CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

2234 toelichting_Bijlage 7 Aanvullend onderzoek soortgroepen.pdf

Raadsvergadering 5 oktober 2021, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: Vaststelling bestemmingsplan "Glastuinbouwgebied Meeslouwerpolder" te Stompwijk.14.827 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bijlage: 5

Nader onderzoek diverse soort(groep)en

Bestemmingsplanwijziging Meeslouwerpolder Leidschendam-Voorburg

Rapportnummer: Versie: Datum rapport:

20171556/rap02 2 6 december 2019

Auteur: Projectleider: Kwaliteitscontrole:

S. (Sjoerd) van Donselaar, K. (Kees) Dekker P.I. (Pim) Godschalk D. (Douwe) Schut

Opdrachtgever:

Gemeente Leidschendam-Voorburg Dhr. D. van Berlo Postbus 1005 2260 BA Leidschendam

Dit rapport is digitaal gegenereerd en derhalve niet voorzien van een handtekening. De inhoud van de rapportage is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven.

INHOUDSOPGAVE 1 INLEIDING ........................................................................................................................................... 1 1.1 Aanleiding ...................................................................................................................................... 1 1.2 Doel ................................................................................................................................................ 1 1.3 Leeswijzer ...................................................................................................................................... 1 2 HUIDIGE EN TOEKOMSTIGE SITUATIE ........................................................................................... 2 2.1 Beschrijving huidige situatie .......................................................................................................... 2 2.2 Toekomstige situatie ...................................................................................................................... 3 3 METHODE ............................................................................................................................................ 4 3.1 Vleermuisonderzoek ......................................................................................................................

4 3.2 Gierzwaluwonderzoek.................................................................................................................... 6 3.3 Huismusonderzoek ........................................................................................................................ 7 3.4 Overige broedvogels ...................................................................................................................... 7 3.5 Flora ............................................................................................................................................... 7 3.6 Rugstreeppad ................................................................................................................................ 8 3.7 Platte schijfhoren ........................................................................................................................... 8 4 RESULTATEN NADER ONDERZOEK VLEERMUIZEN .................................................................... 9 4.1 Waarnemingen ............................................................................................................................... 9 4.2 Verblijfplaatsen ............................................................................................................................

10 4.2.1 Inleiding .................................................................................................................................. 10 4.2.2 Zomerverblijfplaats ................................................................................................................. 10 4.2.3 Paarverblijfplaats .................................................................................................................... 10 4.2.4 Winterverblijfplaats ................................................................................................................. 11 4.3 Vliegroutes ................................................................................................................................... 12 4.4 Foerageergebied.......................................................................................................................... 13 5 RESULTATEN NADER ONDERZOEK BROEDVOGELS ................................................................ 14 5.1 Gierzwaluw .................................................................................................................................. 14 5.1.1 Waarnemingen .......................................................................................................................

14 5.1.2 Locaties nestplaatsen gierzwaluw .......................................................................................... 14 5.2 Huismus ....................................................................................................................................... 14 5.2.1 Waarnemingen ....................................................................................................................... 14 5.2.2 Locaties huismussen in de omgeving .................................................................................... 15 5.3 Overige vogelsoorten jaarrond beschermd (cat. 1-4) .................................................................. 15 5.3.1 Kerkuil..................................................................................................................................... 15 5.3.2 Ransuil.................................................................................................................................... 15 5.3.3 Boomvalk ................................................................................................................................ 15 5.4 Overige vogelsoorten niet-jaarrond beschermd (cat. 5) .............................................................. 16 6 RESULTATEN OVERIGE SOORTEN ...............................................................................................

17 6.1 Flora ............................................................................................................................................. 17 6.2 Rugstreeppad .............................................................................................................................. 18 6.3 Platte schijfhoren ......................................................................................................................... 18 7 EFFECTENANALYSE EN MITIGERENDE MAATREGELEN .......................................................... 20 7.1 Vleermuizen ................................................................................................................................. 20 7.2 Effecten jaarrond beschermde broedvogels ................................................................................ 21 7.3 Flora ............................................................................................................................................. 22 7.4 Rugstreeppad .............................................................................................................................. 22 7.5 Platte schijfhoren .........................................................................................................................

22 8 CONCLUSIES .................................................................................................................................... 23 9 LITERATUUR ..................................................................................................................................... 25

Bijlage 1. Notitie gebiedenbescherming

!! SECTIE EINDE NIET VERWIJDEREN !!

1 INLEIDING 1.1 Aanleiding De gemeente Leidschendam-Voorburg is bezig met de voorbereidingen van een planologische procedure voor het glastuinbouwgebied Meeslouwerpolder. Het voornemen is om op termijn de aanwezige glastuinbouw te saneren waarbij sloopwerk en mogelijk herverkaveling plaatsvindt. De vrijgekomen grond zal bestemd worden voor woningbouw. Om dit mogelijk te maken is een bestemmingsplanwijziging nodig. Op dit moment zijn er nog geen concrete ontwikkelingen gepland. Om te bepalen of de voorgenomen bestemmingsplanwijziging kan leiden tot een overtreding van de vigerende natuurwetgeving, is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Uit de quickscan die ATKB heeft uitgevoerd blijkt dat de werkzaamheden die in het kader van de bestemmingsplanwijziging uitgevoerd worden mogelijk effect hebben op (functies van) beschermde soorten (zie ATKB rapport kenmerk 20171556/rap01, d.d. 14 maart 2018). Om daar uitsluitsel over te geven is nader soort(groep)gericht onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen, jaarrond beschermde broedvogels, platte schijfhoren, beschermde flora en rugstreeppad. Ook is uit de quickscan gebleken dat effecten op beschermde gebieden niet op voorhand uit te sluiten zijn. In een separate notitie (bron) is de voorgenomen bestemmingsplanwijziging getoetst aan de doelen van deze gebieden. Deze notitie is toegevoegd als bijlage 1.

1.2 Doel Het doel van het nader onderzoek is meerledig: 1. Tijdens de veldonderzoeken wordt vastgesteld of en in welke mate beschermde soorten aanwezig zijn, waarbij tevens wordt gekeken naar de functie (o.a. voortplantingshabitat, verblijfplaats, rust- en foerageergebied, vliegroute) voor de betreffende soort. 2. Op basis van de aanwezige beschermde soorten en functies wordt een effectanalyse uitgevoerd. Hierbij wordt gekeken of negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging te verwachten zijn. Omdat nog niet precies duidelijk is welke ruimtelijk ingrepen waar en wanneer gaan plaatsvinden is de effectanalyse vrij globaal gehouden. 1.3 Leeswijzer In hoofdstuk twee is een beknopte beschrijving van het plangebied weergegeven en een overzicht van de voorgenomen bestemmingswijzigingen. In hoofdstuk 3 wordt de methode van het nader onderzoek beschreven. Vervolgens worden resultaten van dit onderzoek besproken in hoofdstuk 4 (vleermuizen), hoofdstuk 5 (jaarrond beschermde broedvogels) en hoofdstuk 6 (overige soortgroepen). In hoofdstuk 7 worden de effecten bepaald van de voorgenomen bestemmingswijziging. Hier worden waar mogelijk ook maatregelen voorgesteld om zorgvuldig te handelen ten aanzien van beschermde soorten. Het laatste hoofdstuk geeft een samenvattende conclusie van de bevindingen uit deze rapportage.

Nader onderzoek diverse soort(groep)en t.b.v. bestemmingsplanwijziging Meeslouwerpolder Kenmerk: 20171556/rap02, versie 2, d.d. 6 december 2019

Blz. 1 van 25

2 HUIDIGE EN TOEKOMSTIGE SITUATIE 2.1 Beschrijving huidige situatie De gemeente Leidschendam-Voorburg is bezig met de voorbereidingen van een planologische procedure voor het glastuinbouwgebied Meeslouwerpolder. Het voornemen is om middels een bestemmingsplanwijziging de mogelijkheid te bieden aan tuinders om hun bedrijf te saneren, in ruil voor woningbouw. Hierbij kunnen sloopwerk en mogelijk herverkaveling plaatsvinden. De vrijgekomen grond zal bestemd worden voor woningbouw. Om dit mogelijk te maken is een bestemmingsplanwijziging nodig. De omliggende polder maakt tevens onderdeel uit van het bestemmingsgebied, maar blijft in gebruik als polder. Er is geen toename in bebouwd gebied voorzien. Het gaat alleen om een functiewijziging van bestaande verharde en bebouwde gebieden. Binnen het bestemmingsgebied (zie figuur 2-1) zijn vier deelgebieden onderscheiden, welke op de volgende pagina worden beschreven.

