CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

1454_bijlage 1-Lokale Energie Strategie.pdf

Commissie Omgeving 29 juni 2021, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsbrief instemmen met inspraakvoorstel voor de Ontwerp-bouwsteen Lokale Energie Strategie en Warmtetransitie Visie21.254 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

25

De bedrijven in onze gemeente dienen zich ook te houden aan de verplichting van het Rijk voor kantoren om in 2023 minimaal het energielabel C te dragen. Als dit niet het geval is, mag het gebouw niet meer in gebruik worden genomen als kantoor. Onder bepaalde voorwaarden geldt deze verplichting niet. Bedrijven dienen hiervoor zelf zorg te dragen. De ODH treedt hierbij op als handhaver namens de gemeente. Door middel van een lokale Greendeal kan er een coalitie van bedrijven worden opgericht, die samen beloven zich te zullen inzetten voor een duurzamer Leidschendam-Voorburg. Deze Greendeal zorgt ervoor dat afspraken zijn vastgelegd en dat bedrijven elkaar ook kunnen aanspreken op hun duurzame gedrag. Tevens sluit deze Greendeal aan bij de algemene strategie van de gemeente. De gemeente treedt hierbij op als regisseur. Bewonersinitiatieven Samenwerking met Energy Common LV en de Stichting Duurzaam Leidschendam-Voorburg helpt bij het versterken van de participatie door inwoners. De burgerinitiatieven hebben wortels in de wijken en vormen een onafhankelijke schakel tussen de inwoners en de gemeente. Ze kunnen de gemeente vertellen wat inwoners nodig hebben om (verder) te verduurzamen.

Ze kunnen helpen burgerbelangen te vertegenwoordigen, maar ze kunnen ook draagvlak helpen creëren voor de plannen van de gemeente en ondersteuning bieden in de informatievoorziening wat betreft energiebesparende maatregelen. Sport In het kader van de Duurzaamheidsagenda hebben zeven sportverenigingen energiebesparingsonderzoek laten uitvoeren. Dit onderzoek is door de gemeente gefaciliteerd. In het vervolg kan de gemeente inzetten op ‘ontzorging’ en het actief benaderen van sportverenigingen. Benadering via een regionale of lokale sportkoepel werkt hierbij efficiënt. Scholen De gemeente helpt schoolbesturen om hun schoolgebouwen voor zover mogelijk energieneutraal te maken en nieuwbouw van BENG (Bijna EnergieNeutraal Gebouwd) naar ENG (EnergieNeutraal Gebouwd) te brengen door middel van een financiële bijdrage. Het uitgangspunt is dat het energieverbruik van schoolgebouwen in de komende vier jaar met 10% daalt en in 2030 met zeker 35% is gedaald.

26

4.4

Wat is hiervoor nodig?

In onderstaande tabel zijn de verschillende instrumenten weergegeven die de gemeente inzet ter bevordering van energiebesparing. Afwachter

Verbinder

Facilitator

Juridische instrumenten

Communicatieve instrumenten

Regisseur

Uitvoerder

Met ODH Gemeentelijke afspraak maken organisatie op handhaving energie­ Wet Milieubeheer neutraal in 2040 Handhaven op verplichting kantoren minimaal energielabel C De gemeente biedt informatie voor inwoners en bedrijven via de website

Uitwerking en ‘ontzorging’ van energiebesparingsmogelijkheden via lokale energiecoöperatie/ coaches

Financieeleconomische instrumenten

Actief wijzen op financierings­ mogelijkheden

Wegnemen financiële risico’s (bijna) energieneutraal maken maatschappelijk vastgoed Beschikbaar stellen van subsidie en goedkope lening voor het isoleren van eigen woning Scholen helpen met de stap van BENG naar ENG

Organisatorische instrumenten

Organiseren bijeenkomsten/ webinars met bewoners en aanbieders

Faciliteren van initiatieven

Tabel 4: Instrumenten ter bevordering van energiebesparing

27

Actief benaderen inwoners per wijk voor energie­ besparingsprogramma’s

Energie­ neutraal maken eigen vastgoed

Opstellen lokale Greendeal met bedrijven Maken van prestatie­ afspraken met de woning­ corporaties

Dwinger

Hoofdstuk 5: Opgave en strategie duurzame opwek Door energie duurzaam op te wekken stoten we minder CO2 uit en zijn we minder afhankelijk van fossiele brandstoffen. Hoeveel ruimte is er om dit te doen? Wat houdt de gemeentelijke opgave in? Wie hebben we daarbij nodig?

5.1

Wat willen we bereiken?

De totale elektriciteitsvraag van de gemeente zal in 2050 naar verwachting tussen de 987 - 1.376 TJ per jaar bedragen. Dit is ongeveer een verdubbeling van de huidige elektriciteitsvraag. De omvang van de vraag hangt mede af van de toekomstige warmtevoorziening. Het lokaal opwekken van duurzame elektriciteit met zonnepanelen en windturbines draagt bij aan het hoofddoel: een CO2 neutrale gemeente in 2050. Hoofdstuk 8 Ruimtelijke impact en omgevingsbeleid gaat dieper in op de toepasbaarheid van grootschalige winning van zonne- en windenergie in de gemeente. De gemeente zet maximaal in op zonne-energie. In totaal is het potentieel van zon-pv op daken, zowel klein als groot, in de gemeente Leidschendam-Voorburg 98 GWh per jaar, oftewel 352 TJ per jaar. De ambitie is om in 2030 40% van dit oppervlak te benutten en 100% in 2050. Het totale potentieel voor zon op parkeerplaatsen en infrastructuur laten we doorrekenen. Om het doel van CO2-neutraal met betrekking tot elektriciteit te bereiken is het gewenst om zowel zonne-energie als windenergie op te wekken. Doordat zonne- en windenergie elkaar goed aanvullen in de cyclus dag-nacht en zomer-winter wordt de elektriciteitsvoorziening door het toepassen van beide technieken betrouwbaarder. Onderstaande figuur laat zien hoeveel capaciteit van een bepaald type energie nodig is om jaarlijks 1 PetaJoule (PJ) op te wekken.

Figuur 6: 1 PJ = x windturbines, x zonneweide, x ha biomassateelt, x kolencentrale De verwachting is dat door enkel in te zetten op het opwekken van zonne-energie (excl. grootschalige zonnevelden) de gemeente niet volledig en jaarrond kan voorzien in de toekomstige elektriciteitsvraag. Daarom zal er, net als nu, in de toekomst elektriciteit geïmporteerd moeten worden. Om CO2-neutraal te zijn zal de geïmporteerde energie schoon (groen) moeten zijn.

28

Figuur 7: voorbeeld van grootschalige zonnevelden die niet toegestaan worden

LV zet in op het volledig benutten van zon op daken, onbenutte bebouwde locaties, parkeerplaatsen en infrastructuur (geluidsschermen). Het huidige bestemmingsplan staat geen zonnevelden toe in het buitengebied. 5.2

Hoe gaan we dit bereiken?

Vanuit de RES zijn regionale zoekgebieden aangewezen. Deze zijn weergegeven in onderstaande figuur. De regionale inzet is gebaseerd op de draagkracht van het landschap en uitgewerkt in verhaallijnen op basis van het volgende afwegingskader: 1.

2. 3. 4.

Ruimtelijke kwaliteit: Opwekking van duurzame energie alleen dáár waar het kan met behoud of versterking van het landschap. Daar waar kansen worden gezien, wordt het zoekgebied nader uitgewerkt. Dit ruimtelijke frame is leidend. Brede haalbaarheid en doelbereik: De haalbaarheid van zoekgebieden is getoetst aan ruimtelijke en milieutechnische beleidskaders en financiële haalbaarheid. Draagvlak: Het peilen van draagvlak voor zon en wind in zoekgebieden en daar waar mogelijk/ wenselijk het vergroten of versterken ervan vraagt een inspanning van decentrale overheden. Netimpact en systeemefficiëntie: analyse van gevolgen op de netimpact met betrekking tot kosten, doorlooptijd en ruimtebeslag van de netinfrastructuur.

