CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

2234 toelichting_Bijlage 7 Aanvullend onderzoek soortgroepen.pdf

Raadsvergadering 5 oktober 2021, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: Vaststelling bestemmingsplan "Glastuinbouwgebied Meeslouwerpolder" te Stompwijk.14.827 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Blz. 20 van 25

fungeren gaan we er zekerheidshalve van uit dat er ook winterverblijven aanwezig zijn. Gezien de omvang van het plangebied en de resultaten van het veldonderzoek gaat het om relatief weinig vleermuizen. Bij sloopwerkzaamheden van met name bakstenen opstallen of woningen kunnen verblijfplaatsen verdwijnen. Dergelijke verblijfplaatsen dienen gecompenseerd te worden door nieuwe mogelijkheden in de nieuwbouwwoningen. Van blijvende effecten is dan geen sprake maar er is wel sprake van vernietiging van verblijfplaatsen. Dergelijke werkzaamheden zijn ontheffingsplichtig, dit dient op het niveau van deelprojecten te worden getoetst (let op dat het vleermuisonderzoek dat ten grondslag ligt aan dit rapport onvoldoende is om op deelproject niveau uitspraken te doen over afwezigheid van vleermuizen). Een toename van verlichting kan in uitzonderlijke gevallen leiden tot het beschadigen van een verblijfplaats omdat het verblijf dan minder geschikt/aantrekkelijk wordt voor een vleermuis. Het is van belang om bij deelprojecten rekening te houden met een op vleermuizen aangepast verlichtingsplan dan wel een nadere toetsing uit te voeren. Het essentieel foerageergebied valt tevens onder de beschermingswerking van lid 4, omdat het samenhangt met de functionaliteit van verblijfplaatsen.

Negatieve effecten op het foerageergebied kunnen optreden bij een sterke toename van verlichting dan wel kap van groenstructuren. Beide zijn vooralsnog niet voorzien, zodat hier geen ontheffingsplicht van toepassing is. Projecten nabij deze locatie (zie figuur 4-2 voor de locatie van het essentieel foerageergebied) dienen het foerageergebied mee te nemen in de toetsing. 7.2 Effecten jaarrond beschermde broedvogels Huismus De huismus broedt met enkele broedparen bij woningen aan de Tuinbouwweg 1, 6 en 10. Aan de Kniplaan 2 zijn waarschijnlijk ook nesten aanwezig. Groenstructuren die van belang zijn liggen in de tuinen en erven. De voorgenomen bestemmingsplanwijziging heeft daarom geen negatieve effecten op de huismus. De te herontwikkelen glastuinbouwgebieden zijn niet van waarde voor de huismus, en het is onwaarschijnlijk dat bestaande woningen worden gesloopt. Indien in deelgebied 1 gesloopt wordt, dient getoetst te worden of verblijfplaatsen van de huismus verdwijnen. Deelgebied 2 is geheel ongeschikt voor de soort. Ransuil De ransuil broedt in het plangebied in deelgebied 2. Deelprojecten binnen 100 m van de nestlocatie moeten beoordeeld worden op mogelijk negatieve effecten op de soort. Aangezien de soort in een tuin bij een woning broedt, zijn direct negatieve effecten zoals het vernielen van het nest niet direct te verwachten.

Het is wel van belang dat er voldoende rust en beschutting blijft voor de ransuil. Behalve een nestplaats zijn geen andere essentiële onderdelen van het leefgebied aangetroffen. Er zijn geen winter roestplaatsen aangetroffen, en foerageergebied ligt waarschijnlijk in de weilanden rondom het gebied, waar geen bestemmingswijziging plaatsvindt. De bestemmingswijziging heeft dus geen mogelijke invloed of effecten op deze onderdelen van het leefgebied. De aanwezigheid van ransuil is daarom geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Bij deelprojecten is het wel van belang te toetsen of er voldoende rust rondom de nestlocatie van de soort behouden blijft. Boomvalk De boomvalk komt voor in het plangebied, maar een nestlocatie is niet vastgesteld. Het plangebied maakt wel deel uit van het leefgebied van de boomvalk. Essentiële onderdelen zijn echter niet aanwezig. Zodoende is de aanwezigheid van deze soort geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Omdat geen grootschalige groenstructuren kunnen worden aangetast (die zijn namelijk niet aanwezig in deelgebied 1 en 2 en kleine groengebiedjes vormen geen onderdeel van

Nader onderzoek diverse soort(groep)en t.b.v. bestemmingsplanwijziging Meeslouwerpolder Kenmerk: 20171556/rap02, versie 2, d.d. 6 december 2019

Blz. 21 van 25

de voorgenomen bestemmingswijzigingen), heeft het bestemmingsplan geen negatieve effecten op bijvoorbeeld foerageergebied. Gierzwaluw, kerkuil Het plangebied heeft geen functie voor de gierzwaluw en de kerkuil. Negatieve effecten zijn daarmee uitgesloten. Conclusie jaarrond beschermd broedvogels De gierzwaluw en kerkuil komen niet voor in het plangebied. De huismus komt voor bij enkele woningen, herontwikkeling van deze woningen kan daarbij leiden tot verlies van nestplaatsen maar dit is niet voorzien. De ransuil (nest) en de boomvalk (deel van het leefgebied wel), maar de bestemmingsplanwijziging tast het leefgebied van deze soorten niet direct aan. Per deelproject moet worden gekeken of dat een negatief effect heeft op de ransuil. Het leefgebied van de boomvalk komt niet onder druk te staan door de voorgenomen wijziging. Zodoende is de Wet natuurbescherming geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Een ontheffingsaanvraag is in dit stadium niet aan de orde. 7.3 Flora Er is geen beschermde flora aangetroffen. De Wet natuurbescherming is daarom ten aanzien van deze soortgroep geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 7.4 Rugstreeppad De rugstreeppad is niet aangetroffen in het plangebied. De Wet natuurbescherming is daarom ten aanzien van deze soort geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

7.5 Platte schijfhoren De platte schijfhoren is niet aangetroffen in het plangebied. De Wet natuurbescherming is daarom ten aanzien van deze soort geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Nader onderzoek diverse soort(groep)en t.b.v. bestemmingsplanwijziging Meeslouwerpolder Kenmerk: 20171556/rap02, versie 2, d.d. 6 december 2019

