CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

1994 Ruimtelijke onderbouwing Parnashofweg 29-29a

Raadsvergadering 2 februari 2021, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: Ontwerp verklaring van geen bedenkingen (vvgb) voor het oprichten van twee vrijstaande woningen aan de Parnashofweg 29 en 29a in Leidschendam (1994).13.265 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

En daarnaast geldt de algemene zorgplicht t.b.v. Nationaal beschermde soorten die vrijgesteld zijn van een ontheffing Wet natuurbescherming (vnl. gewone pad, bruine kikker, bosspitsmuis spec., huisspitsmuis en egel). E.e.a. houdt in dat alles in het werk moet worden gesteld om het doden en verwonden van dieren te voorkomen. Geef ze de ruimte om te vluchten/verplaatsen. Verstorende effecten op nabijgelegen Natura 2000 gebieden door emissie zijn niet uitgesloten. Een aanvullende AERIUS- berekening is nodig om te bepalen of de werkzaamheden negatieve effecten kunnen hebben. Vanwege de afstand tot NNN, ecologische verbindingszones en belangrijk weidevogelgebied en de aard van de werkzaamheden zijn negatieve effecten hierop uitgesloten. Een ontheffing op de Wet natuurbescherming en het treffen van aanvullende maatregelen is hiervoor niet nodig. Er is wel vervolgonderzoek vereist naar de eerder aangegeven diersoorten.

Conclusie Uit het voorgaande blijkt er een vervolgonderzoek nodig is voor wat betreft de huismus en vleermuizen. Er is inmiddels een vervolgonderzoek uitgevoerd (Notitie n.a.v. twee veldbezoeken aan de Parnashofweg 29/29a te Leidschendam, Crex ecologisch advies, d.d. 23 april 2020, bijlage II). In dat rapport wordt het volgende geconcludeerd: 

Op 5 april en 17 april 2020 zijn veldbezoeken uitgevoerd. Bij de veldbezoeken zijn geen huismussen op het terrein of op het dak van de boerderij waargenomen. Geconcludeerd wordt na twee veldbezoeken dat er met zekerheid geen huismussen op het dak van de boerderij nestelen.

Waarschijnlijk is er wel een nest van de spreeuw aanwezig onder de nokpan op de zuidwesthoek van het dak van de boerderij. Nesten van de spreeuw zijn niet jaarrond beschermd maar natuurlijk blijft gelden dat broedende vogels niet verstoord mogen worden. Er is geen broedgeval met zekerheid vastgesteld, aanbevolen wordt desondanks om sloopwerkzaamheden tot na de broedtijd uit te stellen. Aanbevolen

31

wordt verder om in de nieuwbouw of op nummer 27 een neststeen voor spreeuw te plaatsen. Voor wat betreft mogelijk aanwezige vleermuizen het volgende. In dit geval is ervoor gekozen om voor 15 mei 2020 mitigerende maatregelen uit te voeren die de boerderij ongeschikt maken voor vleermuizen. Geconcludeerd is dat na het nemen van deze maatregelen een verblijf van vleermuizen in deze boerderij onwaarschijnlijk is. Op grond van het uitgevoerde onderzoek en de getroffen maatregelen vormen flora en fauna geen belemmeringen voor de realisatie van het bouwplan, mits de sloop niet plaatsvindt in het vogelbroedseizoen.

5.3.2.2 Onderzoek stikstofdepositie Voor het beoogde plan heeft Langelaar Milieuadvies een stikstofbeoordeling uitgevoerd (Memo effectbeoordeling stikstofdepositie plan Parnashofweg 29, d.d. 27 oktober 2020, bijlage III). Langelaar Milieuadvies komt tot de volgende bevindingen: 

Uit het uitgevoerde onderzoek stikstofdepositie blijkt dat zowel de inzet van machines en transportbewegingen in de aanlegfase als verkeer in de gebruiksfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura2000- gebieden.

Significante gevolgen door stikstof kunnen op voorhand worden uitgesloten.

Er is geen vergunningplicht op grond van de Wet Natuurbescherming ten gevolge van stikstoftoename.

Conclusie Vanuit het oogpunt van de Wet Natuurbescherming bestaan er geen belemmeringen voor dit initiatief. Wel is altijd de zorgplicht van toepassing. Er dient rekening te worden gehouden met broedende vogels binnen het plangebied. De sloop-, bouw-, en rooiwerkzaamheden en ingrepen dienen buiten het broedseizoen plaats te vinden of er dient voorafgaande aan deze werkzaamheden een vogelcheck uitgevoerd te worden.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1 Inleiding Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijk stoffen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet men rekening houden met verplichte afstandsnormen tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de risicobron (inrichtingen met of vervoer van gevaarlijke stoffen) volgens onderstaande wetten: 

Besluit externe veiligheid inrichtingen 2004 (Bevi), staatsblad 2004 nr. 250;

Besluit externe veiligheid buisleidingen 2011 (Bevb), staatsblad 2010 nr. 636;

32

Circulaire risiconormering vervoer van gevaarlijke stoffen (Crnvgs) voor transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of het water, juli 2012.

