2234 Glastuinbouwgebied Meeslouwerpolder_toelichting_vastgesteld.pdf
Tekst van het document
Afbeelding 16: Gemeten grondwaterstanden aan de Huysitterweg
52
5.6.3.7 Riolering en waterzuivering In de buitengebieden moeten de vuilwaterafvoeren worden aangesloten op de drukriolering. Is deze niet aanwezig, dan kan in uitzonderlijke gevallen een IBA een oplossing bieden. De gemeente heeft in eerste instantie de zorgplicht voor de afvoer van afvalwater. In het buitengebied zamelt de gemeente geen hemelwater in. Overeenkomstig het rijksbeleid wordt het hemelwater en afvalwater zo veel mogelijk gescheiden, mits het doelmatig is. Hierbij wordt de voorkeursvolgorde uit art 29a en de doelmatigheidsdoelstelling uit het bestuursakkoord waterketen 2007 gevolgd. 5.6.3.8 Veiligheid en onderhoud watergangen Rondom het plangebied ligt een aantal primaire en secundaire waterkeringen. De locatie ligt binnen de invloedssfeer van de waterkering die op de Kniplaan is gelegen. Binnen het plangebied liggen geen afvalwatertransportleidingen van Rijnland. In het plangebied zijn geen baggerdepots aanwezig. In 2015/2017 is door Hoogheemraadschap van Rijnland een aantal watergangen gebaggerd. Ten behoeve van het onderhoud van de nieuwe watergangen langs de weg dient een veilige onderhoudsmogelijkheid vanaf de kant aanwezig te zijn.
Afbeelding 17 : ligging regionale waterkeringen met kernzone
53
5.6.3.9 Beheer en onderhoud Rijnland zorgt voor droge voeten, veiligheid en gezond water. Een belangrijk onderdeel hierbij is het reguleren van initiatieven van burgers en bedrijven die het watersysteem kunnen beïnvloeden. Om ervoor te zorgen dat deze initiatieven geen problemen veroorzaken, stelt Rijnland regels hiervoor. Deze staan in de Keur en de daarbij behorende uitvoeringsregels. Op 11 maart 2015 heeft het bestuur van Rijnland een nieuwe Keur en daarbij behorende uitvoeringsregels vastgesteld. Deze regels zijn op 1 juli 2015 in werking getreden. Bij het opstellen van deze nieuwe Keur heeft Rijnland een nieuwe aanpak gebruikt. Niet langer zijn de regels gebaseerd op de gebruikelijke 'nee, tenzij' aanpak, maar gaat Rijnland uit van 'ja, tenzij'. Hierbij geeft Rijnland verantwoordelijkheid, flexibiliteit en vertrouwen waar dat kan en stelt Rijnland regels waar dat moet. De Keur en uitvoeringsregels maken het mogelijk dat het Hoogheemraadschap van Rijnland haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De actuele regels zijn terug te vinden op www.rijnland.net. Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. 5.6.4
Klimaatadaptatie
Gezien de verwachte klimaatverandering waardoor steeds vaker langdurige hevige regen optreedt en hitte vaker voorkomt is het raadzaam om verharding zo mogelijk te beperken, regenwater vast te houden waar het valt en vertraagd af te voeren. Hierdoor worden hoge waterstanden verkleind en daarmee de kans op wateroverlast. Op hitte heeft het aanleggen van groen (en daarmee verharding verminderen) een verminderend effect: het versterkt verdamping wat een verkoelend effect heeft. Voorbeelden hiervan zijn: ontharden / vergroenen van het gebied, toepassen van doorlatende verharding, infiltratie van regenwater in de bodem, platte of flauw hellende daken vergroenen. 5.6.5
Toekomstige ontwikkelingen
Dit plan maakt een transformatie van een deel van de glastuinbouw naar de functie wonen mogelijk. De waterhuishouding is thans afgestemd op de glastuinbouw en een fasegewijze transformatie kan conflicten oproepen tussen de gewenste grondwaterpeilen voor glastuinbouw en de gewenste drooglegging voor woningen. Mogelijk zullen de stuwen van peilvak 12-C hiervoor verlegd moeten worden. Mogelijk zal op de grens glas-wonen een nieuwe kavelsloot aangelegd moeten worden. Voor ieder hierop transformatieplan zal daarom het watertoetsproces met het Hoogheemraadschap van Rijnland vroegtijdig en zorgvuldig doorlopen moeten worden.
54
5.7
Luchtkwaliteit
5.7.1
Inleiding
De regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen is beschreven in titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) en onder andere het Besluit 'niet in betekenende mate bijdragen'. In deze paragraaf, ook wel bekend als de Wet luchtkwaliteit, is de basis gelegd voor een programmasystematiek voor maatregelen en projecten, die geconcretiseerd is in het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In het NSL is geborgd dat vanaf 1 januari 2015 aan de Europese grenswaarden moet worden voldaan. Voor de toetsing aan de luchtkwaliteitsnormen zijn in de praktijk alleen de concentraties stikstofdioxide en fijn stof van belang. In onderstaande tabel zijn de belangrijkste normen voor de beide stoffen samengevat. De concentraties van overige stoffen vormen nergens in Nederland een knelpunt. Stof
Norm
Niveau
Status
Stikstofdioxide (NO2)
Jaargemiddelde
40 µg/m3 grenswaarde geldig vanaf 2015
Fijn stof (PM10)
Jaargemiddelde
40 µg/m3 grenswaarde geldig vanaf 2011
24-uursgemiddelde; 50 µg/m3 grenswaarde geldig vanaf overschrijding is toegestaan op 2011 niet meer dan 35 dagen per jaar. Fijn stof (PM2,5)
Jaargemiddelde
25 µg/m³ grenswaarde geldig vanaf 2015
Tabel X: Grenswaarden NO2 en PM10 In de Wet luchtkwaliteit is bepaald onder welke voorwaarden burgemeester en wethouders een bestemmingsplan mogen vaststellen of wijzigen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van deze bevoegdheid: 1. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; 2. een nieuwbouwproject leidt - al dan niet per saldo - niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; 3. een nieuwbouwproject draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit; d.w.z.: een concentratietoename van niet meer dan 3% van de grenswaarde = 1,2 microgram/m³ voor zowel fijn stof (PM10) als stikstofdioxide (NO2). Deze 3%-grens is in de Regeling NIBM bepaald op 1500 woningen of 100.000 m² kantoren. 4. een nieuwbouwproject past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied. Met grof stof wordt rekening gehouden bij de milieuzonering en wordt niet in het kader van luchtkwaliteit meegenomen.
55
Besluit Niet in Betekende Mate (NIBM) In dit besluit is precies bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; Een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij een ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen 5.7.2
Planspecifiek
Afbeelding 18: Uitsnede NSL - monitoringstool Uit de Atlas voor de Leefomgeving en de NSL-monitoringstool blijkt dat ter plaatse van het plangebied geen overschrijdingen van de grenswaarden optreden of in de toekomst zullen dreigen. Er is dus geen sprake van een feitelijke of dreigende normoverschrijding. Het aantal woningen dat in de toekomst middels de wijzigingsbevoegdheid mogelijk zijn is beperkt, in ieder geval ver beneden de grens van 1500 woningen. Voorliggend bestemmingsplan maakt slechts één woning direct mogelijk. Daarmee ligt de omvang van het plan ruim beneden de zogenaamde NIBM-grens van 1500 woningen, zodat sprake is van een project dat niet danwel niet in betekenende mate bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. In de plansituatie zal het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied en de daarmee samenhangende luchtuitstoot niet in betekenende mate afwijken van de oorspronkelijke situatie. Daarmee is het aannemelijk dat de luchtkwaliteit in de plansituatie niet in betekenende mate zal afwijken van de oorspronkelijke situatie. Conclusies Er is geen sprake is van een feitelijke of dreigende normoverschrijding en het plan veroorzaakt geen in betekenende mate verslechtering van de luchtkwaliteit. De regelgeving rondom luchtkwaliteit vormt dan ook geen beletsel voor het vaststellen van dit plan.
