2525 Glastuinbouwgebied Meeslouwerpolder_toelichting_vastgesteld.pdf
Tekst van het document
Bij het bepalen van de parkeereis is ook de stedelijkheidsgraad van belang. 2.4.7.2 Gevolgen voor dit bestemmingsplan Voorliggend bestemmingsplan is grotendeels conserverend van aard. De nieuwe ontwikkelingen die direct en de toekomst mogelijk gemaakt worden zullen moeten voldoen aan het gemeentelijk parkeerbeleid. Op voorhand kan geconcludeerd worden dat het plangebied groot genoeg is om bij toekomstige ontwikkelingen te voorzien in de noodzakelijke parkeerbehoefte. Toekomstige ontwikkelingen zullen getoetst worden aan het vigerende parkeerbeleid van de gemeente Leidschendam - Voorburg.
26
Hoofdstuk 3 3.1
Bestaande situatie
Inleiding
Dit hoofdstuk beschrijft de ruimtelijke en functionele analyse van het plangebied op basis van de bestaande situatie. Aan bod komen de ruimtelijke hoofdstructuur van de wijk en de aanwezigheid van verschillende functies in het plangebied of in de directe nabijheid daarvan.
3.2
Bestaande functies en ruimtelijke structuren
3.2.1
Ontstaansgeschiedenis van het plangebied
De Meeslouwerpolder is een naam die in 1947 is ontstaan door de samenwerking van de Gecombineerde Huiszitter- en Meeslouwerpolder en de Kleine Westeindsche Veen- en Droogmakerij. Het plangebied zelf is eind 19e eeuw drooggelegd na een periode van veenwinning. In de jaren 60 is begonnen met de tuinbouw, waarschijnlijk als uitloopgebied voor de tuinbouwgronden op het hoger gelegen Leidschendam. Hiervoor werden de twee ontsluitingswegen Huysitterweg en de Tuinbouwweg aangelegd. Het tuinbouwgebied is tot nu toe een mix gebleven van glastuinbouw, tuinbouw in de open lucht en grasland. 3.2.2
Bestaande functies
De hoofdfunctie in het plangebied is glastuinbouw met daaraan ondergeschikt glastuinbouw gerelateerde bedrijven. Een aantal bedrijven hebben minder tot geen relatie met de glastuinbouw, zoals een bedrijf in grondverzet, een paardenhouderij, een veehouderij en een voormalige agrarisch pluimveebedrijf. Daar waar geen kassen staan wordt het grasland gebruikt voor containerplanten, waterbassins en beweiding van vee. In de Meeslouwerpolder zijn enkele woningen aanwezig die veelal bewoond worden door inwoners met een relatie tot de aanwezige bedrijvigheid. In de huidige situatie kan de Meeslouwerpolder niet getypeerd worden als een gebied met een woonfunctie. 3.2.3
Bestaande ruimtelijke structuren
3.2.3.1 Ruimtelijke hoofdstructuur Het gebied is gelegen ten noordwesten van de bestaande kern Stompwijk en bestaat in hoofdzake uit de kassenzone en het groene agrarisch gebied als rand daaromheen. Het gebied wordt omsloten door de Kniplaan, de snelweg A4, de Zustersdijk en de Stompwijkseweg /Dr. van Noortstraat/ verbindingsweg. Deze lijnen vormen samen met de kassenzone en de agrarische randzone de ruimtelijke hoofdstructuren van het gebied De A4 is ruimtelijk dominant aanwezig door de verlichtingspalen, verkeersportalen en overige structuurbepalende elementen zoals een hogere ligging en de verkeersgeleiderails. De Kniplaan en Zustersdijk zijn dijklichamen en vormen een ruimtelijke scheiding met het gebied daarachter. De Dr. Van Noortstraat, Stompwijkseweg en de verbindingsweg vormen samen een ruimtelijke overgangszone gevormd door wegen, een dijklichaam met opgaand groen en bebouwing.
27
Binnen de randzone om de kassen heen liggen verschillende agrarische bedrijven waarbij het agrarisch bedrijf aan de Kniplaan door haar ligging aan het lint een cultuurhistorische connotatie kent. De overige twee bedrijven zijn vrij in de ruimte geplaatst met lange oprijpaden vanaf de Meerburgerlaan. Binnen het kassengebied wordt de structuur bepaald door de tuinbouwwegen, De Huysitterweg en de Tuinbouwweg. De Huysitterweg maakt richting de A4 een Haakse bocht richting de Tuinbouwweg, maar loopt dood. Deze liggen parallel aan het oorspronkelijke slotenpatroon. Binnen het kassengebied is de relatie met de genoemde randzone daaromheen door bebouwing aan deze twee wegen met bijbehorende kassen minimaal. 3.2.3.2 Bebouwingsstructuur De bebouwingsstructuur is opgebouwd langs de Huysitterweg en de Tuinbouwweg. Aan deze linten zijn de bedrijfswoningen, opstallen, kassen, waterbassins en burgerwoningen gelegen. Op sommige plekken langs en tussen de linten zijn geen kassen, woningen of andere voorzieningen gebouwd waardoor op een groot deel tussen de linten het oorspronkelijke slagenlandschap behouden in gebleven. De kassen zijn verder haaks op deze linten aangelegd. Door variatie in grootte, hoogte en materiaalgebruik is er een redelijk divers beeld ontstaan. Hierbij is duidelijk te zien dat de kleinere kassen aan de Tuinbouwweg gelegen zijn.
De bedrijven aan de Huysitterweg hebben recenter geïnvesteerd met als gevolg dat hier de kassen groter zijn. 3.2.3.3 Groenstructuur De groenstructuur volgt op het schaalniveau van het gehele gebied de ruimtelijke hoofdstructuur. De zone langs de Zustersdijk is daarbij meest bepalend. Binnen het plangebied vormt de erfbeplanting samen met de groene taluds langs de sloten langs de linten de groene hoofdstructuur. 3.2.3.4 Waterstructuur De waterstructuur volgt het oorspronkelijke slotenpatroon van het uitgeveende veen weidegebied. Tussen de verschillende percelen zijn vaak perceelsloten aangelegd haaks op het oorspronkelijke slotenpatroon. Doordat deze haakse sloten stoppen bij de erfgrenzen is er een divers beeld ontstaan. 3.2.4
Gebiedsbeschrijving en waardering
Het gebied is met name vanaf de kniplaan, Stompwijkseweg, toekomstige verbindingsweg en de A4 goed waarneembaar. De kassen vormen een visuele onderbreking van de doorgaande groene begeleiding van de snelweg en beperken het zicht op het lint van Stompwijk en de kerk. Vanaf de kniplaan en de Stompwijkseweg ligt het kassengebied op afstand waardoor het kassengebied minder domineert. De beperkte hoogte van de kassen aan deze zijde en de verspringende achter rooilijn van de kassen verkleinen de ruimtelijke impact. Kenmerkende ruimtelijke aspecten rondom het plangebied zijn de afgeknotte voormalige windmolen bij de Meerenburger (met jachthaventje, ecotunnel en camping). Verder zijn de Zustersdijk en de Kniplaan waardevolle ruimtelijke eenheden.