Tevens dient men rekening te houden met het beleid Externe Veiligheid dat door stadsgewest Haaglanden is vastgesteld op 28 november 2012. Risicovolle objecten zijn o.a.: 

ondergrondse buisleidingen met transport van aardgas of andere stoffen;

transport van gevaarlijke stoffen over o.a. rijkswegen en spoorbanen;

bedrijven vallend onder de Wet Milieubeheer met grootschalige opslag van chemische stoffen;

grootschalige opslag van chemische stoffen (PGS15);

LPG-tankstations.

Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat er te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Het algemene uitgangspunt is dat niemand blootgesteld mag worden aan een kans om door een activiteit met gevaarlijke stoffen te overlijden, die groter is dan één op de miljoen (10-6). In dat geval wordt gesproken over het plaatsgebonden risico, dat wordt weergegeven in een risicocontour. Daarnaast bestaat er een zogenoemd groepsrisico: de kans dat bij één gebeurtenis een groep met ten minste een bepaalde omvang om het leven komt. Het groepsrisico wordt niet weergegeven in een contour, maar in een grafiek. Een aantal calamiteiten met gevaarlijke stoffen, zowel in binnen- als buitenland, heeft aangetoond dat een maatschappij zonder risico's niet bestaat. Het beleid op het gebied van externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. De beleidsmatige kernpunten zijn: 

het ontstaan van nieuwe knelpunten tegengaan;

het stimuleren van de eigen verantwoordelijkheid van inrichtingen;

het saneren van bestaande knelpunten;

zorgvuldige risicocommunicatie;

hulpverlening: het bevorderen van de samenwerking en de kwaliteit van de uitvoering en het richting geven aan de organisatorische versterking.

5.4.2 Relevante risicobronnen voor het projectgebied Om inzicht te verkrijgen in voor het projectgebied van het bouwplan aan de Parnashofweg relevante risicobronnen is gebruik gemaakt van de provinciale risicokaart, GEO-Web Haaglanden en het bedrijvenbestand van de gemeente Leidschendam-Voorburg. In figuur 5.2 is een uitsnede opgenomen van de risicokaart van Zuid-Holland.

33

Fig. 5.1 Uitsnede risicokaart (projectlocatie: zie rode pijl; de onderbroken streep betreft de buisleiding, zie verder paragraaf 5.4.2.4)

5.4.2.1 Risicovolle inrichtingen en locaties Zowel binnen als direct buiten het projectgebied zijn geen risicovolle inrichtingen resp. locaties gelegen.

5.4.2.2 Route gevaarlijke stoffen Door de gemeenteraad is geen route gevaarlijke stoffen vastgesteld. Wel zijn door het rijk binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg de rijksweg A4 (Rotterdam-Leiden) en A12 (Utrechtsebaan) aangewezen als routering voor gevaarlijke stoffen (conform het zogenaamde Basisnet (Wet basisnet, staatsblad 2013-307). Uit berekeningen blijkt dat bij een ongeval met brandbare stoffen op de A4 en de A12 inzake PR en GR geen belemmeringen zijn voor Leidschendam. De afstand tot de A12 is bijna 5 kilometer. De afstand tot de A4 bedraagt zo’n 830 meter. Men dient wel te bedenken dat bij een ongeval met giftige stoffen een invloedsgebied geldt van 4 km en zodoende het plangebied binnen de 4 km zone komt. Bij nieuwbouw is het niet mogelijk om maatregelen te treffen aan de risicobronnen, maar het beheersen en verminderen van het effect op een incident is wel mogelijk. Te denken valt aan het goed sluiten van ramen en deuren en het uitzetten van mechanische ventilatie, wanneer een ongeval plaatsvindt. Het aspect Externe Veiligheid bij transport van gevaarlijke stoffen is geen belemmering voor het bouwplan. Echter, de bewoners zullen zich bewust moeten zijn van bovenstaande risico’s en zullen daar bij de aankoop van de woning op gewezen worden.

5.4.2.3 Transport gevaarlijke stoffen per spoor / water Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn het Besluit Transportroutes Externe Veiligheid, het Basisnet Weg, Spoor en Water en de Circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke 34

Stoffen van belang. Op grond hiervan moet bij het vaststellen van een bestemmingsplan worden getoetst op externe veiligheid (de grenswaarde van het plaatsgebonden risico voor kwetsbare objecten en een verantwoording van het groepsrisico). Op grond van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) zijn vervoerders van gevaarlijke stoffen verplicht de bebouwde kom zo veel mogelijk te vermijden (artikel 11) en gebruik te maken van daartoe in het belang van de openbare veiligheid aangewezen wegen (artikel 18). Voor het transport van gevaarlijke stoffen via de weg, water en spoor heeft het rijk normen vastgesteld in de nota Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. In het kader van de Nota Vervoer gevaarlijke stoffen definieert het Rijk momenteel een Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt daarbij de spanning tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en veiligheid te verminderen door het vaststellen van gebruiksruimten voor het vervoer en veiligheidszones voor de ruimtelijke ordening. De gebruiksruimte is de maximale vervoersintensiteit waarmee, bij het maken van berekeningen, rekening gehouden moet worden. Op basis van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen kunnen gemeenten een routering van gevaarlijke stoffen opstellen. In juli 2012 heeft het college van B&W besloten om geen route gevaarlijke stoffen aan te wijzen.

Binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg is alleen rijksweg A4 (Rotterdam-Leiden), de A12 (Utrechtsebaan) en de Provinciale weg N206 (Jan Koenenweg en Oosteinde) aangewezen als routering voor gevaarlijke stoffen (conform het zogenaamde basisnet). De projectlocatie ligt echter niet binnen het invloedsgebied van deze wegen.

5.4.2.4 Buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) met de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) omvat de regelgeving op het gebied van buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In deze regelgeving is bepaald dat de belemmeringenstrook (5 meter aan weerszijden vanuit het hart van de buisleiding), de plaatsgebonden risicocontour (10-6) en het invloedsgebied van het groepsrisico in acht dienen te worden gehouden bij ruimtelijke ontwikkelingen. In de omgeving van het plangebied liggen geen relevante buisleidingen. Conclusie Externe veiligheid vormt voor de bouw van dit woningbouwplan aan de Parnashofweg geen belemmering.

35

5.5

Water

5.5.1 Inleiding Van belang is eveneens te onderzoeken in hoeverre het project gevolgen heeft voor de waterhuishouding ter plaatse. Het Besluit ruimtelijke ordening schrijft immers dwingend voor dat in de toelichting van een bestemmingsplan dan wel in de ruimtelijke onderbouwing van andere ruimtelijke plannen en besluiten een beschrijving is opgenomen van de wijze, waarop in het plan/besluit rekening is gehouden met de effecten van het plan op de waterhuishouding. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verschillende watergerelateerde aspecten van het project en wordt verslag gedaan van de resultaten van de watertoets.

5.5.2 Watertoets Onder de 'watertoets' wordt verstaan een procedure, waarbij een initiatiefnemer in een vroeg stadium over een beoogde ruimtelijke ontwikkeling overleg voert met de waterbeheerder. De watertoets heeft als doel het voorkomen van ruimtelijke ontwikkelingen, die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer.

5.5.2.1 Bestaand stedelijk gebied In bestaand stedelijk gebied, waar ook het projectgebied binnen valt, is de mate van verstedelijking en inrichtingen in grote mate een vast gegeven. De huidige status van het gebied en de (beperkte) ontwikkelingen binnen het plangebied bieden nauwelijks mogelijkheden om de bergingscapaciteit van water te optimaliseren. De huidige hoeveelheid oppervlaktewater geldt dan als absoluut minimum (Stand-Still). Waar mogelijk dient de bergingscapaciteit vergroot te worden indien er sprake is van herontwikkeling.

5.5.2.2 Oppervlaktewater Het gebied waar onderhavige projectlocatie binnen ligt, is een gebied met stedelijke doeleinden. Het oppervlaktewater in hiervoor bedoeld plangebied heeft een belangrijke functie in de ont- en afwatering van grote delen van het stedelijk gebied van de gemeente. De secundaire watergang is voor een deel eigendom van het perceel (tot aan het hart van de watergang). Deze watergang sluit aan op de Vliet (KRW-waterlichaam). Het woningbouwplan heeft in zoverre invloed op het oppervlaktewatersysteem, dat de watergang ter plaatse van het plangebied wordt uitgebreid. Met de uitbreiding van deze watergang (zie figuur 5.3) wordt er voor de tweede woning een directe verbinding met de Vliet gelegd, waarbij ook een mogelijk contact ontstaat vanuit de tuin met de Vliet. Verder vinden er geen wijzigingen plaats van bestaande watergangen.

36

Fig. 5.3 Uitbreiding watergang

37

Fig. 5.4 Uitsnede legger waterkeringen Hoogheemraadschap van Rijnland planlocatie (projectlocatie, zie rode pijl)

5.5.2.3 Riolering en afkoppeling Het plangebied ligt in een gebied dat is voorzien van een gemengd rioleringsstelsel. De nieuwe woning dient aangesloten te worden op het bestaande riool. Het hemelwater zal worden afgekoppeld en direct worden aangesloten op het open water dat binnen het eigen terrein aanwezig is.

5.5.2.4 Waterkwaliteit De waterkwaliteit van het gebied zal niet worden aangetast. Voor zover in het plan uitlogende materialen worden toegepast (lood, zink voor de dakgoot), worden deze voorzien van een coating. Op die manier wordt verontreiniging zoveel mogelijk voorkomen.