56
5.8
Geluid
5.8.1
Inleiding
Dit plan beoogt de realisatie mogelijk te maken van maximaal 35 nieuwe woningen (geluidgevoelige objecten) binnen daarvoor geselecteerde zoekgebieden, hiervoor zijn wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Voorliggend bestemmingsplan kent planologisch slechts één directe nieuwe woonbestemming. Ingevolge de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) moet voor nieuwe geluidgevoelige objecten die geprojecteerd zijn binnen een geluidszone van een (spoor)weg en/of industrieterrein onderzocht worden in hoeverre de geluidsbelasting van de gevel zal voldoen aan de wettelijke voorkeursgrenswaarden. Binnen het plangebied gelden de onderstaande geluidzones. Wegnaam
Breedte geluidzone
Rijksweg A4
600 m
Stompwijkseweg - Doctor van Noortstraat (60 250 m km/u-zone) Veenpolderseweg
250 m
Kniplaan
250 m
De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeersgeluid bedraagt 48 dB (na aftrek o.g.v. artikel 110g Wgh). Als uit het onderzoek blijkt dat de te verwachten geluidsbelasting de voorkeursgrenswaarde overschrijdt, moet onderzocht worden in hoeverre bron- en overdrachtsmaatregelen mogelijk zijn waarmee alsnog aan de voorkeursgrenswaarde(n) kan worden voldaan. Indien maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn of op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard stuiten, dan kunnen burgemeester en wethouders onder bepaalde voorwaarden een maximaal toegestaan geluidsniveau - hogere grenswaarde - vaststellen. In de Wgh is bepaald dat voor nieuw te bouwen woningen in buitenstedelijk gebied 53 dB (na aftrek o.g.v. artikel 110g Wgh) geldt als maximaal vast te stellen hogere grenswaarde vanwege wegverkeer. De voorwaarden waaronder burgemeester en wethouders hogere waarden kunnen vaststellen, zijn vastgelegd in de Beleidsregel hogere waarden Leidschendam-Voorburg (kenmerk 2010/3089). De Wgh en de beleidsregel bieden de mogelijkheid om per nieuwe woning maximaal één zogenaamde 'dove' gevel toe te passen. Een dove gevel heeft in principe geen te openen delen en zodanige geluidwering dat voor een dergelijke gevel geen toetsing aan de Wgh of vaststelling van een hogere waarde aan de orde zijn.
Als voor overige, niet-dove gevels hogere waarden nodig blijven is ingevolge het Bouwbesluit mogelijk ook onderzoek nodig naar de (extra) gevelgeluidwering die benodigd is om in alle geluidgevoelige ruimten te voldoen aan de maximale binnenwaarde (gecumuleerde geluidsniveau, 33 dB zonder aftrek).
57
5.8.2
Planspecifiek
Voor het plan is een akoestische onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor nieuwe woningen binnen de aangewezen zoekgebieden. Het akoestisch onderzoek wegverkeer (versie 31 mei 2018, M.2017.1103.01 R001 (BK) is opgenomen in bijlage 4. In dit onderzoek zijn de geluidscontouren vanwege de A4, Doctor van Noortstraat / Stompwijkseweg en Verbindingsweg Stompwijk in kaart gebracht. De Kniplaan, Tuinbouwweg en Huyssitterweg zijn buiten beschouwing gelaten omdat de maatgevende verkeersintensiteit op deze wegen zodanig laag is dat mede gezien de indicatieve geluidsbelastingkaart voor 2030 binnen de zoekgebieden geen overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde vanwege deze wegen zijn te verwachten.
Afbeelding 19: Visiekaart Meeslouwerpolder met gearceerde zoekgebieden voor nieuwe woningen In de geluidverkenning zijn de geluidcontouren voor drie situaties in kaart gebracht: 1. Geen extra geluidafscherming (scherm of wal) langs de A4; 2. Een extra geluidafscherming van 2,5 meter hoogte langs de A4; 3. Een extra geluidafscherming van 4,5 meter hoogte langs de A4, In de gebiedsvisie voor dit plan wordt extra geluidafscherming langs de A4 landschappelijk niet inpasbaar en financieel niet haalbaar geacht. Daarom wordt hier verder alleen nader ingegaan op de woningbouwmogelijkheden zonder extra geluidafscherming langs de A4. Voor deze situatie (waarbij gerekend is met geamoveerde eerstelijns (bedrijfs)bebouwing langs de A4) zijn hieronder de geluidcontouren weergegeven op hoogte van de begane grond en de 1e verdieping. Toelichting op de legenda van de figuren: de geluidniveaus zijn aangegeven zonder aftrek conform art. 110g Wgh. De waarde van 53 dB zonder aftrek komt overeen met de voorkeursgrenswaarde van 48 dB na aftrek. De kritische maximale ontheffingswaarde voor geluid is die van de A4 en bedraagt 53 dB na aftrek. Deze waarde is gelijk aan 57 dB zonder aftrek en als klassegrens opgenomen welke in de figuren.
58
Afbeelding 20: Geluidscontour op begane grond (rekenhoogte 1,5 m)
Afbeelding 20: Geluidscontour op 1ste verdieping (rekenhoogte 4,5 m)
59
Uit het onderzoek blijkt dat binnen het gehele zoekgebied voor nieuwe woningen de geluidsbelasting met name vanwege de A4 hoger zal zijn dan de voorkeursgrenswaarde (48 dB na aftrek art. 110g Wgh). In het bij dit plan behorende ontwerpbesluit hogere waarden is gemotiveerd dat extra bron- en overdrachtsmaatregelen (lees: (nog) stiller wegdek en (extra) geluidschermen) waarmee alsnog aan de voorkeursgrenswaarden voldaan kan worden, stuiten op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige (landschappelijke) en financiële aard. Dit betekent dat vaststelling van hogere grenswaarden nodig is om de maximaal 35 nieuwe woningen juridisch mogelijk te kunnen maken. Voor nieuwe woningen in buitenstedelijk gebied is in de Wgh de maximale ontheffingswaarde bepaald op 53 dB na aftrek (= 57 dB zonder aftrek vanwege een rijksweg of 58 dB een andere gezoneerde weg). De wet en de gemeentelijke beleidsregel hogere waarden biedt de mogelijkheid op maximaal 1 gevel per woning een geluidsbelasting boven de maximale ontheffingswaarde toe te staan, mits deze gevel 'doof' wordt uitgevoerd en voor overige gevels voldaan wordt aan de voorwaarden. Samengevat zijn de voorwaarden: de geluidsbelasting vanwege elke gezoneerde weg afzonderlijk mag op maximaal één woninggevel hoger zijn dan de maximale ontheffingswaarde van 53 dB (na correctie o.g.v.
artikel 110g Wgh); deze ene woninggevel moet als 'dove' gevel worden uitgevoerd; de geluidsbelasting vanwege elke gezoneerde weg afzonderlijk mag op tenminste één woninggevel niet hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde, 48 dB (na correctie o.g.v. artikel 110g Wgh); de geluidsbelasting vanwege elke gezoneerde weg afzonderlijk mag ter plaatse van tenminste één bij de woning behorende buitenruimte (terras, tuin of balkon) niet hoger zijn dan 53 dB (na correctie o.g.v. artikel 110g Wgh). Binnen de rode contour op de figuren is de geluidsbelasting op de hoogstbelaste gevel (veelal gericht naar de A4) hoger dan 60 dB zonder aftrek en moet de hoogstbelaste gevel dus doof worden uitgevoerd én zal bij de zijgevels extra geluidreductie moeten worden gerealiseerd om te zorgen dat de geluidsbelasting op de zijgevels niet hoger zal zijn dan de maximale ontheffingswaarde. Binnen de oranje contour (57 - 60 dB zonder aftrek) is ook een dove gevel nodig maar is naar verwachting geen extra geluidreductie bij zijgevels nodig om daar te voldoen aan de maximale ontheffingswaarde. Binnen de gele contour zijn geen dove gevels nodig. Binnen de groene contour vormt verkeersgeluid geen beperkingen voor woningbouw. Conclusie Om binnen het plan maximaal 35 nieuwe woningen mogelijk te kunnen maken, is de vaststelling van hogere waarden ingevolge de Wet geluidhinder nodig.
