CConstaterende datLeiden
Koppel je AI →
Document · PDF

Vastgesteld besluit bij RV 21.0021 Vaststellen tweede tranche van de Verordening fysieke leefomgeving (incl. erratum)

Gemeenteraad 29 april 2021, gemeente LeidenBij agendapunt: RV 21.0021 Vaststellen tweede tranche van de Verordening fysieke leefomgeving16.651 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RAADSVOORSTEL Rv. nr.: 21.0021

B en W-besluit d.d.: 30-03-2021 B en W-besluit nr.: 21.0164

*Z1D989D2937* Naam programma: 06 Stedelijke ontwikkeling Onderwerp: Vaststellen tweede tranche van de Verordening fysieke leefomgeving Aanleiding: Op 8 oktober 2020 heeft uw raad de Verordening voor de fysieke leefomgeving Leiden 2020 vastgesteld. Deze verordening is op 1 januari 2021 in werking getreden. Bij de behandeling van die eerste tranche hebben we aangekondigd dat er een tweede tranche zou volgen. Voor u ligt het voorstel daarvoor. Bij deze tweede tranche volgen we dezelfde uitgangspunten als in de eerste tranche. Doel: Het vaststellen van de tweede tranche van de Verordening voor de fysieke leefomgeving waarbij op een beleidsneutrale wijze bestaande gemeentelijke regelingen worden overgezet in de Verordening voor de fysieke leefomgeving. Kader: Verordening voor de fysieke leefomgeving Leiden 2020 De Omgevingswet die volgens de huidige planning op 1 januari 2022 in werking zal treden. Overwegingen: Voor u ligt de tweede tranche van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Leiden 2020. Deze tweede tranche is een direct vervolg op de eerste tranche van deze verordening die uw raad op 8 oktober 2020 heeft vastgesteld en die op 1 januari jongstleden in werking is getreden. Er worden in dit voorstel vijf regelingen toegevoegd aan de bestaande Verordening voor de fysieke leefomgeving. Verderop in dit voorstel staat aangegeven welke regelingen dit zijn.

Belangrijk om op voorhand te melden is dat net als de eerste tranche ook deze tweede tranche geheel beleidsneutraal is. Het proces van tot stand komen van deze tweede tranche en de werkwijze voor het verwerken van bestaande regelgeving in de verordening fysieke leefomgeving is dezelfde geweest als in de eerste tranche. Daarom zal daar niet uitgebreid bij stil worden gestaan in dit voorstel. Wel zal kort nog even worden stilgestaan bij de uitgangspunten voor de Verordening fysieke leefomgeving. Verder zal uitgebreider stil worden gestaan bij het zogenaamd positief formuleren van verbodsbepalingen waarmee het college naar aanleiding van de toezegging daarover tijdens de raadsbehandeling mee aan de slag is gegaan.

Uitgangspunten

Pagina 1 van 37

De tweede tranche van de Verordening fysieke leefomgeving volgt dezelfde uitganspunten en is op dezelfde wijze tot stand gekomen als de eerste tranche. In een notendop zijn deze uitgangspunten: - Verbeteren dienstverlening door vergroten toegankelijkheid en bruikbaarheid van gemeentelijke regels. Dit wordt met name bewerkstelligd door het herschrijven van regels naar een begrijpelijker niveau en door het harmoniseren van begrippen en het verwijderen van overlappingen. Zo worden regels leesbaarder en begrijpelijker. -

Voorbereiden op de komst van de Omgevingswet en het omgevingsplan. Dit doen we door samen te werken aan een integrale verordening waarbij we het casco omgevingsplan van de VNG als blauwdruk te gebruiken. Zo leert de organisatie werken om een manier die nauw raakt aan hoe er straks onder de Omgevingswet door gemeentes zal worden gewerkt.

-

De Verordening fysieke leefomgeving is een verordening op grond van de gemeentewet. Hoewel opgesteld in de stijl van en ter voorbereiding op het omgevingsplan is het nog steeds een “ouderwetse” verordening. Hetgeen betekent dat alle bevoegdheden, rechten en plichten op dezelfde manier werken als toen het nog losse regelingen waren.

-

Het omzetten van regels gebeurt beleidsneutraal. De inhoud van de Verordening fysieke leefomgeving is daarmee hetzelfde als die van de verordeningen die er in opgaan. Dit omdat een inhoudelijke discussie, ondanks dat dat op onderwerpen soms wenselijk en nodig is, het proces van verbeteren en leren uit de uitgangspunten hierboven kan verstoren.