5.5.2.5 Beheer en onderhoud Het riool- en baggerbeheer heeft een belangrijke invloed op de waterkwaliteit. Het baggerplan is sinds 2003 operationeel, waardoor is voorzien in regelmatig baggeren. Het Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan 2016-2023 is eind 2015 vastgesteld en is een gedeeltelijk verbreed GRP. De realisatie en aanwezigheid van de nieuwe woning is niet van invloed op het beheer en onderhoud van de aangrenzende watergangen en eventueel het riool. In principe moet er een onderhoudsstrook van in ieder geval 1 meter vrij blijven langs de secundaire watergang. Uit figuur 3.5 (Situering van de woning) blijkt dat daar ruimschoots aan wordt voldaan (de afstand bedraagt circa 14 meter). Het gewoon onderhoud van de secundaire watergang wordt verzorgd door de gemeente Leidschendam-Voorburg. Het onderhoud van de Vliet vindt plaats door het Hoogheemraadschap Rijnland. Wateren met een breedte groter dan 10 meter moeten varend worden onderhouden (zoals ook de Vliet).

38

Voor varend onderhoud zijn onderhoudsstroken nodig van 1 meter aan weerszijden van de wateren. Ook aan die afstand wordt ruimschoots voldaan.

5.5.2.6 Waterkeringen & waterveiligheid De locatie ligt niet in een beschermingszone van een waterkering. De realisatie van onderhavig plan is dus niet van invloed op het functioneren van een waterkering. Dit is door het Hoogheemraadschap Rijnland bevestigd bij e-mailbericht, d.d. 8 september 2020 (zie bijlage IV).

5.5.2.7 Wateropgave Zoals opgemerkt is in bestaand stedelijk gebied, waar ook het projectgebied binnen valt, de mate van verstedelijking en inrichtingen in grote mate een vast gegeven. De huidige hoeveelheid oppervlaktewater geldt dan als absoluut minimum. Indien mogelijk dient bij een herontwikkeling de bergingscapaciteit vergroot te worden. De toe – of afname van verhard oppervlak wordt hier als volgt berekend (waarbij wat betreft de bestaande situatie is uitgegaan van de bestaande en inmiddels gesloopte woning, en wat betreft de nieuwe situatie van de 2 woningen): BESTAANDE SITUATIE Oppervlakte bestaande woningen Oppervlakte bestaande verharding (niet zijnde gebouwen) TOTAAL NIEUWE SITUATIE Oppervlakte woningen

300,00 m2 539,00 m2 839,00 m2

253,00 m2

Oppervlakte nieuwe verharding (niet zijnde gebouwen)

600,00 m2

TOTAAL

853,00 m2

TOTAAL toename / afname verhard oppervlak

14 m2 toename

Fig. 5.5 Kaart verharding bestaande en nieuwe situatie

Met de realisatie van het bouwplan voor de Parnashofweg zal het aantal vierkante meters verhard oppervlak toenemen met 14 m2. Daarmee blijft de toename van het verhard oppervlak onder de 500 m2. Dat betekent dat er geen watercompensatie behoeft plaats te vinden. Niettemin vindt er wel uitbreiding plaats van het wateroppervlak, met 183 m2, ten behoeve van de aansluiting van de tweede woning op de Vliet.

39

5.5.2.8 Bodem en grondwater Uit de Bodemkaart van Nederland en uit de uitgevoerde sonderingen blijkt dat de bodem van het plangebied voornamelijk uit fijn zand en veen bestaat. In de boorstaten is de grondwaterstand gevonden op -0,8 meter NAP. Het straatniveau ter hoogte van de woningen wordt circa 0 tot 30 cm + NAP. De hoogte bovenkant vloerpeil van de woningen wordt circa 50 tot 80 cm + NAP (verschil van 100 mm hoogte). Het terrein loopt enigszins af. Vandaar het verloop in hoogte maaiveld / straatniveau boven NAP. Beide kopers hebben aangegeven hun huis circa 50 cm hoger te bouwen om zo weinig mogelijk de eventueel aanwezige archeologie te verstoren. Hiermee wordt voldaan aan de gemeentelijke eisen dat er geen grondwatermaatregelen noodzakelijk zijn.

