1454_bijlage 1-Lokale Energie Strategie.pdf
Tekst van het document
Concept
Lokale Energie Strategie
Voorwoord Voor u ligt de eerste Lokale Energiestrategie van Leidschendam-Voorburg. Dit is de start van een van de grootste veranderingen die de komende decennia zal plaatsvinden. De overgang naar duurzame energiebronnen is een enorm uitdagend en ingewikkeld traject dat wij met zijn allen in gaan. We staan als gemeente voor de opgave om in 2050 CO2-neutraal te zijn en daarvoor moet er veel gebeuren. Met deze strategie schetsen we de lijnen waarlangs we dat gaan doen. Het college realiseert zich goed dat de verandering richting CO2-neutraal en de overgang naar aardgasloos wonen vele hobbels kent en andere manieren van wonen en leven vraagt zoals elektrisch koken. Er moet veel gedaan worden in de openbare ruimte én achter de voordeur van alle woningen en bedrijven. De energietransitie gaat alleen lukken als we nú beginnen en de tijd tot 2050 goed benutten om stappen te zetten in de isolatie van gebouwen en aardgasvrije oplossingen. De Lokale Energiestrategie – samen met de opgestelde transitievisie warmte– geeft onze inwoners een beeld van wat zij de komende jaren kunnen verwachten en met welke wijken we de energietransitie zullen starten. Gaandeweg zal de gemeente steeds meer verduurzamen doordat we meer energie lokaal opwekken en door het groeiende aantal goed geïsoleerde en comfortabele woningen.
De energietransitie zal voordelen met zich meebrengen, zoals een betere luchtkwaliteit door verminderde uitstoot van fossiele gassen, stillere voertuigen en verbeterde geluidsisolatie door goed geïsoleerde woningen. We zijn ervan overtuigd dat we het met elkaar gaan redden. Het college
2
Samenvatting Energie is een basisvoorziening en dat moet zo blijven. Onze huidige energievoorziening – gebaseerd op fossiele brandstoffen – draagt echter bij aan klimaatverandering wereldwijd. Daarom gaat gemeente Leidschendam-Voorburg energie besparen én steeds meer energie uit duurzame bronnen halen. Om deze energietransitie in goede banen te leiden, heeft de gemeente een strategie opgesteld, de Lokale Energie Strategie (LES). Wat is er nodig om energie te besparen en over te schakelen op duurzame bronnen? Om de uitstoot van broeikasgassen te beperken hebben 195 landen in 2015 het Klimaatakkoord van Parijs gesloten. Deze bindende overeenkomst is de basis van het Nederlandse Klimaatakkoord uit 2019 waarmee bedrijven, overheden en maatschappelijke organisaties in verschillende sectoren samen een CO2-reductie bewerkstelligen: in 2030 is dat 49% (ten opzichte van 1990) en in 2050 gaat het om 95%. Voor gemeenten zijn vooral de afspraken over de gebouwde omgeving relevant. Deze houden in dat in 2050 7 miljoen woningen en 1 miljoen gebouwen van het aardgas af zijn. Hoe Leidschendam-Voorburg aardgasvrij wordt staat beschreven in de Transitievisie Warmte (TVW). Deze wordt samen met de LES opgesteld, waarbij de LES het strategisch kader vormt.
In de LES sluiten we aan op de Regionale Energiestrategie (RES) van de energieregio Rotterdam Den Haag en vertalen we de opgave naar onze gemeente. Deze eerste LES geeft invulling aan de Visie en Uitgangspuntennotitie Lokale Energie Strategie, die in juni 2020 door de gemeenteraad is vastgesteld. Hierin is de volgende ambitie geformuleerd: De gemeente streeft naar CO2-neutraal in 2050. Om dit te bereiken wordt ingezet op lokale opwek van energie en energiebesparing, maar ook de opwekking van duurzame energie buiten de gemeentegrenzen wordt meegenomen in de analyse. Lokaal acht de gemeente het haalbaar om binnen de ruimtelijke, economische en sociaal maatschappelijke mogelijkheden circa 24% van de verwachtte gemeentelijke elektriciteitsvraag in 2050 op te wekken. Er is ook potentie om lokaal warmte te winnen. Naast de lokale opwek van energie zal de gemeente, net als nu, warmte en elektriciteit importeren om aan de vraag voor de gebouwde omgeving te voldoen. Om CO2-neutraal te zijn, zal de geïmporteerde energie schoon (groen) moeten zijn. De gemeentelijke bedrijfsvoering is CO2-neutraal in 2040. Om dit te bereiken stuurt de gemeente actief op het verlagen van haar eigen CO2-footprint en compenseert zij dit vanaf 2040 als een CO2neutrale bedrijfsvoering nog niet is bereikt. Strategische grondslagen In onze energiestrategie hanteren we een aantal algemene principes.
De LES volgt de Trias Energetica. Dit betekent dat we eerst energie besparen, dan duurzame energie opwekken en ten slotte zo efficiënt mogelijk gebruik maken van energiebronnen. Als gemeente geven we op verschillende manieren het goede voorbeeld. Bijvoorbeeld door ons vastgoed te verduurzamen, ons wagenpark te elektrificeren en de buitenverlichting te verduurzamen. De aard en de omvang van de verduurzamingsopgave vraagt om samenwerking, zowel regionaal en landelijk als lokaal. In de Kerngroep LES werken adviseurs en vertegenwoordigers van de gemeente, woningcorporaties, het bedrijfsleven, energiecoöperaties en de netbeheerder samen aan de energietransitie. Uiteindelijk krijgt iedere inwoner te maken met de energietransitie met alle veranderingen van dien. Voor een rechtvaardige energietransitie is inzet op inclusie – het insluiten van achtergestelde groepen – onontbeerlijk. De verduurzamingsopgave biedt kansen voor de lokale en regionale economie, bijvoorbeeld door werkgelegenheid te scheppen. Bij de organisatie en uitvoering van projecten zetten we in op groene groei in de gemeente. De energiehuishouding verduurzamen is een enorm karwei én
3
een gedeeld belang. Een belangrijk onderdeel van de strategie is daarom de inzet op participatie van en samenwerking tussen inwoners en andere belanghebbenden. Door monitoring houden we zicht op de voortgang en de resultaten van ons beleid om, zo nodig, de strategie aan te scherpen. Wijkgericht De energietransitie wordt wijkgericht opgepakt. Dit betekent dat we per wijk kijken wat de fysieke kenmerken zijn van de buurt en de woningen, maar ook hoe de bevolking is samengesteld en wat de sociale omstandigheden zijn. Dit stelt ons in staat om maatwerk te leveren. Wellicht kunnen buren elkaar enthousiasmeren en samen aan de slag om hun wijk te verduurzamen of woningen te isoleren. Dan profiteert men van schaalvoordelen en informatie kan in één keer door een buurt worden vergaard. Tegelijkertijd blijft er ruimte voor afzonderlijke initiatieven op verschillende locaties in de gemeente zodat het enthousiasme van voorlopers wordt gekoesterd en zij een voorbeeldfunctie kunnen hebben. Huidige en toekomstige energievraag De jaarlijkse warmtevraag in Leidschendam-Voorburg bedraagt 1.751 TJ (peiljaar 2018). Voor woningen is de vraag 1.421 TJ per jaar en voor alle utiliteitsgebouwen bedraagt deze 330 TJ per jaar De toekomstige warmtevraag van woningen en utiliteitsgebouwen zal naar verwachting 1.375 TJ bedragen (2050).
De jaarlijkse elektriciteitsvraag in Leidschendam-Voorburg bedraagt 657 TJ per jaar (peiljaar 2018). Voor woningen is de vraag 325 TJ per jaar en voor alle utiliteitsgebouwen is de vraag 331 TJ per jaar. De toekomstige elektriciteitsvraag is nagenoeg gelijk aan de huidige elektriciteitsvraag wanneer geen gebruik wordt gemaakt van elektriciteit voor het verwarmen van gebouwen. Het is echter aannemelijk dat een deel van de woningen en utiliteitsgebouwen zal worden verwarmd door middel van een warmtepomp. Wanneer dit in alle gebouwen zou gebeuren, bedraagt de geschatte elektriciteitsvraag van de gemeente 987 TJ tot maximaal 1.376 TJ per jaar (2050). Opgave en strategie Energiebesparing De gemeente zet in op 35% energiebesparing in de bestaande woningvoorraad in 2050 ten opzichte van 2015. De opgave is voornamelijk het terugdringen van de warmtevraag in gebouwen en woningen. Met een energielabel B en hoger zijn woningen en utiliteitsgebouwen geschikt voor verwarmingssystemen voor warmte met een lage temperatuur. We streven naar verduurzaming van het vastgoed naar gemiddeld energielabel B in 2050. Dit leidt tot een totale besparingspotentie van circa 27% van de warmtevraag in bestaande woningen en ongeveer 30% (het landelijk gemiddelde) in bedrijven. De gemeente heeft een actieplan opgesteld voor de verduurzaming van het eigen vastgoed.