Figuur 2-1. Ligging plangebied en indeling deelgebieden. Bron ondergrond: Google Maps.

Nader onderzoek diverse soort(groep)en t.b.v. bestemmingsplanwijziging Meeslouwerpolder Kenmerk: 20171556/rap02, versie 2, d.d. 6 december 2019

Blz. 2 van 25

1. Tuinbouwweg Binnen dit deelgebied zijn voornamelijk glastuinbouw, woningen, bedrijfspanden en schuren aanwezig. Ook ligt er één boerderij. 2. Veilingweg/Huyssitterweg Dit deelgebied is centraal gelegen binnen het plangebied, door het gebied lopen de Veilingweg en Huyssiterweg. Binnen de grenzen zijn voornamelijk glastuinbouw, woningen, bedrijfspanden en schuren aanwezig. 3. Polder noordoost Dit deelgebied omvat alle weilanden aan de noordoostzijde van het plangebied. 4. Polder zuidwest Dit deelgebied omvat alle weilanden aan de zuidwestzijde van het plangebied; er is ook een boerderij met paardenren aanwezig. De vegetatie in deelgebieden 3 en 4 bestaat hoofdzakelijk uit een zeer monotone grasbegroeiing; er zijn vrijwel geen kruiden aanwezig. Langs de watergangen zijn zeer beperkt oeverplanten als gele lis, rietgras en mogelijk zwanenbloem aanwezig. Enkele percelen in deelgebied 3 worden beweid met schapen; in deelgebied 4 worden de meeste percelen beweid met schapen of paarden. De poldersloten zijn vrij smal en recht, hebben weinig doorzicht en steile oevers. De wetering waar de smalle sloten op uitkomen is een stuk breder (4 meter) en dieper. Voor een meer uitgebreide omschrijving van het plangebied en voor foto’s van het gebied zie de quickscan rapportage (20171556/rap01/v1, versie 1, d.d. 14 maart 2018).

2.2 Toekomstige situatie De gemeente wil een nieuw bestemmingsplan opstellen waarin woningbouw toegestaan is. Op dit moment zijn er nog geen concrete ontwikkelingen gepland. Het doel van de gemeente is om, zodra glastuinbouw bedrijven stoppen, deze te saneren en te herontwikkelen met woningbouw. Ten behoeve van deze ontwikkeling zullen de kassen en bijbehorende bedrijfspanden gesloopt worden. De ontwikkeling heeft alleen betrekking op reeds bebouwde delen van het plangebied, de polders zullen onbebouwd blijven. De verwachting is dat de glastuinbouwbedrijvigheid in deelgebied 1 Tuinbouwweg als eerste zal stoppen. Deze verwachting is gebaseerd op het gegeven dat daar de oudste glastuinbouwbedrijven aanwezig zijn. In het kort betekent dit de volgende uitgangspunten bij de effectanalyse: -

Geen toename verhard oppervlak Woningbouw op bestaande glastuinbouwkavels Bestaande woningen blijven behouden (Kleinschalige) groenzones worden niet aangetast Weilanden (deelgebied 3 en 4) vallen buiten de bestemmingswijziging

Nader onderzoek diverse soort(groep)en t.b.v. bestemmingsplanwijziging Meeslouwerpolder Kenmerk: 20171556/rap02, versie 2, d.d. 6 december 2019

Blz. 3 van 25

3 METHODE 3.1 Vleermuisonderzoek Verantwoording afwijking Vleermuisprotocol Het vleermuisonderzoek is grotendeels uitgevoerd aan de hand van het landelijk vastgestelde protocol voor vleermuisonderzoek (versie 2017). In het protocol staat beschreven op welke manier vleermuisonderzoek uitgevoerd moet worden om een volledig beeld van de aanwezige soorten en functies van een gebied te krijgen. Het is daarmee een hulpmiddel om te bepalen wat een juridisch redelijke onderzoeksinspanning is als basis voor een eventuele ontheffing op de Wet natuurbescherming. Het gaat in geval van de Meeslouwerpolder echter om een bestemmingsplanwijziging (glastuinbouw wordt woningbouw), zonder dat er nu al concrete ingrepen of maatregelen zijn voorzien. Het is in deze fase, met zoveel onduidelijkheden, niet zinvol om alle woningen volledig conform het vleermuisprotocol te onderzoeken. De glastuinbouw is niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, terwijl de meeste gebruikerswoningen naar verwachting gewoon behouden blijven. Bovendien zijn de resultaten van een onderzoek naar soorten die beschermd zijn onder de Europese Habitatrichtlijn maar drie jaar geldig.

Gezien de tijdsspanne die benodigd is voor een bestemmingsplanwijziging en vervolgens een detail uitwerking van een plan is het niet de verwachting dat er binnen 3 jaar al een concreet project van start gaat met mogelijk negatieve effecten op vleermuizen. Gekozen is om af te wijken van de vuistregel uit het protocol ten aanzien van de in te zetten personele capaciteit: “Als in het donker meer dan een kwart van het onderzoeksgebied niet valt te (over)zien of te beluisteren, moet een extra waarnemer ingeschakeld worden. Daarbij geldt voor die extra waarnemer weer dezelfde regel totdat het hele onderzoeksgebied goed in beeld is.” (Vleermuisprotocol, 2017) In het geval van de Meeslouwerpolder, met veel vrijstaande woningen, zou de personele inzet al snel op 15+ waarnemers per ronde komen. Gekozen is voor twee onderzoekers op de fiets per avond en tijdens de ochtendbezoeken 4 personen. De verwachting is dat met deze inspanning de belangrijkste functies goed in beeld zijn gebracht. Doordat de woningen aan twee wegen liggen en aan de achterzijde grenzen aan glastuinbouw of open gebied, is de verwachting dat vleermuizen de twee wegen gebruiken als vliegroute om het gebied te verlaten, zodat de vleermuizen vanaf die wegen goed onderzocht kunnen worden.

Het onderzoek is gericht op het vinden van (aanwijzingen van) kraamverblijven en de aanwezige soorten, essentiële vliegroutes en foerageergebieden en een globale indruk van de aantallen zomeren paarverblijven. Ten aanzien van het aantal bezoeken en de periode is ruimschoots voldaan aan het vleermuisprotocol. Voor het project zijn 6 bezoeken gericht op vleermuizen uitgevoerd, in de periode september 2018 t/m juli 2019. In tabel 3-1 zijn de onderzoeksronden weergegeven. Onderzoeksmethodiek Met behulp van een batdetector van het type Pettersson D240x en zichtwaarnemingen kunnen verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen worden vastgesteld. Een batdetector zet de voor mensen onhoorbare geluiden van vleermuizen om in hoorbare geluiden. Aan de hand van frequentie en ritme van de geluiden is het mogelijk om de vleermuissoorten te onderscheiden. Gekoppeld aan de batdetector kunnen met behulp van een opnameapparaat opnames gemaakt worden van in het veld moeilijk te determineren soorten.

