CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

2202 Ruimtelijke onderbouwing Huyssitterweg

Raadsvergadering 11 mei 2021, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: Definitieve verklaring van geen bedenkingen voor het oprichten van vier eengezinswoningen naast Huyssitterweg 44 en 46 in Leidschendam (2202).15.598 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

2 alinea's met “gecombineerde”: 1021 1232

5.1

Geluid

Om te beoordelen of het bouwplan voldoet aan de Wet geluidhinder, dan wel ter plaatse van

de woning een goed woon- en leefklimaat heerst, is door Voortman Ingenieurs een

geluidsonderzoek

uitgevoerd

(Akoestisch

onderzoek

Wegverkeerslawaai 4 woningen

Huyssitterweg te Stompwijk, d.d. 9 januari 2019, zie bijlage III). Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat:

geluidbelasting ten gevolge van de nieuwe verbindingsweg ten hoogste 49 dB, incl. aftrek art. 110g Wgh bedraagt en hoger is dan de voorkeursgrenswaarde maar niet hoger is dan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor wegverkeerslawaai in stedelijk gebied; þÿ% De gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle wegen (incl. 30 km/h wegen) ten hoogste 50 dB, incl. aftrek art. 110g Wgh bedraagt; þÿ% Aanvullende maatregelen om de geluidbelasting ter plaatse van de woningen terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai zijn niet doelmatig en stuiten op bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige en financiële aard; þÿ% Voor 2 van de 4 woningen dient een hogere grenswaarde te worden aangevraagd; þÿ% Alle woningen beschikken over een geluidluwe gevel en buitenruimte en door het toepassen van aanvullende gevelmaatregelen (zodat een binnenniveau van maximaal 33 dB gegarandeerd wordt in de verblijfsruimten van de woning) wordt tevens aan het gemeentelijk geluidbeleid voldaan. þÿ% De

Gelet op het voorgaande dient er dus een procedure doorlopen te worden voor het vaststellen van een hogere grenswaarde vanwege wegverkeerslawaai.

Voor woningen waarvoor een hogere grenswaarde wordt aangevraagd dient voor de bouwaanvraag een aanvullend onderzoek geluidwering gevels uitgevoerd te worden om de

karakteristieke geluidwering van de gevel te bepalen en te toetsen aan de wettelijke eisen uit het Bouwbesluit. Conclusie

Vanuit de Wet geluidhinder en het oogpunt van goede ruimtelijke ordening vormt het aspect 'geluid' geen belemmering voor het verwezenlijken van het bouwplan. Daarbij is het wel noodzakelijk dat een hogere grenswaarde van 49 dB wordt vastgesteld vanwege verkeerslawaai afkomstig van de nieuwe verbindingsweg. Dit besluit dient te worden genomen

voordat de omgevingsvergunning kan worden verleend. 36

5.2

Luchtkwaliteit

De Wet milieubeheer bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. In deze wet zijn

luchtkwaliteitseisen

opgenomen

voor

diverse

verontreinigende

stoffen, waaronder

stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe

ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit; þÿ%ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven; þÿ%een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van de betreffende stoffen in de buitenlucht; þÿ%een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit); þÿ%een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ' niet in betekenende mate' is vastgelegd in het ' Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luch tkwaliteitseisen) þÿ%een

'

'

In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als niet in

betekenende mate' worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor

'woningbouwlocat es, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluit ngsweg, netto

niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluit ngswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat Het project heeft betrekking op de realisatie van 4 woningen. Daarmee valt het project onder de categorie ' niet in betekenende mate Het plan is niet in strijd met het bepaalde in de Wet

milieubeheer. Een specifiek luchtkwaliteitsonderzoek behoeft om die reden niet te worden uitgevoerd. Voorts is er ter hoogte van het plan geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een geldende luchtkwaliteitseis. Conclusie Er bestaan voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit, dan ook geen belemmeringen.

5.3

Natuur

5.3.1

Inleiding

Vanuit de huidige natuurwetgeving is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van de in het projectgebied mogelijk voorkomende beschermde

37

natuurwaarden. Het plan dient aan de Wet Natuurbescherming getoetst te worden. De Wet Natuurbescherming

regelt

de

bescherming van

gebieden

en

van

diersoorten

en

plantensoorten. Deze natuurwetgeving kan mogelijk beperkingen opleggen aan de voorgenomen sloop- en nieuwbouwactiviteiten. De Wet natuurbescherming heeft als doel de volgende gebieden te beschermen:

-

Het Natuurnetwerk Nederland;

-

Bijzondere provinciale natuurgebied;

-

Bijzondere provinciale landschappen;

-

Nationale parken;

-

Bijzondere nationale natuurgebieden;

-

Natura 2000-gebieden.

Voorts gelden er ingevolge de Wet Natuurbescherming algemene verboden tot het

verwijderen van beschermde plantensoorten van hun groeiplaats, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rustplaatsen of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten of het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort. Voor

activiteiten die een bedreiging kunnen vormen voor deze beschermde soorten, moet

ontheffing worden gevraagd. Vooral wanneer er soorten voorkomen uit de zogenaamde 'strenge' categorie (Bijlage 4 van de Habitatrichtlijn en de bedreigde soorten van de diverse Rode Lijsten), kan dit een belemmering vormen voor het plan. Dit is het geval wanneer een

plan significant nadelige effecten kan hebben voor deze soorten.

