civieltechnische werkzaamheden. Hieraan ligt de volgende motivering ten grondslag. Uit het booronderzoek blijkt dat het plangebied verstoord is tot een diepte van ca. 0.2 m –NAP (ca. 0.9 m – Mv.), plaatselijk is de verstoring zelfs nog dieper. Deze verstoringsdiepte houdt vermoedelijk verband met de eerdere bouw en sloopwerkzaamheden in het plangebied:  De aanleg van de Wilhelmina Mulo School in de jaren ‘20 van de vorige eeuw  Sloop van de Wilhelmina Mulo School in de jaren ‘70 van de vorige eeuw  Nieuwbouw van de Rabobank in de jaren ‘70 van de vorige eeuw De oorspronkelijk in het plangebied aanwezige duinen zijn vermoedelijk afgegraven en afgetopt waardoor archeologische vondstlagen uit de periode Nieuwe Tijd tot en met de Romeinse Tijd vernietigd zijn. Aanwijzingen hiervoor zijn de centrale ligging van het plangebied op de strandwal (waar volgens kaarten uit de 17de eeuw nog duintjes aanwezig waren) en het gebruik van het terrein als weiland/akkerland in de 18de eeuw. Met name dit laatste wijst erop dat het terrein eerder verlaagd is geweest tot ca. 0.4 m boven de (toenmalige) grondwaterstand (ongeveer 0.2m +NAP).

Op basis van het verkennende booronderzoek zijn er geen aanwijzingen aangetroffen voor oudere begraven bodems en daarmee verband houdende relevante archeologische niveaus. Hoewel de aanwezigheid van dieper gelegen en oudere archeologische niveaus op basis van dit verkennende booronderzoek niet kan worden uitgesloten, wordt dit niet waarschijnlijk geacht gezien de ligging van het plangebied centraal op de strandwal en de afwezigheid van aanwijzingen voor begraven bodems. Geconcludeerd wordt dat het niet aannemelijk is dat met de sloop en -bouwwerkzaamheden archeologische waarden bedreigd worden. Een aanvullend archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Mochten er tijdens de graafwerkzaamheden onverhoopt archeologische resten tevoorschijn komen, dan dient dit conform de Erfgoedwet (artikel 5.10 en 5.11) gemeld te worden bij de gemeente Leidschendam-Voorburg. Romeinse Limes Het plangebied ligt daarnaast in de buurt van het provinciale belang de Romeinse Limes. De limes loopt op ruim 250 meter afstand van het plangebied in noord-zuidrichting langs de Westvlietweg. Het plan zorgt niet voor een aantasting van de Romeinse Limes, gezien de grote afstand en tussenliggende bebouwing van het centrum van Voorburg.

Situatie plangebied cultuurhistorie Het Historisch lint dat over de Parkweg voert, vertoont een elegant bochtenverloop dat een romantische Engelse landschapsaanleg suggereert. De Haagse architect Van der Kloot Meijburg heeft deze aanleg met hand en tand verdedigd tegen het rechttrekken voor het stoomtramtracé. De brede weg wordt aan beide zijden geflankeerd door deels riante vrijstaande bebouwing en geschakelde of rijen woonhuizen uit de jaren 1920 en in iets minder mate de jaren '30. Voor de gehele Parkweg geldt dat de herkenbaarheid, karakteristiek en continuïteit van de cultuurhistorische waarden van de architectuur en het groen behouden dient te blijven.

Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de realisatie van het project. Er zijn geen archeologische resten meer te verwachten en met betrekking tot cultuurhistorie ligt er een kans om de architectuur van het pand beter te laten aansluiten bij de karakteristieke bouw langs de Parkweg dan dat in de huidige situatie het geval is.

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 22

BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Algemeen Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken. Tabel 1 Richtafstanden bedrijven en milieuzonering

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor.

Relatie tot ontwikkeling Volgens de VNG-publicatie is de definitie van het omgevingstype gemengd gebied als volgt: 'Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven'. Gebieden die direct langs hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Het plangebied behoort tot dit omgevingstype. Rondom de projectlocatie zijn de volgende bestemmingen aanwezig: - Gemengd 1, waar kantoren en maatschappelijke voorzieningen toegestaaan zijn. - Enkelbestemming bedrijf Nutsvoorziening, waar nutsvoorzieningen toegestaan zijn. - Enkelbestemming bedrijf, waar bedrijven tot categorie 2 zijn toegestaan. Nabij de projectlocatie is een autobedrijf gesitueerd dat zich richt op handel, reparatie en services. De grootste afstand (geluid) bedraagt 30 meter. Garagebedrijf Van Dorp & De Groot bevind zich op ruim 100 meter afstand. Tevens bevind zich op circa 100 meter afstand een groothandel in boter-, kaas- en eierenhandel en tevens horecaproducten (grossier). De maximale afstand (gevaar) bedraagt 50 meter.

