2191 Zienswijzennota Park Vronesteyn 24 Voorburg
Tekst van het document
Dit komt door een toename van verkeerintensiteit op verschillende momenten van de dag, zoals vermeld in de vele berichten (over onderzoeken) die een forse toename van de verkeersintensiteit voorspellen op de Westvlietweg tot uiting komend in een enorme verkeerstoename plus steeds groter wordende verscheidenheid in vervoersmodaliteiten. Eén van de redenen is de Mall of the Netherlands die miljoenen bezoekers meer zal trekken dan het oude Leidsenhage. Verder is de geluidsbelasting van het NS-terrein (spoor) niet meegenomen. Indieners geven aan dat het onderzoek naar de geluidsbelasting niet volledig en onzorgvuldig is en daarom niet aan het ontwerpbesluit ten grondslag kan worden gelegd, de ruimtelijke onderbouwing is niet volledig. Reactie: Indiener stelt dat de conclusies uit het akoestisch onderzoek onvoldoende onderbouwd zijn en dat relevante geluidsbronnen buiten beschouwing zijn gelaten. Indiener komt daarom tot de conclusie dat het akoestisch onderzoek ondeugdelijk is. Los van de vraag welk belang indiener hierbij, nu het hogere waardenbesluit alleen betrekking heeft op de nieuw te bouwen woning en niet op bestaande woningen in de omgeving, heeft wordt het volgende opgemerkt. De maximaal toegestane grenswaarde voor het bouwplan bedraagt 63 dB.
De maximale geluidsbelasting op de gevel van de nieuw te bouwen woning als gevolg van het verkeer op de Westvlietweg bedraagt 58 dB. Deze waarde ligt op zichzelf al ruimschoots onder de maximaal toegestane grenswaarde. Op grond van het bepaalde in artikel 110g van de Wet geluidhinder mag een correctie van de gemeten/berekende geluidsbelasting van 5 dB plaatsvinden. Deze correctie is, zoals gebruikelijk, ook voor dit bouwplan toegepast. De hogere waarde voor het bouwplan wordt daarom bepaald op 53 dB. De wettelijke grondslag voor bedoelde correctie is Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24”
20
zowel in het (ontwerp van het) hogere waardenbesluit als in het rapport van het uitgevoerde akoestisch onderzoek expliciet vermeld. De stelling van indiener mist derhalve feitelijke grondslag. Voor zover indiener stelt dat ten onrechte de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe te bouwen woning als gevolg van het NS-terrein en de scheepvaart op de Vliet niet zijn meegenomen wordt het volgende opgemerkt. Zoals in het akoestisch rapport vermeld is voor wat betreft spoorweglawaai voor dit bouwplan het Randstadrail-tracé over de Vliet de relevante geluidsbron. Het bouwplan bevindt zich buiten de geluidzone van de Randstadrail, zodat nader onderzoek op dit vlak achterwege kan blijven. Voor scheepvaartlawaai is in Nederland geen wettelijk toetsingskader beschikbaar. De mate van geluidhinder die door de scheepvaart op gevoelige functies, zoals woningen, wordt veroorzaakt is namelijk niet zodanig dat de wetgever het nodig heeft geacht daarvoor grenswaarden te bepalen. Het ontbreken van een wettelijk toetsingskader voor scheepvaartlawaai betekent niet zonder meer dat er geen voorwaarden aan (kunnen) worden gesteld, zo blijkt uit de jurisprudentie. Indien redelijkerwijs aannemelijk is dat scheepvaartlawaai relevant is, dan moet de geluidsbelasting van de scheepvaart ter hoogte van geluidsgevoelige bestemmingen inzichtelijk worden gemaakt.
Tot op heden is nimmer gebleken, dat de scheepvaart op de Vliet in de gemeente LeidschendamVoorburg voor een relevante geluidsbelasting op gevels van woningen of andere gevoelige bestemmingen zorgt. Het aspect ‘scheepvaartlawaai’ kan daarom voor het voorliggende bouwplan buiten beschouwing worden gelaten.
Toetsing aan relevante Natura 2000-gebieden 13. ‘Het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan ligt zelf niet binnen een gebied dat is aangewezen als Natura 2000-gebied of in de directe omgeving daarvan. Op enige afstand van het plangebied liggen wel enkele Natura 2000-gebieden met voor stikstofdepositie gevoelige habitats, waarop het PAS van toepassing is, te weten: ‘Gezien de aard van de werkzaamheden (sloop en nieuwbouw) zal er sprake zijn van stikstofdepositie en kan niet worden uitgesloten dat er negatieve effecten plaats vinden op de doelstellingen van deze Natura-2000 gebieden. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk in de vorm van een Aerius berekening. Het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming met betrekking tot gebiedsbescherming is mogelijk noodzakelijk.' Deze passages zijn met elkaar in tegenspraak. De opsteller van de ruimtelijke onderbouwing meent dat significante effecten op het gebied van stikstofdepositie op voorhand kunnen worden uitgesloten en Ecoresult, ingeschakeld door de initiatiefnemers, meent dat negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten. Daarmee ontbeert het Ontwerp volgens indieners ook op dit punt een deugdelijke onderbouwing. Reactie: In de eerste plaats wordt opgemerkt dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS), waarnaar indiener hier verwijst, al sinds 29 mei 2019 niet meer van toepassing is.
Voor het overige wordt opgemerkt dat lopende de procedure alsnog een AERIUS-berekening ten behoeve van het bouwplan is uitgevoerd. Daarbij is de toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats voor zowel de aanleg- en bouwfase als de gebruiksfase van het bouwplan onderzocht. De rekenresultaten van de AERIUS-berekening laten zien dat zowel in de aanleg- en bouwfase als in de gebruiksfase de depositie als gevolg van het bouwplan op stikstofgevoelige habitats of leefgebieden in Natura 2000-gebieden nergens hoger is dan de wettelijke norm van 0.00 mol/ha/jr. Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24”
21
De ruimtelijke onderbouwing wordt op deze punten aangevuld, de rapportages van de AERIUSberekening worden als bijlagen toegevoegd.
Conclusie De bovenstaande zienswijzen geven geen aanleiding om het bouwplan aan te laten passen of de omgevingsvergunning niet te verlenen.
03.