Bewoners en bedrijven dienen zelf hun huizen en panden te isoleren. De gemeente heeft de taak om deze stakeholders, al dan niet in de vorm van energiecoöperaties en andere duurzaamheidsinitiatieven, goed te informeren, te ondersteunen en te stimuleren. Duurzame opwek De geschatte elektriciteitsvraag van de gemeente in 2050 (987 tot maximaal 1.376 TJ per jaar) is substantieel groter (tot bijna tweemaal zo groot) dan de huidige vraag. Om aan deze vraag te kunnen voldoen en in 2050 CO2-neutraal te zijn zet de gemeente maximaal in op zonne-energie. De ambitie is om in 2030 40% van het geschikte dakoppervlak te benutten voor het opwekken van zonne-energie, op weg naar 100% in 2050. Verder is het streven om in 2050 het volledige potentieel van gevels, parkeerplaatsen en infrastructuur te gebruiken voor het opwekken van zonne-energie. Als tussendoel voor 2030 geldt 40% van het potentieel. De gemeente zet tot 2030 niet in op grootschalige zonnevelden en heeft besloten geen ruimte te bieden voor de plaatsing van windturbines in de gemeente. Vanwege de hoge mate van variatie in daken, gebouwen en eigenaren vraagt het realiseren van zon-pv op daken om een doelgroepenaanpak. Ook het opwekken van zonne-energie op parkeerplaatsen en infrastructuur vraagt om samenwerking.
We zetten daarom stevig in op samenwerking met lokale energiecoöperaties, het delen van kennis en ervaringen, ook in de regio, bijvoorbeeld op het gebied van financieringsmogelijkheden, regelgeving en kennis van de
4
markt. De verwachting is dat door enkel in te zetten op het opwekken van zonne-energie (zonder grootschalige zonnevelden) de gemeente niet volledig en jaarrond kan voorzien in de toekomstige elektriciteitsvraag. Daarom zal er, net als nu, in de toekomst elektriciteit geïmporteerd moeten worden. Voor een CO2-neutrale gemeente zal de geïmporteerde energie schoon (groen) moeten zijn. Duurzame warmte Hoofddoel van de warmtetransitie is de overgang van fossiele brandstof (aardgas) naar duurzame warmte. In de periode tot 2030 starten we met de eerste vier transitiewijken (circa 6.000 woningen). Voor deze wijken is een warmtevraagreductie voorzien van circa 56TJ. Daarmee realiseren we dat circa 25% van die 6.000 woningen in 2030 van het gas af is. Dit willen we bereiken door vooral gebruik te maken van lokale energiebronnen: bodem- en luchtwarmte en aquathermie. Lokale opwek staat bovenaan omdat hiervoor geen energie van buiten nodig is en dus ook geen sprake is van transportverliezen. Voor moeilijk te isoleren panden kan dit mogelijk in combinatie met gebruik van duurzaam gas. Wij vinden het belangrijk dat inwoners zelf kunnen kiezen welk duurzaam alternatief voor aardgas zij omarmen. Wel dient een balans gevonden te worden tussen collectieve mogelijkheden en individuele oplossingen.
Keuzen voor bepaalde bronnen, methoden en voorzieningen worden gemaakt op basis van duurzame, sociale, economische en technologische criteria. Deze worden vermeld en toegelicht in de wijkuitvoeringsplannen waarin we samen met bewoners, wooncorporaties, de netbeheerder en andere stakeholders invulling geven aan de warmtetransitie. We maken onderscheid tussen wijken waar we gaan starten in de periode 2020 – 2030, wijken die tussen 2030 en 2040 aan de beurt zijn en wijken die daarna volgen. Participatie en communicatie De energietransitie vergt een gedragsverandering van burgers die vraagt om uitleg, regie en een faciliterende rol van de gemeente. De inzet op participatie en de gemeentelijke communicatiecampagne over energietransitie worden daarom geïntensiveerd in de komende jaren. Collectieve initiatieven van inwoners voor aardgasvrije oplossingen in straten of buurten ondersteunt de gemeente wanneer dit initiatief binnen de LES past. Ongeacht of de straat of buurt zich in een wijk bevindt die op dat moment aan de beurt is. Verder zal de gemeente vooruitlopend op de wijkaanpak in verschillende buurten inwoners stimuleren om gezamenlijk buurtinkoopacties in gang te zetten. De gemeente vindt het belangrijk dat verschillende stakeholders, maar vooral onze inwoners, zo goed mogelijk betrokken worden bij de energietransitie.
Werken aan de energietransitie lukt alleen als we het samen doen, elkaar goed begrijpen en met elkaar in gesprek gaan. Participatie heeft daarom verschillende doelen: Het verhogen van de kwaliteit van de plannen; Het verkennen van de haalbaarheid en betaalbaarheid van keuzes; Het vergroten van draagvlak en acceptatie door transparante besluitvorming; Het vergroten van bewustwording rondom een aardgasvrije toekomst. Daarnaast hanteert de gemeente verschillende uitgangspunten bij participatie en communicatie. Dit zijn: We maken onderscheid in meedenken en meedoen; Participatie en communicatie gaan hand in hand; Inwoners staan centraal; We geven aanjagers een rol in communicatie naar de groep volgers. Om de energietransitie vorm te geven werkt de gemeente samen met verschillende stakeholders en met inwoners. Zij moeten de transitie uiteindelijk gaan uitvoeren. Ook hebben deze stakeholders en inwoners expertise, die wij als gemeente niet hebben.
5
In onze aanpak houden we rekening met de verschillende doelgroepen en de verschillende kenmerken van wijken en buurten. Daarom onderscheiden we vier verschillende aanpakken: Aanpak voor startwijken/-buurten; Aanpak buurten met natuurlijk tempo; Aanpak Verenigingen van Eigenaren (VvE’s); Aanpak bedrijventerreinen en utiliteitsbouw. Ruimtelijke impact en omgevingsbeleid De ruimtelijke impact van de energietransitie wordt deels bepaald door keuzes die we als gemeente maken. Denk aan de inzet op extra opwek van zonne-energie of grootschaliger toepassing van geothermie. Deels zullen autonome ontwikkelingen, zoal de toename van elektrische mobiliteit, ruimtelijke impact hebben. We maken onderscheid tussen de bovengrondse en ondergrondse impact van de energietransitie. De LES en de TVW vormen één van de vier bouwstenen van de gemeentelijke omgevingsvisie. De andere zijn: Groene Woongemeente; Mobiliteit & bereikbaarheid; Economie & bedrijvigheid. Samenhang tussen deze bouwstenen en bijbehorend beleid is er behalve qua ruimtelijke impact ook op het gebied van het reduceren van de CO2-uitstoot. De komende periode worden de bouwstenen samen met de overige thema’s uit het Kompas van de leefomgeving (2019) per wijk en gebied uitgewerkt tot een omgevingsvisie.
Daarmee wordt recht gedaan aan de samenhang, kan eventueel werk met werk worden gemaakt en komen mogelijke ruimtelijke dilemma’s en vooraf te maken keuzes tijdig aan het licht. Organisatie en middelen Een Energietransitieteam zal de intensivering van de gemeentelijke inzet ondersteunen en invulling geven aan de LES. In de begroting van 2021 is € 46 miljoen gereserveerd in de bestemmingsreserve duurzaamheid en energietransitie, dit met een bestedingshorizon tot uiterlijk 2050. Daarmee stelt de gemeentemiddelen beschikbaar om met name de voorgestane intensivering van de energietransitie mogelijk te maken. Het eerste deel van de middelen komt beschikbaar in de komende vier jaar, met een maximale besteding per jaar van € 1,875 miljoen. Deze gelden worden met name ingezet op onderwerpen als verduurzaming eigen vastgoed; stimuleren van verduurzaming van schoolgebouwen; het ontwikkelen en ondersteunen van de wijkaanpak en het stimuleren van bewonersinitiatieven. Het is nog onduidelijk in welke mate het Rijk gemeenten zal ondersteunen met extra middelen.