Positief formuleren verbodsbepalingen Samenvatting Dit deel van het raadsvoorstel gaat nader in op het principe van positief formuleren. Dit naar aanleiding van het verzoek van uw raad bij de behandeling van de eerste tranche van de Vfl en een toezegging van wethouder Spijker daarop. Hieronder vindt u het geheel van het onderzoek en de resultaten maar eerst volgt een korte samenvatting. In totaal bevatten de eerste en tweede tranche van de Vfl ongeveer vijftig verbodsbepalingen. Deze zijn geanalyseerd op (on)mogelijkheden om positief te formuleren. Met name is daarbij gekeken naar of een positieve formulering kan aan de hand van de criteria die we hebben opgesteld aan de hand van het vorig jaar uitgebrachte advies van Pels Rijcken. Daarbij is ook uitgegaan wat het doel is van het artikel waar het verbod in staat. Zo hebben we geen artikelen positief geformuleerd die een absoluut verbod betreffen, waar een strafbepaling aan hangt of die bij uitvoering een onomkeerbaar gevolg zou hebben. De rode draad daarbij is dat dat om zaken gaat die echt onwenselijk zijn en het risico te groot is dat iemand door het onvoldoende lezen of doorgronden van de positief geformuleerde regel een ongewenste of verboden activiteit wel uitvoert. Dat levert bijvoorbeeld extra werk op in de handhaving. Verder is gekeken of het positief formuleren taalkundig verantwoord was.

Het resultaat is in totaal 7, waarvan 5 nieuwe, artikelen die positief zijn geformuleerd. Dit is een extra stap in de dienstverlening richting de burger die we kunnen zetten zonder daarbij belangrijke zaken als rechtsbescherming uit het oog te verliezen. Inleiding Eén van de gedachten achter de Omgevingswet is dat initiatieven niet meer vanuit de gedachte ‘nee, tenzij’ worden benaderd, maar vanuit de gedachte ‘ja, mits’. In plaats van dat een activiteit bij voorbaat is verboden, tenzij aan de voorwaarden is voldaan (bijvoorbeeld een verleende vergunning), is onder de uitnodigingsplanologie van de Omgevingswet een activiteit toegestaan, Pagina 2 van 37

mits aan de voorwaarden is voldaan. Dit vereist een andere manier van denken. Het herschrijven van verbodsbepalingen naar deze zogenoemde positieve formulering is onder de Omgevingswet geen verplichting. Echter zijn wij van mening dat deze nieuwe manier van denken niet wordt bemoedigd als de artikelen nog uitgaan van een negatieve formulering. Er is dan sprake van een tegenstrijdigheid. Daarom bestaat, op voorspraak van uw raad, de wens om artikelen in de Verordening fysieke leefomgeving positief te herformuleren. Omdat er nog geen andere gemeenten, of zelfs andere bekende gevallen zijn van positieve formuleringen, is advies ingewonnen bij advocatenkantoor Pels Rijcken. In dit advies (d.d. 11 september 2020, hierna: het advies) geven zij aan dat er mogelijkheden bestaan voor positieve formuleringen, maar hier wel voorzichtig mee moet worden omgesprongen zodat de rechtszekerheid niet in gevaar komt. Criteria Niet alle verbodsbepalingen zijn hetzelfde. Uiteraard is het onderwerp verschillend, maar ook de manier waarop een activiteit is verboden. Bepaalde activiteiten zijn wel toegestaan als er een vergunning of een ontheffing is verleend (nee, tenzij). Hieronder vallen bijvoorbeeld het innemen van een ligplaats of het kappen van een boom, maar ook het houden van bijen in de buurt van woningen.

