CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

2525 Glastuinbouwgebied Meeslouwerpolder_toelichting_vastgesteld.pdf

Raadsvergadering 5 oktober 2021, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Collegemail 29 september 2021 bestemmingsplan Meeslouwerpolder33.445 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Toelichting

Glastuinbouwgebied Meeslouwerpolder

2

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerende bestemmingsplannen 1.4 Opbouw van het plan

5 5 6 6 7

Hoofdstuk 2 Beleidskader 2.1 Rijksbeleid 2.2 Provinciaal Beleid 2.3 Regionaal beleid 2.4 Gemeentelijk beleid

8 8 12 21 22

Hoofdstuk 3 Bestaande situatie 3.1 Inleiding 3.2 Bestaande functies en ruimtelijke structuren

27 27 27

Hoofdstuk 4 Visie op het plangebied 4.1 Inleiding 4.2 Ontwikkelingen gemeentelijk schaalniveau 4.3 Visie op het plangebied 4.4 Wonen in een glastuinbouwgebied

30 30 30 31 37

Hoofdstuk 5 Milieu-aspecten 5.1 Inleiding 5.2 Bedrijven en milieuzonering 5.3 Geologie 5.4 Bodem 5.5 Niet - gesprongen explosieven 5.6 Water 5.7 Luchtkwaliteit 5.8 Geluid 5.9 Flora en Fauna 5.10 Externe Veiligheid 5.11 Kabels en leidingen 5.12 Duurzaam bouwen

38 38 38 40 41 45 47 55 57 61 63 67 68

Hoofdstuk 6 Cultureel erfgoed 6.1 Archeologisch erfgoed 6.2 Cultuurhistorisch erfgoed

70 70 78

Hoofdstuk 7 Juridische vormgeving 7.1 Systematiek van de bestemmingsregels 7.2 Inleidende regels 7.3 Bestemmingsregels 7.4 Ruimtelijke kwaliteit 7.5 Algemene regels, overgangs- en slotregels 7.6 Toepassing en handhaving van het bestemmingsplan

80 80 81 81 92 93 93

Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid 8.1 Economische uitvoerbaarheid 8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

95 95 95

3

Bijlagen bij de toelichting

99

Bijlage 1

Spelregels transformatie glastuinbouwgebied Meeslouwerpolder

100

Bijlage 2

Spuitzone onderzoek Huyssitterweg 2

101

Bijlage 3

Verkennend bodemonderzoek Tuinbouwweg 7/7A

102

Bijlage 4

Geluidverkenning Meeslouwerpolder

103

Bijlage 5

Overzicht uitgevoegde bodemonderzoeken

104

Bijlage 6

Quickscan flora & fauna

105

Bijlage 7

Aanvullend onderzoek soortgroepen

106

Bijlage 8 Onderzoek externe veiligheid / bestemmingsplan Meeslouwerpolder

107

Bijlage 9

Hogere waarden besluit

108

Bijlage 10

Nota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan

109

4

Toelichting Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

De gemeente Leidschendam-Voorburg wil samen met ondernemers en de verschillende eigenaren in het glastuinbouwgebied komen tot een compacte, economisch vitale en aantrekkelijke Meeslouwerpolder. Met voorliggend bestemmingsplan wordt een impuls gegeven aan de glastuinbouw, een sector die de afgelopen jaren door economische groei en investeringen van ondernemers heeft gefloreerd. Voorliggende bestemmingsplan voorziet in een uitbreiding van het aantal m2 glastuinbouw in het kernglastuinbouwgebied en in nieuwe, bredere, toekomstbestendige bestemmingsregeling voor alle glastuinbouwers in het gebied. De gemeente is daarnaast bereid om nieuwe functies mogelijk te maken indien er in de toekomst sprake is van leegstaande en verouderde opstallen, of een ondernemer wenst zijn bedrijf te beëindigen. De nieuwe functies die mogelijk gemaakt kunnen worden binnen de Meeslouwerpolder en de voorwaarden die daaraan verbonden worden zijn in 2017 door de gemeenteraad vastgesteld in het document 'Spelregels transformatie glastuinbouwgebied Meeslouwerpolder'. Deze spelregels zijn verwerkt in het voorliggende bestemmingsplan ‘Meeslouwerpolder De glastuinbouw is en blijft de belangrijkste activiteiten binnen het plangebied, maar het toevoegen van een flexibele ruimte-voor-ruimte regeling creëert waarde voor alle eigenaren en belanghebbenden binnen het plangebied.

De mogelijkheid tot transformatie is bedoeld voor bedrijven die (een deel van) hun bedrijfsvoering in het gebied willen stoppen. De keuze over te gaan tot bedrijfsbeëindiging en transformatie ligt bij de eigenaren en ondernemers, van een verplichting is zeker geen sprake. Indien eigenaren en ondernemers overgaan tot transformatie, dan zullen deze initiatieven door de gemeente worden getoetst op basis van de ruimtelijke kwaliteit die zij opleveren.

5

1.2

Ligging en begrenzing plangebied

De Meeslouwerpolder is gelegen in het landelijk gebied van Leidschendam-Voorburg. Het plangebied van het bestemmingsplan wordt begrensd door de rijksweg A4, de Kniplaan, Dr. van Noortstraat, de grens van bestemmingsplan 'Stompwijk - Verbindingsweg' en de bebouwing van bedrijventerrein Huyssitterweg. In de onderstaande afbeelding is het plangebied van het bestemmingsplan aangegeven.

Afbeelding 1: plangebied bestemmingsplan Meeslouwerpolder

1.3

Vigerende bestemmingsplannen

Voor het plangebied gelden momenteel 3 afzonderlijke bestemmingsplannen, te weten: 1. "Landelijk Gebied 1978", vastgesteld op 12 juni 1978 en goedgekeurd op 24 juli 1978; 2. "Landelijk Gebied, gedeeltelijke herziening 1987", vastgesteld op 9 november 1987 en goedgekeurd op 24 mei 1988; 3. "Landelijk Gebied 2001", vastgesteld op 5 november 2001 en goedgekeurd op 2 december 2003; Naast het herzien van de geldende bestemmingsplannen worden de verleende vrijstellingen op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening / Wet ruimtelijke ordening eveneens in dit bestemmingsplan meegenomen.

6

1.4

Opbouw van het plan

Het bestemmingsplan is als volgt opgebouwd:  In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. De relevante onderdelen worden benoemd en waar nodig vertaald naar het bestemmingsplan.  In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de bestaande situatie. Onder meer wordt een beschrijving gegeven van de ontstaansgeschiedenis, de stedenbouwkundige structuur en de functionele opbouw van het plangebied.  In hoofdstuk 4 wordt het toekomstbeeld voor het plangebied geschetst. Indien concrete voorstellen gedaan worden aan de hand van de spelregels zal de gemeente in overleg treden met de initiatiefnemer over de gewenste ruimtelijke inpassing.  In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op diverse relevante milieuaspecten.  Hoofdstuk 6 gaat in op de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waardevolle bebouwing en archeologie.  In hoofdstuk 7 is opgenomen hoe de in het bestemmingsplan benoemde keuzes juridisch worden vormgegeven in de regels en op de verbeelding.  Tenslotte wordt in hoofdstuk 8 de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan beschreven. Hierbij wordt ingegaan op het overleg met andere partijen, de maatschappelijke en de financieel-economische uitvoerbaarheid.