29

Figuur 8: Zoekgebieden voor 2030 in de RES-regio Rotterdam Den Haag – uitkomst van de verhaallijn In gebiedsgerichte processen is onderzocht waar inpassing van windturbines en zonnepanelen kansrijk wordt geacht. Voor het daadwerkelijk realiseren van windturbines en zonnepanelen op de onderzochte locaties een vertaling nodig naar het lokale omgevingsbeleid. In het klimaatakkoord is afgesproken dat we energie zoveel mogelijk duurzaam opwekken. Om duurzaam opgewekte energie zo efficiënt mogelijk te gebruiken heeft het de voorkeur om de energie die we in de gemeente verbruiken zoveel mogelijk lokaal op te wekken. Uit het onderzoek van CE Delft4 naar het potentieel van lokale energiebronnen blijkt dat de gemeente een groot technisch potentieel heeft om duurzame elektriciteit op te wekken. Echter deze technische potentie is in realiteit beperkt vanwege de grote impact van windmolens en grootschalige zonnevelden op ons buitengebied, een belangrijke schakel tussen het Groene Hart en het Duinengebied. Een windmolen van 5 MW kan ons van circa 4% van de verwachtte elektriciteitsvraag voorzien. Een zonneveld levert daarentegen per hectare ongeveer 0,2% van de verwachte gemeentelijke elektriciteitsvraag in 2050. Met andere woorden: de elektriciteitsproductie van één windmolen staat gelijk aan 20 hectare zonneveld.

Grotere windmolens kunnen volgens de regelgeving alleen in het buitengebied worden geplaatst, maar de ecologische hoofdstructuur van het Groene Hart en de trekvogelgebieden worden beschermd. Vanuit haar kaderstellende rol in ruimtelijke ordening maakt Provincie Zuid-Holland een voorbehoud voor zoekgebieden voor nieuwe windparken in het Groene Hart (statenvoorstel 20 april 2021). De meeste zoekgebieden liggen echter langs grootschalige infrastructuur en passen daarmee in het provinciale omgevingsbeleid. De Provinciale Staten besluiten uiterlijk 16 juni 2021 over het voorstel.

4

https://ce.nl/publicaties/potentieel-lokale-energiebronnen-leidschendam-voorburg/

30

Belangrijk uitgangspunt in het kader van de vertaling van de RES naar lokaal omgevingsbeleid is dat de gemeente in de eerste transitieperiode tot 2030 niet inzet op zonnevelden in het buitengebied. Bij de vaststelling van de Visie en Uitgangspuntennotitie Lokale Energie Strategie heeft de gemeenteraad besloten geen ruimte te bieden voor de plaatsing van windmolens in de gemeente. De aanpak voor duurzame opwek richt zich daarom op: • Zon in stedelijk gebied (op daken en parkeerplaatsen). • Zon bij infrastructuur (A4 en A12). Zon in stedelijk gebied Gezien het stedelijke karakter van onze gemeente en de wens om tot minimaal 2030 geen zonnevelden toe te passen in het buitengebied past opwekking door middel van zon-pv op daken goed bij onze stad. Hierbij wordt ingezet op zowel grootschalige (>15 kWp) als kleinschalige (<15 kWp) opwekking. De ambitie is om in 2030 op 40% van alle geschikte daken, parkeerplaatsen, gevels en op en langs infrastructuur opwekking met zonnepanelen te realiseren, en te streven naar 100% in 2050. De opbrengst van zon-pv op dak bedraagt in 2030 maximaal 141 TJ. We streven ernaar om in 2050 100% van het geschikte dakoppervlak te benutten en daarmee lokaal maximaal 352 TJ op te wekken. De maximale geschatte elektriciteitsvraag van de gemeente is 1.376 TJ in 2050.

Dit betekent dat we door in te zetten op zon op dak minimaal 26% van de verwachte elektriciteitsvraag via zon-pv kunnen opwekken. Het potentieel voor het opwekken van zon op parkeerplaatsen, gevels en infrastructuur is echter een stuk onzekerder dan dat van zon-pv op daken. Het potentieel voor zon op gevels is door CE Delft berekend en komt voor 2050 uit op 27 TJ, dit is 2% de verwachte elektriciteitsvraag in 2050. De potentie voor parkeerplaatsen is momenteel nog onbekend. De maximaal te realiseren opbrengst van parkeerplaatsen en infrastructuur voor 2030 en 2050 laten we doorrekenen. Lokaal en politiek draagvlak bepalen of en onder welke randvoorwaarden het technische potentieel voor wind en grootschalige zonnevelden kan en mag worden gerealiseerd richting 2030 en 2050. Mocht er een maatschappelijke verschuiving plaatsvinden ten aanzien van windenergie of grootschalige zonnevelden dan is een heroverweging van het huidige beleid mogelijk.

5.3

Met wie doen we dit samen?

Vanwege de hoge mate van variatie in daken, gebouwen en eigenaren vraagt het realiseren van zonpv op daken om een doelgroepenaanpak. Daken komen in allerlei soorten en maten – schuin, plat, groen, met een sterke dakconstructie of juist een lichte – en maken onderdeel uit van allerlei soorten gebouwen van uiteenlopende kwaliteit. Deze panden kunnen toebehoren aan particulieren, maar ook aan woningcorporaties, beleggers, bedrijven, verenigingen, instellingen en overheden. Tot slot is de gebruiker van het gebouw lang niet altijd ook de eigenaar, en de eigenaar niet per definitie degene die het initiatief neemt om zonnepanelen te plaatsen. Al deze factoren vergen maatwerk: een forse opgave voor gemeente en stakeholders. Verschillende gemeenten werken samen met bijvoorbeeld ondernemersverenigingen en (gebruikers van) maatschappelijk vastgoed en realiseren zodoende zon-pv op daken. Ook het opwekken van zonne-energie op parkeerplaatsen en infrastructuur vraagt om samenwerking. We zetten daarom stevig in op het delen van kennis en ervaringen, ook in de regio, bijvoorbeeld op het gebied van financieringsmogelijkheden, regelgeving en kennis van de markt. Knelpunten en succesfactoren worden geïdentificeerd om de grote potentie van zon-pv in onze gemeente te verzilveren.

Vanuit de RES werkt de gemeente tevens samen met het Rijk en is in die hoedanigheid betrokken bij het programma Opwek van Energie op Rijksvastgoed (OER). Vanuit het OER-programma werken ministeries en Rijksvastgoedhoudende overheidsdiensten samen en in overleg met de energieregio Rotterdam Den Haag aan de mogelijkheden voor de opwek van energie op Rijksvastgoed.

31

Voor het versnellen van de toepassing van zonnepanelen zijn verschillende methodes beschikbaar. In alle gevallen dient een aanpak afgestemd te worden op de doelgroep(en). •

• • •

•

•

•

•

5.4

Informeren: Het verstrekken van informatie over zonnepanelen en de verschillende mogelijkheden voor ondersteuning (bv. subsidies). Denk hierbij aan toegankelijke informatie via een website, voorlichtingsbijeenkomsten (webinars) of het opstellen en toesturen van gerichte informatie. Basis-ondersteuning: Door hulp te geven bij een haalbaarheidsstudie of subsidieaanvraag worden voor deelnemers de eerste drempels weggenomen en kunnen zij zelf verder. Uitgebreide ondersteuning: Denk aan hulp bij nader onderzoek, financiering, aanbesteding of oplevering. Zo neemt de kans op realisatie van zonnepanelen toe. Risico’s wegnemen: Bepaalde risico’s kunnen een reden zijn om niet in zonne-energie te investeren. Denk aan en beoordeling van de haalbaarheid, waarvoor onderzoek nodig is naar de geschiktheid van de draagconstructie van het dak. Wanneer deze risico’s worden verkleind of weggenomen, zullen deelnemers makkelijker de knoop doorhakken. Actief en gericht benaderen: Naast breed informeren kan men er ook voor kiezen actief locaties te benaderen. Hierbij kan bijvoorbeeld gericht worden op specifieke locaties of doelgroepen, of op organisaties die veel verbindingen of invloed met deze doelgroep hebben (bv. woningbouwcorporaties voor woningen). Door dit te combineren met een ondersteuningsvorm kan deze specifiek gericht worden op de meest veelbelovende locaties.

