CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

2191 Ruimtelijke Onderbouwing Park Vronesteyn 24

Raadsvergadering 11 mei 2021, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: Definitieve verklaring van geen bedenkingen voor het oprichten van een vrijstaande woning met berging aan Park Vronesteyn 24 in Voorburg (2191).13.422 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

5.3

Natuur

5.3.1 Inleiding Vanuit de huidige natuurwetgeving is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van de in het projectgebied mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden. Het plan dient aan de Wet Natuurbescherming getoetst te worden. De Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden en van diersoorten en plantensoorten. Deze natuurwetgeving kan mogelijk beperkingen opleggen aan de voorgenomen sloop- en nieuwbouwactiviteiten. De Wet natuurbescherming heeft als doel de volgende gebieden te beschermen: Het Natuurnetwerk Nederland; Bijzondere provinciale natuurgebied; Bijzondere provinciale landschappen; Nationale parken; Bijzondere nationale natuurgebieden; Natura 2000-gebieden.

31

Voorts gelden er ingevolge de Wet Natuurbescherming algemene verboden tot het verwijderen van beschermde plantensoorten van hun groeiplaats, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rustplaatsen of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten of het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort. Voor activiteiten die een bedreiging kunnen vormen voor deze beschermde soorten, moet ontheffing worden gevraagd. Vooral wanneer er soorten voorkomen uit de zogenaamde ‘strenge’ categorie (Bijlage 4 van de Habitatrichtlijn en de bedreigde soorten van de diverse Rode Lijsten), kan dit een belemmering vormen voor het plan. Dit is het geval wanneer een plan significant nadelige effecten kan hebben voor deze soorten.

5.3.2 Natuurtoets Gelet op het voorgaande is een natuurtoets uitgevoerd door Ecoresult (Memo onderzoeksresultaten Quickscan flora en fauna Plangebied: Park Vronesteyn 24, Voorburg, d.d. 1 november 2019, bijlage III). Door Ecoresult wordt het volgende geconcludeerd: • Gezien de aard van de werkzaamheden (sloop en nieuwbouw) zal er sprake zijn van stikstofdepositie en kan niet worden uitgesloten dat er negatieve effecten plaats vinden op de doelstellingen van deze Natura-2000 gebieden. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk in de vorm van een Aerius-berekening. Het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming met betrekking tot gebiedsbescherming is mogelijk noodzakelijk. • Negatieve effecten wezenlijke waarden en kenmerken van Natuurnetwerk Nederland, Ecologische Verbindingszones en Weidevogelgebiedenganzenrustgebied zijn op voorhand uitgesloten wegens de afstand tot het plangebied en de aard van de werkzaamheden. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. • Het plangebied is ongeschikt als voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaats van gebouwbewonende vogels met jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen. Het plangebied is wel geschikt als niet- essentieel functioneel leefgebied van vogels met jaarrond beschermde nesten (bijvoorbeeld huismus). Er is echter voldoende alternatief leefgebied aanwezig in de nabije omgeving.

De verbodsbepalingen Art 3.1 lid 2, 4 en 5 (zie Tabel 1) van de Wnb zullen niet worden overtreden. Aanvullend veldonderzoek is niet noodzakelijk. • Het plangebied (de tuinen binnen het plangebied) is potentieel geschikt als voortplantingsplaats voor verschillende categorie 5 en algemene vogels. Voor wat betreft de categorie 5- soorten is er geen reden om deze jaarrond te beschermen. Het betreffen alle (in potentie) lokale en regionale algemene soorten. Schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van niet jaarrond beschermde soorten en algemene vogels zijn onder andere te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door onder andere buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt, is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk. • Aanwezigheid van zowel gebouwbewonende als boombewonende vleermuizen is uitgesloten door de afwezigheid van geschikte verblijfplaatsen. Wel is het plangebied geschikt als niet32

essentieel functioneel leefgebied (foerageergebied) voor vleermuizen. Er is echter in de nabije omgeving voldoende alternatief aanwezig. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze Habitatrichtlijnsoorten habitrichtlijnsoorten is niet nodig. • Overige soorten (boomkikker, kamsalamander, rugstreeppad, zandhagedis, gevlekte witsnuitlibel en platte schijfhoren) worden niet verwacht binnen het plangebied. Aanvullende onderzoek voor deze soorten is niet noodzakelijk. Het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze habitatrichtlijnsoorten is niet nodig. • Het plangebied is enkel geschikt voor Nationaal beschermde soorten die van een ontheffing zijn vrijgesteld zoals egel, kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) en verschillende soorten algemene(spits)muizen. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijke effecten op deze soorten zoveel mogelijk dient te worden voorkomen. Te denken valt aan het werken in één richting waarbij de dieren een vluchtmogelijkheid hebben. Conclusie Uit het voorgaande blijkt dat er op de locatie geen beschermde soorten aanwezig zijn. Aanvullend onderzoek naar flora en fauna is hier niet noodzakelijk.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1 Inleiding Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijk stoffen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet men rekening houden met verplichte afstandsnormen tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de risicobron (inrichtingen met of vervoer van gevaarlijke stoffen) volgens onderstaande wetten: •

