2191 Zienswijzennota Park Vronesteyn 24 Voorburg
Tekst van het document
Gemeente Leidschendam-Voorburg
Zienswijzennota Projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24 Voorburg” (ID-nr: NL.IMRO.1916.ParkVronesteyn24-ON01)
Collegevergadering d.d. 16 februari d.d. 2021 Commissie Omgeving d.d. 23 maart 2021 Raadsvergadering d.d. 6 april 2021 Behorende bij raadsbesluit
Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24”
1
ZIENSWIJZENNOTA PROJECTAFWIJKINGSBESLUIT “PARK VRONESTEYN 24 VOORBURG”
1.
INLEIDING
Op 13 februari 2020 is een aanvraag omgevingsvergunning eerste fase ontvangen voor het oprichten van een vrijstaande woning met berging, met parkeervoorzieningen, met bijbehorende bouwwerken, werken, geen bouwwerk zijnde, en aanlegwerkzaamheden dan wel gebruik aan het perceel Park Vronesteyn 24 te Voorburg. Het projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24” bestaat uit een ontwerpbesluit omgevingsvergunning, een ontwerpbesluit hogere grenswaarden en een ontwerpverklaring van geen bedenkingen (hierna; vvgb) afgegeven door de raad op 7 juli 2020. De aanvraag is in strijd met artikel 19 van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Oosteinde Parkweg" en kan alleen gerealiseerd worden met een projectafwijkingsbesluit. Ingevolge artikel 6.5 lid 1 van het Besluit omgevingsrecht, juncto artikel 3.11 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) kan alleen meegewerkt worden aan een projectafwijkingsbesluit als de gemeenteraad een vvgb heeft afgegeven. Op 7 juli 2020 heeft de raad een ontwerp vvgb (raadsbesluit nr. 1676) afgegeven. Hierbij is aangegeven dat, indien er geen zienswijzen worden ingediend, de ontwerp vvgb als definitieve vvgb kan worden beschouwd.
De ontwerp vvgb heeft samen met de ontwerp omgevingsvergunning en de bijbehorende stukken ingevolge artikel 3.10 Wabo juncto afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ter inzage gelegen vanaf donderdag 30 juli 2020 t/m woensdag 9 september 2020. In de periode van terinzagelegging zijn er in totaal vier zienswijzen ingediend. 1.1
LEESWIJZER
De zienswijzennota is als volgt opgebouwd: De voorliggende Zienswijzennota Projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24” omvat in hoofdstuk 2 een overzicht van de ingediende zienswijzen. In hoofdstuk 3 worden de ingediende zienswijzen inhoudelijk behandeld. De zienswijzennota maakt deel uit van het besluit van de raad tot vaststelling van de vvgb en het besluit van het college tot vaststelling van de omgevingsvergunning.
Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24”
2
2.
ZIENSWIJZEN
In 2.1 is in tabelvorm weergegeven van wie op welke datum de schriftelijke zienswijze is ontvangen. In 2.2 wordt ingegaan op de ontvankelijkheid van de ingediende zienswijze. De ontvankelijke zienswijze is vervolgens in hoofdstuk 3 inhoudelijk samengevat, beoordeeld en afgewogen en van een reactie voorzien.
2.1
OVERZICHT ZIENSWIJZEN
Nr.
KCS nummer
Indiener
Adres
PC/Plaats
Datum ingekomen
1.
669519
Anoniem
Anoniem
7 september 2020
2.
670162
Anoniem
Anoniem
7 september 2020
3.
670163
Anoniem
Anoniem
7 september 2020
4.
670143
Indiener(s) zienswijze 1 Indiener(s) zienswijze Indiener(s) zienswijze Indiener(s) zienswijze
Anoniem
Anoniem
9 september 2020
2.2
ONTVANKELIJKHEID ZIENSWIJZEN
Het projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24” heeft ter inzage gelegen vanaf donderdag 30 juli 2020 t/m woensdag 9 september 2020. Alle vier de zienswijzen, die schriftelijk zijn ingediend, zijn binnen de wettelijke termijn van zes weken (de termijn van terinzagelegging van de ontwerpbesluiten) en daarmee tijdig ingediend. Een zienswijze is in een vreemde taal ingediend. Volgens artikel 6:5 lid 3 Awb dient een bezwaar- of beroepschrift welke in een vreemde taal is gesteld en een vertaling voor een goede behandeling van het bezwaar of beroep noodzakelijk is, de indiener zorg te dragen voor een vertaling. Op 24 september is de indiener van de zienswijze in de gelegenheid gesteld om voor 9 oktober 2020 een vertaling van de zienswijze in te dienen, zodat deze alsnog in behandeling kan worden genomen. Tot op heden is geen reactie vernomen. De zienswijze is daarom inhoudelijk niet in behandeling genomen. 2.3
ANONIMISEREN ZIENSWIJZEN
De Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) stelt strenge regels aan het (digitaal) openbaar maken van NAW-gegevens. Op grond van de AVG is het niet toegestaan om persoonsgegevens (zogenaamde NAW-gegevens: naam, adres en woonplaats) van natuurlijke personen te verwerken zonder een wettelijke grondslag, dringende noodzaak of toestemming van de betreffende personen. De indiener van de zienswijze wordt daarom niet met naam en toenaam genoemd. Om te kunnen herleiden wie een zienswijze heeft ingediend, is een afzonderlijk document “Overzicht indiener zienswijzen Projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24” opgesteld. Dat overzicht wordt niet beschikbaar gesteld.
Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24”
3
3.
BEANTWOORDING VAN DE ZIENSWIJZEN
In dit hoofdstuk zijn de ingebrachte zienswijzen samengevat en voorzien van een reactie. Onder conclusie wordt aangegeven of de betreffende zienswijze aanleiding geeft tot aanpassing van het plan. Het betreft hier een gefaseerde procedure, waarbij de 1e fase alleen ziet op de strijdigheden met het vigerende bestemmingsplan. Onderdelen zoals in- en uitrit en het kappen van bomen komen in de 2e fase aan de orde. In de zienswijzen wordt eveneens verwezen naar de 1e woning, dit betreft een andere aanvraag omgevingsvergunning, welke inmiddels onherroepelijk is. 01. Indiener(s) zienswijze 1 Samenvatting van de zienswijzen: 1. De indiener van de zienswijze geeft aan dat de argumentatie voor het afwijken van het bestemmingsplan volledig ontbreekt. Reactie: De argumentatie, op grond waarvan geconcludeerd is dat voor dit bouwplan kan worden afgeweken van het vigerende bestemmingsplan, is opgenomen in de goede ruimtelijke onderbouwing (GRO) die ten behoeve van het bouwplan is opgesteld. Hierin zijn de bestaande situatie ter plaatse van het bouwplan, de visie op de locatie en de effecten van bouwplan op de omgeving beschreven en afgewogen. Verwezen wordt naar de betreffende GRO. De stelling, dat de argumentatie voor het afwijken van het bestemmingsplan volledig ontbreekt, is als feitelijk onjuist aan te merken. 2.
Volgens de indiener is er sprake van onbehoorlijk bestuur en ontbreekt een goede ruimtelijke onderbouwing. Reactie: Uit de zienswijze blijkt niet in welke zin er sprake zou zijn van onbehoorlijk bestuur. Het enkele feit, dat het bevoegd gezag bij het beoordelen van een bouwplan, op basis van een beoordeling van de relevante feiten en omstandigheden en een afweging van de betrokken belangen, tot conclusies komt die niet overeenkomen met de mening van de indiener is in elk geval onvoldoende om te stellen dat sprake is van onbehoorlijk bestuur. Ten behoeve van het bouwplan is opgesteld de ‘Ruimtelijke onderbouwing t.b.v. realisatie grondgebonden vrijstaande eengezinswoning aan Park Vronesteyn 24 te Voorburg’ (Legalexion, juli 2020). Dit document voldoet aan alle vorm- en overige vereisten om als goede ruimtelijke onderbouwing in de zin van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) te kunnen worden aangemerkt. De stelling, dat een goede ruimtelijke onderbouwing ontbreekt is als feitelijk onjuist aan te merken.