Ook zijn er veel activiteiten die altijd verboden zijn, zoals het beschadigen van een monument, het bouwen op verontreinigde bodem of het op de weg parkeren van verwaarloosde voertuigen. Sommige activiteiten zijn verboden, behalve binnen de daarvoor aangewezen plaatsen. Tot slot zijn er ook enkele activiteiten die met een melding zijn toegestaan Daarom is aan de hand van criteria bepaald voor welke artikelen het positief formuleren dit wenselijk en mogelijk is en als dat zo is hoe deze het beste herschreven kunnen worden zodat er een leesbaar en uitvoerbaar artikel overblijft. Deze criteria zijn: 1. pure verboden. 2. strafbepalingen, 3. onomkeerbaarheid, 4. verdere voorschriften Pure verboden De artikelen waar deze verboden in zitten zien veelal op activiteiten die niet zijn toegestaan omdat toestaan zou kunnen leiden tot bijvoorbeeld gevaarlijke situaties of hinder. Dit zijn dus activiteiten die altijd verboden zijn. In theorie zouden een aantal van deze artikelen nog wel positief kunnen worden geformuleerd omdat het bijvoorbeeld gaat om een maximale tijdsduur of maximale afmetingen. Door dat te doen schiet de bepaling echter zijn doel voorbij. Deze activiteiten zijn met een reden verboden. Positieve formuleringen zouden in deze gevallen ongewenst gedrag uitnodigen. Bovendien zou het mogelijk de indruk wekken dat er naast deze artikelen geen andere regels gelden.

Daarbij kan in elk geval worden gesteld dat artikelen die activiteiten altijd verbieden afvallen. Deze activiteiten zijn duidelijk onwenselijk. Een positieve formulering zou in deze gevallen alleen maar verwarring veroorzaken. Strafbepalingen Uit het advies bleek dat moet worden bepaald in hoeverre het wenselijk is dat activiteiten in principe zijn toegestaan, mits aan de voorwaarden is voldaan. Als het uitvoeren van een activiteit zonder aan de voorwaarden is voldaan door middel van een strafbepaling strafbaar is gesteld, Pagina 3 van 37

moet de vraag worden gesteld of een positieve formulering hier wel wenselijk is. De Vfl bevat 6 strafbepalingen die daarmee meerdere activiteiten strafbaar stellen. Het uitvoeren van de activiteit zonder vergunning is met de strafbepaling hiermee nadrukkelijk strafbaar gesteld. Er mag daarom geen enkele twijfel ontstaan dat voor deze activiteiten een vergunning nodig is. Dat blijkt ook uit het advies van Pels Rijcken. Mogelijk kunnen deze bepalingen in het omgevingsplan wel anders worden geformuleerd omdat de straffen dan anders wordt geregeld. Onomkeerbaarheid Een volgend criterium dat moet worden meegenomen in de afweging of een artikel kan worden herschreven is de mate van onomkeerbaarheid van een activiteit. Bepaalde activiteiten zijn verboden omdat het uitvoeren daarvan niet ongedaan kan worden gemaakt. Een gekapte boom is niet te herstellen. Daarom is het waarschijnlijk niet wenselijk om deze bepalingen positief te formuleren. Andere activiteiten, zoals het beschadigen van een monument of het aanleggen van een weg, zijn wel ongedaan te maken, maar daar staan (soms zeer hoge) kosten voor het herstellen tegenover. Ook ontstane overlast is niet ongedaan te maken. Juist vanwege die onomkeerbaarheid van het gevolg van deze niet toegestane activiteiten zijn dergelijke artikelen ongeschikt gebleken voor positieve formulering.

Verdere voorschriften Een verbodsbepaling bevat vaak veel meer dan alleen het verbieden van een bepaalde activiteit. Vaak zijn er ook voorwaarden opgenomen waaraan moet worden voldaan voordat de activiteit kan worden uitgevoerd. Voorwaarden zoals een vergunning of ontheffing zijn al genoemd. Maar er kunnen ook andere voorwaarden gelden. Dat is bijvoorbeeld het geval bij aanbrengen van opschriften of afbeeldingen op een onroerend goed. Daarvoor is in de eerste plaats een vergunning nodig. Maar verderop in het artikel staat ook een heel scala aan gevallen waarin het verbod niet geldt, zoals wanneer het gaat om naamborden of borden met ‘te koop’ of ‘te huur’, mits deze binnen bepaalde maten vallen. In deze meeste van deze gevallen is geoordeeld dat het onwenselijk is om deze positief te formuleren. Dat komt omdat het artikel door die opvolging van vele voorwaarden en uitzonderingen erg complex is. Na een positieve formulering zorgt dat mogelijk voor verwarring, dan is ‘nee, tenzij’ duidelijker. Voor een dergelijk artikel is het eigenlijk wenselijk om het gehele artikel ter herzien, meer dan is gedaan in de hiervoor gedane omzetting naar B1 niveau. Dit vraagt echter een oplossing die gaat in de richting van dereguleren en is daarmee niet meer beleidsneutraal te noemen en kunnen we hier dus niet meenemen.