6
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1: Inleiding 1.1 Naar een duurzamer energiehuishouding 1.2 Kaders: van Parijs naar Leidschendam-Voorburg 1.3 Leeswijzer
6 6 6 8
Hoofdstuk 2: Strategie op hoofdlijnen 2.1 Randvoorwaarden 2.2 Gemeentelijke rollen 2.3 Instrumenten 2.4 Strategische grondslagen 2.5 Strategische opgaven 2.6 Organisatie en middelen
9 9 9 10 11 12 14
Hoofdstuk 3: Uitgangspositie - energie in beeld 3.1 Tussenstand 3.2 De huidige energievraag 3.3 Energie in cijfers: nu - 2030 - 2050
15 15 16 19
Hoofdstuk 4: Opgave en strategie – energie besparen 4.1 Wat willen we bereiken? 4.2 Hoe gaan we dit bereiken? 4.3 Met wie doen we dit samen? 4.4 Wat is hiervoor nodig?
20 20 21 22 24
Hoofdstuk 5: Opgave en strategie - duurzame opwek 5.1 Wat willen we bereiken? 5.2 Hoe gaan we dit bereiken? 5.3 Met wie doen we dit samen? 5.4 Wat is hiervoor nodig?
25 25 26 28 29
Hoofdstuk 6: Opgave en strategie – duurzame warmte 6.1 Wat willen we bereiken? 6.2 Welke duurzame warmtebronnen zijn in beeld? 6.3 Hoe gaan we dit bereiken? 6.4 Waar staan we in 2030 en in 2050? 6.5 Met wie doen we dit samen? 6.6 Wat is hiervoor nodig?
32 32 32 34 36 37 37
Hoofdstuk 7: Opgave en strategie - participatie en communicatie 7.1 Wat willen we bereiken? 7.2 Hoe gaan we dit bereiken? 7.3 Met wie doen we dit samen? 7.4 Wat is hiervoor nodig?
38 38 38 40 41
Hoofdstuk 8: Ruimtelijke impact en omgevingsbeleid 8.1 Ruimtelijke impact 8.2 Omgevingsbeleid
45 45 49
7
Bijlagen Bijlage 1: Begrippenlijst Bijlage 2: Onderdeel participatie Bijlage 3: Bekende hernieuwbare elektriciteit en warmte in Leidschendam-Voorburg Bijlage 4: Visie en uitgangspuntennotitie voor de Lokale Energie Strategie Bijlage 5: Rapport ondergrondse ruimte Bijlage 6: Instrumenten Bijlage 7: Eenheden en getallen
8
53 53 57 59 60 61 62 65
Hoofdstuk 1: Inleiding Douchen, koken, de verwarming aanzetten en het licht aandoen, het lijkt allemaal zo vanzelfsprekend. Ons dagelijks leven draait op elektriciteit, warmte en aardgas. Dat we bijna altijd en overal over energie kunnen beschikken en dat deze relatief goedkoop is vinden we in Nederland normaal. En dat is het ook, al decennialang. Energie is een basisvoorziening en dat moet zo blijven.
1.1
Naar een duurzamer energiehuishouding
Inmiddels is echter duidelijk dat onze huidige energievoorziening – gebaseerd op fossiele brandstoffen – bijdraagt aan klimaatverandering wereldwijd. Want de productie van energie uit fossiele bronnen gaat gepaard met de uitstoot van het broeikasgas CO2. Daar komt bij dat deze brandstoffen vervuiling veroorzaken en dat de bronnen niet onuitputtelijk zijn. Het houdt een keer op. Daarom gaat gemeente Leidschendam-Voorburg energie besparen én steeds meer energie uit duurzame bronnen halen. Met de garantie dat de basisvoorziening betrouwbaar en betaalbaar blijft, voor iedereen. Een belangrijk aspect van de energietransitie is het ruimtelijk beslag van duurzame oplossingen. Concentratie van energie in fossiele bronnen zorgt voor een relatief klein ruimtebeslag. Productie van duurzame energie vergt verhoudingsgewijs meer ruimte. Om deze verandering in goede banen te leiden, heeft de gemeente een strategie opgesteld, de Lokale Energie Strategie (hierna: LES). Hierin staat hoe we de energietransitie tot stand brengen, zowel de route als de aanpak. Wat is ervoor nodig om energie te besparen en over te schakelen op duurzame bronnen? Wat willen we bereiken? Wanneer? Welke partijen doen mee? De energiehuishouding verduurzamen is een enorm karwei én een gedeeld belang: van inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties. De gemeente kan dit niet alleen.
Een belangrijk onderdeel van de strategie is de inzet op participatie van en samenwerking tussen inwoners en andere belanghebbenden. We maken duidelijk welke rol de gemeente heeft en welke instrumenten wij inzetten om de energietransitie vorm te geven.
1.2
Kaders: van Parijs naar Leidschendam-Voorburg
Om de uitstoot van broeikasgassen te beperken hebben 195 landen in 2015 het Klimaatakkoord van Parijs gesloten. Deze bindende overeenkomst is de basis van het Nederlandse Klimaatakkoord uit 2019. Het Klimaatakkoord houdt in dat bedrijven, overheden en maatschappelijke organisaties in verschillende sectoren samen de afgesproken CO2-reductie bewerkstelligen. In 2030 dient de CO2uitstoot te zijn teruggebracht met 49% ten opzichte van 1990. Voor 2050 wordt een reductie van 95% nagestreefd. Onderstaande figuur geeft de opgaven per sector uit het Klimaatakkoord weer. Voor gemeenten zijn vooral de afspraken over de gebouwde omgeving relevant. Deze houden in dat in 2050 circa 7 miljoen woningen en 1 miljoen gebouwen van het aardgas af zijn.
9
Figuur 1: Afbeelding uit het Klimaatakkoord: overzicht van de totale energieopgave (per transitie-tafel) Conform het Klimaatakkoord bepalen dertig energieregio’s een Regionale Energie Strategie (RES). Deze RES geeft aan welke mogelijkheden er binnen de regio zijn om duurzame energie op te wekken. Leidschendam-Voorburg maakt deel uit van de energieregio Rotterdam Den Haag. In de LES sluiten we aan op de RES van de energieregio en vertalen we de opgave naar onze gemeente. De RES wordt elke twee jaar herzien op grond van technologische ontwikkelingen, nieuwe regelgeving en (inter) nationale afspraken. Zodra dit effect heeft op lokale schaal, passen we de LES zo nodig aan. Deze eerste Lokale Energie Strategie (LES) geeft invulling aan de Visie en Uitgangspuntennotitie Lokale Energie Strategie, die in juni 2020 door de gemeenteraad is vastgesteld. Hierin is de volgende ambitie geformuleerd: De gemeente streeft naar CO2-neutraal in 2050. Om dit te bereiken wordt ingezet op lokale opwek van energie en energiebesparing, maar ook de opwekking van duurzame energie buiten de gemeentegrenzen wordt meegenomen in de analyse. Lokaal acht de gemeente het haalbaar om binnen de ruimtelijke, economische en sociaal maatschappelijke mogelijkheden circa 24% van de verwachtte gemeentelijke elektriciteitsvraag in 2050 op te wekken. Er is ook potentie om lokaal warmte te winnen.