Conclusie De bovenstaande zienswijzen geven geen aanleiding om het bouwplan aan te laten passen of de omgevingsvergunning niet te verlenen.
Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24”
4
02. Indiener(s) zienswijze 2 Samenvatting van de zienswijze: Ontbreken van valide argumenten voor het wijzigen van het bestemmingsplan 1. De indieners van de zienswijze zijn van mening dat steekhoudende argumenten voor het afwijken van het bestemmingsplan ontbreken. Volgens indieners maakt de gemeente in dit geval op geen enkele manier duidelijk waarom dit ingrijpende afwijken van het bestemmingsplan, waar omwonenden zoveel last van hebben, in maatschappelijk of sociaal opzicht nodig is. Reactie: Artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van de Wabo bepaalt dat een omgevingsvergunning voor een bouwplan, dat in strijd is met een vigerend bestemmingsplan, kan worden verleend indien dat bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van dat besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Het systeem van de Wabo schrijft voor dat het bevoegd gezag dient te onderbouwen dat een afwijking van het bestemmingsplan mogelijk is vanuit oogpunt van goede ruimtelijke ordening. De wetssystematiek voorziet echter, evenals de jurisprudentie, niet in het vereiste dat ook de noodzaak voor een afwijking van het bestemmingsplan dient te worden onderbouwd. Ontbreken van een goede ruimtelijke onderbouwing 2. De ruimtelijke onderbouwing die als bijlage 1 bij het ontwerpbesluit is gevoegd zou onjuist zijn.
Het betreft volgens indieners niet de sloop van een oude woning en de bouw van een nieuwe woning met garage, maar zou gaan over de oude en eerste woning die op het perceel staat. Deze onderbouwing kan volgens indiener niet gebruikt worden bij het ontwerpbesluit betreffende de bouw van een volledig nieuwe en tweede woning op het perceel. Reactie: De ruimtelijke onderbouwing voor het bouwplan beschrijft duidelijk dat het bouwplan voorziet in de bouw van een nieuwe vrijstaande woning naast de eerder gerealiseerde woning op het perceel Park Vronesteyn 24, welke ter vervanging van de bestaande gesloopte woning is opgericht. Verwezen wordt naar onder meer paragraaf 1.1 en 3.3 van de ruimtelijke onderbouwing. De ruimtelijke onderbouwing heeft, in tegenstelling tot wat indiener stelt, wel degelijk betrekking op het hier voorliggende bouwplan. 3. De Goede Ruimtelijke Onderbouwing (GRO), opgesteld door Legalexion, zou onjuistheden en clichématige overwegingen bevatten, die veelal onjuist of tegenstrijdig zijn. Het gaat dan om de volgende punten: 3.1 Bouw 2e woning in context van ontwikkeling gehele kavel; In de GRO wordt gesteld dat de bouw van de 2e woning gezien moet worden in de context van de ontwikkeling van de gehele kavel. De 1e nieuwe woning (1100 m3) zou in volume, nok en goothoogte groter zijn dan de oude woning (875 m3) en de omliggende woningen.
Met het volume van de 2e woning (800 m3) erbij zou er volgens indieners geen verbetering zoals in de GRO opgenomen zijn, maar juist een verslechtering. Daarbij is het volgens indiener strijdig met veel gemeentelijk beleid, wat ook onderbouwd wordt door raadsleden van vier partijen. Reactie: In de eerste plaats is van belang te constateren dat de raad heeft besloten in te stemmen met het afgeven van een ontwerpverklaring van geen bedenkingen. Daarmee verklaart de raad expliciet
Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24”
5
dat het bouwplan naar zijn oordeel niet in strijd is met (1) een goede ruimtelijke ordening en (2) gemeentelijk beleid. Voor wat betreft de stelling in de ruimtelijke onderbouwing, dat de sloop van de voorheen bestaande woning en vervanging daarvan door twee nieuwe woningen in ruimtelijk opzicht een verbetering betekent, wordt het volgende opgemerkt. In de oorspronkelijke situatie was op het perceel Park Vronesteyn 24 in totaal een oppervlakte aan bebouwing van 333,4 m2 aanwezig. In de beoogde nieuwe situatie, na sloop van de oorspronkelijke bebouwing en nieuwbouw van twee nieuwe woningen, resteert een oppervlakte aan bebouwing van in totaal circa 243 m2. De bebouwde oppervlakte op het perceel neemt daarmee af met circa 91 m2. Zowel stedenbouwkundig als met het oog op mogelijkheden voor klimaatadaptatie is een afname van de bebouwde oppervlakte als een verbetering te beschouwen. Immers, bij een afname van de hoeveelheid bebouwing is meer wateropname mogelijk op het terrein zelf. Dat een vermindering van de bebouwde oppervlakte niet automatisch ook een afname van het totale bouwvolume op de kavel betekent, doet daar niet aan af.
3.2 Naast het volume zou er ook geen sprake zijn van ‘ingetogen voegen’ zoals de welstandsnota voorschrijft. Eveneens zouden de identiteitskenmerken van de wijk zoals erkers, loggia’s, balkons, verspringende gevels of dakgoten ontbreken en de lichte kleurstelling van de steen zou sterk afsteken. Het verslag van de welstand betreft slechts één zin: ‘akkoord, niet strijdig met redelijke eisen van welstand.’ Terwijl indiener in haar zienswijze tegen de 1e woning heeft gevraagd de woning qua welstand aan te passen, wat niet terug is te vinden in het verslag van de welstandscommissie. Reactie: Het voorliggende bouwplan is diverse keren, ook als vooroverlegplan, voorgelegd aan de welstandscommissie. Het is niet duidelijk naar welk ‘verslag van de welstand’ indiener hier verwijst omdat, zoals hieronder uiteengezet, de definitieve welstandsbeoordeling van het bouwplan nog niet heeft plaatsgevonden. Het is van belang op te merken dat het hier een gefaseerde aanvraag om omgevingsvergunning betreft. In de eerste, hier aan de orde zijnde, fase is de planologische strijdigheid van het bouwplan onderwerp van de beoordeling en besluitvorming. Het centrale criterium is hierbij het belang van een goede ruimtelijke ordening.
De bouwtechnische aspecten, zoals de constructieve veiligheid, brandveiligheid en ook de toets aan redelijke eisen van welstand komen formeel eerst bij de aanvraag om omgevingsvergunning tweede fase aan bod. In zoverre kunnen de argumenten van indiener over de welstandbeoordeling in dit deel van de procedure geen doel treffen. Voor het overige wordt nog verwezen naar paragraaf 3.4 van de ruimtelijke onderbouwing.
3.3 Ruimtelijke inpassing 2e woning; Indieners geven aan dat op pagina 14 van de GRO wordt verwezen naar de ‘Structuurvisie Ruimte voor Wensen 2040. Samen met het ‘Groen structuurplan’ uit 2009 vormt dit mede de basis voor het vigerende bestemmingsplan Oosteinde Parkweg van mei 2013. De indieners geven aan dat raad met het vaststellen van dit bestemmingsplan blijk heeft gegeven om de kwaliteiten van een wijk als Park Vronesteyn met klem te willen borgen. Volgens indieners wordt
Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24”
6
er met het voorgenomen bouwplan in strijd met veel van de richtlijnen gehandeld (paragraaf 4.3.1, 4.3.7., 3.2.2.3 en 4.3.7). Reactie: Indiener lijkt van mening dat het feit, dat het bestemmingsplan “Oosteinde – Parkweg” als een conserverend of consoliderend bestemmingsplan wordt aangemerkt, betekent dat geen enkele wijziging in ten tijde van de vaststelling van dit plan bestaande situatie mag plaatsvinden. Dat is geen juiste opvatting. Uit het begrip ‘conserverend bestemmingsplan’ volgt niet dat alle bestemmingen gelijk moeten blijven aan de bestaande situatie en dat het plan geen enkele ruime voor nieuwe ontwikkelingen mag bieden1. Het betekent slechts, dat het plan niet op voorhand voorziet in meer grootschalige ruimtelijke ingrepen die de karakteristiek van het plangebied als geheel raken. 3.4 Aansluiten op en verbeteren van de stedenbouwkundige omgeving; In de GRO wordt aangegeven dat de 2e woning ‘zoveel mogelijk aansluit op de bestaande stedenbouwkundige omgeving' en een bijdrage levert aan ‘de versterking van de (woon)kwaliteit van de Vlietzone’. Bovendien zou de bouw van de 2 woningen een ‘verbetering van de stedenbouwkundige omgeving' betekenen. Volgens indieners is hier geen sprake van nu blijkt dat de 2e woning niet aan het straatpatroon en straatprofiel voldoet.