Indiener(s) zienswijze 3 Deze zienswijze is in een vreemde taal ingediend. Volgens artikel 6:5 lid 3 Awb dient een bezwaar- of beroepschrift welke in een vreemde taal is gesteld en een vertaling voor een goede behandeling van het bezwaar of beroep noodzakelijk is, de indiener zorg te dragen voor een vertaling. Op 24 september is de indiener van de zienswijze in de gelegenheid gesteld om voor 9 oktober 2020 een vertaling van de zienswijze in te dienen, zodat deze alsnog in behandeling kan worden genomen. De indiener heeft hier geen gebruik van gemaakt en om die reden is de zienswijze inhoudelijk niet in behandeling genomen.
Conclusie De bovenstaande zienswijze is niet ontvankelijk op grond van artikel 6:5 lid 3 Awb.
04. Indiener(s) zienswijze 4 Samenvatting van de zienswijze:
De indieners van de zienswijze zijn van mening dat het oprichten van de 2e woning in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat de motivering van het ontwerpbesluit geen goede ruimtelijke onderbouwing bevat vanwege onderstaande redenen. Daarnaast voldoet het ontwerpbesluit niet aan de basis vereisten van een besluit zoals neergelegd in afdeling 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht: 1. Indieners geven aan dat de specifieke architectonische kenmerken van de notariswoning en de bouwhoogte en kolossaliteit totaal afwijkt van het straatprofiel en de bestaande woningen in Park Vronesteyn. Reactie: In de eerste plaats wordt opgemerkt dat de stelling van indieners over de ‘kolossaliteit’ van het bouwplan vragen oproept. Voorheen bevond zich op het perceel één woning met een footprint van 333 m2. Deze wordt vervangen door twee nieuwe woningen met een gezamenlijke footprint van 243 m2. De bebouwde oppervlakte op het perceel neemt daarmee dus met ruim 25% af. In zoverre stroken de opmerkingen over de ‘kolossaliteit’ van het plan niet met de feiten.
Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24”
22
Ook wanneer objectief wordt gekeken naar de bouwvolumes in plaats van de bebouwde oppervlakte, dan is de stelling dat de schaal en maatvoering afwijkt van wat ter plaatse gebruikelijk is moeilijk te rijmen met de feiten. Hieronder is een afbeelding weergegeven van het plangebied met daarin de al gerealiseerde eerste woning op het perceel Park Vronesteyn 24:
Naar het oordeel van het college kan in redelijkheid niet worden gesteld dat het bouwvolume van de reeds gerealiseerde nieuwe woning qua schaal en maatvoering detoneert ten opzichte van de individuele bouwvolumes op de omliggende percelen, noch dat de woningen niet passen in het straatprofiel. Het volume van de nog te realiseren woning is vergelijkbaar (en zelfs iets kleiner) dan dat van de al gerealiseerde woning. Ten aanzien van de nog te bouwen woning kan daarom dezelfde conclusie worden getrokken wanneer het gaat om de passendheid in het ruimtelijk karakter en beeld van de wijk. Met betrekking tot de architectonische kenmerken van het voorliggende bouwplan wordt het volgende opgemerkt. Het is aan de welstands- en monumentencommissie om over de architectuur van het bouwplan, in het kader van de toetsing aan redelijke eisen van welstand, een oordeel resp. advies te geven aan het college. Het voorliggende bouwplan is diverse keren, ook als vooroverlegplan, voorgelegd aan de welstandscommissie. Gelet op de uitkomsten daarvan is niet te verwachten dat de commissie tot een negatief oordeel over het plan zal komen. Echter, de definitieve welstandsbeoordeling heef nog niet plaatsgevonden. Het is daarbij van belang op te merken dat het hier een gefaseerde aanvraag om omgevingsvergunning betreft.
In de eerste, hier aan de orde zijnde, fase is de planologische strijdigheid van het bouwplan onderwerp van de beoordeling en besluitvorming. Het centrale criterium is hierbij het belang van een goede ruimtelijke ordening. De bouwtechnische aspecten, zoals de constructieve veiligheid, brandveiligheid en ook de toets aan redelijke eisen van welstand komen formeel eerst bij de aanvraag om omgevingsvergunning tweede fase aan bod. In zoverre kunnen de argumenten van indiener over de architectonische kenmerken in dit deel van de procedure geen doel treffen.
Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24”
23
2. Indieners geven aan dat er voor het bouwen van de 2e woning in de tuin in ieder geval één mooie boom gekapt dient te worden. Hiermee verdwijnt al het groen in de betreffende hoek. Reactie: Het plangebied bestaat uit een tuin met gras. Er is begroeiing aanwezig in de vorm van enkele bomen, struiken en gazon. Het betreft hier voornamelijk cultivar soorten. In het Quickscan flora en fauna rapport van Ecoresult is opgenomen dat er in principe geen bomen gerooid worden, deze blijven in de toekomstige situatie behouden.
3. Indieners geven aan dat er sprake is van verstening van de tuin, waar voorheen een huis met een volume van 875 m3 en een oppervlakte van 155 m2 stond komen nu twee huizen te staan met een gezamenlijk volume van 1.900 m3 en een totale oppervlakte van 255 m2. Volgens indieners wordt de huidige garage (oppervlakte 68 m2) weliswaar gesloopt, maar wordt er in de toekomst een nieuwe garage/schuur bij in ieder geval de 1e woning gebouwd. Reactie: Indiener meent dat er sprake is van verstening van de tuin door het toevoegen van een tweede woning. Per saldo leidt echter de sloop van de oorspronkelijke woning met bijgebouw en vervangende nieuwbouw van twee woningen tot een afname van het aantal m2 bebouwd oppervlak ter plaatse. Dat rechtvaardigt de conclusie dat het bouwplan niet leidt tot een verstening van de tuin. Een eventuele aanvraag voor een nieuwe garage/schuur zal opnieuw beoordeeld worden, maar is niet onderhevig aan het huidige bouwplan. 4. Volgens het bestemmingsplan dienen woningen ook strak in de rooilijn te staan, aangezien het straatprofiel bestaande uit weg, trottoir, voortuin, gebouw, een essentiële drager is van de ruimtelijke kwaliteit. Indieners geven aan dat hier geen sprake van is nu de woning zo wordt geplaatst dat de 15 meter lange voorzijde evenwijdig loopt met de achtertuin van Park Vronesteyn 22.