Richting het omgevingsplan en mogelijk bij het opstellen van Toepasbare regels kan dit wel gedaan worden. Overige redenen om al dan niet positief formuleren Regels over bomen Er zijn ook andere redenen die tijdens het beoordelen naar boven kwamen. De artikelen met betrekking tot bomen worden op dit moment inhoudelijk herschreven. Dat maakt dat deze, naast het punt van onomkeerbaarheid, nu ook niet geschikt zijn om te herformuleren. Door dat te doen zullen ze op een later moment weer moeten worden aangepast.

Vergunning of ontheffing Pagina 4 van 37

Ook het verschil tussen artikelen waar een vergunningplicht of een ontheffing voor geldt heeft meegespeeld in de beoordeling. Een vergunningplicht geeft aan dat een activiteit in principe niet ongewenst is, slechts het uitvoeren zonder vergunning is ongewenst. Zolang men zich aan de voorwaarden houdt is het geen probleem. Bij activiteiten waar een ontheffing voor kan worden aangevraagd ligt dat anders. Deze activiteiten zijn ongewenst, maar bij hoge uitzondering kan een ontheffing worden verleend in gevallen waar het echt niet anders kan. Uitvoering Vorm Bij het herschrijven van artikelen naar de positieve formulering is steeds per artikel bepaald of het daarvoor wenselijk en mogelijk is om het te herschrijven. Als dat het geval blijkt, moest worden bepaald in welke vorm dat kon worden gedaan. De klassieke ‘ja, mits’ heeft daarbij niet de voorkeur gekregen. Met name vanuit de praktijk stuitte dit op bezwaren. Vanuit de bij vergunningverlening en handhaving betrokken afdelingen wordt gevreesd dat burgers te veel de nadruk zullen leggen op de ‘ja’ en niet op de ‘mits’. Daar zouden ze overheen kunnen lezen nadat ze zien dat hun gewenste activiteit is toegestaan met alle gevolgen van dien. Daarom is de vorm ‘mits, ja’, oftewel ‘als aan de voorwaarden is voldaan, is de activiteit toegestaan’ ontstaan.

Op deze manier wordt de nadruk op de voorwaarde(n) gelegd en niet op de toestemming. In de Vfl is een algemene verbodsbepaling opgenomen waaruit blijkt dat het zonder vergunning uitvoeren van activiteiten waarvoor wel een vergunning is vereist, niet is toegestaan. Uit het advies blijkt dat het hiernaast, in verband met de rechtszekerheid, aan te raden is om een woord als ‘slechts’ of ‘uitsluitend’ aan het artikel toe te voegen: ‘uitsluitend als aan de voorwaarden is voldaan, is de activiteit toegestaan’. Op deze manier is voor burgers ook duidelijk dat de toestemming niet vrijblijvend is. Conclusie Het positief formuleren van artikelen was een uitdagende puzzel. Omdat de rechtszekerheid niet in het geding mag komen, moest het herschrijven zorgvuldig worden uitgevoerd. Daarbij is het lastig dat er in Nederland nog geen andere voorbeelden zijn van gemeenten die hier al meer aan de slag zijn. Dat vergroot de uitdaging en de noodzaak van zorgvuldigheid. Echter er mag wel gesproken worden van een geslaagde exercitie en deze positieve grondhouding bij het formuleren van verbodsbepalingen zal ook in het vervolg worden gehanteerd, bijvoorbeeld bij het opnemen van de Verordening fysieke leefomgeving in het omgevingsplan. Beoordeling artikelen Bij veel bepalingen bestaat een zekere mate van overlap tussen de verschillende hierboven besproken criteria.

Na de beoordeling op grond van al deze criteria blijkt dat er zeven artikelen geschikt zijn voor een positieve formulering. Twee daarvan waren al positief geformuleerd in regelingen waar ze uit zijn overgenomen. Dit zijn artikel 3.3.1.2 (incidentele festiviteiten) en artikel 3.4.1.2 (innemen van een tijdelijke ligplaats). We hebben dus nu vijf extra artikelen kunnen herschrijven. De nieuwe herschreven artikelen zijn de volgende: • Artikel 3.4.4.1 Voorwerpen op of aan de weg (APV) • Artikel 3.4.4.3 Maken, veranderen van een uitweg (APV) • Artikel 3.4.4.9 Voorwerpen op, in of boven openbaar water (APV) • Artikel 3.4.9.1 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden (APV) • Artikel 3.4.9.2 Toestemming rechthebbende (APV)

Pagina 5 van 37

Met dit onderzoek en het op deze wijze toevoegen van een deze positief geformuleerde verbodsbepalingen zetten we een goede stap in de richting van de uitnodigende gedachte die de Omgevingswet bij het stellen van regels heeft. Tevens beschouwen wij hierbij de toezegging zoals gedaan in de raadsvergadering van 8 oktober 2020 op dit onderwerp als afgedaan.