De 2e woning is namelijk afwijkend van de rooilijn en heeft de zijkant naar de straat gekeerd en de voorkant naar Park Vronesteyn 22. Indieners geven aan dat dit geheel haaks is op de stedenbouwkundige structuur de wijk én strijdig met beleid. Reactie: Opgemerkt wordt dat de bestaande woningen minder strak ‘in de rooilijn’ zijn gebouwd dan wordt gesuggereerd. Zowel de woningen Park Vronesteyn 2 t/m 22 als 24a t/m 34 kennen enige mate van verspringing in het gevelbeeld resp. in de afstand van de voorgevel tot aan de straat. Eenzelfde licht verspringend beeld is ook zichtbaar in de gevels van de woningen Park Vronesteyn 5 t/m 27 terwijl met name bij bijvoorbeeld de hoekwoning Park Vronesteyn 15 de oriëntatie van de woning op de weg niet eenduidig is. De hier aan de orde zijnde nieuwe woning wordt in de lijn van de bestaande woningen Park Vronesteyn 24 t/m 34 gebouwd, de verspringing ten opzichte van ‘de rooilijn’ is niet afwijkend ten opzichte van de mate waarin de gevels van de bestaande woningen ten opzichte van elkaar verspringen. In zoverre heeft de beoogde positionering van de nieuwe woning geen wezenlijke invloed op het straatpatroon of het straatprofiel. Van een te grote afwijking van de stedenbouwkundige structuur van de wijk of strijd met gemeentelijk beleid is dan ook geen sprake.
Voor zover indiener stelt dat de nieuwe woning de voorkant naar de woning Park Vronesteyn 22 heeft gekeerd wordt op het volgende gewezen. De voorheen op het perceel aanwezige, inmiddels gesloopte woning was eveneens met de voorgevel voor een belangrijk deel gericht op de woning Park Vronesteyn 22. Weliswaar is de situering van de nieuwe woning op het perceel ten opzichte van de gesloopte woning anders, maar de mate waarin de voorgevel zich richt op de naastgelegen woning is niet wezenlijk anders.
1
Zie bijvoorbeeld ABRvS, 4 september 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1047)
Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24”
7
3.5 Bijdragen aan versterking woonkwaliteit; In de GRO wordt aangegeven dat de 2e woning een bijdrage levert aan ‘de versterking van de (woon)kwaliteit van de Vlietzone’. Indieners geven aan dat de nu gekozen stedenbouwkundige structuur garant staat voor grove inbreuk op licht, zichtlijnen en bezonning. Ook geven indieners aan dat de privacy ernstig wordt ontnomen. De belangen van de indieners zouden in het geheel niet zijn meegenomen. Reactie: De stellingen van indiener over een grove inbreuk op licht, zichtlijnen en bezonning alsmede het ontnemen van privacy worden niet onderschreven. Park Vronesteyn is een woonstraat in een stedelijke omgeving, De bebouwing bestaat deels uit vrijstaande, deels uit aaneen gebouwde woningen. De straat is ter plaatse van de betrokken percelen ca. 7,5 - 8,0 meter breed, De woning Park Vronesteyn 22 is een twee-onder-een-kap woning. De afstand van de zijgevel van de woning tot aan de perceelsgrens met Park Vronesteyn 24 bedraagt circa 2,5 meter. Een dergelijke maat is in deze wijk niet ongebruikelijk. In een dergelijke stedelijke setting zijn aspecten als vrij uitzicht en privacy per definitie relatief. Een recht op bijvoorbeeld behoud van vrij uitzicht kan niet blijvend geclaimd worden, dat is een onvermijdelijke consequentie van het wonen in een stedelijke omgeving.
De effecten van de beoogde nieuwe woning op het perceel Park Vronesteyn 24 op licht, zichtlijnen en bezonning zijn objectief bezien voor indiener niet significant nadeliger te achten dan het effect van de eerdere, inmiddels gesloopte woning met bijgebouw op het perceel of (waar het specifiek de privacy betreft) van de woning Park Vronesteyn 20 die direct tegen de woning van indieners is aangebouwd en daarmee uiteraard ook direct uitkijkt op hun perceel. Ten aanzien van de bezonning kan nog het volgende worden opgemerkt. Ten behoeve van het bouwplan is een bezonningsstudie ingediend. Uit deze studie blijkt dat het bouwplan in overeenstemming is met de (strenge) landelijke TNO-norm van minimaal 3 uur per dag zonuren. Na realisatie zal de nieuwe woning op enige moment meer schaduw werpen op de omliggende bebouwing dan dat dit in de oude situatie het geval was, maar op andere momenten is dit weer minder waardoor de bezonning in balans is. Voor wat betreft de gestelde grove inbreuk op zichtlijnen wordt opgemerkt dat indiener niet nader preciseert welke zichtlijnen in welke mate zouden worden aangetast. De zichtlijnen vanaf de voor- en achtergevel van Park Vronesteyn 22 wijzigen niet als gevolg van het bouwplan.
Wanneer indiener hier specifiek de zichtlijn vanaf diens perceel richting de Vliet bedoelt, dan moet worden vastgesteld dat deze zichtlijn in de oude situatie, voor de sloop van de oorspronkelijke woning, door de positie en maat van de bebouwing maar zeker ook door het aanwezige groen zeer beperkt was. Van een significante verslechtering als gevolg van het nu voorliggende bouwplan kan dan ook redelijkerwijs geen sprake zijn. Voorts wordt de bestaande garage op de erfgrens met Park Vronesteyn 22 als onderdeel van het voorliggende bouwplan gesloopt. Dit is een bouwvolume van aanzienlijke omvang met een forse kaphoogte. Het verdwijnen van dit bijgebouw leidt op de erfgrens tot minder verdichting en meer lucht en ruimte in het bebouwingsbeeld, tot een verbetering van de zichtlijnen vanaf Park Vronesteyn 22 (die nu deels gedomineerd worden door de blinde muur van deze garage), tot meer bezonning op verschillende tijdstippen op de dag, etc. Daarmee is objectief bezien zelfs sprake van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in plaats van een verslechtering zoals indiener stelt.
Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24”
8
3.6 Versterken van de groene woonstad; In de GRO wordt aangegeven dat de gemeente inzet op behoud en versterking van het groene karakter van de stad. Indiener geeft aan dat de bouw van de 2e woning juist strijdig is met het beleid Structuurvisie Ruimte voor Wensen 2040 ten aanzien van groen en buitenruimte. Met de bouw van een 2e woning zou de groene zone langs de Vliet juist aanzienlijk worden versteend door de bouw van de 2e woning in plaats van een ruime tuin. Bovendien geeft indiener aan dat er geen sprake is van ‘borging van onbebouwde ruimte en groene kwaliteit’, maar van het toevoegen van vele strekkende meters verstening aan de Vlietzone, wat strijdig zou zijn met het beleid. Reactie: Het punt van de verstening versus de versterking van de groene kwaliteit van de Vlietzone kan vanuit meerdere invalshoeken worden bezien. Indiener meent dat het toevoegen van een tweede woning resulteert in meer (strekkende meters) verstening en dus afbreuk doet aan de bedoelde groene kwaliteit. Per saldo echter leidt de sloop van de oorspronkelijke woning met bijgebouw en vervangende nieuwbouw van twee woningen tot een afname van het aantal m2 bebouwd oppervlak ter plaatse. Dat rechtvaardigt de conclusie dat het bouwplan niet leidt tot een aantasting van de groene kwaliteit van de Vlietzone en dus ook niet in strijd is met het gemeentelijk beleid waarnaar indiener verwijst.