Besluit externe veiligheid inrichtingen 2004 (Bevi), staatsblad 2004 nr. 250;

•

Besluit externe veiligheid buisleidingen 2011 (Bevb), staatsblad 2010 nr. 636;

•

Circulaire risiconormering vervoer van gevaarlijke stoffen (Crnvgs) voor transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of het water, juli 2012.

Tevens dient men rekening te houden met het beleid Externe Veiligheid dat door stadsgewest Haaglanden is vastgesteld op 28 november 2012. Risicovolle objecten zijn o.a.: •

ondergrondse buisleidingen met transport van aardgas of andere stoffen;

•

transport van gevaarlijke stoffen over o.a. rijkswegen en spoorbanen;

•

bedrijven vallend onder de Wet Milieubeheer met grootschalige opslag van chemische stoffen;

•

grootschalige opslag van chemische stoffen (PGS15);

•

LPG-tankstations. 33

Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat er te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Het algemene uitgangspunt is dat niemand blootgesteld mag worden aan een kans om door een activiteit met gevaarlijke stoffen te overlijden, die groter is dan één op de miljoen (10-6). In dat geval wordt gesproken over het plaatsgebonden risico, dat wordt weergegeven in een risicocontour. Daarnaast bestaat er een zogenoemd groepsrisico: de kans dat bij één gebeurtenis een groep met ten minste een bepaalde omvang om het leven komt. Het groepsrisico wordt niet weergegeven in een contour, maar in een grafiek. Een aantal calamiteiten met gevaarlijke stoffen, zowel in binnen- als buitenland, heeft aangetoond dat een maatschappij zonder risico's niet bestaat. Het beleid op het gebied van externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. De beleidsmatige kernpunten zijn: •

het ontstaan van nieuwe knelpunten tegengaan;

•

het stimuleren van de eigen verantwoordelijkheid van inrichtingen;

•

het saneren van bestaande knelpunten;

•

zorgvuldige risicocommunicatie;

•

hulpverlening: het bevorderen van de samenwerking en de kwaliteit van de uitvoering en het richting geven aan de organisatorische versterking.

5.4.2 Relevante risicobronnen voor het projectgebied Om inzicht te verkrijgen in voor het projectgebied van het bouwplan aan Park Vronesteyn relevante risicobronnen is gebruik gemaakt van de provinciale risicokaart, GEO-Web Haaglanden en het bedrijvenbestand van de gemeente Leidschendam-Voorburg. In figuur 5.2 is een uitsnede opgenomen van de risicokaart van Zuid-Holland.

Fig. 5.1 Uitsnede risicokaart (projectlocatie: zie rode pijl; de onderbroken streep betreft de buisleiding, zie verder paragraaf 5.4.2.4) 34

5.4.2.1 Risicovolle inrichtingen en locaties Zowel binnen als direct buiten het projectgebied zijn geen risicovolle inrichtingen resp. locaties gelegen.

5.4.2.2 Route gevaarlijke stoffen Door de gemeenteraad is geen route gevaarlijke stoffen vastgesteld. Wel zijn door het rijk binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg de rijksweg A4 (Rotterdam-Leiden) en A12 (Utrechtsebaan) aangewezen als routering voor gevaarlijke stoffen (conform het zogenaamde Basisnet (Wet basisnet, staatsblad 2013-307). Uit berekeningen blijkt dat bij een ongeval met brandbare stoffen op de A4 en de A12 inzake PR en GR geen belemmeringen zijn voor Leidschendam. De afstand tot de A12 is ca. 1,6 kilometer. De afstand tot de A4 bedraagt zo’n 750 meter. Men dient wel te bedenken dat bij een ongeval met giftige stoffen een invloedsgebied geldt van 4 km en zodoende het plangebied binnen de 4 km zone komt. Bij nieuwbouw is het niet mogelijk om maatregelen te treffen aan de risicobronnen, maar het beheersen en verminderen van het effect op een incident is wel mogelijk. Te denken valt aan het goed sluiten van ramen en deuren en het uitzetten van mechanische ventilatie, wanneer een ongeval plaatsvindt. Het aspect Externe Veiligheid bij transport van gevaarlijke stoffen is geen belemmering voor het bouwplan. Echter, de bewoners zullen zich bewust moeten zijn van bovenstaande risico’s en zullen daar bij de aankoop van de woning op gewezen worden.