5.3.2

Natuurtoets

Gelet op het voorgaande is een natuurtoets uitgevoerd door Buro Natuurzorg (Quickscan Ecologie, d.d. 29 november 2018, zie bijlage IV) waarbij onderzocht is of er beschermde

natuurwaarden en / of flora en fauna op het perceel aanwezig zijn. Hieronder volgt een overzicht van de conclusies en aanbevelingen uit dit rapport: þÿ% Op de percelen zijn geen beschermde

soorten en/of hun habitats aangetroffen.

rond het plangebied komen door de Natuurwet beschermde soorten vogels voor. Verwijdering van bomen en struiken dient te gebeuren buiten het voortplantingsseizoen. De veiligste periode van verwijdering is van 1 november tot 28 februari.

þÿ% Op en

þÿ% Op

alle soorten flora en fauna is altijd de algemene zorgplicht van toepassing.

þÿ%

Ontheffingsaanvragen en vrijstellingen zijn niet nodig.

þÿ%

Negatieve gevolgen op het voortbestaan van soorten in de omgeving van het plangebied worden niet verwacht.

38

ega

ion

Voor wat betreft mogelijke effecten van het woningbouwplan op Natura2000-gebieden geldt het volgende. Gelet op de geringe omvang van het plan (4 woningen) en de relatief grote afstand (circa 8 km) tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, kunnen significante toename van stikstofdepositie op daarvoor gevoelige habitats op voorhand worden uitgesloten. Conclusie

Uit het voorgaande blijkt dat er vanuit het oogpunt van flora en fauna, en uit het oogpunt van gebiedsbescherming, geen belemmeringen aanwezig zijn voor de realisatie van het project.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Inleiding

Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de

omgeving van activiteiten met gevaarlijk stoffen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet men

rekening houden met verplichte afstandsnormen tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de

risicobron (inrichtingen met of vervoer van gevaarlijke stoffen) volgens onderstaande wetten:

• •

Besluit externe veiligheid inrichtingen 2004 (Bevi), staatsblad 2004 nr. 250; Besluit externe veiligheid buisleidingen 2011 (Bevb), staatsblad 2010 nr. 636;

Tevens dient men rekening te houden met het beleid Externe Veiligheid dat door stadsgewest

Haaglanden is vastgesteld op 28 november 2012.

Risicovolle objecten zijn o.a

• • • • •

ondergrondse buisleidingen met transport van aardgas of andere stoffen; transport van gevaarlijke stoffen over o.a. rijkswegen en spoorbanen; bedrijven vallend onder de Wet Milieubeheer met grootschalige opslag van chemische stoffen; grootschalige opslag van chemische stoffen (PGS15); LPG-tankstations.

Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de

omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat er te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Het algemene uitgangspunt is dat niemand blootgesteld mag worden aan een kans om door een activiteit met gevaarlijke stoffen te overlijden, die groter is dan één op de miljoen (10-6). In dat geval wordt gesproken over het plaatsgebonden risico, dat wordt weergegeven in een

risicocontour. Daarnaast bestaat er een zogenoemd groepsrisico: de kans dat bij één gebeurtenis een groep met ten minste een bepaalde omvang om het leven komt. Het groepsrisico wordt niet weergegeven in een contour, maar in een grafiek. Een aantal calamiteiten met gevaarlijke stoffen, zowel in binnen- als buitenland, heeft

aangetoond dat een maatschappij zonder risico's niet bestaat. Het beleid op het gebied van

39

externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. De beleidsmatige kernpunten zijn:

• • • • •

5.4.2

het ontstaan van nieuwe knelpunten tegengaan; het stimuleren van de eigen verantwoordelijkheid van inrichtingen; het saneren van bestaande knelpunten; zorgvuldige risicocommunicatie; hulpverlening: het bevorderen van de samenwerking en de kwaliteit van de uitvoering en het richting geven aan de organisatorische versterking.

Relevante risicobronnen voor het projectgebied

Om inzicht te verkrijgen in voor het projectgebied van het bouwplan aan de Huyssitterweg te

Stompwijk relevante risicobronnen is gebruik gemaakt van de provinciale risicokaart, GEOWeb Haaglanden en het bedrijvenbestand van de gemeente Leidschendam-Voorburg. In figuur 5.2

s een uitsnede opgenomen van de risicokaart van Zu d-Hollan

Fig. 5.2 Uitsnede risicokaart (projectlocatie: zie rode pijl)

5.4.2.1 Risicovolle inrichtingen en locaties Zowel binnen als direct buiten het projectgebied zijn geen risicovolle inrichtingen resp. locaties gelegen.