Blz. 22 van 25

8 CONCLUSIES Van september 2018 tot augustus 2019 heeft ATKB ecologisch onderzoek in het gebied Meeslouwerpolder te Leidschendam-Voorburg. Er is onderzoek uitgevoerd naar flora, vleermuizen (gebiedsfuncties), jaarrond beschermde broedvogels (huismus, gierzwaluw, ransuil, kerkuil, boomvalk), rugstreeppad en platte schijfhoren. Aangetroffen soorten Binnen het plangebied zijn beschermde functies van vleermuizen aanwezig. Er zijn één zomerverblijf en vijf paarverblijven/-territoria aanwezig en waarschijnlijk zijn er meer zomerverblijven aanwezig. Ook de functie overwintering is daarmee waarschijnlijk, maar het gaat dan alleen om kleinschalige verblijven voor een of enkele individuen. Tevens fungeren de ontsluitingswegen als vliegroutes. Aan de zuidkant van het gebied is een groene zone aanwezig met een kleine waterplas, dit betreft een essentieel foerageergebied. De ransuil heeft een nest in de achtertuin van een woning. De huismus is verspreid in deelgebied 1 aanwezig. De boomvalk heeft een deel van zijn territorium in het plangebied, maar een nestlocatie is niet vastgesteld. Beschermde flora, gierzwaluw, kerkuil, rugstreeppad en de platte schijfhoren zijn niet aangetroffen in het gebied. Effecten - Vleermuizen: bij deelprojecten kan er sprake zijn van doden van dieren, kan verstoring optreden en verblijfplaatsen kunnen worden beschadigd of vernield.

- Ransuil: het nest van de ransuil bevindt zich in een achtertuin. Projecten die binnen 100 m van het nest plaatsvinden moeten worden beoordeeld op mogelijk negatieve effecten door verstoring. - Huismus: bij deelprojecten in deelgebied 1 kan er sprake zijn van doden van dieren en verlies van verblijfplaatsen bij herontwikkeling van woningen. Bij herontwikkeling van glastuinbouw is dit onwaarschijnlijk, maar dit dient bij deelprojecten nader beoordeeld te worden. - Boomvalk: er treden geen negatieve effecten op de boomvalk op, omdat er geen nestlocatie in het plangebied is vastgesteld en er geen wijzigingen zijn voorzien aan groenstructuren (mogelijk foerageergebied). Mitigerende maatregelen Door het nemen van voorzorgsmaatregelen is het mogelijk om negatieve effecten (grotendeels) te voorkomen. De te nemen maatregelen binnen een project zijn afhankelijk van de soorten die mogelijk beïnvloedt worden. Een beknopt overzicht van mogelijk noodzakelijk maatregelen: Vleermuizen: - De werkzaamheden overdag uitvoeren; - of, indien dit niet mogelijk is, de verlichting gericht gebruiken en niet op groenstructuren langs de ontsluitingswegen richten en op het essentieel foerageergebied aan de zuidzijde van het plangebied.

Dit is van toepassing zowel tijdens de werkzaamheden als in de gebruiksfase; - het plaatsen van exclusion flaps waardoor de vleermuizen ten tijde van de werkzaamheden niet aanwezig kunnen zijn in de verblijfplaatsen; - Verblijfplaatsen die verloren gaan compenseren in de nieuwbouw. Ransuil: - Nadere analyse evt. effecten bij deelprojecten binnen 100 m van de nestlocatie. Huismus: - Werken buiten het broedseizoen; - Verblijfplaatsen die verloren gaan compenseren in de nieuwbouw. Ontheffing Het wijzigen van het bestemmingsplan heeft geen direct negatieve effecten op beschermde soorten. De ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt hebben niet direct een overlap met het leefgebied

Nader onderzoek diverse soort(groep)en t.b.v. bestemmingsplanwijziging Meeslouwerpolder Kenmerk: 20171556/rap02, versie 2, d.d. 6 december 2019

Blz. 23 van 25

van beschermde soorten. Het is echter op deelproject niveau wel nodig om een nadere effectanalyse (en mogelijk nader onderzoek) uit te voeren voor de mogelijke effecten op: - Vleermuizen (verblijfplaatsen, vliegroutes en essentieel foerageergebied) - Ransuil (deelgebied 2) - Huismus (deelgebied 1) Voor het wijzigen van het bestemmingplan is geen ontheffing op de Wet natuurbescherming benodigd. Mogelijk dat voor de uitvoering van deelprojecten een ontheffing wel aan de orde is. Uit het onderzoek is gebleken dat de (thans) voorgenomen ingrepen niet leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming en dat dus geen ontheffing nodig. Bij wijziging van de voorgenomen ingreep dient een hernieuwde toetsing plaats te vinden.

Nader onderzoek diverse soort(groep)en t.b.v. bestemmingsplanwijziging Meeslouwerpolder Kenmerk: 20171556/rap02, versie 2, d.d. 6 december 2019

Blz. 24 van 25

9 LITERATUUR Kennisdocument gewone dwergvleermuis, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. Kennisdocument ruige dwergvleermuis, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/kennisdocumenten-soorten-ontheffingenwetnatuurbescherming/ Quickscan Wet natuurbescherming. Opgesteld door de heer S. van Donselaar. ATKB rapportage met kenmerk 20171556/rap01, d.d. 14 maart 2018, Zoetermeer. Boesveld, A., A.W. Gmelig Meyling & I. van Lente, 2010. Verspreidingsonderzoek Mollusken van de Europese Habitatrichtlijn. Resultaten van het inventarisatiejaar 2009. Platte schijfhoren Anisus vorticulus. Stichting ANEMOON, Bennebroek.

Nader onderzoek diverse soort(groep)en t.b.v. bestemmingsplanwijziging Meeslouwerpolder Kenmerk: 20171556/rap02, versie 2, d.d. 6 december 2019

Blz. 25 van 25

ATKB kan u tevens van dienst zijn met:

ECOLOGIE

• Soortgericht onderzoek (o.a. vleermuizen, amfibieën, kleine marterachtigen)

BODEM

• Verkennend en nader bodemonderzoek • Partijkeuringen grond, baggerspecie en niet vormgegeven bouwstof

• Opstellen saneringsplannen en bestekken conventionele, in-situ landbodemsaneringen • Begeleiding en evaluatie van conventionele en in-situ landbodemsanering • (3D)-grondradaronderzoek • Arbitrage en juridisch advies bodemzaken • Civieltechnisch onderzoek naar asfalt, zand en klei • Coördinatie archeologisch onderzoek