Reactie: Opgemerkt wordt dat er geen sprake zou zijn van een “strakke rooilijn”, nu de voorzijde van de woning evenwijdig loopt met achtertuin van Park Vronesteyn 22. Zowel de woningen Park Vronesteyn 2 t/m 22 als 24a t/m 34 kennen enige mate van verspringing in het gevelbeeld resp. in de afstand van de voorgevel tot aan de straat. Eenzelfde licht verspringend beeld is ook zichtbaar in de gevels van de woningen Park Vronesteyn 5 t/m 27 terwijl met name bij bijvoorbeeld de hoekwoning Park Vronesteyn 15 de oriëntatie van de woning op de weg niet eenduidig is. De hier aan de orde zijnde nieuwe woning wordt in de lijn van de bestaande woningen Park Vronesteyn 24 t/m 34 gebouwd, de verspringing ten opzichte van ‘de rooilijn’ is niet afwijkend ten opzichte van de mate waarin de gevels van de bestaande woningen ten opzichte van elkaar verspringen. In zoverre heeft de beoogde positionering van de nieuwe woning geen wezenlijke invloed op het straatpatroon of het straatprofiel. Van een te grote afwijking van de stedenbouwkundige structuur van de wijk of strijd met gemeentelijk beleid is dan ook geen sprake.
Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24”
24
Voor zover indiener stelt dat de nieuwe woning de voorkant naar de woning Park Vronesteyn 22 heeft gekeerd wordt op het volgende gewezen. De voorheen op het perceel aanwezige, inmiddels gesloopte woning was eveneens met de voorgevel voor een belangrijk deel gericht op de woning Park Vronesteyn 22. Weliswaar is de situering van de nieuwe woning op het perceel ten opzichte van de gesloopte woning anders, maar de mate waarin de voorgevel zich richt op de naastgelegen woning is niet wezenlijk anders. 5. Indieners geven aan dat zowel de ruimtelijke onderbouwing van Legalexion van 1 juli 2020 met kenmerk 19407/1 als het advies van de afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling voor de besluitvorming over de oprichting van de 2e woning aan Park Vronesteyn 24 de volgende essentiële onjuistheden bevat: In het rapport van Legalexion staat dat de realisatie van de 2e woning, evenals de 1e woning, zoveel mogelijk aansluit en zelfs een verbetering is op de bestaande stedenbouwkundige omgeving aan Park Vronesteyn. Volgens indieners is dit onjuist en past de woning totaal niet in de stedenbouwkundige omgeving van Park Vronesteyn, aangezien de stedenbouwkundige omgeving van Park Vronesteyn gekenmerkt wordt door de kapvormen, de vele erkers, loggia's, luifels, gevelindeling, kleur en materiaalgebruik van de woningen.
Zowel de eerste als de 2e woning is een notariswoning, een brede woning met vlakke gevels met van de omringende woningen afwijkende kleur en materiaal. Indiener geeft aan dat de woning niks positiefs aan de omgeving toevoegt. Reactie: Het is van belang op te merken dat het hier een gefaseerde aanvraag om omgevingsvergunning betreft. In de eerste, hier aan de orde zijnde, fase is de planologische strijdigheid van het bouwplan onderwerp van de beoordeling en besluitvorming. Het centrale criterium is hierbij het belang van een goede ruimtelijke ordening. De bouwtechnische aspecten, zoals de constructieve veiligheid, brandveiligheid en ook de toets aan redelijke eisen van welstand, zoals kleur en materiaalgebruik komen formeel eerst bij de aanvraag om omgevingsvergunning tweede fase aan bod. Daarbij heeft de raad besloten in te stemmen met het afgeven van een ontwerpverklaring van geen bedenkingen. Daarmee verklaart de raad expliciet dat het bouwplan naar zijn oordeel niet in strijd is met (1) een goede ruimtelijke ordening en (2) gemeentelijk beleid. Qua positionering ten opzichte van de straat en gelet op de gevels van omliggende woningen is naar het oordeel van het college sprake van een passende ontwikkeling. Zowel de woningen Park Vronesteyn 2 t/m 22 als 24a t/m 34 kennen enige mate van verspringing in het gevelbeeld resp. in de afstand van de voorgevel tot aan de straat.
Eenzelfde licht verspringend beeld is ook zichtbaar in de gevels van de woningen Park Vronesteyn 5 t/m 27 terwijl met name bij bijvoorbeeld de hoekwoning Park Vronesteyn 15 de oriëntatie van de woning op de weg niet eenduidig is. De hier aan de orde zijnde nieuwe woning wordt in de lijn van de bestaande woningen Park Vronesteyn 24 t/m 34 gebouwd, de verspringing ten opzichte van ‘de rooilijn’ is niet afwijkend ten opzichte van de mate waarin de gevels van de bestaande woningen ten opzichte van elkaar verspringen. In zoverre heeft de beoogde positionering van de nieuwe woning geen wezenlijke invloed op het straatpatroon of het straatprofiel. Van een te grote afwijking van de stedenbouwkundige structuur van de wijk of strijd met gemeentelijk beleid is dan ook geen sprake. De enkele stelling van indieners dat de woning niets positiefs aan de omgeving toevoegt vertegenwoordigt de persoonlijke en daardoor per definitie niet objectieve mening van indieners. Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24”
25
Voor een objectieve beoordeling van dergelijke aspecten laat het college zich adviseren door de onafhankelijke welstands- en monumentencommissie. Het resultaat van deze beoordeling zal in de tweede fase van de vergunningsprocedure aan de orde komen. In die fase kunnen indieners tegen deze aspecten ook opkomen. Deze eerste, planologische, vergunningsfase leent zich daar niet toe.
6. Volgens indieners is het onbegrijpelijk dat het bouwplan voor de 2e woning aansluit op de doelstellingen van de Provinciale Omgevingsvisie voor wat betreft het opwaarderen van de woon- en leefomgeving en dat het college van burgemeester en wethouders dit onderschrijven. Reactie: De doelstellingen, die zijn geformuleerd in de provinciale Omgevingsvisie, richten zich op een hoger schaalniveau dan op perceelsniveau in een binnenstedelijke omgeving. De doelstellingen uit de Omgevingsvisie zijn in de GRO juist beschreven. Bezien vanuit die doelstellingen, die zoals gezegd in een binnenstedelijke omgeving nadrukkelijk het individuele perceelsniveau en belang overstijgen, kan het college niet anders dan de in de GRO getrokken conclusies voor wat betreft het bouwplan in relatie tot de Omgevingsvisie onderschrijven. 7. Volgens indieners is ten onrechte gesteld dat de 2e woning aansluit op de bestaande stedenbouwkundige omgeving en in combinatie met de 1e woning, een verbetering van de stedenbouwkundige omgeving aan Park Vronesteyn betekent. Indieners geven nogmaals aan dat twee dicht op elkaar staande zeer grote notariswoningen in het geheel niet bij de stedenbouwkundige omgeving aan Park Vronesteyn past en dat deze ontwikkeling ten koste gaat van het groene karakter van het perceel.