28
Doordat met de aanleg van de kassen de oorspronkelijke ingepolderde landschapsstructuur is veranderd en het gebied nadien ruimtelijk gedomineerd is door glas heeft de locatie weinig relatie met de omgeving en is er sprake van een op zichzelf staande ruimtelijk eenheid. De kwaliteit van die eenheid dient gevonden te worden in de profielen van de Huyssitterweg en de Tuinbouwweg en bestaat uit de diversiteit aan bouwvormen, beplanting en inrichting en het nog niet aangetaste slagenpatroon tussen de kassen. De kwaliteit van deze profielen is niet hoog door de puur bedrijfsefficiënte inpassing. 3.2.5
Ruimtelijke samenhang met omliggende plangebieden en gemeenten
Het plangebied grenst aan de bestemmingsplan 'Landelijk Gebied' en 'Stompwijk Verbindingsweg'. Doordat de rand rondom het kassengebied bestaat uit weiland, analoog aan het bestemmingsplan Landelijk Gebied is er een sterke ruimtelijke landschappelijke samenhang en kan men op grote schaal spreken van een groen open weidegebied met daarbinnen een glastuinbouwcluster. De A4 vormt een ruimtelijk functionele barrière waarbij de impact van toekomstige aanpassingen aan de A4 op het plangebied zich nog moet vormen De samenhang met de verbindingsweg is met name functioneel die landschappelijk het plangebied scheidt van de oorspronkelijke ontsluitingswegen de Dr van Noortstraat en de Stomwpijkseweg. Relatie grotere schaal Het gebied is onderdeel van het regiopark Duin Horst en Weide en het Groene Hart. Ter behoud van de landschappelijke relatie met de omgeving vindt bescherming plaats van het open weidegebied en het slagenlandschap. Daarbij wordt ingezet op bescherming van de kenmerkende verkaveling, boerenerven, kavelsloten en de openheid en doorzichten. De ruimtelijke samenhang tussen deze kenmerken en de bestaande situatie binnen het plangebied is niet sterk.
29
Hoofdstuk 4 4.1
Visie op het plangebied
Inleiding
Dit hoofdstuk gaat in op de ruimtelijke en functionele aspecten die van belang zijn voor de visie op het plangebied. Samen met hoofdstuk 3 vormt dit hoofdstuk de kern van de toelichting. De visie bepaalt de vorm en inhoud van de juridische regeling (bestemmingsregels) van dit bestemmingsplan. Aanleiding voor het opstellen van een nieuw bestemmingsplan is enerzijds het planologisch op orde brengen van de ruimtelijke juridische situatie. Anderzijds wil het bestemmingsplan een toekomstgerichte ontwikkelruimte bieden voor het glastuinbouwgebied. Deze ontwikkelruimte wordt binnen dit bestemmingsplan met name geregeld middels de wijzigingsbevoegdheid. Met betrekking tot het op orde brengen van de huidige ruimtelijk juridische situatie geeft het bestemmingsplan waar mogelijk een juridische status aan de in de loop der jaren ontstane situatie. Hierbij wordt aangeven hoe er besloten is voor situaties zoals: vrijkomende bedrijven en bedrijfswoningen door schaalvergroting; gebiedsvreemde bedrijfsfuncties; andersoortig gebruik van de kassen zoals opslag. Met betrekking tot het bieden van een toekomstgerichte ontwikkelruimte richt het bestemmingsplan zich op het versterken van de ruimtelijke kwaliteit en economische vitaliteit. Met betrekking tot de ruimtelijke kwaliteit is het beleid gericht op het opruimen van in onbruik geraakte glasopstanden en het versterken van de linten.
Bij het versterken van de economische vitaliteit is het beleid gericht op het bieden van zoveel mogelijk ontwikkelruimte voor de glastuinbouw in het gebied tussen de twee linten Tuinbouwweg en Huyssitterweg. Daarnaast is het beleid gericht op het huisvesten van agro gerelateerde bedrijfsfuncties zoals laboratoria en tuinbouw ondersteunende loonwerkbedrijven. Uitgangspunt hierbij is dat ze naast een tuinbouw gerelateerde functie ook tuinbouw gerelateerde ruimtelijke kenmerken moeten hebben. Deze tuinbouw ondersteunende functies zijn alleen toegestaan binnen het bedrijfscentrum.
4.2
Ontwikkelingen gemeentelijk schaalniveau
Op gemeentelijk schaalniveau wordt tot op heden ingezet op een consolidering en bescherming van de landbouwkundige functie van het buitengebied, rekening houdende met de ecologische en landschappelijke waarden. Tevens wordt ingezet op het behoud en de versterking van cultuurhistorische elementen en structuren. Daarnaast speelt de vraag vanuit het stedelijk gebied naar meer integratie tussen stad en land. Ter versterking van een vitaal platteland worden mogelijkheden geboden voor recreatief medegebruik, vaak in de zin van verbrede landbouw, met behoud van de functies en kenmerken van het gebied. Beleidslijnen vanuit hogere overheden nopen tot het bieden van ontwikkelruimte om deze ontwikkelingen in de toekomst te kunnen faciliteren. Te denken valt hierbij aan recreatieve ontsluiting, biodiversiteit, regionale landbouw, versterken van ecologie, klimaatadaptatie en het integraal verknopen van deze aspecten zodat meerdere doelen per project gehaald worden. Op een grote schaal wordt het verknopen van bovenstaande aspecten met betrekking tot recreatieve ontsluiting, biodiversiteit, versterken van ecologie en klimaatadaptatie toegepast in het project Nieuwe Driemanspolder.
30
Verontdieping Meeslouwerplas en ontwikkeling recreatiewoningen Vlietland In Vlietland wordt de Meeslouwerplas verondiept. Het doel hiervan is het versterken van de oevers en het verbeteren van de ecologische en passieve recreatieve kwaliteit. Het bestemmingsplan voor Vlietland maakt de bouw recreatiewoningen mogelijk. Verwacht wordt dat er enige economische spinoff zal plaatsvinden voor Stompwijk in het algemeen en dat deze spinoff (bezoekers over en weer) langs of via het bestemmingsplan gebied zou kunnen gaan lopen. In de verschillende beleidsstukken is daarvoor bijvoorbeeld de Zustersdijk als mogelijke wandelroute opgenomen. Verbreding A4 Rijnlandroute De verbreding van de A4 en de komst van de Rijnlandroute hebben een majeure ruimtelijke impact op het buitengebied door de bouw van flyovers, het verkleinen van het landbouwareaal en het toepassen van afschermende maatregelen. Hollandse Banen Dit MRDH project heeft tot doel goede recreatieve routes te maken die in principe bestaande cultuurhistorische lijnen volgen. Eén van die routes is de route van Zoetermeer naar zee en deze loopt langs de Kniplaan. Verbindingsweg Door de verbindingsweg krijgt het kassengebied een directe aansluiting op het provinciaal wegennet (n206) en wordt het dorp ontlast van zwaar verkeer.
4.3
Visie op het plangebied
De gemeente heeft een hoog ambitieniveau voor het glastuinbouwgebied. Hiervoor heeft zij in een eerdere fase samen met ondernemers en belanghebbenden een spelregelkaart opgesteld die sturing geeft aan gewenste toekomstige ontwikkelingen. In deze paragraaf wordt de ruimtelijke vertaling van de spelregelkaart toegelicht welke in de bij dit bestemmingsplan horende regels nader wordt geconcretiseerd middels een functieaanduiding. 4.3.1
Transformatie in de glastuinbouw
Dat de glastuinbouwsector verandert, erkent ook de provincie. In het kader van het beleid om verspreid liggend glas te saneren, concludeert de provincie dat de glastuinbouwsector kampt met lage rendementen, terwijl investeringen in modernisering en schaalvergroting nodig zijn voor een gezonde bedrijfsvoering. Dat is ook de conclusie van Decisio dat in opdracht van de gemeente onderzoek heeft uitgevoerd naar het toekomstperspectief van de glastuinbouw in de Meeslouwerpolder. Het onderzoek van Decisio geeft aan dat het meeste perspectief voor de Meeslouwerpolder ligt in menging van glastuinbouw en te herplaatsen bedrijvigheid uit het buitengebied.