5.4.2.3 Transport gevaarlijke stoffen per spoor / water Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn het Besluit Transportroutes Externe Veiligheid, het Basisnet Weg, Spoor en Water en de Circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen van belang. Op grond hiervan moet bij het vaststellen van een bestemmingsplan worden getoetst op externe veiligheid (de grenswaarde van het plaatsgebonden risico voor kwetsbare objecten en een verantwoording van het groepsrisico). Op grond van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) zijn vervoerders van gevaarlijke stoffen verplicht de bebouwde kom zo veel mogelijk te vermijden (artikel 11) en gebruik te maken van daartoe in het belang van de openbare veiligheid aangewezen wegen (artikel 18). Voor het transport van gevaarlijke stoffen via de weg, water en spoor heeft het rijk normen vastgesteld in de nota Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. In het kader van de Nota Vervoer gevaarlijke stoffen definieert het Rijk momenteel een Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt daarbij de spanning tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en veiligheid te verminderen door het vaststellen van gebruiksruimten voor het vervoer en veiligheidszones voor de ruimtelijke ordening.

De gebruiksruimte is de maximale vervoersintensiteit waarmee, bij het maken van berekeningen, rekening gehouden moet worden. Op basis van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen kunnen gemeenten een routering van gevaarlijke stoffen opstellen. In juli 2012 heeft het college van B&W besloten om geen route gevaarlijke stoffen aan te wijzen.

35

Binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg is alleen rijksweg A4 (Rotterdam-Leiden), de A12 (Utrechtsebaan) en de Provinciale weg N206 (Jan Koenenweg en Oosteinde) aangewezen als routering voor gevaarlijke stoffen (conform het zogenaamde basisnet). De projectlocatie ligt echter niet binnen het invloedsgebied van deze wegen.

5.4.2.4 Buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) met de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) omvat de regelgeving op het gebied van buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In deze regelgeving is bepaald dat de belemmeringenstrook (5 meter aan weerszijden vanuit het hart van de buisleiding), de plaatsgebonden risicocontour (10-6) en het invloedsgebied van het groepsrisico in acht dienen te worden gehouden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Voor het opstellen van een nieuw bestemmingsplan “Voorburg-west” heeft adviesbureau AVIV in maart 2012 berekeningen gemaakt betreffende de ondergrondse aardgastransportleidingen en zijn in april 2012 berekeningen gemaakt met RBM-II voor transport gevaarlijke stoffen over de Utrechtsebaan. De berekeningen die in 2012 zijn uitgevoerd zijn bruikbaar voor het onderhavig bouwplan. In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen ondergrondse aardgas-transportleidingen. De dichtstbijzijnde leiding bevindt zich ten zuidoosten van het plangebied op een afstand van ca. 375 meter. De kenmerken van de aardgas transportleiding is in onderstaande tabel weergegeven. nummer W-514-16

diameter 15 inch

druk 40 bar

1%-letaliteit 170

100%-letaliteit 80

ligging Westvlietweg

De ligging van de gasleiding met de letaliteitscontouren zijn op onderstaande kaart weergegeven (fig. 5.2).

36

Legenda Oranje vlak: Roze vlak: Witte lijn:

afstand met 100% kans op overlijden bij een breuk van een leiding met ontbranding afstand tot een overlijdensrisico van 1% bij een breuk van de leiding met ontbranding afstand van 150 meter tot de gasleiding

Fig. 5.2. Ligging gasleiding t.o.v. projectlocatie

Aangezien de onderzoekslocatie zich binnen het invloedsgebied van de gasleiding bevindt is Externe Veiligheid voor het plangebied relevant. Ter plaatse van Oosteinde 114 was het mogelijk om woningen te bouwen. Als er nu een woning (waar mensen in verblijven) wordt gebouwd op de locatie Park Vronesteyn 24, zal de GR niet veranderen. Een nieuwe QRA (kwantitatieve risicoanalyse) is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie Externe veiligheid vormt voor de bouw van de woning aan Park Vronesteyn 24 geen belemmering.

5.5

Water

5.5.1 Inleiding Van belang is eveneens te onderzoeken in hoeverre het project gevolgen heeft voor de waterhuishouding ter plaatse. Het Besluit ruimtelijke ordening schrijft immers dwingend voor dat in de toelichting van een bestemmingsplan dan wel in de ruimtelijke onderbouwing van andere ruimtelijke plannen en besluiten een beschrijving is opgenomen van de wijze, waarop in het plan/besluit rekening is gehouden met de effecten van het plan op de waterhuishouding. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verschillende watergerelateerde aspecten van het project en wordt verslag gedaan van de resultaten van de watertoets.