Bij elke aanvraag omgevingsvergunning bouwen voor een nieuwe woning moet een akoestisch onderzoeksrapport worden overlegd waarin aangetoond wordt dat aan de voorwaarden wordt voldaan die aan het besluit hogere waarden zijn verbonden, te weten: de geluidsbelasting vanwege elke gezoneerde weg afzonderlijk mag bij maximaal één gevel hoger zijn dan de maximale ontheffingswaarde van 53 dB (na correctie o.g.v. artikel 110g Wgh); deze ene gevel moet als 'dove' gevel* worden uitgevoerd; de geluidsbelasting vanwege elke gezoneerde weg afzonderlijk mag op tenminste één gevel niet hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde, 48 dB (na correctie o.g.v. artikel 110g Wgh); de geluidsbelasting vanwege elke gezoneerde weg afzonderlijk mag ter plaatse van tenminste één bij de woning behorende buitenruimte (terras, tuin of balkon) niet hoger zijn dan 53 dB (na correctie o.g.v. artikel 110g Wgh). Verder moet ingevolge het Bouwbesluit via onderzoek naar de benodigde gevelgeluidwering aangetoond worden dat de gecumuleerde geluidsbelasting vanwege wegverkeer in alle geluidgevoelige ruimten van de woning voldaan zal worden aan de maximale binnenwaarde van 33 dB (zonder correctie o.g.v. artikel 110g Wgh).
60
5.9
Flora en Fauna
5.9.1
Inleiding
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. De Wet natuurbescherming vervangt drie actuele wetten: de Flora- en faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. In de Wet natuurbescherming is de bescherming van soorten en gebieden vastgelegd. Verantwoording soortenbescherming De toets aan de natuurwetgeving is een getrapte toets. Allereerst is een quickscan flora en fauna (natuurtoets) nodig. De resultaten van de quickscan bepalen of een vervolgonderzoek uitgevoerd moet worden. Een voorbeeld van een vervolgonderzoek is een onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen of andere beschermde soorten. Het plan kan soms onder bepaalde voorwaarden worden uitgevoerd als er negatieve effecten worden verwacht, bijvoorbeeld door het nemen van maatregelen om negatieve effecten te verminderen of te voorkomen. Er is meestal een ontheffing nodig van de provincie als negatieve effecten niet voorkomen kunnen worden. Verantwoording gebiedsbescherming Vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn er natuurgebieden aangewezen die beschermd zijn. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden. Deze gebieden zijn uitgesplitst in Habitatrichtlijngebieden en Vogelrichtlijngebieden. Binnen de diverse Natura 2000-gebieden komen een aantal stikstofgevoelige habitattypen voor 5.9.2
Planspecifiek
5.9.2.1 Quickscan flora & fauna In het kader van het opstellen van voorliggend bestemmingsplan is onderzoek gedaan naar bovengenoemde wet - en regelgeving. ATKB, adviesbureau voor bodem, water en ecologie heeft een quickscan flora & fauna uitgevoerd om de aanwezigheid van flora & fauna binnen het plangebied te beoordelen. De uitgevoerde quickscan is toegevoegd als bijlage 6 aan voorliggend bestemmingsplan. Resultaten en conclusies Op basis van de quickscan kan vastgesteld worden dat er in het plangebied mogelijk verblijfplaatsen aanwezig zijn voor vleermuizen (gewone dwergvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, watervleermuis en meervleermuis). Jaarrond beschermde broedvogels huismus, gierzwaluw en kerkuil kunnen mogelijk binnen de grenzen van het plangebied tot broeden komen. De jaarrond beschermde ransuil kan mogelijk vaste rustplaatsen hebben in het plangebied. Ook voor broedvogels van cat. 5 en algemene broedvogels is geschikt broedbiotoop aanwezig. De rugstreeppad maakt mogelijk gebruik van het plangebied als voortplantingsbiotoop en landhabitat. De sloten in het plangebied zijn mogelijk geschikt als leefgebied voor de platte schijfhoren. Mogelijk komen tevens beschermde florasoorten voor. Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van vleermuizen, broedvogels (cat. 1-5), rugstreeppad, platte schijfhoren en beschermde flora is noodzakelijk.
Het aanvullende onderzoek zal aantonen of de genoemde beschermde flora & fauna soorten daadwerkelijk binnen het plangebied aanwezig zijn en of een ontheffingsaanvraag bij de provincie Zuid Holland noodzakelijk is.
61
5.9.2.2 Aanvullend onderzoek flora & fauna Uit de quickscan die ATKB heeft uitgevoerd blijkt dat de werkzaamheden die in het kader van de bestemmingsplanwijziging uitgevoerd worden mogelijk effect hebben op (functies van) beschermde soorten (bijlage 6). Om daar uitsluitsel over te geven is nader soort(groep)gericht onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen, jaarrond beschermde broedvogels, platte schijfhoren, beschermde flora en rugstreeppad. Het aanvullende onderzoek is toegevoegd als bijlage 7 aan voorliggend bestemmingsplan. Resultaten en conclusies Het aanvullend onderzoek flora & fauna heeft plaatsgevonden tussen september 2018 en augustus 2019 en is ook uitgevoerd door ATKB. Binnen het plangebied zijn beschermde functies van vleermuizen aanwezig. Er zijn één zomerverblijf en vijf paarverblijven/-territoria aanwezig en waarschijnlijk zijn er meer zomerverblijven aanwezig. Ook de functie overwintering is daarmee waarschijnlijk, maar het gaat dan alleen om kleinschalige verblijven voor één of enkele individuen. Tevens fungeren de ontsluitingswegen als vliegroutes. Aan de zuidkant van het plangebied is een groene zone aanwezig met een kleine waterplas, dit betreft een essentieel foerageergebied. De ransuil heeft een nest in de achtertuin van een woning. De huismus is verspreid in deelgebied 1 aanwezig.