Nader onderzoek diverse soort(groep)en t.b.v. bestemmingsplanwijziging Meeslouwerpolder Kenmerk: 20171556/rap02, versie 2, d.d. 6 december 2019

Blz. 4 van 25

Tabel 3-1. Gegevens onderzoeksronden vleermuizen. Temp ⁰C

Wind

# medew.

22:00-01:00

17

2N

2

Droog en 4/8 bewolkt

paar- en zomerverblijven

26-9-2018

22:00-01:00

14

2 ZW

2

Droog en onbewolkt

paar- en zomerverblijven

Bezoek 3a

15-5-2019

03:45-05:45

12

2 NO

2

Droog en 4/8 bewolkt

Bezoek 3b

17-5-2019

03:50-05:50

11

2N

2

Droog en onbewolkt

Bezoek 4

28-5-2019

21:45-23:45

12

3 NO

4

Droog en onbewolkt

Bezoek 5

12-6-2019

03:30-05:30

12

2 NW

2

Droog en geheel bewolkt

Kraam- en zomerverblijven dwergvleermuizen

Bezoek 6

11-7-2019

22:00-00:00

20

2 NW

4

Droog en onbewolkt

Kraam- en zomerverblijven laatvlieger

Bezoek

Datum

Tijd

Bezoek 1

5-9-2018

Bezoek 2

Bewolking

Alle bezoeken

Gericht op

kraam- en zomerverblijven dwergvleermuizen (personele inspanning 4 personen verdeeld over twee ochtenden) Kraam- en zomerverblijven laatvlieger

Vliegroutes en foerageergebied

Kraamverblijfplaats dwergvleermuizen en laatvlieger De optimale onderzoeksinspanning voor dwergvleermuizen (gewone en ruige) wordt geleverd door één avondbezoek en één ochtendbezoek in de kraamperiode uit te voeren (15 mei – 15 juli) met een tussenperiode van tenminste 30 dagen (protocol 2017). De optimale onderzoeksinspanning voor laatvliegers komt grotendeels overeen met die van de dwergvleermuizen. Het verschil is echter dat er twee avondbezoeken in deze periode uitgevoerd moeten worden. In totaal zijn vier bezoeken (2x avond en 2x ochtend) in de periode 15 mei – 15 juli uitgevoerd. De focus lag hierbij op de laatvlieger bij de avondbezoeken en op de dwergvleermuizen bij de twee ochtendbezoeken. Grote aantallen zwermende dieren bij een kraamverblijf zijn in de ochtend goed waar te nemen. De vier onderzoeken zijn uitgevoerd op 15 mei en 17 mei), 28 mei, 12 juni en 11 juli. De tussenliggende periode tussen ochtend-avond en avond-avond is ruim 30 dagen. Wat betreft de frequentie is het onderzoek ruimschoots conform het vleermuisprotocol uitgevoerd. Het extra ochtendbezoek is uitgevoerd om een zo goed mogelijk beeld te krijgen van mogelijke kraamverblijven van dwergvleermuizen. Qua personele inspanning is (zoals reeds besproken en toegelicht) afgeweken van het protocol.

Zomerverblijfplaats De optimale onderzoeksinspanning naar zomerverblijfplaatsen van dwergvleermuizen (gewone en ruige) en laatvlieger wordt geleverd met twee bezoeken in de periode 15 apr – 15 okt met een tussenperiode van tenminste 20 dagen (protocol 2017). Minimaal één onderzoek dient in de kraamperiode uitgevoerd te worden en één in de ochtend. In totaal zijn 6 (alle) onderzoeken uitgevoerd binnen de optimale periode, waarvan twee in de ochtend en vier in de kraamperiode. Met deze onderzoeksinspanning is ruimschoots voldaan aan de eisen die gesteld worden aan het aantal bezoeken voor dwergvleermuizen (gewone en ruige) en laatvlieger. Qua personele inspanning is (zoals reeds besproken en toegelicht) afgeweken van het protocol. Paarverblijfplaats De optimale onderzoeksinspanning wordt geleverd door twee bezoeken in de paarperiode uit te voeren (15 aug – 1 okt) met een tussenperiode van tenminste 20 dagen (protocol 2017). De twee onderzoeken zijn uitgevoerd op 5 en 26 september 2018. De tussenliggende periode was 21 dagen en beide onderzoeken zijn binnen de optimale periode uitgevoerd. De tijd was meer dan 1 uur na zonsondergang en bovendien tot 1 uur na middernacht (wanneer de roepactiviteit sterk toeneemt).

Nader onderzoek diverse soort(groep)en t.b.v. bestemmingsplanwijziging Meeslouwerpolder Kenmerk: 20171556/rap02, versie 2, d.d. 6 december 2019

Blz. 5 van 25

Hiermee is voldaan aan de bezoekfrequentie voor het aantonen/uitsluiten van paarverblijven van dwergvleermuizen (gewone en ruige) en de laatvlieger. Qua personele inspanning is (zoals reeds besproken en toegelicht) afgeweken van het protocol. Winterverblijfplaatsen Dwergvleermuizen kunnen vaak individueel of in kleine groepjes overwinteren. Dergelijke kleine winterverblijfplaatsen zijn vaak aanwezig waar ook zomer- of paarverblijven aanwezig zijn. Er is geen aparte onderzoeksinspanning voor dit type verblijfplaats. Winterzwermen Massa-winterverblijven werden niet verwacht in de Meeslouwerpolder. Massa-winterverblijven bevinden zich in de regel in grote gebouwen met een stabiel microklimaat. De woningen in de Meeslouwerpolder zijn veelal vrijstaand of in tweetallen gebouwd en hebben een beperkte massa. In dergelijke bebouwing zijn massa-winterverblijven dus niet te verwachten. Overigens is het onderzoek op 5 september 2018 ook grotendeels kwalificerend voor massa winterverblijfplaatsen, maar bij geen enkel onderzoek zijn aanwijzingen verkregen van grote aantallen vleermuizen in het plangebied. Vliegroute en foerageergebied Met de onderzoeksinspanning is voldaan aan de eisen voor vliegroutes en foerageergebieden (2 veldbezoeken waarvan 1 in de kraamperiode en een tussenperiode van 8 weken).

Samenvattend Met zes veldbezoeken zijn voldoende bezoeken uitgevoerd om een compleet beeld van de meest belangrijke functies van het gebied voor gewone en ruige dwergvleermuis en de laatvlieger te verkrijgen. Andere soorten worden niet verwacht (zie hiervoor de quickscan rapportage). 3.2 Gierzwaluwonderzoek Het onderzoek naar de gierzwaluw heeft plaatsgevonden volgens de methode zoals beschreven in het Kennisdocument Gierzwaluw van BIJ12 (Bron: Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0, Juli 2017. BIJ12 Utrecht). Het onderzoek omvat drie gerichte veldbezoeken in de periode 1 juni t/m 15 juli. Hiervan vindt minimaal een veldbezoek plaats tussen 20 juni en 7 juli, en met een tussenperiode van minimaal 10 dagen. De veldbezoeken vinden plaats in de avond; dan is de grootste kans aanwezig om het invliegen van de nestlocatie waar te nemen. Inventarisaties kunnen alleen doorgaan bij goede weersomstandigheden (droog, warm, weinig wind). Tijdens het onderzoek wordt gelet op luidruchtige vluchten op dakgoot-, nok- en huishoogte en bezoek van (waarschijnlijke) nestplaatsen door bouncen (aanvliegen), in- en uitvliegende exemplaren. Ook waarnemingen van nesten uit de omgeving worden genoteerd. Het onderzoek is uitgevoerd door twee ecologen, waarbij elke ecoloog fietsend een van de beide deelgebieden (1 en 2) heeft onderzocht (zie hoofdstuk 2). Tabel 3-2.

Gegevens onderzoeksronden gierzwaluw. Temp ⁰C

Wind

20:30-23:00

15

26-6-2019

20:30-23:00

11-7-2019

20:30-23:00

Bezoek

Datum

Tijd

Bezoek 1

11-6-2019

Bezoek 2 Bezoek 3

Bewolking

Gericht op

2W

Droog en 3/8 bewolkt

Nestplaatsen gierzwaluw

20

2 ZW

Droog en onbewolkt

Nestplaatsen gierzwaluw

20

2 ZW

Droog en onbewolkt

Nestplaatsen gierzwaluw

Met de onderzoeksinspanning zoals in tabel 3-2 is weergegeven is voldaan aan de eisen die in het kennisdocument van BIJ12 worden gesteld. Dit komt tevens overeen met de minimale onderzoeksinspanning die is beschreven in de onderzoeksprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus.