Integrale dienstverlening

• Toetsingen aan natuurwetgeving • Ecologisch werkprotocol en begeleiding • Vegetatiekarteringen • Hydrobiologisch onderzoek • Waterplantenonderzoek en Ecoscans • Visstandbemonstering • Vismigratieonderzoek (vistelemetrie, pit-tag) • Actief Biologisch Beheer • Visserijmanagement • Visbeheerplannen • Schouw en kwaliteitsbeoordeling nieuwe natuur • SNL-monitoring en gebiedsanalyses

WATER&RUIMTE

•M  onitoring grondwater/oppervlaktewater

(meetstrategie, inrichting/beheer meetnet, kwaliteit & kwantiteit) • Waterbodemonderzoek (NEN 5717, NEN 5720) • Kwantitatief waterbodemonderzoek • V oorbereiding en begeleiding van baggerwerken, inclusief waterbodemsaneringen • Baggerplan en werkplan • Bemalingsadvies • Ondersteuning en advies bij (stedelijk) waterbeheer • O ndersteuning en advies bij wettelijke procedures, inclusief vergunningen en meldingen

• Asbestinventarisatie gebouwen en objecten • Risicobeoordeling asbest in gebouwen NEN2991 • Opstellen en onderhouden asbestbeheersplan • Begeleiding, directievoering, saneringsonderzoek bij asbestverwijdering • Bewijsmateriaal duurzaamheidscertificering onder BREEAM-NL (diverse milieukundige credits onder Nieuwbouw en renovatie, In Use, Gebiedsontwikkeling en Sloop) • Beleidsondersteuning • Beleidsstudies, beheerplannen en adviezen • Second opinions • Monitoring en nazorg • Directievoering & toezicht • Uitvoeringsbegeleiding • Coördinatie • Detachering

ATKB Assen Weiersloop 9 9401 DZ Assen

ATKB Middelharnis Prins Bernhardlaan 147 3241 TA Middelharnis

ATKB Waardenburg Koeweistraat 7 4181 CD Waardenburg

ATKB Zoetermeer Baron de Coubertinlaan 3 2719 EN Zoetermeer

T 088 11 53 200 www.at-kb.nl info@at-kb.nl

BIJLAGE 1

NOTITIE GEBIEDENBESCHERMING Meeslouwerpolder te Leidschendam-Voorburg

Auteur : Esther Schiedon (ATKB) Vrijgave : Pim Godschalk (ATKB)

Kenmerk: Versie: Datum:

20171556/not01 1 5 september 2019

1 PLANVOORNEMEN Aanleiding De gemeente Leidschendam-Voorburg is bezig met de voorbereidingen van een planologische procedure voor het glastuinbouwgebied Meeslouwerpolder. Het voornemen is om middels een bestemmingsplanwijziging de mogelijkheid te bieden aan tuinders om hun bedrijf te saneren, in ruil voor woningbouw. Hierbij kunnen sloopwerk en mogelijk herverkaveling plaatsvinden. De vrijgekomen grond zal bestemd worden voor woningbouw. Om dit mogelijk te maken is een bestemmingsplanwijziging nodig. De omliggende polder maakt tevens onderdeel uit van het bestemmingsgebied, maar blijft in gebruik als polder. Er is geen toename in bebouwd gebied voorzien. Het gaat alleen om een functiewijziging van bestaande verharde en bebouwde gebieden. Beschrijving bestemmingsgebied Binnen het bestemmingsgebied (zie figuur 1) zijn vier deelgebieden onderscheiden.

Figuur 1. Ligging plangebied en indeling deelgebieden. Bron ondergrond: Google Maps.

1. Tuinbouwweg Binnen dit deelgebied zijn voornamelijk glastuinbouw, woningen, bedrijfspanden en schuren aanwezig. Ook ligt er één boerderij. 2. Veilingweg/Huyssitterweg Dit deelgebied is centraal gelegen binnen het plangebied, door het gebied lopen de Veilingweg en Huyssiterweg. Binnen de grenzen zijn voornamelijk glastuinbouw, woningen, bedrijfspanden en schuren aanwezig. 3. Polder noordoost Dit deelgebied omvat alle weilanden aan de noordoostzijde van het plangebied. 4. Polder zuidwest Dit deelgebied omvat alle weilanden aan de zuidwestzijde van het plangebied; er is ook een boerderij met paardenren aanwezig. De vegetatie in deelgebieden 3 en 4 bestaat hoofdzakelijk uit een zeer monotone grasbegroeiing; er zijn vrijwel geen kruiden aanwezig. Langs de watergangen zijn zeer beperkt oeverplanten als gele lis, rietgras en mogelijk zwanenbloem aanwezig. Enkele percelen in deelgebied 3 worden beweid met schapen; in deelgebied 4 worden de meeste percelen beweid met schapen of paarden. De poldersloten zijn vrij smal en recht, hebben weinig doorzicht en steile oevers. De wetering waar de smalle sloten op uitkomen is een stuk breder (4 meter) en dieper.

2 IMPLICATIES GEBIEDENBESCHERMING In het kader van het planvoornemen is reeds een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (ATKB-rapport, kenmerk: 20171556/rap01, d.d. 14 maart 2018). Ten aanzien van de gebiedenbescherming is hierbij het volgende geconcludeerd: -

Het is noodzakelijk om te toetsen aan de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebied De Wilck (een voortoets). Dit aangezien de aangewezen niet-broedvogels van Natura 2000-gebied De Wilck (op circa 6 kilometer van het plangebied) binnen het plangebied kunnen foerageren en/of rusten;

-

Het is noodzakelijk om te toetsen op eventuele effecten op belangrijke weidevogelgebieden. Binnen de grenzen van het plangebied is belangrijk weidevogelgebied aanwezig. Directe effecten op dit gebied zijn uitgesloten, omdat deze delen niet betrokken worden in de toekomstige ontwikkeling. Ze blijven dus onaangetast. Indirecte effecten als gevolg van verstoring zijn niet met zekerheid op voorhand uit te sluiten.

Het is niet noodzakelijk om te toetsen aan effecten op het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dit aangezien het plangebied buiten de grenzen van het NNN is gelegen en het NNN in de provincie Zuid-Holland geen externe werking kent. In deze notitie wordt de bestemmingswijziging getoetst aan de doelstellingen van het Natura 2000gebied De Wilck (hoofdstuk 3) en wordt getoetst aan het belangrijk weidevogelgebied (H4). Overigens wordt in deze notitie niet getoetst aan eventuele effecten van stikstofuitstoot. Dit is niet mogelijk omdat er nog geen concrete ontwikkelingen bekend zijn. Dit zal per ontwikkeling daarom separaat moeten worden getoetst conform het op dat moment geldende juridische kader.

