CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

2573-39 Bijlage 36 toelichting, VTH beleidsplan 2020-2023.pdf

Raadsvergadering 22 februari 2022, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: Vaststellen bestemmingsplan Stedelijk.15.044 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

5.4 Sanctiestrategie Om naleving van regels af te dwingen staan de gemeente zowel bestuursrechtelijke als strafrechtelijke instrumenten ter beschikking. In deze sanctiestrategie wordt beschreven welke middelen op welk moment worden ingezet.

5.4.1 DHW handhavingsstrategie Bij de wijziging van de DHW in 2013 is een sanctiematrix DHW opgesteld waaraan overtredingen van de DHW worden getoetst. Deze sanctiematrix is in bijlage 4 opgenomen. In bijlage 5 is een uitleg opgenomen van deze sanctiematrix. De gemeente Leidschendam-Voorburg past deze sanctiematrix DHW toe.

5.4.2 Landelijke handhavingsstrategie Voor de niet ‘DHW-gerelateerde’ onderwerpen wordt de landelijke handhavingsstrategie door de gemeente als uitgangspunt genomen bij het sanctioneren. Deze is in samenwerking tussen de Rijksoverheid, provincies en gemeenten ontwikkeld. In deze strategie is een matrix opgenomen aan de hand waarvan kan worden beoordeeld welke sanctie passend is bij een geconstateerde overtreding. De landelijke handhavingsstrategie is in bijlage 6 opgenomen. 5.4.3 Overtredingen van andere bestuursorganen De gemeente ziet erop toe dat de regels worden nageleefd. Ook de gemeente zelf moet zich aan regels houden. Wanneer een eigen gemeentelijke afdeling een overtreding begaat zal deze eerst op de hoogte worden gesteld van deze overtreding om die ongedaan te maken. Indien dit niet tot het gewenste resultaat leidt, zal in een uiterst geval ook handhavend worden opgetreden. Indien overtredingen door andere overheden zijn begaan, wordt hiertegen gehandhaafd net als tegen ieder ander.

5.5 Gedoogstrategie Waar het bestuur de keuze heeft om te handhaven kan er ook worden gekozen om te gedogen. Onder gedogen wordt in dit VTH-beleid verstaan: “Het door de gemeente al dan niet onder voorwaarden gedurende een zo kort mogelijke periode bewust niet handhavend optreden in overmacht- of overgangssituaties.” In bijlage 7 wordt uiteengezet wat overmachtssituaties en overgangssituaties zijn, wat het gedoogkader is en hoe de procedure verloopt.

Pagina 21 van 43

VTH-Beleidsplan 2020-2023 Beleidsplan voor de uitvoering van VTH-taken

definitief

5.6 Samenwerking met externe partijen De gemeente Leidschendam-Voorburg werkt integraal aan haar VTH-taken. In dit deelhoofdstuk is inzicht gegeven in met welke actoren samen wordt gewerkt en welke afspraken met deze partijen zijn gemaakt.

5.6.1 Samenwerkingspartners In onderstaand schema wordt weergegeven met welke regionale instanties structureel wordt samengewerkt, op welk gebied, en hoe afspraken m.b.t. deze samenwerking zijn vastgesteld. Partner Politie en Openbaar Ministerie

Samenwerking Op het vlak van veiligheid en overige strafrechtelijke stukken. Hierbij is het Openbaar Ministerie bevoegd gezag.

HEIT (Haags Economisch Interventie Team)

In het regionale interventieteam (afgekort met HEIT) werken gemeenten, politie, Belastingdienst, Douane, Inspectie SZW en het UWV samen om ondermijnende en criminele bedrijven en misstanden in de prostitutie aan te pakken binnen de gemeente Den Haag en omstreken. Het team valt onder de bestuurlijke verantwoordelijkheid van de burgemeester van Den Haag.

Omgevingsdienst Haaglanden (ODH)

2

De bestuurlijke handhaving ligt bij de gemeente, de strafrechtelijke opsporing bij het HEIT. De ODH voert de milieutaken uit voor de gemeente LeidschendamVoorburg. De directeur van de ODH is hiervoor gemandateerd.

Veiligheidsregio Haaglanden

Op het gebied van brandveiligheid.

GGD Haaglanden

Op het gebied van woningvervuiling en adresfraude.

Woningcorporaties

Op het gebied van woningvervuiling en adresfraude.

Hoe en waar zijn afspraken vastgelegd? Er zijn verschillende convenanten met de ketenpartners opgesteld, o.a.:  de integrale aanpak van hennepkwekerijen;  RIEC-convenant. RIEC-convenant.

De Omgevingsdienst heeft in samenspraak met het bestuur de koers en beleidskaders voor de komende vier jaar vastgelegd in het “Koersplan 2018-2021”. Deze wordt jaarlijks uitgewerkt in werkplannen. In het document ‘Meerjarenbegroting 20202023’ heeft de Veiligheidsregio Haaglanden haar afspraken met de gemeenten weergegeven. Het college heeft het meerjarenbeleidsplan “Koersen op 2020, Brandweer Haaglanden” van de VRH vastgesteld. Dit meerjarenbeleidsplan vormt daarmee een onderdeel van het handhavingsbeleid van de gemeente.2 In het document ‘Convenant GGD en Omgevingsdienst in de regio Haaglanden’ zijn de samenwerkingsafspraken tussen de GGD Haaglanden en de Omgevingsdienst Haaglanden weergegeven. Afspraken tussen de gemeente, de woningcorporaties en de huurdersorganisaties

Dit meerjarenbeleidsplan zal op (korte) termijn worden geactualiseerd.

Pagina 22 van 43

VTH-Beleidsplan 2020-2023 Beleidsplan voor de uitvoering van VTH-taken

Partner

Samenwerking

definitief

Hoe en waar zijn afspraken vastgelegd? bevinden zich in het document ‘Prestatieafspraken Leidschendam-Voorburg 2019 tot 2021’.

Pagina 23 van 43

VTH-Beleidsplan 2020-2023 Beleidsplan voor de uitvoering van VTH-taken

definitief

6. Borging en monitoring van het VTH-beleidsplan In dit hoofdstuk wordt uiteengezet hoe de uitvoering van het VTH-beleidsplan geborgd is in de organisatie en wordt gemonitord.

6.1 Middelen Om de VTH-taken uit te kunnen voeren en de beleidsdoelen te kunnen realiseren, zijn financiële en personele middelen nodig. Dit benodigd budget is geborgd binnen de programmabegroting. De inzet van de middelen wordt jaarlijks specifiek uitgezet binnen de uitvoeringsprogramma’s.

6.2 Uitvoeringsprogramma’s Het VTH-beleidsplan wordt jaarlijks uitgewerkt in uitvoeringsprogramma’s voor zowel vergunningverlening als toezicht en handhaving. In het uitvoeringsprogramma zullen de prioriteiten, doelen, activiteiten en methoden uit dit beleid tot op operationeel niveau worden verwerkt. In een uitvoeringsprogramma wordt het VTHbeleidsplan dan ook vertaald naar een concreet actieplan voor het betreffende jaar. Zo wordt in het uitvoeringsprogramma benoemd op welke activiteiten (en daarmee dus ook op welke beleidsdoelen) uit dit VTHbeleidsplan specifiek ingezet wordt in het betreffende jaar. Ook wordt in het uitvoeringsplan aangegeven hoe en waarop de (financiële en personele) middelen in het betreffende jaar worden ingezet.

