CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

1999 Ruimtelijke onderbouwing drie woningen Frekeweg 1A

Raadsvergadering 2 februari 2021, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: Ontwerp verklaring van geen bedenkingen (vvgb) voor het oprichten van drie geschakelde woningen aan de Frekeweg 1A in Leidschendam (1999).11.078 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

27

hulpverlening: het bevorderen van de samenwerking en de kwaliteit van de uitvoering en het richting geven aan de organisatorische versterking.

5.4.2 Relevante risicobronnen voor het projectgebied Om inzicht te verkrijgen in voor het projectgebied van het bouwplan aan de Frekeweg relevante risicobronnen is gebruik gemaakt van de provinciale risicokaart, GEO-Web Haaglanden en het bedrijvenbestand van de gemeente Leidschendam-Voorburg. In figuur 5.2 is een uitsnede opgenomen van de risicokaart van Zuid-Holland.

Fig. 5.1 Uitsnede risicokaart (projectlocatie: zie rode pijl)

5.4.2.1 Risicovolle inrichtingen en locaties Zowel binnen als direct buiten het projectgebied zijn geen risicovolle inrichtingen resp. locaties gelegen.

5.4.2.2 Route gevaarlijke stoffen Door de gemeenteraad is geen route gevaarlijke stoffen vastgesteld. Wel zijn door het rijk binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg de rijksweg A4 (Rotterdam-Leiden) en A12 (Utrechtsebaan) aangewezen als routering voor gevaarlijke stoffen (conform het zogenaamde Basisnet (Wet basisnet, staatsblad 2013-307). Uit berekeningen blijkt dat bij een ongeval met brandbare stoffen op de A4 en de A12 inzake PR en GR geen belemmeringen zijn voor Leidschendam. De afstand tot de A12 is ca. 5 kilometer. De afstand tot de A4 bedraagt zo’n 1,4 km. Men dient wel te bedenken dat bij een ongeval met giftige stoffen een invloedsgebied geldt van 4 km en zodoende het plangebied binnen de 4 km zone komt. Bij nieuwbouw is het niet mogelijk om maatregelen te treffen aan de risicobronnen, maar het beheersen en verminderen van het effect op een incident is wel mogelijk. Te denken valt aan het goed sluiten van ramen en deuren en het uitzetten van mechanische ventilatie, wanneer een ongeval plaatsvindt. Het aspect Externe Veiligheid bij transport van gevaarlijke stoffen is geen

28

belemmering voor het bouwplan. Echter, de bewoners zullen zich bewust moeten zijn van bovenstaande risico’s en zullen daar bij de aankoop van de woning op gewezen worden.

5.4.2.3 Transport gevaarlijke stoffen per spoor / water Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn het Besluit Transportroutes Externe Veiligheid, het Basisnet Weg, Spoor en Water en de Circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen van belang. Op grond hiervan moet bij het vaststellen van een bestemmingsplan worden getoetst op externe veiligheid (de grenswaarde van het plaatsgebonden risico voor kwetsbare objecten en een verantwoording van het groepsrisico). Op grond van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) zijn vervoerders van gevaarlijke stoffen verplicht de bebouwde kom zo veel mogelijk te vermijden (artikel 11) en gebruik te maken van daartoe in het belang van de openbare veiligheid aangewezen wegen (artikel 18). Voor het transport van gevaarlijke stoffen via de weg, water en spoor heeft het rijk normen vastgesteld in de nota Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. In het kader van de Nota Vervoer gevaarlijke stoffen definieert het Rijk momenteel een Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt daarbij de spanning tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en veiligheid te verminderen door het vaststellen van gebruiksruimten voor het vervoer en veiligheidszones voor de ruimtelijke ordening.

De gebruiksruimte is de maximale vervoersintensiteit waarmee, bij het maken van berekeningen, rekening gehouden moet worden. Op basis van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen kunnen gemeenten een routering van gevaarlijke stoffen opstellen. In juli 2012 heeft het college van B&W besloten om geen route gevaarlijke stoffen aan te wijzen. Binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg is alleen rijksweg A4 (Rotterdam-Leiden), de A12 (Utrechtsebaan) en de Provinciale weg N206 (Jan Koenenweg en Oosteinde) aangewezen als routering voor gevaarlijke stoffen (conform het zogenaamde basisnet). De projectlocatie ligt echter niet binnen het invloedsgebied van deze wegen.

5.4.2.4 Buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen ondergrondse aardgas-transportleidingen. Conclusie Externe veiligheid vormt voor de bouw van de woningen aan de Frekeweg geen belemmering.