3 VOORTOETS N2000-GEBIED DE WILCK Achtergrond In de nabijheid van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied de Wilck (zie figuur 2). De afstand tussen het gebied Meeslouwerpolder en dit N2000-gebied is circa 6 km. Het gebied is aangewezen in het kader van de Vogelrichtlijn en heeft doelstellingen voor de kleine zwaan en smient. De voortoets is bedoeld als nadere analyse om te bepalen of het planvoornemen mogelijk negatieve effecten heeft op de doelstellingen in dit gebied.

Figuur 2. Ligging plangebied (rood omlijnd, bij benadering weergegeven) ten opzichte van Natura 2000gebied De Wilck (geel gearceerd). Bron ondergrond: https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapsgebied.aspx?id=n2k102&groep=9.

Beschrijving De Wilck Het gebied De Wilck is een veenweidegebied, bestaande uit vochtige en natte graslanden. Natura 2000-waarden De Wilck is als Vogelrichtlijngebied aangewezen vanwege de kleine zwaan. De soort broedt in NoordRusland en volgt tijdens de trek een route via een reeks van meren. Wanneer de soort in oktober in Nederland verschijnt, verspreidt ze zich eerst over Noord-Nederland (Lauwersmeer) en vervolgens over de randmeren. Daarna trekken de kleine zwanen naar foerageergebieden in Noord-Nederland, de Flevopolders, Zeeland en Zuid-Holland. Vervolgens vindt vaak een beweging plaats in de richting van het rivierengebied, veelal gecombineerd met wegtrek naar de Britse Eilanden. In maart zijn de meeste kleine zwanen weer verdwenen. In De Wilck verbleven tot voor enkele jaren in de winter geregeld tot enige honderden individuen van deze schaarse Arctische broedvogel. Deze foerageerden en rustten in het gebied en zochten ook in de omgeving van De Wilck naar voedsel. Tegenwoordig is het aantal kleine zwanen in De Wilck gedaald tot hoogstens enkele tientallen. De afname van het aantal kleine zwanen doet zich in heel Nederland voor en heeft te maken met een verminderd broedsucces in de noordelijke streken. (bron: gebiedendatabase Alterra)

De betekenis van het Natura 2000-gebied voor andere doortrekkers en wintergasten neemt de laatste jaren juist sterk toe. Zo verblijven er in de winter duizenden smienten. De smient is, evenals de kleine zwaan, binnen De Wilck aangewezen. (bron: gebiedendatabase Alterra) De doelstellingen voor de kleine zwaan en smient zijn als volgt: A037 Kleine zwaan Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van Doel: gemiddeld 10 vogels (seizoensgemiddelde) voor het foerageergebied en gemiddeld 160 vogels (seizoensmaximum) voor het gebied als slaapplaats. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. Aantallen fluctueren sterk en er is geen duidelijke trend. Handhaving van de huidige Toelichting situatie is voldoende ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding, omdat het landelijke aantalsverloop vooral door omstandigheden in de broedgebieden wordt gestuurd. A050 Smient Doel:

Toelichting

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 2.100 vogels (seizoensgemiddelde). Het gebied heeft voor de smient met name een functie als slaapplaats en als foerageergebied. Sinds de jaren tachtig zijn de aantallen sterk toegenomen. Handhaving van de huidige situatie is voldoende, want de landelijke staat van instandhouding is gunstig.

Overige natuurwaarden In de trektijd verblijven duizenden kieviten en goudplevieren in De Wilck. Door het open grasland karakter, de kruidenrijkdom en de hoge waterstand is het gebied in het voorjaar zeer aantrekkelijk voor broedende weidevogels. Talrijk zijn de grutto, tureluur, scholekster en kievit. Daarnaast broeden er veel eenden, waaronder slobeend, krakeend en zomertaling. De drastische afname in aantallen weidevogels lijkt vooralsnog aan De Wilck voorbij te gaan. Zo gaat het met de populatie van de grutto in het gebied goed (de populatie is redelijk stabiel met ongeveer 70 broedparen per jaar), terwijl deze soort als broedvogel in heel Nederland met zo'n 30 % is afgenomen. (bron: gebiedendatabase Alterra) Potentiële functie plangebied voor Natura 2000-waarden In de quickscanrapportage is aangegeven dat deelgebied 3 en 4 van het plangebied mogelijk van belang kunnen zijn als foerageer- en/of rustgebied voor (binnen De Wilck aangewezen) kleine zwaan en smient. Eventuele verstoring van foeragerende en/of rustende vogels als gevolg van het voornemen kan middels externe werking invloed hebben op de instandhoudingsdoelstellingen. Uit de doelstellingen voor de kleine zwaan blijkt dat de draagkracht van De Wilck voor het aantal rustende/slapende dieren groter is dan de draagkracht voor het aantal foeragerende dieren.

Hieruit blijkt dat de kleine zwanen (die binnen De Wilck rusten/slapen) grotendeels buiten De Wilck foerageren. Voor smienten is een dergelijke conclusie op basis van de geformuleerde doelstellingen niet direct te trekken. Het is echter zeer aannemelijk dat ook smienten gebruikmaken van de omgeving van De Wilck. Over het algemeen kan gesteld worden dat veel niet-broedvogels uit Natura 2000-gebieden buiten Natura 2000-gebieden foerageren (en in mindere mate, rusten/slapen). Uit de literatuur is bekend dat de maximale foerageerafstand voor de kleine zwaan en smient (buiten het broedseizoen) respectievelijk 12 en 11 kilometer betreft (bron: Van der Vliet et al.). Het plangebied is (met een afstand van circa 6 kilometer van De Wilck) binnen de maximale foerageerafstanden van de kleine zwaan en smient gelegen. Anderzijds kan op basis van de maximale foerageerafstanden natuurlijk tevens worden geconcludeerd dat vogels die in De Wilck foerageren in de omgeving (bijvoorbeeld binnen of nabij het plangebied) kunnen slapen/rusten.