6.3 Evaluatie uitvoeringsprogramma’s en monitoring beleidsdoelstellingen De uitvoeringsprogramma’s worden vervolgens jaarlijks geëvalueerd. Hierbij wordt minimaal beoordeeld of: 

Voorgenomen activiteiten uit het uitvoeringsprogramma zijn uitgevoerd;

De uitvoering van deze activiteiten uit het uitvoeringsprogramma hebben bijgedragen aan de voortgang van de beleidsdoelen uit het VTH-beleidsplan;

Het VTH-beleidsplan (mede op basis van bovenstaande) eventueel aangepast dient te worden.

6.4 Evaluatie VTH-beleidsplan Periodiek, maar in ieder geval nadat een beleidsperiode verstreken is, wordt het VTH-beleidsplan geëvalueerd. Er wordt dan beoordeeld of: 

Vastgestelde beleidsdoelen uit het VTH-beleid zijn bereikt (zie hoofdstuk 3.3);

De voorgenomen activiteiten uit het uitvoerings- en handhavingsbeleid zijn uitgevoerd (zie hoofdstuk 3.3);

Er aan de afspraken is voldaan die met externe partijen gemaakt zijn (zie hoofdstuk 5.6).

Met oog op de verwachte inwerkingtreding van de Omgevingswet en de Wet Kwaliteitsborging voor het bouwen zal het VTH-beleidsplan ook eind 2020 al geëvalueerd worden (en geactualiseerd waar nodig).

6.5 Borging uitvoering proces De werkwijzen van vergunningverlening, afhandelen van meldingen en toezicht en handhaving zijn vertaald naar specifieke procesbeschrijvingen. Deze procesbeschrijvingen zijn bekend gemaakt bij alle betrokken medewerkers en zijn geborgd binnen het digitale zaaksysteem. Nieuwe medewerkers worden bekend gemaakt met deze werkbeschrijvingen.

Pagina 24 van 43

VTH-Beleidsplan 2020-2023 Beleidsplan voor de uitvoering van VTH-taken

definitief

Bijlagen

Pagina 25 van 43

VTH-Beleidsplan 2020-2023 Beleidsplan voor de uitvoering van VTH-taken

definitief

Bijlage 1: Nadere toelichting veranderingen Omgevingswet Net als onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)) kan het zijn dat burgers, bedrijven en overheden toestemming moeten vragen om activiteiten in de fysieke leefomgeving te mogen uitvoeren. Dit gebeurt door het aanvragen van een omgevingsvergunning. In sommige gevallen moet een initiatiefnemer een melding doen voordat de activiteit mag worden uitgevoerd. Een initiatiefnemer kan een burger, bedrijf of de overheid zijn. Wat is er anders? Onder de Omgevingswet zullen de algemene rijksregels minder vergunningplichten voor activiteiten bevatten. Voor de meest voorkomende activiteiten, zoals milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten, geldt nog steeds een plicht om een omgevingsvergunning aan te vragen. De wetgever heeft op rijksniveau voor zoveel mogelijk activiteiten algemene regels gemaakt. Daardoor heeft de initiatiefnemer van een activiteit niet meer altijd toestemming nodig. Ten aanzien van de omgevingsvergunning wijzigt het volgende: 10. De reguliere procedure wordt standaard 11. De vergunning van rechtswege vervalt 12. Eén loket, gemeenten bij meervoudige aanvragen bevoegd gezag 13. Meldingen en aanvragen komen binnen via DSO, per mail of analoog 14. Nieuwe definities, begrippen en terminologie 15. Nieuwe aanvraagvereiste m.b.t. participatie 16.

De ‘knip’ (en Wet kwaliteitsborging voor het bouwen, Wkb) 17. Omgevingsvergunning geen omgevingsdocument, wel verplichting na 5 jaar verwerken in het omgevingsplan 18. Nieuw toetsingskader inhoudelijke beoordeling en toezicht en handhaving. Hieronder worden de wijzigingen afzonderlijk toegelicht. 1. De reguliere procedure wordt standaard Met de komst van de Omgevingswet wordt de reguliere procedure voor vergunningverlening de standaard. Omgevingsvergunningaanvragen moeten in nog maar 8 weken (i.p.v. 6 maanden) behandeld worden. Daarbij komt dat onder de Omgevingswet ook grotere ontwikkelingen met een reguliere procedure in plaats van met een uitgebreide procedures af gehandeld mogen worden. De onderzoekslasten en de gewenste afstemming is hierbij vaak groter. De gemeenteraad heeft nog wel de mogelijkheid om de uitgebreide procedure toe te kennen aan een omgevingsplanactiviteit met een grote impact of wanneer er veel betrokkenen zijn. Hiertoe moet een afwegingskader opgesteld worden. Dit moeten, gezien ‘de geest van de Omgevingswet’ wel een uitzondering blijven. De gemeenteraad kan ook besluiten zichzelf tot adviseur met instemming aan te wijzen. Hierbij beslist de raad dat het in bepaalde gevallen gehoord wil worden en een advies wil geven. De adviestermijn voor de raad bedraagt 4 weken en moet ingepast worden in de reguliere proceduretijd.

De raad krijgt eveneens de mogelijkheid om gevallen aan te wijzen waarbij participatie verplicht wordt gesteld. 2. De vergunning van rechtswege vervalt Het verlenen van een vergunning van rechtswege kan problemen opleveren als het gaat om de toedeling van functies aan locaties door het Rijk en de provincie in verband met nationale en provinciale belangen. Deze toedeling vindt zo veel mogelijk plaats in het omgevingsplan om de inzichtelijkheid voor de burger te vergroten. Dergelijke belangen op het terrein van de fysieke leefomgeving kunnen schade ondervinden door een van rechtswege verleende omgevingsvergunning. Om die reden is de ‘lex silencio positivo’ oftewel de ‘vergunning van rechtswege’ geschrapt. Als de beslistermijn is verstreken, maar er nog geen besluit genomen, dan kan het zijn het bevoegd gezag een dwangsom moet betalen aan de aanvrager. 3. Eén loket, gemeenten bij meervoudige aanvragen bevoegd gezag De Omgevingswet gaat uit van één loket, één bevoegd gezag en eens bevoegd gezag, altijd bevoegd gezag. De wet zet daarmee de uitgangspunten uit de Wabo voort en stuurt aan op een verdere integratie. Het loket wordt grotendeels fysiek vormgegeven doormiddel van de landelijke voorziening in het DSO. Het DSO bundelt het oude