5.4.2.2 Route gevaarlijke stoffen Door de gemeenteraad is geen route gevaarlijke stoffen vastgesteld. Wel zijn door het rijk

binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg de rijksweg A4 (Rotterdam-Leiden) en A12

(Utrechtsebaan) aangewezen als routering voor gevaarlijke stoffen (conform het zogenaamde Basisnet (Wet basisnet, staatsblad 2013-307). Uit berekeningen blijkt dat bij een ongeval met

brandbare stoffen op de A4 en de A12 inzake PR en GR geen belemmeringen zijn voor Leidschendam. De afstand tot de A12 is ca. 5 kilometer. De afstand tot de A4 bedraagt zoþÿn 800 meter. Men dient wel te bedenken dat bij een ongeval met giftige stoffen een 40

invloedsgebied geldt van 4 km en zodoende het plangebied binnen de 4 km zone komt. Bij

nieuwbouw is het niet mogelijk om maatregelen te treffen aan de risicobronnen, maar het beheersen en verminderen van het effect op een incident is wel mogelijk. Te denken valt aan

het goed sluiten van ramen en deuren en het uitzetten van mechanische ventilatie, wanneer een ongeval plaatsvindt. Het aspect Externe Veiligheid bij transport van gevaarlijke stoffen is geen belemmering voor het bouwplan. Echter, de bewoners zullen zich bewust moeten zijn van bovenstaande risico's.

5.4.2.3 Transport gevaarlijke stoffen per spoor / water Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn het Besluit Transportroutes Externe Veiligheid, het Basisnet Weg, Spoor en Water en de Circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen van belang. Op grond hiervan moet bij het vaststellen van een bestemmingsplan

worden getoetst op externe veiligheid (de grenswaarde van het plaatsgebonden risico voor kwetsbare objecten en een verantwoording van het groepsrisico). Op grond van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) zijn vervoerders van gevaarlijke

stoffen verplicht de bebouwde kom zo veel mogelijk te vermijden (artikel 11) en gebruik te maken van daartoe in het belang van de openbare veiligheid aangewezen wegen (artikel 18).

Voor het transport van gevaarlijke stoffen via de weg, water en spoor heeft het rijk normen vastgesteld in de nota Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. In het kader van de Nota

Vervoer gevaarlijke stoffen definieert het Rijk momenteel een Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt daarbij de spanning tussen het vervoer van gevaarlijke

stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en veiligheid te verminderen door het vaststellen van gebruiksruimten voor het vervoer en veiligheidszones voor de ruimtelijke ordening. De

gebruiksruimte is de maximale vervoersintensiteit waarmee, bij het maken van berekeningen, rekening gehouden moet worden. Op basis van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen kunnen gemeenten een routering van

gevaarlijke stoffen opstellen. In juli 2012 heeft het college van B&W besloten om geen route gevaarlijke stoffen aan te wijzen. Binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg is alleen rijksweg A4 (Rotterdam-Leiden), de

A12 (Utrechtsebaan) en de Provinciale weg N206 (Jan Koenenweg en Oosteinde) aangewezen als routering voor gevaarlijke stoffen (conform het zogenaamde basisnet). De projectlocatie

ligt echter niet binnen het invloedsgebied van deze wegen.

5.4.2.4 Buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) met de bijbehorende Regeling externe

veiligheid buisleidingen (Revb) omvat de regelgeving op het gebied van buisleidingen

waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In deze regelgeving is bepaald dat de belemmeringenstrook (5 meter aan weerszijden vanuit het hart van de buisleiding), de plaatsgebonden risicocontour (10-6) en het invloedsgebied van het groepsrisico in acht dienen

te worden gehouden bij ruimtelijke ontwikkelingen.

41

ega

ion

Uit de hierboven opgenomen risicokaart van de provincie Zuid-Holland blijkt dat in de nabije omgeving van het projectgebied geen hogedruk-aardgasleidingen aanwezig zijn. Conclusie

Externe veiligheid vormt voor de bouw van de woningen aan de Huyssitterweg geen

belemmering.

5.5

Water

5.5.1

Inleiding

Van belang is eveneens om te onderzoeken in hoeverre het project gevolgen heeft voor de

waterhuishouding ter plaatse. Het Besluit ruimtelijke ordening schrijft immers dwingend voor dat in de ruimtelijke onderbouwing van andere ruimtelijke plannen en besluiten een beschrijving is opgenomen. Een beschrijving van de wijze, waarop in het plan/besluit rekening is gehouden met de effecten van het plan op de waterhuishouding. In dit hoofdstuk wordt

nader ingegaan op de verschillende watergerelateerde aspecten van het project en wordt verslag gedaan van de resultaten van de watertoets.

5.5.2

Watertoets

Onder de 'watertoets' wordt verstaan een procedure, waarbij een initiatiefnemer in een vroeg

stadium over een beoogde ruimtelijke ontwikkeling overleg voert met de waterbeheerder. De

watertoets heeft als doel het voorkomen van ruimtelijke ontwikkelingen, die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer.

5.5.2.1 Bestaand stedelijk gebied De projectlocatie aan de Huyssitterweg valt binnen hetþÿlandelijke gebied

In het gebied is

voldoende ruimte aanwezig voor het optimaliseren van de bergingscapaciteit van water, indien aan de orde.