Verspreidingsgegevens kleine zwaan & smient Verspreiding kleine zwanen Raadpleging van de NDFF1 (Nationale Databank Flora en Fauna) toont dat binnen het plangebied in de afgelopen drie jaar geen waarnemingen van de kleine zwaan zijn gedaan. In Vogelplas Starrevaart zijn in de herfst en winter wel diverse waarnemingen van kleine zwanen ingevoerd (waarnemingen van enkele tot tientallen dieren). Deze vogelplas bevindt zich aan de overzijde (noordzijde) van de A4. Blijkens oude telgegevens fungeert Vogelplas Starrevaart voor de kleine zwaan als overnachtingsgebied. De vogels arriveren doorgaans ver na zonsondergang; het vertrek is vervolgens veelal tot twee uur na zonsopgang (bron: website Vogelwerkgroep Vlietland - Wintervogeltellingen in Zuid-Holland 1987/88, 1988/89 en 1989/90, K. Mostert, R. ter Horst, A. van Heerden, 1991). Het late vertrek in de ochtend tezamen met het feit dat de Vogelplas is gericht op het bekijken van vogels (o.a. met uitkijktoren) verklaart dat de rustende kleine zwanen op deze plas veelvuldig zijn ingevoerd in de NDFF. Overdag foerageren kleine zwanen in het uitgestrekte poldergebied (bron: website Vogelwerkgroep Vlietland - Waarnemingen van Kleine Zwanen in de polders rond Zoeterwoude (ZH) in de winter van 1993/'94, Jaap van der Linden).

In het polderlandschap rondom het plangebied (aan de zuidzijde van de A4) zijn wel enkele waarnemingen van kleine zwanen ingevoerd. Het gaat hierbij om enkele kleine zwanen op (veelal) enkele honderden meters afstand van het plangebied. Aangezien kleine zwanen overdag foerageren en zodoende niet onopgemerkt zullen blijven, wordt verwacht dat de telgegevens uit de NDFF ten aanzien van foeragerende kleine zwanen goed bruikbaar zijn. Verspreiding smienten Raadpleging van de NDFF1 toont dat smienten de afgelopen 3 jaar slechts één keer binnen het plangebied zijn ingevoerd. Het gaat hierbij om een waarneming van 16 smienten in deelgebied polder noordoost. Alle overige waarnemingen van smienten concentreerden zich in Vogelplas Starrevaart en gedeeltelijk in recreatiegebied Vlietland. Het gaat hierbij om waarnemingen van enkele tientallen tot duizenden smienten. Deze beide gebieden bevinden zich aan de overzijde (noordzijde) van de A4. Blijkens oude telgegevens fungeert Vogelplas Starrevaart voor de smient als rustgebied. In tegenstelling tot de kleine zwaan is de smient overdag aan het rusten, het verenkleed aan het verzorgen en aan het baltsen. (bron: website Vogelwerkgroep Vlietland - Jack Boogmans. Kosteneffectiviteitsonderzoek van verzamelplaats inventarisaties van Smienten ten behoeve van biologische meetnetten.

Verslag van een doctoraalonderzoek bij milieubiologie, Rijksuniversiteit Leiden, 1988) Foerageren doen de smienten ’s nachts in het omliggende polderlandschap. In het polderlandschap rondom het plangebied (aan de zuidzijde van de A4) zijn enkele waarnemingen van smienten ingevoerd. Het gaat hierbij om enkele tot honderden smienten op minimaal 600 meter afstand van het plangebied. De grootste aantallen zijn geteld in/rond het belangrijk weidevogelgebied ten oosten van het plangebied (op minimaal 1 kilometer afstand van het plangebied); dit betroffen met name waarnemingen van pleisterende/rustende smienten. De verwachting is echter dat de telgegevens uit de NDFF (als gevolg van het nachtelijke foerageren van de smienten) geen goed beeld geven van de foeragerende smienten, maar enkel van rustende smienten. Nadere analyse foerageergebied smient Het is goed mogelijk dat de smienten uit De Wilck in de nacht de polder binnen/nabij het plangebied in gaan om te foerageren. Aangezien nachtelijke tellingen van smienten niet voorhanden zijn, is de aanwezigheid van foerageergebied van de smient binnen/nabij het plangebied middels een nadere geschiktheidsanalyse in beeld gebracht. Hierbij is allereerst bekeken welke eisen smienten stellen aan het foerageergebied: Eisen foerageergebied smient Smienten zijn zeer kieskeurig bij de selectie van foerageergebieden.

Smienten selecteren vochtige graslanden met open water in de directe omgeving als foerageergebied. Hierbij hebben ze een voorkeur voor kort gras (circa 2-3 cm); gras van meer dan 6 cm werd in onderzoek in de Zaanstreek 1 Raadpleging op 1 juli 2019. Waarnemingen tot 3 jaar terug in een straal van 3 kilometer rond het plangebied.

niet begraasd. Graslanden met relatief zachte grassoorten als Poa trivialis (Ruw beemdgras), Alopecurus geniculatus (Geknikte Vossenstaart) en Agrostis stolonifera (Fioringras) hebben de voorkeur boven die met Lolium perenne (het veel voorkomende Engels raaigras) en Poa annua (Straatgras). Overigens geldt voor kleine zwanen juist dat graslanden met het eiwitrijke Engelse raaigras de voorkeur hebben. De smient lijkt daarnaast een voorkeur te hebben voor open landschapstypen. In de overwinteringsgebieden foerageren smienten vrijwel altijd in open landschappen. In deze landschappen komen grote concentraties voor bij een combinatie van open water, geschikte foerageerterreinen en weinig verstoring. Smienten hebben in binnendijkse gebieden een voorkeur voor laaggelegen vochtige graslanden. De voorkeur gaat daarnaast uit naar een polder met een netwerk van watergangen of sloten van minimaal 3 meter breed, zodat er voldoende water beschikbaar is om te drinken en om veiligheid te bieden bij verstoring. (bron: Kleyheeg & Van den Bremer, 2018) Geschiktheid polderlandschap binnen/nabij het plangebied Het gebied tot 1 kilometer2 rond het plangebied wordt beoordeeld op geschiktheid als foerageergebied voor de smient.

Op basis van het veldbezoek van 8 augustus 2018 wordt geconcludeerd dat het polderlandschap binnen het projectgebied slechts matig geschikt foerageergebied voor de smient vormt. Er wordt onderscheidt gemaakt tussen het gedeelte wat onderdeel uitmaakt van belangrijk weidevogelgebied en de overige agrarische graslanden (zie figuur 4 voor de ligging van het belangrijk weidevogelgebied). Belangrijk weidevogelgebied binnen het plangebied Het gras staat hier vrij hoog (hoger dan 6 cm) (zie figuur 3, foto links) en bestaat het uit de soorten kweek (een redelijke harde grassoort) en gestreepte witbol (een zachte grassoort). Verder is sprake van storingskruiden als ridderzuring en perzikkruid. De watergangen zijn betrekkelijk smal (max. 3 meter) en dichtgegroeid; er is dus vrijwel geen open water aanwezig om naar toe te vluchten bij gevaar/verstoring (figuur 3, foto rechts). Er zit een hoogteverschil van ca. 50 cm tussen de hoogste en laagste percelen in het weidevogelgrasland. De laagste delen zijn redelijk vochtig (grondwaterstand ca. 10-20 cm onder maaiveld) en de hoogste delen vrij droog (grondwaterstand ca. 60-70 cm onder maaiveld). Overige agrarische graslanden binnen het plangebied De overige graslanden in het plangebied bestonden veelal uit één grassoort zonder kruiden. Ten tijde van het veldbezoek was het gras net gemaaid en daardoor niet op naam te brengen.