Naast de lokale opwek van energie zal de gemeente, net als nu, warmte en elektriciteit importeren om aan de vraag voor de gebouwde omgeving te voldoen. Om CO2-neutraal te zijn, zal de geïmporteerde energie schoon (groen) moeten zijn. De gemeentelijke bedrijfsvoering is CO2-neutraal in 2040. Om dit te bereiken stuurt de gemeente actief op het verlagen van haar eigen CO2-footprint en compenseert zij dit vanaf 2040 als een CO2neutrale bedrijfsvoering nog niet is bereikt. Transitievisie Warmte Onderdeel van het Klimaatakkoord is om van het aardgas af te gaan. Sinds 1 juli 2018 is er daarom geen aansluitplicht meer voor nieuwbouwwoningen. Voor bestaande bouw moet in de komende decennia een duurzame warmtevoorziening worden gerealiseerd. Hiervoor zijn verschillende opties en komen verschillende (hernieuwbare) energiebronnen in aanmerking. Hoe Leidschendam-Voorburg aardgasvrij wordt staat beschreven in de Transitievisie Warmte (TVW). Deze wordt samen met de LES opgesteld, waarbij de LES het strategisch kader vormt voor de in de TVW gepresenteerde analyse en uitvoeringsstrategie. Leidschendam-Voorburg telt dertien wijken. De overgang naar een aardgasloze gemeente in 2050 wordt in fasen en zo veel mogelijk per wijk gerealiseerd. Voor de eerste vier wijken,
10
die vóór 2030 op duurzame warmte overgaan, geeft de WTV de potentiële alternatieve energieinfrastructuren aan en biedt inzicht in de kosten en baten voor de maatschappij en eindgebruikers. Samenwerking Gemeente hebben een regierol toegewezen gekregen van het Rijk. Dit betekent dat ze anderen aanstuurt op te behalen resultaten. Een goede samenwerking met alle partners in de energietransitie is hiervoor cruciaal. Met het Rijk, Provincie Zuid-Holland en de Metropoolregio Rotterdam Den Haag hebben we inmiddels flinke stappen gezet. Ook woningcorporaties, energiecoöperaties, bedrijven en inwoners weten ons steeds beter te vinden. Deze maatschappelijke partners zijn door de gemeente betrokken bij de totstandkoming van de LES.
1.3
Leeswijzer
De LES start in hoofdstuk 2 met de algemene strategiebepaling. Wat voor opgaven brengt de energietransitie met zich mee? Welke positie neemt de gemeente in op het speelveld van de energietransitie? Over welke instrumenten beschikken we? In hoofdstuk 3 bepalen we allereerst onze uitgangspositie – wat voor en hoeveel energie verbruiken we nu? – om vervolgens conform de Trias Energetica te bepalen hoe we energie kunnen besparen (hoofdstuk 4), hoe we komen tot duurzame opwek van elektriciteit (hoofdstuk 5) en hoe we de gebouwde omgeving van duurzame warmte kunnen voorzien (hoofdstuk 6). In hoofdstuk 7 gaan we nader in op een vierde pijler onder de strategie: participatie en communicatie. Hoe werken we, samen met inwoners en andere belanghebbenden, geleidelijk toe naar aardgasvrije wijken en een duurzame energievoorziening? In deze hoofdstukken staat telkens beschreven wat de opgave inhoudt, hoe we doelen nastreven, en met wie we hieraan werken. We sluiten af (hoofdstuk 8) met een omschrijving van de verwachte gevolgen van de energietransitie voor de openbare ruimte en staan stil bij de samenhang tussen energiebeleid en ander beleid dat de leefomgeving aangaat.
11
Hoofdstuk 2: Strategie op hoofdlijnen Om de in het Klimaatakkoord gestelde doelen te bereiken, zal de wijze waarop mensen wonen, werken, reizen, bouwen, produceren en consumeren moeten veranderen. Soms zijn veranderingen ingrijpend. De energietransitie houdt in dat afscheid wordt genomen van oude systemen en structuren, terwijl gezocht wordt naar duurzame alternatieven. Dat vraagt om flexibiliteit en aanpassingsvermogen van alle betrokkenen, er ontstaan andere verhoudingen en partijen krijgen nieuwe rollen. Welke rol kan en moet de gemeente innemen op het speelveld gezien haar uitgangspositie? De gemeente is mede afhankelijk van andere overheden, woningcorporaties, netbeheerders en inwoners. Zonder verdere systematische verandering, structurele toepassing van aanwezige oplossingen uit de bouw- en installatiesector, wettelijke kaders en financiering vanuit het Rijk, en voldoende vakkennis en vakmensen, wordt de verduurzamingsopgave in de gebouwde omgeving een lastige opgave.
2.1
Randvoorwaarden
In het Klimaatakkoord zijn bindende afspraken vastgelegd en nader ingevuld in de regio (RES) en in de gemeente (zie o.a. de Visie en Uitgangspuntennotitie Lokale Energie Strategie. De belangrijkste zijn: • Energie blijft betaalbaar voor iedereen. • Maatregelen moet haalbaar zijn, in technisch opzicht en wat betreft het tempo waarin ze worden uitgevoerd. • Maatregelen moeten ruimtelijk inpasbaar zijn en landschappelijke waarden worden gerespecteerd. • Technieken en methoden voor een duurzame energievoorziening zijn onderwerp van keuzevrijheid, waarbij geldt dat de gemeente collectieve belangen en oplossingen ondersteunt waar deze waardevol worden geacht. • Voor maatregelen dient draagvlak te zijn in de gemeenschap. • Maatregelen leiden tot 49% CO2-reductie in 2030 en een CO2-neutrale gemeente in 2050.
2.2
Gemeentelijke rollen
In de energietransitie fungeert de gemeente ten eerste als lokaal regisseur. Dit betekent dat wij: • Maatschappelijke partijen, bedrijven en inwoners aansturen om een bijdrage te leveren en tot resultaten te komen. • Het tempo van activiteiten afstemmen zodat stap voor stap iedereen mee kan. • Partijen ondersteunen. De energietransitie omvat een serie veranderingen in onze energiehuishouding en beslaat de totale energieketen, van winning en productie tot en met distributie en levering. Hierom hakken we het brede begrip op in delen, zodat we de rol van de gemeente verder kunnen verfijnen met betrekking tot de zogenaamde ‘deeltransitie’. In de LES onderscheiden we de volgende deeltransities: 1. Een energiebesparingstransitie, per woning/utiliteit komen tot minder energieverbruik. 2. Een bronnentransitie, van fossiel naar hernieuwbaar. 3. Een organisatietransitie, van een traditioneel en centraal georganiseerde energievoorziening naar een dynamische en decentraal georganiseerde energievoorziening. 4. Een participatietransitie, gedragsverandering van de inwoner: van passieve energieconsument naar actieve deelnemer aan schone energie. 5. Een ruimtelijke transitie, van een vrijwel onzichtbare energievoorziening naar een ruimtelijk ingepaste, zichtbare energievoorziening.
Afhankelijk van de deelopgave en de instrumenten die de gemeente inzet, heeft ze behalve die van regisseur nog vijf andere strategische rollen, namelijk die van afwachter, verbinder, facilitator, uitvoerder en dwinger. Het onderscheiden van rollen helpt ons om op het speelveld bewust positie te
12
kiezen en de juiste instrumenten te selecteren. In de praktijk zullen rollen vaak worden gecombineerd. De verschillende rollen zijn hieronder beschreven. De Afwachter maakt geen (definitieve) keuze en laat het aan de markt over om een bijdrage te leveren aan de energietransitie. De Verbinder zorgt ervoor dat verschillende partijen met elkaar in contact komen en geeft hun de vrijheid om zelf een bijdrage vorm te geven en tot oplossingen te komen voor de energietransitie. Deze verschillende partijen zijn bijvoorbeeld inwoners (vraag) en bedrijven (aanbod). Deze rol vervult de gemeente bijvoorbeeld wanneer ze partijen samenbrengt voor de realisatie van energieneutrale scholen (van BENG naar ENG). Een voorbeeld van een relevant instrument is het gemeentelijke Energieloket, waar lokale ondernemers hun diensten aanbieden en inwoners deze ondernemers makkelijk kunnen vergelijken. De Facilitator geeft verantwoordelijkheid aan de inwoners en bedrijven, geeft beleidskaders mee aan initiatiefnemers en maakt het makkelijker voor anderen om een bijdrage te leveren, bijvoorbeeld door de rente op een energie-bespaarlening bij het Nationaal Warmtefonds te verlagen of de Woonwijzerwagen in te zetten om informatie aan inwoners te verstrekken. De Regisseur stuurt verschillende partijen aan, stelt heldere doelen en komt tot een concreet uitvoeringsplan.
Het organiseren van burgerparticipatie in de totstandkoming van de Lokale Energiestrategie en de Transitievisie Warmte is hier een voorbeeld van, maar het instellen van subsidieregelingen voor isolatie en groene daken net zo goed. De Uitvoerder levert zelf een bijdrage aan de energietransitie omdat de markt dit niet oppakt. Denk hierbij aan het verduurzamen van eigen vastgoed. De Dwinger bepaalt welke resultaten een partij moet boeken en kan ook het tempo bepalen waarin dit moet gebeuren. Op dit moment kiest de gemeente ervoor om deze rol niet te hebben maar in de toekomst verandert dit wellicht.