De boomvalk heeft een deel van zijn territorium in het plangebied, maar een nestlocatie is niet vastgesteld. Beschermde flora, gierzwaluw, kerkuil, rugstreeppad en de platte schijfhoren zijn niet aangetroffen in het gebied. Ontheffing Het wijzigen van het bestemmingsplan heeft geen direct negatieve effecten op beschermde soorten. De ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt hebben niet direct een overlap met het leefgebied van beschermde soorten. Het is echter op (toekomstige) deelproject niveau wel nodig om een nadere effectanalyse (en mogelijk nader onderzoek) uit te voeren voor de mogelijke effecten op: Vleermuizen (verblijfplaatsen, vliegroutes en essentieel foerageergebied) Ransuil (deelgebied 2) Huismus (deelgebied 1) Voor het wijzigen van het bestemmingplan is geen ontheffing op de Wet natuurbescherming benodigd. Mogelijk dat voor de uitvoering van deelprojecten een ontheffing wel aan de orde is. Bij wijziging van de voorgenomen ingreep dient een hernieuwde toetsing plaats te vinden. Uit onderzoek is gebleken dat de (thans) voorgenomen ingrepen, waaronder de Tuinbouwweg 7/7a, niet leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming en dat dus geen ontheffing nodig. Geconcludeerd kan worden dat het aspect flora & fauna geen belemmering vormt voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
62
5.10
Externe Veiligheid
5.10.1 Inleiding Het in werking treden van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) op 27 oktober 2004 impliceert dat bij alle ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden met de veiligheidsnormen uit dit besluit. Het Externe veiligheidsbeleid moet ervoor zorgen dat: De kans op incidenten (in principe) zo klein mogelijk is; Het schadelijke effect zo klein mogelijk is in het geval van een incident. 5.10.1.1
Toetsingskader
Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico's, transportrisico's en risico's die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij/zij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. 5.10.1.2
Risicovolle inrichtingen
Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Voor het PR geldt volgens het Bevi een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten op een niveau van 10-6 per jaar. Binnen de 10-6-contour mogen dan ook geen nieuwe kwetsbare functies mogelijk worden gemaakt. Uitsluitend om gewichtige redenen mogen nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen de 10-6-contour gerealiseerd worden. Daarnaast bevat het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR rondom deze inrichtingen. Tot risicovolle inrichtingen behoren ook mijnbouwinrichtingen en inrichtingen voor de opslag van explosieven. 5.10.1.3
Buisleidingen
Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking (Bevb) getreden. Voor nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten geldt dan een richtwaarde van 10-6 per jaar. Langs buisleidingen moeten belemmeringenstroken in acht worden genomen waarbinnen geen bebouwing (zowel boven- als ondergronds) of ondergrondse tanks zijn toegestaan. Daarnaast hanteert de Gasunie de Algemene VELIN voorwaarden voor grondroer- en overige activiteiten. De noodzaak voor het verantwoorden van het groepsrisico wordt beoordeeld op grond van de inventarisatieafstanden zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 6 van het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen - Handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen van maart 2010.
63
Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevb situaties waarin een ‘volledige’ verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Er zijn twee situaties waarin volstaan, kan worden met een beperkte verantwoording: Indien het bestemmingsplan betrekking heeft op het gebied tussen de 100% letaliteitszone en de 1% letaliteitszone van de buisleiding, of Wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft. 5.10.1.4
Transport gevaarlijke stoffen
Op 1 april 2015 zijn de Wet basisnet en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. De Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is daarmee komen te vervallen. De wegen in beheer bij het Rijk zijn aangewezen als basisnetroute. Het bevoegd gezag neemt bij het vaststellen van een besluit dat betrekking heeft op gronden in de omgeving van een basisnetroute, ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten, de basisnetafstand in acht en houdt daarmee rekening ten aanzien van nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten. De basisnetafstand volgt uit bijlage I van de Regeling basisnet. Daarnaast worden voor daartoe aangewezen rijkswegen binnen een zone van 30 meter vanaf de rand van de rijksweg beperkingen opgelegd vanwege eventuele plasbranden (plasbrandaandachtsgebied). De aanwijzing volgt eveneens uit bijlage I van de Regeling basisnet. Het betreft dezelfde wegvakken als hierboven genoemd. 5.10.2 Planspecifiek 5.10.2.1
Aanwezigheid risicobronnen
Voor de inventarisatie van de risicobronnen is gebruik gemaakt van de Regionale risicokaart in beheer bij de Omgevingsdienst Haaglanden. Ter plaatse van en in de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen risicovolle bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Er zijn ook geen inrichtingen aanwezig met opslag van consumentenvuurwerk. Aan de Huyssitterweg 1 bevindt zich een gasreduceerstation type C. Rond dit station geldt een veiligheidscontour van 15 m waarbinnen geen kwetsbare objecten zijn toegestaan. Over de spoorbaan Den Haag-Leiden vindt geen regulier transport van gevaarlijke afvalstoffen plaats. Het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor is voor onderhavig plangebied daarom geen relevante (belemmerende) factor. Over de Vliet vindt incidenteel vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De Vliet is echter niet aangeduid als vaarweg waarmee specifiek rekening gehouden moet worden op het gebied van externe veiligheid. Het plangebied ligt binnen 200 meter van een transportroute gevaarlijke stoffen (rijksweg A4). Het groepsrisico dient daarom te worden verantwoord. Over het traject langs het plangebied vindt naast het vervoer van LPG (maatgevend voor de hoogte van het groepsrisico) ook vervoer van giftige gassen en giftige vloeistoffen plaats. Het invloedsgebied bedraagt 4 km.
Dit betekent dat het plangebied in zijn geheel binnen het invloedsgebied is gelegen. Op grond van de Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 6 juni 2013, tot wijziging van de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (actualisering kaartbijlagen en herstel van enkele gebreken) zijn reserveringsgebieden langs rijkswegen aangewezen. Deze regeling is opgenomen in de Staatscourant van 14 juni 2013, nr. 14318. Deze regeling is op 1 juli 2013 in werking getreden. Langs de A4, aan beide zijden, geldt ter hoogte van de Meeslouwerpolder een reserveringsgebied van 34 meter, gerekend vanaf de buitenkant van de buitenste rijbaan.
64
In en in de nabijheid van het plangebied liggen buisleidingen van de Gasunie (hogedruk aardgastransport). Deze buisleidingen zijn in onderstaande figuur weergegeven.
Afbeelding 21: Buisleidingen Gasunie (hogedruk aardgastransport) Risicoanalyse Door adviesbureau AVIV is een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) uitgevoerd waarin de 10 -6 per jaar plaatsgebonden risicocontouren en het groepsrisico vanwege de buisleidingen en het vervoer van gevaarlijke stoffen over rijksweg A4 zijn bepaald. Het rapport van 6 april 2018, kenmerk,183572, is als Bijlage 8 toegevoegd. De berekende 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontouren vanwege het transport van gevaarlijke stoffen over de weg treden niet buiten het profiel van de rijksweg. De contouren hoeven daarom niet op de verbeelding te worden weergeven en vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkelingen. Een klein deel van het plangebied ligt binnen de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour van één van de buisleidingen. Binnen deze zone mogen kwetsbare objecten (woningen, zorginstellingen) niet en beperkt kwetsbare objecten slechts in uitzonderlijke gevallen worden geprojecteerd. Deze zone valt overigens samen met het reserveringsgebied van rijksweg A4. Uit het onderzoek blijkt dat het groepsrisico voor zowel de buisleidingen als het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg lager is dan 10% van de oriëntatiewaarde. Daarmee volstaat een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Zelfredzaamheid De risicobronnen zijn geconcentreerd aan de noordzijde van het plangebied.
De A4 vormt een barrière waardoor de natuurlijk vluchtweg naar het zuiden gericht is, van de risicobronnen af. Bij de verdere inrichting van het gebied wordt hiermee rekening gehouden (geen aaneengesloten bebouwing of sloten haaks op de vluchtroute). Bij het optreden van een calamiteit waarbij een giftige wolk vrijkomt, is schuilen de meest veilige optie. Deuren en ramen dienen gesloten te worden gehouden.