31
Om dat mogelijk te maken heeft de provincie een perspectief geboden die de komende 10-15 jaar kansen biedt voor transformatie. Hierbij blijft de glastuinbouw bestaan, maar minder prominent in het gebied. De mogelijkheid tot transformatie is bedoeld voor bedrijven die (een deel van) hun bedrijfsvoering in het gebied willen stoppen. Transformatie wordt mogelijk gemaakt om verpaupering van het gebied tegen te gaan en toekomstwaarde aan het gebied toe te voegen. De gemeente hanteert bij planbeoordeling van nieuwe initiatieven de in september 2017 vastgestelde spelregels en de Beeldkwaliteitsparagraaf Meeslouwerpolder. Een initiatief zal in overleg tussen de initiatiefnemer, de gemeente, de provincie Zuid-Holland en de omgeving nader worden uitgewerkt. Uitgangspunt hierbij is dat in eerste instantie de bouw van nieuwe woningen worden gerealiseerd aan de bestaande linten. Als de ontwikkelruimte daar op is, kan worden overgegaan op ontwikkeling achter de lintbebouwing. Middels de visie op de belangrijkste ruimte bepalende aspecten worden de daarin opgenomen en onderstaande uitgangspunten verder toegelicht; ontwikkelen van een compact glascluster tussen de agrarische woonlinten Tuinbouwweg en Huysitterweg. het amoveren van overlast veroorzakende bestaande bedrijven uit het buitengebied naar een uitbreidingslocatie naast het bestaande bedrijvencluster Huysitterweg.
transformeren Tuinbouwweg en Huysitterweg naar aantrekkelijke agrarische woonlinten aansluitend bij het landelijk karakter. transformeren bebouwde ruimte tussen Kniplaan en Tuinbouwweg en ruimte tussen Huysitterweg en Zustersdijk naar weidegebied. bestaande bedrijven worden niet in de bedrijfsvoering belemmerd. iedere transformatie moet voor ruimtelijke kwaliteit zorgen. bieden mogelijkheid voor ruimte voor ruimte geen ontsluiting via nieuwe verbindingsweg naast de bestaande linten; ontwikkelvolgorde. De doelen vastgelegd in de Spelregels transformatie glastuinbouwgebied Meeslouwerpolder zijn middels de gebiedsaanduidingen 'wetgevingszone - wijzigingsgebied 1' en 'wetgevingszone - wijzigingsgebied 2' planologisch vastgelegd. De wijzigingsbevoegdheden kennen een onderlinge koppeling. De wijzigingsbevoegdheid 'wetgevingszone - wijzigingsgebied 1' stelt initiatiefnemers in het gehele plangebied in staat oude bedrijfsopstallen, kassen en/of waterbassins te saneren en daarvoor in ruil woningbouwmogelijkheden te verkrijgen. De wijzigingsbevoegdheid 'wetgevingszone - wijzigingsgebied 2' bepaalt waar de nieuwe woningen gerealiseerd mogen worden.
In de regels is bepaald dat Burgemeester en Wethouders op grond van (het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro en) de Spelregels transformatie glastuinbouwgebied Meeslouwerpolder bevoegd zijn de ter plaatse vigerende bestemming te wijzigen met dien verstande dat: de bedrijfsvoering van het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf binnen de gebiedsaanduiding 'Wetgevingszone - wijzigingsgebied 1' is of wordt beëindigd; wijziging van de bestemming ten behoeve van de woonfunctie gewenst dan wel noodzakelijk is en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse door de wijziging noemenswaardig zal verbeteren; de bouw van een nieuwe burgerwoning als compensatie voor de sloop van kassen/waterbassins en/of bedrijfsgebouwen wordt gerealiseerd binnen de gebiedsaanduiding 'Wetgevingszone - wijzigingsgebied 2'; de nieuwe woonbebouwing conform de vormgevingseisen gesteld in de beeldkwaliteitsparagraaf tot stand komen; de bebouwing dient landschappelijk goed te worden ingepast, met inachtneming van de in de kwaliteit van het gebied, ten aanzien waarvan burgemeester en wethouders advies kunnen inwinnen bij een landschapsdeskundige; burgemeester en wethouders de provincie Zuid-Holland actief betrekt en om advies vraagt alvorens besluitvorming plaatsvindt over het in procedure brengen van een wijzigingsplan.
32
Aanvullend is bepaald dat de gronden die niet voor nieuwe woonbestemming noodzakelijk zijn als Agrarisch met waarden - Landschapswaarden worden bestemd. In de regels zijn nog meerdere aanvullende voorwaarden gesteld voor de specifieke inrichting van de toekomstige woongebieden, ruimtelijke kwaliteit speelt daarbij een belangrijke rol. De uiteindelijke ontwikkeling zal zowel goedkeuring van de initiatiefnemer, de gemeente Leidschendam-Voorburg als de provincie Zuid-Holland moeten krijgen. 4.3.2
Beeldkwaliteitsparagraaf Meeslouwerpolder
In deze paragraaf worden de ruimtelijke kwaliteitsaspecten toegevoegd aan de ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Meeslouwerpolder. Samen met de spelregelkaart en het bestemmingsplan vormt deze paragraaf de ruimtelijk kwalitatieve toets bij nieuwe ontwikkelingen. Hierbij wordt als vertrekpunt genomen de transformatie naar een kwalitatief woon- en werkgebied. Voor nieuwbouwwoningen worden er richtlijnen geboden voor de manier waarop het gebied gedeeltelijk getransformeerd kan worden naar woningbouw. Naast de beeld kwalitatieve aspecten zijn onderwerpen als borging van de continuïteit en ontwikkelperspectief van de bestaande ondernemers en de volgorde waarmee kleinschalige woningbouw in het gebied mogelijke gemaakt kan worden onderdeel van deze paragraaf. Daarnaast is deze beeldkwaliteitsparagraaf op specifieke onderwerpen kenmerkend voor het kassengebied een uitwerking van de beeldkwaliteitsparagraaf behorende bij het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied 2011'. De beeldkwaliteitsparagraaf biedt randvoorwaarden voor zowel concrete aanvragen binnen de bestaande situatie als ook voor de nader in te vullen locaties waarvoor wijzigingsbevoegdheden in het bestemmingsplan zullen worden opgenomen. Het einddoel is om te komen tot een rustig en samenhangend (lint-) beeld. In onderstaande paragrafen wordt per onderwerp richtlijnen geboden.
Leeswijzer Per ruimtelijk thema zullen er gebiedskenmerken worden vastgesteld waarna richtlijnen/ handvatten wordt geboden aan veranderopgaves. Deze gelden zowel voor veranderingen bij blijvende en groeiende ondernemers als bij nieuwbouw van woningen. Het hoofdthema is de linten bestaande uit de oevers, profielen, beplanting, dammen, bouwwerken en de overgangen naar het landschap. 4.3.2.1 Linten Kenmerkend voor het gebied zijn de linten, zij zijn de drager van de identiteit van het gebied en bieden ruimte voor een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. De kwaliteit van de linten wordt bepaald door de invulling van het dwarsprofiel van het lint. Dit dwarsprofiel bestaat uit vaste onderdelen zoals de bouwwerken, de erven, de sloten, dammen en duikers, de beplanting en de weg zelf. Maar ook losse onderdelen zoals parkeren en opslag van materiaal en materieel bepalen de kwaliteit. Naast het dwarsprofiel wordt de kwaliteit van het lint ook bepaald door de relatie tussen het lint en de ruimte achter en tussen de bedrijfs- en woonkavels.
33
Bouwwerken In het bestemmingplan worden afstanden tussen de weg-as en de verschillende bebouwingstypologieën benoemd. De afstanden zorgen ervoor dat er een geleidelijke oplopende bouwhoogte kan worden bereikt waardoor er een ruimer straatprofiel waarneembaar is. Tevens biedt deze ruimte ook meer kansen voor een eenduidige inrichting en voor groen. In deze geleidelijke opbouw wordt ernaar gestreefd de woning en tuin het ruimtelijke dominante bouwwerk te laten zijn. Bedrijfsbebouwing dient daar zo veel mogelijk ondergeschikt aan te zijn. Dit kan door afschermende beplanting langs de sloot, gedekte kleurstelling van de bedrijfsbebouwing en of het meer scheiden van de woon en werkfunctie. Vormgevingseisen Woningen Bij nieuwbouwwoningen, die gerealiseerd worden vanuit het ruimte voor ruimte principe, worden de volgende onderstaande randvoorwaarden opgesteld. Uitgangspunt bij het toepassen hiervan is dat er sprake is van ruimtelijk kwaliteitswinst. Daarbij wordt uitgegaan dat er in eerste instantie aan het lint wordt ontwikkeld. Mocht er aan het lint niet voldoende ruimte zijn voor woningbouw en biedt het meer toepassen van het ruimte voor ruimte principe meer kansen voor een kwaliteitsverbetering van het gebied als geheel, dan kan er ook in de 2e lijn worden ontwikkeld. Omdat bouwen in een tweede lijn gebiedsvreemd is, wordt hiervoor een integrale aanpak vereist.