5.5

Water

5.5.1 Inleiding Van belang is eveneens te onderzoeken in hoeverre het project gevolgen heeft voor de waterhuishouding ter plaatse. Het Besluit ruimtelijke ordening schrijft immers dwingend voor dat in de toelichting van een bestemmingsplan dan wel in de ruimtelijke onderbouwing van andere ruimtelijke plannen en besluiten een beschrijving is opgenomen van de wijze, waarop in het plan/besluit rekening is gehouden met de effecten van het plan op de waterhuishouding. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verschillende watergerelateerde aspecten van het project en wordt verslag gedaan van de resultaten van de watertoets.

29

5.5.2 Watertoets Onder de 'watertoets' wordt verstaan een procedure, waarbij een initiatiefnemer in een vroeg stadium over een beoogde ruimtelijke ontwikkeling overleg voert met de waterbeheerder. De watertoets heeft als doel het voorkomen van ruimtelijke ontwikkelingen, die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer.

5.5.2.1 Bestaand stedelijk gebied De projectlocatie aan de Frekeweg valt binnen het stedelijk gebied. In het gebied is voldoende ruimte aanwezig voor het optimaliseren van de bergingscapaciteit van water, indien aan de orde.

5.5.2.2 Oppervlaktewater Het plangebied valt binnen het watersysteem van de Duivenvoorde-Veenzijdsepolder. Deze polder kent geen historisch bergingstekort. Het gebied waar onderhavige projectlocatie binnen ligt, is een gebied met stedelijke doeleinden. Het oppervlaktewater in hiervoor bedoeld plangebied heeft een belangrijke functie in de ont- en afwatering van grote delen van het stedelijk gebied van de gemeente. Om het gewenste waterpeil te handhaven, wordt door middel van gemalen het water uit de polders op de boezemwateren geloosd. Bij een tekort aan water in de polders wordt vanuit deze boezems water de polder in gelaten. Langs het plangebied loopt een boezemwatergang en boven het plangebied ligt er eveneens een polderwatergang. Het woningbouwplan heeft geen invloed op het oppervlaktewatersysteem, nu er ten gevolge van dit bouwplan geen watergangen worden gedempt of nieuwe watergangen worden gegraven.

Fig. 5.2

Aansluiting op boezem

30

5.5.2.3 Grondwater Het waterpeil in het plangebied ligt dicht onder het maaiveld, op -0,63 NAP (grondwaterpeil). De drooglegging van de woningen dient 90 cm te bedragen. Daardoor bedraagt het bouwpeil +0,3 meter NAP.

5.5.2.4 Riolering en afkoppeling De gemeente stelt als eis dat nieuwbouwplannen voorzien in het gescheiden aanbieden van vuilwater en schoon hemelwater. Dat gebeurt ook voor onderhavig plan. Schoon hemelwater wordt (vertraagd) afgevoerd naar het oppervlaktewater. Voor zover in het plan uitlogende materialen worden toegepast (lood, zink voor de dakgoot), worden deze voorzien van een coating. Op die manier wordt verontreiniging zoveel mogelijk voorkomen.

5.5.2.5 Riool- en baggerbeheer Het riool- en baggerbeheer heeft een belangrijke invloed op de waterkwaliteit. Het baggerplan is sinds 2003 operationeel, waardoor is voorzien in regelmatig baggeren. Het Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan 2016-2021 is eind 2015 vastgesteld en is een verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan.

5.5.2.6 Waterkeringen & waterveiligheid Uit onderstaande afbeelding blijkt dat de bebouwing gerealiseerd wordt in de buitenbeschermingszone van de boezemkade. Het meest westelijke puntje binnen de plangrens valt immers in de beschermingszone van de boezemwaterkering. Omdat hier trottoir en wegverharding wordt aangebracht is het in dit plan niet relevant. De waterkerende functie van deze boezemkade is met de realisatie van dit bouwplan dus niet in het geding.