3.7 Park Vronesteyn behoort tot de ‘statische wijken'; In het bestemmingsplan is opgenomen dat de mogelijkheid om wijzigingen aan te brengen in de voorraad niet groot zijn en dit feitelijk alleen kan na sloop van de aanwezige bebouwing. Volgens indieners staat de bouwvlek van de 2e woning geheel los van de bouwvlek van de oorspronkelijke woning. De sloop van de oorspronkelijke woning zou géén randvoorwaarde zijn, maar een excuus voor de 2e woning. De beoogde 2e woning wordt gewoon in de achtertuin gezet. Een goede inpassing van twee woningen was mogelijk geweest indien vooraf met rooilijnen, straatprofiel en identiteitskenmerken (welstand) rekening was gehouden. Maar de focus bij deze ontwikkeling was volgens indiener op volume. Reactie: De hier door indiener naar voren gebrachte stelling wordt niet onderschreven. In de eerste plaats is ook hier van belang om te benadrukken dat de kwalificatie ‘statische wijken’ niet inhoudt dat er geen enkele ingreep mogelijk zou zijn. Hiervoor geldt in feite hetzelfde als wat hiervoor al is opgemerkt ten aanzien van de term ‘conserverend/consoliderend’ bestemmingsplan. Deze kwalificaties maken duidelijk dat grootschalige ingrepen op het niveau van de wijkstructuur niet worden voorzien.
Dat laat echter onverlet dat individuele ruimtelijke ontwikkelingen kunnen worden gefaciliteerd wanneer die de structuur en kwaliteit van de wijk niet aantasten en daarom in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening kunnen worden geacht. Dat geldt te meer daar een van de nadrukkelijke kwantitatieve ambities uit de structuurvisie is om 80% van de woningbouwopgave in Leidschendam-Voorburg te realiseren binnen bestaand stedelijk gebied. In het bestemmingsplan, waarnaar indiener verwijst, wordt gesteld dat wijzigingen in de woningvoorraad feitelijk slechts mogelijk zijn wanneer sloop van aanwezige bebouwing plaatsvindt. De oorspronkelijke woning Park Vronesteyn 24 is gesloopt. De kavel heeft een oppervlakte van ruim 1.550 m2 en is daarmee vergelijking met vrijwel alle andere kavels in de wijk uitzonderlijk ruim bemeten. Bij een dergelijke maat is het realiseren van twee woningen in plaats van één op de kavel, zeker in een stedelijke omgeving, objectief bezien aan te merken als een meer efficiënt gebruik van schaarse beschikbare ruimte. Gelet op de zeer moeilijke situatie op de woningmarkt in de regio wordt een dergelijke toevoeging aan de woningvoorraad op Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24”
9
zichzelf als een positieve ontwikkeling gezien. Een ontwikkeling die bovendien in lijn is met de uitgangspunten van het bestemmingsplan, waarnaar indiener zelf verwijst. Indiener stelt dat de tweede nieuwe woning op de kavel geen relatie heeft met de bouwvlek van de oorspronkelijke, gesloopte woning. Dat is ook in het kader van een goede ruimtelijke ordening geen eis. Van belang is dat in de nieuwe (eind)situatie sprake is van een goede inpassing van de beoogde twee woningen op het perceel en een goede verkaveling. In de gekozen opzet is sprake van een efficiënte en evenwichtige verkaveling die recht doet aan de stedenbouwkundige structuur van de wijk en goed voldoet aan de ambitie om het groene karakter van het gebied te behouden en waar mogelijk te versterken. Wanneer, zoals kennelijk de voorkeur van indiener zou hebben, in de nieuwe situatie de bebouwing geconcentreerd zou zijn op de bouwvlek van de oorspronkelijke woning, dan zou een onlogische en onevenwichtige ruimtelijke verdeling van de bebouwing op de kavel zijn ontstaan die juist afbreuk zou doen aan het karakter en de kwaliteiten van de locatie. 3.8 De grote volumes onttrekken kwaliteit aan de Vliet en de 'groene woonstad’; Indieners geven aan dat de twee nieuwe woningen samen ruim tweemaal groter zijn dan de oorspronkelijke woning.
De grote volumes van deze herontwikkeling van Park Vronesteyn 24 zouden zorgen voor een forse inbreuk op het versterken van de 'groene woonstad’ en het ‘excellent wonen’. Daarbij voegt de 2e woning 15 strekkende meter vlakke gevels/verstening toe aan de bebouwing langs de Vliet. Dit is strijdig met het beoogde open en groen houden van de Vliet. Door de verstening langs de zuidoostelijk zijde van de erfgrens van de indiener worden zichtlijnen, licht en zon geblokkeerd. Ook voor de wijk worden zichtlijnen weggenomen. Reactie: Zoals ook eerder al aangegeven kan er op verschillende manieren tegen de beoogde nieuwe situatie worden aangekeken. Niet weersproken wordt dat het totale bouwvolume ten opzichte van de oorspronkelijke situatie toeneemt. Tegelijkertijd neemt echter de bebouwde oppervlakte in de nieuwe situatie af. De inpassing van de beide woningen op de kavel is zodanig, dat voldoende ‘lucht’ op de kavel overblijft. Het behoud van de groene kwaliteit en de groene, open uitstraling van het gebied wordt met deze inpassing afdoende geborgd. Op het verlies van licht en zicht voor indiener is hiervoor al ingegaan. Van het wegnemen van zichtlijnen voor de wijk is, kijkend naar zowel luchtfoto’s van de oorspronkelijke situatie als de tekeningen van de beoogde nieuwe situatie in redelijkheid geen sprake.
3.9 Eén van de pijlers van het beleid Structuurvisie Ruimte voor Wensen 2040 is het versterken van de ‘groene woonstad', door het behoud en ontwikkeling van excellente woonmilieus op de westelijke Vlietoever zoals wonen aan het water, buitenplaatsen en andere hoogwaardige woonmilieus. De indieners geven aan dat het beoogde bouwplan in strijd is met dit beleid. Reactie: Verwezen wordt naar hetgeen over het bouwplan in relatie tot de Structuurvisie in de voorgaande reacties al is opgemerkt.
Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24”
10
Ontbreken belangenafweging 4. Indieners geven aan dat steekhoudende argumenten voor het afwijken van het bestemmingsplan ontbreken en dat geen belangenafweging zou hebben plaatsgevonden, wat de schijn van vooringenomenheid zou wekken. Indieners en betrokken omwonenden hebben aan het college en de raad al eerder kenbaar gemaakt dat de onderhavige ontwikkeling de kwaliteit van de wijk schaadt. Volgens indieners kan het belang van één extra woning voor de initiatiefnemers niet opwegen tegen de nadelen voor de wijk en de omwonenden. Bij een omgevingsvergunning die met een afwijking van het bestemmingsplan wordt verleend, dient volgens vaste rechtspraak acht geslagen te worden op de belangen van derden. Zie ABRvS 22 mei 2019, ECLI:NLRVS:2019:1628. Indieners geven aan dat in het bij het Ontwerpbesluit behorende document van Legalexion van juli 2020, de ‘Goede Ruimtelijke Onderbouwing' (GRO) aan het punt van de belangenafweging niet veel woorden worden gewijd. Reactie: Het college merkt op dat in de GRO de gemaakte afweging van betrokken belangen in eerste instantie onvoldoende concreet en expliciet is opgenomen. De GRO is op dit punt naar aanleiding van de zienswijze van indieners aangevuld. Niet geraadpleegd en gehoord 5. Indieners zouden niet geraadpleegd en gehoord zijn en geven aan door de gemeente verkeerd geïnformeerd te zijn.