Voor deze integrale aanpak zullen de verschillende kaveleigenaren tot een gezamenlijk stedenbouwkundig plan moeten komen voordat over kan worden gegaan tot realisatie. Verder worden er randvoorwaarden geboden voor de inrichting van de woonkavels en de inrichting voor collectieve woonerven. 1e lijnsbebouwing ( geldt voor alle woningen): Een laag met kap Woningen zijn opgebouwd uit meerdere volumes Kaprichting haaks of parallel aan Tuinbouwweg Rooilijn aan Tuinbouwweg verspringt steeds minimaal 1.5 meter tov naastgelegen rooilijn van de naastgelegen bebouwing Afstanden rooilijn tot rand weg tussen 8 en 12 meter voor de lintbebouwing Maximale kavelbreedte is 30 meter Maximale kaveldiepte is, gemeten vanaf kant weg is per zijde van de ontsluitingswegen verschillend. 1. oostzijde Huysitterweg is de kaveldiepte maximaal 60 meter; 2. oostzijde Tuinbouwweg is de kaveldiepte maximaal 40 meter; 3. westzijde Tuinbouwweg is de kaveldiepte maximaal 60 meter. Bestaande bomen blijven gehandhaafd Woningen zijn georiënteerd op het lint Een tweede woning is toegestaan.
Deze maakt onderdeel uit van het ensemble aan de voorzijde maar heeft een oriëntatie van het lint af Erven hebben een groene afscherming aan zij- en achterkant Gebouwen staan op geruime afstand van erfgrenzen 2e lijnsbebouwing: Voor een verdere ontwikkeling binnen het wijzigingsgebied wordt een integraal stedenbouwkundig plan door de grondeigenaren opgesteld. Dit plan heeft tot doel om tot een ontwikkelprincipe te komen die flexibel is in wanneer er ergens ontwikkeld wordt en waar. Een ontwikkeling in het gebied kan daarmee losstaan in de ruimte of grenzen aan een reeds ontwikkelde ruimte voor ruimte woning. Het ruimtelijk kwalitatieve doel van onderstaande randvoorwaarden is het komen tot een beeld waarbij de bebouwing een ondergeschikte ruimtelijke impact heeft. Niet de bebouwing maar het nieuw te creëren landschap is daarmee beeldbepalend.
34
Losstaande ontwikkeling buiten het glasgebied In het plangebied worden ook kansen geboden voor ruimte- voor ruimte ontwikkelingen buiten de huidige glasgebieden. Deze ontwikkelingen gaan door hun ligging een andere relatie aan met de omgeving, waardoor deze niet georiënteerd zijn op de twee tuinbouwlinten. Hier is maatwerk nodig waarbij de agrarische landschappelijke context van het weidegebied leidend is. Hier wordt maatwerk toegepast, omdat de situatie waarin dit zal gebeuren zeer zelden voor zal komen in het wijzigingsgebied. Nieuwe ontwikkelingen hier kunnen daarbij bijvoorbeeld bestaan uit een nieuw agrarisch ensemble of een toevoeging van bebouwing bij een bestaand agrarisch bedrijf binnen het wijzigingsgebied van het plangebied. Deze ontwikkelingen staan daarmee zoveel mogelijk ruimtelijk los van de ontwikkelingen binnen het glastuinbouwgebied. Randvoorwaarden ontwikkelprincipe: Als vorm wordt een robuust groen raamwerk voorgesteld, bestaande uit bosstroken die, parallel aan en haaks op de bestaande kavelstructuur en verdwenen poldersloten, op beperkte afstand van elkaar komen te liggen. De verwijderde originele poldersloten dienen te worden hersteld en dienen als basis voor het raamwerk. De bosstroken parallel aan de sloot zijn per kavel minimaal 5 meter breed exclusief sloot. Twee bouwkavel naast elkaar vormen zo samen een groene zoom van 10 meter.
De bosstroken haaks op de sloten hebben een grotere totaal breedte van minimaal 20 meter en dragen daarmee meer bij aan de beoogde kwaliteit. De groene stroken bestaan uit een compacte zoom, mantel bos opbouw met gebiedseigen beplanting. De breedte laat ruimte voor 1 of 2 bomen van de 1e orde. Ruimte voor bebouwing is beperkt om verstoring van het na te streven bosbeeld te voorkomen. De zo ontstane bouwkavels zijn hierbij maximaal 30 meter breed tussen de sloten en maximaal 40 meter breed haaks hierop. Bosstroken kunnen eventueel mede worden gebruikt voor voetpaden en wegen. De strook wordt dan wel breder. Haaks op de linten is de strook robuuster dan parallel. Dit om enige ruimtelijke relatie te behouden tussen voor en achter. Voor de toekomstige ontwikkelingen gelden dan de volgende eisen: De bebouwing staat zo min mogelijk in het zicht naar het achterland vanaf het lint De bebouwing staat aan de voorzijde van de kavel ( richting het lint) Woningen zijn opgebouwd uit meerdere volumes Woningen bestaan uit één laag met kap of set back. Geen twee gebouwen zonder kap naast elkaar Kaprichting haaks of parallel aan het lint Bij meer dan twee woongebouwen is een erfopzet het uitgangspunt. Gebouwen staan op geruime afstand van erfgrenzen diepte kavel vanaf het lint is is max 30 meter. breedte van de kavels is afwisselend met als maximale maat 40 meter.
Voorwaarden collectieve woonerven: 1 ontsluiting Gezamenlijke binnenplaats Bebouwing afwisselend in grootte, hiërarchie, kaprichting en materialisering. Inpandige parkeeroplossing (collectieve of privaat) Weinig tot geen privé buitenruimte Privé buitenruimte is ondergeschikt aan gedeelde ruimte Gebouwen vormen samen een geheel
35
Erven algemeen De erven en tuinen spelen een belangrijke rol in de groenvoorziening van het plangebied. Waar mogelijk dient deze groenvoorziening versterkt te worden. Dit speelt in beide linten, maar bij de Huysitterweg is dit meer aan de orde, daar er weinig tot geen ruimte is voor openbaar groen. Verharding dient zo min mogelijk te worden toegepast. Er dient daarbij een duidelijke scheiding te komen tussen de verharding van de openbare weg en de verharding van de erven. Daar waar geen bruggen, dammen of duikers zijn dient er een zo groot mogelijke groenstrook te worden gereserveerd langs de sloot om zo het groene straatprofiel te versterken. Parkeerplaatsen en opslag van materiaal en materieel dient zoveel mogelijk uit het zicht te worden gepositioneerd, tenzij in de regels anders bepaald. Indien het vanuit een (bestaande) goede bedrijfsvoering niet mogelijk is de parkeerplaatsen uit het zicht worden gepositioneerd dan kan hier van afgeweken worden. Bedrijfsbebouwing Nieuwe met name glastuinbouw gerelateerde bedrijfsbebouwing is in principe alleen toegestaan aan de Huysitterweg in deelgebied 2. Deze nieuwe bebouwing dient zoveel mogelijk ingepast te worden in de bestaande situatie zodat nieuwbouw niet voor te grote ruimtelijke veranderingen kan zorgen. In het bestemminsplan zijn daar onder andere goot en bouwhoogtes voor opgenomen.