Technische wijzigingen In deze tweede tranche worden nog een aantal kleine technische wijzigingen aan bestaande artikelen doorgevoerd om foutjes die in de eerste tranche waren geslopen op te lossen. Het gaat hier met name om het aanpassen van niet kloppende verwijzingen (van het ene artikel of lid naar het andere) of het toevoegen van een woord of aanduiding om de bedoeling van het artikel weer. Dit laatste is bijvoorbeeld het geval bij artikel 4.3.6.3 dat handelt over de stadschoonvergunning. In de praktijk bleek dat door het herschrijven een deel van de bedoeling van het eerste lid was weggevallen. Door toevoeging van het woordje “daarin” is dit opgelost en heeft het artikel weer exact dezelfde strekking als het oude artikel uit de APV. Overgenomen regelgeving In deze tweede tranche zijn de volgende stukken regelgeving geheel of gedeeltelijk opgenomen. Geheel:  Marktverordening Leiden 2015  Instellingsbesluit markten Leiden 2016  Huisvestingsverordening, onderdeel woonruimtevoorraad, Leiden 2020  Leidingenverordening gemeente Leiden 2012  Rioolverordening Buitenriolering Leiden 2015 Geschrapte regels Alle inhoudelijke regels uit deze regelingen zijn overgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving. Net als in de eerste tranche zijn er een aantal artikelen of delen van artikelen niet rechtstreeks overgenomen.

Dit betreft exclusief artikelen met definities of die technisch van aard zijn, zoals artikelen over het aanwijzen van toezichthouders of overgangsrecht. De bepalingen uit deze artikelen zijn opgenomen in de reeds bestaande artikelen in de Verordening fysieke leefomgeving die over die onderwerpen handelen. Niet opgenomen regels Tijdens de hierboven bedoelde sessies is uitvoerig aandacht besteed aan de noodzaak om bepaalde verordeningen of regels daaruit op te nemen in de Verordening fysieke leefomgeving. Initieel was bedacht om meer regelingen op te nemen in deze tweede tranche. Als gevolg van voortschrijdend inzicht zijn een aantal niet opgenomen. Dit betreft de volgende regelingen:  Telecommunicatieverordening gemeente Leiden 2012  Afvalstoffenverordening 2008  Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Leiden  Verordening benzinepompen 1992  Verordening op wegen, lanen, straten, enz. en wateringen en sloten  Verordening nadeelcompensatie gemeente Leiden 2014  Procedureregeling planschadevergoeding 2005  Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade (2008)

Pagina 6 van 37

Voor de Afvalstoffenverordening geldt dat een nieuwe vervangende regeling in de maak was op het moment dat de tweede tranche werd opgesteld daarom kon deze niet worden overgenomen. Voor de meeste overige regelingen bleek bij nadere bestudering dat ze vanwege het onderwerp of de aard van de regeling in de toekomst niet in het omgevingsplan terecht zullen komen en daarom ook niet in de Verordening fysieke leefomgeving opgenomen kunnen worden. Vervolg Ook met de tweede tranche zijn In de Verordening fysieke leefomgeving nog niet alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen. Er zal echter geen derde tranche volgen. Wel zal er, als er beleidsontwikkelingen plaatsvinden die een wijziging in regelgeving nodig maken, worden gekeken of deze in de Verordening fysieke leefomgeving kunnen worden ingepast. Ook zal het voorkomen dat de nu in de Verordening fysieke leefomgeving opgenomen regeling gewijzigd moeten worden, bijvoorbeeld door nieuwe beleidsinzichten. Daarvoor zal de Verordening fysieke leefomgeving dan worden aangepast. Een voorbeeld hiervan zal uw raad zeer binnenkort tegemoet kunnen zien, dat betreft de nieuwe regels omtrent bomen. Met deze wijze van aanvullen en wijzigen is de Verordening fysieke leefomgeving een dynamisch stuk regelgeving geworden. Hiermee sorteert het ook direct voor op het omgevingsplan na invoering van de Omgevingswet.