Nader onderzoek diverse soort(groep)en t.b.v. bestemmingsplanwijziging Meeslouwerpolder Kenmerk: 20171556/rap02, versie 2, d.d. 6 december 2019

Blz. 6 van 25

3.3 Huismusonderzoek Het nader onderzoek naar huismus is uitgevoerd aan de hand van de eisen van het Kennisdocument van BIJ12 (Bron: Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0, Juli 2017. BIJ12 Utrecht). Het onderzoek omvat twee bezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei met een minimale tussenperiode van 10 dagen. Tijdens het onderzoek wordt gelet op territoriumgedrag van mannetjes (zingen, tjilpen), nestindicerend gedrag (aanvliegen met voedsel, invliegen van nestplek, copuleren etc.) en bedelroepen van jongen. Huismussen zijn honkvast en vrij eenvoudig te onderzoeken, het onderzoek is daarom uitgevoerd door één persoon per ronde per fiets. Tabel 3-3. Gegevens onderzoeksronden huismus. Bezoek

Temp ⁰C

Wind

08:00-12:30

9

07:00-10:00

11

Datum

Tijd

1

30-4-2019

2

14-5-2019

Bewolking

Gericht op

4O

Droog en 4/8 bewolkt

Huismussen

2 ZW

Droog en 4/8 bewolkt

Huismussen

Met de onderzoeksinspanning zoals in tabel 3-3 is weergegeven is voldaan aan de eisen die in het

kennisdocument van BIJ12 worden gesteld. Dit komt tevens overeen met de minimale onderzoeksinspanning die is beschreven in de onderzoeksprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus. 3.4 Overige broedvogels Kerkuil Volgens het kennisdocument van BIJ12 is afwezigheid van de kerkuil voldoende aangetoond als in de periode begin februari tot half oktober gedurende drie veldbezoeken (’s nachts of ’s avonds) geen waarnemingen worden gedaan. Daarnaast dient overdag eenmaal gezocht te worden naar sporen (uitwerpselen, braakballen) rond potentiele verblijfplaatsen (oude schuren of oude woningen). De avondbezoeken zijn in combinatie met de vleermuis- en gierzwaluwonderzoeken uitgevoerd, hiervoor zijn dus geen separate rondes uitgevoerd. Het onderzoek naar sporen is gecombineerd uitgevoerd met het flora onderzoek op 23 mei 2019. Ransuil Uit de quickscan blijkt dat in het plangebied mogelijk geschikte roestbomen van ransuilen aanwezig zijn. Deze bomen gebruiken ze (soms in grote getale) om te rusten in de winter. Vaak zijn de roestbomen groenblijvend, deze zijn veel aanwezig in het plangebied. Roestbomen zijn vaak goed te herkennen aan poepsporen en veel braakballen op de grond. Daarom kan met 1 onderzoeksronde een goed beeld worden verkregen van mogelijke roestbomen. Dit onderzoek is uitgevoerd op 5 februari 2019. Cat.

5 soorten (niet jaarrond beschermd, inventarisatie gewenst) Het plangebied is geschikt als broedbiotoop voor bijvoorbeeld spreeuw, boerenzwaluw en huiszwaluw. De categorie 5-soort spreeuw kunnen in potentie in hoge aantallen voorkomen. Het uitgevoerde nader onderzoek dient uit te wijzen of het plangebied voor deze soorten mogelijk van ecologisch hoog belang is. Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn wanneer zeer veel spreeuwen broeden in de aanwezige woningen. Gedurende alle onderzoeksronden (vleermuizen, cat. 1-4 broedvogels, flora) is tevens gelet op aanwezigheid van spreeuw, boerenzwaluw en huiszwaluw. 3.5 Flora Het plangebied is mogelijk geschikt voor beschermde flora. Hiertoe dienen enkel de delen onderzocht te worden waar ontwikkelingen voorzien zijn (deelgebied 1 en 2).

Nader onderzoek diverse soort(groep)en t.b.v. bestemmingsplanwijziging Meeslouwerpolder Kenmerk: 20171556/rap02, versie 2, d.d. 6 december 2019

Blz. 7 van 25

Het flora onderzoek is uitgevoerd middels een veldbezoek in de bloeiperiode van de verwachtte soorten (dan wel voldoende vegetatief ontwikkeld), zodat beschermde planten vindbaar zijn en afwezigheid van de soorten met zekerheid kan worden aangetoond. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 23 mei 2019. 3.6 Rugstreeppad Het onderzoek naar de aan- of afwezigheid van de rugstreeppad is uitgevoerd conform het onderzoeksprotocol van het Netwerk Groene Bureaus. Dit schrijft voor drie avondrondes in de periode half april tot en met mei (juni) en half juni – begin augustus. In tabel 3-3 zijn de data opgenomen waarop de onderzoeken hebben plaatsgevonden. Er zijn meer rondes uitgevoerd dan minimaal benodigd conform het protocol. Daarmee is ruimschoots voldaan aan de benodigde onderzoeksinspanning. Tabel 3-3. Gegevens onderzoeksronden rugstreeppad. Datum

Tijd

Temp ⁰C

Wind

28 mei 2019

21:3000:30

12

2

Onbewolkt

Rugstreeppad

11 juni 2019

22:0000:00

16

2

Onbewolkt

Rugstreeppad

26 juni 2019

22:0000:00

20

3

Onbewolkt

Rugstreeppad

11 juli 2019

22:0000:00

20

2

Onbewolkt

Vleermuizen, maar tevens geluisterd naar rugstreeppad

Bewolking

Gericht op

3.7 Platte schijfhoren Het aantonen van aan- of afwezigheid van platte schijfhoren kan gedaan worden door in de periode 1 juni tot 31 oktober in geschikte watergangen middels een schepnet waterplanten te verzamelen. Hiermee is aangesloten op het protocol van Stichting Anemoon (Boesveld e.a., 2010). De slakjes kleven aan deze waterplanten en moeten er ‘afgewassen’ worden. Het water wordt gezeefd en de slakjes die overblijven worden in een potje verzameld. Deze worden vervolgens op kantoor met behulp van een binoculair op naam gebracht. De monsters zijn verzameld op 24 augustus 2018 in watergangen met de meeste potentie (goede waterkwaliteit en voldoende onderwatervegetatie). De monsters zijn verspreid over het plangebied genomen. Er zijn 14 locaties bemonsterd, slechts op 7 daarvan waren daadwerkelijk schijfhorens aanwezig. Deze zijn verzameld voor determinatie op kantoor, dit is in het veld niet voldoende betrouwbaar uit te voeren.

Nader onderzoek diverse soort(groep)en t.b.v. bestemmingsplanwijziging Meeslouwerpolder Kenmerk: 20171556/rap02, versie 2, d.d. 6 december 2019

Blz. 8 van 25

4 RESULTATEN NADER ONDERZOEK VLEERMUIZEN 4.1 Waarnemingen In tabel 4-1 zijn per veldbezoek de waarnemingen weergegeven. In totaal zijn vijf vleermuissoorten waargenomen, namelijk: gewone dwergvleermuis (GD), ruige dwergvleermuis (RD), laatvlieger (LV), rosse vleermuis (RV) en watervleermuis (WV). De functies voor deze soorten worden in paragraaf 4.2 t/m 4.4 besproken. Tabel 4-1. Resultaten veldbezoeken vleermuisonderzoek. Voor afkortingen vleermuisnamen, zie inleidende tekst hierboven. Bezoek

Datum

Verblijfplaats

Belangrijkste resultaten Verspreid over het plangebied zijn 5 baltsterritoria van GD aangetroffen. De territoria bevonden zich allen rond bestaande woningen.

Bezoek 1

5-9-2018

5x GD paarverblijf

Bezoek 2

26-9-2018

5x GD paarverblijf

Bezoek 3a

15-5-2019

Bezoek 3b

17-5-2019

Bezoek 4

28-5-2019

Bezoek 5

12-6-2019

Waarnemingen buiten plangebied: langs de Doctor van Noortstraat, aan de zuidzijde buiten het plangebied zijn nog twee paarterritoria van GD en 2 paarverblijven van RD aangetroffen. Verspreid over het plangebied zijn (net als bij het vorige onderzoek) 5 baltsterritoria van GD aangetroffen. De territoria bevonden zich allen rond bestaande bebouwing (woningen) en komen in grote lijnen overeen met de locaties van het vorige onderzoek. Boven het plasje dat is gelegen bij de bocht in de Huysitterweg en Veilingweg foerageerden ca. 5 GD’s en 2 RD’s. Ook vloog boven het water een WV.