Indieners zijn van mening dat in de lange aanloop naar planvorming voor de ontwikkeling van het perceel informatie is onthouden. Terwijl de gemeente heeft aangegeven dat zij de richtlijnen van de Omgevingswet volgt, waarin plannen zoals die aan de orde zijn op Park Vronesteyn 24 met de omwonenden afgestemd dienen te worden. Ook initiatiefnemers stelden dat zij omwonenden uitgebreid hadden geïnformeerd, dit is niet juist. In de GRO is opgenomen dat de gemeente beide bouwvlekken al vanaf het begin heeft afgestemd. Indieners geven aan dat zij slechts geïnformeerd zijn over een reeds ingediende vergunningaanvraag. Dit staakt haaks op de uitspraken dat de gemeente handelt in de geest van de nieuwe omgevingswet. Reactie: Het college merkt in de eerste plaats op dat de nieuwe Omgevingswet nog niet in werking is getreden. Na eerdere vertraging is de invoering van de Omgevingswet op dit moment voorzien voor 1 januari 2022. Ook die datum is echter, gelet op talrijke nog niet opgeloste technische en overige knelpunten rond de invoering van de wet en het recente aftreden van het kabinet, allerminst zeker. In zoverre heeft de toekomstige Omgevingswet in elk geval formeel voor de beoordeling van het voorliggende bouwplan nog geen betekenis en wordt het toetsingskader bepaald voor de vigerende wet- en regelgeving, zoals de Wabo, het Bor en de Wro.
Het college is bij het openbaar verstrekken van informatie omtrent ingediende bouwaanvragen gehouden zich te beperken tot informatie, die begrepen is in dan wel betrekking heeft op de aanvraag zoals die is ingediend. Initiatiefnemers hebben in eerste instantie een aanvraag om omgevingsvergunning voor de bouw van één woning ingediend. Deze aanvraag betrof de inmiddels gerealiseerde woning. Vervolgens hebben zij separaat een tweede aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor de nu aan de orde zijnde tweede woning op het perceel. Initiatiefnemers hebben het recht om de bouw van beide woningen op deze wijze te ‘knippen’, geen enkele rechtsregel verzet zich hiertegen. Het college dient vervolgens elk van beide aanvragen op de grondslag van de betreffende aanvraag in behandeling te nemen. Dat is hier
Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24”
11
ook gebeurd. Het college heeft echter bij de behandeling van beide aanvragen geen informatie aan de omgeving onthouden of onjuiste dan wel onvolledige informatie verstrekt. Het college heeft voorts, in tegenstelling tot wat indieners lijken te veronderstellen, wel degelijk aan de initiatiefnemers het dringende advies gegeven hun plannen tijdig en volledig te delen met omwonenden. Onder de geldende wetgeving bestaat er echter voor initiatiefnemers geen wettelijke verplichting een dergelijk advies van het college in acht te nemen. Daaruit volgt tevens, dat het door initiatiefnemers niet of onvoldoende betrekken van omwonenden voor het college niet resulteert in een juridisch houdbare grond om medewerking aan het bouwplan te onthouden. Uit de jurisprudentie volgt ook dat een initiatiefnemer van een bouwplan er weliswaar doorgaans goed aan doet om omwonenden bij zijn bouwplan te betrekken voordat (formeel) om planologische medewerking van het gemeentebestuur wordt gevraagd, maar dat de aanwezigheid van maatschappelijk draagvlak door dat gemeentebestuur uiteindelijk niet als voorwaarde mag worden gesteld om toestemming voor de realisatie van het bouwplan te geven. Onder meer in zijn uitspraak van 21 juni 2017 2 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dit bevestigd.
Welstand 6. Indieners geven aan dat zowel de welstandsnota als bestemmingsplan uitgangspunten bevatten die strijdig zouden zijn met het bouwplan voor de 2e woning. Het verslag van de welstands- en monumentencommissie zou aantonen dat er vrijwel alleen beoordeeld is op basis van het zicht vanaf de Vlietweg, niet vanaf de wijk. Indieners geven aan dat de volgende punten strijdig zijn met de welstandsnota en het bestemmingsplan: - De woongebieden in het plangebied met elk hun eigen kenmerken en kwaliteiten zijn identiteitsdragers deze worden dus beschermd (paragraaf 4.3.7 bestemmingsplan). - De woningen in Park Vronesteyn hebben “specifieke architectonische kenmerken en daarmee belangrijke beeldwaarde. Het gaat om kapvormen, de vele erkers, loggia's, luifels, gevelindeling, kleur en materiaalgebruik” (3.2.2.3 ad1). - Het bestemmingsplan noemt de welstandsnota, die onder meer stelt dat bouwplannen zich ingetogen voegen naar het geheel, verwantschap tonen in volumeopbouw, kapvorming, geleding en overige stijlkenmerken en dat deze zich verhouden tot de weefselkenmerken van het villapark als geheel. Daarbij begrijpen indieners niet de opgenomen zin in het welstandsadvies: ‘de rechter pui zal een soortgelijke invulling moeten krijgen als de linker pui', en zien dit punt niet terug op de tekeningen.
Het voorgaande was ook de reden waarom raadsleden van 3 partijen in Leidschendam-Voorburg op 13 juli 2020 erop hebben aangedrongen om een second opinion onderzoek naar welstand en ruimtelijke inpassing van de 2e woning plaats te laten vinden. De initiatiefnemers van de 2e woning waren aanvankelijk akkoord, maar trokken hun steun de dag daarna via een mail aan de wethouder in. Reactie: Zoals ook bij de reactie onder 3 al is aangegeven gaat het hier om een gefaseerde aanvraag om omgevingsvergunning. In de hier aan de orde zijnde eerste fase komt de planologische procedure aan bod. De formele welstandsbeoordeling van het bouwplan vindt eerst bij de aanvraag om een tweede fase vergunning plaats. Weliswaar wordt in de ruimtelijke onderbouwing de verwachting uitgesproken dat het bouwplan, gelet op het verloop van de vooroverleggen met de welstandscommissie, uiteindelijk door de welstandscommissie positief zal worden beoordeeld maar formeel heeft deze verwachting voor de planologische besluitvorming geen betekenis. Wanneer indiener het niet eens is met de uitkomst op een later moment 2
ECLI:NL:RVS:2017:1542
Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24”
12
plaatsvindende toetsing door de welstandscommissie, dan kan indiener daartegen in de procedure voor de tweede fase-omgevingsvergunning opkomen. Wonen 7. Het ontwerpbesluit is tevens niet in lijn met de Woonvisie 2016-2020. Volgens indieners is één van de doelstellingen van deze woonvisie dat de doorstroming voor starters en jonge gezinnen wordt bevorderd. In de ruimtelijke onderbouwing staat vermeld dat het onderhavige bouwplan hieraan voldoet. Echter de initiatiefnemers laten één woning achter vlakbij de gemeente Delft en niet in de gemeente Voorburg, , er is dan ook volgens indieners geen sprake van doorstroming binnen de gemeente, waarop de woonvisie juist is gericht. Reactie: Indiener is van mening dat het bouwplan niet in overeenstemming is met de Woonvisie. Eén van de doelstellingen van de woonvisie is het bevorderen van de doorstroming, onder andere voor starters en jonge gezinnen. Deze doelstelling is echter niet sec lokaal maar juist regionaal geformuleerd. Het voorzien in voldoende en passende woonruimte voor alle woningzoekenden is immers bij uitstek een regionale opgave en geen uitsluitend lokale aangelegenheid. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de verdeling resp. toewijzing van sociale huurwoningen. Deze geschiedt regionaal binnen het gebied Haaglanden, bestaande uit 9 gemeenten waaronder LeidschendamVoorburg maar ook Delft.