5.5.2.9 Klimaatadaptatie Gezien de verwachte klimaatverandering waardoor steeds vaker langdurige hevige regen optreedt en hitte vaker voorkomt is het raadzaam om verharding zo mogelijk te beperken, regenwater vast te houden waar het valt en vertraagd af te voeren. Hierdoor worden hoge waterstanden verkleind en daarmee de kans op wateroverlast. Op hitte heeft het aanleggen van groen (en daarmee verharding verminderen) een verminderend effect: het versterkt verdamping wat een verkoelend effect heeft. Voorbeelden hiervan zijn: ontharden / vergroenen van het achterterrein, toepassen van doorlatende verharding, infiltratie van regenwater in de bodem, platte of flauw hellende daken vergroenen. Bij onderhavig plan wordt als volgt rekening gehouden met klimaatadaptatie. De nieuwe woningen aan de Parnashofweg worden voorzien van een luchtwarmtepomp, van zonnepanelen en zullen gasloos gebouwd worden. Verder zal, zoals hierboven reeds aangegeven, een uitbreiding plaatsvinden van het wateroppervlak, ten behoeve van de tweede woning (zie figuur 5.3). De totale watergang behorende bij de beide percelen bedraagt 183 m2. Een deel hiervan betreft de bestaande watergang. Het andere deel de uitbreiding (circa 75 m2). Conclusie Het bouwplan voldoet aan de eisen die vanuit het waterschap en de gemeente ten aanzien van de waterhuishouding worden gesteld.

Het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft per emailbericht d.d. 8 september 2020 bevestigd dat zij kunnen instemmen met de realisatie van dit bouwplan (zie bijlage IV).

40

5.6

Bodem

5.6.1 Algemeen Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop of waarin deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Op 1 juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit (volledig) in werking getreden. Het doel van dit besluit is om de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het Besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. In het Besluit bodemkwaliteit is ook het Bouwstoffenbesluit geïntegreerd. Dit besluit heeft alleen betrekking op steenachtige bouwstoffen. Andere materialen worden in de praktijk ook toegepast als bouwstof, maar deze vallen niet onder dit Besluit.

5.6.2 Onderzoek Door Van Dijk Geo- en milieutechniek is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Verkennend bodemonderzoek, herbouw boerderijwoning ‘Vlietlust’, Parnashofweg 29 / 29a te Leidschendam, d.d. 10 september 2019, zie bijlage V). In het betreffende onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: 

Uit de analyseresultaten blijkt dat de zandige toplaag van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie licht verontreinigd is met enkele zware metalen. De zandige onderlaag is licht verontreinigd met lood en zink, en gevolg van de AS3000-correctie licht met PCB. De kleiige onderlaag is licht verontreinigd met enkele zware metalen, minerale olie (natuurlijke verbindingen) en PAK. Vastgestelde verontreinigingen staan vermoedelijk in relatie met van houdsher gebruik van het terrein.

Het grondwater ter plaatse is als gevolg van de AS3000-correctie licht verontreinigd met som dichlooretheen.

Met betrekking tot de vastgestelde milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse kan worden geconcludeerd dat er, gezien de geringe mate aan verontreiniging, milieuhygiënisch gezien geen bezwaar is tegen de toekomstige herbouw / nieuwbouw.

Door Van Dijk Geo- en milieutechniek is tevens een asbestinventarisatie uitgevoerd (Verkennend bodemonderzoek, sloop schuur herbouw boerderijwoning ‘Vlietlust’, Parnashofweg 29 / 29a te Leidschendam, d.d. 23 september 2019, zie bijlage VI). Bij deze asbestinventarisatie zijn asbesthoudende toepassing aangetroffen. Voorafgaand aan de sloop

41

van de bebouwing dienen deze asbesthoudende toepassingen verwijderd te worden door een daartoe gecertificeerd bedrijf. Conclusie Gelet op het voorgaande kan geconcludeerd worden dat de bodem van de locatie milieuhygiënisch gezien geschikt is voor de bouw van de woningen. Het is wel noodzakelijk dat de aangetroffen asbesthoudende toepassingen verwijderd dienen te worden.

5.7

Vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage is niet aan de orde voor het project aan de Parnashofweg. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is niet benodigd om tot deze conclusie te komen. Bij woningbouw is een vormvrije m.e.r.-beoordeling slechts noodzakelijk als deze woningbouw een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ vertegenwoordigt als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Uit de jurisprudentie over het ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ valt af te leiden dat daarvan in dit geval geen sprake is, omdat dit woningbouwproject geen wijziging brengt in de stedelijke ontwikkeling ter plaatse en er slechts sprake is van de vervanging van twee bestaande woningen door twee nieuw te bouwen woningen.

42

6

CULTUURHISTORIE & ARCHEOLOGIE In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de eventueel in of direct nabij het projectgebied aanwezige cultuurhistorische - en/of archeologische waarden en de eventuele consequenties daarvan voor de verwezenlijking van het bouwplan.

6.1

Monumenten / Beschermd stads- en dorpsgezicht Het te slopen pand maakte voorheen onderdeel uit van buitenplaats ‘Vlietlust’. De huidige bebouwing betreft een beeldbepalend object. Vanwege de cultuurhistorische achtergrond van de locatie is het van belang dat de nieuwbouw in opzet refereert aan de kenmerken van de buitenplaats Vlietlust. Deze kenmerken worden versterkt door ervoor te kiezen om de nieuwbouw vrij te positioneren. Zie voor een uitgebreidere toelichting wat betreft de vormgeving en positionering van de nieuwbouw paragraaf 3.3. van deze toelichting.