65
Sinds 11 juni 2012 kunnen bewoners in Nederland snel geïnformeerd worden in geval van een (dreigende) calamiteit met gevaarlijke stoffen door de inzet van NL-Alert, een waarschuwings- en alarmeringssysteem van de overheid voor de mobiele telefoon (sms-bericht). NL-Alert beperkt zich niet alleen tot het waarschuwen maar meldt ook dát er iets aan de hand is en wat mensen moeten doen. Via de meldkamer van de regionale Brandweer wordt het bericht naar de dichtstbijzijnde GPRS-zendmast gestuurd. Omdat het bericht naar een specifiek zendgebied wordt gestuurd, kan informatie toegesneden op de situatie (bijvoorbeeld bij het vrijkomen van een gifwolk) worden geleverd. Omdat in het gebied buisleidingen liggen, dienen in de planregels voorschriften met betrekking tot de belemmeringenstroken te worden opgenomen. Dit geldt ook voor het deel van het plangebied dat binnen het reserveringsgebied en het plasbrandaandachtsgebied van de A4 is gelegen.
66
5.11
Kabels en leidingen
5.11.1 Inleiding Er kunnen planologische relevante kabels en/of leidingen in het plangebied liggen. Ze kunnen ook in de omgeving voorkomen. Voorbeelden zijn hoofdnutsvoorzieningen. Dit kunnen leidingen voor het transport van giftige, brandbare en/of ontplofbare stoffen zijn. Daarnaast zijn aardgasleidingen, hoogspanningsleidingen en afvalwaterleidingen ook voorbeelden. Deze leidingen worden bestemd als ze voorkomen in het gebied. Met het geldende bestemmingsplan kan worden vastgesteld welke maatregelen, overleggen en/of rapporten nodig zijn voor een ruimtelijke ontwikkeling. Op basis van het geldende bestemmingsplan kan dan vastgesteld worden welke maatregelen, overleggen en/of rapporten noodzakelijk zijn om een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk te maken. 5.11.2 Planspecifiek Zoals in paragraaf 5.11 is geconstateerd lopen er door het plangebied geen hoofdgastransportleidingen, zoals onderstaande figuur weergeeft. De van belang zijnde transportleidingen lopen ten zuiden en westen van de Rietvink, deze zullen in het bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Leiding - Gas' toegewezen krijgen. Er zijn geen andere planologisch relevante leidingen (elektriciteit e.d.) die speciale bescherming behoeven in het bestemmingsplan.
Afbeelding 22: Aardgasleidingen binnen het plangebied
67
5.12
Duurzaam bouwen
5.12.1 Inleiding In het in 2009 vastgestelde Klimaatplan Leidschendam-Voorburg 2009-2020 (zie raadsbesluit 2009/11053) staan uitgangspunten voor de doelgroep woningen geformuleerd, de doelgroep die met name ook van belang is binnen dit bestemmingsplan: De gemeente kiest voor integrale woonkwaliteit. Naast energiebesparing betekent dit bijvoorbeeld ook meer comfort in woningen en een gezond binnenklimaat. Energiebesparing mag nooit ten koste van de gezondheid van bewoners en de gemeente blijft daarom het belang van goede ventilatie benadrukken. Voor de grotere projecten (met meer dan één woning) vindt toetsing plaats met het instrument GPR gebouw waarmee de duurzaamheidskwaliteit wordt bepaald; Bij alle nieuwbouwwoningen wordt gestreefd naar 10% verlaging van de EPC-norm, zoals voorgeschreven in het Bouwbesluit. Woningen worden flexibel gebouwd met het idee dat deze op termijn energieneutraal moeten worden. Zo kan worden besloten om woningen geschikt te maken voor latere toepassing van zonne-energie of lage temperatuur verwarming; De gemeente drukt de CO2-reductie bij nieuwbouw vanaf 200 woningen en herstructurering uit in de Energie Prestatie op Locatie (EPL). Bouwen volgens de minimumeisen levert bij nieuwbouw een EPL van 6,6 op, een energieneutrale locatie levert een EPL van 10 op.
Voor alle nieuwbouwwoningen met meer dan 200 woningen wordt, afhankelijk van de locatie en het type bouwproject, een minimale EPL gerealiseerd van 7,0 tot 8,0. In het kader van het klimaatbeleid wordt gestreefd naar het opnemen van collectieve duurzame energieopties in bestemmingsplannen en bouwplannen. Een energievisie geeft voor grotere bouwprojecten de mogelijkheden aan voor duurzame energiemogelijkheden binnen Leidschendam-Voorburg. 5.12.2 Planspecifiek De ambities en afspraken op het gebied van duurzaam bouwen zijn vastgelegd in de beleidsnota Duurzaam bouwen (Dubo) van de gemeente, geactualiseerd op het onderdeel energie door het Klimaatplan 2009-2020. Hierin zijn de ambities en doelstellingen op rijks-, provinciaal- en regioniveau vertaald naar het gemeentelijk werkveld. In de nota Duurzaam bouwen (2004-2009) zijn drie onderdelen als eis opgenomen voor gemeentelijke initiatieven (raadsbesluit 2004-1781). De drie verplichte maatregelen zijn: 1. Indien hout wordt toegepast, pas dan duurzaam geproduceerd hout toe. Dit is met name hout met het FSC-keurmerk (Forest Stewardship Council), conform FSC-convenant met Haaglanden; 2. Vermijd consequent het gebruik van zink, lood en koper voor zover blootgesteld aan de buitenlucht en gebruik geen koper voor waterleidingen; 3. Beperk zoveel mogelijk het gebruik van PVC in alle bouwdelen.
Indien gebruik wordt gemaakt van PVC, gebruik dan gerecycled PVC en PVC waarvoor een retoursysteem bestaat. De drie genoemde maatregelen worden waar mogelijk vastgelegd in intentie- of samenwerkingsovereenkomsten met andere ontwikkelende partijen. De beleidslijn is dat de gemeente werkt met het instrument GPR-gebouw. De gemeente gebruikt dit meetinstrument om de Dubo-prestatie van eigen projecten zichtbaar te maken en bevordert het gebruik van het instrument door derden.
68
GPR-gebouw is een veelgebruikt hulpmiddel voor het maken van duurzaamheidkeuzen bij nieuwbouw en renovatie van woningen, utilitaire gebouwen en scholen. GPR-gebouw is een praktische en gebruiksvriendelijke onlineapplicatie om plankwaliteit en milieubelasting van een project is samenhang te optimaliseren. De prestaties worden uitgedrukt in rapportcijfers. Hierbij behaal je een 6 als je bouwt volgens het Bouwbesluit. Het steven naar een maximale duurzaamheid wordt vertaald in een score van 10. Welke score behaald dient te worden is vooralsnog afhankelijk van het project. Het gemeentelijke duurzaamheidsbeleid is constant in ontwikkeling. Toekomstige ontwikkelingen binnen het plangebied, o.a. met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid, dienen getoetst te worden aan het op dat moment gelden beleidskader van de gemeente.
69
Hoofdstuk 6
Cultureel erfgoed
6.1
Archeologisch erfgoed
6.1.1
Algemeen
6.1.1.1 Zorgplicht De archeologische zorgplicht wordt door de gemeente via het bestemmingsplan en vergunningverlening uitgevoerd. Als bevoegd gezag kan de gemeente initiatiefnemers verplichten een omgevingsvergunning aan te vragen, indien zij werkzaamheden willen gaan uitvoeren die de bodem verstoren. De aanvrager van de omgevingsvergunning dient bij de aanvraag een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein, naar het oordeel van het bevoegd gezag, in voldoende mate is vastgesteld. Hiernaast dient in het rapport inzichtelijk te worden gemaakt of de geplande bodemingrepen consequenties hebben voor het bodemarchief in het plangebied. Als de uitslag van het onderzoek is dat een belangrijke vindplaats zal worden verstoord, kan de gemeente verlangen dat het plan moet worden aangepast. Als dit niet mogelijk is neemt de gemeente een besluit: de omgevingsvergunning kan worden geweigerd, of er worden aan de vergunning nadere voorwaarden gesteld, zoals het treffen van maatregelen om de archeologische resten in de bodem te behouden, of de verplichting tot het verrichten van archeologisch onderzoek. 6.1.1.2 Uitvoering De uitvoering van de archeologische zorgplicht is gebaseerd op de driehoek overheid (gemeente), initiatiefnemer ('veroorzaker') en archeologisch uitvoerder.