2.3
Instrumenten
Diverse instrumenten (nationaal, provinciaal en gemeentelijk) worden ingezet om energieverbruik te reduceren, energie op te wekken, informatie te verstrekken en kennis te delen. Ze betreffen onder meer subsidieregelingen, leenvormen, campagnes en een energieplatform. Alle instrumenten die momenteel beschikbaar zijn worden genoemd in bijlage 6: Instrumenten.
13
In onderstaande tabel worden instrumenten genoemd die gekoppeld zijn aan de strategische rollen. Gemeente
Afwachter
Juridisch instrument
Reguliere vergunning verlening
Communicatief instrument
Informeren over minimale wettelijke normen
Verbinder
Facilitator
Regisseur
Uitvoerder
Opstellen integraal wijk uitvoeringsplan
Communicatie campagne energietransitie Burger participatie Stakeholder participatie Digitaal platform
Samenwerking Lokale energie coöperaties Publieks campagne ‘Iedereen doet wat’ Energiecoaches Subsidie regelingen van het Rijk en de Provincie Verlaagde legeskosten bij vergunningen voor woningen die verduur zamen
Financieel instrument
Dwinger Met ODH handhaven op Wet Milieubeheer
Co-creatie sessies organiseren voor de realisatie van zonne-parken
Informeren over verplichtingen
Subsidie regelingen Financiële bijdrage realisatie scholen van BENG naar ENG
Nationaal Warmtefonds Zonnevelden op daken Organisatorisch instrument
Wijkgesprekken initiëren Verbinding maken met partijen voor realisatie scholen van BENG naar ENG
Energieloket
Opstellen lokale Greendeal met bedrijven
Zonnepanelen en groene daken op vastgoed van de gemeente
Tabel 1: Overzicht van instrumenten per rol
2.4
Strategische grondslagen
In onze energiestrategie hanteren we een aantal algemene principes. Ze liggen ten grondslag aan de wijze waarop we in Leidschendam-Voorburg gevolg geven aan het Klimaatakkoord en de RES. Trias Energetica Zoals gezegd volgt de LES het technische uitgangspunt van de Trias Energetica. Dit betekent dat we eerst energie besparen, dan duurzame energie opwekken en ten slotte zo efficiënt mogelijk gebruik maken van energiebronnen. Voorbeeldfunctie Van het tonen van duurzaam gedrag gaat een belangrijke stimulerende werking uit. Als gemeente geven we op verschillende manieren het goede voorbeeld. Bijvoorbeeld door, ons vastgoed te verduurzamen, ons wagenpark te elektrificeren en de buitenverlichting te verduurzamen. Daarnaast zijn er diverse voorlopers in de gemeente: inwoners en bedrijven die werk maken van energiebesparing of het opwekken van energie. In onze participatie- en communicatiestrategie maken we gebruik van deze voorlopers (zie hoofdstuk 7).
14
Samenwerking De aard en de omvang van de verduurzamingsopgave vraagt om een gezamenlijke inspanning, zowel regionaal en landelijk als lokaal. In de Kerngroep LES werken adviseurs en vertegenwoordigers van de gemeente, woningcorporaties, het bedrijfsleven, energiecoöperaties en de netbeheerder samen aan de energietransitie. In lijn met het coalitieakkoord Samen aan zet willen we de samenwerking met relevante partners zoals ondernemers en maatschappelijke organisaties verder verbreden en verdiepen. Door te werken in netwerken en kennis en kunde te delen, willen we ervoor zorgen dat partners elkaar versterken. Ook convenanten en gezamenlijke (inkoop)trajecten zijn hiervoor een middel. Inclusie Uiteindelijk krijgt iedere inwoner te maken met de energietransitie met alle veranderingen van dien. Voor een rechtvaardige energietransitie is inzet op inclusie – het insluiten van achtergestelde groepen – onontbeerlijk. Het is hiervoor van belang belemmeringen, die kunnen ontstaan door te weinig kennis, mogelijkheden of financiële middelen, in het oog te blijven houden en zo mogelijk weg te nemen. Het is ook belangrijk om voortdurend alert te blijven of we alle doelgroepen in voldoende mate bereiken en weten wat deze doelgroepen nodig hebben. We kunnen bijvoorbeeld financiële instrumenten inzetten, maar ook in samenwerking met de energiecoöperaties inclusie bevorderen.
Groene groei De verduurzamingsopgave biedt kansen voor de lokale en regionale economie, bijvoorbeeld door werkgelegenheid te scheppen. Bij de organisatie en uitvoering van projecten zetten we in op het principe van drie-keer-lokaal. Met dit principe wil de gemeente inwoners en lokale ondernemers verbinden en betrekken bij de grootschalige opwekking van duurzame energie. De opbrengsten van deze opwekking moeten voor een belangrijk deel bijdragen aan de lokale economie. Als het gaat om innovatie vervult de gemeente met name een regisserende en stimulerende rol, vanuit de inkoopfunctie, als opdrachtgever en door partijen bij elkaar te brengen. Participatie Met name onder woningeigenaren in Leidschendam-Voorburg is veel bereidheid om de woning en leefomgeving te verduurzamen. Participatie brengt overheid en samenleving samen, waarbij de rollen per situatie kunnen wisselen. In de ene situatie is het de gemeente die van bewoners input vraagt of medewerking, in een andere situatie kan het andersom zijn. Collectieve initiatieven ontstaan overal en nodigen op elk niveau uit tot betrokkenheid. Het gaat erom per situatie te bekijken of de gemeente een rol heeft, welke dat is en wat voor aanpak hieruit volgt. Monitoren en leren We houden zicht op de voortgang en de resultaten van ons beleid. Deze inzichten zullen ons helpen om doeltreffend en doelmatig te zijn.
De resultaten van de monitoring kunnen helpen om de strategie bij te sturen of onderdelen aan te scherpen. Ontwikkelingen in de maatschappij, inzichten en politieke afwegingen kunnen aanleidingen zijn om de strategie te herzien.
2.5
Strategische opgaven
In deze paragraaf beschrijven wij kort de belangrijkste strategische opgaven in LeidschendamVoorburg. Deze worden verder uitgewerkt in aparte hoofdstukken. In de uitvoering van deze opgaven werken wij zoveel mogelijk op basis van bestaande overleg – en communicatiestructuren en platforms. Graag geven wij onze partners en inwoners aanvullende informatie en voeren wij op wijkniveau energietransitie-gesprekken met een duidelijke insteek over een afgebakend onderwerp. De gemeente werkt langs twee hoofdlijnen: 1. Per wijk, bijvoorbeeld aan de hand van wijkuitvoeringsplannen voor warmte. 2. Per stakeholder of doelgroep, bijvoorbeeld met betrekking tot maatregelen voor energiebesparing, isolatie of zonne-energie.
15
Energiebesparing Energie besparen zien wij als de kern van ons energiebeleid. De gemeente zet in op 35% energiebesparing in de bestaande woningvoorraad in 2050 ten opzichte van 2015. De opgave is voornamelijk het terugdringen van de warmtevraag in gebouwen en woningen. Dit willen wij bereiken door: • Gebouweigenaren en woningbezitters aanzetten tot het isoleren van hun woningen en utiliteitsgebouwen. Met een energielabel B en hoger zijn woningen geschikt voor laagtemperatuurverwarmingssystemen. • Energiebesparing wijkgericht aan te pakken. • Samen te werken met stakeholders. Duurzame opwek De gemeente zet maximaal in op zonne-energie. De ambitie is om in 2030 40% van het geschikte dakoppervlak te benutten voor het opwekken van zonne-energie, op weg naar 100% in 2050. Verder is het streven om in 2050 het volledige potentieel van gevels, parkeerplaatsen en infrastructuur te gebruiken voor het opwekken van zonne-energie. Als tussendoel voor 2030 geldt 40% van het potentieel. De omvang van het potentieel hangt samen met de inpasbaarheid en is onzekerder dan dat van zon-pv op daken. De gemeente zet tot 2030 niet in op grootschalige zonnevelden. Bij de vaststelling van de Visie en Uitgangspuntennotitie Lokale Energie Strategie heeft de gemeenteraad besloten geen ruimte te bieden voor de plaatsing van windturbines in de gemeente.