Fig. 5.4 Uitsnede legger waterkeringen Hoogheemraadschap van Rijnland (projectlocatie: rode pijl)

31

5.5.2.7 Wateropgave Het totaal van de verhardingen bedraagt 554,5 m2 (wegdek + trottoir + bebouwing + 50% tuin + graskeien = 554,5 m2, zie figuur 5.5). Recentelijk verwijderde verharding mag in mindering worden gebracht op de uitbreiding. Aan de zuidwestzijde van het perceel is circa 111 m2 permanente verharding aanwezig, bestaande uit opstal plus erfverharding en bij de toegang van het perceel ca. 20 m2 straatverharding. De verharding neemt hier per saldo toe met ca. (554,5 minus 131) is 423,5 m2. Vanuit het water- en rioleringsplan wil de gemeente dat ruimtelijke initiatieven niet leiden tot een verslechtering van het watersysteem en juist een bijdrage leveren aan klimaatadaptatie, dus een verbetering van klimaateffecten. Vanuit dat perspectief dient een toename aan verharding gecompenseerd te worden als daar redelijkerwijs een mogelijkheid toe is. Bij dit plan bestaat die mogelijkheid, omdat er een watergang pal naast het plangebied ligt. Binnen het plan dient dus 15% van de toename aan verhard oppervlak te worden gecompenseerd in de vorm van nieuw water door verbreding van de watergang (dat is dus 63,5 m2).

Echter, gezien de kleine omvang van de voortuinen zou het vanuit waterhuishoudkundig oogpunt acceptabel zijn de getekende watercompensatie van 63,5 m2 terug te brengen tot 35 m2, dan houden de achtertuinen met 4 meter diepte nog een bruikbare functie (zie in onderstaande tekening ‘nieuw water’).

Fig. 5.5 Overzicht verharding / groen

5.5.2.8 Klimaatadaptatie Gezien de verwachte klimaatverandering waardoor steeds vaker langdurige hevige regen optreedt en hitte vaker voorkomt is het raadzaam om verharding zo mogelijk te beperken, regenwater vast te houden waar het valt en vertraagd af te voeren. Hierdoor worden hoge waterstanden verkleind en daarmee ook de kans op wateroverlast. Op hitte heeft het aanleggen van groen (en daarmee verharding verminderen) een verminderend effect: het

32

versterkt verdamping wat een verkoelend effect heeft. Voorbeelden hiervan zijn: ontharden / vergroenen van het achterterrein, toepassen van doorlatende verharding, infiltratie van regenwater in de bodem, platte of flauw hellende daken vergroenen. Bij onderhavig plan wordt als volgt rekening gehouden met klimaatadaptatie. De nieuwe woningen aan de Frekeweg worden voorzien van een luchtwarmtepomp en zonnepanelen en zullen gasloos gebouwd worden. Tevens wordt er extra waterberging aangebracht, om de toename van verharding te compenseren. Conclusie Het plan voldoet aan de eisen die vanuit het waterschap en de gemeente ten aanzien van de waterhuishouding worden gesteld. Ook het Hoogheemraadschap Rijnland heeft aangegeven akkoord te kunnen gaan met dit plan (zie bijlage IV).

5.6

Bodem

5.6.1 Algemeen Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop of waarin deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Op 1 juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit (volledig) in werking getreden. Het doel van dit besluit is om de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het Besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. In het Besluit bodemkwaliteit is ook het Bouwstoffenbesluit geïntegreerd. Dit besluit heeft alleen betrekking op steenachtige bouwstoffen. Andere materialen worden in de praktijk ook toegepast als bouwstof, maar deze vallen niet onder dit Besluit.

5.6.2 Onderzoek Door Adverbo is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerde voor deze locatie (Verkennend bodemonderzoek Frekeweg 3, te Leidschendam, d.d. 24 januari 2018, zie bijlage V). Adverbo komt tot de volgende conclusies: 

Zintuiglijk zijn in de grond plaatselijk bijmengingen met baksteenpuin aangetroffen. In de grond zijn verder geen bijzonderheden, waaronder asbest/asbestverdachte materialen, waargenomen die zouden kunnen duiden op een bodemverontreiniging. Baksteenpuin is niet asbestverdacht. Het voorkomen van baksteenpuin is geen reden voor het uitvoeren van een asbestonderzoek. In de bovengrond is (plaatselijk) sprake van een matige verontreiniging met zink en lichte verontreinigingen met koper, kwik, lood en PAK’s. In de ondergrond is sprake van een sterke verontreiniging met PAK’s, matige verontreinigingen met zink en minerale olie en lichte verontreinigingen met kwik en lood. Naar aanleiding van de matig en sterk verhoogde gehaltes is aanvullend onderzoek uitgevoerd. De deelmonsters van de mengmonsters met de matig en sterk verhoogde gehaltes zijn separaat geanalyseerd op de verhoogd aangetroffen parameters.