Naar verwachting betreft het echter het voedergras Engels raaigras. De maaiveldhoogte varieert ook in dit gedeelte, maar er zijn minder vochtige delen dat in het weidevogelstuk.

Figuur 3. Impressie van het poldergebied binnen het plangebied op 8 augustus 2019.

2 Dit is gebaseerd op de maximale verstoringsafstand van de smient (bron: Krijgsveld et al., 2008).

Omgeving plangebied Ten oosten van de Meeslouwerpolder ligt de Westeindepolder (op circa 1 kilometer afstand van het plangebied). Deze polder heeft meer grotere poldersloten (> 3 m) en wordt deels reeds beheerd als weidevogelreservaat. Binnen dit gebied zijn overdag meermaals honderden pleisterende smienten geteld. De agrarische graslanden ten westen en zuiden zijn evenals het plangebied minder geschikt als foerageergebied doordat er vooral smalle watergangen zijn. Daarnaast zijn deze graslanden veelal ingezaaid met Engels raaigras. Effectenanalyse Effectenindicator De effectenindicator ‘Natura 2000 – ecologische randvoorwaarden en storende factoren’ is een hulpmiddel bij activiteiten in of nabij Natura 2000-gebieden. De effectenindicator is een instrument waarmee mogelijke schadelijke effecten ten gevolge van de activiteit en plannen kunnen worden verkend. De effectenindicator geeft informatie over de gevoeligheid van soorten en habitattypen voor de meest voorkomende storende factoren. Gebruik van de effectenindicator voor Natura 2000-gebied ‘De Wilck’ met activiteit ‘woningbouw’ leidt tot de volgende output:

Uit de effectenindicator blijkt dat de kleine zwaan en smient gevoelig zijn voor enkele van de verstoringseffecten die bij woningbouw (kunnen) optreden, namelijk: verontreiniging, licht en verstoring door mechanische effecten. Er is geen sprake van een sterke gevoeligheid voor verstoringseffecten. In lijn hiermee is de smient in de rapportage van Krijgsveld et al. (2008) als een soort met een gemiddelde verstoringsgevoeligheid beschreven. Hierbij worden graslanden als habitats met een gemiddelde verstoringsgevoeligheid aangeduid, terwijl grote wateren een grote verstoringsgevoeligheid hebben. Voor de kleine zwaan zijn in Krijgsveld et al. (2008) geen verstoringsgevoeligheden opgenomen.

Rustgebied kleine zwaan en smient Aan de noordzijde van de A4 bevindt zich Vogelplas Starrevaart; hier rusten grote aantallen smienten en (in mindere mate) kleine zwanen. Door de tussenliggende 6-baans snelweg (welke fungeert als barrière voor verstoringseffecten als gevolg van de woningbouw) worden effecten op rustende kleine zwanen en smienten in de Vogelplas Starrevaart (e.o.) uitgesloten. Overige rustgebieden voor concentraties van kleine zwanen en smienten zijn in de omgeving van het plangebied (tot 1 kilometer afstand) niet aanwezig. Foerageergebied kleine zwaan Het polderlandschap met (overwegend) Engels raaigras (nabij het plangebied en naar verwachting ook binnen het plangebied3) is geschikt als foerageergebied voor de kleine zwaan; deze zijn in lage aantallen ook enkele keren op korte afstand (enkele tot honderden meters) van het plangebied waargenomen. Verstoring van het polderlandschap binnen/nabij het plangebied (als gevolg van de bouw van de woningen, maar tevens als gevolg van de toename in menselijke activiteit in de gebruikersfase, zoals spelende kinderen, autoverkeer e.d.) heeft echter zeker geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor kleine zwanen tot gevolg. Dit aangezien de aantallen kleine zwanen die foeragerend zijn waargenomen slechts beperkt zijn en kleine zwanen niet erg gevoelig zijn voor verstoring.

Er blijft daarnaast in de wijde omgeving meer dan voldoende geschikt foerageergebied over om (tezamen met het foerageergebied in De Wilck) een populatie van 160 kleine zwanen (zie doelstelling De Wilck) te dragen. Overigens wordt het landelijke aantalsverloop van de kleine zwaan vooral door omstandigheden in de broedgebieden gestuurd; de relatief beperkte tijdelijke afname van beschikbaar foerageergebied (die kan optreden rondom het plangebied tijdens een herontwikkeling) heeft zodoende sowieso geen gevolgen voor de aantalsontwikkeling van de kleine zwaan. Foerageergebied smient Het polderlandschap binnen en nabij het plangebied is voor de smienten slechts matig geschikt als foerageergebied. Dit heeft o.a. te maken met de nabijgelegen bebouwing, de overwegend hardere grassoorten op de graslandpercelen4 en het systeem met smalle sloten. De verwachting is dan ook dat smienten niet tot nauwelijks van het polderlandschap binnen/nabij het plangebied gebruikmaken. Verstoring van het polderlandschap binnen/nabij het plangebied (als gevolg van de bouw van de woningen, maar tevens als gevolg van de toename in menselijke activiteit in de gebruikersfase) heeft mogelijk wel enige verstoring van enkele smientexemplaren tot gevolg, maar leidt zeker niet tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen.

Er blijft in de wijde omgeving meer dan voldoende geschikt(er) foerageergebied voorhanden (tezamen met het foerageergebied in De Wilck) om een populatie van 2.100 smienten (zie doelstelling De Wilck) te dragen. Een voorbeeld van een ander geschikt foerageergebied voor smienten buiten De Wilck vormt de Westeinderpolder, ten oosten van het plangebied. Conclusie Het planvoornemen heeft geen (significant) negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van de kleine zwaan en smient tot gevolg. Er is daarom vanuit het onderdeel gebiedenbescherming van de Wet natuurbescherming (Hoofdstuk 2 Wet natuurbescherming) geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het nieuwe bestemmingsplan. Een vergunningaanvraag is niet noodzakelijk 5.