Collectief aanpakken: In sommige gevallen kan er voor een doelgroep een collectieve aanpak worden ingericht. Deze kan zich richten op informeren maar ook op verdere stappen als ondersteuning of aanbesteding (bv. collectieve inkoop). Dit werkt enkel als voor de gehele doelgroep eenzelfde soort uitwerking voorhanden ligt (dezelfde subsidieregeling, vergelijkbaar systeemformaat, vergelijkbare doorlooptijd). Met name van toepassing als de potentie per locatie laag is maar er wel veel locaties bij de betreffende doelgroep horen. Betrekken marktpartijen: Voor een aantal doelgroepen zijn (landelijke) marktpartijen actief. Denk bijvoorbeeld aan stichting Schooldakrevolutie. Door het betrekken van een van deze partijen kan de specifieke doelgroep gericht worden benaderd, met weinig of zonder middelen van de gemeente. Betrekken Energiecoöperatie: In de gemeente zijn meerdere energiecoöperaties actief. Dit zijn lokale initiatieven van burgers die besparing van energie en opwek van duurzame energie nastreven. De energiecoöperatie kan met de gemeente meewerken of zelfs bepaalde taken uitvoeren, met name wat betreft de doelgroepen woningen en VvE’s. De energiecoöperatie dient hierbij wel te worden ondersteund.

Wat is hiervoor nodig?

De opwek van duurzame energie willen we bereiken door volledig in te zetten op het benutten van zon-pv op daken, gevels, onbenutte bebouwde locaties, parkeerplaatsen en infrastructuur. Zoals beschreven maken we onderscheid in verschillende doelgroepen. Dit zijn: • Eengezinswoningen • Meergezinswoningen (VvE’s) • Sociale Huur • Scholen • Sport • Bedrijven • Maatschappelijk vastgoed

32

Per doelgroep zullen verschillende instrumenten worden ontwikkeld en verder worden uitgewerkt in het uitvoeringsplan Zon op daken. Met de doelgroepen en andere stakeholders zullen onderstaande instrumenten verder worden uitgewerkt. Doelgroep

Aanpak en instrumenten

Eengezinswoningen

• • • •

Meergezinswoningen

Intensieve ontzorging door: • Informatievoorziening • Informatiebijeenkomsten • Online dakscan • Advies op maat • Trajectbegeleiding

Sociale huur

• •

Zon op dak opnemen in prestatieafspraken woningcorporatie Marktconcept waarbij huurder netto profiteert

Scholen

• • • •

Informatievoorziening schoolbesturen, Advies op maat Energiebespaarlening Postcoderoosprojecten

Sport

• • •

Informatievoorziening via sportkoepel Online dakscan advies op maat

Bedrijven

Intensieve ontzorging door: • Informatievoorziening via bedrijvenverengingen en businessclubs • Online dakscan • Advies op maat • Subsidiebegeleiding • Begeleiding bij realisatie • Aangescherpt toezicht door omgevingsdienst

Maatschappelijk vastgoed

• • •

Opzetten ontzorgingsproject zonnepanelen Organiseren informatiebijeenkomsten Online dakscan Offertebegeleiding

Plan van aanpak eigen vastgoed Aansluiten bij green deal zorg Daken eigen vastgoed inzetten voor postcoderoos-projecten

33

In onderstaande tabel zijn instrumenten ter bevordering van duurzame opwek weergegeven in relatie tot verschillende rollen. Afwachter

Verbinder

Facilitator

Regisseur

Juridische instrumenten

Uitvoerder

Dwinger

Zon op dak opnemen in prestatie­­ afspraken met woning­corporaties Verruiming richtlijnen zonnepanelen op monumentale gebouwen en beschermede stadsgezichten5

Communicatieve instrumenten

Opzetten ontzorgings­­ traject voor eensgezins- en meergezins­ woningen

Financieel economische instrumenten

Beschikbaar stellen haalbaarheids­ studie zon grotere VvE’s, bedrijven, kantoren en overige grote panden

Actief benaderen eigenaren met groot dak potentieel

Betrekken buurt en inwoners bij zon op eigen vastgoed

Wegnemen financiële risico’s Organisatorische instrumenten

Opzetten website met basis­ informatie zonne­ panelen

Organiseren bijeenkomsten / webinars met de verschillende doelgroepen

Tabel 5: overzicht van instrumenten ter bevordering van duurzame opwek elektriciteit

5

Voorbeeld: https://www.utrecht.nl/nieuws/nieuwsbericht-gemeente-utrecht/nieuwe-richtlijnen-voorzonnepanelen-op-monumenten-en-beschermde-stads-en-dorpsgezichten/

34

Hoofdstuk 6: Opgave en strategie – duurzame warmte Samen met deze LES wordt de Warmtetransitie Visie (WTV) opgesteld. Hierin leggen we het tijdpad vast voor een stapsgewijze transitie naar een aardgasvrije gemeente. Voor wijken die vóór 2030 aan de beurt zijn, geven we ook de potentiële alternatieven aan en bieden we inzicht in de maatschappelijke kosten en baten en de integrale kosten voor eindverbruikers. In deze LES schetsen we de kaders voor de transitie naar duurzame warmte.

6.1

Wat willen we bereiken?

Hoofddoel van de warmtetransitie is de overgang van fossiele brandstof (aardgas) naar duurzame warmte. In de periode tot 2030 starten we met de eerste vier transitiewijken (circa 6.000 woningen). Voor deze wijken is een warmtevraagreductie voorzien van circa 56TJ. Daarmee realiseren we dat circa 25% van de genoemde 6.000 woningen al in 2030 van het gas af is. Dit willen we bereiken door lokale bronnen van bodem- en luchtwarmte en aquathermie te benutten. Voor moeilijk isoleerbare panden kan dat mogelijk in combinatie met gebruik van duurzaam (groen) gas. Voor alle betrokkenen dient de warmtetransitie betaalbaar te zijn. Dit vergt een nadere verdieping omdat de kosten en opbrengsten van elke oplossing voor alle betrokkenen (netbeheerder, woningcorporaties, gebouweigenaar of eindgebruiker) anders uitpakken. Wij vinden keuzevrijheid voor de alternatieven van aardgas belangrijk. Wel dient hiervoor een balans gevonden te worden tussen collectieve mogelijkheden en individuele oplossingen. Zeker als de collectieve mogelijkheden worden beperkt door een te lage deelname.

6.2

Welke duurzame warmtebronnen zijn in beeld?

De gemeente hanteert een Energieladder Leidschendam-Voorburg, een voorkeursvolgorde voor het opwekken/benutten van energie. In de Visie en Uitgangspuntennotitie Lokale Energie Strategie staat de energieladder als volgt gedefinieerd. 1. Lokale opwek op huis- en buurtniveau van zonne- en windenergie, bodemwarmte en aquathermie. 2. Hernieuwbare energie met lage CO2-voetafdruk voortkomend uit innovaties, bijvoorbeeld hernieuwbaar gas zoals biogas en voor de verdere toekomst mogelijk waterstof. 3. Benutten bestaande of nieuwe middentemperatuur- of hogetemperatuurwarmtenetten van Den Haag in aanpalende gebieden van Leidschendam-Voorburg. 4. Aansluiten op regionale HT-restwarmtenet. Hieronder gaan we kort in op de eerste trede van de ladder. Lokale opwek staat bovenaan omdat energiebronnen lokaal beschikbaar zijn waardoor geen energie van buiten nodig is en dus ook geen sprake is van transportverliezen. Om welke methoden en technieken gaat het? Bodemwarmte en aquathermie CE Delft heeft in 2020 onderzocht in hoeverre lokale bodemwarmte en aquathermie voldoende potentie hebben om in de warmtevraag te voorzien. De gemeente blijkt ruimschoots in haar warmtebehoefte te kunnen voorzien met de beschikbare bodemwarmte.

35

Figuur 9: Opwekpotentie lage temperatuur aardwarmte per buurt (CE 2020) Bodemwarmte- en luchtwarmtepompen Voor de warmtetransitie zijn bodemwarmte- en luchtwarmtepompen en vormen van aquathermie geschikt. Deze technieken werken als volgt. Een elektrische warmtepomp gebruikt energie uit de bodem, lucht of water, die met behulp van elektriciteit wordt opgewaardeerd voor het verwarmen van de woning en eventueel het tapwater. Het is een systeem van buizen waar een koudemiddel doorheen stroomt dat energie opneemt uit de bodem, lucht of water. De warmtepomp zet deze energie om in bruikbare warmte voor de woning. Doordat de warmtepomp grotendeels duurzame energie uit de bodem gebruikt en maar een beperkte hoeveelheid elektriciteit, heeft hij een hoger rendement dan de HR-ketel. Om het rendement zo hoog mogelijk te krijgen, is het noodzakelijk dat een woning goed geïsoleerd is. Het gebruik van warmtepompen leidt wel tot een hoger verbruik van elektriciteit. Warmtenetten Warmtenetten of collectieve oplossingen bestaan uit leidingen onder de grond, die warm water transporteren van een centrale warmtebron naar de woningen. Warmtenetten bestaan in verschillende soorten en maten. Bij een wat hogere temperatuur van de bron kan de warmte vanuit een warmtenet direct in de woning gebruikt worden.