Waarnemingen buiten het plangebied: langs de Doctor van Noortstraat, aan de zuidzijde buiten het plangebied zijn drie paarterritoria van de gewone en 2 paarverblijven van de ruige dwergvleermuis aangetroffen. Tevens werd er zeer druk gefoerageerd boven de wetering langs de Dr. Van Noortstraat. De 1e kraamronde is verdeeld in twee deelbezoeken. Het 1e bezoek op woensdag 15-5 en het 2e bezoek op 17-5. Tijdens het 1e bezoek is de oostzijde (deelgebied 2) van de Meeslouwerpolder onderzocht en tijdens het 2e Geen onderzoek de westzijde (deelgebied 1). kraamkolonies Tijdens bezoek 3a waren 3-5 foeragerende GD’s aanwezig langs de bomenrij en (solitaire) watergang aan de zuidzijde van de Huysitterweg. Ook boven het plasje aan de verblijven wel noordzijde was 1 foeragerende GD aanwezig. De bomen langs de weg worden mogelijk. gebruikt als vliegroute door gewone dwergen (ca. 5 waargenomen) en ruige dwergen (ca. 1-2 waargenomen). Ook boven de boezemvaart foerageerden meerdere GD’s. Geen kraamkolonies Tijdens het onderzoek zijn 2-3 foeragerende GD’s waargenomen en één (solitaire) langsvliegende RV zonder binding met het plangebied. Er zijn geen verblijven wel (aanwijzingen voor) kolonies aangetroffen. mogelijk. Verspreid door het gebied zijn foeragerende GD’s aangetroffen. Deze verschenen ongeveer een uur na zonsondergang.

Er zijn geen waarnemingen gedaan die er op kunnen duiden dat er kolonies in het plangebied aanwezig zijn. Boven het plasje aan de Huysitterweg foerageerde later op de avond twee Geen WV’s. De wetering langs de Dr. Van Noortstraat werd, net als tijdens de vorige kraamkolonies onderzoeken, veelvuldig gebruikt als foerageergebied door GD’s. Dit betreft (solitaire) naar alle waarschijnlijkheid een essentieel foerageergebied en mogelijk ook een verblijven wel essentiële vliegroute. Tijdens het onderzoek kwam één RV op grote hoogte mogelijk. overgevlogen. Het is bekend dat zich meerdere kolonies in de landgoederenzone tussen Den Haag en Leiden bevinden. Het betreft zeer waarschijnlijk een dier van een van deze kolonies die op weg was naar het foerageergebied. In het plangebied staan in ieder geval geen geschikte bomen voor deze soort. Tijdens het onderzoek is één zomerverblijfplaats van een solitaire gewone dwergvleermuis aangetroffen. Deze bevond zich in een woning aan de Tuinbouwweg (gegevens Jesse voor exacte locatie). Vliegroutes Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat zowel de Tuinbouwweg als de 1x GD Huyssiterweg gebruikt worden als vliegroute door WV’s, GD en RD. Beide zomerverblijf straten zijn twee van de weinige structuurrijke (bomen en gebouwen) lijnvormige elementen die tussen het recreatiegebied Vlietland en het agrarische achterland lopen.

Tijdens ieder bezoek zijn tussen de 5-10 langsvliegende dieren waargenomen. Qua aantallen mogelijk geen essentiële route maar qua ligging mogelijk wel. Tevens vlogen en foerageerde er veel GD’s boven de wetering die langs de dr. Van Noortstraat loopt. Deze foerageerde ook veel waardoor het niet

Nader onderzoek diverse soort(groep)en t.b.v. bestemmingsplanwijziging Meeslouwerpolder Kenmerk: 20171556/rap02, versie 2, d.d. 6 december 2019

Blz. 9 van 25

Bezoek 6

11-7-2019

Geen kolonies, (solitaire) verblijven wel mogelijk

helemaal duidelijk is of het om een vliegroute of foerageergebied gaat, mogelijk een combinatie van de twee. Wederom meerdere (3-5) foeragerende GD’s langdurig aanwezig bij de bosschage aan het begin (zuid) van de Huyssiterweg. Verder foerageerde er wat GD’s boven de wetering en verspreid over het plangebied. Tijdens het onderzoek is waargenomen dat 6 laatvliegers de bomen langs de Huysitterweg als vliegroute gebruikten. Het is zeer waarschijnlijk een essentiële vliegroute in de richting van recreatiegebied Vlietland. Tijdens het veldbezoek zijn meerdere foeragerende gewone en één ruige dwergvleermuis gehoord. Ook waren twee laatvliegers en een rosse kort foeragerend aanwezig. de laatvliegers vervolgden hun weg richting Vlietland. De rosse mogelijk ook.

4.2 Verblijfplaatsen 4.2.1 Inleiding Verblijfplaatsen kunnen verschillende functies hebben. Zo maken vleermuizen gebruik van kraam-, zomer-, paar- en winterverblijfplaatsen. Voor ieder type is een andere omgang noodzakelijk. In de regel is de omgang met kraam- en winterverblijven aan striktere voorwaarden verbonden dan die van zomer- en paarverblijven. Tijdens het vleermuisonderzoek zijn waarnemingen gedaan die er op duiden dat in het plangebied 5 paarverblijven en één zomerverblijf aanwezig zijn. De paarverblijven kunnen mogelijk ook als winterverblijf gebruikt worden door één of enkele dieren. Er zijn geen massaverblijfplaatsen aangetroffen. In het vervolg worden de verschillende typen nader toegelicht. 4.2.2 Zomerverblijfplaats Binnen de grenzen van het plangebied is één zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Tijdens het onderzoek van 12 juni 2019 is waargenomen dat deze invloog in de woning op de Tuinbouwweg 8 (zie groene stip figuur 4-2). Mogelijk bevinden zich nog enkele solitaire verblijfplaatsen in het plangebied die niet zijn opgemerkt. De onderzoeksinspanning was gericht op het in kaart brengen van de kraamkolonies, vliegroutes en belangrijke foerageergebieden.

Er zijn echter 6 bezoeken gebracht en het plangebied is overzichtelijk (alle woningen langs de weg en het onderzoek heeft op de fiets plaatsgevonden) waardoor verwacht wordt dat er niet veel gemist is. Er zijn 5 paarterritoria aangetroffen, zodat het de verwachting is dat er ook hooguit 5 zomerverblijven aanwezig zijn. 4.2.3 Paarverblijfplaats Paarverblijven van gewone dwergvleermuizen zijn over het algemeen lastig te lokaliseren. Dit komt doordat de mannetjes al vliegend hun territorium verdedigen tegen andere mannetjes, hierbij worden vrouwtjes gelokt middels een speciale baltsroep. Het daadwerkelijk invliegen gebeurt dan verspreid over de nacht, vanwege de donkerte is dit lastig waar te nemen. Het vaststellen van een paarverblijf van deze soort gebeurt dan ook op basis van waarnemingen van vliegende baltsende mannetjes. De territoria zijn over het algemeen niet erg groot (afhankelijk van voedselaanbod en geschiktheid verblijfplaats). Aan de hand van de waarnemingen die gedaan zijn op 5 en 26 september wordt aangenomen dat in het plangebied 5 baltsterritoria aanwezig zijn. Er zijn geen (indicaties van) paarverblijven van de laatvlieger en ruige dwergvleermuis in het plangebied aangetroffen. In figuur 4-1 is een overzicht gegeven van de relevante waarnemingen op 5 september.

Op 26 september is op een deel van deze locaties dezelfde waarneming gedaan, en zijn nog enkele aanvullende waarnemingen gedaan. Op basis hiervan zijn er op enig moment maximaal 5 territoria gelijktijdig waargenomen. Daadwerkelijke verblijven kunnen zich verspreid over het plangebied in de bestaande woningen bevinden. Waarnemingen buiten plangebied: In de woningen aan de zuidzijde van de Doctor van Noortstraat waren meerdere baltsende ruige dwergvleermuizen aanwezig (zie figuur 4-1).

Nader onderzoek diverse soort(groep)en t.b.v. bestemmingsplanwijziging Meeslouwerpolder Kenmerk: 20171556/rap02, versie 2, d.d. 6 december 2019

Blz. 10 van 25

4.2.4 Winterverblijfplaats Zekerheidshalve wordt in het kennisdocument van BIJ12 aanbevolen om bij zomer- en paarverblijfplaatsen ook altijd uit te gaan van een winterverblijfplaats. In een dergelijke winterverblijfplaats zitten een mannetje en soms enkele vrouwtjes. Er zijn 5 paarterritoria aangetroffen en wat minder dieren in de zomerperiode. Wij gaan er daarom van uit dat de bebouwing in de Meeslouwerpolder gebruikt kan worden door een zelfde aantal dieren (max. 5) als winterverblijfplaats. In de winter gebruiken dwergvleermuizen vaak hun zomer- of paarverblijf ook als individueel winterverblijf en ze verhuizen pas naar een groot gebouw met een stabiel microklimaat als de buitentemperatuur sterk daalt. We verwachten niet dat de woningen geschikt zijn om te fungeren als massawinterverblijf. Een groot bouwvolume ontbreekt, het betreft vrijstaande woningen zonder goede temperatuurbuffering. Bovendien zijn er bij de eerste ronde (5 september 2019) ook geen grote aantallen zwermende dieren waargenomen.