Het omgevingsplan is een belangrijk onderdeel van de Omgevingswet en vormt naast de omgevingsvisie een belangrijk tweede wettelijk verplicht (kern)instrument. Het omgevingsplan vormt uiteindelijk de juridisch-planologische doorvertaling van de Leidse ambities en uitgangspunten die zijn omschreven in de Leidse omgevingsvisie en de voor de gemeente Leiden specifieke ontwikkelperspectieven. In tegenstelling tot de omgevingsvisie en de ontwikkelperspectieven vormt het omgevingsplan dus wel een juridisch bindend kader voor één ieder. De Omgevingswet stelt gemeenten een doel namelijk: “De gemeenteraad stelt voor het gehele grondgebied één omgevingsplan vast waarin de regels aangaande de fysieke leefomgeving worden opgenomen.” (art 2.4 Ow) Dit moet uiterlijk op 31 december 2029 gereed zijn, wat betekent dat gemeenten nog minder dan 9 jaar hebben om dat voor elkaar te krijgen. Dat klinkt lang maar is ook zo voorbij. Daarom zijn we daar nu al druk mee bezig, op verschillende gebieden, om zo op korte termijn, uiterlijk op het moment van inwerkingtreding (1 januari 2022), een goed werk- en bruikbaar juridisch-planologisch kader te hebben op basis waarvan Leiden ruimtelijke besluiten kan nemen. Dit kader bestaat uit: •

Het omgevingsplan-van-rechtswege

•

De Verordening Fysieke Leefomgeving.

Het omgevingsplan van rechtswege bestaat uit o.a. de bruidsschat en de huidige bestemmingsplannen. Deze worden op 1-1-2022 automatisch het eerste omgevingsplan. Onze Verordening fysieke leefomgeving maakt niet rechtstreek onderdeel uit van het plan-vanrechtswege, maar vormt wel een onderdeel van het juridische kader op het moment dat de wet inwerking treedt. En dat is belangrijk omdat het doel is om de gemeentelijke verordeningsregels onderdeel te maken van het Leids omgevingsplan. En door nu al op deze manier met een Verordening fysieke leefomgeving bezig te zijn zorgen we ervoor dat, door extra aandacht te besteden aan de opbouw en in een later stadium voor de ontsluiting van de verordening, het Pagina 7 van 37

overzetten zo gemakkelijk en efficiënt mogelijke manier kan gebeuren. Tevens zijn we hiermee een van de voorlopers in Nederland. Over het hoe en het wat van het omgevingsplan zal uw raad op een ander moment uitgebreid over worden geïnformeerd. Inspraak/participatie: Omdat het opstellen van de Verordening fysieke leefomgeving geheel beleidsneutraal heeft plaatsgevonden heeft er geen inspraak plaatsgevonden. Bijgevoegde informatie: Toelichting op de Verordening fysieke leefomgeving 2.

Transponeringstabellen behorende bij: Verordening fysieke leefomgeving Leiden 2020,

3.

Leeswijzer voor de Verordening fysieke leefomgeving.

tranche 2,

Pagina 8 van 37

RAADSBESLUIT: De raad van de gemeente Leiden: Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders (Raadsvoorstel RV 21.0021 van 2021), mede gezien het advies van de commissie Stedelijke Ontwikkeling,

1.

BESLUIT Vast te stellen de Verordening tot wijziging van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Leiden 2020, luidende aldus:

Verordening tot wijziging van de Verordening fysieke leefomgeving Leiden 2020. Artikel 1 Wijzigen verordening De Verordening fysieke leefomgeving Leiden 2020 wordt als volgt gewijzigd. A. Aan Hoofdstuk 1, Artikel 1.2 wordt een vijfde lid toegevoegd dat luidt als volgt: Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.2 Toepassingsbereik 5. Deze verordening is niet van toepassing op bijzondere markten en/of braderieën waarvoor het gebruiken van gemeentegrond op grond van privaatrecht is met het college is geregeld en/of waarvoor op grond van de Algemene plaatselijke verordening een evenementenvergunning is verleend. B. In Hoofdstuk 2, Afdeling 2.1 een Paragraaf 2.1.2 toe te voegen die luidt als volgt: Hoofdstuk 2 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Paragraaf 2.1.2 Markten Artikel 2.1.2.1 Reguliere warenmarkten (Instellingsbesluit markten) Het college stelt de volgende reguliere warenmarkten in: a. Dinsdag, bij winkelcentrum de Luifelbaan/Bevrijdingsplein in Leiden Zuidwest, van 08.00 tot 13.00 uur; b. Woensdag, in het centrum, Nieuwe Rijn, Vismarkt, Visbrug, Botermarkt, Aalmarkt en de Koornbeursbrug, van 08.00 tot 17.00 uur. Een deel van deze markt is exclusief bestemd voor de biologische markt. Op de inrichtingskaart die bij het inrichtingsplan van deze markt hoort, is ingetekend welke standplaatsen daarvoor zijn bestemd; c.