Als de temperatuur van de bron lager is dan in de woning kan de temperatuur – in de woning of per buurt – met een warmtepomp worden verhoogd. WarmtelinQ De provincie Zuid-Holland, EZK, Gasunie en de Leidsche regio zijn plannen aan het maken om het project WarmtelinQ uit te breiden naar Leiden. WarmtelinQ is een leiding die de restwarmte van het Rotterdamse havengebied gaat transporteren naar diverse Zuid-Hollandse steden, waaronder Den Haag en Leiden. Deze leiding zal langs de A4 komen te liggen, dwars door Leidschendam-Voorburg heen. WarmtelinQ en het warmtenet van Den Haag kunnen als potentiële warmtebron worden beschouwd in de alternatieven voor aardgas. Leidschendam-Voorburg zal verkennen of er aanleiding is dan wel kansen zijn om aan te takken op WarmtelinQ, maar zal niet risicodragend participeren in de aanleg van het hoofdnet.

36

6.3

Hoe gaan we dit bereiken?

Algemene criteria Elke buurt kent een eigen samenstelling van bewoners, gebouwen, omgeving en warmtebronnen. De benadering per buurt zal dus op maat zijn. Toch streven we in de hele gemeente hetzelfde doel na, en willen we overal zorgvuldig omgaan met de belangen van bewoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties. Hiervoor hanteren we een aantal (algemene) criteria. •

Laagst nationale kosten en laagste kosten voor bewoners en bedrijven Vanuit het Klimaatakkoord wordt gestreefd naar een warmtetransitie tegen de laagste nationale kosten. Dit betekent dat in de overweging van duurzame warmte-alternatieven voor aardgas altijd gekeken wordt naar de kosten voor de samenleving. We kijken daarbij niet alleen naar de eenmalige investeringskosten, maar wegen ook mee dat bepaalde opties tot toekomstige maatschappelijke meerkosten kunnen leiden, bijvoorbeeld door ondergronds ruimtegebruik. Daarnaast kijken we naar de opties met de laagste kosten voor bewoners en bedrijven, om de transitie voor iedereen haalbaar en betaalbaar te maken.

•

Inzetten op besparing We gaan uit van de Trias Energetica: eerst energie besparen, dan duurzame energie opwekken en ten slotte zo efficiënt mogelijk gebruik maken van energiebronnen. We stimuleren inwoners woningen te isoleren om te komen tot een woningvoorraad met gemiddeld energielabel B. Hiermee beoogt de gemeente de kwaliteit van de woningen te laten verbeteren en de warmtevraag te reduceren.

•

Benutten vervangingswerkzaamheden (meekoppelen) De Transitievisie Warmte wordt uitgewerkt naar uitvoeringsplannen op wijkniveau. De inwoners van een wijk krijgen minimaal 10 jaar de tijd, na aanvang van het gesprek in de wijk, om de benodigde stappen naar aardgasvrij te zetten. Hiermee biedt de gemeente inwoners zo veel mogelijk de ruimte om aansluitend op de uitvoering van vervangingswerkzaamheden in de openbare ruimte verduurzamingsmaatregelen te treffen (meekoppelen).

•

Inzetten op keuzevrijheid De energietransitie wordt grotendeels gedragen en uitgevoerd door inwoners en bedrijven. We schrijven daarom zo min mogelijk voor welke warmtebron gekozen moet worden als vervanger van aardgas. Binnen deze keuzevrijheid zullen wel voorwaarden gesteld worden aan de duurzaamheid van de warmtebron, de milieu-impact, ruimtelijke impact en effecten op de volksgezondheid.

•

Draagvlak voor de warmtetransitie Draagvlak en acceptatie onder inwoners wordt gezien als belangrijke voorwaarde voor een succesvolle energietransitie conform de LES en Transitievisie Warmte.

Op basis van deze uitgangspunten zijn de volgende criteria verder ontwikkeld om zorgvuldig en weloverwogen tot de volgende strategiestap te komen per wijk. Criteria voor het bepalen van de wijkvolgorde Een belangrijk onderdeel van de warmtetransitie is bepaling van de volgorde waarin wijken aardgasvrij worden zodat er voor alle partijen een duidelijk handelingsperspectief ontstaat. Transitieperiodes 2030 – 2040 en 2040 – 2050 In het transitieproces maken we onderscheid tussen wijken waar we gaan starten in de periode 2020 – 2030, wijken die tussen 2030 en 2040 starten en wijken die vanaf 2040 aan de beurt zijn. Tot deze verdeling is besloten in overleg met de Kerngroepleden (de woningcorporaties Wooninvest en Vidomes, Stedin en Energy Common) gekomen.

37

De wijkvolgorde is zo objectief als mogelijk bepaald aan de hand van twee groepen criteria. Criteria die wijken geschikt maken om te starten vóór 2030: • Op korte termijn grootschalig onderhoud aan woningcorporatiebezit. • Veel dynamiek (nieuwbouw). • Door vervanging van de gasleiding ontstaan koppelkansen. • Eenvormigheid woningen. • Ligging binnen aquathermiezone Dunea. Criteria die wijken minder geschikt maken om te starten voor 2030: • Moeilijk te isoleren woningen. • Verwachte stadsdynamiek (grote kans op herontwikkeling). • In de afgelopen 15 jaar zijn grootschalige rioleringswerkzaamheden uitgevoerd. Criteria voor het kiezen van aardgasvrije technieken In de WTV geven we per wijk aan welke aardgasvrije techniek de voorkeur heeft. Later, tijdens het opstellen van het wijkuitvoeringsplan, bekijken we de haalbaarheid van deze techniek in meer detail. Er wegen dan allerlei aspecten mee, zoals kosten, duurzaamheid, betrouwbaarheid van de techniek en draagvlak onder bewoners en bedrijven. Maar ook hoeveel overlast toepassing van de techniek geeft, wat de ruimtelijke impact is. We maken in de wijkuitvoeringsplannen de keuze voor een techniek op grond van de criteria in Figuur 9: duurzame, sociale, economische en technologische criteria. Deze worden in de WTV verder toegelicht.

Figuur 10. Criteria waaraan een techniek wordt getoetst op geschiktheid per buurt.

38

6.4

Waar staan we in 2030 en in 2050?

De globale planning is weergegeven in figuur 10. Voor specifieke informatie verwijzen we naar hoofdstuk 6 van de WTV. Wanneer we spreken over ‘wijken’, worden niet vanzelfsprekend de bestaande wijkgrenzen aangehouden. In sommige gevallen hanteren we andere grenzen omdat het type bebouwing of een bepaald type warmtevoorziening dit logisch maakt. Korte termijn (2020-2030) – In deze wijken is het logisch om op korte termijn vervolgstappen te zetten. Voor deze wijken starten we vanaf 2022 met het vervolgonderzoek naar duurzame warmteoplossingen. Hierin staan de haalbaarheid (technisch en financieel) en het betrekken van bewoners, ondernemers en andere lokale partijen centraal. We benadrukken dat we in deze gebieden starten met onderzoek, maar dat nog niet besloten is wanneer en hoe de wijken van het aardgas af gaan. De vier transitiewijken zijn: De Heuvel & Amstelwijk, Leidschendam-Zuid (exclusief de oude kern), Essesteijn en Klein Plaspoelpolder (exclusief gerealiseerde nieuwbouw). Middellange termijn (2030-2040) - In deze wijken zien we kansen of ontwikkelingen waarop de gemeente, samen met belanghebbenden, tijdig wil inspelen. Maar niet op korte termijn omdat hier geen concrete aanleidingen voor zijn. De kansen voor deze wijken liggen vaak in de mogelijkheid om met midden-temperatuur, en op termijn lage-temperatuur warmtebronnen verwarmd te kunnen worden.