Pagina 26 van 43

VTH-Beleidsplan 2020-2023 Beleidsplan voor de uitvoering van VTH-taken

definitief

OLO, ruimtelijke plannen en het AIM (voor meldingen). Daarnaast worden de verschillende informatiehuizen zoals de BAG, de BRO en het kadaster gebundeld. De functionaliteit van het digitale loket is grotendeels afhankelijk van de gemeentelijke voeding. Door middel van toepasbare regels kan er een overzicht gegeven worden van wat er kan en mag. Het Waterschap en de provincie blijven voor specifieke taken net zoals onder de huidige situatie bevoegd gezag, daardoor zal het één loket idee niet geheel vormkrijgen. 4. Meldingen en aanvragen komen binnen via DSO, per mail of analoog. Nadat de Omgevingswet in werking is getreden komen er geen aanvragen en meldingen meer binnen via het OLO of vanuit het AIM, deze beide functies zijn gecombineerd in het nieuwe Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO). Om met het nieuwe omgevingsloket te kunnen communiceren zijn nieuwe VTH-applicaties nodig. Ook de aansluiting moet aangepast worden aan de nieuwe landelijke standaarden. Onder de Omgevingswet mogen de aanvragen ook nog steeds analoog ingediend mogen.

5. Nieuwe definities, begrippen en terminologie Met de Omgevingswet wordt een groot aantal nieuwe termen en begrippen geïntroduceerd, dat heeft een weerslag op de huidige standaard documenten en formulieren en ICT-systemen. In de Stelselcatalogus Omgevingswet staan begrippen en definities, waardelijsten en informatieproducten die iets te maken hebben met de Omgevingswet. Overheden en andere organisaties kunnen de gegevens in de catalogus gebruiken in hun eigen werkprocessen. Het zorgt ervoor dat iedereen dezelfde taal spreekt en het maakt interbestuurlijk werken gemakkelijker. Elke overheid kan haar eigen begrippen, definities en informatieproducten toevoegen en beheren in de stelselcatalogus. Hiervoor moeten overheden met lokale software aansluiten op de stelselcatalogus. Om de regels goed vindbaar en goed leesbaar in het Omgevingsloket te krijgen, zijn er eisen aan de opmaak van omgevingswetbesluiten. Hiervoor zijn standaarden ontwikkeld. Overheden moeten deze besluiten publiceren via een nieuw publicatieplatform, de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB).De Standaard voor officiële publicaties (STOP) ondersteunt de functies opstellen, vaststellen, bekendmaken en beschikbaar stellen van officiële overheidspublicaties. De TPOD-standaarden zorgen ervoor dat juridische regels aan werkingsgebieden en geometrie zijn gekoppeld.

Zo kun je ook op een kaart zien welke regels waar gelden.

Pagina 27 van 43

VTH-Beleidsplan 2020-2023 Beleidsplan voor de uitvoering van VTH-taken

definitief

6. Nieuw aanvraagvereiste m.b.t. participatie Participatie is een belangrijke pijler onder de Omgevingswet. Het vroegtijdig betrekken van de omgeving moet zorgen voor meer draagvlak en betere besluiten ten aanzien van een aanvraag. Draagvlak kan ook zorgen voor snellere procedures omdat er minder snel in beroep gegaan wordt. Participatie bij de vergunningverlening is niet omkaderd vanuit de wet, het betreft maatwerk omdat iedere situatie anders is. In beginsel is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor het betrekken van zijn omgeving. De gemeente kan hierbij wel helpen. Het is dan ook van groot belang dat de gemeente in een vroeg stadium haar rol heeft bepaald. De toetsing van participatie is wettelijk nog vormvrij. Participatie is een aanvraagvereiste, waarbij de aanvrager aan moet geven of er participatie is toegepast en zo ja, hoe dit is gebeurd. Participatie is geen wettelijke weigeringsgrond, maar maakt deel uit van de integrale afweging. De gemeenteraad heeft wel de bevoegdheid om in ‘zwaarwegende’ gevallen, waarbij veel belanghebbende betrokken zijn, participatie verplicht te stellen. 7. De ‘knip’ (en Wet kwaliteitsborging voor het bouwen, Wkb) Voor de omgevingsvergunningaanvraag voor de activiteit bouwen geldt onder de Wabo een weigeringsgrond wegens strijdigheid met het Bouwbesluit, redelijke eisen van Welstand en het bestemmingsplan.

Met de Omgevingswet wordt dit anders. De Omgevingswet maakt een splitsing in de activiteit ‘bouwtechnische toets’ aan het Bbl (ziet uitsluitend toe op de technische eisen waaraan een bouwwerk en zijn omgeving moet voldoen) en de activiteit ‘omgevingsplanactiviteit’ (toets aan de planologische aspecten in het omgevingsplan).

Door deze ‘knip’ en de komst van de Wet Kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) verandert de rol van de gemeente bij technische toetsing van bouwaanvragen. De technische eisen komen terecht in het Bkl en worden uiteindelijk getoetst door private kwaliteitsborgers. Voor de gemeente komt hierdoor vooral de nadruk op het aanwijzen van zaken waarvoor zij een vergunningplicht willen handhaven onder andere vanwege de evenwichtige toedeling van functies. Dit bedraagt in vele gevallen een lokale keuze waarvan de resultaten in het omgevingsplan moeten landen. Via het omgevingsplan kunnen er nog wel extra technische eisen worden toegevoegd bijv. op het gebied van duurzaamheid. Dit gaat in eerste instantie wel om een bestuurlijke keuze die voortkomt uit de omgevingsvisie. 8. Omgevingsvergunning geen omgevingsdocument wel verplichting na 5 jaar verwerken in omgevingsplan De actualisatieplicht die bij bestemmingsplannen verplicht was, geldt niet voor de omgevingsplannen (ook voor het bestemmingsplan geldt geen actualisatieplicht meer, vanwege de komst van de Ow, echter moeten wijzigingen binnen het plan wel binnen een ‘redelijke’ termijn verwerkt zijn in het plan). Dit past bij het meer dynamische karakter van het omgevingsplan als onderdeel van de, door de met de Ow geïntroduceerde, beleidscyclus.

In de praktijk betekent de redelijke termijn dat de omgevingsvergunning binnen 5 jaar in het omgevingsplan verwerkt moet zijn. Dit vereiste zorgt ervoor dat de afgegeven vergunningen nauwkeurig geregistreerd moeten worden wanneer er gevolgen zijn voor het omgevingsplan.