In de andere linten is nieuwbouw van glastuinbouw gerelateerde bedrijfsbebouwing onder voorwaarden toegestaan. Hierbij gaat het met name om het ontwikkelperspectief van de betreffende locatie. Met betrekking tot de locatie van nieuwbouw dient glastuinbouw gerelateerde bedrijfsbebouwing tussen de 20 en 45 meter afstand vanaf kant asfalt of kant sloot weg te worden ontwikkeld. De bedrijfsruimtes dienen in gedempte kleurstelling te worden uitgevoerd. De beeldkwaliteitseisen voor nieuwe bedrijfsbebouwing geldt nadrukkelijk niet voor bestaande en/of reeds vergunde bedrijfsbebouwing. In de regels is derhalve separaat voorzien in een regeling voor het behoud van bestaande (legale) bedrijfsbebouwing. Dammen, bruggen en duikers Dammen bruggen en duikers vormen onderbrekingen van de sloten en wegstructuur en dienen waar mogelijk beperkt te blijven tot het hoogst functioneel noodzakelijke. Dammen en duikers dienen zoveel mogelijk te worden voorzien van een groene aankleding, waarbij het doorstroomprofiel gewaarborgd dient te blijven. Er dient een duidelijke scheiding te komen tussen de verharding van de wegen en de verharding op de overkluizing Sloten en taluds bermen. Kenmerkend zijn de strakke smalle sloten en de steile taluds. Deze versterken de lintstructuur en dienen als zodanig zoveel mogelijk intact te blijven.
Waar mogelijk dient de bestaande bomenstructuur aan de Huysitterweg te worden versterkt en gekeken zou moeten worden of hier aan twee zijden bomen geplant kunnen worden. Voor de Tuinbouwweg zal gekeken moeten worden of eenzijdige laanbeplanting mogelijk is.
36
4.3.3
Woningbouw Tuinbouwweg 7/7a
De eigenaren van de Tuinbouwweg 7 en 7a zijn voornemens de ruimte - voor - ruimte regeling toe te passen voor de realisatie van een nieuwe woning. De bestaande bedrijfsgebouwen en kassen aan de Tuinbouwweg 7a zullen gesloopt gaan worden, in ruil hiervoor kan één nieuwe woningen gerealiseerd worden. De woning zal conform de regels en eisen van de wijzigingsbevoegdheid tot stand komen, maar is concreet genoeg om binnen het bestemmingsplan een directe bouwtitel te verkrijgen. In afstemming tussen de gemeente en de initiatiefnemers is ook hier gekozen voor bouwstijl die aansluit bij de gebiedskarakteristieken. De woning zal als schuurwoning gerealiseerd worden, onderstaande afbeelding geven enkele impressies van de mogelijke toekomstige situatie.
Afbeelding 5: impressies mogelijke toekomstige situatie Tuinbouwweg 7a
4.4
Wonen in een glastuinbouwgebied
Het glastuinbouwgebied is de afgelopen jaren sterk in ontwikkeling geweest. Waar er vroeger vele verschillende kleinere tuinders waren, zijn het tegenwoordig een aantal grotere glastuinbouwbedrijven die de gronden en opstallen bezitten. Door de situatie in het verleden zijn er veel woningen in het glastuinbouwgebied aanwezig, zowel voormalige bedrijfswoningen als burgerwoningen. De menging van bedrijven en woningen bestaat dus al sinds jaar en dag binnen het glastuinbouwgebied. Omdat een groot deel van de gronden en opstallen in bezit is van een klein aantal bedrijven zijn er een aantal voormalige bedrijfswoningen aanwezig die feitelijk als burgerwoning bewoond worden. In voorliggend bestemmingsplan is ervoor gekozen deze bestemmingen te actualiseren naar voornamelijk ‘Wonen-Grondgebonden’. Omdat dit reeds woningen waren en er juridisch-planologisch geen verschil bestaat tussen beide in het beschermingsniveau ten opzichte van omliggende glastuinbouwbedrijven, ontstaan hierdoor geen onderlinge milieubelemmeringen. Ondanks dat het juridisch-planologisch toegestaan is burgerwoningen met glastuinbouw te mengen, zijn ze niet vergelijkbaar met een standaard vrijstaande woning in het landelijke gebied. Wonen in een glastuinbouwgebied kan enige hinder in de vorm van bijvoorbeeld geluid of licht met zich meebrengen.
Huidige bewoners zijn zich hier reeds van bewust, toekomstige bewoners mogelijk niet. Deze paragraaf dient als aanvullende toelichting voor toekomstige bewoners van burgerwoningen in het glastuinbouwgebied. De gemeente acht mening wenselijk in het gebied ruimtelijk acceptabel, maar er mag geen sprake zijn van een belemmering voor de glastuinbouw. De glastuinbouw is en blijft de hoofdactiviteiten binnen het plangebied. Indien na de koop van de woning overlast wordt ervaren, is dat de ondernemers binnen het glastuinbouwgebied (indien zij zich de geldende aan wet- en regelgeving houden) niet aan te rekenen. (nieuwe) Bewoners kunnen geen beroep doen op de gemeente om handhavend op te treden vanwege overlast van bedrijven in het gebied tenzij er sprake is overtreding van wetgeving.
37
Hoofdstuk 5 5.1
Milieu-aspecten
Inleiding
In het bestemmingsplan is naast stedenbouwkundige uitgangspunten en bestaand ruimtelijk beleid ook rekening gehouden met verschillende omgevingsaspecten, zoals de bodemgesteldheid, geluid, luchtkwaliteit en de milieucategorisering van bedrijven. Tuinbouwweg 7/7A De relevante milieuaspecten voor de woningbouwontwikkeling aan de Tuinbouwweg 7/7a zullen per paragraaf worden toegelicht. Indien een algemene onderbouwing volstaat wordt de Tuinbouwweg 7/7a niet separaat toegelicht.
5.2
Bedrijven en milieuzonering
De invloed van bestaande (of nieuw te vestigen) bedrijvigheid moet op de leefomgeving worden afgewogen. Er dient een ruimtelijke scheiding te worden aangebracht tussen milieubelastende functies en milieugevoelige functies. Dit kan door middel van milieuzonering. Wonen is een voorbeeld van een milieugevoelige functie. De VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) geeft richtlijnen voor de in acht te nemen afstanden. Deze afstanden worden gemeten tussen de grens van de bestemming die bedrijven/milieubelastende activiteiten toestaat en de uiterste situering van de gevel van woningen. Milieucategorie
Gemengd gebied
Rustige woonwijk
1
0 meter
10 meter
2
10 meter
30 meter
3.1
30 meter
50 meter
3.2
50 meter
100 meter
4.1
100 meter
200 meter
4.2
200 meter
300 meter
5.2.1
Planspecifiek
In het vigerende bestemmingsplannen 'Landelijk Gebied 1978', 'Landelijk Gebied, gedeeltelijke herziening 1987' en 'Landelijk Gebied 2011' hebben alle glastuinbouwkassen de categorie 'agrarisch bedrijfscentra II' gekregen. Op basis van de huidige staat van bedrijfsactiviteiten van de VNG (2009) kan geconcludeerd worden dat glastuinbouwkassen in milieucategorie 2 vallen. Voorliggend bestemmingsplan is grotendeels conserverend van aard en zal de maximale milieucategorie van 2 planologisch borgen. Naast de glastuinbouw zijn er nog andere bedrijven actief in de Meeslouwerpolder zoals bijvoorbeeld een paardenhouderij, een loonwerk bedrijf en een hovenier. De bestaande bedrijven zijn geïnventariseerd en zullen op basis van de actuele staat van bedrijfsactiviteiten hun milieucategorie behouden. Nieuwe ontwikkelingen binnen het plangebied die met de spelregels worden mogelijk gemaakt zullen individueel getoetst worden aan de minimale afstanden zoals voorgeschreven door de VNG (of andere op dat moment geldende kaders). Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
38
Tuinbouwweg 7/7a De bestaande kassen aan de tuinbouwweg 7/7a zullen worden gesloopt in ruil voor een nieuwe woning. De nieuwe woning is een gevoelige bestemming en moet daarom getoetst worden aan de richtafstanden. De omliggende bedrijven liggen allen op een afstand groter dan 10 meter, daarmee ontstaat er geen belemmering voor zowel de woning als de bedrijven. Aanvullend spuitzone onderzoek Huyssitterweg 2 In aanvulling op het ontwerpbestemmingsplan is een aanvullend onderzoek naar (gewas)spuitzones uitgevoerd. Dit naar aanleiding van een ingediende zienswijze dat de omzetting van het perceel Huyssitterweg 2 naar een woonbestemming mogelijk tot belemmeringen met de bedrijfsvoering zou leiden. Het volledige onderzoek is toegevoegd als bijlage 2. Het onderzoek is gericht op de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen door drift vanwege de aan de nieuwe woonbestemmingen agrarisch gronden. Voor de omliggende gronden is uitgegaan van een (voor drift) worst-case gebruik voor opengrondstuinbouw c.q. akkerbouw. Uit de berekeningen blijkt dat uit een afstand van 3 meter uit de agrarisch bestemde percelen wordt voldaan aan de maximaal acceptabele blootstellingsnormen. Enkel binnen deze afstanden dienen in principe beperkingen te worden gesteld aan regulier menselijk verblijf.
Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening worden maatregelen genomen in deze zone om eventuele blootstelling te minimaliseren. Deze maatregelen gelden allen voor de west- en zuidzijde van het perceel Huyssitterweg, gelet op de onderlinge afstand van meer dan 10 meter en de tussengelegen Huyssitterweg zijn maatregelen aan de noord- en oostzijde niet noodzakelijk. De te realiseren afscherming kan worden vormgegeven als jaarrond groenblijvend vegetatiescherm met een hoogte van 50 centimeter meer dan de (redelijkerwijs) te verwachten teelthoogte. Als maximale teelthoogte wordt uitgegaan van 3 meter, waar dit in werkelijkheid waarschijnlijk lager zal zijn. De afscherming dient dichtbegroeid te zijn om voldoende bescherming te bieden, dat kan bereikt worden door vegetatie bij te planten en de schutting te laten begroeien met klimop. In de regels wordt voor de Huyssitterweg 2 een voorwaardelijke verplichting opgenomen om bescherming van zowel de woonbestemming als de bedrijfsbelangen voldoende planologisch te borgen. Hierbij geldt dat de groene afscherming binnen één jaar na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan gerealiseerd moet worden en vervolgens in standgehouden wordt.
Op deze manier wordt de huidige en toekomstige agrarische bedrijfsvoering gerespecteerd en hoeft de eigenaar van de Huyssitterweg 2 pas kosten te maken als er daadwerkelijk hogere teelt zal plaatsvinden. Op basis van het uitgevoerde onderzoek en de borging van de aanvullende voorwaarden in de regels kan geconcludeerd worden dat voorliggend bestemmingsplan uitvoerbaar is.
39
5.3
Geologie
De bodemopbouw van de bovenste 5 meter (geologie) wordt (op basis van de digitale geologische kaart van TNO anno december 2008) in onderstaande afbeelding weergegeven.
Afbeelding 6: Geologische bodem opbouw Kleur
Omschrijving
Bruin
8
Groen
12 Afzettingen van Wormer aan maaiveld en de zandige afzettingen dieper dan 5 meter - NAP
Lichtgroen
Veen op klein (Hollandveen op laag van Wormer met zandpakket dieper dan 5 meter - NAP)
Globale contour van het plangebied
De geologische bodemopbouw van het plangebied, gebaseerd op de kaart van TNO en diverse uitgevoerde sonderingen kan globaal als volgt worden weergegeven: Maaiveld Het maaiveldhoogte van de weilanden is ongeveer 4,4 m – NAP. De hoogte van het straatniveau van de Huyssitterweg is ongeveer 3,5 m – NAP. Het freatisch grondwater zal zich op een diepte bevinden tussen de 0,4 en 0,8 m – m.v. (gemiddeld gezien 4,8 m – NAP). Deklaag Het plangebied ligt in de Meeslouwerpolder. Deze polder is in de 17e en 18e eeuw ontveent waardoor er grote waterplassen ontstonden. Pas eind 19e eeuw is door middel van bemaling de polder droog gelegd. Ter plaatse van het plangebied zal over het algemeen de bovenste 0,5 a 1,0 meter uit klei bestaan. Plaatselijk zal een zandlaag aanwezig zijn, met name daar waar wegcunetten of grondverbetering is toegepast. Nabij de lintbebouwing langs de Stompwijkseweg en langs de A-4 zal de grond plaatselijk tot 0,5 a 1,0 meter uit veen bestaan. Op een diepte van ca. 4 m. – m.v. is een kleihoudende zandlaag aanwezig en vanaf 5 m – m.v. een kleilaag tot ca. 10 meter diepte. Van 10 tot 11 m – m.v. bevindt Basisveen gevolgd door een pleistoceen zandpakket.
40
1e watervoerend pakket Het 1e watervoerendpakket bestaande uit pleistoceen zand bevindt zich op een diepte van ca. 11 m - m.v. (ca. 14 m – NAP en heeft een dikte van ca. 40 meter. 5.3.1
Planspecifiek
Wegens de samendrukbare lagen kunnen geen woningen op staal worden gebouwd en zullen alle panden op palen moeten worden gefundeerd. Wegens de kleilagen dient men ook rekening te houden met het afvoer van regenwater. Klei is namelijk slecht doorlatend voor (grond)water. Toekomstige ontwikkelingen in het plangebied zullen getoetst worden op de technische uitvoerbaarheid en wat de gevolgen zijn voor de waterhuishouding. Het aspect geologie vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
5.4
Bodem
In het algemeen geldt dat op elke locatie waar nieuwbouw plaatsvindt van tevoren conform de dan geldende normen een milieukundig bodemonderzoek zal worden uitgevoerd. Dit onderzoek wordt uitgevoerd als uit historische gegevens is gebleken dat er sprake is van een mogelijk sterk verontreinigde grond of dat er mogelijke risico's zijn voor de volksgezondheid in verband met voormalige bedrijfsactiviteiten. Wanneer er overschrijdingen zijn van bepaalde stoffen zullen sanerende maatregelen worden getroffen, conform het provinciaal- en gemeentelijk milieubeleid en de Wet Bodembescherming, alvorens er een bouwvergunning wordt verstrekt en er kan worden gebouwd. Bij het opstellen van het bestemmingsplan is ook al rekening gehouden met de nieuwe inzichten van de hogere overheden en de toekomstige omgevingswet. Andere aandachtspunten waarbij de bodemkwaliteit van belang is, zijn: leggen en vervangen van kabels en leidingen; aanleg en vervanging van riolering; plaatsen van bomen; graafwerkzaamheden waarbij men rekening moet houden met de arbo-wet. In het onderhavig bestemmingsplan is ook rekening gehouden met de richtlijn CROW-400 van december 2017 waarin staat vermeld hoe men veilig om moet gaan bij graafwerkzaamheden in (verontreinigde) grond. Alle bodemonderzoeken, voor zover bij de gemeente en bij de provincie bekend, zijn in een gemeentelijk databestand opgenomen.
Deze data zijn vervolgens gekoppeld aan een GIS (Geografisch Informatiesysteem). 5.4.1
Planspecifiek
In onderstaande afbeelding zijn alle, bij de gemeente bekende, bodemonderzoeklocaties in het betreffende plangebied (anno mei 2021) met een oranje kleur op weergegeven. Uitzondering hierop vormt dat onderzoek dat is uitgevoerd voor de Tuinbouwweg 7, welke in deze paragraaf separaat wordt toegelicht.
41
Afbeelding 7: bodemonderzoeklocaties Legenda: Rode lijn
: plangebied
Blauwe vlakken
: waterberging
Blauw/groene vlakken
: kassen
Oranje vlakken
: uitgevoerde bodemonderzoeken
In het plangebied zijn 67 bodemonderzoeken (inclusief historische onderzoeken) in het verleden uitgevoerd. Een overzicht van de rapporten is weergegeven in bijlage 5 Uit de diverse bodemonderzoeken die zijn uitgevoerd in het kader van de Wet Milieubeheer (verplicht nulsituatieonderzoek), grondtransactie of nieuwbouw blijkt dat de bodem over het algemeen licht verhoogde gehalten aan zware metalen en EOX (een somparameter inzake bestrijdingsmiddelen) bevat en dat de grond ter plaatse van voormalige bovengrondse olietanks over het algemeen is verontreinigd met minerale olie. Er zijn in het plangebied, voor zover bekend bij de gemeente of Omgevingsdienst Haaglanden, geen zogenaamde gevallen van ernstige bodemverontreiniging die met spoed gesaneerd moeten worden. Aangezien er ter plaatse van (voormalige) kassen bedrijfsactiviteiten hebben plaatsgevonden waardoor de bodem mogelijk kan zijn verontreinigd en gezien de ouderdom van de onderzoeksrapporten geldt dat bij herinrichting, beëindiging van de inrichting, functieverandering van “industrie” naar “wonen" en bij het verlenen van een omgevingsvergunning een milieukundig bodemonderzoek conform de dan vigerende normen noodzakelijk is.