Lange termijn (2040-2050) – Wijken (of delen daarvan) met veel oudere woningen zijn in de regel lastig aardgasvrij te maken. Ook speelt mee, dat het in het sommige wijken erg druk is in de ondergrond. Juist omdat het met de huidige warmtetechnieken nog lastig is om een dergelijke wijk aardgasvrij te maken, is deze wijk als laatste aan de beurt. Natuurlijk tempo (2020-2050) - Voor deze gebieden liggen individuele warmteoplossingen per gebouw voor de hand. De gemeente wil bewoners en ondernemers hier zo lang mogelijk de tijd voor geven en kiest daarom voor een natuurlijk tempo: niet het hele gebied tegelijk, maar elk gebouw op een logisch moment, bijvoorbeeld bij een verbouwing of verhuizing. Alleen als zich bijzondere situaties voordoen waarbij het slim is om het gasnet vroegtijdig te vervangen zal hiervan afgeweken worden.

Figuur 11: Fasering voor de wijken

39

6.5

Met wie doen we dit samen?

De bovenstaande uitgangspunten zijn ontwikkeld samen met de belangrijkste maatschappelijke stakeholders in de energietransitie, verenigd in een Kerngroep. Leden kerngroep

Verantwoordelijkheid

Rol in organisatie

Gemeente

Stelt de LES op en regisseert de energietransitie.

Procesregisseur

Woningcorporaties

Vertegenwoordigt de belangen van sociale (ver) huurders en zorgt voor verduurzaming van 25% van het vastgoedbezit.

Assetmanagers

Stedin

Zorgt voor beheer en verduurzaming van de elektriciteitsen gasinfrastructuur op een maatschappelijk verantwoorde manier.

Gebiedsregisseur energietransitie van de netbeheerder

Energy Common en Stichting Duurzaam LV

Vertegenwoordigen de belangen van hun leden specifiek en van de inwoners van de gemeente in het algemeen. Daarbij inbegrepen VvE’s – woningeigenaren enz.

Voorzitters

MKB LV

Vertegenwoordigt het bedrijfsleven

tabel 6: rollen en verantwoordelijkheden leden kerngroep De leden van de kerngroep adviseren uiteindelijk de leden van het bestuurlijk overleg over de te nemen besluiten.

6.6

Wat is hiervoor nodig?

In wijkuitvoeringsplannen geven we samen met bewoners, wooncorporaties, de netbeheerder en andere stakeholders een invulling aan de warmtetransitie op grond van bovenstaande uitgangspunten. In hoofdstuk 7 staat beschreven hoe dit gebeurt.

40

Hoofdstuk 7: Opgave en strategie participatie en communicatie Veel inwoners willen best verduurzamen maar weten niet goed wat ze kunnen doen en waar ze moeten beginnen. De gemeente vindt het belangrijk dat verschillende stakeholders, maar vooral de inwoners, zo goed mogelijk betrokken worden bij en geïnformeerd worden over de energietransitie, zodat deze inclusief is en zodat iedereen in actie komt. Hoe geven we participatie en communicatie in de praktijk vorm?

7.1

Wat willen we bereiken?

Uit enquêtes onder inwoners in Leidschendam-Voorburg blijkt dat veel inwoners willen verduurzamen. Met name onder eigenaar-bewoners is er veel bereidheid te investeren in een duurzame, gezonde en comfortabele woning en leefomgeving. Een klein percentage neemt maatregelen, zoals isolatie of zonnepanelen. Inwoners geven diverse motieven aan om vervolgstappen te zetten. Maar inwoners kennen ook belemmeringen die maken dat vervolgstappen uitblijven. Ook kent de gemeente inwoners die het belang van verduurzamen niet erkennen. We zetten participatie en communicatie in, zodat alle inwoners mee kunnen doen en de energietransitie inclusief wordt. Waarom participatie en communicatie? De gemeente vindt het belangrijk dat verschillende stakeholders, maar vooral haar inwoners, zo goed mogelijk betrokken worden bij de energietransitie. Maar wat houdt participatie eigenlijk in en waarom is het zo belangrijk? Participatie gaat om het deelnemen van verschillende stakeholders aan de energietransitie. Werken aan de energietransitie lukt alleen als iedereen elkaar begrijpt en samenwerkt. Doordat de gemeente tijdig over de veranderingen en maatregelen communiceert kunnen inwoners, ondernemers en organisaties zich op eigen wijze committeren aan het verduurzamen van wonen en leven. Participatie en communicatie dienen verschillende doelen: • • •

•

•

7.2

Het verhogen van de kwaliteit van de plannen door invloed van stakeholders en inwoners. Zij brengen kennis en inzichten in die niet altijd aanwezig zijn binnen de gemeentelijke organisatie. Het verkennen van de haalbaarheid van verschillende opties. Het vergroten van draagvlak en acceptatie door transparante besluitvorming. Wanneer inwoners vanaf het begin goed zijn geïnformeerd, invloed kunnen hebben op de uitkomst en het gevoel hebben serieus genomen te worden in hun zorgen, vergroot dat het gevoel dat de uiteindelijke uitkomst juist is. Het vergroten van de bewustwording van de aardgasvrije toekomst. Het Rijk heeft besloten dat Nederland van het aardgas af gaat. De gemeente wil inwoners helpen inzien dat en helpen begrijpen hoe de energievoorziening en daarmee ook de leefomgeving gaan veranderen. En dat het noodzakelijk is mee te veranderen in de manier van werken, wonen en leven. Het bieden van mogelijkheden om in actie te komen die aansluiten bij de situatie en interesses van inwoners.

Hoe gaan we dit bereiken?

Al sinds 2018 loopt de gemeentelijke communicatiecampagne energietransitie. De campagne richt zich op individuele inwoners. Om een boodschap te laten leven en beklijven is het goed om deze regelmatig te tonen. Om de urgentie en het belang te benadrukken is het goed om er een deadline aan te hangen, bijvoorbeeld ‘deze wijk is in 2035 aardgasvrij’. Niet iedereen volgt trouw alle communicatie vanaf het begin. Voor inwoners die later beginnen met het lezen van communicatiemiddelen, is het hele traject wellicht nog nieuw. Ook daarom is het van belang om het doel te blijven herhalen in elke communicatie-uiting.

41

De gemeente heeft een kernboodschap ontwikkeld.

Om klimaatverandering te beperken, zullen we ons energieverbruik moeten minderen en de overstap moeten maken naar hernieuwbare energiebronnen. Deze opgave is groot en de route ernaartoe lang. Deze verandering vraagt op korte termijn om maatregelen om energie te besparen, efficiënt om te gaan met de energie die we opwekken en gebruiken en om te schakelen naar hernieuwbare bronnen.

De komende jaren zal deze campagne geïntensiveerd worden. Dit betekent niet alleen dat de communicatie geïntensiveerd wordt, ook de aard van de boodschap – wat inwoners nu al kunnen doen – verandert in de loop der tijd. Ook worden inwonersinitiatieven ondersteund. Als inwoners collectief het initiatief nemen om voor hun straat of buurt een aardgasvrije oplossing te ontwikkelen, ondersteunt de gemeente dit initiatief als dat past binnen de LES. Ongeacht of de straat of buurt zich in een wijk bevindt die op dat moment aan de beurt is. Verder zal de gemeente vooruitlopend op de wijkaanpak in verschillende buurten inwoners stimuleren om gezamenlijk buurtinkoopacties in gang te zetten in samenwerking met buurtinitiatieven. Bijvoorbeeld voor het gezamenlijk inkopen van zonnepanelen of voor het aanbrengen van isolatiepakketten aan vergelijkbare woningtypes. Hiermee komen meerdere inwoners tegelijk in beweging, niet iedereen hoeft het wiel uit vinden. Deze werkwijze bespaart tijd voor de inwoners en de verwachting is dat de kosten per woning lager zijn door een grotere afname bij een uitvoerder. De begeleiding van deze buurtinkoopacties start in 2021 in een aantal buurten en wordt uitgevoerd in samenwerking met Energy Common LV. Uitgangspunten bij participatie en communicatie We maken onderscheid in meedenken en meedoen Participatie door inwoners is tweeledig.