5.5.2.2 Oppervlaktewater Het oppervlaktewater van het plangebied bestaat uit een stelsel van grote sloten en

weteringen waarop de kleinere kavelslootjes afwateren. Het hoofdwatersysteem dat het

water moet afvoeren, wordt het boezemwater genoemd. Het hele patroon van het watersysteem is kenmerkend voor de veenontginningsgebieden. Om het gewenste waterpeil te handhaven, wordt door middel van gemalen het water uit de

polders op de boezemwateren geloosd. Bij een tekort aan water in de polders wordt vanuit deze boezems water de polder in gelaten.

Het plangebied valt binnen het watersysteem van de Meeslouwerpolder (zie kaartje figuur 5.1). De

Gecombineerde

Starrevaart- en

Damhouderpolder

kent

geen

historisch

bergingstekort.

42

Fig. 5.1 Watersysteem rondom het plangebied (uit projectplan Meeslouwerpolder Rijnland 2018)

Naam polder

Meeslouwerpolder peilvak 12B

Zomerpeil/Winterpeil NAP -4,67 / -4,77

Fig. 5.2 Peil polder

5.5.2.3 Grondwate Het waterpeil in het plangebied ligt dicht onder het maaiveld. De waterberging die wordt

aangelegd in de Nieuwe Driemanspolder is dan ook van belang voor zowel Stompwijk, Leidschendam als Voorburg (met name voor piekbuien), om op die manier wateroverlast door

overstroming te voorkomen. De woningen worden gebouwd op

- 2680 ten opzichte van NAP. Hieronder zijn twee

dwarsdoorsnedes opgenomen, waaruit het bouwpeil en de drooglegging blijken. De drooglegging van de woningen bedraagt ongeveer 1,6 tot 2 meter.

43

ega

ion

-640 ^ y bovenpeil

-2680 ^ y Peil nieuwe woning tov NAP

-4870 ^ y polderpeil

Fig. 5.3 Dwarsprofielen bouwplan

5.5.2.4 Riolering en afkoppeling Het plangebied ligt in een gebied dat is voorzien van een afvalwater(pers)transportleiding. De

gemeente stelt als eis dat nieuwbouwplannen voorzien in het gescheiden aanbieden van

vuilwater en schoon hemelwater. Schoon hemelwater wordt (vertraagd) afgevoerd naar het oppervlaktewater. Voor zover in het plan uitlogende materialen worden toegepast (lood, zink voor de dakgoot),

worden deze voorzien van een coating. Op die manier wordt verontreiniging zoveel mogelijk voorkomen.

44

ega

ion

Ou 5.5.2.5 Rioo en baggerbehee

Het riool- en baggerbeheer heeft een belangrijke invloed op de waterkwaliteit. Het baggerplan is sinds 2003 operationeel, waardoor is voorzien in regelmatig baggeren. Het Gemeentelijk

Water- en Rioleringsplan 2016-2021 is eind 2015 vastgesteld en is een verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan.

5.5.2.6 Waterkeringen & waterveiligheid Uit

onderstaande

afbeelding

wordt

de

bebouwing

gerealiseerd

ruim

buiten

de

beschermingszone van de waterkering van de Stompwijksevaart. Vanuit dit gezichtspunt zijn geen belemmeringen voor eventuele onderkeldering.

Fig. 5.4 Uitsnede legger waterkeringen Hoogheemraadschap van Rijnland (projectlocatie: rode pijl)

5.5.2.7 Wateropgave Met de realisatie van het bouwplan aan Huyssitterweg zal het aantal vierkante meters verhard oppervlak toenemen met meer dan 500 m2, namelijk met 560 m2. Deze uitbreiding moet

worden gecompenseerd door het graven van oppervlaktewater met een omvang van 15% van de uitbreiding van het verhard oppervlak. Dat is 84 m2. Dit compensatie zal worden

meegenomen in de aan te leggen watergangen en - partijen die rondom de nieuwe rondweg

worden aangelegd.

45

e berging aangelegd

e voldoen aan de wate

Verhard / bebouwd

0

562

Onverhard

2111

1551

Wateroppervlak

86

170

Naast het realiseren van extra waterberging worden voor zowel de terrassen achter de

woningen, als de bestrating aan de voorzijde van de woningen, diverse waterdoorlatende ondergronden gebruik. In figuur 5.4 zijn deze diverse wijzen van verharding aangegeven. De

waterdoorlatende verhardingen dragen bij de opvang en gelijkmatige verwerking van hemelwater en daarmee aan het voorkomen van wateroverlast.

Fig. 5.4 Wijze van verharding

5.5.2.8 Klimaatadaptatie Gezien de verwachte klimaatverandering waardoor steeds vaker langdurige hevige regen

optreedt en hitte vaker voorkomt is het raadzaam om verharding zo mogelijk te beperken, regenwater vast te houden waar het valt en vertraagd af te voeren. Hierdoor worden hoge waterstanden verkleind en daarmee ook de kans op wateroverlast. Op hitte heeft het aanleggen van groen (en daarmee verharding verminderen) een verminderend effect: het

versterkt verdamping wat een verkoelend effect heeft. Voorbeelden hiervan zijn: ontharden / vergroenen van het achterterrein, toepassen van

doorlatende verharding, infiltratie van regenwater in de bodem, platte of flauw hellende daken vergroenen.