Pagina 28 van 43

VTH-Beleidsplan 2020-2023 Beleidsplan voor de uitvoering van VTH-taken

definitief

9. Nieuw toetsingskader inhoudelijke beoordeling en toezicht en handhaving Hoofdstuk 18 van de Omgevingswet beschrijft alle regels m.b.t. handhaving. De opzet en inhoud van dit hoofdstuk zijn gebaseerd op hoofdstuk 5 van de huidige Wabo en beschrijft in drie afdelingen de bestuursrechtelijke handhaving, de strafrechtelijke handhaving en de handhaving van een projectbesluit. De Ow introduceert twee nieuwe bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten, namelijk de bestuursdwangbevoegdheid voor het instemmend bestuursorgaan en voor de minister van Infrastructuur en Milieu. Daarnaast is de bevoegdheid tot het intrekken van een begunstigende beschikking en de bestuurlijke boete overgenomen in de Ow. Wat kan/moet de gemeente er mee? De algemene toepassing van de reguliere procedure , de digitale verwerking in het DSO en de nieuwe inhoudelijke beoordeling van de vergunning hebben zeker organisatorische gevolgen. Er zal opnieuw gekeken moeten worden naar de manier waarop aanvragen binnenkomen en intern worden doorgezet en afgehandeld. Ook moeten er nieuwe werkafspraken worden gemaakt over het (op tijd) aanleveren van gegevens en adviezen. De integrale afweging van de vergunning moet worden vormgegeven en de vergunning moet volledig digitaal worden afgehandeld in een nieuwe digitale omgeving. Dit heeft gevolgen voor de werkprocessen zoals ze nu zijn vastgelegd.

De vergunningplichten uit de verordeningen gaan deel uitmaken van het omgevingsplan en worden dus onderdeel van de integrale afweging ten aanzien van een evenwichtige toedeling van functies. Dit kan betekenen dat vergunningplichten uit de verordeningen kunnen komen te vervallen of geïntegreerd worden met vergunningplichten uit de ‘oude’ bestemmingsplannen. Deze ontwikkeling heeft ook gevolgen voor de manier waarop de vergunningverlening van de APV en bijzondere wetten nu is georganiseerd. De technische toets van de vergunning komt bij een externe kwaliteitsborger te liggen. Dit zal ook gevolgen hebben voor de hoeveelheid en de inhoud van het werk. De gevolgen zijn mede afhankelijk van de opstelling van de gemeente ten aanzien van de vergunningverlening. Wordt er gekozen voor ruime ontwikkelingsmogelijkheden met weinig vergunningplichten of wordt er gekozen voor maatwerk, met specifieke voorschriften en vergunningplichten per locatie. Met de komst van de Omgevingswet kunnen de functies en takenpakketten binnen organisaties veranderen. Dit betekent dat er nieuwe rollen (pakket aan taken) binnen de gemeente moeten worden gedefinieerd, waarvoor mogelijk ook andere competenties noodzakelijk zijn.

Pagina 29 van 43

VTH-Beleidsplan 2020-2023 Beleidsplan voor de uitvoering van VTH-taken

definitief

Bijlage 2: Risicoanalyse, prioritering en uitleg score (Wabo) Gezondheid

Veiligheid

Leefomgeving

Financieel

Bestuurlijk

Industriefunctie

4,0

3,0

3,0

2,0

4,0

Kans op slecht naleefgedrag Middel

Gezondheidszorgfunctie met bedgebied

3,5

4,0

2,0

2,0

3,5

Laag

Onderwijsfunctie

3,0

4,0

3,0

3,0

4,0

Illegale bouw

2,5

2,5

3,0

2,0

2,5

Kamerverhuur

3,0

3,0

2,0

1,5

Celfunctie

2,0

4,0

3,0

Logiesfunctie

2.0

3,0

Bijeenkomstfunctie

2,0

Winkelfunctie

Categorie

Risico

Prioriteit

3,7

2. Hoog

3,0

2. Hoog

Middel

3,9

2. Hoog

Hoog

3,3

2. Hoog

3,0

Hoog

3,3

2. Hoog

2,0

3,0

Laag

2,8

3. Gemiddeld

2,0

1,5

3,0

Middel

2,7

3. Gemiddeld

3,0

2,0

2,5

2,0

Middel

2,6

3. Gemiddeld

2,0

3,0

2,0

2,0

3,0

Middel

2,8

3. Gemiddeld

Woonfunctie gevolgklasse 1

2,0

2,0

1,0

1,5

1,5

Hoog

2,1

3. Gemiddeld

Woonfunctie gevolgklasse 2 en 3

2,0

4,0

1,5

2,0

2,0

Middel

2,6

3. Gemiddeld

Slopen (zonder asbest)

2,0

2,0

1,0

2,0

2,0

Hoog

2,3

3. Gemiddeld

Monumenten

2,0

2,0

3,0

2,0

2,0

Middel

2,5

3. Gemiddeld

Evenementen

1,5

3,0

2,0

1,0

3,0

Middel

2,4

3. Gemiddeld

Handelen in strijd met bestemmingsplan

1,5

2,5

3,0

1,0

2,0

Hoog

2,6

3. Gemiddeld

Kappen

1,0

1,0

3,0

1,0

2,5

Hoog

2,2

3. Gemiddeld

Gezondheidszorgfuncties overig

2,0

3,0

2,0

0,5

0,5

Laag

1,6

4. Laag

Kantoorfunctie

2,0

2,0

2,0

1,0

1,0

Middel

1,8

4. Laag

Bouwwerk geen gebouw zijnde

1,0

1,5

2,0

0,5

1,5

Middel

1,5

4. Laag

In-/uitrit

0,5

2,0

2,0

1,0

1,0

Middel

1,5

4. Laag

Aanlegactiviteiten

0,5

0,5

2,0

1,0

1,0

Hoog

1,3

4. Laag

Bouwbesluittoetsvrije bouwwerken

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

Middel

0,6

5. Zeer laag

Pagina 30 van 43

VTH-Beleidsplan 2020-2023 Beleidsplan voor de uitvoering van VTH-taken

definitief

Effect (rekening houdende met de Maximum Credible Accident (MCA) Score

Gezondheid In hoeverre is er een afname van een gezond leefklimaat voor de mens

Veiligheid In hoeverre is er directe schade aan mensen, dieren en goederen

Leefomgeving Financieel Bestuur In hoeverre wordt de Wat zijn de kosten voor Wat is de imagoschade die instaat leefomgeving aangetast (uiterlijk de gemeenschap voor het bestuur aanzien en ruimtelijke ordening)

0 geen effect

geen effect

geen effect

geen effect

1 gevaar voor de gezondheid

pijn of letsel bij een individu

enige verstoring van de leefomgeving

€ 1 tot € 10.000 kosten nauwelijks bestuurlijke voor de gemeenschap belasting/aantasting imago

2 groot gevaar voor de volksgezondheid

letsel bij meerderen of zwaar letsel bij enkelen dood bij een enkeling en zwaar letsel bij meerderen meerdere doden

aantasting van de leefomgeving

€ 10.000 tot € 200.000 kosten voor de gemeenschap

lokaal bestuurlijk belang/aantasting imago

aantasting van de leefomgeving voor langere duur

€ 200.000 tot € 1000.000 kosten voor de gemeenschap

regionaal bestuurlijk belang/aantasting imago

permanent schading aan de leefomgeving

> € 1.000.000 kosten voor de gemeenschap

landelijk bestuurlijk belang/aantasting imago

3 veel gevallen van ziekten

4 sterfgevallen

geen effect

Pagina 31 van 43

VTH-Beleidsplan 2020-2023 Beleidsplan voor de uitvoering van VTH-taken

definitief

Bijlage 3: Risicoanalyse, prioritering en uitleg score (Apv+) Gezondheid

Veiligheid

Leefbaarheid

Financieel

Bestuurlijk

Kans op slecht naleefgedrag

Risico

Prioriteit

Woonoverlast (burenruzies, drugspanden, verwarde personen e.d.)