Donderdag, bij winkelcentrum de Stevensbloem in de Stevenshof, van 09.00 tot 16.00 uur; d. Vrijdag, bij winkelcentrum de Kopermolen in de Merenwijk van 10.00 tot 17.00 uur; e. Zaterdag, in het centrum, Nieuwe Rijn, Vismarkt, Visbrug, Botermarkt, Gangetje, Karnemelksbrug, Aalmarkt, Koornbeursbrug en Koornbrugsteeg, en de Nieuwstraat, van 08.00 tot 17.00 uur. Artikel 2.1.2.2 Inrichtingsplan (Marktverordening) 1. Het college stelt voor iedere markt een inrichtingsplan vast. Dat plan bevat in ieder geval: Pagina 9 van 37

a. een aanduiding van de dagen en de uren waarop en eventueel de periode waarin de markt wordt gehouden (markttijd); b. een kaart van de markt; c. indien van toepassing: de mededeling dat het anciënniteitsstelsel van toepassing is; d. een aanduiding van de manier waarop vergunning op grond van deze verordeningen kunnen worden verleend; e. voor zover van toepassing: dat het verbod om te bedienen zonder vergunning geldt, en het maximum aantal bedienvergunningen dat kan worden verleend. 2. Op de kaart moeten de volgende zaken worden aangegeven: a. de grenzen van de markt; b. de plaatsen of gebieden die bestemd zijn voor houders van een vergunning voor een vaste standplaats; c. voor zover van toepassing: de afmetingen of maten van de standplaatsen; d. voor zover van toepassing: de plaatsen of gebieden waar een of meer branches of artikelgroepen voorrang hebben, en indien van toepassing de maximum aantallen vaste standplaatsvergunningen die kunnen worden afgegeven voor één of meer branches of artikelgroepen, of combinaties daarvan; e. voor zover van toepassing: de plaatsen of gebieden waar houders van een dagplaatsvergunning voorrang hebben; f. voor zover van toepassing: de plaatsen of gebieden waar houders van een standwerkvergunning voorrang hebben; g.

voor zover van toepassing: de plaatsen of gebieden die bedoeld zijn voor standplaatsen die zijn voorzien van bakinstallaties of andere voorzieningen die bedoeld zijn voor het verhitten of warmhouden van voedingsmiddelen; h. voor zover van toepassing: de plaatsen of gebieden die bedoeld zijn voor houders van een bedienvergunning; i. voor zover van toepassing: de plaatsen of gebieden die bedoeld zijn voor het opstellen van kraammateriaal. 3. Als bij de aanvang van de markt een standplaats die is bedoeld voor de houder van een vergunning voor een vaste standplaats nog niet door de vergunninghouder of zijn plaatsvervanger is ingenomen, kan voor die plaats een dagplaatsvergunning worden afgegeven. 4. Het inrichtingsplan is tijdens de markttijd bij de markt aanwezig en in te zien. Artikel 2.1.2.3 Biologische markt (Marktverordening) 1. Het college kan een biologische markt instellen. 2. Op de biologische markt mogen uitsluitend biologische producten worden verhandeld. 3. Voor deze markt wordt een inrichtingsplan als bedoeld in artikel 2.1.2.2 vastgesteld. Artikel 2.1.2.4 Lakenmarkt en 3 oktobermarkt (Marktverordening) 1. Het college kan een speciale markt instellen voor de Lakenmarkt tijdens de Lakenfeesten en voor de 3 oktobermarkt tijdens de viering van Leidens Ontzet. 2. Voor deze markten worden een inrichtingsplan als bedoeld in artikel 2.1.2.2 vastgesteld.