37

5.5.2 Watertoets Onder de 'watertoets' wordt verstaan een procedure, waarbij een initiatiefnemer in een vroeg stadium over een beoogde ruimtelijke ontwikkeling overleg voert met de waterbeheerder. De watertoets heeft als doel het voorkomen van ruimtelijke ontwikkelingen, die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Voor het uitvoeren van deze watertoets wordt gebruik gemaakt van de Handreiking watertoets van het Hoogheemraadschap van Delfland (https://www.hhdelfland.nl/overheid/beleid-en-regelgeving/bijbehorende-documenten/documentenbeleid/HWTgemeentenjuli2016totaal.pdf).

5.5.2.1 Bestaand stedelijk gebied In bestaand stedelijk gebied, waar ook het projectgebied binnen valt, is de mate van verstedelijking en inrichtingen in grote mate een vast gegeven. De huidige status van het gebied en de (beperkte) ontwikkelingen binnen het plangebied bieden nauwelijks mogelijkheden om de bergingscapaciteit van water te optimaliseren. De huidige hoeveelheid oppervlaktewater geldt dan als absoluut minimum (Stand-Still). Waar mogelijk dient de bergingscapaciteit vergroot te worden indien er sprake is van herontwikkeling.

5.5.2.2 Oppervlaktewater Het gebied waar onderhavige projectlocatie binnen ligt, is een gebied met stedelijke doeleinden. Het oppervlaktewater in hiervoor bedoeld plangebied heeft een belangrijke functie in de ont- en afwatering van grote delen van het stedelijk gebied van de gemeente. De secundaire watergang is voor een deel eigendom van het perceel (tot aan het hart van de watergang). Deze watergang sluit aan op de Vliet (KRW-waterlichaam). Het woningbouwplan heeft geen invloed op het oppervlaktewatersysteem, nu er ten gevolge van dit bouwplan geen watergangen worden gedempt of nieuwe watergangen worden gegraven. Tevens vinden er geen wijzigingen plaats van bestaande watergangen.

38

Fig. 5.3 Watersysteem rondom de planlocatie (projectlocatie, zie rode pijl)

5.5.2.3 Riolering en afkoppeling Het plangebied ligt in een gebied dat is voorzien van een gemengd rioleringsstelsel. De nieuwe woning dient aangesloten te worden op het bestaande riool. Het hemelwater zal worden afgekoppeld en direct worden aangesloten op het open water dat binnen het eigen terrein aanwezig is.

5.5.2.4 Waterkwaliteit De waterkwaliteit van het gebied zal niet worden aangetast. Voor zover in het plan uitlogende materialen worden toegepast (lood, zink voor de dakgoot), worden deze voorzien van een coating. Op die manier wordt verontreiniging zoveel mogelijk voorkomen.

5.5.2.5 Beheer en onderhoud Het riool- en baggerbeheer heeft een belangrijke invloed op de waterkwaliteit. Het baggerplan is sinds 2003 operationeel, waardoor is voorzien in regelmatig baggeren. Het Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan 2016-2023 is eind 2015 vastgesteld en is een gedeeltelijk verbreed GRP. De realisatie en aanwezigheid van de nieuwe woning is niet van invloed op het beheer en onderhoud van de aangrenzende watergangen en eventueel het riool. In principe moet er een onderhoudsstrook van in ieder geval 1 meter vrij blijven langs de secundaire watergang. Uit figuur 3.2 (Situering van de woning) blijkt dat daar ruimschoots aan wordt voldaan (de afstand bedraagt circa 3 meter). Het gewoon onderhoud van de secundaire watergang wordt verzorgd door de gemeente Leidschendam-Voorburg. Het buitengewoon onderhoud wordt verzorgd door het Hoogheemraadschap van Delfland. 39

Het onderhoud van de Vliet vindt plaats door het Hoogheemraadschap Delfland. Wateren met een breedte groter dan 10 meter moeten varend worden onderhouden (zoals ook de Vliet). Voor varend onderhoud zijn onderhoudsstroken nodig van 1 meter aan weerszijden van de wateren. Ook aan die afstand wordt ruimschoots voldaan.

5.5.2.6 Waterkeringen & waterveiligheid De locatie ligt niet in een beschermingszone van een waterkering. De realisatie van onderhavig plan is dus niet van invloed op het functioneren van een waterkering. Dit is door het Hoogheemraadschap Delfland bevestigd bij brief, kenmerk 1445286, d.d. 5 maart 2020 (zie bijlage IV).