Het betreft ‘meedenken’ over de plannen en tegelijkertijd en parallel hieraan gaat het om ‘meedoen’. Energie besparen en het duurzaam opwekken van energie zijn hiervan voorbeelden. Inwoners zijn hier ook nu al mee bezig. De komende tijd zal dit een grotere rol gaan spelen. Er wordt hier geen keuze gemaakt in de mate van beleidsinvloed van inwoners bij het meedenken. Dit hangt af van het onderwerp en de fase van de planvorming. Er zijn verschillende niveaus van participatie: informeren, raadplegen, adviseren, coproduceren of zelf organiseren. Het is belangrijk dat de gemeente van tevoren helder aangeeft waarop inwoners wel en waarop zij geen invloed kunnen uitoefenen. Participatie en communicatie gaan hand in hand Tegelijk met de participatie worden inwoners geïnformeerd over de betreffende onderwerpen. Inwoners hebben behoefte aan informatie om een mening te kunnen vormen. De gemeente communiceert over alle onderwerpen die de energietransitie aangaan zodat inwoners weten wat dit voor hen op dit moment betekent en wat ze kunnen doen. Het is belangrijk dat de gemeente de juiste informatie biedt, maar ook aangeeft als ze het (nog) niet weet. Inwoners staan centraal Bij het kiezen van de vorm en vraagstelling sluiten we zoveel mogelijk aan bij de interesses van de doelgroep. Veel inwoners vinden het bijvoorbeeld prettig om te participeren op momenten dat het hen uitkomt.

Een digitaal platform met interactiemogelijkheden, zoals een poll en een enquête, sluit aan bij deze behoefte. Ook de communicatie sluit aan bij de zorgen en behoeften van inwoners. Informatie moet toegankelijk zijn.

42

We geven aanjagers een rol in communicatie naar de groep volgers De mogelijke aanjagers onder inwoners zijn erg belangrijk. Deze groep inwoners is bereidwillig en gemotiveerd. De middenmoot is een grote groep mogelijke volgers die niet zelfstandig in beweging komt. We richten de communicatie vooral op deze middenmoot en geven aanjagers hierbij zo mogelijk een rol. De zogenoemde peer-to-peer communicatie kan effectiever zijn dan top-down communicatie vanuit de gemeente alleen.

7.3

Met wie doen we dit samen?

Om de energietransitie vorm te geven werkt de gemeente samen met verschillende stakeholders en met inwoners. Zij moeten de transitie uiteindelijk gaan uitvoeren. Ook hebben deze stakeholders en inwoners expertise die de gemeente niet heeft. Kortom, wie participeren er en wat is hun rol? Woningcorporaties Vidomes en Wooninvest De corporaties beschikken samen over 9300 woningen. Zij zijn van groot belang voor het realiseren, invoeren en meefinancieren van oplossingen. Daarnaast creëren zij draagvlak onder huurders. Inspelen op natuurlijke onderhoudsmomenten, grootschalige renovaties en nieuwbouwplannen is belangrijk. Daarom werkt de gemeente intensief samen met de woningcorporaties. Huurdersvereniging Respectus en huurdersraad Vidomes De huurdersverenigingen behartigen de belangen van de huurders van deze woningcorporaties. Stedin Stedin is de netbeheerder van de gas- en elektriciteitsnetten. Een belangrijke taak van Stedin is het aanleggen, onderhouden en het aansluiten van huishoudens en bedrijven op deze netten. Stedin brengt kennis in over de energievoorziening (technisch, regelgeving en marktordening). Om de energietransitie goed te laten verlopen, is het belangrijk dat er vanuit het bedrijf voldoende zekerheid komt over transportinvesteringen. Daarnaast dient zij de transitie te ondersteunen en letterlijk mogelijk te maken.

MKB LV MKB LV behartigt de belangen van verschillende ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf in Leidschendam-Voorburg. MKB LV ziet voor zichzelf een vrijwillige rol weggelegd om vanuit de ondernemers kansen te zien in de energietransitie. Ook wil ze meedenken over het nieuwe beleid van de gemeente en hoe ondernemers dit in de praktijk kunnen brengen. MKB LV wil bijdragen aan het creëren van draagvlak onder de ondernemers. Zij ziet daarom het informeren van de ondernemers als een belangrijke taak. Energy Common Leidschendam-Voorburg (EC-LV) Energiecoöperatie Energy Common Leidschendam-Voorburg is een burgerinitiatief dat inwoners stimuleert en verbindt. Ze voert projecten uit met betrekking tot bewustwording, energiebesparing en het opwekken van schone energie. Hierbij zet ze onder meer energiecoaches in. Voor het creëren van draagvlak brengt EC-LV het inwonersperspectief in tijdens de overleggen met de gemeente. Stichting Duurzaam Leidschendam-Voorburg Stichting Duurzaam LV streeft in meer algemene zin naar verduurzaming. Zij betrekt, helpt en informeert inwoners bij het maken van keuzes voor de verduurzaming van hun huishouden. Zij ziet bijvoorbeeld mogelijkheden om van de stadstuin een duurzaamheidscentrum te maken.

Externe experts Daarnaast maakt de gemeente gebruik van experts (adviesbureaus) in de energietransitie, die onder andere hebben geholpen bij het onderzoeken van mogelijke warmtebronnen, de mogelijkheden en belemmeringen voor warmtenetten in de ondergrond en strategiebepaling voor zonnepanelen op daken.

43

VvE’s De grote Verenigingen van Eigenaren (Vve’s) zijn net zo belangrijk als de woningcorporaties. Ook grote VvE’s zijn van groot belang voor het meefinancieren van oplossingen enerzijds en het creëren van draagvlak onder de betreffende huishoudens anderzijds. Kinderen en jongeren Daarnaast zijn kinderen en jongeren een belangrijke doelgroep. De kinderen van nu gaan namelijk de energietransitie in de komende dertig jaar vormgeven, door de keuzes te maken in hoe ze wonen en werken. Wijkverenigingen Tot slot zijn er de wijkverenigingen. Zij hebben kennis over de wijken en kunnen fungeren als partner om tot wijkuitvoeringsplannen te komen voor duurzame warmte. De gemeente is hierover al in gesprek met wijkverenigingen.

7.4

Wat is hiervoor nodig?

De gemeente houdt bij hoe inwoners reageren op participatie- en communicatiemiddelen. Bijvoorbeeld hoeveel inwoners een enquête invullen, hoeveel websitebezoeken er zijn, hoe wijkgesprekken bezocht zijn en hoe tevreden men is met het participatieproces. Aan de hand van de reactie van inwoners past de gemeente haar rol aan. Hierbij is het dus noodzakelijk dat de gemeente bereid is haar rol flexibel in te vullen afhankelijk van de respons van inwoners. We maken onderscheid in vier aanpakken: • Aanpak voor transitiewijken (buurten) • Aanpak wijken (buurten) met natuurlijk tempo • Aanpak Verenigingen van Eigenaren (VvE’s) • Aanpak bedrijventerreinen en utiliteitsbouw Aanpak voor transitiewijken Zodra een wijk aan de beurt is, volgt een aanpak om deze wijk binnen tien jaar aardgasvrij te maken. In de praktijk zal een wijkuitvoeringsplan worden gemaakt waarin per buurt wordt aangegeven wat de alternatieven voor aardgas zijn. Dit is weliswaar een nieuwe opgave, maar er kan veel geleerd worden van de ervaringen met de Programma’s Stedelijke Vernieuwing van de afgelopen decennia en van ervaringen die elders zijn opgedaan. Uit deze ervaringen volgt de volgende strategie: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

We besteden veel tijd aan inwoners (en andere belanghebbenden). We maken een goede analyse. We stellen een integraal wijkuitvoeringsplan op. Inzet van een onafhankelijke procesbegeleider. Intensieve samenwerking tussen technische en sociaal georiënteerde professionals. Opschalen in de uitvoering.