3,5

3,5

4,0

2,0

3,0

Hoog

4,2

1. Zeer hoog

Evenementen vergunningplichtig

3,0

4,0

2,5

1,5

3,5

Middel

3,3

2. Hoog

Seksbedrijven

3,0

3,0

2,0

1,0

3,0

Hoog

3,4

2. Hoog

Alcohol verstrekken < 18 Overlast (verontreiniging, overlast gevende dieren, e.d.)

4,0

2,5

3,0

1,0

3,0

Hoog

3,5

2. Hoog

3,5

3,5

3,0

2,0

2,5

Hoog

3,8

2. Hoog

Vuurwerk afsteken

1,5

3,0

3,0

2,0

2,0

Middel

3,2

3. Gemiddeld

DHW vergunning

3,0 2,5

2,0 3,0

3,0 3,0

1,5 1,5

3,0 3,0

Middel Middel

2,9 3,0

3. Gemiddeld 3. Gemiddeld

Afval

3,0

1,5

3,0

2,0

3,5

Middel

2,8

3. Gemiddeld

Avondwinkels

1,0

1,0

3,0

1,0

2,5

Hoog

2,2

3. Gemiddeld

Kleine ergernissen (hondenpoep, fietsen in het winkelcentrum e.d.)

1,0

1,0

3,0

2,0

2,0

Hoog

2,3

3. Gemiddeld

Parkeren

0,0

2,0

3,0

1,5

3,0

Middel

2,2

3. Gemiddeld

DHW wijziging leidinggevende(n)

2,0

2,0

2,0

1,5

2,0

Laag

1,9

4. Laag

Evenementen meldingsplichtig

1,0

1,0

2,0

1,0

2,0

Middel

1,6

4. Laag

Incidentele festiviteiten

1,0

1,0

2,5

1,0

1,0

Middel

1,5

4. Laag

Kansspelen

2,0

1,0

2,0

1,0

1,0

Middel

1,6

4. Laag

Marktstandplaats

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

Laag

1,0

4. Laag

Standplaatsen

1,0

2,0

2,0

1,0

1,0

Hoog

1,8

4. Laag

Categorie

Exploitatievergunning

0,5

1,0

1,5

0,5

1,0

Middel

1,0

4. Laag

Collecte- en werving Voorwerpen openbare plaats (containers, reclame, terrassen, uitstallingen, steigers)

1,0

2,5

2,0

1,0

1,5

Middel

1,7

4. Laag

Ligplaats vaartuigen

1,0

2,5

2,0

1,0

1,0

Middel

1,6

4. Laag

Winkeltijden regulier

1,0

1,0

2,0

1,0

1,0

Middel

1,4

4. Laag

Pagina 32 van 43

VTH-Beleidsplan 2020-2023 Beleidsplan voor de uitvoering van VTH-taken

definitief

Effect (rekening houdende met de Maximum Credible Accident (MCA) Score

Gezondheid In hoeverre is er een afname van een gezond leefklimaat voor de mens

Veiligheid In hoeverre is er directe schade aan mensen, dieren en goederen

Leefbaarheid In hoeverre leiden de gevolgen tot afbreuk van het sociale leefmilieu (verloedering, gevoel van veiligheid, etc.)

Financieel Bestuur Wat zijn de kosten voor Wat is de imagoschade die instaat de gemeenschap voor het bestuur

0 geen effect

geen effect

geen effect

geen effect

1 gevaar voor de gezondheid

pijn of letsel bij een individu

toename onveiligheidsgevoel

€ 1 tot € 10.000 kosten nauwelijks bestuurlijke voor de gemeenschap belasting/aantasting imago

2 groot gevaar voor de volksgezondheid

letsel bij meerderen of zwaar letsel bij enkelen dood bij een enkeling en zwaar letsel bij meerderen meerdere doden

redelijke toename van het onveiligheidsgevoel

€ 10.000 tot € 200.000 kosten voor de gemeenschap

lokaal bestuurlijk belang/aantasting imago

grote toename van het onveiligheidsgevoel

€ 200.000 tot € 1000.000 kosten voor de gemeenschap

regionaal bestuurlijk belang/aantasting imago

zeer grote toename van het onveiligheidsgevoel

> € 1.000.000 kosten voor de gemeenschap

landelijk bestuurlijk belang/aantasting imago

3 veel gevallen van ziekten

4 sterfgevallen

geen effect

Pagina 33 van 43

VTH-Beleidsplan 2020-2023 Beleidsplan voor de uitvoering van VTH-taken

definitief

Bijlage 4: DHW sanctiematrix Zie separate bijlage

Pagina 34 van 43

VTH-Beleidsplan 2020-2023 Beleidsplan voor de uitvoering van VTH-taken

definitief

Bijlage 5: Uitleg DHW sanctiematrix Toelichting bij de Sanctiematrix Drank- en Horecawet en verwante artikelen uit de Algemene plaatselijke verordening gemeente Leidschendam-Voorburg De in de sanctiematrix Drank- en Horecawet en verwante artikelen uit de Algemene Plaatselijke verordening gemeente Leidschendam-Voorburg worden verschillende sanctie genoemd. De verschillende sancties zijn onder te verdelen in drie categorieën, te weten een herstellend bestuurlijk traject, een bestraffend bestuurlijk traject en strafrecht. Hieronder wordt op de verschillende trajecten ingegaan. Herstellend bestuurlijk traject Een herstellend bestuurlijk traject houdt in dat gerichte interventie plaatsvindt om er voor te zorgen dat de overtredingen worden ongedaan gemaakt en/of het voorkomen van verdere/herhaalde overtredingen. In een herstellend traject zijn verschillende stappen en sancties te onderscheiden. In de sanctiematrix staat aangegeven wanneer een herstellend traject wordt gestart met een waarschuwing en wanneer er direct wordt opgetreden (last onder dwangsom of last onder bestuursdwang; vooraf gegaan met een voornemen). Hiervan kan gemotiveerd in een voorkomend geval worden afgeweken. Indien sprake is van recidive wordt in beginsel direct opgetreden. De in de sanctiematrix genoemde bedragen en hersteltermijnen worden in beginsel gehanteerd. Ook hier kan gemotiveerd van worden afgeweken.