Reactie: Zoals eerder aangegeven leidt de sloop van de oorspronkelijke woning met bijgebouw en vervangende nieuwbouw van twee woningen tot een afname van het aantal m2 bebouwd oppervlak ter plaatse. Dat rechtvaardigt de conclusie dat het bouwplan niet ten koste gaat van het groene karakter van het perceel. 8. Volgens indieners is er geen grondslag voor de conclusie (bij ruimtelijk beleid- Structuurvisie Ruimte voor wensen 2040) dat het bouwplan voor Park Vronesteyn 24 aansluit op de uitgangspunten van de structuurvisie, aangezien de realisatie van de 2e woning het groene karakter van de Vlietzone aantast en de (woon)kwaliteit van Park Vronesteyn vermindert. Reactie: Zoals ook eerder al aangegeven kan er op verschillende manieren tegen de beoogde nieuwe situatie worden aangekeken. Niet weersproken wordt dat het totale bouwvolume ten opzichte van de oorspronkelijke situatie toeneemt. Tegelijkertijd neemt echter de bebouwde oppervlakte in de nieuwe situatie af. De inpassing van de beide woningen op de kavel is zodanig, dat voldoende ‘lucht’ op de kavel overblijft. Het behoud van de groene kwaliteit en de groene, open uitstraling van het gebied wordt met deze inpassing afdoende geborgd. 9. Het voorgestelde nieuwbouw zou overeenkomen met de al in de buurt aanwezige klassieke woningbouw.
Indieners geven aan, zoals al verschillende malen opgemerkt, past een notariswoning niet bij de al in Park Vronesteyn aanwezige klassieke woningbouw. In het Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24”
26
bijzonder niet een 2e, dicht naast de 1e te plaatsen, notariswoning, die boven de reeds aanwezige woningen uit zal torenen. Reactie: Kijkend naar de verschijningsvorm van de bebouwing rond de locatie van het bouwplan is het lastig te spreken van een eenduidige, klassieke hoofdvorm van de bebouwing. Veeleer is er in de directe omgeving van het bouwplan sprake van een divers bebouwingsbeeld, met uiteenlopende architectonische kenmerken, vormen, materiaalkleuren, dakbedekkingen, etc. De onderstaande afbeelding laat dat ook zien:
Het college blijft van mening dat de vormgeving, schaal en maatvoering die voor het voorliggende bouwplan is gekozen kwalitatief-ruimtelijk niet detoneert ten opzichte van de reeds bestaande bebouwing op omliggende percelen. In zoverre is van strijd met een goede ruimtelijke ordening geen sprake. De uiteindelijke beoordeling van het bouwplan aan de hand van redelijke eisen van welstand zal plaatsvinden door de welstands- en monumentencommissie, in de tweede fase van de vergunningaanvraag. De vooroverleggen met de welstands- en monumentencommissie geven echter voldoende aanleiding om aan te nemen dat ook de commissie de passendheid van het bouwplan in deze vorm en op deze plaats onderschrijft. 10. Indieners geven aan dat er bij het opstellen van het ontwikkelingsplan voor Park Vronesteyn 24 totaal geen rekening is gehouden met omwonenden. Omwonenden zouden bewust door de gemeente Leidschendam-Voorburg en de eigenaren van Park Vronesteyn 24 in onwetendheid zijn gehouden, aangezien zij allen ontkenden dat er (concrete) plannen waren voor de bouw van een 2e woning. Uit de ruimtelijke onderbouwing van Legalexion blijkt dat vanaf het begin het de bedoeling is geweest twee grote (notaris)woningen te bouwen op Park Vronesteyn 24.
Echter in de ruimtelijke onderbouwing bij de aanvraag om de omgevingsvergunning voor het oprichten van de 1e woning wordt nergens een herontwikkeling van het perceel met een 1e en een 2e woning genoemd. Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24”
27
Reactie: In de eerste plaats herkent het college zich niet in de stelling, dat van de zijde van de gemeente bewust en actief ontkend zou zijn dat op termijn de bedoeling was de gesloopte oorspronkelijke woning op het perceel te vervangen door twee nieuwe woningen. Vanaf de eerste vooroverlegfase is het uiteindelijke voornemen van initiatiefnemers bij de gemeente bekend geweest. Noch van de zijde van het college noch ambtelijk bestond enige aanleiding voor dan wel belang bij het onthouden van deze informatie aan omwonenden. Het college is echter bij het openbaar verstrekken van informatie omtrent ingediende bouwaanvragen wel gehouden zich te beperken tot informatie, die betrekking heeft op de aanvraag zoals die is ingediend. Initiatiefnemers hebben in eerste instantie een aanvraag om omgevingsvergunning voor de bouw van één woning ingediend. Deze aanvraag betrof de inmiddels gerealiseerde woning. Vervolgens hebben zij separaat een tweede aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor de nu aan de orde zijnde tweede woning op het perceel. Initiatiefnemers hebben het recht om de bouw van beide woningen op deze wijze te ‘knippen’, geen enkele rechtsregel verzet zich hiertegen. Het college dient vervolgens elk van beide aanvragen op de grondslag van de betreffende aanvraag in behandeling te nemen. Dat is hier ook gebeurd.