5.5.2.7 Wateropgave Zoals opgemerkt is in bestaand stedelijk gebied, waar ook het projectgebied binnen valt, de mate van verstedelijking en inrichtingen in grote mate een vast gegeven. De huidige hoeveelheid oppervlaktewater geldt dan als absoluut minimum. Indien mogelijk dient bij een herontwikkeling de bergingscapaciteit vergroot te worden. De toe – of afname van verhard oppervlak is berekend door Architectenburo Van Vliet, in de ‘Rapportage terreinverharding’, d.d. 1 juli 2020 (zie bijlage V). Met de realisatie van het bouwplan voor Park Vronesteyn 24 zal het aantal vierkante meters verhard oppervlak afnemen met 46 m2. Dat betekent dat er voor deze ontwikkeling geen watercompensatie behoeft plaats te vinden (zie bijgaande watersleutel, bijlage VI). Ten overvloede zij over deze watersleutel vermeld dat de aangegeven compensatie van 15 m3 dus niet geldt voor deze ontwikkeling, zoals ook uit de tabel van de watersleutel is af te leiden, maar voor het klimaatscenario voor 2050. Voor de toekomstige situatie (na uitvoering van de ruimtelijke ontwikkeling) houdt de watersleutel immers rekening met het klimaatscenario voor 2050. Wanneer er nieuwe statistiek en klimaatscenario’s beschikbaar komen, wordt de watersleutel aangepast.

5.5.2.8 Bodem en grondwater Uit de Bodemkaart van Nederland en uit de uitgevoerde sonderingen blijkt dat de bodem van het plangebied voornamelijk uit fijn zand bestaat. In de boorstaten zijn grondwaterstanden gevonden op de niveaus: - 1.20 meter en – 1.70 meter NAP. Het straatniveau ter hoogte de woning wordt ca. 0,75 + NAP. De hoogte bovenkant vloerpeil van de woning wordt ca. 0,85+ NAP (verschil van 100 mm hoogte). Hiermee wordt voldaan aan de gemeentelijke eisen dat er geen grondwatermaatregelen noodzakelijk zijn.

5.5.2.9 Klimaatadaptatie Gezien de verwachte klimaatverandering waardoor steeds vaker langdurige hevige regen optreedt en hitte vaker voorkomt is het raadzaam om verharding zo mogelijk te beperken, regenwater vast te houden waar het valt en vertraagd af te voeren. Hierdoor worden hoge waterstanden verkleind en daarmee de kans op wateroverlast. Op hitte heeft het aanleggen van groen (en daarmee verharding verminderen) een verminderend effect: het versterkt

40

verdamping wat een verkoelend effect heeft. Voorbeelden hiervan zijn: ontharden / vergroenen van het achterterrein, toepassen van doorlatende verharding, infiltratie van regenwater in de bodem, platte of flauw hellende daken vergroenen. Bij onderhavig plan wordt als volgt rekening gehouden met klimaatadaptatie. De nieuwe woning aan Park Vronesteyn 24 wordt voorzien van een luchtwarmtepomp, van zonnepanelen en zal gasloos gebouwd worden. Verder zal, zoals hierboven reeds aangegeven, het bebouwd oppervlak van het perceel afnemen. De mogelijkheden voor wateropvang zijn derhalve toegenomen. Deze maatregelen hebben een positief effect op de waterhuishouding en het voorkomen van wateroverlast. Conclusie Het bouwplan voldoet aan de eisen die vanuit het waterschap en de gemeente ten aanzien van de waterhuishouding worden gesteld. Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft d.d. 5 maart 2020 bevestigd dat zij kunnen instemmen met de realisatie van dit bouwplan (zie bijlage III).

5.6

Bodem

5.6.1 Algemeen Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop of waarin deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Op 1 juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit (volledig) in werking getreden. Het doel van dit besluit is om de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het Besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. In het Besluit bodemkwaliteit is ook het Bouwstoffenbesluit geïntegreerd. Dit besluit heeft alleen betrekking op steenachtige bouwstoffen. Andere materialen worden in de praktijk ook toegepast als bouwstof, maar deze vallen niet onder dit Besluit.