7

Hoofdstuk 2

Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het direct voor het plangebied Meeslouwerpolder actuele en relevante beleid op rijks-, provinciaal -, regionaal - en gemeentelijk niveau beschreven. Ook wordt beschreven wat de gevolgen van dit beleid zijn voor de regels en verbeelding van dit bestemmingsplan.

2.1

Rijksbeleid

2.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

2.1.1.1 Wettelijk kader De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. De NOVI moet Nederland voorbereiden op de grote uitdagingen die de komende jaren opgepakt moeten worden. Internationale tot lokale ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering zijn voorbeelden van deze opgaven. Dit biedt kansen, maar vraagt ook om zorgvuldige keuzes. Ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al deze opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. De verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen, inhoudelijke keuzes kunnen in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. De NOVI moet Nederland houvast bieden om keuzes voor de leefomgeving sneller en beter kunnen maken. De NOVI is opgesteld als voorbereiding op de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 in werking treedt.

Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. In de NOVI zijn vier landelijke prioriteiten vastgesteld, aan de hand van deze prioriteiten is een toekomstperspectief voor 2050 vastgesteld en brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. De vier prioriteiten zijn: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio's; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied 2.1.1.2 Gevolgen voor het bestemmingsplan De gemeente Leidschendam - Voorburg streeft naar het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit binnen de Meeslouwerpolder. De leegstaande opstallen voegen geen waarde toe aan het gebied en zullen zonder ingrijpen de komende jaren verpauperen. Aanleiding is de constatering dat glastuinbouw in dit gebied niet voor alle partijen een duurzame toekomst heeft. Het mogelijk maken van nieuwe functies draagt bij aan het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van de Meeslouwerpolder. De NOVI kent, net als de voorheen geldende SVIR (Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte), een hoog abstractie niveau waardoor er weinig directe opgave op het voorliggend bestemmingsplan van toepassing zijn. De ontwikkelingen binnen de Meeslouwerpolder vormen geen belemmering voor de overige doelstellingen binnen de NOVI.

8

2.1.2

Besluit ruimtelijke ordening (Bro) - Ladder voor duurzame verstedelijking

2.1.2.1 Wettelijk kader De Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder) is door het rijk in het leven geroepen om te borgen dat bij stedelijke ontwikkelingen zorgvuldig met de beschikbare ruimte wordt omgegaan. Op rijksniveau is de toepassing van de Ladder verankerd in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), dat luidt: "De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien". 2.1.2.2 Gevolgen voor het bestemmingsplan De Ladder is uitsluitend van toepassing op stedelijke ontwikkelingen. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie met name de overzichtsuitspraak d.d. 28 juni 2017 met nummer ECLI:NL:RVS:2017:1724) blijkt dat niet álle ruimtelijke ontwikkelingen gezien kunnen worden als een stedelijke ontwikkeling. Er wordt door de Afdeling onderscheid gemaakt tussen bijvoorbeeld woningbouwontwikkelingen en bedrijfsuitbreiding, maar ook de omvang en locatie is bepalend.

Woningbouw De Afdeling stelt dat, wanneer een bestemmingsplan direct voorziet in niet meer dan 11 woningen, die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie kunnen worden aangemerkt, deze ontwikkeling is beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling waarop de Ladder van toepassing is dient te worden beschouwd. Het bestemmingsplan "Glastuinbouwgebied Meeslouwerpolder" is voor de functie wonen overwegend conserverend van aard, de grens van 11 woningen wordt niet overschreden. In paragraaf 4.3 worden de ontwikkelingen en mogelijk toekomstige ontwikkelingen nader toegelicht. Bedrijfsuitbreiding glastuinbouw deelgebied 2 De Afdeling stelt dat, wanneer een bestemmingsplan voorziet in een uitbreiding van meer dan 500 m2 bvo voor bedrijven er in beginsel sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een uitbreiding van het glastuinbouwgebied die deze drempel overstijgt. Het bestemmingsplan biedt, al dan niet in combinatie met de door de gemeenteraad vastgestelde spelregels 'transformatie glastuinbouwgebied Meeslouwerpolder', de mogelijkheid om bestaande glastuinbouwbedrijven te transformeren en/of uit te breiden. De mogelijkheid tot transformatie is bedoeld voor bedrijven die (een deel van) hun bedrijfsvoering in het gebied willen stoppen, hiervoor wordt een wijzigingsbevoegdheid opgenomen.

Transformatie wordt mogelijk gemaakt om verpaupering van het gebied tegen te gaan en waarde aan het gebied toe te voegen. Initiatieven worden door de gemeente getoetst op basis van de ruimtelijke kwaliteit die ze in een deel van het gebied opleveren. Bij deze planvorming (wijzigingsplan of aanvraag omgevingsvergunning) dient ook een nadere toetsing plaats te vinden aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Uitbreiding van het de glastuinbouw is in deelgebied 2 (tussen de Tuinbouwweg en de Huyssitterweg) met voorliggend bestemmingsplan direct mogelijk. Deze uitbreiding is conform de opgestelde spelregels waarin de behoefte naar voren komt en is bovendien in lijn met de provinciale Omgevingsverordening. Gelet op de hiervoor aangehaalde jurisprudentie in combinatie met hetgeen hierboven is beschreven is er bij de vaststelling van dit bestemmingsplan geen sprake van een 'Ladderplichtige' stedelijke ontwikkeling voor woningbouw.

9

De uitbreiding van het glastuinbouwgebied in deelgebied 2 dient wel aangemerkt te worden als stedelijke ontwikkeling. De uitbreiding vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied en ter plaatse van gronden die in de provinciale Omgevingsverordening zijn aangewezen voor glastuinbouw. De Ladder voor duurzame verstedelijking vormt derhalve geen belemmering voor dit bestemmingsplan. 2.1.3

Waterbeleid

2.1.3.1 Nationaal waterplan Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en is opgesteld voor de planperiode 2016 - 2021. Het Nationaal Waterplan beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid. Het Rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op de korte en de lange termijn. Om een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem te bereiken moet het water meer bepalend zijn bij de besluitvorming over grote ruimtelijke opgaven dan voorheen. De mate waarop wordt afhankelijk gesteld van, onder meer, de omvang en de aard van de ingrepen, bestaande functies, nieuwe andere ruimteclaims en de bodemgesteldheid van een gebied. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het Nationaal Waterplan is gedetailleerder dan de SVIR en blijft als uitwerking van de SVIR bestaan. Specifiek gaat het over de gebieden die deel uitmaken van de ruimtelijke hoofdstructuur, het IJsselmeer, de Noordzee en de rivieren.

Ook de bescherming van vitale functies en kwetsbare objecten is een onderwerp van nationaal belang. Hiervoor geldt het Barro. 2.1.3.2 Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daar- bij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. 2.1.3.3 Nationaal bestuursakkoord water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen.

10

In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. 2.1.3.4 Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie Kern van de deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie (2014) is de ambitie van alle overheden samen dat Nederland in 2050 zo goed mogelijk klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht. Om de ambitie te realiseren moeten waterveiligheid en klimaatbestendigheid integraal meegewogen worden bij het plannen van ruimtelijke ontwikkelingen, bij herontwikkeling en bij investeringen in beheer en onderhoud.

2.1.3.5 Gevolgen voor dit bestemmingsplan In de paragraaf Water wordt besproken op welke manier het water belang in voorliggend bestemmingsplan wordt geborgd.