De aanwezigheid van Engels raaigras binnen het plangebied (de ‘overige agrarische percelen’ binnen het plangebied) kon tijdens het veldbezoek van 8 augustus niet worden bevestigd, aangezien het gras op de agrarische percelen zeer kort was gemaaid; 4 Er is overwegend sprake van hardere grassoorten als Engels raaigras en kweek. Uitzondering hierop vormt de aanwezigheid van gestreepte witbol in het weidevogelgrasland binnen het plangebied. 5 Eventuele effecten door stikstofdepositie zijn niet beoordeeld, zie ook hoofdstuk 2 3

4 TOETSING BELANGRIJK WEIDEVOGELGEBIED DE WILCK Achtergrond Binnen de grenzen van het plangebied is een oppervlak aangewezen als belangrijk weidevogelgebied (zie figuur 4). De toetsing is bedoeld als nadere analyse om te bepalen of het planvoornemen mogelijk negatieve effecten heeft op de wezenlijke kenmerken en waarden van het belangrijk weidevogelgebied. De provincie Zuid-Holland is één van de provincies met de hoogste weidevogeldichtheden. Dit betekent dat de provincie Zuid-Holland een bijzondere verantwoordelijkheid heeft voor de instandhouding van deze populatie. Zodoende zijn belangrijke weidevogelgebieden aangewezen. Dit zijn gebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland, met een specifieke maatschappelijke verantwoordelijkheid voor karakteristieke en kwetsbare vogels. Deze gebieden worden beschermd middels de Visie Ruimte en Milieu, waardoor de beleidsregel compensatie natuur, recreatie en landschap Zuid-Holland van toepassing is. Binnen belangrijke weidevogelgebieden dient de functie voor weidevogels beschermd te worden. Deze gebieden zijn zodanig aangeduid op grond van de hoge weidevogeldichtheid die daar nu aanwezig is of in het recente verleden aanwezig was.

Figuur 4. Belangrijke weidevogelgebieden (groen) in omgeving plangebied (rood) (bron: Natuurbeheerplan 2018 op provinciale Geoviewer).

Beschrijving weidevogelgebied De wezenlijke kenmerken en waarden van het belangrijk weidevogelgebied zijn de hoge weidevogeldichtheden alsmede de factoren die deze dichtheden bepalen, zoals het agrarisch (grasland)gebruik, de waterhuishouding, de landschapsstructuur, openheid en rust. Uit onderzoek blijkt dat weidevogels pas gedijen als aan álle factoren aandacht wordt geschonken en de gebieden groot genoeg zijn. In de huidige situatie is binnen het belangrijk weidevogelgebied binnen het plangebied sprake van een redelijk kruidenrijk en gevarieerd grasland. De dominante grassoorten zijn kweek en gestreepte witbol. De meest zuidelijke delen zijn vrij vochtig (10-20 cm -mv), maar richting de A4 stijgt de maaiveldhoogte en is het grasland droger. De oevers van de watergangen zijn rijk begroeid met

helofyten. Door de aanwezigheid van kassen is de openheid beperkt en als gevolg van de nabijgelegen A4 is reeds sprake van verstoring. Op basis van bovenstaande beschrijving wordt geconcludeerd dat de omstandigheden voor weidevogels niet optimaal zijn, maar dat met name de zuidelijkere delen van het weidevogelgebied (als gevolg van de vochtigere omstandigheden en grotere afstand tot verstoringsbronnen) wel enige potentie bieden voor weidevogels. Verspreidingsgegevens weidevogels Raadpleging van de NDFF6 toont dat binnen het belangrijk weidevogelgebied (dat binnen het bestemmingsgebied is gelegen) in de afgelopen 5 jaar geen waarnemingen van weidevogels bekend zijn. Binnen het belangrijk weidvogelgebied blijkt geen sprake te zijn van een BMP-telvlak met toegankelijke gegevens. Wel is door de provincie Zuid-Holland in 2015 een nulmeting in het kader van Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer binnen het plangebied uitgevoerd (Van der Goes en Groot, kenmerk: 2015-20, d.d. 21 maart 2016). Het plangebied maakt in de nulmeting uit 2015 onderdeel uit van het telgebied Haaglanden. Raadpleging van de telgegevens toont dat er in 2015 geheel geen weidevogels binnen het plangebied zijn aangetroffen. Tevens zijn telgegevens van een nabijgelegen telvak van Sovon ingezien (zie figuur 5).

Op basis van de telgegevens van Sovon (2015) is het aantal broedende weidevogels per hectare in het telgebied van Sovon berekend (zie tabel 1). Met deze gegevens ontstaat een algemene indicatie van de dichtheid per soort per hectare. Overigens is het telvlak van Sovon in de provincie Zuid-Holland niet aangewezen als belangrijk weidevogelgebied.

Figuur 5. Telvlak Sovon.

6 Raadpleging op 8 juli 2019. Waarnemingen tot 5 jaar terug.

Tabel 1. Telgegevens BMP-telling Sovon in 2015. Soorten Aantal broedterritoria in 2015 Grutto 30 Kemphaan 0 Kievit 82 Scholekster 15 Slobeend 8 Tureluur 15 Veldleeuwerik 0 Watersnip 0 Zomertaling 0

Oppervlak (in ha)

48

Dichtheid (#/ha) 0,63 0 1,7 0,3 0,2 0,31 0 0 0

Uit de telgegevens (zie tabel 1) blijkt dat binnen het Sovon-telvlak met name kieviten en grutto’s worden gezien. Een opvallend verschil tussen het plangebied (waar geen weidevogels zijn geteld in 2015) en het oostelijk gelegen Sovon-telvlak is de aanwezigheid van vochtigere percelen en een uitgebreid slotensysteem (met sloten breder dan 3 meter) binnen het Sovon-telvlak. Huidige verstoring belangrijk weidevogelgebied binnen plangebied Ondanks dat tijdens de nulmeting in 2015 geen weidevogels binnen het aangewezen belangrijk weidevogelgebied binnen het plangebied zijn geteld, wordt in onderstaande paragrafen kort ingegaan op de huidige verstoring en toekomstige verstoring van het plangebied. Dit om het gevolg van het planvoornemen voor eventuele (toekomstige) weidevogels binnen het plangebied te kunnen onderbouwen. Het weidevogelgebied grenst aan de A4. Dit zorgt momenteel voor verstoring door geluid, licht en verkeersbewegingen. Voor verstoring door wegverkeer stelt de Commissie voor de m.e.r. in 2012 dat bij snelwegen (> 10.000 mvt/etmaal) een verstoringsafstand van 500 -750 meter moet worden gehanteerd. Deze verstoringsafstand is gebaseerd op de verstoring door licht, geluid en optische verstoring tezamen. Dit betekent dat de verstoring als gevolg van de ligging aan de A4 het gehele aangewezen weidevogelgebied beïnvloed.