Figuur 4-1. Waarnemingen paarterritoria gewone dwergvleermuis (rode driehoeken) op 5 september 2019 met daarbij aangegeven het gebied waar de dieren al roepend rondvlogen (groene cirkels). Rode cirkel = paarverblijven ruige dwergvleermuis (bron ondergrond: pdok).

Nader onderzoek diverse soort(groep)en t.b.v. bestemmingsplanwijziging Meeslouwerpolder Kenmerk: 20171556/rap02, versie 2, d.d. 6 december 2019

Blz. 11 van 25

Figuur 4-2. Plangebied Meeslouwerpolder en locatie zomerverblijf, vliegroutes en essentiële foerageergebieden (zie legenda in afbeelding voor een toelichting). (NB de noord-zuid lijnen van de vliegroutes moeten iets meer naar het westen liggen, de vliegroutes lopen langs de twee wegen in het plangebied).

4.3 Vliegroutes Niet alleen vaste rust- of verblijfplaatsen zijn beschermd middels de Wet natuurbescherming maar ook de bijbehorende (essentiële) functionele leefomgeving. Vleermuizen maken gebruik van een netwerk met verblijfplaatsen en foerageergebieden die middels vliegroutes met elkaar verbonden zijn. Deze onderdelen (foerageergebied en vliegroute) kunnen dusdanig belangrijk/essentieel zijn dat bij aantasting hiervan de gehele leefomgeving ongeschikt wordt, en het netwerk dus niet meer functioneert. Lijnvormige elementen in het landschap kunnen fungeren als vliegroute. Dit kunnen natuurlijke (bomen en watergangen) maar ook kunstmatige (gebouwen) elementen zijn. Tijdens het nader onderzoek zijn in en langs het plangebied meerdere essentiële vliegroutes vastgesteld. Zowel de Huysitterweg als de Tuinbouwweg zijn lijnvormige structuren in een verder agrarisch landschap en vormen een NW-ZO verbinding voor laatvlieger (max. 6 exemplaren waargenomen), GD (ca. 5), WV (1), RD (2). Ook boven de wetering die langs de Doctor van Noortstraat loopt vlogen veel foeragerende GD’s (dit is echter buiten het plangebied). De aangetroffen vleermuizen hebben zeer waarschijnlijk hun verblijfplaatsen in de bebouwing in en rond Stompwijk en vliegen via de Dr. Van Noortstraat en de Huysitterweg en Tuinbouwweg naar Vlietland om daar te foerageren.

Hiervoor steken ze het agrarische land en de A4 op het smalste stuk over. Een en ander is in figuur 4-3 visueel weergegeven.

Nader onderzoek diverse soort(groep)en t.b.v. bestemmingsplanwijziging Meeslouwerpolder Kenmerk: 20171556/rap02, versie 2, d.d. 6 december 2019

Blz. 12 van 25

Foerageergebied Vlietland

Vermoedelijke verblijfplaatsen

Figuur 4-3. Overzicht vliegroutes door en langs het plangebied en mogelijke locatie verblijfplaatsen in Stompwijk (aanname). (bron ondergrond: Google Maps)

4.4 Foerageergebied Tijdens het onderzoek zijn verspreid over het gebied foeragerende gewone dwergvleermuizen, ruige dwergvleermuizen, laatvlieger, rosse vleermuis en watervleermuis waargenomen. Veelal betrof het één of enkele exemplaren (gewone dwergvleermuizen uitgezonderd) die vaak maar kort en niet bij ieder bezoek aanwezig waren. Deze vleermuizen waren op doortrek en hiervoor vormt het plangebied geen essentieel foerageergebied. Voor de gewone dwergvleermuis was dat anders, deze foerageerde tijdens meerdere bezoeken, gedurende lange tijd en met meerdere (max. 6) exemplaren boven een watergang en in de luwte van een bosje aan de zuidzijde van het gebied (zie groene cirkel in figuur 4-2). Hoewel het foerageergebied op niet al te grote afstand ligt van Vlietland (ca 1000 m) vormt het toch één van de weinige geschikte foerageerplekken in de omgeving die vooral gekarakteriseerd wordt door agrarische graslanden en glastuinbouw. Vanwege het hoge aantal gewone dwergvleermuizen, de frequente aanwezigheid en de verder weinig geschikte omgeving wordt dit stuk aangemerkt als essentieel foerageergebied.

Nader onderzoek diverse soort(groep)en t.b.v. bestemmingsplanwijziging Meeslouwerpolder Kenmerk: 20171556/rap02, versie 2, d.d. 6 december 2019

Blz. 13 van 25

5 RESULTATEN NADER ONDERZOEK BROEDVOGELS 5.1 Gierzwaluw 5.1.1 Waarnemingen In tabel 5-1 zijn per veldbezoek de belangrijkste waarnemingen weergegeven. Tijdens alle bezoeken zijn geen gierzwaluwen gezien. In het vervolg van deze paragraaf wordt besproken wat de functie van het plangebied is voor de gierzwaluw. Tabel 5-1. Samenvatting belangrijkste waarnemingen tijdens veldbezoeken Bezoek

Datum

Verblijfplaats Belangrijkste resultaten

Bezoek 1

11-6-2019

Nee

Bezoek 2

26-6-2019

Nee

Bezoek 3

11-7-2019

Nee

Tijdens het onderzoek zijn geen gierzwaluwen waargenomen Tijdens het onderzoek zijn geen gierzwaluwen waargenomen. Wel vlogen er wat huiszwaluwen. Vermoedelijk zit er een kolonie buiten het plangebied in een woning langs de Dr. Van Noortkade. Tijdens het onderzoek zijn geen gierzwaluwen waargenomen. Vermoedelijk zit er een kolonie huiszwaluwen buiten het plangebied in een woning langs de Dr. Van Noortkade. De boerenzwaluwen komen vermoeden van de paardenstal aan de Kniplaan 2.

Het plangebied is niet van bijzonder belang voor de huiszwaluw. Deze soorten is wel waargenomen maar broedt niet in het plangebied maar vermoedelijk in een woning langs de Doctor van Noortstraat. Er zijn ook boerenzwaluwen waargenomen, deze hebben mogelijk een kolonie in de paardenstallen van de boerderij aan de Kniplaan 2. Dit ligt in de zuidwestelijke hoek van het bestemmingsplangebied. De bestemming wijzigt daar echter niet aangezien dit geen glastuinbouw betreft. Er is ook niet met zekerheid een kolonie vastgesteld. Gezien de scope van de bestemmingsplanwijziging is deze locatie verder niet relevant. 5.1.2 Locaties nestplaatsen gierzwaluw Er zijn geen nestlocaties van de gierzwaluw aangetroffen. Ook zijn er geen indicaties verkregen dat gierzwaluwen in het plangebied nestelen. Het plangebied is grotendeels ongeschikt (glastuinbouw biedt geen geschikte potentiële nestplaatsen). De enkele woningen in het plangebied die op voorhand geschikt leken zijn blijkbaar niet per sé geschikt of vormen onvoldoende geschikt broedbiotoop op korte afstand van elkaar (de gierzwaluw is immers een soort die in groepsverband broedt). De aanwezigheid van gierzwaluwen kan hiermee worden uitgesloten.

5.2 Huismus 5.2.1 Waarnemingen Op de volgende locaties binnen het plangebied zijn huismussen waargenomen: - Kniplaan 2 (paardenstallen) 6-8 exemplaren foeragerend, potentieel leefgebied/nestlocatie; heggen worden gebruikt als rustlocatie; - Tuinbouwweg 1 en 6: telkens 1 ex. zang, 2-3 huismussen aanwezig, bij elke woning minimaal 1 nest verwacht; - Tuinbouwweg 10: 1 ex. zingend, 8 exemplaren in naastgelegen tuin, diverse nesten verwacht. De huismussen nestelen aan de achterkant van de woning; Dichte groenstructuren en heggen nabij deze locaties worden gebruikt als schuilplek. Het aantal huismus waarnemingen is dus redelijk beperkt, de grootste groep bevindt zich aan de Kniplaan, hier is echter geen bestemmingswijziging voorzien. De overige nesten aan de Tuinbouwweg zijn bij bestaande woningen, waarvan niet verwacht wordt dat er wijzigingen zullen plaatsvinden.