11

2.2

Provinciaal Beleid

2.2.1

Provinciaal Omgevingsbeleid

2.2.1.1 Wettelijk kader De provincie heeft haar ruimtelijk beleid eenvoudiger, transparanter en toegankelijker gemaakt voor initiatiefnemers in Zuid-Holland. Al het sectorale beleid is samengevoegd in een digitaal systeem, dubbele teksten zijn er uit gehaald en samenhang is inzichtelijker gemaakt. Hiermee is een einde gekomen aan sectorale visies en nota’s. Het beleid kan nu modulair worden aangepast en daarmee kan het Omgevingsbeleid doorontwikkeld worden richting inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het provinciale Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma's en -plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. Met het Omgevingsbeleid streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hieraan geeft men richting door het maken van samenhangende beleidskeuzes, die volgen uit de provinciale opgaven.

Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma's en naar regels in de verordening. Het geheel aan bestaande beleidskeuzes, inclusief de doorwerking naar programma's en verordening, vormt het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. De beleidskeuzes zijn opgenomen in de database van het provinciaal omgevingsbeleid. Naast de inhoudelijke beleidsuitwerking zijn in deze raadpleegomgeving ook relaties tussen de beleidskeuzes zichtbaar gemaakt. De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen. Met het samenbrengen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving tot 1 integraal Omgevingsbeleid sorteert de provincie voor op de Omgevingswet. De Omgevingswet verplicht provincies om 1 Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening te maken. De Zuid-Hollandse Omgevingsvisie en Omgevingsverordening is per 1 april 2019 in werking getreden. 2.2.1.2 Opgavegericht samenwerken Het Omgevingsbeleid krijgt verder vorm via een opgavegerichte aanpak. Dat wil zeggen dat de provincie vanuit maatschappelijke opgaven bepaalt welke onderdelen van het omgevingsbeleid worden aangepast. Voorziene aanpassingen in het Omgevingsbeleid zijn terug te vinden in de Lange Termijn Agenda Omgevingsbeleid van Provinciale Staten.

De provincie Zuid Holland onderschrijft verder de filosofie van de Omgevingswet die (naar verwachting) in 2022 in werking treedt: minder en overzichtelijker regels, lokaal maatwerk, meer ruimte voor maatschappelijke initiatieven en meer vertrouwen. De wet gaat uit van samenwerking en gecoördineerd optreden van de verschillende overheidslagen. De grote maatschappelijke opgaven zijn vrijwel altijd multischalig en vragen inzet van meerdere overheden en maatschappelijke partijen. Daarbij ondersteunt men van harte het uitgangspunt van de wet dat taken en bevoegdheden in principe op lokaal niveau worden uitgevoerd, tenzij een expliciet provinciaal belang betrokkenheid van de provincie noodzakelijk maakt. Gelet op de aard en schaal van onze samenhangende beleidskeuzes, rekenen wij deze tot een provinciaal belang.

12

Het is bovenal de bedoeling dat overheden ontwikkelingsgericht, integraal en samen met belanghebbenden gaan werken aan de maatschappelijke opgaven die zich voordoen. Dit is precies de manier waarop het provinciale bestuur van Zuid-Holland wil werken: een partner die open staat voor vernieuwing, samenwerkt, zich dienstbaar opstelt en waar nodig haar verantwoordelijkheid neemt. 2.2.2

Provinciale Omgevingsvisie

2.2.2.1 Wettelijk kader De Provinciale Staten van Zuid-Holland hebben op 20 februari 2019 de Omgevingsvisie Zuid-Holland en de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. Beiden zijn op 1 april 2019 in werking getreden en opgesteld in het kader van de Omgevingswet die in 2022 in werking treed. Het beleid is gericht op het realiseren van maatschappelijke belangen en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. De Omgevingsvisie benoemt voor de provincie de visie, ambities en opgaven voor de provincie Zuid-Holland. De omgevingsvisie bevat zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving:  Naar een klimaatbestendige delta;  Naar een nieuwe economie: the next level;  Naar een levendige meerkernige metropool;  Energievernieuwing;  Best bereikbare provincie;  Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Naast de zes ambities stelt de provincie in de omgevingsvisie 12 provinciale opgaven voor de omgevingskwaliteit vast. De provincie werkt bij deze opgaven samen met andere overheden en maatschappelijke partners.

De 12 provinciale opgaven omgevingskwaliteit zijn: Landschap en cultuurhistorie, Gezondheid en veiligheid, Natuur en recreatie, Ruimte en verstedelijking (de bebouwde ruimte beter benutten), Wonen, Bodem en ondergrond, Cultuurparticipatie en bibliotheken, Klimaatadaptie, Zoetwater en drinkwater, Bereikbaarheid, Regionale economie en Energievoorziening. Ook het programma Ruimte en de Kwaliteitskaart zijn onderdeel van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid - Holland. Het programma Ruimte bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de Omgevingsvisie. Daarbij gaat het om locatie specifieke of de programmatische invulling van beleidsbeslissingen uit de Omgevingsvisie. Om aan te geven wat de provincie verstaat onder gebiedskwaliteit is een integrale Kwaliteitskaart opgenomen in de Omgevingsvisie. Deze integrale Kwaliteitskaart is opgebouwd uit vier lagen: 1. Laag van de ondergrond. De grondslag van de provincie en de natuurlijke (landschapsvormende) processen; 2. Laag van de cultuur-en natuurlandschappen. De laag van het zichtbare landschap en (grondgebonden) nut; 3. Laag van de stedelijke occupatie. De steden en dorpen en hun onderlinge netwerken; 4. Laag van de beleving. De identiteit en (recreatieve) beleving. De kwaliteitskaart bevat de belangrijkste kenmerken (richtpunten) van een gebied.

Karakteristiek voor Zuid-Holland zijn de delta-, veen-, rivieren- en kustlandschappen. Deze moeten herkenbaar blijven. Een richtpunt beschrijft hoe de provincie Zuid-Holland kwaliteit van een gebied bij nieuwe ontwikkelingen wil behouden of versterken. Bij aanpassingen in het landschap moet rekening gehouden worden met deze richtpunten. Een plan dat de kwaliteiten van een gebied versterkt is in ieders belang. Per laag is een aantal specifieke richtpunten aangegeven waar bij de ontwikkeling van een gebied rekening moet worden gehouden. Uitgangspunt daarbij is dat ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn, zolang er sprake is van behoud of versterking van de gedefinieerde ruimtelijke kwaliteit in de Kwaliteitskaart (ja, mits-beleid). Dit beleid geldt zowel voor het stedelijk als het landelijk gebied.

13

2.2.2.2 Gevolgen voor dit bestemmingsplan De gemeente streeft met voorliggend bestemmingsplan naar een compacte, economisch vitale en aantrekkelijke Meeslouwerpolder. Vele oude opstallen binnen het plangebied hebben geen duurzame toekomst en zullen mogelijk in verval raken. Aan de hand van nieuwe functies, die in ruil voor het saneren van oude opstallen worden mogelijk gemaakt, draagt het bestemmingsplan bij aan een sterkere economie en een ruimtelijke kwaliteitsverbetering binnen de Meeslouwerpolder. De provincie Zuid - Holland heeft een integrale kwaliteitskaart opgesteld om de gebiedskwaliteit te borgen. Met de sanering van oude opstallen kan op voorhand geconcludeerd worden dat de ruimtelijke kwaliteit binnen het plangebied zal verbeteren. De opgestelde spelregels voor de transformatie van het glastuinbouwgebied, zoals opgenomen in bijlage 1, vormt een extra middel voor de gemeente om de ruimtelijke kwaliteit binnen het plangebied te kunnen borgen. Voor de volledigheid is de kwaliteitskaart van de provincie beknopt doorlopen. 1. Laag van de ondergrond Binnen de 'Laag van de ondergrond' valt het plangebied vrijwel in z'n geheel binnen de categorie 'Veencomplex - Oude zeeklei'. Een groot deel van Zuid-Holland bestaat uit veengronden met een hoge waterstand. Het veen kent een geringe draagkracht. Daarnaast vinden we hier een groot aantal bestaande en voormalige plassen.