 Stap 1: waarschuwen met hersteltermijn De burgemeester van de gemeente kan ten aanzien van een overtreding eerst een waarschuwing geven. Waarschuwen betekent dat de normadressaat naar aanleiding van een inspectie een waarschuwingsbrief ontvangt. Daarin is opgenomen welke maatregelen of voorzieningen getroffen moeten worden om na te leven en binnen welke (redelijke) termijn. In de brief staat ook dat er verdergaande bestuursrechtelijke interventies zullen worden ondernomen (last onder bestuursdwang, last onder dwangsom), als blijkt dat de in de waarschuwingsbrief opgenomen maatregelen of voorzieningen niet zijn getroffen na het verstrijken van de termijn. Afsprakenrapport = waarschuwing Tijdens een inspectie kan de toezichthouder een afsprakenrapport invullen. Hierop wordt aangegeven van welke overtredingen sprake is, welke maatregelen of voorzieningen moeten worden getroffen en binnen welke termijn. Het afsprakenrapport wordt door de toezichthouder en de normadressaat ondertekend. Het afsprakenrapport wordt gelijkgesteld met een waarschuwing. Na de gegeven hersteltermijn zal een hercontrole worden uitgevoerd. Is de overtreding niet beëindigd, dan zal een volgende stap (zie stap 2) worden ingezet.  Stap 2: last onder dwangsom of last onder bestuursdwang Last onder dwangsom

Pagina 35 van 43

VTH-Beleidsplan 2020-2023 Beleidsplan voor de uitvoering van VTH-taken

definitief

Een last onder dwangsom (artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) is een op herstel gerichte interventie voor het ongedaan maken van overtredingen en/of het voorkomen van verdere/herhaalde overtreding. De normadressaat krijgt een verplichting (een last) opgelegd om binnen een gegeven termijn de overtreding te beëindigen door iets te doen of na te laten op straffe van het verbeuren van een dwangsom wanneer de last niet tijdig wordt uitgevoerd. De op te leggen dwangsom moet voldoende hoog zijn om de overtreding te beëindigen. Een last onder dwangsom kan alleen worden opgelegd als hiervoor een wettelijke bevoegdheid bestaat. Het opleggen van een last onder dwangsom gebeurt volgens zorgvuldig te volgen stappen. In het algemeen worden de volgende stappen doorlopen: 1. Voornemen sanctiebeschikking: het bekend maken van het voornemen om een last onder dwangsom op te leggen met een termijn om zienswijzen bekend te maken. 2. Sanctiebeschikking, dat wil zeggen: het opleggen van een last onder dwangsom met een hersteltermijn. Indien niet (tijdig) hersteld: 3. Verbeuren en innen dwangsom. De stap last onder dwangsom kan meerdere keren worden genomen voor een geconstateerde overtreding. Indien een eerste last onder dwangsom geen resultaat heeft gehad, kan worden overwogen een nieuwe, hogere last onder dwangsom op te leggen. Dit vereist dan wel een nieuw besluit.

Ook kan besloten worden om een last onder bestuursdwang op te leggen. Last onder bestuursdwang Een last onder bestuursdwang (artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:21 van de Awb) is een op herstel gerichte interventie voor het ongedaan maken van een overtreding waarbij het bestuursorgaan (in deze de burgemeester), wanneer de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd, op kosten van de overtreder, een overtreding beëindigt door zelf daadwerkelijk in te (laten) grijpen. Een last onder bestuursdwang kan alleen worden toegepast als hiervoor een wettelijke bevoegdheid bestaat. Voor de last onder bestuursdwang gelden dezelfde zorgvuldig te doorlopen stappen als voor de last onder dwangsom. Hier kan, bijvoorbeeld in spoedeisende situaties, van worden afgeweken: 1. Voornemen sanctiebeschikking: het bekend maken van het voornemen om een last onder bestuursdwang op te leggen met een termijn om zienswijzen bekend te maken. 2. Sanctiebeschikking, dat wil zeggen: het opleggen van een last onder bestuursdwang met een hersteltermijn. Indien niet (tijdig) hersteld: 3. Uitvoeren bestuursdwang en kosten verhaal. In spoedeisende situaties en bij ernstige overtredingen is de last onder bestuursdwang de meest geschikte bestuursrechtelijke interventie. Het bestuursorgaan kan verzoeken om onmiddellijke beëindiging van de overtreding.

Als blijkt dat de normadressaat niet bereid is aan dit verzoek te voldoen, kan het bestuursorgaan zelf en in spoedeisende gevallen zonder voorafgaande last feitelijk optreden. Wel moet het bestuursorgaan zo spoedig mogelijk nadien alsnog een formele sanctiebeschikking uitvaardigen. Preventieve last onder dwangsom of bestuursdwang De last onder dwangsom en de last onder bestuursdwang kan ook preventief worden opgelegd (artikel 5:7 van de Awb). Van een preventieve last is sprake als de last wordt opgelegd voordat enige

Pagina 36 van 43

VTH-Beleidsplan 2020-2023 Beleidsplan voor de uitvoering van VTH-taken

definitief

overtreding heeft plaatsgevonden. Hiervoor geldt dat het gevaar van de overtreding klaarblijkelijk dreigt, dat wil zeggen dat de overtreding zich met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal voordoen. Bestraffend bestuurlijk traject Naast een herstellend bestuurlijk traject bestaat in een aantal gevallen ook de mogelijkheid om een bestraffend bestuurlijk traject in te zetten. Dit traject is niet gericht op herstel maar is bestraffend (punitief).  Intrekking of schorsing van de vergunning Als de normadressaat houder is van een begunstigend besluit (vergunning of ontheffing), dan kan het geheel of gedeeltelijk (al dan niet tijdelijk) intrekken van dat besluit een passende interventie zijn. Deze interventie is met name passend als de normadressaat niet in actie komt naar aanleiding van eerdere correctieve interventies, zoals een last onder dwangsom (dus bij recidive). Het geheel of gedeeltelijk intrekken van een begunstigend besluit is een vergaande interventie die zorgvuldig moet worden voorbereid. Een bestraffende sanctie bestraft een overtreding die ‘in het verleden’ begaan is. Er is dus een overtreding geconstateerd en dat feit wordt bestraft. In de sanctiematrix staat aangegeven in welke gevallen de Drank- en horecawet (DHW) verplicht om de vergunning in te trekken en in welke gevallen het een mogelijkheid is om de vergunning te schorsen of in te trekken.

Daarnaast kan volgend op stap 2 (bij niet voldoen aan de lastgeving of in geval van herhaling van de overtreding (recidive)) over worden gegaan tot het (tijdelijk) geheel of gedeeltelijk intrekken van de vergunning. Ook in ernstige gevallen kan worden overgegaan tot (tijdelijk) geheel of gedeeltelijk intrekken van de vergunning.  Bestuurlijke boete Een bestuurlijke boete is een bestuurlijke bestraffende sanctie die door een daartoe bevoegde bestuursorgaan zonder tussenkomst van het OM of een rechter kan worden opgelegd. Een bestuurlijke boete houdt de onvoorwaardelijke verplichting in tot betaling van een geldsom en kan naast een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang worden opgelegd. Het opstellen van het boeterapport gebeurt door de toezichthouder/handhaver. De kennisgeving, beschikking en inning worden opgesteld door een juridisch medewerker van de afdeling Handhaving en door de gemandateerden namens de burgemeester ondertekend. De maxima en bandbreedtes van boetebedragen zijn vastgelegd in het Besluit bestuurlijke boete DHW en genoemd in de sanctiematrix. Een belangrijk verschil met de bestuurlijke strafbeschikking (BSB) is dat bezwaar en beroep bij het bestuursorgaan dienen te worden aangetekend, terwijl de normadressaat tegen de BSB in verzet kan komen bij het OM.