42
Bij dit onderzoek moet men (in ieder geval) met het onderstaande rekening houden: een goed historisch onderzoek naar het voormalig gebruik van de gronden; voormalige ketelhuizen met (voormalige) bovengrondse olietanks; opslag en gebruik ven bestrijdingsmiddelen of gewasbeschermingsmiddelen; gebruik van voedingsstoffen en/of substraat waarbij in het grondwater een verhoogd gehalte aan nikkel kan voorkomen; puinverhardingen waar mogelijk asbesthoudend materiaal in voorkomt; schuren met asbesthoudende dakbedekking waarbij de bodem langs de wanden mogelijk is verontreinigd met asbest; voormalige (gedempte) sloten; nieuwe inzichten betreffende lood waarbij, op basis van recent onderzoek van het RIVM, is gebleken dat lage gehalten aan lood (gehalten beneden de Interventiewaarde) ook schadelijk is voor de volksgezondheid; nieuwe inzichten inzake de stoffen PFAS waarvoor de Omgevingsdienst Haaglanden, alsmede het Rijk, de gemeenten hebben geïnformeerd. 5.4.2
Bodemkwaliteitskaart en Bodembeheersplan
Op basis van diverse bodemonderzoeksgegevens heeft de gemeenteraad op 1 oktober 2013 de Bodemkwaliteitskaart alsmede het Bodembeheersplan vastgesteld. Deze kaart is in 2018 herzien. In deze beleidsnota’s staat o.a. het volgende aangegeven: globale gemiddelde milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in bepaalde zones; hoe omgegaan moet worden met vrijkomende grond en het hergebruik van deze gronden; hoe omgegaan wordt met hergebruik en verwerking van baggerspecie. Het plangebied valt binnen de zone “wonen”. Op onderstaande kaart zijn de bodemklassen met een kleur in weergegeven.
Afbeelding 8: Bodemkwaliteitskaart Kleur
Zone Klasse 0 - 0,5 - m.v.
Klasse 0,5 - 2 m - m.v.
Rood
1
Industrie
Industrie
Geel
2
Wonen
wonen
Groen
3
Achtergrondwaarde
achtergrondwaarde
43
De bodemkwaliteitskaart wordt gebruikt voor het toepassen grond in een bepaalde zone. Bij het opstellen van deze kaart zijn alle puntbronnen en verontreinigingen die gerelateerd zijn aan bedrijfsactiviteiten niet meegenomen. De kaart geeft dan ook de gemiddelde kwaliteit weer van de bodem zoals het eruit zou hebben gezien zonder bedrijfsactiviteiten of ophogingen met bodemvreemd materiaal. Wanneer men een partij grond of baggerspecie in het plangebied wil verwerken is het van belang dat de milieuhygiënische kwaliteit van de ontvangende bodem bepalend is. De toe te passen partij grond/baggerspecie voor een ontvangende landbodem, en de landbodem zelf worden in drie klassen verdeeld die de mate van vervuiling weergeven, te weten Achtergrondwaarde (AW), wonen en industrie. De klasse van de toe te passen partij moet hetzelfde of schoner zijn als de ontvangende landbodem. Een schematisch overzicht voor het toepassen van grond is in onderstaand figuur weergegeven.
Afbeelding 9: Schema grond toepasbaar in ontvangende landbodem 5.4.3
Ondergrondse HBO-tanks
Voor zover bekend bevinden zich in het plangebied geen ondergrondse huisbrandolietanks, wel (voormalige) bovengrondse brandstoftanks. 5.4.4
Bodem overige zaken
Het plangebied bevindt zich niet in een grondwaterbeschermingsgebied. Volgens kaartmateriaal van het Hoogheemraadschap heerst er infiltratie, dat wil zeggen dat er een neerwaartse grondwaterstroming aanwezig is. Er is hierbij geen rekening gehouden dat op diverse plaatsen binnen de gemeente de grondwaterstand d.m.v. bemaling kunstmatig laag wordt gehouden, met name in (oude) polders. 5.4.5
Provinciale gegevens
Volgens de site www.bodemloket.nl is geen informatie over het te onderzoeken perceel en/of directe omgeving aanwezig, anders dan in onderhavig rapport is opgenomen. Er zijn publiekrechtelijke beperking inzake bodemverontreiniging (anno juli 2020) in het plangebied aanwezig.
44
5.4.6
Tuinbouwweg 7/7a
De Tuinbouwweg 7/7a is in het verleden gebruikt als weiland, vanaf ongeveer 1963 bevindt zich een glastuinbouwbedrijf op dit perceel. Van de Tuinbouwweg 7A zijn er bij de gemeente geen bestaande bodemonderzoeksgegevens bekend. Om te bepalen of de kwaliteit van de bodem voldoende is voor de functie wonen is een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn toegevoegd als bijlage 3 aan de toelichting. Uit het onderzoek blijkt dat er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen bezwaren zijn voor het toekennen van een woonbestemming aan de Tuinbouwweg 7 en 7A. Voor een volledige onderbouwing wordt verwezen naar bijlage 3. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
5.5
Niet - gesprongen explosieven
De gemeente heeft in de periode 2013-2015 op basis van dossiers met gegevens over WO-2 een kaart gemaakt met daarop aangegeven de oorlogshandelingen, bomkraters, loopgraven, stellingen, etc. Tevens heeft adviesbureau AVG in september 2015 een explosieven onderzoek uitgevoerd. Op basis van diverse luchtfoto’s zijn in een Geografisch Informatiesysteem de ligging van bomkraters, prikkeldraadversperringen, loopgraven, stellingen, etc. weergegeven. 5.5.1
Planspecifiek
Ter plaatse van de Kniplaan hoek rijksweg lagen in 1945 enkele loopgraven met stellingen. Deze loopgraven liggen net buiten het plangebied. Op onderstaande kaart zijn bovenvermelde zaken op een luchtfoto weergegeven.
Afbeelding 10: locatie voormalige oorlogshandelingen Legenda: Blauwe lijn
: prikkeldraad
Rode lijn
: loopgraaf
Rode cirkel
: stelling, luchtafweergeschut
Licht blauwe cirkel : verhoging in het veld met een stelling
45
Op onderstaande feitenkaart, opgesteld door AVG in maart 2015, zijn de diverse oorlogshandelingen op weergegeven.
Afbeelding 11: feitenkaart oorlogshandelingen AVG. Legenda: B
: bunker
S
: stelling
W
: wapenopstelling
K
: bomkrater groter dan 2 meter doorsnede
S (groen) : schuilplaats Op de indicatieve kaart met militair erfgoed ligt (bron: http://www.ikme.nl/) ligt het plangebied in een zone waar mogelijk resten uit WO-2 in de bodem aanwezig zou kunnen zijn. Deze kaart is hieronder weergegeven.