46

(zie paragraaf 5.5.2.7). Naast het realiseren van extra waterberging worden voor zowel de

terrassen achter de woningen, als de bestrating aan de voorzijde van de woningen, diverse

waterdoorlatende ondergronden gebruik. In figuur 5.5 zijn deze diverse wijzen van verharding aangegeven. Op deze manier wordt een bijdrage geleverd aan ' klimaatadaptief bouwen Conclusie

Het plan voldoet aan de eisen die vanuit het waterschap en de gemeente ten aanzien van de

waterhuishouding worden gesteld.

5.6

Bodem

5.6.1

Algemeen

Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop of waarin deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij

nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Op 1 juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit (volledig) in werking getreden. Het doel van dit

besluit is om de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe

bouwprojecten. Ook geeft het Besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. In het Besluit bodemkwaliteit is ook het Bouwstoffenbesluit

geïntegreerd. Dit besluit heeft alleen betrekking op steenachtige bouwstoffen. Andere

materialen worden in de praktijk ook toegepast als bouwstof, maar deze vallen niet onder dit Besluit.

5.6.2

Onderzoek

In het verleden zijn reeds bodemonderzoeken uitgevoerd voor het perceel. Om echter een

actueel beeld te krijgen van de bodemkwaliteit ter plaatse is recent door Hoste Milieutechniek BV een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Verkennend bodemonderzoek in het kader

van de voorgenomen bestemmingswijziging van en nieuwbouw op de locatie Huyssitterweg

B1964+1965 te Leidschendam, d.d. 19 december 2018, zie bijlage V). In dit onderzoek wordt

het volgende geconcludeerd: het verrichten van de boringen is gebleken dat de bodem deels bestaat uit zand met in de ondergrond een veenlaag. Deels bestaat de bodem uit ziltige klei. Zintuiglijk zijn in de grond geen bodemvreemde bijmengingen waargenomen. Op maaiveld en in het opgeboorde bodemmateriaal zijn geen (mogelijk) asbesthoudende materialen aangetroffen. Ter plaatse van de slootdemping zijn geen afwijkingen in bodemopbouw waargenomen.

þÿ% Tijdens

Uit de analyseresultaten blijkt het volgende:

47

ega þÿ%

ion

De bovengrond van het oostelijke deel is niet verontreinigd met de onderzochte

parameters; De bovengrond van het westelijk deel en de ondergrond blijken niet tot slechts licht verontreinigd met de onderzochte parameters; þÿ% Het grondwater is licht verontreinigd met barium en niet verontreinigd met de overige onderzochte parameters. þÿ%

Conform het BBK wordt grondmengmonster MM-01 gekwalificeerd alsþÿvrij toepasbaar

De

grondmengmonsters MM-02 en MM-03 indicatief gekwalificeerd alsþÿwonen Op basis van de analyseresultaten zijn vervolgonderzoek of sanerende maatregelen niet nodig. De onderzoeksresultaten vormen geen belemmering voor het beoogde gebruik.

Conclusie

Gelet op het voorgaande kan geconcludeerd worden dat de bodem van de locatie

milieuhygiënisch gezien geschikt is voor de bouw van de woning.

5.7

Bedrijven en milieuzonering

5.7.1

Algemeen

De scheiding van milieubelastende en milieugevoelige functies is noodzakelijk in het kader van

een goede ruimtelijke ordening. Op die manier wordt voorkomen dat bij nieuwe

ontwikkelingen sprake kan zijn van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies en wordt voldoende zekerheid geboden aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen

aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. De milieuhinder van bedrijven dient te worden geanalyseerd op hun invloed op mogelijke

ontwikkelingen. Indien milieubelastende functies in het plangebied mogelijk worden gemaakt,

dient de invloed op de omgeving inzichtelijk te zijn. Om te beoordelen of de afstanden tussen de milieubelastende activiteit en de milieugevoelige functie acceptabel is, kan worden

aangesloten bij de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG-handreiking ' Bedrijven en

Zonering

5.7.2

Toetsing

Glastuinbouwbedrijf Huyssitterweg 14 Ten noorden van de projectlocatie bevindt zich glastuinbouwbedrijf Royal Roses. Dit bedrijf

bevindt zich aan de overzijde van de rondweg. De afstand tussen het glastuinbouwbedrijf en de beoogde nieuwbouw bedraagt circa 100 meter. Ingevolge de VNG-brochure geldt er voor

tuinbouwbedrijven een richtafstand van 30 meter. Dat betekent dat er ruimschoots wordt voldaan aan deze richtafstand. Vanwege die ruime afstand kan er redelijkerwijs van worden uitgegaan dat het betreffende bedrijf geen belemmering vormt voor een goed woon- en

leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen.

48

Nu het bouwplan op wat grotere afstand van het glastuinbouwbedrijf aan de Huysitterweg 14

komt te liggen, kan er ook redelijkerwijs van worden uitgegaan dat de komst van de woningen geen belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van het glastuinbouwbedrijf. Ook wordt het

bedrijf niet belemmerd in uitbreidingsmogelijkheden, omdat aan die zijde het bedrijf reeds is begrensd door de recent aangelegde rondweg. In dit kader is het tevens van belang om stil te staan bij het gebruik van assimilatiebelichting

door voornoemd bedrijf. Hierover het volgende. In paragraaf 3.5.1 van het Activiteitenbesluit worden eisen gesteld aan assimilatiebelichting.