6.2

Archeologie

6.2.1 Onderzoek De Erfgoedwet verplicht gemeenten om bij het opstellen van o.a. nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met mogelijke archeologisch waardevolle vindplaatsen. In de Nota Herijking (herijking; 2013) geldt voor het plangebied een hoge archeologische verwachting. Dit betekent dat, op het moment dat werken of werkzaamheden worden gepland die dieper zijn dan 0,3 m -Mv en gelijk aan of groter zijn dan 100 m2, in het kader van de vergunningsaanvraag een archeologisch onderzoek nodig is. Binnen het plangebied zijn bodemingrepen gepland met een omvang van 611 m2 en een diepte van minimaal 50 cm -Mv. Aangezien de voorgenomen plannen in het plangebied deze planregels overschrijden, geldt een archeologische onderzoeksplicht. Door Transect is een archeologisch onderzoek uitgevoerd (Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende en karterende fase Leidschendam, Parnashofweg 29 Gemeente Leidschendam-Voorburg (ZH), 11 december 2019, zie bijlage VII). Transect komt tot de volgende conclusies: Op basis van het archeologisch vooronderzoek worden archeologische resten uit verschillende perioden en op diverse stratigrafische niveaus in het plangebied verwacht (bijlage 10): 

Er is sprake van een hoge verwachting op het aantreffen van resten uit de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd. Deze zijn te relateren aan een historische buitenplaats en 43

molen in het plangebied. De bewoning gaat in ieder geval terug tot de 17e eeuw en heeft mogelijk nog eerdere fasen gekend, gezien het aantreffen van laatmiddeleeuws aardewerk tijdens het veldonderzoek. In een drietal boringen is (ter plaatse van de historische bebouwing) een oude bouwvoor aangetroffen met daarin aardewerk, fragmenten baksteen en mortelresten vanaf een diepte van 30 cm -Mv (0,2 m +NAP). Er zijn in het plangebied vanaf deze diepte dan ook resten te verwachten die te relateren zijn aan historische bebouwing en overige sporen van landgebruik. Daarnaast is sprake van een zeer hoge verwachting op het aantreffen van resten uit de Romeinse Tijd. Dit is gebaseerd op de aanwezigheid van het kanaal van Corbulo in het plangebied. Het kanaal zelf tezamen met eventueel aanwezige randfenomenen (beschoeiing, kades en dergelijke) zijn te verwachten in het plangebied. Aanwezigheid van resten van bewoning en overig landgebruik kan overigens niet worden uitgesloten. Resten uit deze periode worden verwacht vanaf circa 40 cm - Mv (circa 0,2 m -NAP), onder een moderne bouwvoor met een dikte tussen de 40 en 80 cm. In boring 1 tot en met 4 is Oud Duinzand aangetroffen, wat is afgedekt met een pakket Hollandveen. Het zand bevindt zich hier op een diepte van circa 350 cm -Mv (3,5 m -NAP) Gezien de afdekking met Hollandveen is dit niveau intact.

Op basis van het aantreffen van intact duinzand kan de hoge verwachting voor de periode Neolithicum – Vroege Bronstijd zoals opgesteld in het bureauonderzoek worden gehandhaafd.

In het plangebied bestaat het voornemen de huidige bebouwing te slopen en twee nieuwe woningen op dezelfde locatie te realiseren. De sloopwerkzaamheden zullen over een oppervlak van circa 300 m2 tot een verstoring van 40 cm - NAP reiken. De bouwput van de nieuwe woningen zal tezamen eveneens 300 m2 beslaan en tot 40 cm - NAP reiken. Tevens wordt er een onbekend aantal heipalen geslagen tot een vooralsnog onbekende diepte. De bestaande watergang in het westen van het gebied zal met circa 75 m2 worden uitgebreid. Hiervoor wordt tot 100 cm - NAP ontgraven. Gezien het oppervlak en de verstoringsdiepte wordt verwacht dat archeologische resten in het plangebied zullen worden verstoord.

6.2.2 Vervolgonderzoek Door Transect is een archeologisch vervolgonderzoek uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (Een Archeologisch Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P), karterende en waarderende fase, d.d. 26 augustus 2020, zie bijlage VIII). Doel van het proefsleuvenonderzoek is om vast te stellen of er in het plangebied waardevolle archeologische resten aanwezig zijn. In dit onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: De hoge verwachting op archeologische resten uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd wordt door de resultaten van het proefsleuvenonderzoek bevestigd. De archeologische resten bestaan uit sporen van landgebruik uit de Nieuwe Tijd, zoals kuilen en een greppel, waarbij relatief veel materiaal is aangetroffen in de demping van de greppel. Deze sporen liggen ter hoogte van beide bouwvlakken en liggen op een diepte van 1,0 m -Mv. De sporen worden afgedekt door een oude bouwvoor en zijn gelegen in jong duinzand. De oude bouwvoor boven het sporenvlak 44