De voormalige plassen zijn drooggemalen en staan bekend als droogmakerijen. De ondergrond in deze droogmakerijen varieert van venig tot (oude zee)klei. Zuid-Holland kent een aantal droogmakerijen waar (in de toekomst) verzilting optreedt en het waterbeheer steeds lastiger wordt. Bij grote diepte kan daarnaast een waterveiligheidsvraagstuk spelen. Zorgvuldige omgang met het watervraagstuk (kwalitatief en/ of kwantitatief) is in deze droogmakerijen van belang. Gevolgen Ontwikkelingen binnen deze categorie dragen bij aan een duurzame waterhuishouding. In de huidige situatie is het plangebied voor een groot deel verhard en bebouwd met glastuinbouwkassen en oude opstallen. Onderhavig bestemmingsplan is grotendeels conserverend van aard. De ontwikkelingen die wel mogelijk worden gemaakt zijn gekoppeld aan de spelregels. Ontwikkelingen zijn alleen toegestaan indien er sanering van oude opstallen aan voorafgaat, de verharding in het plangebied zal afnemen wat een positief effect zal hebben op de waterhuishouding in het gebied. Nieuwe ontwikkelingen zullen bovendien met de huidige technische kennis een verbetering zijn ten opzichte van de huidige situatie. 2. Laag van de cultuur - en natuurlandschappen Binnen de 'Laag van de cultuur - en natuurlandschappen valt het plangebied volledig binnen de categorie 'Droogmakerijen (veen).

Ten opzichte van de droogmakerij met klei als ondergrond is de droogmakerij met veen in de ondergrond waterrijker, vaak kleinschaliger (vooral de kavelmaat) van opzet en is de bodem minder draagkrachtig. Ontwikkelingen binnen deze categorie moeten bijdragen aan het behoud van maat en weidsheid van de poldereenheden. Eventuele nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/linten en niet in de veenweidepolders. Gevolgen Ontwikkelingen die met de spelregels voor transformatie worden mogelijk gemaakt zijn alleen mogelijk indien er een sanering van bestaande oude opstallen tegenover staat. Planologisch is dit middels wijzigingsbevoegdheden vastgelegd. Het plangebied is in de huidige situatie voor een groot gedeelte bebouwd, dat draagt in negatieve zin bij aan het beleven van de weidse polders. Gesaneerde bebouwing mag niet één op één worden terug gebouwd, derhalve zal de ruimtelijke beleving van de weidse polders ten alle tijden verbeteren met voorliggend bestemmingsplan.

14

3. Laag van de stedelijke occupatie Binnen de 'Laag van de stedelijke occupatie' valt het plangebied binnen de categorie 'Glastuinbouwgebieden'. Concentratiegebieden voor glastuinbouw kunnen qua belevingswaarde worden beschouwd als bedrijventerrein. Ontwikkelingen in de glastuinbouw dienen bij voorkeur bij te dragen aan een grootschalig, geconcentreerd, modern uiterlijk en functioneren De doelstelling binnen deze categorie zijn met name gericht op de aanleg van nieuwe glastuinbouw. Alhoewel glastuinbouw binnen het plangebied zal blijven bestaan, maakt voorliggend bestemmingsplan niet direct nieuwe glastuinbouw mogelijk. Indien bestaande glastuinbouwkassen zouden worden vervangen dienen deze bij te dragen aan een grootschalig, geconcentreerd, modern uiterlijk en functioneren Gevolgen Voorliggend bestemmingsplan is grotendeels conserverend van aard. De ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt aan de hand van de opgestelde spelregels en wijzigingsbevoegdheden zijn niet direct relevant voor de doelstellingen van de provincie. Wel kan gesteld worden dat de gesaneerde bebouwing niet één op één terug gebouwd mag worden, voor de realisatie van één woning moet 5.000 m 2 bvo aan kassen/waterbassin of 1.000 m2 aan opstallen/bedrijfsruimte worden gesaneerd. Toekomstige ontwikkelingen in de Meeslouwerpolder zullen derhalve zorgen voor een afname van de stedelijkheidsgraad. 4.

Laag van de beleving Binnen de 'Laag van de beleving' valt het plangebied binnen de categorie 'Groene buffers'. De groene buffer is een niet verstedelijkt landschap van relatief beperkte omvang tussen of grenzend aan de steden. De bufferende werking hiervan is van grote waarde. De kwaliteit “niet-verstedelijkt gebied" of luwte blijft behouden of wordt waar mogelijk versterkt. Er vinden geen grootschalige nieuwe ontwikkelingen plaats in de bufferzone. Nieuwe ontwikkelingen dragen bij aan de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrast kwaliteit met het stedelijk gebied Gevolgen Voorliggend bestemmingsplan draagt bij aan de doelstelling voor de groene buffers daar het eigenaren stimuleert bestaande (oude) opstallen te verwijderen. Gesaneerde bebouwing mag niet één op één worden terug gebouwd waardoor het bebouwde oppervlak binnen het plangebied zal afnemen. Voorliggend bestemmingsplan draagt bij aan het vergroenen van het plangebied, is grotendeels conserverend van aard en maakt geen directe nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk.

15

2.2.3

Gebiedsprofiel Wijk en Wouden

2.2.3.1 Wettelijk kader De provincie heeft haar grondgebied onderverdeeld in 16 gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit. Een gebiedsprofiel beschrijft en visualiseert kenmerkende ruimtelijke elementen die van bovenregionaal belang zijn. Voorbeelden van kenmerkende ruimtelijke elementen zijn: de verkavelings- en waterstructuur, linten, laanbeplantingen, herkenbare dijken en openheid. De gebiedsprofielen geven een overzicht van de landschappelijke waarden, waarmee bij ruimtelijke ingrepen rekening moet worden gehouden. Maar ze beschrijven ook ambities die richting geven aan de ontwikkeling van de kenmerken. Het gebiedsprofiel is een regionale uitwerking van de provinciale kwaliteitskaart zoals zojuist toegelicht in paragraaf 2.2.2. 2.2.3.2 Gevolgen voor dit bestemmingsplan Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel 'Wijk en Wouden'. Binnen het gebiedsprofiel is met name de kaartlaag 'Droogmakerij' relevant voor voorliggend bestemmingsplan. In onderstaande afbeelding is deze kaartlaag weergegeven.

Afbeelding 2: Kaartlaag 'Droogmakerij' uit het gebiedsprofiel Wijk en Wouden (bron: provincie Zuid-Holland). De Meeslouwerpolder is een droogmakerij met veen in de ondergrond, binnen deze gebieden is sprake van een fijn verkavelingspatroon. De verkaveling kan per polder verschillen, specifiek voor de Meeslouwerpolder is het van noord naar zuid lopende slagenlandschap. Binnen het glastuinbouwgebied is op perceelniveau ook sprake van een oost naar west oriëntatie. Vaak zijn polder ook waardevolle weidevogelgebieden, dat is voor de Meeslouwerpolder niet het geval. De bebouwing, wegen en beplanting zijn aan de dijken gekoppeld.