Ook de doorstroming op de markt voor koopwoningen moet regionaal worden beschouwd. Van strijd met de Woonvisie is daarom op dit punt geen sprake. Voor wat betreft de stelling dat het bouwplan niet bijdraagt aan de volgens de Woonvisie nagestreefde variatie in woonmilieus wordt het volgende opgemerkt. Van variatie in woonmilieus is sprake, wanneer de verschillende wijken van de gemeente zich in voldoende mate van elkaar onderscheiden. Dat onderscheid kan bestaan uit de ruimtelijke opzet, de woningtypologie, specifieke doelgroepen waarvoor woningen gebouwd worden, etc. Park Vronesteyn is een woongebied met een eigen stedenbouwkundige opzet, die zich kenmerkt door de aanwezigheid van relatief grote woningen op voor een stedelijke omgeving ruime kavels in een groene setting. Het slopen of toevoegen van een of twee woningen is een ingreep van dusdanig beperkte omvang, dat dit geen invloed heeft op het karakter van een woonwijk. Variatie in woonmilieus kan niet worden beschouwd op kavelniveau, maar moet tot uitdrukking komen op gebieds- c.q. wijkniveau. Het bouwplan is daarom voor de in de Woonvisie beschreven ambitie te komen tot variatie in woonmilieus niet relevant en dus, in tegenstelling tot wat indiener meent, ook op dit punt niet in strijd met de Woonvisie.
7.1 In de Nota Parkeernormen uit 2012 wordt vermeld dat een bouwinitiatief of wijziging van functie van een locatie geen parkeerproblemen in de openbare ruimte mag veroorzaken of vergroten. Door het plaatsen van twee inritten op het perceel vervalt parkeerruimte op de openbare weg. Dit terwijl reeds sprake is van een parkeerprobleem in de wijk. Reactie: De parkeercapaciteit en de bezettingsgraad zijn het afgelopen jaar door de gemeente in beeld gebracht. Hieronder een plaatje van het aantal parkeerplaatsen, waarbij al is uitgegaan van het vervallen van 1 openbare parkeerplaats.
Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24”
13
De parkeerdruk op meerdere momenten gemeten. In sectie 1923 (met een maximale loopafstand van ca. 100 meter vanaf nummer 24) kunnen 23 auto’s geparkeerd worden. Donderdagmiddag waren er 19 bezet, bezettingsgraad 83%. Donderdagavond waren er 13 bezet, bezettingsgraad 57%. Zaterdagmiddag waren er 15 bezet, bezettingsgraad 65%. Vrijdag nacht waren er 15 bezet, bezettingsgraad 65%. Deze bezettingsgraad is dusdanig (namelijk onder de 85%), dat de uitrit van 5,7 meter breed acceptabel is niet zorgt voor een te hoge parkeerdruk in de straat. 7.2 Daarnaast wordt in de Woonvisie 2016-2020 gestreefd naar variatie in gewenste woonmilieus. Ook daar is volgens indieners met het onderhavige bouwplan geen sprake van. Het gaat hier om één zeer forse, vrijstaande woning in het topsegment van de markt. Deze draagt niet bij aan de in de Woonvisie gewenste woonvariatie en kan geen maatschappelijke reden zijn voor het afwijken van het bestemmingsplan en het gemeentelijk beleid. Reactie: In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat het centrale criterium, waaraan een verzoek tot afwijking van het vigerende bestemmingsplan moet worden getoetst, niet is of er een maatschappelijke noodzaak of reden bestaat voor het afwijken van het bestemmingsplan maar of er als gevolg van die afwijking strijd ontstaat met het algemene belang van een goede ruimtelijke ordening.
Door middel van een goede ruimtelijke onderbouwing (GRO) dient te worden gemotiveerd waarom door een concrete voorgenomen afwijking van het bestemmingsplan geen strijd met een goede ruimtelijke ordening ontstaat. Voor wat betreft de stelling dat het bouwplan niet bijdraagt aan de volgens de Woonvisie nagestreefde variatie in woonmilieus wordt het volgende opgemerkt. Van variatie in woonmilieus is sprake, wanneer de verschillende wijken van de gemeente zich in voldoende mate van elkaar onderscheiden. Dat onderscheid kan bestaan uit de ruimtelijke opzet, de woningtypologie, specifieke doelgroepen waarvoor woningen gebouwd worden, etc. Park Vronesteyn is een woongebied met een eigen stedenbouwkundige opzet, die zich kenmerkt door de aanwezigheid van relatief grote woningen op voor een stedelijke omgeving ruime kavels in een groene setting. Het slopen of toevoegen van een of twee woningen is een ingreep van dusdanig beperkte Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24”
14
omvang, dat dit geen invloed heeft op het karakter van een woonwijk. Variatie in woonmilieus kan niet worden beschouwd op kavelniveau, maar moet tot uitdrukking komen op gebieds- c.q. wijkniveau. Het bouwplan is daarom voor de in de Woonvisie beschreven ambitie te komen tot variatie in woonmilieus niet relevant en dus, in tegenstelling tot wat indiener meent, op dit punt niet in strijd met de Woonvisie. Voor wat betreft de stelling dat het toevoegen van één woning in het topsegment van de markt niet past in de doelstellingen van de Woonvisie wordt het volgende opgemerkt. Eén van de doelstellingen van de woonvisie is het bevorderen van de doorstroming, onder andere voor starters en jonge gezinnen. Voor de doorstroming op de woningmarkt is niet slechts het realiseren van goedkope(re) woningen van belang. Ook het toevoegen van passende aantallen middel dure en dure woningen is noodzakelijk voor het in beweging houden van de woningmarkt. Het bouwplan levert daarom, zij het op bescheiden schaal, wel degelijk een bijdrage aan het bevorderen van de doorstroming. Deze doelstelling is overigens niet lokaal maar juist regionaal geformuleerd. Het voorzien in voldoende en passende woonruimte voor alle woningzoekenden is immers bij uitstek een regionale opgave en geen uitsluitend lokale aangelegenheid. Van strijd met de Woonvisie is daarom ook op dit punt geen sprake.
Parkeren 8. Uit de Nota Parkeernormen 2012 volgt dat sprake kan zijn van valide argumenten om uit te gaan van de maximale parkeernorm die wordt vermeld in het Nota Parkeernormen-overzicht. Indieners zijn van mening dat hiervan sprake is en van de maximale parkeernorm van 2,5 in plaats van 2,1. Reactie: Het normale uitgangspunt bij de toepassing van de normen uit de Nota Parkeernormen 2012 is dat wordt gerekend met de gemiddelde norm die op grond van de nota geldt voor een bepaald type ruimtelijke ontwikkeling. Er kan echter in bijzondere gevallen een concrete aanleiding bestaan om niet met de gemiddelde, maar met de maximale (of minimale) norm voor dat specifieke type ontwikkeling te rekenen. Indieners menen dat van een dergelijke bijzondere situatie, die aanleiding geeft te rekenen met de maximale parkeernorm, sprake is. Zij voeren hiertoe primair aan dat vanwege het duurdere segment van de markt, waartoe de woningen in de wijk behoren, veelal sprake is van het bezit van meerdere auto’s per huishouding. Het toepassen van de gemiddelde in plaats van de maximale parkeernorm zou daarmee onvoldoende rekening houden, zodat de parkeerdruk in de wijk onevenredig zal stijgen, zo menen indieners.