A1. Veel tijd besteden aan inwoners Bij de aanpak voor de transitiewijken is het belangrijk om rekening te houden met de verschillende typen inwoners. Voor een succesvol verloop en maximaal resultaat is het slim om te starten bij die groepen die al enthousiast zijn over de energietransitie, de voorlopers. Deze voorlopers hebben veelal een idealistisch motief, zijn al actief en zijn bekend bij de gemeente. Bovendien kunnen zij een aanjagersrol hebben voor andere groepen. De aanpak richt zich vervolgens op de middengroepen, die een meer volgend karakter hebben. Als laatste gaan de meest behoudende inwoners mee in de aanpak. Hierbij maken we onderscheid in ‘mogen’ en ‘moeten’. Particuliere initiatieven van voorlopers vallen onder de categorie ‘mogen’. Deze worden gestimuleerd en geactiveerd door de gemeente. Het meeste werk zal zitten in de achterblijvers die ‘moeten’ meekomen. Deze mensen willen niet

44

participeren, maar ‘ontzorgd’ worden. Dit zijn bijvoorbeeld mensen die te weinig geld hebben om energiemaatregelen te nemen. Bijzondere aandacht gaat uit naar energiecoöperaties, zoals Energy Common LV en ZonOpLV. De energiecoöperaties en -initiatieven regelen samen het lokaal eigendom van energie. Ze hebben een andere organisatievorm dan marktpartijen en overheden. De beweging van onderop is daarbij actief bezig om de middengroepen te betrekken bij aardgasvrije wijken. A2. Een goede analyse In het begin moet er aandacht zijn voor de rolverdeling van de verschillende betrokken partijen. Wie gaat wat doen? Wie spreekt namens wie? Op wijkniveau wordt een stakeholderanalyse opgesteld en worden afspraken gemaakt met verschillende organisaties en hun gewenste betrokkenheid. Verder wordt een goede analyse gemaakt van de verschillende inwonersperspectieven. Wat speelt er in de wijk? Wat vinden inwoners belangrijk? Waarvoor willen inwoners zich inzetten? Welke belemmeringen moeten bij inwoners worden weggenomen? Welke hulpbronnen en kansen kunnen worden benut in de wijk? A3. Opstellen van een integraal wijkuitvoeringsplan Samen met andere stakeholders stelt de procesbegeleider van de gemeente een wijkuitvoeringsplan op.

In dit wijkuitvoeringsplan wordt per buurt aangegeven wat de alternatieven voor aardgas kunnen zijn, voorafgegaan door een grondige integrale analyse en voorzien van een rol- en taakverdeling van alle stakeholders. Bij het wijkuitvoeringsplan is een belangrijke vraag: welke collectieve warmtebronnen zijn in deze wijk kansrijk? Welk warmtenet (LT, MT, HT), waar loopt het warmtenet, waarvandaan komt de warmtebron (in de wijk of van buiten de wijk), hoeveel aansluitingen kunnen er komen, welke aanbieder dient zich aan, welke kosten brengt het met zich mee, zowel aansluitkosten als gebruikskosten? In dit stadium worden businesscases uitgewerkt. In de loop van de komende decennia zal de gemeente voor alle transitiewijken een uitvoeringsplan moeten maken. Dat is maatwerk. Elke wijk heeft eigen specifieke kenmerken wat betreft technische mogelijkheden, de bouwkundige staat van vastgoed, financieel-economische mogelijkheden, eigendomssituatie en/of samenstelling van de bevolking. Per wijk kiezen we een communicatiebenadering, afhankelijk van de uitkomsten van de wijkanalyse. 1. 2.

Bottom-up in betrokken wijken. Het initiatief ligt bij inwoners die intrinsiek gemotiveerd zijn om te verduurzamen en besef hebben van de urgentie om de wijk aardgasvrij te maken. Top-down in minder betrokken wijken. In wijken waar men deze urgentie niet voelt en waar het veel moeite kost om inwoners te betrekken is een top-downbenadering meer effectief.

A4. Inzet van een onafhankelijke procesbegeleider Bij het opstellen van de uitvoeringsplannen zijn er diverse (tegenstrijdige) belangen en partijen. Voor een succesvol proces is het belangrijk dat deze verschillende partijen gehoord en belangen meegewogen worden. Daarom zorgen we ervoor dat we een procesbegeleider inzetten die onafhankelijk is van de verschillende partijen en belangen. De procesbegeleider wordt aangestuurd door een begeleidingsgroep (stuurgroep) waarin de belangrijkste stakeholders van de betreffende wijk zitting hebben. A5. Intensieve samenwerking tussen technische en sociaal georiënteerde professionals Met name bij het verkennen en het kiezen van de meest voor de hand liggende warmteoplossing voor een wijk is het belangrijk dat er niet alleen naar technische aspecten wordt gekeken. Juist voor het creëren van draagvlak onder inwoners voor de warmteoplossing is een mix van betrokken technische en sociaal georiënteerde professionals onontbeerlijk. Bij het verkennen van de haalbaarheid van een warmteoplossing werken we zo goed mogelijk de kosten en baten uit voor referentiewoningen. De

45

investeringskosten, eindgebruikerskosten en energiekosten worden onderbouwd en in detail in kaart gebracht. Daarnaast onderzoeken we of dit financieel haalbaar is voor de betreffende inwoners, onderzoeken we of er andere (sociale) aspecten van belang zijn voor de haalbaarheid. A6. Opschalen in de uitvoering Na besluitvorming is het goed om een aantal instrumenten klaar te hebben liggen die maken dat er ‘opgeschaald’ kan worden: • Professioneel energieadvies middels een energieloket, aangevuld met vrijwillige energiecoaches; • Vraagbundeling voor grote energiemaatregelen zoals isolatie of installaties. Er zijn verschillende voorbeelden in Nederland waar door middel van bijvoorbeeld vraagbundeling marktpartijen en opdrachtgevers aan elkaar zijn verbonden. Hier is een regierol voor de gemeente weggelegd. De opdrachtgevers kunnen woningcorporaties zijn die samen met VvE’s met bezit van vergelijkbare bouwtypes gezamenlijk een uitvraag doen aan een coalitie van uitvoerders, zoals aannemers en installateurs. Ook commons of wijkcollectieven kunnen het initiatief tot collectieve inkoop nemen; • Een projectbureau dat de participatie- en communicatiemiddelen verzorgt: bijeenkomsten, nieuwsbrieven, films, fietstochten, masterclasses en klankbordgroepen.

Aanpak wijken met natuurlijk tempo Waar bewoners aangewezen zijn op een individuele oplossing of waar de oplossing nu nog niet duidelijk is willen we woningeigenaren in staat stellen optimaal gebruik te maken van logische momenten die aansluiten op benodigd onderhoud of wijzigingen in de woonsituatie. Verhuizingen, vervanging van de cv-ketel en grote verbouwingen zijn bij uitstek momenten om woningen klaar te maken voor een toekomst zonder aardgas. Het gemeentelijke energieloket biedt advies en is het loket voor individuele bewoners die aan de slag willen met hun woning. Er lopen stimulerings- en ondersteuningstrajecten om hier maximaal op in te spelen. Hier willen we over blijven communiceren. Zo sturen we aan op een slimme overstap naar aardgasvrij wonen. Deze faciliteiten zijn beschikbaar voor alle inwoners van Leidschendam-Voorburg. Immers, ook in de buurten waar mogelijk een collectieve voorziening komt is het raadzaam om woningen te isoleren. Het energieverbruik daalt, de energierekening wordt dan lager en de woning wordt comfortabeler. Waar nodig kan in overleg met de gemeente aanvullende expertise ingezet en aangetrokken worden om in te spelen op buurtinitiatieven, of om buurtaanpakken extra kracht bij te zetten. In een nog op te stellen roadmap worden per wijk de doelen beschreven voor de komende drie jaar.

Per wijk is aangegeven aan welke participatie- en communicatiedoelen er wordt gewerkt. Aanpak Verenigingen van Eigenaren Er zijn 1720 VvE’s in Leidschendam-Voorburg met een totaalaantal van 23.535 appartementsrechten. VvE’s hebben een eigen tempo wat betreft verduurzamen. Duurzaamheidsingrepen worden doorgaans ingepland in meerjarenonderhoudsplanningen. Per bouwdeel wordt daarin beschreven wanneer ingrepen aan de schil en de installaties worden gedaan. De aanpak die een VvE kiest is afhankelijk van heel veel factoren. Zijn de leden bereid om investeringen te doen? Heeft de VvE reserves opgebouwd? Wat zijn de verwachte isolatiekosten? Welke installaties zijn in de toekomst nodig? Er zal een inventarisatie nodig zijn om de VvE’s hierin te adviseren en ondersteunen. Naar verwachting kunnen VvE’s die hetzelfde bouwjaar en bouwtype hebben en dezelfde (collectieve) installaties hebben, vergelijkbare energieadviezen gebruiken.