16

De provincie heeft verschillende ambities vastgesteld voor de doormakerijen met veen, namelijk: 1. Herkenbaar houden van de polders als eenheid, omsloten door ringdijk en ringvaart. 2. Bewaken van de weidsheid van het gebied als totaal en de lange zichten over de tochten in het bijzonder. Hoge opgaande beplanting of nieuwe bebouwing binnen dit gebied is niet wenselijk. (uitgezonderd linten en randen). 3. Waterbergingsopgaven koppelen aan rationele patroon van poldertochten. Waar mogelijk wordt gezocht naar vereenvoudiging van het waterbeheer en gewerkt aan een klimaatbestendige en robuuste inrichting van het watersysteem. 4. Accentueren van de lange lijnen in de polder. 5. Nieuwe ontwikkelingen op het gebied van landgebruik (agrarische verbreding, natuurontwikkeling), vormen geen aantasting van de karakteristiek open polder met grasland. 6. Herkenbaar houden van het verschil tussen droogmakerijen en veenweide. Onder andere door het hoogteverschil te bewaken: droogmakerijen liggen meters lager dan veenweidepolders. Voorliggend bestemmingsplan heeft nauwelijks invloed op de ambities van de provincie. Het herkenbare en waardevolle slagenlandschap rondom de bestaande kassen blijft behouden. Het bestemmingsplan is verder grotendeels conserverend van aard, de uitbreiding van het glastuinbouwgebied in het middengebied is tevens conform provinciaal beleid (zie paragraaf 2.2.4).

Indien voor deze uitbreiding watercompensatie noodzakelijk is, dient dit op een goede wijze ingepast te worden in het watersysteem. Toekomstige ontwikkelingen middels toepassing van de wijzigingsbevoegdheid zullen ook getoetst worden aan het gebiedsprofiel Wijk en Wouden. Geconcludeerd wordt dat voorliggend bestemmingsplan geen belemmering vormt voor de provinciale doelstelling zoals vastgelegd in het gebiedsprofiel. 2.2.4

Provinciale Omgevingsverordening

2.2.4.1 Wettelijk kader Om het provinciaal ruimtelijk beleid uit te voeren heeft de provincie verschillende instrumenten, waarvan de Omgevingsverordening er één is. De Omgevingsverordening Zuid Holland stelt regels aan gemeentelijke bestemmingsplannen. Niet alle onderwerpen zijn geschikt voor opname in een verordening. De inhoud is van toepassing op de fysieke leefomgeving en activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving, waarbij een provinciaal speelt. De provincie heeft in de Omgevingsverordening Zuid - Holland daarom onder meer regels opgenomen over activiteiten in de fysieke leefomgeving, zoals bodemsanering en flora- en fauna-gerelateerde activiteiten, de leefomgevingskwaliteit en instructieregels aangaande gemeentelijke bestemmingsplannen. Zo worden er bijvoorbeeld voorwaarden gesteld aan bestemmingsplannen welke de ontwikkeling van bedrijven of kantoren mogelijk maken of welke betrekking hebben op gebieden met een provinciaal belang, zoals langs provinciale vaarwegen of nabij landgoederen en kastelen. Daarnaast is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ('AMvB Ruimte') van het Rijk van belang. Hierin zijn regels opgenomen waaraan Provinciale Omgevingsverordeningen moeten voldoen.

Enkele onderwerpen in de verordening van de provincie Zuid-Holland vloeien rechtstreeks voort uit de AMvB Ruimte, zoals regels over de Ecologische Hoofdstructuur en de Romeinse Limes. Het volledige juridisch instrumentarium vloeit voort uit de Wet ruimtelijke ordening. Het gaat daarbij om de provinciale omgevingsvisie, het provinciaal inpassingsplan en de (proactieve en reactieve) aanwijzing. De provincie kan deze instrumenten inzetten als er sprake is van provinciaal belang. De provincie beschouwt in ieder geval van provinciaal belang de in de visie opgenomen doelen en de uitwerking daarvan in het programma Ruimte. In de verordening staan de regels die de provincie stelt aan ruimtelijke ontwikkelingen.

17

2.2.4.2 Gevolgen voor dit bestemmingsplan Ruimtelijke kwaliteit Per laag is een aantal specifieke richtpunten aangegeven waarmee rekening moet worden gehouden bij ontwikkelingen. Uitgangspunt daarbij is dat ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn, zolang er sprake is van behoud of versterking van de gedefinieerde ruimtelijke kwaliteit in de kwaliteitskaart (ja, mits-beleid). Afhankelijk van de aard en de schaal van de ruimtelijke ontwikkeling is er sprake van inpassing (gebiedseigen ontwikkeling, passend bij aard en schaal van het landschap), aanpassing (gebiedsvreemde ontwikkeling, met maatregelen passend te maken aan aard en schaal van het landschap) of herontwikkeling (niet passend bij aard en schaal van het landschap). Voor ruimtelijke ontwikkelingen die (in eerste instantie) niet passen bij de aard en/of de schaal van het gebied zijn ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. Naast het voorschrijven van een toetsing aan de kwaliteitskaart met richtpunten heeft de provincie een aantal gebieden aangewezen waarin een tweetal beschermingscategorieën kunnen gelden.

Binnen deze gebieden maar ook direct daaraan grenzend zijn ontwikkelingen onder de bovengenoemde voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit mogelijk, maar zijn vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing. Beschermingscategorie De provincie wil in een aantal gebieden specifieke waarden in stand houden omdat ze landschappelijk, ecologisch of qua gebruikswaarde bijzonder en kwetsbaar zijn. De instandhouding van deze waarden vraagt om toegespitste vormen van bescherming en ontwikkeling. Ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden zijn mogelijk, maar met inachtneming van de specifieke waarden naast de generieke bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit. De volgende gebieden hebben specifieke waarden:  belangrijke weidevogelgebieden, gelegen buiten het Natuurnetwerk Nederland, vanwege de specifieke maatschappelijke verantwoordelijkheid voor deze karakteristieke en kwetsbare vogels;  openbare recreatiegebieden , vanwege hun onmisbare bijdrage aan de leef- en vestigingskwaliteit in zowel het stedelijk als het landelijk gebied;  groene buffers, vanwege hun belang voor de identiteit, geleding en leefkwaliteit van het stedelijk gebied. Het plangebied valt binnen beschermingscategorie 2 en is daarmee samen met de omliggende gronden beschermd vanwege de specifieke waarde groene buffer.

Meer specifiek geldt voor de groene buffers dat deze (ondanks omvang) belangrijk zijn voor de ruimtelijke kwaliteit van de stadsranden. Behoud van deze ruimtes is van belang voor de identiteit en leefkwaliteit van het stedelijk gebied. De stedelijke druk is relatief groot, maar tegelijkertijd vormen ze op de schaal van de provincie een onmisbare ‘tegenhanger’ van de stedelijke dynamiek en verdichting. Ruimtelijke ontwikkelingen binnen de groene buffer is mogelijk, maar extra bescherming tegen (grootschalige) stedelijke ontwikkeling is van belang om de schaal en het karakter van deze gebieden in stand te houden.