Ook opgaande elementen in de omgeving van het weidevogelgebied (bomen en bebouwing) zorgen voor verstoring. In onderzoek van Veer (2008) zijn verstoringsafstanden van weidevogels voor gebouwen en bomen opgenomen. Deze bedragen respectievelijk 175 en 250 meter. Uit de uitgevoerde quickscan en Google maps-beelden blijkt dat in de huidige situatie in de omgeving van het weidevogelgebied reeds bomen en bebouwing binnen de gehanteerde verstoringsafstanden aanwezig zijn. Een potentieel belangrijke verstoringsbron voor de weidevogels vormt camping en bootverhuurbedrijf De Merenburger, circa 100 meter ten noordwesten van het belangrijk weidevogelgebied. Conclusie verstoring in huidige situatie In de huidige situatie is sprake van een aanzienlijke mate van verstoring van het belangrijk weidevogelgebied binnen het plangebied. Toekomstige verstoring belangrijk weidevogelgebied Aanlegfase Toegangswegen richting het te bebouwen plangebied lopen vanaf de zuidelijk gelegen Doctor van Noorstraat (buiten het zicht van eventuele weidevogels binnen het belangrijk weidevogelgebied). Zodoende wordt geen extra verstoring als gevolg van bouwverkeer verwacht. De inzet van bouwwerktuigen op de locatie kan leiden tot verstoring van weidevogels.

Bij een hoge mate van geluidsproductie tijdens de bouw (de heiwerkzaamheden zijn hierbij kaderstellend) kunnen eventuele broedende weidevogels in belangrijk weidevogelgebied binnen en nabij het plangebied tijdens de aanleg worden verstoord. Daarbij moet wel worden aangemerkt dat er op dit moment geen weidevogels lijken te broeden in het belangrijk weidevogelgebied.

Gebruikersfase In de toekomst blijft de hoeveelheid bebouwd oppervlak gelijk; de polder blijft behouden. Er is zodoende geen sprake van een toename aan opgaande elementen die een toename in de verstoring van weidevogels kunnen veroorzaken. Toegangswegen richting de toekomstige woningen lopen vanaf de zuidelijk gelegen Doctor van Noortstraat (buiten het zicht van eventuele weidevogels binnen het belangrijk weidevogelgebied). Zodoende wordt geen extra verstoring als gevolg van verkeer van en naar de toekomstige woonwijk verwacht. Door de geplande woningbouw dient rekening te worden gehouden met een eventuele toename van wandelaars in de omgeving van het weidevogelgebied. Dit zal met name gaan om bewoners die hun hond uitlaten. Een analyse van het huidige aanbod aan wegen en wandelpaden toont dat er momenteel geen mogelijkheden zijn om te wandelen binnen of nabij het belangrijk weidevogelgebied. Polder Noordoost (waarbinnen het belangrijk weidevogelgebied is gelegen) is niet toegankelijk voor derden; om deze polder te betreden dient men over het grondeigendom van agrariërs te gaan. De gewijzigde bestemming van de percelen waar nu glastuinbouw is gevestigd, zal geen toename als gevolg van recreërende bewoners of bewoners die de hond uitlaten teweeg brengen. Conclusie verstoring in toekomstige situatie In de aanlegfase kan verstoring van broedende weidevogels optreden.

In de toekomstige eindsituatie is geen toename in de verstoring van broedende weidevogels voorzien. Conclusie: aantasting belangrijk weidevogelgebied? Het aangewezen belangrijk weidevogelgebied blijft behouden als polderlandschap; directe effecten dan wel blijvende effecten zijn zodoende uitgesloten. In de huidige situatie is reeds sprake van een flinke mate van verstoring van het belangrijk weidevogelgebied. Dit als gevolg van de glastuinbouw, de snelweg A4 en De Merenburger. Dit kan ook verklaren waarom er in 2015 geen weidevogels als broedvogel zijn waargenomen. In de toekomstige situatie wordt enkel in de aanlegfase een (tijdelijke) toename van verstoring voorzien. Met name de heiwerkzaamheden zijn hierbij van belang. Door de heiwerkzaamheden buiten het broedseizoen van weidevogels (half maart t/m juni) uit te voeren, kan worden uitgesloten dat (indien zich toch enkele broedende weidevogels binnen het belangrijk weidevogelgebied vestigen) sprake is van een tijdelijke verstoring van het weidevogelgebied. Deze beperking hoeft niet te gelden als uit aanvullende tellingen blijkt dat er (nog steeds) geen weidevogels in het gebiedje broeden. Opgemerkt wordt dat een tussentijdse vestiging van weidevogels binnen het plangebied niet direct wordt voorzien.

Vermoedelijk zullen weidevogels bij voorkeur broeden binnen het weidevogelgebied ten oosten van het plangebied (op circa 1 kilometer afstand); hier is sprake van vochtiger percelen en een uitgebreider slotensysteem. Tevens vindt hier gedeeltelijk reeds weidevogelbeheer plaats. Gezien de afstand tot het oostelijke weidevogelgebied worden effecten op dit (reeds in gebruik zijnde) weidevogelgebied als gevolg van het planvoornemen (waaronder de heiwerkzaamheden) uitgesloten.

5 LITERATUUR Gebiedendatabase Alterra: https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx?subj=n2k&groep=9&id=n2k102) Van der Vliet et al. Maximale foerageerafstanden. Op een rij gezet voor 97 beschermde vogelsoorten. Website Vogelwerkgroep Vlietland: https://sjaak.home.xs4all.nl/vwgvl/index.html Website vogelbescherming: www.vogelbescherming.nl Kleyheeg & Van den Bremer, 2018. Leefgebied van Smient in Natura 2000-gebied Rijntakken. Sovonrapport 2018/51. Website: https://www.sovon.nl/sites/default/files/doc/rap_2018-51_leefgebied-smientrijntakken.pdf Effectenindicator: https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/effectenindicatorappl.aspx?subj=effectenmatrix&tab=1 Krijgsveld et al. 2008. Verstoringsgevoeligheid van vogels. Update literatuurstudie naar de reacties van vogels op recreatie. https://www.commissiemer.nl/projectdocumenten/00000379.pdf

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=8423df55-f787-4f81-8032-b46756797030