De opwek van duurzame energie willen we bereiken door: • Volledig in te zetten op het benutten van zonne-energie op daken, gevels, onbenutte bebouwde locaties, parkeerplaatsen en infrastructuur. Het huidige bestemmingsplan staat geen zonnevelden toe in het buitengebied. • Hierbij passen we een doelgroepenbenadering toe. • Mocht er een maatschappelijke verschuiving plaatsvinden ten aanzien van windenergie of grootschalige zonnevelden dan is een heroverweging van het huidige beleid mogelijk. Duurzame warmte Hoofddoel van de warmtetransitie is de overgang van fossiele brandstof (aardgas) naar duurzame warmte. In de periode tot 2030 starten we met de eerste vier transitiewijken met in totaal circa 6.000 woningen. Voor deze wijken is een warmtevraagreductie voorzien van circa 56TJ. Daarmee realiseren we dat circa 25% van die 6.000 woningen in 2030 van het gas af is. Bijlage 7 bevat een overzicht van gangbare eenheden en waarden en geeft een indruk van het ruimtebeslag van duurzame energie. Dit willen we bereiken door gebruik te maken van lokale energiebronnen: bodem- en luchtwarmte en aquathermie. Voor moeilijk te isoleren panden kan dat mogelijk in combinatie met gebruik van duurzaam gas. Voor alle betrokkenen dient de transitie naar aardgasvrije gebouwen betaalbaar te zijn.
Dit vergt nader onderzoek omdat de kosten en opbrengsten voor elke oplossing voor alle betrokkenen (netbeheerder, woningcorporaties, gebouweigenaar of eindgebruiker) anders uitpakken. Wij vinden het belangrijk dat inwoners zelf kunnen kiezen welk duurzaam alternatief voor aardgas zij omarmen. Wel dient een balans gevonden te worden tussen collectieve mogelijkheden en individuele oplossingen. Dit speelt met name wanneer de collectieve mogelijkheden worden beperkt door een te lage deelname. Participatie De energietransitie vergt een gedragsverandering van burgers die vraagt om uitleg, regie en een faciliterende rol van de gemeente. We sluiten zoveel mogelijk aan bij de wensen en mogelijkheden van inwoners. We werken intensief samen met lokale organisaties en inwoners die vooroplopen.
16
Deze organisaties en voorlopers krijgen ook een rol in het vergroten van de bewustwording van een aardgasvrije toekomst onder inwoners. In de participatie en communicatie maken we onderscheid tussen wijken waar voorlopers actief zijn en waar we collectieve initiatieven ondersteunen en wijken waar we andere instrumenten moeten inzetten om inwoners tot actie aan te zetten.
2.6
Organisatie en middelen
Een Energietransitie-team zal de intensivering van de gemeentelijke inzet ondersteunen en de genoemde strategische rollen en taken invulling gaan geven. Het team werkt hiervoor nauw samen met verschillende gemeentelijke afdelingen en met externe partners. Deze LES is samen met de Warmtetransitie Visie (WTV) de leidraad voor ons werk en handelen. In de begroting van 2021 is € 46 miljoen gereserveerd in de bestemmingsreserve duurzaamheid en energietransitie, dit met een bestedingshorizon tot uiterlijk 2050. Daarmee stelt de gemeentemiddelen beschikbaar om met name de voorgestane intensivering van de energietransitie mogelijk te maken. Het eerste deel van de middelen komt beschikbaar in de komende vier jaar, met een maximale besteding per jaar van € 1,875 miljoen. Deze gelden worden met name ingezet op onderwerpen als verduurzaming eigen vastgoed; stimuleren van verduurzaming van schoolgebouwen; het ontwikkelen en ondersteunen van de wijkaanpak en het stimuleren van bewonersinitiatieven. Voor een nadere toelichting, zie het vastgestelde bestedingsplan 2021. De enorme gemeentelijke opgave en hiermee gepaarde uitgaven kunnen niet zonder extra financiële steun van het Rijk worden gerealiseerd. De mate waarin het Rijk de gemeenten met extra middelen wil ondersteunen is echter nog onduidelijk.
Naar verwachting neemt het kabinet daarover op zijn vroegst in 2022 een besluit, na gesprekken en onderhandelingen tussen VNG en het Rijk. Met behulp van de bestemmingsreserve kan de gemeente Leidschendam-Voorburg nu de schouders zetten onder de energietransitie.
17
Hoofdstuk 3: Uitgangspositie energie in beeld In dit hoofdstuk beschrijven we de huidige situatie wat betreft de CO2-uitstoot, de elektriciteitsvraag en de warmtevraag en geven een doorkijk naar 2030 en 2050. De uitgangspositie is gebaseerd op de kwaliteit van de woningen en gebouwen in de gemeente en het energiegebruik en opwekpotentieel. Hieraan liggen diverse analyses en monitoringsgegevens ten grondslag, waaronder die van de landelijke Klimaatmonitor. Aanvullend zijn onderzoeken verricht door gespecialiseerde bureaus, onder meer op het gebied van warmte, opwekpotentieel van hernieuwbare energie en de stand van onze woningvoorraad.
3.1
Tussenstand
In de Duurzaamheidsagenda 2016-2020 had de gemeente zich ten doel gesteld om in 2020 een CO2reductie van 20%, 20% energiebesparing en 20% meer gebruik van hernieuwbare energie te bereiken. Onderstaande tabel toont de CO2-uitstoot ten gevolge van gas- en elektriciteitsverbruik in de gemeente in tonnen. De tabel laat zien dat het gas- en elektriciteitsverbruik sinds 2010 flink is afgenomen. In de periode van 2010-2019 is de CO2-reductie door de behaalde energiebesparing en duurzame opwek in totaal 31,4%. Uit de Klimaatmonitor komt tevens naar voren dat de hoeveelheid opgewekte zonnestroom in de gemeente een stijgende lijn kent. In 2010 is er ongeveer 1 TJ opgewekt en in 2019 was dit 22 TJ. Ondiepe bodemwarmte is in dezelfde periode gestegen van 2 naar 19 TJ. Het aandeel houtstook in de periode 2010-2019 is gedaald van 49 naar 20 TJ. De Klimaatmonitor ziet houtkachels ook als duurzame warmte echter zien wij biomassa niet als een duurzame bron. De tabellen in bijlage 3 laten zien dat de bekende hernieuwbare elektriciteit en warmte in de gemeente beperkt zijn tot zonneenergie, verbranding van biomassa in houtkachels, warmte-koude systemen en warmtepompen.
18
Figuur 2: CO2-uitstoot t.g.v. gas- en elektriciteitsverbruik
3.2
De huidige energievraag
In Leidschendam-Voorburg telt de huidige energievraag (peiljaar 2018) op tot 4.553 TJ. Dit is het eindgebruik van elektriciteit, warmte en energievraag personenauto’s tezamen. De lokale opwekking van hernieuwbare energie was in 2018 beperkt tot 3,2% van het totale energieverbruik in onze gemeente (bron: Klimaatmonitor). Bij hernieuwbare energie gaat het om elektriciteit en warmte. Hernieuwbare elektriciteit wordt opgewekt uit onder andere wind, waterkracht, zon of biomassa. Duurzame mobiliteit valt buiten de scope van deze lokale energiestrategie. Wel wordt binnen de scope rekening gehouden met de verwachting dat de elektriciteitsvraag zal stijgen door de elektrificatie van mobiliteit. Duurzame mobiliteit wordt uitgewerkt in de Bouwsteen Mobiliteit en Bereikbaarheid en zal onderdeel zijn van de Omgevingsvisie en omgevingsplannen. In 2019 heeft CE-Delft de toekomstige energievraag berekend door te kijken naar de huidige en toekomstige energievraag in 2050 van woningen en utiliteit (overige gebouwen). Het onderzoek is opgesplitst in de warmtevraag voor woningen en utiliteit, de elektriciteitsvraag voor woningen en utiliteit en de energievraag van personenauto’s. De totale woningvoorraad in Leidschendam-Voorburg heeft momenteel een warmtevraag van 1.421 TJ per jaar, de warmtevraag van utiliteitsgebouwen bedraagt 330 TJ per jaar.
In totaal komt dit uit op een jaarlijkse warmtevraag van 1.751 TJ (peiljaar 2018). De totale warmtevraag van een buurt hangt voor een groot deel samen met het oppervlak en het aantal woningen en andere gebouwen in de buurt, oftewel de woningdichtheid. De gemeente kent grote verschillen op buurtniveau vanwege het verschil in oppervlakte tussen buurten. Het valt op dat in het grootste deel van Voorburg per buurt veel vraag naar warmte is. Leidschendam laat een wisselend beeld zien, terwijl in Stompwijk relatief weinig vraag naar warmte is. Dit komt doordat het een groot gebied is met een lage woningdichtheid.