bevat geen sporen; deze zijn pas zichtbaar onder de oude bouwvoor. Wel bevat het enkele vondsten, maar zijn deze liggen verspreid door de laag en zijn in lagere maten aanwezig dan in het sporenvlak eronder. De sporen behoren tot de archeologische verwachting van de resten van de 18de eeuwse molen en bijhorende fenomenen rondom deze molen, zoals in het vooronderzoek is opgesteld. Het vondstmateriaal bevat onder andere enkele complete objecten en dateerd uit de 16de tot 19de eeuw. De fysieke kwaliteit van de Nieuwe Tijd vindplaats is hoog: de oude bouwvoor lijkt grotendeels intact te zijn, de sporen tekenen zich scherp af en lijken niet of nauwelijks afgetopt te zijn en het vondstmateriaal heeft een lage fragmentatiegraad. De inhoudelijke kwaliteit is middelhoog tot hoog, waarbij de archeologische waarden samenhangen met het erf en de molen in het plangebied. Tijdens het onderzoek is het Romeinse Kanaal van Corbulo, waarvan de aanwezigheid in het plangebied is bevestigd in het vooronderzoek, niet aangetroffen. Echter, op dieper niveau (dieper dan 1 m Mv) is deze wel aanwezig, zoals gebleken is uit het booronderzoek. Door Transect wordt het volgende geadviseerd: Het selectieadvies omvat de volgende mogelijkheden: (1) het vrijgeven van het plangebied; (2) het behoud in situ van vindplaatsen (fysiek beschermen); of (3) het behoud ex situ van vindplaatsen (definitief opgraven).

Het selectieadvies wordt voorgelegd aan de bevoegde overheid, die uiteindelijk een selectiebesluit moet nemen. Het advies is om de vindplaats in situ te behouden. Het archeologisch niveau ligt op 1,0 m -Mv (0,9 m -NAP). Een bufferzone van 0,3 m is nodig om het archeologisch niveau te beschermen. Geplande bouwwerkzaamheden kunnen dan tot 0,7 m -Mv plaatsvinden zonder de archeologische waarden te verstoren. Dit kan worden bereikt door archeologievriendelijk te bouwen, zoals het ophogen van het huidig maaiveld en het toepassen van een groot grid in het geval van heipalen. Voor bouwkundig advies ten opzichte van archeologievriendelijk bouwen wordt verwezen naar de Handleiding archeologievriendelijk bouwen (RCE). Wanneer ophoging wordt toegepast zal rekening gehouden moeten worden met de stevigheid van de ondergrond, in verband met verdrukking. Ter hoogte van het zuidelijke gebouw (dichtst bij de Vliet) wordt voornamelijk zand verwacht in de ondergrond; ter hoogte van het gebouw in het noorden ligt het Kanaal van Corbulo op dieper niveau. In dit voorstel wordt uitgegaan dat tot 30 cm ophoging vergunning vrij is, waarbij de adviseur van het bevoegd gezag heeft aangegeven te willen meewerken bij een ophoging van 50 cm boven maaiveld.

Op twee locaties zal dieper gegraven worden dan 70 cm -Mv: de prefab kelder ter behoeve van een warmte pomp (einddiepte en locatie vooralsnog onbekend) en de insteekhaven (1 m -Mv). Voor beide locaties wordt archeologische begeleiding geadviseerd. In het geval van de insteekhaven dient de bodem te worden afgedekt (zoals afgesproken in Beoordeling gewijzigd voorstel d.d. 30-10-2019 tussen de opdrachtgever en het bevoegd gezag) om onderliggende archeologie te beschermen tegen toekomstige verstoringen zoals baggerwerkzaamheden.

45

Conclusie Gelet op het voorgaande is besloten om voor dit plan archeologievriendelijk te bouwen, door het verhogen van het maaiveld met 50 cm. Voor de twee hierboven genoemde locaties (de prefab-kelder ten behoeve van een warmtepomp en de insteekhaven) zal met archeologische begeleiding worden gegraven. Voorts zal de bodem van de insteekhaven worden afgedekt om de onderliggende archeologie te beschermen tegen toekomstige verstoringen zoals baggerwerkzaamheden. Met in achtneming van het voorgaande vormt archeologie geen belemmering voor de realisatie van dit bouwplan. Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat indien bij niet-archeologisch grondwerk alsnog archeologische resten worden aangetroffen, deze conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet moeten worden gemeld. Dit kan via de gemeente Leidschendam-Voorburg of via de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).

46

7

UITVOERBAARHEID Dit hoofdstuk beschrijft de haalbaarheid van dit project. Het plan waarvoor de planologische procedure wordt doorlopen, moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar te zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de te doorlopen procedures weergegeven.