5.6.2 Onderzoek Bij de gemeente zijn geen milieukundige bodemonderzoeken bekend over het perceel aan Park Vronesteyn 24 met uitzondering van een tanksanering bij nummer 18. Volgens historische kaarten en luchtfoto’s zijn de volgende gegevens bekend over de locatie:

41

Jaar

Situatie

1712

tuinen behorend bij een landhuis

1812

onbebouwd geen sloot aanwezig, alleen op de erfgrens met 24a

1900

onbebouwd, bossages aanwezig

1938

woning aanwezig

1945

woning

1980 2002

woning zonder garage/schuur woning met garage/schuur

In de gemeentelijke Bodemkwaliteitskaart valt de locatie in de klasse ‘industrie’. Ter plaatse zijn geen sloten aanwezig. Voorts heeft er op het perceel geen ondergrondse (voormalige) HBO-tank gelegen. Er bestaat geen aanleiding om te verwachten dat ter plaatse van de nieuwbouw een geval van ernstige bodemverontreiniging aanwezig is. De garage/schuur en oprijlaan zijn na 1980 gebouwd zodat de kans op aanwezigheid van een verhardingslaag verontreinigd met koolas of asbest gering is. Conclusie Gelet op het voorgaande kan geconcludeerd worden dat de bodem van de locatie milieuhygiënisch gezien geschikt is voor de bouw van de woning.

5.7

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

5.7.1 Inleiding Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen, moet daarom een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Deze zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: - belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; - belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.

42

De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; 3. de kenmerken van de potentiële effecten.

5.7.2 Onderzoeksresultaten vormvrije m.e.r.-beoordeling De herontwikkeling aan Park Vronesteyn 24 kan worden geschaard onder 11.2 van de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ Dit plan van 1 woning wordt (in beginsel) niet gezien als een m.e.r.-plichtige activiteit omdat deze pas geldt bij de volgende drempelwaarden: - een oppervlakte van 100 hectare of meer, - een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of - een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Dit betreft drempelwaarden. Hoewel het plan voor Park Vronesteyn 24 onder deze drempelwaarden blijft, dient nog wel beoordeeld te worden of er ten gevolge van dit plan nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu. Hierover het volgende.

5.7.2.1 Beoordeling diverse milieuwaarden Luchtkwaliteit Het plan heeft geen relevante gevolgen voor de luchtkwaliteit ter plaatse. Het project valt immers onder de categorie ‘niet in betekenende mate’. Geluid en geur Tevens zijn er geen negatieve en/of belemmerende milieueffecten te verwachten van het bouwplan op omliggende functies ten aanzien van geluids- en geuremissie. Externe veiligheid Het plan voldoet aan de eisen rondom externe veiligheid, waarbij opgemerkt wordt dat met deze ontwikkeling geen nieuwe risicobron wordt toegevoegd. Waterhuishouding Verder voldoet het plan aan de eisen die vanuit het waterschap en de gemeente ten aanzien van de waterhuishouding worden gesteld.

43

Bodemkwaliteit Ten aanzien van de bodemkwaliteit kan worden opgemerkt dat het plan zelf geen risico’s met zich meebrengt wat betreft vervuiling van gronden. Natuur Op basis van een uitgevoerde natuurtoets (zie paragraaf 5.3.2 en bijlage III) kan worden geconcludeerd dat er uit het oogpunt van flora en fauna geen belemmeringen aanwezig zijn voor de realisatie van het project. Binnen relatief beperkte afstand van het projectgebied ligt een aantal Natura 2000-gebieden met voor stikstofdepositie gevoelige habitats, waarop het Programma Aanpak Stikstof van toepassing is. In de navolgende paragraaf wordt op dit aspect dieper ingegaan.

5.7.2.2 Stikstofdepositie Algemeen In veel Natura 2000-gebieden is overbelasting van stikstofdepositie een groot probleem voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen voor stikstof gevoelige natuur in die gebieden. Nederland heeft zich op grond van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn van de Europese Unie tot het realiseren van deze instandhoudingsdoelstellingen verplicht. De consequenties van de overbelasting van stikstof in Natura 2000-gebieden voor de mogelijkheden om in en nabij Natura 2000-gebieden activiteiten te verrichten waarbij emissie van stikstof plaatsvindt, zijn voor ondernemers en overheden in de praktijk merkbaar. Geregeld moet het bevoegd gezag een aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 2.7 lid 2 van de Wet Natuurbescherming (hierna: wet) afwijzen, of wordt een verleende vergunning door de rechter vernietigd, wanneer degene die een dergelijke activiteit wil gaan verrichten niet afdoende kan onderbouwen dat de voor stikstof gevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten in een Natura 2000-gebied door die activiteit niet zullen worden aangetast. Dit komt zelfs voor bij activiteiten die slechts in geringe mate bijdragen aan de stikstofdepositie en ondanks het feit dat de stikstofdepositie een dalende trend vertoont.