Afbeelding 12: Indicatieve kaart militair erfgoed
46
Gezien de historische informatie is de kans zeer klein dat in de bodem ter plaatse van het plangebied niet gesprongen conventionele explosieven aanwezig zijn. Er zal hoogstens klein kaliber munitie aanwezig zijn. Echter er is er altijd een kans dat de stellingen aan de Kniplaan tijdens WO-2 zijn gebombardeerd en dat deze informatie niet in de archieven terecht zijn gekomen. Bij het bestuderen van luchtfoto’s zijn in ieder geval geen bomkraters waargenomen. Het aspect niet - gesprongen explosieven vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
5.6
Water
5.6.1
Inleiding
De waterparagraaf is een vast onderdeel van het bestemmingsplan. In dit hoofdstuk komen alle relevante wateraspecten aan bod die van belang zijn in het plangebied. Het Hoogheemraadschap van Rijnland is verantwoordelijk voor de waterkwantiteit en -kwaliteit van de polder- en boezemwatergangen in en om het plangebied. De gemeentelijke taken zijn onder andere het riool- en oeverbeheer. Het plangebied valt binnen de reikwijdte van het Wateren rioleringsplan Leidschendam-Voorburg 2016-2021 dat op 15 december 2015 door de gemeenteraad is vastgesteld 5.6.2
Beleid
Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en is opgesteld voor de planperiode 2016 - 2021. Het Nationaal Waterplan beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid. Het Rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op de korte en de lange termijn. Om een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem te bereiken moet het water meer bepalend zijn bij de besluitvorming over grote ruimtelijke opgaven dan voorheen. De mate waarin wordt afhankelijk gesteld van, onder meer, de omvang en de aard van de ingrepen, bestaande functies, nieuwe andere ruimteclaims en de bodemgesteldheid van een gebied. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Specifiek gaat het over de gebieden die deel uitmaken van de ruimtelijke hoofdstructuur, het IJsselmeer, de Noordzee en de rivieren. Ook de bescherming van vitale functies en kwetsbare objecten is een onderwerp van nationaal belang. Hiervoor geldt het Barro.
Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daar- bij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater 47
Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als proces instrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen in 2015 op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort.
De Europese Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2027 een 'goede ecologische toestand' (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2027 een 'goed ecologisch potentieel' (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2027 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn. Waterplan Leidschendam-Voorburg 2016-2021 Het water- en rioleringsplan gaat ervan uit dat het watersysteem zo veel water kan bergen dat wateroverlast en verdroging voorkomen kunnen worden. Bovendien moet het water dan schoon en ecologisch gezond zijn en bijdragen aan een prettige leefomgeving. Daarnaast dient bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de effecten van klimaatverandering. Om de ambitieuze doelen van het Waterplan te realiseren moet water een integraal onderdeel zijn van alle strategische en ruimtelijke plannen. Het waterplan moet het waterbeheer inhoudelijk en procesmatig verbeteren, met voortdurende aandacht voor duurzaamheid. In tal van beleidsdocumenten wordt aandacht besteed aan het belang van water.
Centraal uitgangspunt in het beleid is dat water meer ruimte gegeven moet worden om te voorkomen dat de waterproblematiek in tijd of ruimte wordt afgewenteld. Er worden daarvoor twee drietrapstrategieën als uitgangspunten aangegeven: ten aanzien van waterkwantiteit: Vasthouden - Bergen - Afvoeren; ten aanzien van waterkwaliteit: Schoonhouden - Scheiden - Zuiveren. Daarnaast zijn aspecten als beperken van bodemdaling en het vergroten van de ecologische potenties van het water inclusief de oeverzones van belang. Deze strategieën vertalen zich voor het stedelijk gebied in aandachtspunten als: meer ruimte voor water en een relatie tussen het stedelijk water en het water in het omliggende gebied; verbetering van de waterkwaliteit; vergroting van de belevingswaarde van water; kansen voor natuur en recreatie in en rondom stedelijk water.
48
5.6.3
Planspecifiek
Het plangebied ligt in verschillende polders met verschillende waterpeilen tijdens de zomer. Het oppervlaktewater van het plangebied bestaat uit een stelsel van grote sloten en weteringen waarop de kleinere kavelslootjes afwateren. Deze zijn kenmerkend voor het verkavelingpatroon in veenontginningsgebieden. Om het waterpeil te handhaven, wordt door middel van het gemaal langs de Nieuwe Vaart het water uit de polder op de boezemwateren geloosd. Deze boezemwatergangen voeren het water af naar de Vliet en de Noordzee. Bij een tekort aan water in de polders wordt vanuit deze boezems water de polder ingelaten. Het waterpeil in het plangebied ligt dicht onder het maaiveld. Het waterpeil in de boezem is NAP – 0,64 m. Op 28 maart 2018 heeft het Hoogheemraadschap van Rijnland een nieuw peilbesluit en projectplan voor het gebied vastgesteld. In het plan zitten enkele systeem- en peilwijzigingen gericht op vereenvoudiging van het watersysteem en de wijzigingen die ontstaan door de aanleg van de verbindingsweg Stompwijk. Hieronder staat het toekomstig systeem weergegeven.
Afbeelding 13: Watersysteem Meeslouwerpolder Naam polder
Waterpeil - NAP
Meeslouwerpolder peilvak 12-A
4,81 - 4,91 meter
Meeslouwerpolder peilvak 12-B
4,67 - 4,77 meter
Meeslouwerpolder peilvak 12-C
Vast peil 4,35 meter
Tabel 2: Peilen poldervakken
49
Om de toekomstige situatie te bereiken zijn de volgende maatregelen nodig: 5.6.3.1 Verbreding hoofdwatergang Om de afvoer vanuit het glastuinbouwgebied (WW-12C) beter te verdelen richting het gemaal wordt een extra afvoerroute gemaakt (zie afbeelding 14). Dit betekent niet dat er extra water wordt afgevoerd naar peilvak WW-12A, maar dat de totale afvoer verdeeld wordt over twee routes. De overige watergangen worden opgewaardeerd naar hoofdwatergang en in peilvak WW-12A over een lengte van circa 450 m verbreed (verbreding 2 m op waterlijn), zie blauwe stippellijn onderstaande figuur 2. Een deel van de nieuwe hoofdwatergang wordt gerealiseerd in combinatie met de aanleg van de nieuwe verbindingsweg door de gemeente.
Afbeelding 14: Te verbreden hoofdwatergang (blauwe stippellijn) voor extra waterafvoer richting gemaal Meeslouwerpolder 5.6.3.2 Nieuwe kunstwerken Het voornemen is om een nieuw peilvak WW-12C te maken van de bestaande ‘gietsloten’ (hoogwatervoorzieningen HW01 en HW03). Langs de nieuwe verbindingsweg wordt een watergang aangelegd die zorgt voor de waterhuishoudkundige verbinding tussen het glastuinbouwgebied langs de Huyssitterweg en de Tuinbouwweg. Zo ontstaat een robuuster watersysteem voor de glastuinbouw. Voor het verbeteren van afvoer en het inrichten van het nieuwe peilvak WW-12C zijn ook aanpassingen aan bestaande kunstwerken nodig. Het gaat om het verwijderen van overbodig geworden stuwen en aanleggen van een aantal nieuwe stuwen (stuwbreedte 1 m), dammen en duikers zoals is weergegeven in onderstaande afbeelding. De belangrijkste is een nieuwe duiker (diameter 1000 mm) in de nieuwe hoofdwatergang onder de Huyssitterweg. Daarnaast komt onder de Huyssitterweg nog een afvoerpunt via een duiker ter hoogte van de nieuwe verbindingsweg. De gemeente vervangt tevens de inlaat vanuit de Stompwijksevaart bij de Tuinbouwweg die in de nieuwe situatie als enige inlaat gaat dienen voor peilvak WW-12C. De inlaat bij de Huyssitterweg wordt dan gesaneerd.
50
Afbeelding 15: Overzicht ligging inrichtingsmaatregelen Meeslouwerpolder 5.6.3.3 Waterkwaliteit De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW, 2000) schrijft voor dat in 2027 alle waterlichamen een “goede ecologische toestand” (GET), en voor sterk veranderde/kunstmatige wateren een “goed ecologisch potentieel” (GEP) moet worden bereikt. De chemische toestand moet voor alle waterlichamen in 2027 goed zijn. Rijnland werkt samen met de belangenorganisaties en gemeenten aan het realiseren van een voorgenomen maatregelenpakket voor schoner water en veiligheid. In het rapport “Nota Schoon Water Rijnland” zijn voor het beheersgebied van het hoogheemraadschap de voorgenomen KRW-maatregelen opgenomen. De volgende (onderdelen van) KRW-lichamen liggen gedeeltelijk in het plangebied: Stompwijkse Vaart; Nieuwe Vaart.