Assimilatiebelichting is de kunstmatige belichting van gewassen om het groei- en bloeiproces

te bevorderen. De gestelde eisen moeten lichthinder voor omwonenden voorkomen en de duisternis en het donkere landschap beschermen. De mate van afscherming van de bovenkant van de kas met de lichtscherminstallatie hangt af

van de verlichtingssterkte van de lampen. Het bevoegd gezag kan een lager percentage voor

het afschermen vaststellen, middels een maatwerkvoorschrift. Dit staat los van de verlichtingssterkte van meer of minder dan 15.000 lux. Voor het bedrijf aan de Huyssitterweg 14 is een dergelijk maatwerkvoorschrift opgelegd. Echter deze gold tot 1 januari 2018.

Sindsdien is het Activiteitenbesluit van toepassing. Daar dient het bedrijf Royal Roses aan te

voldoen.

Voor de vraag in hoeverre dit nieuwbouwplan belemmerend is voor de bedrijfsvoering van Royal Roses is de bestaande situatie maatgevend. In de bestaande situatie is er reeds een

woning aanwezig aan de Huyssitterweg 19A die dichter bij het bedrijf Royal Roses ligt dan de locatie van dit nieuwbouwplan. Deze woning aan de Huyssitterweg 19A heeft zowel in de geldende Beheersverordening 2017 Leidschendam-Voorburg (en het hierin van toepassing

verklaarde bestemmingsplan Landelijk Gebied 2001) als in het ontwerp-bestemmingsplan

þÿGlastuinbouwgebied Meeslouwerpolderþÿeen normale woonbestemming. Het betreft dus een reguliere woning (geen bedrijfswoning of plattelandswoning). Nu de woning aan de

Huyssitterweg 19A de dichtstbijzijnde reguliere woning betreft en blijft, wordt het bedrijf Royal Roses met de komst van de nieuwe woningen niet meer belemmerd dan in de huidige

situatie het geval is. Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van de nieuwe woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en voorts dat bouwplan geen (extra)

belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van het bedrijf Royal Roses.

Autobedrijf Luiten Huyssitterweg 39 Ten oosten van de projectlocatie (aan de overzijde van de Huyssitterweg) bevindt zich een

autobedrijf (Huyssitterweg 39). Ingevolge de VNG-brochure geldt er voor autobedrijven een richtafstand van 30 meter. De werkelijke afstand bedraagt circa 50 meter. Het bouwplan valt 49

dus ruim buiten de richtafstand. Dat betekent dat ervan kan worden uitgegaan dat het

betreffende bedrijf geen belemmering vormt voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen. Nu het bouwplan op wat grotere afstand van het betreffende autobedrijf komt te liggen, kan

er redelijkerwijs van worden uitgegaan dat de komst van de woningen geen belemmering

vormt voor de bedrijfsvoering van het autobedrijf. Bovendien zijn de bedrijfsactiviteiten, voor zover relevant, reeds beperkt (of: genormeerd) door de aanwezigheid van de woning aan de

Huyssitterweg 21, welke dichter bij het autobedrijf is gelegen dan onderhavig bouwplan.

5.7.3

Conclusie

Gelet op het voorgaande bestaat er vanuit het oogpunt van ' bedrijven en milieuzonering' geen

belemmeringen voor de realisatie van dit plan.

5.8

Vormvrije m.e.r beoordeling

5.8.1

Inleiding

Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een

belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D

(betreft de m.e.r beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of

activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen, moet daarom een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Deze zogenaamde vormvrije m.e.r beoordeling kan tot twee conclusies leiden: -

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.

De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r beoordeling dient te geschieden aan de hand

van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage

staan drie hoofdcriteria centraal: 1. 2. 3.

5.8.2

de kenmerken van het project; de plaats van het project; de kenmerken van de potentiële effecten.

Onderzoeksresultaten vormvrije m.e.r beoordeling

De woningbouwontwikkeling aan de Huyssitterweg te Stompwijk kan worden geschaard onder

11.2 van de D-lijs van he Beslui milieueffectrapportage:

50

ega

ion

'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de

bouw van winkelcentra of parkeerterreinen Dit plan van vier woningen wordt (in beginsel) niet gezien als een m.e.r plichtige activiteit

omdat deze pas geldt bij: -

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Gelet op de kenmerken van het project (de aard en de omvang in vergelijking met de

drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.) zijn er geen belangrijke milieugevolgen te verwachten. Voor onderhavig plan aan de Huyssitterweg geldt voorts dat het niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied ligt (zoals bijv. Natura 2000-gebied) of in de nabije omgeving daarvan. Gelet op de geringe omvang van het plan (4 woningen) en de relatief grote afstand (circa 8 km) tot

het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, kunnen significante toename van stikstofdepositie op daarvoor gevoelige habitats op voorhand worden uitgesloten. Mede gelet op de overige in dit hoofdstuk behandelde milieu- en omgevingsaspecten, kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling van de woningen aan de Huyssitterweg in voldoende mate is afgewogen, en dat er geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden.