Toetsing aan relevante Natura 2000-gebieden Het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan ligt zelf niet binnen een gebied dat is aangewezen als Natura 2000-gebied of in de directe omgeving daarvan. Op enige afstand van het plangebied liggen wel enkele Natura 2000-gebieden met voor stikstofdepositie gevoelige habitats, waarop het PAS van toepassing is, te weten: • Coepelduynen (op meer dan 15 km vanaf het plangebied); • Meijendel & Berkheide (op ruim 4,5 km vanaf het plangebied); • Westduinpark & Wapendal (op ruim 8,5 km vanaf het plangebied); • Solleveld & Kapittelduinen (op ruim 11,0 km vanaf het plangebied). Gelet op de aard en omvang van de herontwikkeling aan Park Vronesteyn (de toevoeging van 1 woning) en de afstand van het plangebied tot de hiervoor genoemde Natura 2000-gebieden,

44

kunnen significante effecten op het gebied van stikstofdepositie op deze Natura 2000gebieden op voorhand worden uitgesloten. Mede gelet op de overige in dit hoofdstuk behandelde milieu- en omgevingsaspecten, kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling van het plan aan Park Vronesteyn in voldoende mate is afgewogen, dat er geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden. Een m.e.r.(-beoordeling) is dus niet noodzakelijk.

5.7.3 Conclusie Mede gelet op de overige in dit hoofdstuk behandelde milieu- en omgevingsaspecten, kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling voor Park Vronesteyn 24 in voldoende mate is afgewogen, en dat er geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden. Een m.e.r.(-beoordeling) is dan ook niet noodzakelijk.

45

6

CULTUURHISTORIE & ARCHEOLOGIE In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de eventueel in of direct nabij het projectgebied aanwezige cultuurhistorische - en/of archeologische waarden en de eventuele consequenties daarvan voor de verwezenlijking van het bouwplan.

6.1

Monumenten / Beschermd stads- en dorpsgezicht Het landgoed Eemwijk is aangewezen als rijksmonument, maar het plangebied maakt hier geen onderdeel van uit. Zolang de stedenbouwkundige randvoorwaarden in acht worden genomen is het niet de verwachting dat monumentale waarden in de directe omgeving worden aangetast. Voorts ligt het plan niet binnen een beschermd stads- en dorpsgezicht.

6.2

Archeologie De Erfgoedwet verplicht gemeenten om bij het opstellen van o.a. nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met mogelijke archeologisch waardevolle vindplaatsen. Door Transect BV is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor de locatie (Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO), Voorburg, Park Vronesteyn 24, d.d. 20 november 2019, zie bijlage VII). Het uitgevoerde onderzoek heeft de hoge archeologische verwachting van het plangebied bevestigd. In het plangebied is vanaf een diepte van 0.6 - 0.9 m beneden maaiveld (ca. 0.4 m – NAP) een intacte bodem aanwezig. De hoge archeologische verwachting voor het plangebied blijft daarom hoog voor vindplaatsen vanaf de nieuwe tijd tot en met de nieuwe steentijd (Neolithicum). Conform de Nota archeologie Herijking 2013 worden gronden met een hoge archeologische aangewezen voor ‘Waarde – Archeologie 3’ en bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en / of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden. De dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3’ impliceert dat bodemingrepen groter dan 100 m2 die dieper reiken dan 30 cm –Mv. zonder omgevingsvergunning niet zijn toegestaan. Gelet op de resultaten van het archeologisch onderzoek wordt daarbij ter hoogte van het nieuwe bouwvlak een afwijkende vrijstellingsdiepte voor het doen van archeologisch onderzoek gehanteerd van 0.9 m beneden maaiveld (ca.

0.4 m – NAP) indien het bouwplan voldoet aan de volgende voorwaarden: Het bouwvlak/grondoppervlakte van het bouwplan is kleiner dan 130 m2 De afstand tussen de funderingspalen bedraagt minimaal 4.5 m De aanlegdiepte van de fundatie op maximaal 0.9 m beneden maaiveld (ca. 0.4 m – NAP) ligt 46

Indien bij uitvoering van de werkzaamheden onverwachts archeologische resten worden aangetroffen, is het conform artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet verplicht deze te melden bij het bevoegd gezag, de gemeente Leidschendam-Voorburg. Conclusie Bij in achtneming van bovengenoemde voorwaarden, kan ervan worden uitgegaan dat zonder nader onderzoek archeologie geen belemmering vormt voor de realisatie van het bouwplan.

47

7

UITVOERBAARHEID

Dit hoofdstuk beschrijft de haalbaarheid van dit project. Het plan waarvoor de planologische procedure wordt doorlopen, moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de te doorlopen procedures weergegeven.