In de parkeernormen, die in de Nota zijn vastgelegd, is al rekening gehouden met woningtypen, ligging van woningen al of niet binnen het centrum en de mate van verstedelijking van het deel van de gemeente waar een woning is gesitueerd. De effecten van het relatief hoge autobezit in de wijk, die indieners noemen als argument voor het toepassen van de maximale in plaats van de gemiddelde parkeernorm, zijn dus in de normen reeds verwerkt en werken ook bij de reguliere toepassing van de gemiddelde parkeernorm op adequate wijze door in de beoordeling van de parkeereffecten van het bouwplan. Van een bijzondere situatie, die het afwijken van de reguliere wijze van beoordelen rechtvaardigt, is hier dan ook geenszins sprake. De woning is groot, maar niet uitzonderlijk van omvang voor de wijk. Van een bijzondere functie of bijzonder beoogd gebruik van de woning is eveneens niet gebleken. Toepassing van de gemiddelde parkeernorm Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24”
15
is daarom voor dit bouwplan volledig in overeenstemming met de Nota en resulteert in een juiste beoordeling van de parkeereffecten. Een onevenredige toename van de parkeerdruk als gevolg van het bouwplan is, mede gelet op de mogelijkheden voor het realiseren van adequate parkeervoorzieningen op eigen terrein en de gunstige ligging van de woning ten opzichte van voorzieningen van openbaar vervoer, redelijkerwijs niet te verwachten. 8.1
In de Nota Parkeernormen uit 2012 wordt vermeld dat een bouwinitiatief of wijziging van
functie van een locatie geen parkeerproblemen in de openbare ruimte mag veroorzaken of vergroten. Indieners geven aan dat door het plaatsen van twee inritten op het perceel parkeerruimte vervalt op de openbare weg. Volgens indieners is er geen inritvergunning voor de eerste woning verleend. Reactie: Op 5 oktober 2020 is er, onder meer door indieners, bij het college een handhavingsverzoek ingediend vanwege een vermeend zonder vergunning aangelegde in-/uitrit bij de (herbouwde) woning Park Vronesteyn 24. Naar aanleiding van dit handhavingsverzoek is onderzoek gedaan naar de mogelijk illegale situatie. Daarbij is geconcludeerd dat de in-/uitrit en de op het perceel aangelegde parkeerplaatsen bij de totale belangenafweging behorende bij de verleende omgevingsvergunning zijn betrokken. Op grond van de vigerende tuinbestemming zijn in-/uitritten ook toegestaan, zodat in elk geval geen sprake is van een met het bestemmingsplan strijdige situatie. De aanleg van parkeerplaatsen is binnen de tuinbestemming niet rechtstreeks toegestaan. Echter, de hiervoor vereiste omgevingsvergunning is op 17 oktober 2020 verleend. Geconstateerd is dat de in-/uitrit met een breedte van 5,70 m. smaller is gerealiseerd dan de maatvoering die is vergund. Stedenbouwkundig en verkeerskundig gezien ontstaat daarmee echter nog een gunstiger situatie dan wanneer de in-/uitrit de vergunde maat zou hebben.
Ten slotte blijkt uit de gemaakte parkeerberekeningen dat het vanwege de aanleg van in-/uitritten wegvallen van parkeerplaatsen in de openbare ruimte niet leidt tot een onevenredige toename van de parkeerdruk dan wel het ontstaan van een vanuit oogpunt van goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare parkeersituatie.
8.2
In de GRO is opgenomen dat het verhard oppervlak zal afnemen met 46 m2 en er dus
voor deze ontwikkeling geen watercompensatie behoeft plaats te vinden. Volgens indieners is deze berekening niet juist aangezien de nieuwe situatie 2 woningen betreft en hierdoor veel relevante m2 verharding niet in de tekening is opgenomen. Evenals de verharding van de inritten is niet meegenomen in de berekening en gaat ten koste van de groenvoorziening. Daarbij zijn er in de wijk al problemen met de waterafvoer. Reactie: Volgens de rapportage terreinverharding klopt de berekening dat er geen toename is van de hoeveelheid verharding. De aanvrager heeft nadere informatie verstrekt (tekening) met opgaaf verharding van de bestaande en nieuwe situatie. Er behoeft geen watercompensatie plaats te vinden indien er geen toename aan verharding plaatsvindt. Op dit moment is er nog een ruime afname van circa 46 m2
Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24”
16
in GRO. Dus ook bij eventuele extra verharding na bouw van de 2e woning is er nog voldoende “lucht”. Op 1 juli 2020 heeft er een beleidsverandering plaatsgevonden van het Hoogheemraadschap Delfland waardoor het watercompensatiemodel is aangepast vanwege klimaatontwikkelingen. Voor wat betreft problemen met de waterafvoer in de wijk, deze worden niet verergerd door dit plan. De wijk ligt pal langs de vliet, wanneer er waterproblemen zijn is de oorzaak te vinden bij slechte ontwatering of een te dicht gedrukte bodem. Dat kan eventueel opgelost worden door de bodem luchtiger te maken (losgraven) of drainage aan te leggen.
Verharding en water 9. Volgens de GRO hoeft er geen watercompensatie plaats te vinden aangezien het aantal m2 verhard oppervlak zal afnemen met 46 m2. Indieners geven aan dat deze conclusie strijdig is met de werkelijkheid, omdat in de nieuwe situatie met 2 woningen veel relevante m2 verharding niet in de tekening en de berekening is meegenomen. In de vorige versie van de GRO (februari 2020) werd nog gesteld dat het aantal vierkante verhard oppervlak zal afnemen met 90,80 m2. Hierbij werd gekeken naar de oppervlakte van (1) de gesloopte woning, (2) de te slopen dubbele garage en (3) de twee nieuwe woningen. Indieners geven aan dat de gemeente een foutieve oppervlakte heeft gebruikt en de beweerde 265 m2 moet volgens de door de gemeente geaccordeerde tekening van de nieuwe en oude woning namelijk 154,7 m2 zijn. In de wijk is er sprake van problemen met de waterafvoer, het regenwater kan nu al moeilijk worden afgevoerd en bij forse regelval in de wijk overspoelen toiletten. Ook de aanleg van de inritten resulteert in een toename van de verstening en gaat ten koste van de groenvoorziening. De volgende mogelijke verhardingen zijn niet meegenomen in de berekening: - De 1e nieuwe woning heeft achter de parkeerruimte met grind een groot verhard oppervlak van betonplaten (globale schatting 40 m2).
Wordt nu als terras gebruikt; - Ondenkbaar dat voor de 1e nieuwe woning géén berging of garage komt voor zaken als tuinmeubilair, (tuin)gereedschap, fietsen etc.; - De 1e nieuwe woning heeft geen terras aan de Vlietzijde, c.q. zonzijde. Niet voorstelbaar dat deze woning zonder terras verder gaat; - De 2e nieuwe woning heeft een berging/garage. Niet aannemelijk dat er géén verharde oprit of verhard looppad naartoe komt; - De 2e nieuwe woning heeft eveneens geen terras aan de Vlietzijde, c.q. zonzijde. Niet voorstelbaar dat deze woning zonder terras verder gaat. Reactie: De huidige watersleutel berekent de benodigde waterberging, zowel voor het compenseren van verharding als om de gevolgen van klimaatverandering op te vangen. Omdat Delfland in februari 2020 al heeft ingestemd met het plan geldt de overgangsregeling. Voorheen werd namelijk alleen gekeken naar de toename/afname van de verhardingsgraad. Echter op het moment dat het plan dus nu beoordeeld zou worden, moet wel een wateropgave van 15m3 gerealiseerd worden voor het klimaatdeel. De nieuwe maar ook de oude watersleutel berekent niet automatisch een aanname voor de verhardingspercentage in tuinen. Dit dient in de verhardingsbalans meegerekend te worden welke dient als input voor de invoer van de watersleutel. Dit omdat het bij particuliere tuinen vaak lastig inschatten is hoeveel verhard gaat worden.
Daarom houden we als algemene richtlijn nu 50m2 verharding aan voor tuinen. En bij kleine (kleiner dan 50m2) particuliere tuinen 100% verharding van de tuin. Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24”
17
In het geval van de Park Vronesteyn 24 is de verharding specifiek bepaald voor de woning, garage en overige verharding. En zijn deze percentages gebruikt als uitgangspunt voor de invoer van de watersleutel. De watersleutel gaat hier dus niet zelf vanuit!