Het college heeft echter bij de behandeling van beide aanvragen geen informatie aan de omgeving onthouden of onjuiste dan wel onvolledige informatie verstrekt. Verder is het volgende van belang. Het bouwplan voor de eerste woning was op een tweetal ondergeschikte onderdelen in strijd met het vigerende bestemmingsplan, te weten: Gedeeltelijke situering van de woning buiten het vastgelegde bouwvlak; Geringe overschrijding van de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte. Deze strijdigheden zijn deels weggenomen door middel van een in het vigerende bestemmingsplan opgenomen binnenplanse afwijkingsbevoegdheid 3, deels door toepassing van de zogenoemde buitenplanse kruimelregeling 4. Voor toepassing van zowel de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid als de buitenplanse kruimelafwijkingsbevoegdheid geldt dat de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is en dat de toetsing beperkt blijft tot de beoordeling of de beoogde afwijking van het bestemmingsplan al dan niet leidt tot strijd met een goede ruimtelijke ordening. In tegenstelling tot de uitgebreide voorbereidingsprocedure, die op het nu voorliggende bouwplan van toepassing is, vindt bij de reguliere procedure geen terinzagelegging van een ontwerpbesluit plaats en is niet vereist dat de beoogde afwijking voorzien is van een goede ruimtelijke onderbouwing.
Er kan worden volstaan met een beoordeling van het bouwplan waarvoor de vergunning is aangevraagd en de toetsing daarvan aan het algemene criterium van een goede ruimtelijke ordening. En aangezien die bouwaanvraag formeel betrekking had op uitsluitend de bouw van de eerste woning, concludeert het college dat bedoeld bouwplan op de juiste grondslag en wijze is beoordeeld. De nu voorliggende aanvraag heeft betrekking op de bouw van de tweede nieuwe woning op het perceel. Het spreekt voor zich dat in de ruimtelijke onderbouwing voor de ten behoeve van deze tweede woning te doorlopen uitgebreide Wabo-procedure wordt verwezen naar en ingegaan op de totale situatie zoals die na afronding van beide bouwplannen zal bestaan. Dat doet echter aan het vorenstaande niet af. Beide aanvragen dienen op hun eigen grondslag te worden beoordeeld. Het college is van mening dat hieraan op de juiste wijze uitvoering is gegeven.
3 4
Artikel 31, lid 1, onder c., van de regels van het bestemmingsplan “Oosteinde-Parkweg”. Artikel 2.12, eerste lid, onder a.20 van de Wabo in samenhang met artikel 4, eerste lid, van Bijlage II bij het Bor.
Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24”
28
11. Volgens indieners wordt de privacy van de bewoners van Park Vronesteyn 16 t/m 22 in ernstige mate aangetast, aangezien de 2e woning parallel aan de achtertuinen van de even nummers (t/m nummer 22) van Park Vronesteyn gebouwd.
Reactie: Park Vronesteyn is een woonstraat in een stedelijke omgeving, De bebouwing bestaat deels uit vrijstaande, deels uit aaneen gebouwde woningen. De straat is ter plaatse van de betrokken percelen ca. 7,5 - 8,0 meter breed, De woning Park Vronesteyn 22 is een twee-onder-een-kap woning. De afstand van de zijgevel van de woning tot aan de perceelsgrens met Park Vronesteyn 24 bedraagt circa 2,5 meter. Een dergelijke maat is in deze wijk niet ongebruikelijk. In een dergelijke stedelijke setting zijn aspecten als vrij uitzicht en privacy per definitie relatief. Een recht op bijvoorbeeld behoud van vrij uitzicht kan niet blijvend geclaimd worden, dat is een onvermijdelijke consequentie van het wonen in een stedelijke omgeving. De effecten van de beoogde nieuwe woning op het perceel Park Vronesteyn 24 op de privacy zijn objectief bezien voor indieners bovendien niet significant nadeliger te achten dan het effect van de eerdere, inmiddels gesloopte woning met bijgebouw op het perceel. Bovendien zijn de effecten van de nieuwe woning op de privacy van indieners niet ingrijpender te achten dan de effecten op de privacy die de bestaande woningen Park Vronesteyn 16 t/m 22 onderling op elkaar hebben, nu vanuit elk van deze woningen een vergelijkbare mate van zicht op de aangrenzende percelen c.q. tuinen bestaat als het zicht vanuit de nieuw op te richten woning
12. De woonkwaliteit rond Park Vronesteyn 24 zou volgens indieners worden verminderd vanwege de verstening door twee huizen die niet in het straatbeeld van Park Vronesteyn passen. Reactie: Indiener meent dat het toevoegen van een tweede woning resulteert in meer verstening, echter per saldo leidt de sloop van de oorspronkelijke woning met bijgebouw en vervangende nieuwbouw van twee woningen tot een afname van het aantal m2 bebouwd oppervlak ter plaatse. 13. Indieners geven aan dat de conclusie dat het bouwplan voor Park Vronesteyn 24 weliswaar afwijkt van de bestemmingsregeling uit het vigerende bestemmingsplan, maar wel resulteert in een goede aansluiting op de bestaande bebouwing, niet wordt gerechtvaardigd. Reactie: De hier aan de orde zijnde nieuwe woning wordt in de lijn van de bestaande woningen Park Vronesteyn 24 t/m 34 gebouwd, de verspringing ten opzichte van ‘de rooilijn’ is niet afwijkend ten opzichte van de mate waarin de gevels van de bestaande woningen ten opzichte van elkaar verspringen. In zoverre heeft de beoogde positionering van de nieuwe woning geen wezenlijke invloed op het straatpatroon of het straatprofiel. Van een te grote afwijking van de stedenbouwkundige structuur van de wijk, strijd met gemeentelijk beleid of strijd met een goede ruimtelijke ordening is op het punt van de aansluiting op bestaande bebouwing dan redelijkerwijs ook geen sprake.
14. De welstands- en monumentencommissie is volgens de ruimtelijke onderbouwing in
Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24”
29
hoofdopzet akkoord met het voorliggende bouwplan. Volgens indieners lijkt het erop dat de commissie slechts aandacht heeft geschonken aan de tekeningen van de Vlietgevel van de 2e woning en niet aan de gevolgen van de bouw van de 2e woning aan de Park Vronesteyn zijde. De commissie zal zich daar nog over moeten buigen. De conclusie dat er in welstand technische zin geen belemmeringen bestaan voor het afwijken van het vigerende bestemmingsplan is dan ook volgens indieners voorbarig. Reactie: Zoals eerder aangegeven betreft het een gefaseerde aanvraag om omgevingsvergunning. In de eerste, hier aan de orde zijnde, fase is de planologische strijdigheid van het bouwplan onderwerp van de beoordeling en besluitvorming. Het centrale criterium is hierbij het belang van een goede ruimtelijke ordening. De bouwtechnische aspecten, zoals de constructieve veiligheid, brandveiligheid en ook de toets aan redelijke eisen van welstand, zoals kleur en materiaalgebruik komen formeel eerst bij de aanvraag om omgevingsvergunning tweede fase aan bod. 15.