19
Figuur 3: Huidige warmtevraag woningen en utiliteit per buurt De totale woningvoorraad in Leidschendam-Voorburg heeft momenteel een elektriciteitsvraag van 325 TJ per jaar en alle utiliteitsgebouwen samen hebben een elektriciteitsvraag van 331 TJ per jaar. In totaal komt dit uit op een jaarlijkse elektriciteitsvraag van 657 TJ (peiljaar 2018).
Figuur 4: Huidige elektriciteitsvraag woningen en utiliteit per buurt
20
Toekomstige warmtevraag in 2050 De totale toekomstige warmtevraag van de woningvoorraad in 2050 in Leidschendam-Voorburg zal naar verwachting rond de 1.211 TJ per jaar liggen. Voor utiliteitsbouw is dit 164 TJ per jaar. In totaal komt dit uit op een jaarlijkse warmtevraag van 1.375 TJ. Onderstaande figuur toont de toekomstige warmtevraag van woningen en utiliteit per buurt.
Figuur 5: Toekomstige warmtevraag woningen en utiliteit per buurt De toekomstige elektriciteitsvraag – wanneer woningen en utiliteit geen gebruik gaan maken van elektriciteit voor het verwarmen van hun gebouwen – is nagenoeg gelijk aan de huidige elektriciteitsvraag. In figuur 4 wordt een beeld gegeven van de mogelijke totale elektriciteitsvraag wanneer wel (voor 100%) wordt overgegaan op verwarmen met behulp van elektriciteit. Het is niet aannemelijk dat elke buurt wordt verwarmd met elektriciteit. Als, in het theoretische geval, in alle woningen en utiliteitsgebouwen in Leidschendam-Voorburg een hybride warmtepomp wordt gebruikt in 2050, neemt de elektriciteitsvraag toe met 165 TJ per jaar. Als, in het theoretische geval, in alle woningen en utiliteitsgebouwen in Leidschendam-Voorburg een volledig elektrische warmtepomp wordt gebruikt in 2050, neemt de elektriciteitsvraag met 389 TJ per jaar toe. De totale elektriciteitsvraag als gevolg van de volledige elektrificatie van het personenvervoer, zorgt voor een extra elektriciteitsvraag van 349 TJ per jaar. De maximale geschatte elektriciteitsvraag van de gemeente Leidschendam-Voorburg in 2050 is 1.376 TJ per jaar, in het geval alle gebouwen in de stad gebruik gaan maken van een volledig elektrische warmtepomp. Indien geen van de gebouwen gebruik gaat maken van een warmtepomp, komt het elektriciteitsgebruik op 987 TJ per jaar.
Het is aannemelijk dat een deel van de woningen en utiliteitsgebouwen gebruik zal gaan maken van een warmtepomp, maar niet allemaal.
21
3.3
Energie in cijfers: nu - 2030 - 2050
In onderstaande tabel presenteren we energiecijfers voor de gemeente op basis van beschikbare gegevens (peiljaren 2018 of 2019). CE Delft heeft voor de gemeente berekend hoeveel energie we in 2050 verbruiken en wat het potentieel is van hernieuwbare bronnen. De berekeningen zijn nog niet volledig. Berekeningen van de energievraag in 2030 en de potentie van zon op parkeerplaatsen volgen bijvoorbeeld nog. Zodra totaalplaatje van de gemeentelijke energiecijfers beschikbaar is presenteren we dit in een infographic. Energiecijfers in beeld
Huidig
2030
Totale energievraag
4.553 TJ (peiljaar 2018)
De verwachte toekomstige energievraag is 3.200 TJ (uitgaande van een totale energiebesparing van 35%).1
Elektriciteitsvraag
657 TJ (peiljaar 2018)
De verwachte maximale elektriciteitsvraag is 1.376 TJ
Duurzaam opgewekte elektriciteit
Zon op dak 22 TJ (peiljaar 2018)
Zon op dak 141 TJ Zon op gevels 11 TJ
2050
Zon op dak 352 TJ (26% vd toekomstige elektriciteitsvraag) Zon op gevels 27 TJ (2% vd toekomstige elektriciteitsvraag)
Zon op Zon op parkeerplaatsen en parkeerplaatsen en infrastructuur is infrastructuur is onbekend onbekend Warmtevraag van woningen en utiliteit
1.751 TJ (peiljaar 2018)
De verwachte toekomstige warmtevraag is 1375 TJ.2
CO2-uitstoot
302600 ton (peiljaar 2019)
CO2-neutraal.3
Tabel 2: Energiecijfers, huidig , 2030 en 2050
1 Het gat tussen de economische besparingspotentie van 27% van de warmtevraag in bestaande woningen en het beleidsdoel van 35% in 2050 wordt gevuld door bijvoorbeeld sloop/nieuwbouw van oude bebouwing en innovatie. 2 Er is lokaal en regionaal in potentie voldoende rest- en hernieuwbare warmte beschikbaar om te voorzien in de toekomstige warmtevraag. 3 Naar verwachting zal de gemeente in 2050 niet voorzien in de totale energievraag en dus net als nu energie importeren. Om de beleidsdoelstelling CO2 –neutraal in 2050 te halen zal de geïmporteerde energie schoon (groen) moeten zijn.
22
Hoofdstuk 4: Opgave en strategie – energie besparen Energie die bespaard wordt, hoeft niet te worden opgewekt. Beperking van het energieverbruik en het tegengaan van verspilling liggen ten grondslag aan een duurzame energiehuishouding en een CO2neutrale gemeente. Hoe kunnen we energie besparen In Leidschendam-Voorburg? Hoe gaan we dat doen en wie hebben we daarbij nodig?
4.1
Wat willen we bereiken?
De verduurzaming van onze gemeente gaat het snelst door energie te besparen. Binnen onze gemeente is de ruimte voor de opwekking van energie bovendien beperkt. Om de klimaatdoelstellingen te bereiken ligt in onze gemeente de komende decennia daarom de nadruk op besparen. Energie besparen kunnen inwoners en andere stakeholders zelf en velen zijn er al mee begonnen. Hoe groot is de opgave? De gemeente zet in op 35% energiebesparing in de bestaande woningvoorraad in 2050 ten opzichte van 2015. Naar verwachting zal Leidschendam-Voorburg richting 2050 nog een totale energiebehoefte kennen van ongeveer 3.200 TJ. In het jaar 2018 was de energievraag 4553 TJ. We dienen voorzichtig te zijn met de aanname dat het verbruik van energie in de komende decennia zal verminderen. Doordat er steeds meer elektrische apparaten bijkomen en voertuigen en warmtepompen op elektriciteit gaan werken, zal de totale elektriciteitsvraag naar verwachting minimaal verdubbelen. Gedragsverandering heeft maar in beperkte mate invloed op het verbruik van energie. Daarom richt de opgave zich de komende tijd voornamelijk op het terugdringen van de warmtevraag in gebouwen en woningen. Isolatie is de meest effectieve vorm van energie besparen, hiermee kunnen de grootste slagen worden gemaakt. Er zijn uitzonderingen, zoals monumenten, die in sommige gevallen niet tot nauwelijks te isoleren zijn.
Het woningbestand bestaat voor 70% uit woningen van vóór 1975, zoals onderstaand overzicht duidelijk laat zien, en ongeveer 60% van de woningen bestaat uit gestapelde bouw. De opgave om woningen te isoleren betreft dus vooral de bestaande bouw. Het geplande aantal woningen tot 2040 bedraagt op dit moment 4.100 tot 4.850, verspreid over bijna vijftig locaties. De woningen zijn ingedeeld in de representatieve zeven woningtypes over zes bouwperiodes. De kleur geeft het voor die bouwperiode gangbare energielabel aan. Zie tabel 3.