Gebruik bevoegdheid opleggen bestuurlijke boete De burgemeester kan in geval van een overtreding van een van de artikelen genoemd in artikel 44a van de DHW gebruik maken van zijn bevoegdheid en een bestuurlijke boete ter hoogte van het in de matrix genoemde bedrag opleggen. Om te bepalen wanneer een bestuurlijke boete wordt opgelegd wordt onderstaande interventiematrix van de Landelijke Handhavingsstrategie (zie fig. 1) gehanteerd.

Pagina 37 van 43

VTH-Beleidsplan 2020-2023 Beleidsplan voor de uitvoering van VTH-taken

definitief

Om te bepalen wat de gevolgen zijn (verticale lijn in de interventiematrix) dient aansluiting te worden gezocht bij de meest recente risicoanalyse met betrekking tot de Drank- en horecawet behorende bij het handhavingsbeleid van de gemeente Leidschendam-Voorburg. Indien sprake is van het middensegment of het zware segment zal de burgemeester in beginsel gebruik maken van zijn bevoegdheid een bestuurlijke boete op te leggen.

Fig. 1 Interventiematrix Landelijke handhavingsstrategie Recidive In geval van een herhaling van de overtreding (recidive) maakt de burgemeester gebruik van zijn bevoegdheid om een bestuurlijke boete op te leggen. Indien al eerder een bestuurlijke boete is opgelegd voor dezelfde overtreding zal een tweede bestuurlijke boete worden opgelegd waarbij het bedrag wordt verhoogd conform het Besluit bestuurlijke boete DHW.

Pagina 38 van 43

VTH-Beleidsplan 2020-2023 Beleidsplan voor de uitvoering van VTH-taken

definitief

Strafrecht  Proces-verbaal (PV) BOA’s die een strafbaar feit vermoeden of constateren, kunnen een PV opmaken. Dit optreden valt onder het strafrechtelijk optreden. Een PV is de basis voor het verdere optreden van het OM dat kan leiden tot sancties als: een geldboete, een werkstraf, een gevangenisstraf, ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, publicatie van het vonnis, stillegging van de onderneming en verbeurdverklaring. Voor wat betreft de DHW gaat het om overtreding van artikel 45 van de DHW. In dit artikel is bepaald dat het degenen die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt, met uitzondering van personen van 16 of 17 jaar die dienst doen in een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, waaronder begrepen het zijn van barvrijwilliger in een inrichting in beheer bij een paracommerciële rechtspersoon, verboden is op voor het publiek toegankelijke plaatsen alcoholhoudende drank aanwezig te hebben of voor consumptie gereed te hebben, met uitzondering van plaatsen waar bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse wordt verstrekt. BOA’s kunnen bij overtreding hiervan een PV opmaken. Ook kan een HALT verwijzing worden gedaan.

Pagina 39 van 43

VTH-Beleidsplan 2020-2023 Beleidsplan voor de uitvoering van VTH-taken

definitief

Bijlage 6: Landelijke handhavingsstrategie Zie separate bijlage

Pagina 40 van 43

VTH-Beleidsplan 2020-2023 Beleidsplan voor de uitvoering van VTH-taken

definitief

Bijlage 7: Uitwerking gedoogstrategie Wanneer is er sprake van een overmachtssituatie en een overgangssituatie? Er is alleen sprake van overmacht in de zin van dit gedoogkader in situaties van onverwachte, niet voorzienbare van buiten komende oorzaken/omstandigheden. Het gaat hierbij om andere gevallen dan waarbij in artikel 5:5 van de Awb is voorzien. In overgangssituaties kan gedogen aanvaardbaar zijn als de consequenties van handhaving niet in redelijke verhouding staan tot de belangen die met (onmiddellijke) handhaving gemoeid zouden zijn. Kenmerkend voor een overgangssituatie is, dat er concreet zicht dient te zijn op beëindiging van de illegale situatie. Aanvaardbare overgangssituaties zijn bijvoorbeeld (niet limitatief):  Wanneer zonder toereikende vergunning wordt gewerkt, omdat door omstandigheden die buiten de macht van de vergunninghouder liggen, de nieuwe vergunning niet aansluitend op de oude (verlopen) vergunning is verleend;  wanneer op formele gronden een vergunning is vernietigd en een nieuwe verleend kan worden;  wanneer een onderzoek moet worden verricht om overtreding van bepaalde voorschriften te beëindigen;  wanneer nieuwe wetgeving in voorbereiding is, waardoor er in de nabije en voorzienbare toekomst geen sprake meer zal zijn van een overtreding.

Hierbij valt te denken aan het moment dat een wetsvoorstel van de Tweede Kamer aan de Eerste Kamer wordt gezonden;  wanneer er door een rechterlijke uitspraak verandering komt in de vergunningplicht.

Bestuursrecht vs strafrecht In de Rijksnotitie 'Gedogen in Nederland' (Tweede Kamer, vergaderjaar 1996-1997, 25 085, nrs 1-2) is aangegeven welke grenzen en voorwaarden de Rijksoverheid aan gedogen stelt. De beslissing van de gemeente om een overtreding bestuursrechtelijk te gedogen impliceert niet dat er strafrechtelijk wordt gedoogd. Deze afweging is aan het Openbaar Miniserie voorbehouden. Hetzelfde geldt voor het geval dat een ander bestuursorgaan op grond van een haar toekomende bevoegdheid bestuursrechtelijk handhavend kan optreden. Een bestuursorgaan is in beginsel niet gebonden aan een gedoogbeschikking van een ander bestuursorgaan. Het gedoogkader A. Uitgangspunt is dat slechts in bepaalde gevallen en bij uitzondering mag worden overgegaan tot gedogen. Er moet sprake zijn van een overgangs- of overmachtssituatie en de uitkomst van een belangenafweging dient het gedogen niet in de weg te staan. B. Indien de situatie op bovenstaande gronden voor gedogen in aanmerking komt, worden de volgende procedurele voorwaarden in acht genomen: 1. Indien op de situatie van toepassing (vooral bij overgangssituaties) dient aan het gedogen een ontvankelijke vergunningaanvraag ten grondslag te liggen, waarvan de verwachting is dat deze vergunning binnen afzienbare tijd ook daadwerkelijk verleend kan worden. 2. Het gedogen geschiedt uitdrukkelijk en schriftelijk. 3.

Er wordt alleen na een kenbare belangenafweging tot gedogen overgegaan. 4. Het gedoogbesluit voldoet aan alle relevante eisen uit de Awb. De procedurele vereisten betreffende het horen en de bekendmaking worden in acht genomen. 5. De te gedogen activiteit wordt regelmatig gecontroleerd door de gemeente.