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 23

Daarnaast is een restaurant / cafetaria op ruim 100 meter afstand gelegen. De maximale milieuzone die voor deze bedrijvigheid geldt is 10 meter.

Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

BEZONNING Algemeen Er zijn geen wettelijke vastgestelde eisen voor de bezonning van openbare ruimten, woningen en dergelijke. In het Bouwbesluit zijn wel eisen opgenomen ten aanzien van het benodigde equivalente daglichtoppervlak. Hierbij wordt echter beoogd de toetreding van daglicht (en niet van direct zonlicht) te reguleren. Daarbij wordt geen rekening gehouden met de invloed van belemmeringen en dergelijke welke zijn gelegen op andere percelen. De commissie woningwaardering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten hanteert een beoordelingssysteem wat in grote lijnen neerkomt op:  De bezonning in een vertrek is als ‘matig’ te karakteriseren indien er gedurende 11 maanden van het jaar sprake is van ten minste twee mogelijke bezonningsuren.  De bezonning in een vertrek is als ‘goed’ te karakteriseren indien er gedurende 11 maanden van het jaar sprake is van ten minste drie mogelijke bezonningsuren. Voor zover van toepassing is voor deze periode van 11 maanden uitgegaan van de dagen tussen 5 januari en 5 december. Het is mogelijk dat gemeenten hieraan gerelateerde normen hanteren. In de gemeente Den Haag wordt bijvoorbeeld bij de beoordeling van de bestemming- en bouwplannen veelal gebruik gemaakt van een vergelijkbare norm.

Hierbij wordt uitgegaan van het criterium van ten minste twee mogelijke bezonningsuren per dag voor de gevels van woningen gedurende de periode van 19 februari tot en met 21 oktober (op 0.75 meter boven de vloer van de laagst gelegen verdieping van de woonfunctie). Hierbij is het toegestaan de bezonningsuren van de voor- en achtergevels bij elkaar op te tellen. De uren dat de zon minder dan 10° boven de horizon staat mogen hierbij niet worden meegerekend. Daarnaast geldt dat het aantal mogelijke bezonningsuren ten gevolge van de nieuwe bebouwing met maximaal de helft af mag nemen.

Relatie tot ontwikkeling In voorliggend plan wordt het bestaande kantoorgebouw gesloopt en vindt nieuwbouw plaats in de vorm van appartementen. De bebouwing overschrijdt het huidige bouwvlak en gebouw qua hoogte en breedte. Dit kan gevolgen hebben voor het aantal bezonningsuren van de achterliggende woningen aan de Rozenboomlaan en Parkweg. In dit kader is een bezonningsstudie uitgevoerd. Hieruit blijkt dat er in de getoetste periodes in maart, juni, september en december gedurende de dag voldoende zonuren aanwezig zijn in de achtertuinen en woningen in de omgeving.

Conclusie Bezonning vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het nieuwbouwplan.

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 24

BODEM Algemeen Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden.

Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van woningen. Woningen betreffen gevoelige functies in het kader van de Wbb, waarvan de gebruikers beschermd dienen te worden tegen onacceptabele verontreinigen in de bodem waarmee zij in aanraking kunnen komen. Aangezien het huidige pand ter plaatse van de projectlocatie als kantoor in gebruik is, is de grond naar verwachting niet vervuild geraakt. Echter, er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd om te onderzoeken of de grond schoon verklaard kan worden met betrekking tot de bouw en het gebruik. In januari 2020 is door Mol ingenieursbureau een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage terug te vinden, de resultaten zijn hieronder verwerkt. Op basis van de resultaten van het verkennend onderzoek wordt het volgende geconcludeerd:  De bovengrond is licht verontreinigd met zink en PAK;  De ondergrond is niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters;  Het grondwater is licht verontreinigd met barium en zink. De hypothese onverdacht voor bodemverontreiniging dient te worden verworpen, aangezien in de grond en het grondwater licht verhoogde gehalten van enkele stoffen zijn aangetoond. Echter de onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het instellen van verder onderzoek. De resultaten benaderen geenszins de toetswaarde voor nader onderzoek.

Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

DUURZAAMHEID Algemeen Het duurzame beleid van de Nederlandse overheid is vastgesteld in de Energieagenda (2016). Het doel van deze agenda is om de transitie naar een CO2-arme energievoorziening in 2050 te bewerkstelligen. In het Klimaatakkoord van Parijs is vastgelegd de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder de twee graden Celsius, met het streven een maximale temperatuurstijging van anderhalve graad Celsius te realiseren. Dat vraagt om een drastische reductie van het gebruik van fossiele energie, tot dichtbij nul in het jaar 2050. Elektriciteit wordt dan duurzaam opgewekt, gebouwen worden voornamelijk verwarmd door aardwarmte en elektriciteit, bedrijven hebben hun productieprocessen aangepast, er wordt niet langer op aardgas gekookt en er rijden vrijwel alleen maar elektrische auto’s. Tot 2020 neemt de CO2-uitstoot fors af. Doorzetten van het huidige beleid is na 2020 echter onvoldoende om een geleidelijke transitie mogelijk te maken. Zonder aanvullend beleid zal de CO2-uitstoot zelfs weer kunnen toenemen. Voor de bestaande woningvoorraad betekent een geleidelijke transitie dat jaarlijks 170.000 woningen aangepast dienen te worden. Voor de nieuwbouw van woningen bepaalt de Europese EPBD-richtlijn de ambitie om tot bijna energie-neutrale gebouwen te komen. Vanaf 2021 moeten alle nieuwe Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 25

gebouwen voldoen aan overeenkomstige wettelijke vereisten. Nieuwe woningen moeten worden voorzien van warmtepompen, zonnecollectoren en extra isolatie en eisen worden gesteld aan de maximum vervuiling van auto’s.

Relatie tot ontwikkeling Het plan zal in ieder geval voldoen aan de eis van gasloos bouwen en aan de overige wettelijke vereisten ten aanzien van duurzaamheid. Daarnaast wordt nader onderzocht welke duurzaamheidsaspecten meegenomen kunnen worden in het ontwerp. In ieder geval wordt meer groen teruggebracht op maaiveld, wat een bijdrage levert aan het tegengaan van hittestress en klimaatadaptief bouwen. Hemelwater zal in de toekomstige situatie makkelijker kunnen infiltreren waardoor de kans op wateroverlast verkleind wordt. Daarnaast wordt het realiseren van zonnepanelen op de daken nader onderzocht. Om keuzes te maken bij de verdere uitwerking op het gebied van duurzaamheid, wordt het instrument GPRgebouw gebruikt. Hierbij wordt er naar gestreefd om op alle thema’s minimaal een 7 te scoren. De GPRgebouw berekening wordt bij de aanvraag voor de activiteit bouwen verder uitgewerkt.

Conclusie Er wordt voldaan aan de wettelijke eisen voor duurzaamheid. Daarnaast wordt een bijdrage geleverd aan het tegengaan van hittestress en wordt klimaat adaptief gebouwd.

EXTERNE VEILIGHEID Algemeen Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang:  Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen.  Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp.

Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd.

Mees Ruimte & Milieu | 19344.01

Pagina | 26

Relatie tot ontwikkeling Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen en risico-ontvangers zijn aangegeven. Op de risicokaart staan gegevens die met risico te maken hebben, zoals risico veroorzakende bedrijven (inrichtingen) die gevaarlijke stoffen gebruiken, produceren of opslaan en ook het vervoer/transport van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Gevaarlijke stoffen zijn in dit geval stoffen die een schadelijke invloed hebben op de gezondheid en het milieu. Op de risicokaart is te zien dat 1. Op circa 830 meter afstand (zuidwesten) een buisleiding van de Gasunie gelegen is. Voor deze buisleiding geldt een 1%-letaliteitgrens op 220 meter. 2. Op circa 800 meter afstand (noordoosten) een buisleiding van de Gasunie gelegen is. Voor deze buisleiding geldt een 1%-letaliteitgrens op 220 meter. 3. Op circa 540 meter afstand ligt de A12. Over de Rijksweg worden gevaarlijke stoffen gereden. Het invloedsgebied van de A12 ligt op 200 meter vanuit de weg. De projectlocatie valt ruim buiten deze afstand. Het projectgebied ligt derhalve buiten relevante Bevi-inrichtingen of de invloedsgebieden van transportroutes gevaarlijke stoffen. figuur 9: Uitsnede risicokaart (bron: www.nederland.risicokaart.nl)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=a97a3a27-b991-4a23-bd07-99c9e9297a33