Indieners geven aan dat bouwplannen niet mogen leiden tot extra parkeerdruk in de directe omgeving, maar de herontwikkeling van Park Vronesteyn 24 leidt echter wel tot extra parkeerdruk in Park Vronesteyn om de volgende reden: één woning met garage/schuur met één inrit ter breedte van een auto wordt namelijk vervangen door twee woningen met ieder een eigen inrit waarvan de (zonder omgevingsvergunning aangelegde) inrit bij de 1e woning een breedte heeft van ruim twee auto’s. De herontwikkeling heeft tot gevolg dat voor het gehele perceel Park Vronesteyn 24 geen enkele auto, groter dan een fiat panda, meer geparkeerd kan worden. Reactie: Zoals eerder aangegeven is de parkeercapaciteit en de bezettingsgraad het afgelopen jaar door de gemeente in beeld gebracht. Deze bezettingsgraad is dusdanig (namelijk onder de 85%), dat de uitrit van 5,7 meter breed acceptabel is en niet zorgt voor een te hoge parkeerdruk in de straat. Voor toekomstige berekeningen van de parkeereis wordt, binnen de gegeven bandbreedte, de gemiddelde waarde als parkeernorm gehanteerd, tenzij er valide argumenten zijn om van andere waarden uit te gaan. De parkeerruimte voor het perceel Park Vronesteyn 24 is wellicht aan de krappe kant, maar voldoet aan de richtlijn van ongeveer 5.50 meter. In de landelijke ontwerprichtlijnen (CROW) is opgenomen dat 95% van de personenauto’s maximaal 4,88 meter lang is. 16.
Volgens indieners gaat het (positieve) advies van de afdeling Ruimtelijke Ordening van een verkeerd uitgangspunt uit, waardoor dit advies niet gebruikt kan worden voor (mede)motivering van het ontwerpbesluit. De afdeling verkeert in de onjuiste veronderstelling dat een bestaande woning wordt gesloopt en op de plaats van deze bestaande woning een vrijstaande nieuwe woning met garage wordt opgericht. Dit is volgens indieners niet correct: wat betreft de oprichting van de 2e woning, onderwerp van het ontwerpbesluit, is sprake van een vervanging van een schuur/garage door een nieuwe woning. Reactie: Het is niet duidelijk waarop indieners de veronderstelling baseren, dat het advies van de afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling gestoeld zou zijn op een onjuiste aanname over de aard van het plan. Medio 2016 is een eerste vooroverlegverzoek voor het kadastraal splitsen van het perceel Park Vronesteyn 24, het slopen van de bestaande woning met erfbebouwing en het terugbouwen van 2 woningen met bijbehorende erfbebouwing voor het uitbrengen van advies bij de afdeling RO Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24”
30
voorgelegd. De plannen waren op dar moment nog in een vroeg stadium, waarbij werd overwogen deze twee woningen te integreren in één bouwvolume. Vanaf dat moment is de afdeling RO bekend met de aard van de beoogde plannen voor dit perceel. Hoewel de vorm en omvang van het plan sinds medio 2016, mede ter voldoening aan de door RO meegegeven stedenbouwkundige uitgangspunten en randvoorwaarden, is gewijzigd heeft er nooit enige onduidelijkheid bestaan over de bouwvoornemens van de initiatiefnemers. Van een onjuiste veronderstelling over het voorliggende bouwplan en een daaruit voortvloeiende onjuist beoordeling is dan ook geen sprake. 17. Indieners geven aan dat het ontwerpbesluit niet voldoet aan algemene beginselen van behoorlijk bestuur aangezien de volgende algemene beginselen van behoorlijk bestuur door B&W zijn geschonden: a. artikel 2:4 lid 1 Awb: gebod van onpartijdigheid; b. artikel 3:2 Awb: verplichting tot zorgvuldige voorbereiding; c. artikel 3:4 lid 1 Awb: verplichting belangenafweging te maken; d. artikel 3:4 lid 2 Awb: verplichting tot toepassing evenredigheidsbeginsel. Reactie: Uit de zienswijze blijkt niet in welke zin er sprake zou zijn van onbehoorlijk bestuur.
Het enkele feit, dat het bevoegd gezag bij het beoordelen van een bouwplan, op basis van een beoordeling van de relevante feiten en omstandigheden en een afweging van de betrokken belangen, tot conclusies komt die niet overeenkomen met de mening van de indiener is in elk geval onvoldoende om te stellen dat sprake is van onbehoorlijk bestuur.
18. Volgens indieners heeft het er alle schijn van dat B&W, de eigenaren van Park Vronesteyn 24 bij de herontwikkeling van hun perceel, ter wille willen zijn, ten nadelen van de omwonenden en de woonkwaliteit in Park Vronesteyn. Het was bij de gemeente vanaf het begin bekend, dit is bevestigd aan de bewoners van Park Vronesteyn 22 pas nadat de gehele planvorming rond was, dat de eigenaren van Park Vronesteyn 24 voornemens waren twee nieuwe woningen op het perceel te plaatsen. Daarbij heeft volgens indieners B&W de omgevingsvergunning voor de 1e woning verleend, zonder aan te geven dat dit de eerste stap in een relatief grootschalige herontwikkeling van de zuidoosthoek van Park Vronesteyn was. En zonder aan de eigenaren van Park Vronesteyn 24 te vragen dit bij de omwonenden bekend te maken en te bespreken. Daarnaast is volgens indieners, met instemming van de betrokken ambtenaren, een inrit bij de 1e woning aangelegd zonder dat hiervoor een omgevingsvergunning is aangevraagd. Omwonenden hebben een klacht ingediend over de illegale inrit en zijn volgens indieners met “een kluitje in het riet gestuurd”. Reactie: Het college merkt in de eerste plaats op zich niet te herkennen in termen als ‘relatief grootschalige herontwikkeling’.
Het voorliggende bouwplan voorziet in de nieuwbouw van één woning op een perceel waarop zich oorspronkelijk één woning met een relatief grote bebouwde oppervlakte bevond. Deze woning is gesloopt. Op het perceel is in eerste instantie één nieuwe woning gerealiseerd. Het nu voorliggende plan voorziet in de bouw van een tweede nieuwe woning op het perceel, waarbij uiteindelijk de footprint van de twee nieuwe woningen gezamenlijk circa 25% kleiner is dan de footprint van de gesloopte oorspronkelijke woning. Redelijkerwijs kan een dergelijke vorm van sloop en vervangende nieuwbouw niet worden gekwalificeerd als een relatief grootschalige herontwikkeling.
Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24”
31
Het college heeft in tegenstelling tot wat indieners stellen, wel degelijk aan de initiatiefnemers het dringende advies gegeven hun plannen tijdig en volledig te delen met omwonenden. Onder de geldende wetgeving bestaat er echter voor initiatiefnemers geen wettelijke verplichting een dergelijk advies van het college in acht te nemen. Daaruit volgt tevens, dat het door initiatiefnemers niet of onvoldoende betrekken van omwonenden voor het college niet resulteert in een juridisch houdbare grond om medewerking aan het bouwplan te onthouden. Uit de jurisprudentie volgt ook dat een initiatiefnemer van een bouwplan er weliswaar doorgaans goed aan doet om omwonenden bij zijn bouwplan te betrekken voordat (formeel) om planologische medewerking van het gemeentebestuur wordt gevraagd, maar dat de aanwezigheid van maatschappelijk draagvlak door dat gemeentebestuur uiteindelijk niet als voorwaarde mag worden gesteld om toestemming voor de realisatie van het bouwplan te geven. Onder meer in zijn uitspraak van 21 juni 20175 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dit bevestigd. Voor wat betreft de beweerdelijk illegale in-/uitrit constateert het college het volgende. Op 5 oktober 2020 is er, onder meer door indieners, bij het college een handhavingsverzoek ingediend vanwege een vermeend zonder vergunning aangelegde in-/uitrit bij de (herbouwde) woning Park Vronesteyn 24.
Naar aanleiding van dit handhavingsverzoek is onderzoek gedaan naar de mogelijk illegale situatie. Daarbij is geconcludeerd dat de in-/uitrit en de op het perceel aangelegde parkeerplaatsen bij de totale belangenafweging behorende bij de verleende omgevingsvergunning zijn betrokken. Op grond van de vigerende tuinbestemming zijn in-/uitritten ook toegestaan, zodat in elk geval geen sprake is van een met het bestemmingsplan strijdige situatie. De aanleg van parkeerplaatsen is binnen de tuinbestemming niet rechtstreeks toegestaan. Echter, de hiervoor vereiste omgevingsvergunning is op 17 oktober 2020 verleend. Geconstateerd is dat de in-/uitrit met een breedte van 5,70 m. smaller is gerealiseerd dan de maatvoering die is vergund. Stedenbouwkundig en verkeerskundig gezien ontstaat daarmee echter nog een gunstiger situatie dan wanneer de in-/uitrit de vergunde maat zou hebben. Ten slotte blijkt uit de gemaakte parkeerberekeningen dat het vanwege de aanleg van in-/uitritten wegvallen van parkeerplaatsen in de openbare ruimte niet leidt tot een onevenredige toename van de parkeerdruk dan wel het ontstaan van een vanuit oogpunt van goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare parkeersituatie. 19.
Indieners geven aan dat “bij de voorbereiding van een besluit het bestuursorgaan de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen”, dit zou niet gebeurd zijn, het ontwerpbesluit zou onvoldoende zorgvuldig zijn voorbereid. Aangeleverde informatie zou alleen van de eigenaren van Park Vronesteyn 24 afkomstig zijn, informatie van overige omwonenden en Park Vronesteyn 22 is volgens indieners niet naar gekeken. Ook dat de omwonenden zijn geïnformeerd over de bouwplannen door de eigenaren van Park Vronesteyn 24 is door B&W aangenomen, ondanks de brief die de omwonenden in het kader van de afgifte van de vvgb aan de gemeenteraad hebben verstuurd en later nogmaals hebben bevestigd. Indieners geven aan dat uit niets blijkt dat B&W onderzoek heeft gedaan naar de impact die de oprichting van twee grote notariswoningen op het straatbeeld van Park Vronesteyn en de omwonenden kan hebben.
5
ECLI:NL:RVS:2017:1542
Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24”
32
Reactie: Indieners nemen aan dat het college bij het voorbereiden van het ontwerp van de eerste fase omgevingsvergunning uitsluitend zijn afgegaan op de door de initiatiefnemer verstrekte informatie. Dat is een onjuiste aanname. Uiteraard vormt bij het voorbereiden van een besluit op een aanvraag om omgevingsvergunning die aanvraag met de daarvan deel uitmakende stukken, waaronder de GRO met bijbehorende onderzoeken, de basis voor de beoordeling van een bouwplan. Vervolgens dient het college aan de hand van objectieve, deels wettelijk vastgelegde criteria invulling te geven aan de op grond van de Wabo te beantwoorden kernvraag: leidt het bij omgevingsvergunning afwijken van het bestemmingsplan al of niet tot strijd met het algemeen belang van een goede ruimtelijke ordening? Het college laat zich bij het beantwoorden van deze vraag bijstaan door ambtelijke en overige adviseurs, die in hoge mate bekend zijn met onder meer de toepasselijke wet- en regelgeving, de situatie ter plaatse van een bouwplan, het gemeentelijk beleid, relevante jurisprudentie, etc. Deze adviseurs vormen zich op basis van alle relevante feiten en omstandigheden en objectief toetsbare criteria een beeld van de aard en omvang van een bouwplan, de gevolgen die de uitvoering van dat bouwplan heeft voor de omgeving en de belangen die daarbij meespelen.
Informatie van betrokken partijen, zowel initiatiefnemers als derden-belanghebbenden, kan daarbij meegewogen worden maar zal nooit de enige grondslag voor het te nemen besluit vormen omdat direct betrokken partijen als regel onvoldoende objectief naar een bouwplan en zijn gevolgen kijken. Zij hebben immers een eigen belang en hun informatie zal er primair op gericht zijn juist dat belang te benadrukken. Op basis van het oordeel van de betrokken adviseurs neemt het college vervolgens een besluit. In het voorliggende geval zijn adviseurs vanuit verschillende vakdisciplines al vanaf het vooroverlegstadium betrokken bij het beoordelen van het bouwplan. Op basis van hun adviezen hebben in de afgelopen jaren op meerdere onderdelen aanpassingen aan het plan plaatsgevonden, met als doel zowel de kwalitatief-ruimtelijke inpassing van het bouwplan te verbeteren als objectief bezien de mogelijke nadelige effecten van het bouwplan op de omgeving resp. voor omwonenden te beperken. Hierbij zijn steeds álle betrokken belangen, zowel van omwonenden als ook van de initiatiefnemers, inzichtelijk gemaakt en afgewogen. Dat die beoordeling en belangenafweging uiteindelijk niet heeft geleid tot het resultaat dat indieners wensen, doet hier niet aan af.