Woningtype Vrijstaande woning 2 onder 1 kap woning Rijwoning Maisonnettewoning Galerijwoning Portiekwoning (Overig) flatwoning Totaal
Bouwperiode t/m 1945 1946-1964 1965-1974 1975-1991 1992-2005 2006-nu 1,4% 0,2% 0,5% 0,2% 0,1% 2,0% 0,2% 0,3% 0,6% 0,1% 10,8% 4,0% 6,3% 8,5% 3,0% 0,7% 1,0% 0,0% 0,6% 0,0% 0,0% 7,1% 10,7% 5,3% 4,5% 0,9% 6,0% 12,7% 0,1% 0,7% 1,3% 0,0% 6,2% 0,1% 0,9% 0,6% 2,2% 51,3 17,7% 16,7% 10,2% 4,0%
2,5% 3,2% 33,4% 1,7% 28,5% 20,9% 10,0% 100,0%
Tabel 3: inventarisatie bouwperiode en woningtype Isoleren heeft verschillende voordelen. Met het isoleren van woningen wordt de kwaliteit van de woningen verbeterd. Het comfort voor de bewoners neemt immers toe. Daarnaast wordt de warmtevraag gereduceerd, waardoor minder energie wordt verbruikt. Dit leidt voor gebruikers tot
23
een lagere energierekening. Ook komen voor een wijk met geïsoleerde woningen meer alternatieve warmtebronnen in aanmerking, wanneer deze aan de beurt is om aardgasvrij te worden. Wanneer dit past bij het aangezicht kunnen woningen ook aan de buitenkant geïsoleerd worden, ook wanneer dit betekent dat zij (beperkt) buiten de eigen kavelgrenzen gaan. De aanpak voor woningblokken is bij voorkeur collectief, zodat het straatbeeld eenduidig blijft. Zo heeft de energietransitie zo min mogelijk impact op het aangezicht van onze wijken en buurten.
4.2
Hoe gaan we dit bereiken?
Energielabelstappen Met een energielabel B en hoger zijn woningen en utiliteitsgebouwen geschikt voor verwarmingssystemen voor warmte met een lage temperatuur. Isoleren draagt dus bij aan de overgang naar aardgasloos wonen. We streven naar verduurzaming van het vastgoed naar gemiddeld energielabel B in 2050. Om een inschatting te maken van de verwachte energiebesparing van woningen tot 2050 is een analyse gemaakt van de woningvoorraad in Leidschendam-Voorburg (bouwjaar, energielabel, oppervlakte van de woningen). We gaan dan uit van isolatie die economisch rendabel is. Huizen van voor 1920, bijvoorbeeld, zitten vaak op een energielabel G en zijn tot een energielabel C of D te isoleren. Deze isolatiestap leidt tot een energiebesparing van 18%. Voor de verschillende bouwperiodes gelden verschillende besparingspotenties, variërend van 0% tot 45%. Voor Leidschendam-Voorburg leidt dit model tot een totale besparingspotentie van circa 27% van de warmtevraag in bestaande woningen. Het besparingspotentieel van bedrijven is ongeveer 30% (het landelijk gemiddelde). Omdat bedrijven meer divers zijn dan huizen (een kledingwinkel en opslagloods zijn heel anders qua comforteisen en bouwstijl), heeft het besparingspotentieel hiervan een grotere onzekerheid.
Het gat tussen de economische besparingspotentie van 27% en het beleidsdoel van 35% in 2050 wordt gevuld door bijvoorbeeld sloop/nieuwbouw van oude bebouwing en innovatie. De gemeente heeft doelen gesteld voor de verduurzaming van het vastgoed dat zij in beheer heeft. Voor 2023 volgt zij de energielabel C-verplichting. In 2030 draagt de gebouwenvoorraad energielabel A. Tevens maakt de gemeente onderscheid tussen energieneutraal en CO2-neutraal. In 2040 is het eigen vastgoed energieneutraal (gebouw-gebonden energieverbruik opgewekt door middel van pv-panelen) en in 2050 is het vastgoed CO2-neutraal (gebruiks-gebonden energieverbruik gecompenseerd met pv-panelen). Voor de komende jaren heeft de gemeente een actieplan opgesteld voor het vastgoed dat zij zelf gebruikt. Volgens dit plan hebben de 8 gemeentelijke panden in 2025 energielabel A. Hiermee wil zij het goede voorbeeld geven. Wijkgericht De energietransitie wordt wijkgericht opgepakt. Dit betekent dat we per wijk kijken wat de fysieke kenmerken zijn van de buurt en de woningen, maar ook hoe de bevolking is samengesteld en wat de sociale omstandigheden zijn. Het stelt ons in staat om maatwerk te leveren. Wellicht kunnen buren elkaar enthousiasmeren samen aan de slag om hun wijk te verduurzamen of woningen te isoleren. Dan profiteert men van schaalvoordelen en informatie kan in één keer door een buurt worden vergaard.
Tegelijkertijd blijft er ruimte voor afzonderlijke initiatieven op verschillende locaties in de gemeente zodat het enthousiasme van voorlopers wordt gekoesterd en zij een voorbeeldfunctie kunnen hebben.
24
In samenwerking met stakeholders Bewoners en bedrijven dienen zelf hun huizen en panden te isoleren. De gemeente is dus van hen afhankelijk en heeft de taak om deze stakeholders, al dan niet in de vorm van energiecoöperaties en andere duurzaamheidsinitiatieven goed te informeren, te ondersteunen en te stimuleren Zo werkt de gemeente aan bewustwording. Ze zet geen eigen campagne op om gedragsverandering te bewerkstelligen, maar sluiten hiervoor aan bij de landelijke campagnes.
4.3
Met wie doen we dit samen?
Bewoners Draagvlak onder inwoners is een belangrijke voorwaarde voor een succesvolle totstandkoming en realisatie van de LES. Door middel van participatie en communicatie benutten we de kracht uit de samenleving voor het behalen van de doelen en de opgave. Het is aan de bewoners zelf om hun woning te verduurzamen en energielabelstappen te zetten, bijvoorbeeld door deze te isoleren en andere (kleine) energiebesparende maatregelen te nemen. De gemeente biedt ondersteuning met een subsidie en een duurzaamheidslening met lage rente. Tot slot informeert, adviseert en inspireert de gemeente bewoners via de website (‘In gesprek met LV’), energiecoaches en het energieloket. Woningcorporaties De gemeente werkt via jaarlijkse prestatieafspraken samen met beide In Leidschendam-Voorburg actieve woningcorporaties en diverse huurdersorganisaties. Afspraken betreffen onder andere de energietransitie, energiebesparende maatregelen en communicatie. Hiermee wordt de rol van de corporaties in de LES concreet. De afspraken die er nu liggen zijn als volgt. Vidomes realiseert gemiddeld energielabel B in 2027 en A in 2030 voor het woningbezit en realiseert 380 energiezuinige woningen binnen 5 jaar. WoonInvest realiseert gemiddeld energielabel B voor het woningbezit in 2024. Vidomes streeft bij nieuwbouw naar nul-op-de-meterwoningen.
WoonInvest zet bij nieuwbouw in op isolatie ten behoeve van verwarming met lagetemperatuurwarmte (LTW). Particuliere verhuur Bij particuliere verhuur is het nog altijd nodig dat verhuurder en huurder met elkaar in gesprek gaan over duurzaamheidsmaatregelen en de verdeling van kosten en baten. De investering ligt hierbij bij de verhuurder, maar de huurder profiteert van een lagere energierekening. Het is belangrijk dat verhuurder en huurder zich realiseren dat bepaalde maatregelen genomen moeten worden en dat ze niet kunnen blijven afwachten. Grote particuliere verhuurders in de gemeente zijn bijvoorbeeld Vesteda en MS Vastgoed. Het gesprek met deze partijen kan gevoerd worden in samenspraak met de VvE’s. De kantorenmarkt biedt tevens kansen om de voorraad te verduurzamen. Door verduurzaming worden ze weer aantrekkelijk als bedrijfspand of komen ze sneller in aanmerking voor transformatie naar een andere functie, bijvoorbeeld wonen: verduurzaming in combinatie met herbestemming. Bedrijven In principe zet de gemeente niet in op het faciliteren van verduurzaming van commercieel vastgoed (woningen en utiliteitsbouw) zonder wettelijke instrumenten. Alleen indien commercieel vastgoed aanwezig is in een wijk die de gemeente aardgas wil maken, worden de desbetreffende partijen betrokken bij het proces.
De Wet milieubeheer legt ondernemingen en organisaties op om te werken aan energiebesparing. De verplichting is afhankelijk van het jaarlijkse verbruik van gas en elektriciteit. De Omgevingsdienst Haaglanden (ODH) handhaaft deze wet in opdracht van de gemeenten. Dit betekent dat ook ondernemers en organisaties in Leidschendam-Voorburg actief met energiebesparing aan de slag moeten. Samen met ODH informeren we bedrijven over de energie-informatieplicht en handhaving.