Provinciaal beleid 10. In de GRO wordt onder meer verwezen naar de Provinciale Omgevingsverordening. Blijkens die verordening is het provinciaal omgevingsbeleid gericht op het realiseren van maatschappelijke belangen en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit oftewel, ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). Daar is volgens indieners in dit geval geen sprake van. Want de ruimtelijke kwaliteit wordt door het onderhavige bouwplan niet behouden, laat staan versterkt. Bovendien is deze conclusie niet te volgen in het licht van wat er in de GRO is vermeld: de bebouwde ruimte wordt beter benut door verdichting. Indieners geven aan dat een extra woning op de beoogde locatie afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving en met name van de woonomgeving van de indieners. Reactie: In de eerste plaats wordt opgemerkt dat de beschrijving van voor het voorliggende bouwplan relevante aspecten uit de Verordening juist en volledig is. Ook de toetsing van het bouwplan aan deze aspecten vertoont geen gebreken. Aanvullend is daarbij voor het specifieke aspect ‘ruimtelijke kwaliteit’ nog het volgende te vermelden. De provincie acht het van belang dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zorgvuldig plaatsvinden met aandacht voor de omgeving.
Met haar beleid over ruimtelijke kwaliteit stimuleert de provincie dat initiatiefnemers zoveel mogelijk voortbouwen op bestaande kwaliteiten en daarmee op de identiteit van Zuid-Holland. Daarom tracht de provincie te borgen dat de juiste ontwikkeling op de juiste plek plaatsvindt. Waar de Verordening spreekt over ruimtelijke kwaliteit gaat het daarom niet over een ‘mooie’ maar over de voor een specifieke ontwikkeling ‘beste’ oplossing. Een plan past in de omgeving, voegt iets toe en kan lange tijd mee. Er wordt rekening gehouden met het gebruik, de beleving en het beheer en onderhoud. Op die manier tracht de provincie de infrastructuur, groengebieden en het stedelijk gebied te versterken. Het spreekt voor zich dat waar de provincie spreekt over ruimtelijke kwaliteit dit betrekking heeft op een hoger schaalniveau dan het belang van individuele burgers. Het provinciale beleid ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit is juridisch vertaald in de provinciale Omgevingsverordening. Artikel 6.9 van de Verordening bevat de regels voor ruimtelijke kwaliteit. Er wordt in deze bepaling onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkelingen: 1. Inpassen: De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. 2.
Aanpassen: Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging voorziet op structuurniveau, wordt deze alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door (1) zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en (2) het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen. 3. Transformeren: Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit, wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door (1) een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24”
18
omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en (2) het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen. Bij het voorliggende bouwplan is sprake van inpassen, zo blijkt ook uit de beschrijving van e.e.a. in de GRO. In het geval van inpassing is de rol van de provincie beperkt, behalve in gebieden met topkwaliteit. Park Vronesteyn behoort daar op grond van de Verordening niet toe, zodat er vanuit het provinciaal beleid geen sprake is van bijzondere eisen of voorwaarden ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit. Het plan is met de Verordening in overeenstemming.
Bezonning 11. Indieners geven aan dat de bezonningsstudie onjuist is om de volgende redenen: - De studie gaat uit van een vergelijking tussen het effect van de ‘oude’ en de ‘nieuwe’ situatie op vier verschillende data in het jaar. Hierbij valt op dat als oude situatie is weergegeven, de situatie met de oorspronkelijke, gesloopte woning uit 1923 (rechts op de verbeelding). Dat is niet juist. De ‘oude’ situatie is de situatie zoals die thans is. Dat is de situatie met de huidige, nieuwe 1e woning uit 2019 en de schuur die er nog staat; - De (hoogte) maten waarvan wordt uitgegaan zijn niet benoemd. Dat is dus niet controleerbaar; - De geplande ophoging van de grond op de bouwvlek dient bij de hoogte opgeteld te worden. Conform de gegevens uit de GRO is de voorgenomen ophoging van de bouwvlek ca 40 cm. Dit volgt uit de berekening van het huidige maaiveld conform de landelijke site 'Actueel Hoogtebestand NL’ en de beoogde ophoging tot 0,75 + NAP.
Derhalve dient uitgegaan te worden van een hoogtemaat van 10 meter en 67 cm; - Op 21 januari om 11.00, 12.00 en 13.00 uur is de schaduwwerking op het pand en het perceel van indieners een stuk slechter, dan nu het geval is; - Op 19 februari om 10.00, 11.00 en 12.00 uur is de schaduwwerking op het pand en het perceel van indieners een stuk slechter, dan nu het geval is; - Op 21 oktober om ll.00 en 12.00 uur is de schaduwwerking op het pand en het perceel van indieners een stuk slechter, dan nu het geval is; - Op 22 november om 10.00, 11.00, 12.00 en 13.00 uur is de is de schaduwwerking op het pand en het perceel van indieners een stuk slechter, dan nu het geval is. De impact van de beoogde 2e woning op de bezonning van de woning is dus zeer groot (en wordt nog wat groter na aanpassing tot een deugdelijke studie). Grote delen van de achter- en zijtuin en van de woning zelf, liggen door het beoogde bouwplan in de schaduw. Daarmee is geen sprake meer van een acceptabel woon- en leefklimaat. De bezonningsstudie mist een deugdelijke grondslag en kan niet dienen als een goede ruimtelijke onderbouwing. Ook op dit punt is het Ontwerp niet juist en kan er volgens indieners geen omgevingsvergunning verleend worden.
Reactie: Ten behoeve van het bouwplan is een bezonningsstudie ingediend. Uit deze studie blijkt dat het bouwplan in overeenstemming is met de (strenge) landelijke TNO-norm van minimaal 3 uur per dag zonuren. Na realisatie zal de nieuwe woning op enige moment meer schaduw werpen op de omliggende bebouwing dan dat dit in de oude situatie het geval was, maar op andere momenten is dit weer minder waardoor de bezonning in balans is.
Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Park Vronesteyn 24”
19
Door de oude situatie uit 1923* te gebruiken tegenover de nieuwe situatie met daarin de woning uit 2019 wordt juist heel duidelijk weergegeven wat de schaduwwerking is van de totale nieuwbouw ten opzichte van de vorige situatie. De schaduwwerking van de nieuwbouw uit 2019 met de nieuw te bouwen woning maakt de schaduwwerking ook duidelijk zichtbaar. De maten die voor de studie worden gebruikt, worden gewoonlijk uit de bouwtekening overgenomen. Het is gebruikelijk om alles op hetzelfde vlak te tekenen, tenzij er écht een enorm hoogte verschil is. Hiermee klopt de bezonningsstudie met de hoogte. *de situatie vanaf 1923 tot circa 2019 is nagenoeg ongewijzigd gebleven. De aanpassingen die zijn doorgevoerd aan de nu gesloopte woning waren vooral intern, dan wel enkele uitbreidingen op begane grondniveau. Deze uitbreidingen hebben geen invloed op de bezonningsstudie.
Geluid 12. Vanuit de Wet geluidshinder en het oogpunt van goede ruimtelijke ordening vormt het aspect ‘geluid’ geen belemmering voor het bouwplan. Het college heeft voor de hogere geluidswaarde een ontwerpbesluit hogere grenswaarden Wet geluidshinder opgesteld. Dit ontwerpbesluit schetst als wettelijk kader dat in de Wgh (artikel 82) is bepaald dat de voorkeursgrenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen door wegverkeerslawaai 48 dB is. Voor de nieuwe woning geldt 63 dB als maximaal vast te stellen hogere waarde. Indieners geven aan dat op grond van onderzoeksresultaten blijkt dat de maximaal toegestane grenswaarde van 63 dB niet wordt overschreden en dat vanuit stedenbouwkundige, financiële en/of verkeerskundige redenen geen maatregelen mogelijk zijn om de geluidsbelasting van de nieuw te bouwen woning terug te brengen tot 48 dB. De gemeente is derhalve voornemens voor de nieuw te bouwen woning een ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 53 dB vast te stellen vanwege verkeer op de Westvlietweg. In het ontwerpbesluit wordt zonder motivering vermeld dat de geluidsbelasting met 5 dB zal afnemen, omdat het verkeer stiller zal worden. Indieners merken op dat juist reden bestaat om aan te nemen dat het aantal dB toe zal nemen in de nabije toekomst.