46

Aanpak bedrijventerreinen, utiliteit en maatschappelijk vastgoed Leidschendam-Voorburg heeft een beperkt aantal (kleine) bedrijventerreinen. Vooralsnog is er nog geen plan om een aparte strategie voor bedrijventerreinen op te zetten. De bedrijventerreinen zullen meelopen met de buurt- of wijkprocessen. Afhankelijk van de behoefte van de bedrijven zelf en de inbedding in de wijk, kan indien nodig een apart traject met de bedrijven opgestart worden. Om het maatschappelijk vastgoed in Leidschendam-Voorburg te verduurzamen staan we als gemeente voor een deel zelf aan de lat en hebben we een voorbeeldfunctie. In de Routekaart verduurzaming gemeentelijk vastgoed hebben we beschreven hoe we hieraan werken. Ook met de onderwijssector worden afspraken gemaakt over het verduurzamen van de huisvesting van scholen (IHP).

47

Hoofdstuk 8: Ruimtelijke impact en omgevingsbeleid De energietransitie heeft ruimtelijke gevolgen en energiebeleid maakt onderdeel uit van omgevingsbeleid. In dit hoofdstuk staat beschreven wat de ruimtelijke impact kan zijn en welke andere bouwstenen het omgevingsbeleid bepalen.

8.1

Ruimtelijke impact

De ruimtelijke impact van de energietransitie wordt deels bepaald door keuzes die we als gemeente maken, deels door autonome ontwikkelingen. We maken onderscheid tussen de bovengrondse en ondergrondse impact van de energietransitie. Onder de autonome ontwikkelingen scharen we bijvoorbeeld de overgang naar elektrische (deel) mobiliteit. Deze neemt nu al een hoge vlucht en zal in de komende jaren naar verwachting verder toenemen. Daarnaast is er een geleidelijke overgang naar elektrisch koken. De elektrificatie van de warmtevraag zal door de energietransitie alleen maar worden versneld. Beide ontwikkelingen gaan samen met een groeiende piekstroomvraag en dat is relevant voor de benodigde capaciteit van het lokale elektriciteitsnetwerk. Grootschalige opwek wind- en zonne-energie Van de niet-autonome ontwikkelingen hebben de grootschalige opwek van zon – en windenergie de grootste ruimtelijke gevolgen. Omdat onze gemeente intensief is bebouwd zijn de mogelijkheden voor grootschalige opwek van energie beperkt. Grootschalige zonnevelden zijn alleen mogelijk in ons buitengebied. Zonnevelden leveren per hectare ongeveer 0,2% van de verwachte gemeentelijke elektriciteitsvraag in 2050. Dergelijke velden hebben echter wel ruimtelijk impact en gevolgen voor de biodiversiteit. Voor het plaatsen van windturbines gelden veel wettelijke ruimtelijke beperkingen.

Daarnaast is het van belang dat er in de directe omgeving draagvlak is. Lokale burgerinitiatieven hebben interesse getoond in het opwekken van windenergie in de gemeente. Collectief eigendom van een windmolen kan bijdragen aan het realiseren van draagvlak in de directe omgeving. Hierbij kan gedacht worden aan initiatieven vanuit de samenleving. Bijvoorbeeld inwoners die verenigd in een energiecoöperatie een windturbine in eigendom hebben en zodoende profiteren van de opgewekte windenergie. Warmtetransitie Iedere warmteoplossing heeft ruimtelijke impact. Zo vragen luchtwarmtepompen ruimte op een dak, terwijl bodemwarmtepompen en warmtenetten ondergrondse ruimte claimen. Naar verwachting zal de elektriciteitsvraag voor veel wijken verdubbelen of verdrievoudigen (inclusief de mobiliteitsvraag) waardoor het noodzakelijk kan zijn het elektriciteitsnetwerk uit te breiden. Dit wordt gedurende de transitie en tijdens de wijkaanpakken continu afgestemd met de netbeheerder zodat we de juiste keuzes kunnen maken en de beschikbaarheid zijn van een verzwaard elektriciteitsnet geen rem vormt op de transitie in de wijken. Bij grootschaliger nieuwbouw worden nieuwe transformatorstations geïntegreerd in die nieuwe bebouwing zodat dat niet wordt afgewenteld op de openbare ruimte.

LV anticipeert bij ruimtelijke ingrepen op de verwachte verdubbeling van het elektriciteitsnet door ruimtereserveringen en bevordert waar mogelijk een noodzakelijk netverzwaring door de netbeheerder.

48

Ondergronds ruimtegebruik Omdat in onze gemeente het gebruik van bodemwarmte sterk in opkomst is, is het gewenst om door middel van enige regulering van het ondergrondse bodemgebruik opwarming van het drinkwater tegen te gaan, ondergrondse drukte te beperken en de beschikbare energie zo eerlijk mogelijk te verdelen. Ondiepe bodemwarmtesystemen Voor individuele woningen of complexen is er bij nieuwbouw nu al een vraag naar het benutten van publieke ruimte voor het oplossen van de gebouwgebonden warmtevraag. Het leggen van private verwarmingssystemen in de openbare ruimte gaat echter ten koste van andere functies zoals transportleidingen, bomen en ruimte voor ondergrondse containers. Om de druk op de openbare ondergrondse ruimte te beperken wordt een voorkeursvolgorde voor ondergrondse warmtesystemen gehanteerd. Bij de aanleg van ondiepe bodemwarmtesystemen geldt de volgende voorkeursvolgorde: • verticale bodemlussen op eigen perceel; • horizontale bodemlussen op eigen perceel; • bodemlussen in openbaar gebied alleen indien er geen alternatieven zijn en het maatschappelijke belang zich hier niet tegen verzet.

Diepere bodemwarmtesystemen (WKO’s) In gebieden met veel nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kan het probleem ontstaan dat de beschikbare potentie van bodemwarmte niet optimaal gebruikt wordt of dat het rendement van bodemwarmtesystemen negatief wordt beïnvloed doordat systemen te dicht op elkaar liggen. Dit kan zich met name voordoen in gebieden met relatief veel nieuwbouw waar tevens verschillende ontwikkelende partijen actief zijn. Dit noemt men interferentiegebieden. Aan de hand van zogenaamd interferentiebeleid kunnen interactie tussen bodemenergiesystemen of een situatie waarin een ontwikkelaar geen bodemwarmte kan benutten worden voorkomen. Dit is eigenlijk een ruimtelijke ordening van ondergrondse bodemenergiesystemen. Gelet op de lopende en verwachte ruimtelijke ontwikkelingen in de gebieden Klein Plaspoelpolder en Overgoo hebben wij geconstateerd dat het opstellen van interferentiebeleid in deze gebieden gewenst is. Dat interferentiebeleid wordt momenteel opgesteld en zal in de loop van dit jaar ter besluitvorming worden voorgelegd. Warmtenetten Onze gemeente kenmerkt zich door veel afwisselende bouw hoog- en laagbouw, oud en nieuw. Grootschalige warmtenetten zijn bij uitstek geschikt voor gebieden met een hoge (blijvende) warmtevraag (zie figuur 12). Dat zijn met name oude kern- en lintbebouwing en dichtbebouwde gebieden.

Flinke delen van onze gemeente hebben een voldoende (blijvende) warmtevraagdichtheid om geschikt te zijn voor warmtenetten.

49

Figuur 12: Warmtevraagdichtheid Warmtenetten hebben ook een belangrijke nadeel. De aanleg is ingrijpend, vergelijkbaar met de aanleg van een nieuw riool. Ook het ondergrondse ruimtebeslag is groot. Afhankelijk van de nettemperatuur en warmtevraag is een nieuwe ondergrondse profielruimte van 1 tot 1,5 meter nodig en zijn regelmatig ondergrondse expansielussen nodig om het krimpen en uitzetten van de leidingen op te vangen. In de ondergrond kan dit lastig zijn of leiden tot meerkosten bij toekomstige civiele werkzaamheden. Een warmtenet schuif je namelijk niet even makkelijk opzij. Om de ruimte in de ondergrond op voorhand al te bepalen is door ingenieursbureau Wareco onderzocht in hoeverre in onze ondergrond die ruimte beschikbaar is. Hoe krapper die ondergrond, hoe lastiger het is om een betaalbaar warmtenet aan te leggen. Daaruit blijkt dat ruimte voor warmtenetten in onze ondergrond op veel plekken beperkt is (zie het voorbeeld in figuur 13). Warmtenetten voor restwarmte met een hoge temperatuur staan om die reden onderin de in de Visie en Uitgangspuntennotitie Lokale Energie Strategie gehanteerde Energieladder LV.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=9b7acdea-3904-45af-93c5-84b5e6dcc587