18

Afbeelding 3: Beschermingscategorieën (Bron: Kwaliteitskaart Provincie Zuid-Holland) Het bestemmingplan Glastuinbouwgebied Meeslouwerpolder is overwegend conserverend van aard en doet derhalve geen afbreuk aan de specifieke waarden, die de kernkwaliteit vormen van de groene buffers. Aan de hand van de spelregels en de wijzigingsbevoegdheden kunnen nieuwe ontwikkelingen in overleg tussen de initiatiefnemer, de gemeente en de provincie plaatsvinden. Initiatiefnemers dienen aan te tonen dat deze ontwikkelingen geen negatieve invloed hebben op de groene buffers. Daarnaast zal de bouw van woningen, in ruil voor het slopen van bestaande glastuinbouw bedrijven, over het algemeen geen negatieve gevolgen hebben voor de beschermingscategorie. Met het afnemen van de verharding en het bebouwingsoppervlak ontstaat er meer ruimte voor natuur en groenvoorzieningen binnen het plangebied. De op het plangebied van toepassing zijnde beschermingscategorie 2 vormt daarom geen belemmering voor de met dit plan te faciliteren ruimtelijke ingreep. Glastuinbouwconcentratiegebied Het plangebied is gedeeltelijk aangewezen als glastuinbouwconcentratiegebied, het gaat om de gronden tussen de Tuinbouwweg en de Huyssitterweg. De provinciale verordening is tijdens het opstellen van de spelregels specifiek aangepast.

Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een uitbreiding van het bouwvlak voor glastuinbouw in het concentratiegebied, daarmee is voorliggend bestemmingsplan in lijn met de provinciale omgevingsverordening. De bestaande kassen ten westen van de Tuinbouwweg (deelgebied 1) en ten oosten van de Huyssitterweg (deelgebied 3) liggen formeel niet (meer) binnen het glastuinbouw concentratiegebied, maar kunnen in hun bestaande omvang blijven bestaan. Uitbreiding van glastuinbouw in beide deelgebieden is niet aan de orde.

19

Binnen het glastuinbouwconcentratiegebied worden twee nieuwe woonbestemmingen mogelijk gemaakt. Om deze ontwikkelingen mogelijk te maken is afwijking van de provinciale omgevingsverordening noodzakelijk. Het gaat om de adressen Huyssitterweg 2 en Tuinbouwweg 7/7a, voor beide adressen volgt afzonderlijk een nadere onderbouwing voor de noodzakelijke afwijking. Huyssitterweg 2 Het glastuinbouwgebied van Stompwijk maakt gedeeltelijk onderdeel uit van het glastuinbouw concentratiegebied. De concentratie van het glastuinbouwprogramma in één gebied schept een belangrijke voorwaarde voor de duurzame en hoogwaardige glastuinbouwgebieden conform het provinciale beleid. In het plangebied zijn enkele bedrijfswoningen (voorheen behorende tot een glastuinbouwbedrijf) als burgerwoning in gebruik genomen. De reden hiervoor is dat een aantal tuinders gronden en kassen van voormalige tuinders opkochten. De woningen zijn daarna feitelijk in gebruik genomen als burgerwoning, enkelen hebben in de vigerende situatie reeds een woonbestemming. Met dit bestemmingsplan wordt voorzien in een oplossing voor de bestaande situatie aan de Huyssitterweg 2, waar een voormalige agrarische bedrijfswoningen wordt bewoond door derden. Deze woning kan niet opnieuw worden bestemd als bedrijfswoning, daarom wordt gekozen voor een reguliere woonbestemming.

De belangrijkste randvoorwaarden in de beoordeling of een voormalige agrarische bedrijfswoning kan worden omgezet in een burgerwoning is dat een omzetting alleen kan plaatsvinden wanneer dit geen nadere beperkingen oplevert voor de glastuinbouwsector en in het bijzonder voor het glastuinbouwbedrijf, dat voorheen bij de bedrijfswoning behoorde. De uitvoerbaarheid van de omzetting wordt in paragraaf 5.2 nader toegelicht. Kort gezegd zal voor de omliggende bedrijven zal qua milieuwetgeving geen verandering optreden wanneer een voormalige bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning, aangezien die aan dezelfde normen dient te voldoen als een bedrijfswoning van derden. Bovendien neemt in vergelijking met het vigerende bestemmingsplan het oppervlak aan glastuinbouw toe, daarmee is een duurzame en economisch rendabele ontwikkeling veiliggesteld zonder de gronden behorende bij de Huyssitterweg 2. Deze gronden liggen bovendien aan de meest noordoostelijke rand van het glastuinbouwconcentratiegebied, daarmee is geen sprake van versplintering van het kernglastuinbouwgebied. Tuinbouwweg 7/7A De bestaande kassen aan de Tuinbouwweg 7 zullen worden gesloopt in ruil voor één nieuwe woning. De nieuwe woning valt binnen het zoekgebied voor ruimte-voor-ruimte woningen aan het bestaande lint Tuinbouwweg.

Ter plaatse van de nieuwe woningen worden de gronden daarom bestemd tot 'Wonen - Grondgebonden'. De gronden behorende bij de nieuwe woning vallen buiten het glastuinbouwconcentratiegebied zoals vastgelegd in de provinciale omgevingsverordening, een aanvullende onderbouwing is daarom niet noodzakelijk. Conform de wijzigingsregels en spelregels dienen de gronden en kassen die ingeruild worden voor woningbouwmogelijkheden duurzaam gesaneerd te worden. Concreet betekent dat, dat de gronden bestemd worden tot 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden'. Op deze gronden is de realisatie van nieuwe kassen daarom niet langer mogelijk. Deze gronden vallen binnen het glastuinbouwconcentratiegebied. Aanpassing van de bestemming van deze gronden is mogelijk omdat het de duurzame ontwikkeling van het glastuinbouwgebied als geheel niet beperkt. In vergelijking met het vigerende bestemmingsplan neemt het oppervlak aan glastuinbouw namelijk toe, daarmee is een duurzame en economisch rendabele ontwikkeling veiliggesteld zonder de gronden behorende bij de Tuinbouwweg 7/7a. Deze gronden liggen bovendien aan de meest zuidelijk rand van het glastuinbouwconcentratiegebied, daarmee is geen sprake van versplintering. Deze afweging zal per toekomstige ontwikkeling plaatsvinden, waarbij de onderzoekplicht bij de initiatiefnemer ligt.

20

Ten slotte zijn ook de vastgestelde spelregels en de daarin opgenomen kwaliteitskaart van belang. De kwaliteitskaart geeft ter plaatse van de Tuinbouwweg 7/7a een ander beeld dan de provinciale omgevingsverordening, daar is een deel van grond die omgezet wordt tot 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' namelijk niet aangewezen als onderdeel van het glastuinbouwconcentratiegebied. Geconcludeerd wordt dat voor de Tuinbouwweg 7/7a afwijking van de provinciale omgevingsverordening acceptabel is en dat daarmee de duurzame instandhouding van en de economische ontwikkeling van het glastuinbouwconcentratiegebied als geheel niet in gevaar komt. Wijzigingsbevoegdheid Conform de vastgestelde spelregels kunnen alle grondeigenaren binnen de grenzen van het bestemmingsplan gebruik maken van de wijzigingsbevoegdheid. Wel is specifiek vastgelegd waar ruimte-voor-ruimte kavels kunnen landen. Eigenaren van gronden en kassen in het glastuinbouwconcentratiegebied kunnen dus ook een verzoek indienen bij de gemeente. In de regels zijn de voorwaarden vastgelegd die van toepassing zijn voordat de gemeente medewerking kan verlenen aan een wijziging van het bestemmingsplan. Naast de beoordeling op ruimtelijke kwaliteit is ook het provinciale beleid een belangrijk afwegingskader.