7.1

Economische uitvoerbaarheid De economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijk besluit moet op grond van het Bro onderzocht respectievelijk aannemelijk worden gemaakt. Dat betekent enerzijds dat aannemelijk moet worden gemaakt dat de door de gemeente te maken kosten moeten zijn gedekt, dan wel op de bij de uitvoering van het project betrokken partijen moeten kunnen worden verhaald. Anderzijds moet worden onderzocht of: 1) de kosten van overige partijen van een deugdelijke dekking zijn voorzien en; 2) het project naar objectieve maatstaven, ook geabstraheerd van de concreet betrokken partijen, vanuit financieel-economisch perspectief tot uitvoering zou kunnen komen. De herontwikkeling aan Park Vronesteyn 24 te Voorburg is een initiatief van een particulier. De ontwikkeling van de locatie en de daarmee samenhangende kosten, inclusief planvoorbereiding geschieden voor rekening en risico van de initiatiefnemer. Om eventuele gemeentelijke kosten te voorkomen die een gevolg zijn van de voorgestane ontwikkeling, wordt een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Hiermee is vastgelegd dat de realisatie van de ontwikkeling voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen oplevert. In de betreffende overeenkomst wordt ook een regeling opgenomen inzake het verhaal van een eventuele tegemoetkoming in planschade.

Verder zullen de overige gemeentelijke kosten worden verhaald via de gemeentelijke legesverordening. Voor de gemeente Leidschendam - Voorburg verloopt het plan dus budgettair neutraal. Het kostenverhaal is met het bovenstaande anderszins verzekerd in de zin van artikel 6.12 tweede lid van de Wro wat ook betekent dat kan worden besloten géén exploitatieplan vast te stellen. De initiatiefnemer heeft inmiddels een omgevingsvergunning op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangevraagd voor de nieuw te bouwen woning. Dit maakt voldoende aannemelijk dat het project ook daadwerkelijk tot uitvoering zal komen, waarmee de economische uitvoerbaarheid afdoende is aangetoond.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het opstellen van ruimtelijke besluiten dient zorgvuldig te gebeuren. In dat kader blijft het van belang dat diverse instanties, burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van dergelijke besluiten worden betrokken zodat in een vroeg stadium knelpunten, belangen en verbeterpunten kunnen worden gesignaleerd. De verplichting hiertoe vloeit voort uit de 48

artikelen 3.1.1 en 3.1.6 sub e. van het Bro in samenhang met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gecodificeerde zorgvuldigheidsbeginsel. Door de verplichte toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in Afd. 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht wordt eenieder de gelegenheid gegeven om betrokken te zijn bij de voorbereiding van de te verlenen omgevingsvergunning. De ontwerp-Verklaring van geen bedenkingen heeft samen met de ontwerpomgevingsvergunning en de bijbehorende stukken na publicatie in de gemeenterubriek en de Staatscourant voor een periode van zes weken, ingaande op ………… PM, ter inzage gelegen. Direct omwonenden zijn in de gelegenheid gesteld om gedurende deze periode zienswijzen in te dienen. Zoals in deze ruimtelijke onderbouwing is beschreven, wijkt het bouwplan voor Park Vronesteyn 24 af van de bepalingen uit het vigerende planologische regime. Het bouwplan voldoet echter wel aan de kwalitatief-ruimtelijke en stedenbouwkundige doelstellingen voor het betreffende plangebied. Ook de stedenbouwkundige toetsing bevestigt dat het voorliggende bouwplan past binnen de ruimtelijke - en beeldkwaliteit van het betreffende woon- en leefgebied. Gelet op het vorenstaande is het voorliggende plan vanuit maatschappelijk oogpunt in algemene zin aanvaardbaar en daarmee uitvoerbaar te achten.

__________________________________________________________________________

OVERZICHT BIJLAGEN: I. II. III. IV. V. VI. VII.

Bezonningsstudie, HBA BV, d.d. 17 maart 2020 Akoestisch onderzoek, Bouwplan Park Vronesteyn 24, Van Kooten Akoestisch Advies, d.d. 3 februari 2020 Memo onderzoeksresultaten Quickscan flora en fauna Plangebied: Park Vronesteyn 24, Voorburg, Ecoresult, d.d. 1 november 2019 Watertoets voorontwerp omgevingsvergunning Park Vronesteyn 24 te Voorburg, Hoogheemraadschap Delfland, d.d. 5 maart 2020 Rapportage Terreinverharding, Park Vronesteyn 24, Voorburg, Architectenburo Van Vliet, d.d. 1 juli 2020 Watersleutel, d.d. 1 juli 2020 Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO), Voorburg, Park Vronesteyn 24, Transect BV, d.d. 20 november 2019 49

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=ef9e7f26-7fd9-4e4d-822f-f08394025eba