Nader onderzoek diverse soort(groep)en t.b.v. bestemmingsplanwijziging Meeslouwerpolder Kenmerk: 20171556/rap02, versie 2, d.d. 6 december 2019

Blz. 14 van 25

5.2.2 Locaties huismussen in de omgeving Op de volgende locaties buiten het plangebied zijn huismussen waargenomen: - Meerburgerlaan 9 (boot- en kanoverhuur): 4-6 huismus foeragerend, waarschijnlijk enkele nesten onder dakpannen hoofdwoning, op andere adressen aan de Meerburgerlaan geen huismussen waargenomen; - Hoek Doctor van Noortstraat-Huyssitterweg: 5 huismussen net buiten plangebied. - Doctor van Noortstraat: groepen huismus bij nr. 19 en nr. 90. - Stompwijkseweg 71: 2 territoria. De grootste groep huismussen is buiten het plangebied waargenomen bij de botenverhuur aan de Meerburgerlaan 9 (ten noorden van het plangebied tegen de A4 gelegen). Verder zijn er op diverse locaties langs de Doctor van Noortstraat en in het verlengde daarvan de Stompwijkseweg huismussen aangetroffen. Deze groepen hebben verder geen functionele binding met bijvoorbeeld groenstructuren binnen het plangebied, omdat deze dieren niet in het plangebied zijn waargenomen. Ook is er een redelijke afstand (meer dan 200 m) tussen deze territoria en het plangebied waar bestemmingswijziging is voorzien. 5.3 Overige vogelsoorten jaarrond beschermd (cat. 1-4) 5.3.1 Kerkuil Potentiële locaties waar kerkuil kan nestelen of verblijven, zoals schuren of opstallen met een permanente opening, zijn onderzocht op de aanwezigheid van braakballen. Deze zijn hierbij niet aangetroffen.

Tijdens de avondbezoeken voor gierzwaluw, vleermuizen en rugstreeppad is de kerkuil nooit waargenomen. De paardenstallen aan de Kniplaan 2 (zie figuur 5-1) konden niet worden onderzocht omdat er geen toestemming is verkregen om het terrein te betreden. Deze locatie valt echter buiten het gebied waar de bestemmingswijzigingen zijn voorzien. De aanwezigheid van nestlocaties of essentiële onderdelen van het leefgebied van de kerkuil kan met zekerheid worden uitgesloten. 5.3.2 Ransuil Tijdens het vleermuisonderzoek van 28 mei 2019 is in de achtertuin van een woning aan de Huyssitterweg een nestplaats van een ransuil aangetroffen (zie figuur 5-1 voor de locatie). Er zijn twee roepende jongen gehoord en tevens zijn twee adulte vogels aangetroffen. Door de bewoner werd aangegeven dat hij het nest heeft zien zitten in de vork van een naaldboom in zijn tuin. Hij bevestigde dat er twee jongen zijn uitgevlogen. 5.3.3 Boomvalk Tijdens een veldbezoek op 11 juli 2019 (voor gierzwaluwen en aansluitend vleermuizen) is een boomvalk waargenomen in het plangebied. Gedurende dit bezoek vertoonde de boomvalk territoriaal gedrag (roepen). Hierop is besloten om nog twee aanvullende veldbezoeken uit te voeren aangezien deze soort vrij laat in het seizoen broedt. Daarom is op 23 juli nog een tweede veldbezoek uitgevoerd.

Hierbij is de soort waargenomen in de boom waar de soort ook bij het eerste bezoek is aangetroffen (zie figuur 5-1). Volgens de telrichtlijnen van SOVON wordt gesproken van een territorium bij drie waarnemingen binnen de datumgrenzen (1 mei – 31 augustus in het geval van de boomvalk) waarvan minimaal twee territoriumindicerend (roepend, voedseltransport etc.) zijn. Bij het tweede veldbezoek zijn geen territorium indicerende gedragingen waargenomen. Daarom is besloten ook nog een derde onderzoek uit te voeren om zekerheid te verkrijgen (ook over een evt. nestlocatie). Daarom is op 22 augustus in de avond nog een derde bezoek uitgevoerd. Hierbij is de boomvalk niet waargenomen.

Nader onderzoek diverse soort(groep)en t.b.v. bestemmingsplanwijziging Meeslouwerpolder Kenmerk: 20171556/rap02, versie 2, d.d. 6 december 2019

Blz. 15 van 25

Op basis van de telrichtlijnen van SOVON is er geen sprake van een territorium en ook is er geen zekerheid verkrijgen over de aanwezigheid van een nest (er is geen nest gezien op het erf waar de boomvalk enkele keren is gezien). Als er jongen waren geweest waren die zeker gehoord of gezien. Op basis van de resultaten concluderen wij daarom dat er geen territorium of nestplek van de boomvalk aanwezig is, maar dat het plangebied wel in algemene zin deel uitmaakt van het leefgebied van de boomvalk.

Figuur 5-1. Geel omlijnd de nestlocatie van de ransuil, blauw omlijnd het erf waar de boomvalk twee maal is waargenomen (bron ondergrond: Google Maps). Rood omlijnd: paardenstallen Kniplaan 2 waar geen betredingstoestemming is verkregen voor het onderzoek naar de kerkuil.

5.4 Overige vogelsoorten niet-jaarrond beschermd (cat. 5) Tijdens de veldbezoeken die in 2019 zijn uitgevoerd zijn geen aanwijzingen verkregen voor grote aantallen van soorten als spreeuw, boerenzwaluw of huiszwaluw. De laatste twee soorten zijn wel met enkele exemplaren waargenomen, langs de Dr. Van Noortstraat is mogelijk een kolonie huiszwaluwen aanwezig bij 1 van de woningen, maar die woningen liggen buiten het plangebied. Andere soorten die een of enkele malen zijn waargenomen zijn o.a. blauwe reiger, groene specht en torenvalk. Er is daarom geen ecologische reden of een zwaarwegend feit dat een jaarrond bescherming van de soorten rechtvaardigt. Eventuele broedgevallen in het plangebied zijn alleen tijdens het broedseizoen beschermd.

Nader onderzoek diverse soort(groep)en t.b.v. bestemmingsplanwijziging Meeslouwerpolder Kenmerk: 20171556/rap02, versie 2, d.d. 6 december 2019

Blz. 16 van 25

6 RESULTATEN OVERIGE SOORTEN 6.1 Flora Bij het flora onderzoek zijn geen beschermde soorten planten aangetroffen in het plangebied. Mogelijk geschikte groeiplaatsen voor dergelijke soorten zijn eveneens niet aangetroffen. In tabel 6-1 is een overzicht opgenomen van de aangetroffen algemene plantensoorten in het plangebied. Tabel 6-1. Waargenomen flora soorten in deelgebied 1 en 2 Meeslouwerpolder. Akkerkool Akkermelkdistel Akkervergeet-mij-nietje Blaartrekkende boterbloem Boerenwormkruid Bosveldkers Duizendblad Echte valeriaan Fijn schapengras Fluitenkruid Gele morgenster Gele plomp Gestreepte witbol Gewone hoornbloem Gewone klit Gewone melkdistel Gewone raket

Gewone smeerwortel Glad walstro Glanshaver Groot hoefblad Groot streepzaad Grote brandnetel Grote kaardebol Grote vossenstaart Grote weegbree Haagwinde Harig wilgenroosje Heen + Oeverbies Heermoes Herderstasje Hondsdraf Hopklaver Jakobskruiskruid

Kleefkruid Klein hoefblad Klein kruiskruid Kleine brandnetel Kleine klaver Kleine varkenskers Knoopkruid Kruipende boterbloem Kruipertje Kruldistel Madeliefje Mannagras Oeverzegge Paarse dovenetel Pinksterbloem Pitrus Raapzaad Ridderzuring

Riet Rode klaver Ruige zegge Ruw beemdgras Scherpe boterbloem Schijfkamille Smalle weegbree Veenwortel Veldereprijs Veldzuring Vertakte leeuwentand Vijfvingerkruid Vogelmuur Waterzuring Witte waterlelie Zachte dravik Zachte ooievaarsbek Zevenblad

Het gehele terrein van deelgebied 1 en 2 kon onderzocht worden, echter 1 schuur kon niet rondom bekeken worden (zie figuur 6-1). De gebouw eigenaar gaf geen toestemming voor betreding van het terrein. Bij evt. sloop van deze schuur in de toekomst is nog een aanvullende flora inventarisatie nodig. Echter gezien de afwezigheid van beschermde soorten in de omgeving is het niet waarschijnlijk dat hier wel geschikte groeiplaatsen voor beschermde flora aanwezig zijn. Er is hier tevens geen bestemmingswijziging voorzien. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in een voor flora gunstige periode (in het groeiseizoen). De aanwezigheid van beschermde soorten kan daarom met zekerheid worden uitgesloten, met uitzondering van de locatie die in figuur 6-1 is weergegeven.