33

  

Hieruit blijkt dat in de ondergrond plaatselijk sprake is van een sterke verontreiniging met PAK. Voor zink wordt alleen in B03(50-100) een sterke verontreiniging aangetroffen. De omvang van de sterke zinkverontreiniging wordt beperkt geacht. In het grondwater zijn voor de geanalyseerde parameters geen verontreinigingen aangetroffen. Op basis van de resultaten van het onderzoek zijn er geen belemmeringen voor het huidige gebruik van het terrein.

Conclusie Gelet op het voorgaande kan geconcludeerd worden dat de bodem van de locatie milieuhygiënisch gezien geschikt is voor de bouw van de woningen.

5.7

Vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage is niet aan de orde voor het project aan de Frekeweg. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is niet benodigd om tot deze conclusie te komen. Bij woningbouw is een vormvrije m.e.r.-beoordeling slechts noodzakelijk als deze woningbouw een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ vertegenwoordigt als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Uit de jurisprudentie over het ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ valt af te leiden dat daarvan in dit geval geen sprake is, omdat het hier slechts 3 woningen betreft. Op 15 januari 2020 heeft de Raad van State immers uitspraak gedaan inzake het uitwerkingsplan “Ravelijnstraat” in de gemeente Maastricht (ECLI:NL:RVS:2020:100). Uit deze uitspraak blijkt dat de bouw van 12 vrijstaande woningen door de Raad van State niet worden gezien als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.

Conclusie Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is hier niet nodig, omdat het betreffende bouwplan niet kan worden beschouwd als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’.

34

6

CULTUURHISTORIE & ARCHEOLOGIE In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de eventueel in of direct nabij het projectgebied aanwezige cultuurhistorische - en/of archeologische waarden en de eventuele consequenties daarvan voor de verwezenlijking van het bouwplan.

6.1

Monumenten / Beschermd stads- en dorpsgezicht Binnen het projectgebied bevinden zich geen gemeentelijke - of rijksmonumenten. Ook op de gronden, die direct aan het projectgebied grenzen of anderszins in de directe nabijheid van het projectgebied zijn gelegen, zijn geen monumenten aangewezen. Er is ook geen aanleiding om aan te nemen dat in de toekomst een dergelijke aanwijzing zal plaatsvinden. Voorts ligt het plan niet binnen een beschermd stads- en dorpsgezicht.

6.2

Archeologie De Erfgoedwet verplicht gemeenten om bij het opstellen van o.a. nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met mogelijke archeologisch waardevolle vindplaatsen. Econsultancy heeft een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, Frekeweg 1A en 3 in Leidschendam, 29 november 2018, zie bijlage VI). In het onderzoek wordt het volgende geconcludeerd. 

Uit het bureauonderzoek is gebleken dat het plangebied op een strandwal ligt en daardoor een hoge archeologische verwachting heeft voor bewoningssporen vanaf het Neolithicum of een middelhoge verwachting voor de periodes dat de strandwal is afgedekt door veen. In het westelijke deel van het plangebied heeft sinds het midden van de 18e eeuw een woning of boerderij gestaan, die in 1927 is afgebrand. Funderingen of kelders van deze boerderij kunnen nog aanwezig zijn onder de huidige woningen Frekeweg 3 – 7, die in 1927 zijn gebouwd. De opstallen in het plangebied zijn in de loop van de 20e eeuw gebouwd. De nieuwbouwlocatie is voor zover bekend nooit bebouwd geweest. Wel heeft hier een paardrijbak gelegen, waarbij de bodem misschien is omgezet.

Het inventariserend veldonderzoek ter plaatse van de nieuwbouw heeft uitgewezen dat de bodem hier tot een diepte van 70 tot 150 cm – mv is vergraven. Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor overveende of overstoven bodems. De archeologische verwachting is hier dan ook laag.

Econsultancy adviseert om de nieuwbouwlocatie vrij te geven voor de voorgenomen werkzaamheden. Concreet betekent dit dat archeologisch vervolgonderzoek voor dit bouwplan niet noodzakelijk is. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, bestaat de verplichting om deze vondsten conform artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet te melden bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Deze aangifte dient te gebeuren bij de Rijksdienst voor

35

het Cultureel Erfgoed in Amersfoort en de archeologisch adviseur van de Gemeente Leidschendam-Voorburg. Conclusie Gelet op het voorgaande vormt archeologie geen belemmering voor de realisatie van het bouwplan aan de Frekeweg.

36

7

UITVOERBAARHEID Dit hoofdstuk beschrijft de haalbaarheid van dit project. Het plan waarvoor de planologische procedure wordt doorlopen, moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de te doorlopen procedures weergegeven.