7.1

Economische uitvoerbaarheid De economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijk besluit moet op grond van het Bro onderzocht respectievelijk aannemelijk worden gemaakt. Dat betekent enerzijds dat aannemelijk moet worden gemaakt dat de door de gemeente te maken kosten moeten zijn gedekt, dan wel op de bij de uitvoering van het project betrokken partijen moeten kunnen worden verhaald. Anderzijds moet worden onderzocht of: 1) de kosten van overige partijen van een deugdelijke dekking zijn voorzien en; 2) het project naar objectieve maatstaven, ook geabstraheerd van de concreet betrokken partijen, vanuit financieel-economisch perspectief tot uitvoering zou kunnen komen. De herontwikkeling aan de Parnashofweg 29 / 29A te Leidschendam is een initiatief van een particulier. De ontwikkeling van de locatie en de daarmee samenhangende kosten, inclusief planvoorbereiding geschieden voor rekening en risico van de initiatiefnemer. Om eventuele gemeentelijke kosten te voorkomen die een gevolg zijn van de voorgestane ontwikkeling, wordt een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Hiermee is vastgelegd dat de realisatie van de ontwikkeling voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen oplevert. In de betreffende overeenkomst wordt ook een regeling opgenomen inzake het verhaal van een eventuele tegemoetkoming in planschade.

Verder zullen de overige gemeentelijke kosten worden verhaald via de gemeentelijke legesverordening. Voor de gemeente Leidschendam - Voorburg verloopt het plan dus budgettair neutraal. Het kostenverhaal is met het bovenstaande anderszins verzekerd in de zin van artikel 6.12 tweede lid van de Wro wat ook betekent dat kan worden besloten géén exploitatieplan vast te stellen. De initiatiefnemer heeft in juni 2019 een anterieure overeenkomst getekend waarin is afgesproken een uitgebreide WABO-procedure te volgen en waarin afspraken en onderlinge verplichtingen zijn vastgelegd. Dit maakt voldoende aannemelijk dat het project ook daadwerkelijk tot uitvoering zal komen, waarmee de economische uitvoerbaarheid afdoende is aangetoond.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het opstellen van ruimtelijke besluiten dient zorgvuldig te gebeuren. In dat kader blijft het van belang dat diverse instanties, burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van dergelijke besluiten worden betrokken zodat in een vroeg stadium knelpunten, belangen en verbeterpunten kunnen worden gesignaleerd. De verplichting hiertoe vloeit voort uit de

47

artikelen 3.1.1 en 3.1.6 sub e. van het Bro in samenhang met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gecodificeerde zorgvuldigheidsbeginsel. Door de verplichte toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in Afd. 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een ieder de gelegenheid gegeven om betrokken te zijn bij de voorbereiding van de te verlenen omgevingsvergunning. De ontwerp-verklaring van geen bedenkingen heeft samen met de ontwerpomgevingsvergunning en de bijbehorende stukken na publicatie in de gemeenterubriek en de Staatscourant voor een periode van zes weken, ingaande op 11 februari 2021, ter inzage gelegen. Direct omwonenden zijn in de gelegenheid gesteld om gedurende deze periode zienswijzen in te dienen. Zoals in deze ruimtelijke onderbouwing is beschreven, wijkt het bouwplan voor de Parnashofweg af van de bepalingen uit het vigerende planologische regime. Het bouwplan voldoet echter wel aan de kwalitatief-ruimtelijke en stedenbouwkundige doelstellingen voor het betreffende plangebied. Ook de stedenbouwkundige toetsing bevestigt dat het voorliggende bouwplan past binnen de ruimtelijke - en beeldkwaliteit van het betreffende woon- en leefgebied. Gelet op het vorenstaande is het voorliggende plan vanuit maatschappelijk oogpunt in algemene zin aanvaardbaar en daarmee uitvoerbaar te achten.

__________________________________________________________________________________

OVERZICHT BIJLAGEN: I. II. III. IV. V. VI. VII.

VIII.

Memo onderzoeksresultaten quickscan flora en fauna Parnasweghof 29/29a, Leidschendam, Ecoresult, d.d. 1 november 2019 Notitie n.a.v. twee veldbezoeken aan de Parnashofweg 29/29a te Leidschendam, Crex ecologisch advies, d.d. 23 april 2020 Memo effectbeoordeling stikstofdepositie plan Parnashofweg 29, Langelaar Milieuadvies, d.d. 27 oktober 2020 Akkoord Hoogheemraadschap Rijnland Verkennend bodemonderzoek, herbouw boerderijwoning ‘Vlietlust’, Parnashofweg 29 / 29a te Leidschendam, d.d. 10 september 2019 Verkennend bodemonderzoek (asbest), sloop schuur herbouw boerderijwoning ‘Vlietlust’, Parnashofweg 29 / 29a te Leidschendam, d.d. 23 september 2019 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende en karterende fase uitgevoerd Leidschendam, Parnashofweg 29 Gemeente Leidschendam-Voorburg (ZH), Transect, 11 december 2019 Een Archeologisch Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P), karterende en waarderende fase, Transect, d.d. 26 augustus 2020

48

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=08515b2b-2716-47e2-8180-47ad6a8ad810