Nader onderzoek diverse soort(groep)en t.b.v. bestemmingsplanwijziging Meeslouwerpolder Kenmerk: 20171556/rap02, versie 2, d.d. 6 december 2019

Blz. 17 van 25

Figuur 6-1. Locatie schuur die niet onderzocht kon worden op de aanwezigheid van beschermde flora wegens het niet verkrijgen van terreintoestemming van de eigenaar (adres: Kniplaan 2). Bron ondergrond: Google Maps.

6.2 Rugstreeppad De rugstreeppad is op geen enkele avond gehoord in het plangebied. Op 11 juni is wel 1 exemplaar gehoord langs de Stompwijkseweg op meer dan 300 m van de westelijke rand van het plangebied. Uit de NDFF zijn enkele waarnemingen bekend nog meer naar het westen tegen de bebouwde kom van Leidschendam aan. Bastaard- en meerkikker zijn wel gehoord. Dit zijn algemene soorten die zijn beschermd onder art. 3.10, maar er geldt tevens een algehele vrijstelling voor deze soorten. De aanwezigheid van rugstreeppad in het plangebied kan worden uitgesloten, omdat 4 veldbezoeken zijn uitgevoerd in de gunstige periode, en daarbij de soort niet is gehoord en tevens niet gezien is. Het is wel een pioniersoort die elk jaar op andere plekken kan opduiken. De watergangen in het plangebied zijn echter niet heel geschikt, zodat ook in andere jaren de rugstreeppad niet te verwachten is. De resultaten van de inventarisatie zijn 3 jaar geldig (omdat de rugstreeppad een Habitatrichtlijn soort is), zodat dit bij ontwikkelingen na 2022 opnieuw beoordeeld moet worden. Landbiotoop wordt tevens niet verwacht aangezien de dichtstbijzijnde waarneming op circa 400 m ligt van de eerste glastuinbouwbedrijven. 6.3 Platte schijfhoren Er zijn zeven monsters genomen in het plangebied. In geen van deze monsters is de platte schijfhoren aangetroffen.

In de monsters was altijd de draaikolkschijfhoren aanwezig en in sommige monsters ook de gewone schijfhorenslak. Dit zijn de landelijk algemeen voorkomende soorten schijfhorens. De aanwezigheid van deze soorten geeft aan dat de monsters op de juiste wijze zijn verzameld, want deze soorten lijken het meest op de platte schijfhoren. Er zijn in totaal 14 locaties bemonsterd, waarbij dus bij de helft helemaal geen schijfhorens zijn aangetroffen (zie figuur 6-2). Dit is een indicatie dat de watergangen niet heel geschikt zijn voor deze soorten. Op basis van visuele inspectie lijken diverse watergangen een slechte waterkwaliteit te hebben dan wel blijkt uit de vegetatie dat deze zeer voedselrijk zijn, dit is ongunstig voor schijfhorens.

Nader onderzoek diverse soort(groep)en t.b.v. bestemmingsplanwijziging Meeslouwerpolder Kenmerk: 20171556/rap02, versie 2, d.d. 6 december 2019

Blz. 18 van 25

Diverse sloten zijn dicht begroeid met kroos(varen), waardoor de onderwatervegetatie weinig licht krijgt. Met het onderzoek in de gunstige periode van het jaar is voldoende onderbouwd dat de platte schijfhoren niet aanwezig is in het plangebied.

Figuur 6-2. Overzicht monsterlocaties platte schijfhoren. Alle locaties zijn onderzocht, maar slechts op de rode locaties waren schijfhoren-achtige slakken aanwezig.

Nader onderzoek diverse soort(groep)en t.b.v. bestemmingsplanwijziging Meeslouwerpolder Kenmerk: 20171556/rap02, versie 2, d.d. 6 december 2019

Blz. 19 van 25

7 EFFECTENANALYSE EN MITIGERENDE MAATREGELEN 7.1 Vleermuizen Binnen de grenzen van het plangebied zijn beschermde functies van vleermuizen aangetroffen. Het gaat om de aanwezigheid van een zomer-, paar- en winterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis. In het vervolg van deze paragraaf worden eventuele effecten en maatregelen beschreven. Omdat op dit moment niet duidelijk is welke maatregelen genomen gaan worden, is aangeven welke effecten mogelijk optreden. Per project dient beoordeeld te worden wat de uiteindelijke effecten zijn en of een ontheffingsaanvraag benodigd is. Effecten Vleermuizen zijn beschermd onder de Europese Habitatrichtlijn (HR). Deze richtlijn is geïmplementeerd in de Wet natuurbescherming, waarbij artikel 3.5 de verbodsbepalingen ten aanzien van HR-soorten bevat. Het is conform dit artikel verboden om (de verbodsbepalingen zijn specifiek voor vleermuizen omschreven): -

Lid 1: vleermuizen te doden of te vangen; Lid 2: vleermuizen opzettelijk te verstoren; Lid 4: de voortplantings- of rustplaatsen van vleermuizen te beschadigen of vernielen; Lid 3/5: niet van toepassing op vleermuizen.

Lid 1. Doden van dieren Bij werkzaamheden zoals het slopen van bebouwing kunnen vleermuizen gedood worden indien niet zorgvuldig wordt gewerkt. De kans hierop is met name aanwezig bij sloop van woningen met een spouwmuur, of bijgebouwen met bakstenen muren, houten daklijsten etc.. Het is uitgesloten dat als gevolg van de werkzaamheden foeragerende of vliegende vleermuizen gedood worden. Het is middels voorzorgsmaatregelen goed mogelijk om doden te voorkomen zodat een ontheffingsaanvraag voor doden niet nodig is. Om een overtreding van lid 1 te voorkomen dient ervoor gezorgd te worden dat ten tijde en op de locatie van de werkzaamheden geen vleermuizen aanwezig zijn. Dit kan gedaan worden door zogenaamde exclusion flaps te plaatsen. Dit zijn een soort luikjes die over de invliegopeningen geplaatst kunnen worden. Hierdoor kunnen de vleermuizen wel naar buiten maar niet meer naar binnen. Lid 2. Opzettelijk verstoren Als gevolg van de mogelijke werkzaamheden kunnen vleermuizen verstoord worden. Het gaat om verstoring van de functies verblijfplaats (wanneer een verblijf verwijderd wordt moet een vleermuis immers noodgedwongen een alternatief zoeken) en vliegroute langs de twee wegen in deelgebied 1 en 2 (bijvoorbeeld door bouwverlichting of een toename van verlichting in de eindfase). Het is middels maatregelen mogelijk om verstoring (zoveel mogelijk) te voorkomen.

- De werkzaamheden overdag uitvoeren; - De (bouw)verlichting gericht gebruiken en niet op groenstructuren richten. Dit is zowel van toepassing tijdens de werkzaamheden als in de gebruiksfase; - Bij sloop van opstallen/woningen met verblijven van vleermuizen: vooraf controleren op afwezigheid vleermuizen dan wel gebruik maken van exclusion flaps. Verstoring van foeragerende dieren of dieren op vliegroute kan daarmee voorkomen worden. Verstoring doordat vleermuizen een ander verblijf moeten zoeken is niet te voorkomen, zodat er bij deelprojecten sprake kan zijn van een ontheffingsplicht. Lid 4. Beschadigen en vernielen van voortplantings- of rustplaatsen In het plangebied zijn één zomerverblijf en vijf paarverblijven van de gewone dwergvleermuis aangetroffen. Omdat zomer- en paarverblijven van solitaire mannetjes ook als winterverblijf kunnen Nader onderzoek diverse soort(groep)en t.b.v. bestemmingsplanwijziging Meeslouwerpolder Kenmerk: 20171556/rap02, versie 2, d.d. 6 december 2019

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=8423df55-f787-4f81-8032-b46756797030