Onderdeel van de wijzigingsbevoegdheid is het duurzaam saneren van glastuinbouw in ruil voor woningbouwmogelijkheden, daarom worden de gronden gewijzigd in 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden'. Uitvoering geven aan de wijzigingsbevoegdheid binnen deelgebied 2 mag niet tot gevolg hebben dat het glastuinbouwconcentratiegebied wordt beperkt in een duurzame en rendabele bedrijfsvoering. Per aanvraag binnen het glastuinbouwconcentratiegebied zal daarom beoordeeld moeten worden of voldaan kan worden aan de afwijkingsmogelijkheden die het provinciale beleid biedt. De toewijzing van de wijzigingsbevoegdheid betekent daarmee niet dat medewerking verleend kan worden aan alle toekomstige aanvragen, dit wordt per aanvraag en met inachtneming van het gehele glastuinbouwgebied in overleg tussen de initiatiefnemer, de gemeente en de provincie besloten. De reden dat het gehele gebied is aangewezen als wijzigingsgebied komt voort uit de vastgestelde spelregels, welke de onderlegger zijn voor voorliggend bestemmingsplan. Om recht te doen aan de gemaakte afspraken tussen alle partijen is deze wijze van bestemmen noodzakelijk. Bij de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan is nog niet duidelijk of, en zo ja, wie gebruik wenst te maken van de wijzigingsbevoegdheid.

De vraag of gebruik gemaakt wordt zal afhangen van verschillende factoren, zoals bijvoorbeeld de economische ontwikkelingen binnen de glastuinbouwsector. Door deze wijze van bestemmen krijgen alle grond- en kaseigenaren dezelfde mogelijkheden. Voorliggend bestemmingsplan is met in achtneming van bovenstaande toelichting in lijn met de provinciale omgevingsverordening.

2.3

Regionaal beleid

Er is geen specifiek voor dit bestemmingsplan of de daarmee mogelijk gemaakte ontwikkeling relevant regionaal beleid van toepassing.

21

2.4

Gemeentelijk beleid

2.4.1

Structuurvisie Ruimte voor Wensen 2040 (herijking 2012)

2.4.1.1 Beleidskader Met de structuurvisie schetst de gemeente de ruimtelijke toekomstvisie tot het jaar 2040. Het vormt de basis voor de (bestuurlijke) strategische keuzes en geeft richting aan de hoofdlijnen van het gewenste ontwikkelingsbeeld van de gemeente. Als overkoepelende ambitie wordt in de structuurvisie genoemd een positionering van de gemeente als aantrekkelijke, groene en duurzame woon- en werkstad. De in 2012 herijkte uitgangspunten (opgaven, doelstellingen en ambities) zijn vertaald naar drie pijlers:  Versterken van de groene woonstad;  Verbeteren van de economische kansen en voorzieningenstructuur;  Beter benutten en verbeteren van de (regionale) bereikbaarheid. De structuurvisie gaat daarbij uit van een indeling van de gemeente in een stedelijk gebied, de Vlietzone en het buitengebied. Van elk gebiedstype is aangegeven welke opgaven bijdragen aan de ontwikkeling van de stad. Het plangebied 'Meeslouwerpolder' valt binnen het gebiedstype buitengebied. Voor het gebiedstype buitengebied zijn in de structuurvisie de onderstaande opgaven/ambities geformuleerd:  de ontwikkeling van het Regiopark Duin, Horst en Weide optimaal benutten als een onderscheidende vestigingsfactor en aanvullende kwaliteit voor het imago van de groene woonstad;  Versterken groene woonstad;  Versterken economische kansen en voorzieningenstructuur.

Specifiek voor Stompwijk is de Meeslouwerpolder met glastuinbouw belangrijk. Door herstructurering, sanering en verplaatsing van verspreid liggende glastuinbouw bedrijven kan zowel het economisch rendement als de ruimtelijke kwaliteit van dit gebied worden vergroot. De totale transformatie opgave bedraagt bijna 9 hectare, waarvan 5,4 hectare reeds is gesaneerd. 2.4.1.2 Gevolgen voor dit bestemmingsplan Voorliggend bestemmingsplan draagt bij aan de doelstellingen die geformuleerd zijn voor het buitengebied en specifiek voor de kern Stompwijk. Alhoewel voorliggend bestemmingsplan grotendeels conserverend van aard is kunnen eigenaren in de Meeslouwerpolder aan de hand van de opgestelde spelregels ook ontwikkelen. Geconstateerd is dat een deel van de glastuinbouwkassen geen duurzame toekomst hebben, deze kunnen gesaneerd worden en bijdragen aan het versterken van de groene woonstad. Aan de hand van de opgestelde spelregels (bijlage 1) kan de gemeente in samenspraak met de provincie Zuid-Holland en de eigenaren de Meeslouwerpolder transformeren en ontwikkelen om zowel het economische rendement als de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren. De opgestelde spelregels en de daarmee mogelijk geworden ontwikkelingen dragen direct bij aan de doelstellingen die geformuleerd zijn voor de glastuinbouw in de Meeslouwerpolder en Stompwijk.

22

2.4.2 Groenstructuurplan Gemeente Leidschendam-Voorburg: Buitengewoon Groen (2010)

2.4.2.1 Beleidskader In het gemeentelijk groenstructuurplan is ingegaan op het feit dat het buitengebied rondom Leidschendam de komende jaren recreatief aantrekkelijker gemaakt moet worden. Er moet ingezet worden op groene verbindingen vanuit het stedelijk gebied naar de Duivenvoordecorridor en het veenweidegebied rondom Stompwijk. Bewoners vanuit zowel Voorburg als Leidschendam, die de laatste jaren op grotere afstand van het buitengebied zijn komen te wonen, kunnen zich na aanleg van deze groene verbindingen (groene zones) op een eenvoudige en aangename wijze vanuit hun woning naar het buitengebied verplaatsen. In de onderstaande afbeelding zijn de belangrijkste groenzones met een verbindende functie van Leidschendam-Voorburg weergegeven:

Afbeelding 4: Groenstructuurplan, groenzones met een verbindende functie 2.4.2.2 Gevolgen voor dit bestemmingsplan Het groenstructuurplan geeft op hoofdlijnen aan welk groen van belang is op gemeentelijk niveau en waar het groen versterkt kan worden. Het garandeert het groene karakter van de gemeente in de toekomst door de hoofdgroenstructuur duidelijk te benoemen, verbindingen te maken en de ligging aan het buitengebied te versterken. Om het groen in de gemeente te versterken wordt er ingezet op drie niveaus:  groene zones;  groene lijnen;  groene wijken. Om de ambities te verwezenlijken, wordt in het groenstructuurplan gesteld dat bij nieuwe ruimtelijke projecten het groen vanaf de initiatief fase een serieus onderdeel moet zijn van de planvorming. Voor elk ruimtelijk plan dient daarom, als onderdeel van de planvorming, een groene paragraaf geschreven te worden. Voor onderhavig plangebied kan vastgesteld worden dat het op basis van het groenstructuurplan tot de 'Groene Zone' wordt gerekend. In de bestaande situatie heeft het plangebied geen groene functie vanwege de aanwezigheid van bedrijvigheid en glastuinbouw.