De gemeente is bevoegd gezag, regisseert het archeologische onderzoeksproces, stelt eisen, toetst en besluit; de initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het (laten) uitvoeren van het benodigde onderzoek en de kosten daarvan; de uitvoerder is een door het rijk erkend archeologisch bedrijf of organisatie die het onderzoek conform de eisen uitvoert. Conform het wettelijke veroorzakersprincipe is de initiatiefnemer/ vergunningaanvrager verantwoordelijk voor de kosten: dit geldt voor alle fasen van vooronderzoek, maar ook (wanneer het besluit tot opgraving of archeologische begeleiding is genomen) voor de kosten van een archeologische begeleiding of opgraving, inclusief de uitwerking en rapportage daarvan. Om te voldoen aan deze nieuwe 'vraag naar archeologie' is een archeologische markt in het leven geroepen: sinds 2001 zijn er in Nederland vele archeologische bedrijven (uitvoerend en adviserend) actief. Initiatiefnemers mogen hieruit zelf een keuze maken, mits de archeologische partij erkend is. Om de kwaliteit van onderzoek in dit geliberaliseerde bestel te borgen, zijn namelijk alle onderdelen van het archeologische proces, de producten en actoren beschreven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en houdt de Erfgoedinspectie toezicht. Bedrijven moeten zich laten erkennen en certificeren voordat zij archeologisch onderzoek mogen verrichten.
70
6.1.1.3 Uitgangspunten archeologische monumentenzorg Het belangrijkste doel van de nieuwe wet is de bescherming van het bodemarchief door het reguleren van bodemverstorende activiteiten. Uitgangspunt is de aanwezige of te verwachten archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem (in situ) te behouden of te ontzien. Alleen als in situ behoud niet mogelijk is, wordt overgegaan tot behoud ex situ, d.w.z. behoud van informatie door het verrichten van een opgraving en het opslaan van gegevens en vondsten. De verantwoordelijkheid voor het archeologische erfgoed ligt bij de gemeenten, die binnen de kaders van de wetgeving - dienen te beschikken over een gemeentelijke beleidsnota archeologie en een beleidskaart archeologie. Gemeenten zijn verplicht om bij nieuwe bestemmingsplannen rekening houden met archeologie en kunnen archeologische randvoorwaarden opleggen aan omgevingsvergunningen. Het is ook mogelijk dat een vergunning in het belang van de archeologische monumentenzorg niet wordt verleend. De initiatiefnemer van de bodemverstorende activiteit moet het door de gemeente verplicht gestelde archeologische onderzoek en de eventuele inpassing van archeologische waarden in de planontwikkeling en -uitvoering zelf regelen en ook zelf betalen (principe 'de verstoorder betaalt').
Elk archeologisch veldonderzoek dient te worden uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) door een bedrijf met een opgravingsvergunning. De wet regelt dus de te volgen procedures en de financiering van archeologisch (voor)onderzoek en ook het eigendom en beheer van archeologische vondsten. Gelet op de bedoelingen van Malta en de consequenties van de nieuwe wet voor provincies, verschuift de beleidsinzet nog nadrukkelijker van toetsing op archeologische aspecten bij ruimtelijke plannen achteraf naar inbedding van deze aspecten vooraf, van alleen regels handhaven naar meedenken en van behoud van archeologische waarden sec naar behoud en benutting van deze waarden. 6.1.1.4 Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en de Archeologische Monumenten Zorg cyclus De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) is een door de archeologische beroepsgroep gedragen document dat eisen stelt aan de uitvoering en uitvoerders van archeologische werkzaamheden. Het gebruik van de KNA is verankerd in het Nederlandse archeologiebestel door middel van het Besluit archeologische Monumentenzorg (BAMZ), (zie ook art. 24, lid 1 van de BAMZ). Archeologisch onderzoek wordt in de regel gefaseerd uitgevoerd. Dit wordt de Archeologische MonumentenZorg (AMZ) cyclus genoemd. De AMZ-cyclus bestaat uit de volgende stappen: A.
Inventariserend onderzoek Een inventariserend onderzoek begint met een bureauonderzoek, eventueel aangevuld met enkele controleboringen. Doel hiervan is het opstellen van een gespecificeerde verwachting van het plangebied. Als uit dit onderzoek blijkt dat op de betreffende locatie geen waardevolle archeologische resten aanwezig zijn of verwacht worden, hoeft geen vervolgonderzoek te worden uitgevoerd; Als uit het bureauonderzoek blijkt dat er wel waardevolle archeologische resten aanwezig (kunnen) zijn, of als het bureauonderzoek geen uitsluitsel geeft over mogelijk aanwezige archeologische resten, zal een inventariserend veldonderzoek moeten plaatsvinden. Meestal gebeurt dit in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. In uitzonderingsgevallen (zie KNA) zijn archeologische begeleidingen toegestaan. Het inventariserende veldonderzoek heeft tot doel vast te stellen of er archeologische waarden aanwezig zijn en wat de kenmerken hiervan zijn (aard, datering, enz.). Vervolgens vindt een waardering plaats van de aangetroffen resten conform de criteria van de KNA en wordt aan het bevoegd gezag een advies uitgebracht over de te nemen vervolgstappen.
71
B. Besluit Op basis van de resultaten van het (waarderend) inventariserend onderzoek neemt het bevoegd gezag, de gemeente Leidschendam-Voorburg, een besluit over de te nemen vervolgstappen: behoud van de archeologische resten in de bodem, aanvullend onderzoek, vrijgave of een combinatie van dezen. C. Vervolgstappen Indien het bevoegd gezag besluit dat de archeologische resten zo waardevol zijn dat zij in de bodem bewaard moeten blijven, kan dit betekenen dat bijvoorbeeld een vergunning voor een bouwactiviteit niet of onder voorwaarden wordt verstrekt, of dat planaanpassing moet plaatsvinden. Als er wel waardevolle archeologische resten aanwezig zijn, maar deze niet in aanmerking komen voor behoud, zal aanvullend onderzoek moeten plaatsvinden. Dit zal meestal betekenen dat er een opgraving wordt uitgevoerd. In uitzonderingsgevallen wordt een archeologische begeleiding toegestaan. Bij afwezigheid van archeologische resten of indien aanwezige archeologische resten niet worden bedreigd door de voorgenomen werkzaamheden, wordt de betreffende locatie vrijgegeven. De AMZ-cyclus is afgerond als de rapporten van alle uitgevoerde onderzoeken door het bevoegd gezag zijn goedgekeurd en eventuele beschermende maatregelen zijn genomen. In onderstaand schema is de AMZ-cyclus in hoofdlijnen weergegeven:
72
Afbeelding 23: de KNA-processen in relatie tot het AMZ-proces
73
6.1.1.5 Kosten Archeologische MonumentenZorg De kosten van alle onderzoeken en maatregelen die plaats dienen te vinden volgens de AMZ-cyclus komen rechtstreeks voor rekening van de initiatiefnemer van een bodemverstorende activiteit. Als al deze stappen doorlopen zijn en de rapportages van de archeologische onderzoeken zijn goedgekeurd door het bevoegd gezag heeft de initiatiefnemer aan zijn verplichtingen voldaan en is het archeologische onderzoek in principe afgerond. Indien er bij uitvoering van de werkzaamheden vervolgens alsnog onverwachts archeologische vondsten worden gedaan, is de initiatiefnemer conform art. 53 van de Monumentenwet verplicht deze te melden bij het bevoegd gezag en gelegenheid te geven tot archeologisch onderzoek. 6.1.1.6 Archeologie Afweging Het bevoegd gezag dient tussen de archeologische en andere maatschappelijke belangen een verantwoorde afweging te maken. De gemeente kan aangeven welke archeologische vindplaatsen dienen te worden behouden door inpassing en welke door middel van opgravingen. Inpassing kan bijvoorbeeld plaatsvinden door aanpassing van het stedenbouwkundig plan of het ontwerp. Wanneer dat niet mogelijk blijkt moet de aanwezige archeologie veilig worden gesteld door middel van opgravingen. Daarnaast kan de gemeente ook, beargumenteerd, aangeven welke er mogen worden opgegeven.