Pagina 41 van 43

VTH-Beleidsplan 2020-2023 Beleidsplan voor de uitvoering van VTH-taken

definitief

6. Handhavingspartners worden, afhankelijk van de ernst van de overtreding en de betrokken belangen, betrokken in de besluitvorming ofwel op de hoogte gesteld van het genomen besluit. Desgewenst wordt een gedoogbeschikking overgelegd. 7. In de beschikking wordt aangegeven dat de gedoogde activiteit geheel voor eigen risico van de overtreder plaatsvindt. De beschikking vermeldt dat het de handhavingsbevoegdheden van andere organen dan het gedogende orgaan onverlet laat. C. Naast de procedurele vereisten, is het zaak inhoudelijk een juiste beslissing te nemen. Daarbij gelden de volgende randvoorwaarden: 1. Waar nodig wordt de gedoogbeschikking voorzien van beschermende voorwaarden. 2. Bij niet-naleving van de gedoogvoorwaarden wordt tot naleving gemaand. Als dit niet het gewenste effect heeft, wordt alsnog handhavend opgetreden tegen de onderliggende overtreding of worden de voorwaarden aangepast. 3. In de gedoogbeschikking wordt opgenomen dat de gedoogbeschikking zijn rechtskracht verliest indien één of meerdere voorwaarden uit de gedoogbeschikking worden overtreden. 4. Een situatie wordt slechts tijdelijk gedoogd en de tijdspanne moet zo kort mogelijk zijn. In de beschikking wordt een concrete eindtermijn genoemd. 5. Aan de beschikking ligt een zorgvuldige liggende belangenafweging ten grondslag. 6.

Als binnen één project diverse activiteiten in aanmerking komen voor gedogen, wordt ten aanzien van onlosmakelijk met elkaar verbonden activiteiten (als bedoeld in artikel 2.7 van de Wabo) een integrale afweging gemaakt. Ad A.) Indien een overtreding wel te legaliseren is, maar er geen concreet zicht op legalisatie bestaat, is dit geen reden om van handhavend optreden af te zien. In dat geval wordt bij het inzetten van een sanctiemiddel de overtreder, of andere rechthebbende, op de hoogte gesteld van de legalisatiemogelijkheden. Indien van een legalisatiemogelijkheid gebruik wordt gemaakt, kan er op dat moment concreet zicht op legalisatie ontstaan, waardoor gedogen op dat moment aan de orde kan zijn. Indien er geen gebruik wordt gemaakt van de legalisatiemogelijkheid, ontstaat er geen concreet zicht op legalisatie, waardoor de mogelijkheid van legalisatie niet (meer) in de weg staat aan handhavend optreden. Ad C. 4) Gedogen is slechts aanvaardbaar zolang en voor zover de uitzonderingssituatie zich voordoet. Zodra de reden tot gedogen niet langer aanwezig is, moet binnen redelijke termijn tot handhaving worden overgegaan. Ook kan de noodzaak om te gedogen weggenomen worden door de situatie te legaliseren. Is (tijdelijke) legalisering van de overtreding mogelijk dan heeft dit altijd de voorkeur boven gedogen. Ad C.

5) Gedogen gebeurt in beginsel altijd in de vorm van een beschikking. Een gedoogbeschikking moet expliciet en na zorgvuldige kenbare belangenafweging worden genomen. Naast het algemeen belang worden ook de belangen van derden in de belangenafweging meegenomen. Alleen gedoogbeschikkingen expliciet en ook schriftelijk zijn genomen en van een zorgvuldige en kenbare motivering zijn voorzien, zijn ze ook daadwerkelijk onderworpen aan de mogelijkheid van controle. Het besluit zal eveneens duidelijk moeten zijn over de gedragingen en activiteiten die gedoogd worden, de (eind)termijnen en de voorwaarden die aan het gedogen worden gesteld. Ook moet in de beschikking staan dat derden tegen de beschikking bezwaar kunnen maken en, indien aan de orde, het eventuele strafrechtelijke vervolging door het Openbaar Ministerie onverlet laat.

Gedoogbeschikking is geen vergunning Gedoogbeschikkingen moeten niet worden verward met vergunningen. Dit blijkt vooral wanneer de handhaving van gedoogvoorwaarden aan de orde is. Gedoogvoorwaarden bevatten de condities waaronder het

Pagina 42 van 43

VTH-Beleidsplan 2020-2023 Beleidsplan voor de uitvoering van VTH-taken

definitief

bestuursorgaan bereid is om geen gebruik te maken van de handhavingsbevoegdheid. Omdat de overtreding van de gedoogvoorwaarden niet kan worden gezien als overtreding van een wettelijk voorschrift kan de overtreding van dergelijke voorwaarden geen grondslag vormen voor het nemen van een handhavingsbesluit. Daarom wordt in de gedoogbeschikking altijd een voorwaarde opgenomen waarin is bepaald dat de gedoogbeschikking zijn rechtskracht verliest indien een of meer voorwaarden uit de gedoogbeschikking worden overtreden. Dan kan wel direct van de oorspronkelijke handhavingsbevoegdheid gebruik worden gemaakt. Tot slot is van belang dat een gedoogbeschikking niet overdraagbaar is. Dit wordt expliciet in gedoogbeschikkingen vermeld.

Procedure gedoogbeschikking De procedure om tot een gedoogbeschikking te komen ziet er als volgt uit: Bij de gemeente moet een verzoek tot het nemen van een gedoogbeschikking zijn ingediend. Alleen als feiten en omstandigheden daartoe nopen gaat de gemeente ambtshalve over tot het nemen van een gedoogbeschikking. Een gedoogbeschikking wordt niet in mandaat genomen. Na afstemming met de portefeuillehouder wordt voorgesteld om al dan niet een gedoogbeschikking te nemen en om het voornemen daartoe bekend te maken. Het voornemen om een gedoogbeschikking te nemen wordt verstuurd aan degene die een verzoek om gedogen heeft ingediend of aan degene die het bij een ambtshalve besluit betreft. Daarnaast wordt het voornemen om een gedoogbeschikking te nemen bekend gemaakt door middel van publicatie in de Gemeenterubriek. Hierbij worden belanghebbenden in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken hun zienswijze over het voornemen een gedoogbeschikking te nemen naar voren te brengen. Als er geen zienswijzen zijn ingediend wordt de definitieve gedoogbeschikking genomen met inachtneming van de zienswijzen. De definitieve gedoogbeschikking wordt aangetekend verstuurd aan de verzoeker om de gedoogbeschikking of degene die het betreft.

Aan degene die een zienswijze heeft ingediend tegen het voornemen wordt een brief gestuurd met een reactie op de zienswijze met daarbij een kopie van de definitieve gedoogbeschikking. Daarnaast wordt de gedoogbeschikking bekend gemaakt door middel van publicatie in de Gemeenterubriek. De gedoogbeschikking wordt zes weken ter inzage gelegd op het Servicecentrum in Leidschendam. Dit wordt vermeld in de publicatie. Degene tot wie de gedoogbeschikking zich richt heeft geen mogelijkheid om bezwaar te maken. Belanghebbenden daarentegen hebben zes weken de tijd om een bezwaarschrift tegen de gedoogbeschikking in te dienen.

Pagina 43 van 43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=eebfad2a-359b-434a-a706-b59471449dc5