5.8.3

Conclusie

Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat belangrijke nadelige

milieugevolgen zijn uitgesloten en dat er geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is.

51

6.

CULTUURHISTORIE & ARCHEOLOGIE

In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de eventueel in of direct nabij het projectgebied

aanwezige cultuurhistorische - en/of archeologische waarden en de eventuele consequenties

daarvan voor de verwezenlijking van het bouwplan.

6.1

Monumenten / Beschermd stads- en dorpsgezicht

Binnen het projectgebied bevinden zich geen gemeentelijke - of rijksmonumenten. Ook op de

gronden, die direct aan het projectgebied grenzen of anderszins in de directe nabijheid van het

projectgebied zijn gelegen, zijn geen monumenten aangewezen. Er is ook geen aanleiding om aan te nemen dat in de toekomst een dergelijke aanwijzing zal plaatsvinden. Voorts ligt het

plan niet binnen een beschermd stads- en dorpsgezicht.

6.2 De

Archeologie Erfgoedwet

verplicht

bestemmingsplannen

gemeenten

om

bij

het

opstellen

van

o.a. nieuwe

rekening te houden met mogelijke archeologisch waardevolle

vindplaatsen. Hazenberg Archeologie heeft een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (Archeologische

bureauonderzoek, Huyssitterweg 4 Stompwijk Gem. Leidschendam-Voorburg, d.d. december 2018, zie bijlage VI). Mede naar aanleiding van het onderzoek van Hazenberg Archeologie het

volgende. De planlocatie ligt in de voormalige Gecombineerde Huiszitter en Meeslouwerpolder,

tegenwoordig de Meeslouwerpolder geheten. Deze polder is in de 17de en 18de eeuw nagenoeg geheel afgeveend ten behoeve van turfwinning. Op basis van historische kaarten

(minuutplankaart 1820) is vastgesteld dat de planlocatie ter hoogte van de geplande woningen is uitgeveend. Op de kaarten na 1820 is de planlocatie steeds onbebouwd. Vindplaatsen uit de

Nieuwe Tijd worden derhalve niet meer verwacht in het plangebied. Dieper in de ondergrond

(vanaf 3.90 m

- NAP) kunnen nog oeverwallen aanwezig zijn met een archeologische

verwachting. Deze verwachting houdt verband met het feit dat deze oeverwallen, gezien hun

relatief hoge ligging in de prehistorie geschikt waren voor (tijdelijke) bewoning en of gebruik. Op basis van de AHN zijn echter geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van

oeverwallen in het plangebied. Gelet op het historische gebruik en de bodemopbouw van de planlocatie is de verwachting dat

eventueel aanwezige archeologische vindplaatsen binnen het plangebied geheel of

gedeeltelijk verstoord zullen zijn. Gelet op deze verstoringen zullen deze archeologische resten naar verwachting een beperkte informatiewaarde hebben, waardoor het moeilijk zal zijn om

te bepalen om wat voor archeologische vindplaats het kan gaan. Door de beperkte 52

informatiewaarde en de verstoringen van eventuele vindplaatsen in en rondom het plangebied is het aannemelijk dat deze archeologische waarden op voorhand als niet behoudenswaardig

gezien worden. Naar verwachting weegt hierdoor de investering (tijd en geld) voor het uitvoeren van

archeologisch vervolgonderzoek in het kader van dit bouwplan niet op tegen de resultaten. De

reden hiervoor is dat eventueel aanwezige archeologische waarden door eerdere erosie en

turfwinning op het perceel grotendeels verstoord zullen zijn, waardoor deze resten waarschijnlijk niet meer in situ aanwezig zijn en de informatiewaarde van deze resten daardoor gering is. Concreet betekent dit dat archeologisch vervolgonderzoek voor dit bouwplan niet

noodzakelijk is. De gemeente Leidschendam-Voorburg heeft aangegeven zich derhalve niet aan te sluiten bij de conclusies van de rapportage van Hazenberg Archeologie, namelijk dat

vervolgonderzoek op de projectlocatie noodzakelijk is. Het archeologisch onderzoek kan daarom als afgerond worden beschouwd. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten

worden aangetroffen, bestaat de verplichting om deze vondsten conform artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet te melden bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Deze aangifte dient te gebeuren bij de Rijksdienst voor

het Cultureel Erfgoed in Amersfoort en de archeologisch adviseur van de Gemeente Leidschendam-Voorburg. Conclusie

Gelet op het voorgaande vormt archeologie geen belemmering voor de realisatie van het

bouwplan aan de Huyssi terweg.

53

7

UITVOERBAARHEID

Dit hoofdstuk beschrijft de haalbaarheid van dit project. Het plan waarvoor de planologische

procedure wordt doorlopen, moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar

te zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de te doorlopen procedures weergegeven.