Het college verwerpt dan ook de stelling dat sprake zou zijn van een onvoldoende zorgvuldige voorbereiding van het (ontwerp)besluit over het voorliggende bouwplan. 20. Indieners geven aan dat B&W geen onderzoek heeft gedaan naar de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen. En dat de belangen van de eigenaren van Park Vronesteyn 24 niet zijn afgewogen tegen de belangen van de omwonenden, aangezien in de ruimtelijke onderbouwing van Legalexion, gemaakt in opdracht van de eigenaren van Park Vronesteyn 24, is opgenomen: gelet op de aard en de omvang van het plan en de relatief ruime locatie, niet de verwachting is dat de ruimtelijke en functionele impact van het plan zodanig is dat de belangen van omwonenden omtrent woon- en leefklimaat onaanvaardbaar worden aangetast. Reactie: Het college verwijst in de eerste plaats naar de reactie op het vorige onderdeel van de zienswijze van indieners.
Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24”
33
Wel merkt het college op dat in de GRO de gemaakte afweging van betrokken belangen onvoldoende concreet en expliciet is opgenomen. De GRO is op dit punt naar aanleiding van de zienswijze van indieners aangevuld. 21. Volgens indieners mogen “de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen”. B&W zou geen onderzoek hebben gedaan naar de nadelige gevolgen van het besluit voor de omwonenden van Park Vronesteyn 24 en de belangen van de omwonenden zouden volgens indieners geen rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van het ontwerpbesluit. Ook zou B&W niet gekeken hebben naar de evenredigheid tussen het belang van de eigenaren van Park Vronesteyn 24 bij een 2e woning op hun perceel en de aanzienlijke derving van het woongenot van de omwonenden als gevolg van de oprichting van deze 2e woning. Indieners geven aan dat B&W hiermee geen enkele aandacht heeft besteed aan het evenredigheidsbeginsel. Reactie: Zoals ook bij de reactie op andere onderdelen van de zienswijzen herhaaldelijk is gesteld herkent het college zich niet in het verwijt van indieners dat de belangen van omwonenden onvoldoende zouden zijn meegewogen bij de voorbereiding van de besluitvorming over het voorliggende bouwplan.
Het enkele feit dat de afweging van de betrokken belangen door het college niet leidt tot de door indieners gewenste uitkomst, rechtvaardigt immers niet het oordeel dat hun belangen onvoldoende in de gemaakte afweging zouden zijn betrokken. Het college heeft alle relevante feiten, omstandigheden en belangen beoordeeld en afgewogen maar komt daarbij tot andere conclusies dan indieners. Ook de stelling van indieners, dat het (ontwerp)besluit in strijd zou zijn met het evenredigheidsbeginsel, kan het college niet onderschrijven. Uiteraard heeft het realiseren van het voorliggende bouwplan gevolgen voor de omliggende percelen. En tot op zekere hoogte kunnen de effecten van het bouwplan voor omwonenden als nadelig worden aangemerkt. Echter, het betreft hier een locatie in dicht bevolkt stedelijk gebied binnen de agglomeratie Den Haag en omstreken. Ruimtelijke ontwikkelingen zoals de toevoeging van nieuwe woningen zijn binnen een dergelijke omgeving onvermijdelijk en bewoners kunnen als regel niet het recht op behoud van de bestaande situatie claimen, zelfs niet als een ruimtelijke ingreep tot een voor hen nadeliger situatie leidt. Dit wordt pas anders, wanneer de beoogde ingreep naar objectieve maatstaven zulke onevenredig nadelige gevolgen voor hen heeft dat daardoor strijd met een goede ruimtelijke ordening ontstaat.
Daarvan is hier, naar objectieve maatstaven beoordeeld, geen sprake. De effecten van het bouwplan overstijgen niet datgene wat binnen een stedelijke omgeving redelijkerwijs als een normale maatschappelijke ontwikkeling moet worden gezien. Schending van het evenredigheidsbeginsel is daarom niet aan de orde.
22. Indieners geven aan dat gelet op al het voorgaande kan van het verlenen van een omgevingsvergunning voor en het afgeven van een verklaring van geen bedenkingen tegen de oprichting van de 2e woning op Park Vronesteyn 24 geen sprake zijn. De besluitvorming zou in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, gelet op de geconstateerde onzorgvuldigheid en gebrekkige motivering waar daarnaast een goede ruimtelijke onderbouwing aan ontbreekt. Indieners verzoeken het college van burgemeester en wethouders van LeidschendamVoorburg en de gemeenteraad van Leidschendam-Voorburg hun zienswijze te honoreren en geen omgevingsvergunning te verlenen respectievelijk geen verklaring van geen bedenkingen af te geven voor de oprichting van de 2e woning in de achter-zijtuin van Park Vronesteyn 24. Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24”
34
Indieners verzoeken tenslotte het college en de raad in overweging te nemen om de eigenaren van Park Vronesteyn 24 te adviseren hun plannen uit te stellen tot de komende wijziging van het bestemmingsplan/omgevingsplan voor het “Oosteinde - Parkweg” gebied. Dit maakt het mogelijk om de randvoorwaarden voor de bouw van een 2e woning in een achter-zijtuin in een breder kader te stellen en geeft indieners als omwonenden de gelegenheid daarover gefundeerd in overleg te treden. Alleen op deze wijze kunnen volgens indieners afgewogen keuzes worden gemaakt. Reactie: Het college verwijst naar de reacties op de voorgaande onderdelen van de zienswijze. Het (ontwerp)besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning eerste fase is zorgvuldig voorbereid. Er zijn geen objectieve redenen om te oordelen dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en het bouwplan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Daarom ziet het college geen grond de vergunning te weigeren dan wel de besluitvorming daarover uit te stellen. Conclusie De bovenstaande zienswijze geeft geen aanleiding om het bouwplan aan te laten passen of de omgevingsvergunning niet te verlenen.
Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24”
35