7.1

Economische uitvoerbaarheid De economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijk besluit moet op grond van het Bro onderzocht respectievelijk aannemelijk worden gemaakt. Dat betekent enerzijds dat aannemelijk moet worden gemaakt dat de door de gemeente te maken kosten moeten zijn gedekt, dan wel op de bij de uitvoering van het project betrokken partijen moeten kunnen worden verhaald. Anderzijds moet worden onderzocht of: 1) de kosten van overige partijen van een deugdelijke dekking zijn voorzien en; 2) het project naar objectieve maatstaven, ook geabstraheerd van de concreet betrokken partijen, vanuit financieel-economisch perspectief tot uitvoering zou kunnen komen. De herontwikkeling aan de Frekeweg 1A – 1C te Leidschendam is een initiatief van een particulier. De ontwikkeling van de locatie en de daarmee samenhangende kosten, inclusief planvoorbereiding geschieden voor rekening en risico van de initiatiefnemer. Om eventuele gemeentelijke kosten te voorkomen die een gevolg zijn van de voorgestane ontwikkeling, wordt een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Hiermee is vastgelegd dat de realisatie van de ontwikkeling voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen oplevert. In de betreffende overeenkomst wordt ook een regeling opgenomen inzake het verhaal van een eventuele tegemoetkoming in planschade.

Verder zullen de overige gemeentelijke kosten worden verhaald via de gemeentelijke legesverordening. Voor de gemeente Leidschendam - Voorburg verloopt het plan dus budgettair neutraal. Het kostenverhaal is met het bovenstaande anderszins verzekerd in de zin van artikel 6.12 tweede lid van de Wro wat ook betekent dat kan worden besloten géén exploitatieplan vast te stellen. De initiatiefnemer heeft inmiddels een omgevingsvergunning op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangevraagd voor de nieuw te bouwen woningen. Dit maakt voldoende aannemelijk dat het project ook daadwerkelijk tot uitvoering zal komen, waarmee de economische uitvoerbaarheid afdoende is aangetoond.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het opstellen van ruimtelijke besluiten dient zorgvuldig te gebeuren. In dat kader blijft het van belang dat diverse instanties, burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van dergelijke besluiten worden betrokken zodat in een vroeg stadium knelpunten, belangen en verbeterpunten kunnen worden gesignaleerd. De verplichting hiertoe vloeit voort uit de artikelen 3.1.1 en 3.1.6 sub e. van het Bro in samenhang met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gecodificeerde zorgvuldigheidsbeginsel. Door de verplichte toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in Afd. 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht wordt eenieder de gelegenheid gegeven om betrokken te zijn bij de voorbereiding van de te verlenen omgevingsvergunning.

37

De ontwerp-Verklaring van geen bedenkingen heeft samen met de ontwerpomgevingsvergunning en de bijbehorende stukken na publicatie in de gemeenterubriek en de Staatscourant voor een periode van zes weken, ingaande op 11 februari 2021, ter inzage gelegen. Direct omwonenden zijn in de gelegenheid gesteld om gedurende deze periode zienswijzen in te dienen. Zoals in deze ruimtelijke onderbouwing is beschreven, wijkt het bouwplan voor de Frekeweg af van de bepalingen uit het vigerende planologische regime. Het bouwplan voldoet echter wel aan de kwalitatief-ruimtelijke en stedenbouwkundige doelstellingen voor het betreffende plangebied. Ook de stedenbouwkundige toetsing bevestigt dat het voorliggende bouwplan past binnen de ruimtelijke - en beeldkwaliteit van het betreffende woon- en leefgebied. Gelet op het vorenstaande is het voorliggende plan vanuit maatschappelijk oogpunt in algemene zin aanvaardbaar en daarmee uitvoerbaar te achten.

__________________________________________________________________________

OVERZICHT BIJLAGEN: I. II. III. IV. V. VI.

Onderzoek industrielawaai, Frekeweg 3 te Leidschendam, Econsultancy, d.d. 5 juli 2019 Quickscan Flora en Fauna, Frekeweg 1A te Leidschendam, Econsultancy, d.d. 1 oktober 2018 Memo effectbeoordeling stikstofdepositie Frekeweg 1 te Leidschendam, Langelaar Milieuadvies, d.d. 19 november 2020 Akkoord Hoogheemraadschap Rijnland, d.d. 11 maart 2020 Verkennend bodemonderzoek Frekeweg 3 Leidschendam, Adverbo, d.d. 24 januari 2018 Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, Frekeweg 1A en 3 in Leidschendam, Econsultancy, 29 november 2018

38

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=5c230123-d1bb-485c-957d-883046944071