23

Alhoewel voorliggend bestemmingsplan grotendeels conserverend van aard is zal het middels de opgestelde spelregels voor sanering en transformatie bijdragen aan het laten afnemen van bebouwde oppervlak. Voorliggend bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk die een negatieve invloed hebben op de groene kwaliteit binnen het plangebied. De gemeente zal toezien dat bij toekomstige ontwikkelingen binnen het plangebied aandacht wordt besteed aan een groene en natuurlijke invulling. De opgestelde Spelregels transformatie glastuinbouwgebied Meeslouwerpolder vormen de onderlegger voor de planologische procedure van de gemeente om de gewenste ruimtelijke kwaliteit binnen het plangebied te kunnen sturen. 2.4.3

Gemeentelijk Water- en rioleringsplan Leidschendam-Voorburg 2016-2021

2.4.3.1 Beleidskader Het plangebied valt binnen de reikwijdte van het Water- en rioleringsplan Leidschendam-Voorburg 2016-2021, dat op 15 december 2015 door de gemeenteraad is vastgesteld. Het water- en rioleringsplan gaat ervan uit dat het watersysteem zo veel water kan bergen dat wateroverlast en verdroging voorkomen kunnen worden. Bovendien moet het water dan schoon en ecologisch gezond zijn en bijdragen aan een prettige leefomgeving. Daarnaast dient bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden met de effecten van klimaatverandering. Om de ambitieuze doelen van het Waterplan te realiseren moet water een integraal onderdeel zijn van alle strategische en ruimtelijke plannen. Het waterplan moet het waterbeheer inhoudelijk en procesmatig verbeteren, met voortdurende aandacht voor duurzaamheid. Bij een ruimtelijk plan dient een initiatiefnemer in het kader van de watertoets in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. 2.4.3.2 Gevolgen voor dit bestemmingsplan Het Hoogheemraadschap is in het kader van het wettelijk voorgeschreven vooroverleg over dit bestemmingsplan geconsulteerd.

24

2.4.4

Nota archeologie, herijking 2013

2.4.4.1 Beleidskader De gemeenten Leidschendam-Voorburg, Wassenaar en Voorschoten, samenwerkend in het Pact van Duivenvoorde, hebben een gezamenlijk archeologiebeleid ontwikkeld, dat is vastgelegd in de 'Nota archeologie, herijking 2013' en de daarbij behorende beleidskaart archeologie. In de nota archeologie is een globaal overzicht van het archeologische erfgoed van de pactgemeenten gegeven en zijn de beleidsregels ten aanzien van de omgang met het archeologische bodemarchief geformuleerd. De archeologische beleidskaart toont de globale archeologische waarde en verwachting per (soort) gebied met de daarbij behorende beleidsregels. Op de kaart wordt vermeld welke eventuele beperkende maatregelen van toepassing zijn en welk archeologisch onderzoek bij bodemverstorende activiteiten verplicht is gesteld. De gemeente Leidschendam-Voorburg voert een actief beleid om de bekende archeologische waarden binnen de gemeentegrenzen te actualiseren indien er nieuwe of aanvullende gegevens bekend worden. 2.4.4.2 Gevolgen voor dit bestemmingsplan De archeologische beleidskaart toont globaal de archeologische waarde of verwachting door middel van vier verschillende kleuren/cijfers. Elk van de kleuren verbeeldt een archeologische waarde of verwachting. De beleidsregels die voor een gebied (van één kleur) gelden, staan beschreven in de bij de beleidskaart behorende toelichting.

Hierin staat aangegeven welke eventuele beperkende maatregelen van toepassing zijn bij welke archeologische waarde of verwachting en welke vervolgstappen bij bodemingrepen verplicht zijn. De beleidskaart en de toelichting daarbij zijn mede richtinggevend bij de ontwikkeling van nieuwe ruimtelijke plannen. De verschillende gebieden van de beleidskaart met de bijbehorende beleidsregels worden ook opgenomen in de gemeentelijke structuur- en bestemmingsplannen. Op het concrete beoordelingskader en de archeologische onderzoeksresultaten voor het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan wordt nader ingegaan in paragraaf 6.1 van deze toelichting. 2.4.5

Erfgoedverordening Leidschendam-Voorburg 2010

2.4.5.1 Beleidskader Het is voor iedere gemeente verplicht om een verordening vast te stellen waarin de inschakeling is geregeld van een monumentencommissie. Deze commissie adviseert op het gebied van de monumentenzorg en heeft in elk geval tot taak om te adviseren over omgevingsvergunningen voor wijziging aan (van) rijks- en/of gemeentelijke monumenten. Gemeentelijke monumenten worden aangewezen en beschermd op basis van de Erfgoedverordening Leidschendam-Voorburg 2010. Daarnaast vormt de Erfgoedverordening Leidschendam-Voorburg 2010 de basis voor het aanwijzen van gemeentelijke dorpsgezichten en gemeentelijke groenmonumenten. Ook is het mogelijk op basis van de verordening een gebouw, groenelement of structuur aan te wijzen als een beeldbepalende zaak. De gemeentelijke monumenten of beeldbepalende zaken worden geregistreerd op een gemeentelijke monumentenlijst. 2.4.5.2 Gevolgen voor dit bestemmingsplan In het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan "Glastuinbouwgebied Meeslouwerpolder" bevinden zich geen gemeentelijke monumenten, gemeentelijke dorpsgezichten of gemeentelijke groenmonumenten. Ook van beeldbepalende zaken in de zin van de Erfgoedverordening is in het plangebied geen sprake.

25

2.4.6

Verkeer en vervoerplan 2014

2.4.6.1 Beleidskader De hoofdlijnen van het gemeentelijk beleid op het gebied van verkeer en vervoer zijn vastgelegd in het Verkeers- en Vervoerplan (VVP) uit 2014. De ambities op het gebied van verkeer en vervoer van de gemeente worden hierin benoemd en toegelicht. Voor achtereenvolgens de auto, het langzaam verkeer en het openbaar vervoer bevat het plan de ontwikkelingen en knelpunten, de gewenste situatie en conclusies en aanbevelingen voor oplossingsrichtingen. Ook de thema's verkeersveiligheid, parkeren en milieu komen aan de orde. In het VVP is onder andere de categorisering van het wegennet volgens de principes van Duurzaam Veilig opgenomen. Daarnaast is het gewenste hoofdfietsroutenetwerk opgenomen. 2.4.6.2 Gevolgen voor dit bestemmingsplan Het bestemmingsplan 'Glastuinbouwgebied Meeslouwerpolder' voorziet niet in aanpassingen aan het wegennet. 2.4.7

Nota parkeernormen 2012

2.4.7.1 Beleidskader Het gemeentelijk parkeerbeleid is uitgewerkt in de gemeentelijke nota parkeernormen uit 2012. In de nota komen verschillende vormen van parkeerregulering, inclusief bijbehorend afwijkingsbeleid, aan de orde. Daarnaast is onder andere aangegeven hoe wordt omgegaan met parkeren voor diverse doelgroepen, parkeren bij ruimtelijke ontwikkelingen en de handhaving van het parkeerbeleid. Op basis van een inventarisatie van parkeerknelpunten biedt de nota een overzicht van oplossingsrichtingen voor de korte, middellange en lange termijn. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van het gemeentelijk parkeerbeleid is dat bouwplannen niet mogen leiden tot extra parkeerdruk in de directe omgeving. In de Nota parkeernormen is op basis van de bebouwingsdichtheid en autobezit een indeling gemaakt in stedelijke zones, te weten centrum, schil centrum, rest bebouwde kom en buitengebied. De basis voor de toets aan de parkeereis is gelegd in de CROW-richtlijnen. Het CROW geeft in haar publicatie 182 'Parkeerkencijfers - Basis voor parkeernormering' richtlijnen over hoe om te gaan met parkeernormering. De kencijfers van het CROW gaan altijd uit van een bandbreedte tussen minimale en maximale parkeerbehoefte. De gemeente Leidschendam-Voorburg gaat bij de toetsing uit van een gemiddeld parkeerkencijfer dat ligt tussen de minimale en maximale cijfers.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=258c044e-e351-4f1e-add0-843ab058cfd0