Besluiten dienen te berusten op een deugdelijke motivering (artikel 3:46 Awb). De overheid die heeft bepaald dat er onderzoek moet plaatsvinden (of niet) is verder verplicht inzicht te geven in de achterliggende argumenten en de wijze waarop eventueel tegengestelde belangen tegen elkaar zijn afgewogen (artikelen 3:2 en 3:4 Awb). 6.1.1.7 Beleidsregels bij de archeologische beleidskaart In 2014 heeft de gemeente Leidschendam-Voorburg haar archeologiebeleid herijkt, en de 'Nota archeologie: herijking 2013' opgesteld. In dit archeologiebeleid zijn vier verschillende archeologische 'waarderingsgebieden' aangegeven: Waarde-Archeologie 1 tot en met 4. Voor elk van de 'waarderingsgebieden', geldt een verschillend regime, afhankelijk van de archeologische waarde of archeologische verwachting. De verschillen waarderingsgebieden hebben verschillende vrijstellingsgrenzen. Voor bodem ingrepen groter dan de aangegeven vrijstelling (oppervlakten en diepte) dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd.
74
Afbeelding 24: Archeologische beleidskaart (plangebied globaal weergegeven met rode cirkel) De vier waarderingsgebieden zijn: Waarde-Archeologie 1
Archeologisch rijksmonument
Waarde-Archeologie 2
Gebieden met een hoge of zeer hoge archeologische waarde
Waarde-Archeologie 3
Gebieden met een hoge archeologische waarde of verwachting
Waarde-Archeologie 4
Gebieden met een lage archeologische waarde
6.1.2
Bestemmingsplan Glastuinbouwgebied Meeslouwerpolder
6.1.2.1 Inleiding Aanleiding voor het voorliggende bestemmingsplan is de beoogde ontwikkeling van het glastuinbouwgebied. 6.1.2.2 Archeologisch onderzoek quickscan In de directe omgeving zijn diverse archeologische onderzoeken uitgevoerd ten zuiden en zuidoosten van het plangebied (Nales, T., 2016: Archeologisch bureauonderzoek Verbindingsweg Stompwijk, Gemeente Leidschendam-Voorburg, Transect-rapport 821, Utrecht en Nales, T., 2016: Inventariserend Veldonderzoek (karterende fase) Stompwijk Verbindingsweg, Gemeente Leidschendam-Voorburg, Transect-rapport 953, Utrecht).
75
Uit deze onderzoeken bleek dat op een aantal plekken ten zuiden van het plangebied sprake is van een hoge archeologische verwachting op archeologische resten uit de IJzertijd-Romeinse tijd. Op deze plekken zijn namelijk vanaf een diepte van ca. 2,4 meter-NAP bodemkundige en archeologische aanwijzingen gevonden die mogelijk op de aanwezigheid van een nederzetting kunnen duiden. Binnen het plangebied Meeslouwerpolder zijn de bodemkundige omstandigheden niet vergelijkbaar met het zuidelijke gedeelte. Het gehele plangebied Meeslouwerpolder ligt namelijk op ca. 4 meter-NAP. Hiermee zijn de eventueel aanwezige archeologische lagen bij de ontginning van het plangebied waarschijnlijk met de afgravingen verdwenen. Hierdoor is de kans op het aantreffen van archeologische resten laag, maar desondanks geldt er nog wel een verwachting en daarmee een archeologisch onderzoeksplicht. Nader onderzoek kan daadwerkelijk aantonen of de waarden zijn verdwenen in het plangebied of dat deze nog aanwezig zijn.
Afbeelding 25 de Algemene Hoogtekaart Nederland laat duidelijk zien dat het plangebied met de ontginning is afgegraven tot circa 4,0 meter-NAP. 6.1.2.3 Dubbelbestemming Waarde-Archeologie In het voorliggende bestemmingsplan zijn op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek regels opgenomen ter bescherming van in het gebied aanwezige of te verwachten waarden. Op de van dit bestemmingsplan deel uitmakende verbeelding zijn de betreffende gronden aangewezen voor de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde Archeologie 4'. Voor werkzaamheden in deze plandelen, die de bodem en mogelijk daarin aanwezige archeologische waarden verstoren, is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden en werken, geen gebouwen zijnde ('aanlegvergunning') vereist zoals bepaald in de regels behorende bij de desbetreffende dubbelbestemmingen. Daarmee is voorzien in een adequate juridisch-planologische bescherming van het in het plangebied aanwezige of te verwachten archeologisch erfgoed. Onderbouwing aanvullende archeologische onderzoekplicht Een aantoonbare archeologische verwachting is tevens een waarde, zoals ook bepaald in de Erfgoedwet en de monumentenwet. Tevens zijn archeologische waarden en verwachtingen beiden een monument op basis van de landelijke wetgeving.
Hierbij is er weer een onderscheid in beschermde monumenten en monumenten waaraan in het kader van het bestemmingsplan regels kunnen worden verbonden (aan activiteiten/vergunningen).
76
De gebieden met een lage waarde en/of verwachting zijn niet archeologisch 'leeg'. Gronden binnen het plangebied die in het verleden geroerd zijn kunnen nog altijd (sporen van) archeologische waarden bevatten. Ter plaatse van gronden met 'Waarde - Archeologie 4' is de kans op vondsten wel lager dan gronden met de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 3', dat blijkt ook uit de planregels. Om deze reden is ter plaatse van de kleinste kans op archeologische vondsten (conform het gemeentelijke archeologische beleid) de lichtst mogelijke archeologische dubbelbestemming toegekend. Ondanks dat de kans op vondsten klein is heeft de gemeente de wettelijke plicht om archeologie te beschermen in bestemmingsplannen, waardoor het toekennen van de dubbelbestemmingen noodzakelijk is. Conclusie Op grond van de ten behoeve van het plan uitgevoerde quickscan is de conclusie gerechtvaardigd dat het aspect 'archeologie', of beter: de vanuit oogpunt van goede ruimtelijke ordening vereiste bescherming van archeologische waarden, mede gelet op de dubbelbestemmingen als instrument voor het borgen van deze vereiste bescherming, geen belemmering vormt voor het vaststellen van het voorliggende bestemmingsplan.
77
6.2
Cultuurhistorisch erfgoed
6.2.1
Landschapsstructuur
Het plangebied ligt tussen de autoweg A4 en de Dr. Van Noortstraat en bestaat voornamelijk uit een glastuinbouwgebied. Het is een concentratie van bebouwing in een verder relatief open gebied, voornamelijk in gebruik als weidegronden. In het plangebied is rondom de bebouwing nog steeds de ontstaansgeschiedenis zichtbaar aan de kenmerkende smalle lange percelen omgeven door sloten. Op de historische kaarten is de situatie rondom de droogmakerij en ontginning van de Meeslouwerpolder rond 1850 te zien. Met de drooglegging heeft het gebied de basisstructuur gekregen die tot op de dag van vandaag herkenbaar is. Na jarenlang als polder en weiland te hebben gefunctioneerd, is rond 1965 het gebied ontwikkeld tot glastuinbouw, hierdoor is de sterke relatie met het oorspronkelijke landschap verloren gegaan.