7.1

Economische uitvoerbaarheid

De economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijk besluit moet op grond van het Bro

onderzocht, respectievelijk aannemelijk worden gemaakt. Dat betekent enerzijds dat

aannemelijk moet worden gemaakt dat de door de gemeente te maken kosten moeten zijn gedekt, dan wel op de bij de uitvoering van het project betrokken partijen moeten kunnen

worden verhaald. Anderzijds moet worden onderzocht of: 1) de kosten van overige partijen van een deugdelijke dekking zijn voorzien en;

2) het project naar objectieve maatstaven, ook geabstraheerd van de concreet betrokken

partijen, vanuit financieel-economisch perspectief tot uitvoering zou kunnen komen. De herontwikkeling aan de Huyssitterweg is een initiatief van Granneman Projectontwikkeling BV. De ontwikkeling van de locatie en de daarmee samenhangende kosten, inclusief

planvoorbereiding geschieden voor rekening en risico van de initiatiefnemer. Om eventuele gemeentelijke kosten te voorkomen die een gevolg zijn van de voorgestane

ontwikkeling, is een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Hiermee is vastgelegd dat de realisatie van de ontwikkeling voor de gemeente geen negatieve financiële

gevolgen oplevert. In de betreffende overeenkomst is ook een regeling opgenomen inzake het

verhaal van een eventuele tegemoetkoming in planschade. Verder zullen de overige

gemeentelijke kosten worden verhaald via de gemeentelijke legesverordening. Voor de gemeente Leidschendam

- Voorburg verloopt het plan dus budgettair neutraal. Het

kostenverhaal is met het bovenstaande anderszins verzekerd in de zin van artikel 6.12 tweede lid van de Wro wat ook betekent dat kan worden besloten géén exploitatieplan vast te stellen. De initiatiefnemer heeft inmiddels een omgevingsvergunning op basis van de Wet algemene

bepalingen omgevingsrecht aangevraagd voor de nieuw te bouwen woning. Dit maakt

voldoende aannemelijk dat het project ook daadwerkelijk tot uitvoering zal komen, waarmee de economische uitvoerbaarheid afdoende is aangetoond.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het opstellen van ruimtelijke besluiten dient zorgvuldig te gebeuren. In dat kader blijft het van

belang dat diverse instanties, burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van dergelijke besluiten worden betrokken zodat in een vroeg stadium knelpunten, belangen en verbeterpunten kunnen worden gesignaleerd. De verplichting hiertoe vloeit voort uit de 54

artikelen 3.1.1 en 3.1.6 sub e. van het Bro in samenhang met het in artikel 3:2 van de Algemene

wet bestuursrecht (Awb) gecodificeerde zorgvuldigheidsbeginsel. Door de verplichte toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als

bedoeld in Afd. 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is een ieder de gelegenheid gegeven om betrokken te zijn bij de voorbereiding van de te verlenen omgevingsvergunning. De

ontwerpverklaring

van

geen

bedenkingen

heeft

samen

met

de

ontwerp-

omgevingsvergunning en de bijbehorende stukken na publicatie op www.overheid.nl en op

www.ruimtelijkeplannen.nl, in de Gemeenterubriek en in de Staatscourant voor een periode van zes weken, ingaande op ingaande op donderdag 1 oktober 2020 t/m woensdag 11

november 2020, ter inzage gelegen. Eenieder heeft de mogelijkheid gehad om zienswijzen in

te dienen. In de periode van ter nzagelegging is één zienswijze ingediend. Deze zienswijze is beoordeeld, maar heeft geen aanleiding gegeven om geen medewerking te verlenen aan het voorgestelde plan. Een reactie op de zienswijze is opgenomen in de Zienswijzennota Projectafwijkingsbesluitþÿnaast Huyssitterweg 44 en 46þÿen maakt integraal onderdeel uit van het besluit. Zoals in deze ruimtelijke onderbouwing is beschreven, wijkt het bouwplan voor de

Huyssitterweg te Stompwijk af van de bepalingen uit het vigerende bestemmingsplan. Het

bouwplan voldoet echter wel aan de kwalitatief-ruimtelijke en stedenbouwkundige doelstellingen voor het betreffende plangebied. Ook de stedenbouwkundige toetsing bevestigt dat het voorliggende bouwplan past binnen de ruimtelijke - en beeldkwaliteit van het betreffende woon- en leefgebied. Gelet op het vorenstaande is het voorliggende plan vanuit maatschappelijk oogpunt in algemene zin aanvaardbaar en daarmee uitvoerbaar te achten.

OVERZICHT BIJLAGEN: I. Bezonningsstudie Architectenburo Van Vliet, d.d. 28 augustus 2019

II. Tekeningen situering, Architectenburo Van Vliet, d.d. 13 februari 2020

III.

Akoestisch onderzoek Wegverkeerslawaai 4 woningen Huyssitterweg te Stompwijk, Voortman Ingenieurs, d.d. 9 januari 2019

IV.

Quickscan Ecologie, Buro Natuurzorg, d.d. 29 november 2018 55

V.

Verkennend bodemonderzoek in het kade van de voorgenomen bestemmingswijziging van en

nieuwbouw op de locatie Huyssitterweg B1964+1965 te Leidschendam, Hoste Milieutechniek BV d.d. 19 december 2018 VI.

Archeologische bureauonderzoek, Huyssitterweg 4 Stompwijk Gem. Leidschendam-Voorburg, Hazenberg Archeologie, d.d. december 2018

56

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=9e21f890-637e-482b-b03d-6e45ecebbcee