Afbeelding 26 : cultuurhistorische geschiedenis plangebied
6.2.2
Cultuurhistorische waardevolle bebouwing
Binnen het plangebied bevinden zich geen objecten die zijn aangewezen als rijks- of gemeentelijk monument. Het plangebied is ook niet gelegen binnen de begrenzing van een door de minister als (rijks)beschermd stads- of dorpsgezicht aangewezen gebied. Wel is de Stompwijkseweg / Dr. Van Noortstraat een historisch, agrarisch lint. Op onderstaande Cultuurhistorische Waardenkaart is deze weg ‘ontginningslint met boerderijen (doorgetrokken bruine lijn) en de Kniplaan (onderbroken bruine lijn) is ‘niet uitgeveend’ en dus een oudde structuur van voor de vervening. De sterren geven molenplaatsen aan, dichte ster is de nog bestaande molen en open sterren zijn (bovengronds) verdwenen molens.
78
Afbeelding 27: Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing Voor het ontwikkelen van de huidige glastuinbouw naar een andere functie is daarom vanuit het oogpunt van cultuurhistorie geen vergunning op grond van de Erfgoedwet (Monumentenwet 1988) vereist. 6.2.3
Ontwikkelingen en cultuurhistorie
De voor het voorliggende plan relevante cultuurhistorische waarden hebben vooral betrekking op de ontstaansgeschiedenis, herkenbaarheid en gaafheid van het landschap en de objecten daarin. Met name de overblijfselen van de veenontginningen (openheid, strokenverkavelingen, lintbebouwing, beweiding als grondgebruik) en droogmakerijen (hooggelegen vaarten, gemalen, molens) zijn in cultuurhistorisch (en landschappelijk) opzicht van belang. Deze kenmerken zijn behoudenswaardig. Het gemeentelijk beleid met betrekking tot cultuurhistorische waarden is er op gericht dat deze waarden, ook in geval van ruimtelijke ontwikkelingen en ingrepen, behouden en waar mogelijk versterkt (of hersteld) worden. Aanwezige cultuurhistorische waarden kunnen in het geding komen door nieuwe ontwikkelingen. Zo kan bijvoorbeeld een toename van de bebouwing (verstening) de openheid aantasten en de lintbebouwing doen verdichten. Ook kan bij een onzorgvuldige locatiekeuze voor nieuwbouw het stelsel van zichtlijnen naar de polders aangetast worden of de windvang van molens bedreigd worden. Naast een toename van bebouwing kan ook een gewijzigd grondgebruik, zoals de introductie van maïsteelt of bosbouw, de openheid van het landschap aantasten. De wijze van bouwen en inrichten van erven in vormgeving en materiaalgebruik heeft grote invloed op het beoogde behoud, versterking en herstel.
Dat zelfde geldt voor de inrichting van de openbare ruimte met infrastructurele voorzieningen en kunstwerken. 6.2.4
Conclusie
Op grond van de ten behoeve van de beoogde nieuwe ontwikkelingen beoordeling van cultuurhistorische achtergronden en waarden is de conclusie gerechtvaardigd dat het aspect 'cultuurhistorie', of beter: de vanuit oogpunt van goede ruimtelijke ordening vereiste bescherming van cultuurhistorische waarden, geen belemmering vormt voor het vaststellen van het voorliggende bestemmingsplan.
79
Hoofdstuk 7 7.1
Juridische vormgeving
Systematiek van de bestemmingsregels
In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de systematiek van het bestemmingsplan en de daarin opgenomen regels en de bijbehorende verbeelding. Deze en de volgende paragraaf geven een (algemene) toelichting op de systematiek en vorm van het bestemmingsplan. De daarop volgende paragrafen gaan in op de opbouw van de regels en meer gedetailleerd, op de verschillende bestemmingen. Dit wordt gedaan aan de hand van de thema's landbouw, natuur en landschap, wonen, bedrijven, recreatie en water. Daarnaast wordt de rol van de Ruimtelijke kwaliteitsparagraaf in dit bestemmingsplan toegelicht. Tot slot wordt aandacht besteed aan het aspect handhaving en toezicht op de naleving van het bestemmingsplan. Op grond van het Bro dient een bestemmingsplan met de daarbij behorende toelichting langs elektronische weg te worden vastgelegd. Een bestemmingsplan wordt in die vorm ook vastgesteld, tegelijk met een volledige analoge verbeelding van het bestemmingsplan op papier. Indien de digitale en de analoge verbeelding tot interpretatieverschillen leiden, is de digitale verbeelding beslissend. In verband met het elektronisch vastleggen en vaststellen van bestemmingsplannen worden in het Bro eisen gesteld aan bestemmingsplannen. Deze eisen zijn nader uitgewerkt in bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog.
De volgende standaarden zijn in dit kader relevant: Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO2012) Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012) De standaarden hebben alleen betrekking op de regels en de verbeelding, niet op de toelichting. Het rijk-, provinciaal en gemeentebeleid, zoals verwoord in de voorgaande hoofdstukken, hebben een juridische vertaling gekregen in de in het bestemmingsplan 'Glastuinbouwgebied Meeslouwerpolder' opgenomen bestemmingen, regels en aanduidingen. De regels en de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan zijn opgesteld volgens de standaarden voor digitaal vergelijkbare en uitwisselbare bestemmingsplannen (IMRO2012/SVBP2012). Het bestemmingsplan is overwegend conserverend, maar biedt ook mogelijkheden voor uitbreiding van glastuinbouw in het midden gebied en de toekomstige realisatie van nieuwe burgerwoningen in ruil voor het geheel slopen van bestaande glastuinbouwbedrijven in het gebied. E.e.a. conform de door de gemeenteraad op 19 september 2017 vastgestelde spelregels 'transformatie glastuinbouwgebied Meeslouwerpolder'. In de regels wordt per bestemming onderscheid gemaakt tussen hetgeen rechtstreeks is toegestaan, hetgeen door middel van een afwijking mogelijk is en hetgeen slechts door gebruikmaking van een wijzigingsbevoegdheid mogelijk is.
Bij de afwijkingsmogelijkheden is aangegeven wanneer en in hoeverre een afwijking toelaatbaar is. Voor de toepassing van de wijzigingsbevoegdheden dient aan een aantal voorwaarden te worden voldaan. In beide gevallen dient met inachtneming van het bepaalde in het bestemmingsplan, een belangenafweging te worden gemaakt bij de vraag of aan het een of ander toepassing wordt gegeven. Toepassing van een afwijkingsmogelijkheid of wijzigingsbevoegdheid is in principe dan ook geen regel, maar een middel om flexibel op vraagstukken te kunnen ingaan. In dit verband is in het plan voor burgemeester en wethouders ook de mogelijkheid opgenomen om nadere eisen te stellen ten aanzien van bebouwing. De regels (inclusief bijlagen) en de verbeelding (plankaart) vormen samen het juridisch bindend toetsingskader voor het bouwen en gebruik van gronden en opstallen in het plangebied. In de legenda (verklaring van de bestemmingen en aanduidingen op de verbeelding) is te zien dat onderscheid wordt gemaakt in bestemmingen en aanduidingen. De bestemmingen zijn de belangrijkste elementen. Alle gronden op de verbeelding hebben een bestemming, die zichtbaar wordt gemaakt door middel van een kleur, al dan niet in combinatie met letter om de bestemming aan te duiden. Elke op de verbeelding aangegeven bestemming is gekoppeld aan een bestemmingsartikel in de regels.