Artikel 2.1.2.5 Geen markt op feestdagen (Instellingsbesluit markten) Op Nieuwjaarsdag, eerste en tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, eerste en tweede Pinksterdag en op eerste en tweede Kerstdag wordt geen markt gehouden. Op verzoek van de Commissie Ambulante Handel kan worden bekeken of de warenmarkt op een andere dag kan worden gehouden. Als 3 oktober op een woensdag of een zaterdag valt wordt er geen markt gehouden.

Pagina 10 van 37

Artikel 2.1.2.6 Afwijking reguliere warenmarkt (Instellingsbesluit markten) Het college kan afwijken van artikel 2.1.2.1 en bepalen dat om dringende redenen een markt tijdelijk zal plaatsvinden op: a. een andere dag; b. een andere tijd, of; c. een andere plaats. Artikel 2.1.2.7 Afgelasten of anders inrichten markt (Instellingsbesluit markten) Het college kan een markt geheel of gedeeltelijk afgelasten of opdragen dat een markt geheel of gedeeltelijk anders wordt ingericht, als dit nodig is in het kader van het algemeen belang, ter uitvoering van werken of in het geval van extreme weersomstandigheden. Artikel 2.1.2.8 Mandaatverboden (Marktverordening) De bevoegdheid om inrichtingsplannen vast te stellen en te wijzigen kan niet worden gemandateerd. C. In Hoofdstuk 3, Afdeling 3.2 een Paragraaf 3.2.2 toe te voegen die luidt als volgt: Hoofdstuk 3 Activiteiten in de fysieke leefomgeving Afdeling 3.2 Bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten, sloopactiviteiten Paragraaf 3.2.2 Huisvesting Artikel 3.2.2.1 Aanwijzing vergunningplichtige woonruimte (Huisvestingsverordening) 1. Het is niet toegestaan zonder vergunning van het college: a.

woonruimten met een koopprijs beneden de koopprijsgrens, dan wel met een huurprijs beneden de huurprijsgrens, geheel of gedeeltelijk aan de bestemming tot bewoning te onttrekken, anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar; b. woonruimten met een koopprijs beneden de koopprijsgrens, dan wel een huurprijs beneden de huurprijsgrens, geheel of gedeeltelijk samen te voegen, anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar; c. zelfstandige woonruimten om te zetten in onzelfstandige woonruimten; d. woonruimten te verbouwen tot twee of meer zelfstandige woonruimten, als ten minste één van de te vormen woonruimten een gebruiksoppervlakte heeft van 40m2 of minder. 2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing: a. ten aanzien van woonwagens; b. ten aanzien van woningen van een woningcorporatie die ten behoeve van herstructurering worden gesloopt; c. in gevallen waar sprake is van inwoning. Artikel 3.2.2.2 Aanvraag vergunning (Huisvestingsverordening) 1. De aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 wordt ingediend bij het college door middel van een daartoe vastgesteld formulier. 2. Bij de aanvraag worden, naast het bepaalde in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht, ten minste de volgende gegevens verstrekt: a.

Het adres van de woonruimte waar de aanvraag betrekking op heeft;

Pagina 11 van 37

b. De naam en het adres van de aanvrager, zijnde de eigenaar van de woonruimte of het gebouw; c. Straat, huisnummer(s), kadastrale aanduiding(en) en huur- of koopprijs van de betrokken woonruimte(n); d. Een omschrijving van de activiteit waarvoor een vergunning wordt aangevraagd, waarbij ten minste wordt aangegeven: i. Ten behoeve van welke (andere) bestemming een woonruimte aan de bestemming tot bewoning wordt onttrokken, en welk deel van de woonruimte dit betreft, of; ii. Welke woonruimten worden samengevoegd, of; iii. Het aantal (on)zelfstandige woonruimten waarin een zelfstandige woonruimte wordt omgezet; e. De gewenste vergunningstermijn; f. De gegevens over de bestaande situatie, waaronder, voor zover van toepassing, de huur- of koopprijs, het aantal kamers, de gebruiksoppervlakte, de woonlaag en de staat van onderhoud; g. De gegevens over de beoogde situatie, waaronder, voor zover van toepassing, de huurprijs, het aantal kamers, het aantal bewoners en de bouwtekening of omgevingsvergunning; h. Bij een aanvraag om een vergunning voor het omzetten van een zelfstandige woonruimte: gegeven waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de regels zoals gesteld in de vastgestelde Beleidsregel onttrekking en woningvorming, zoals een geluidsisolatieplan.

Artikel 3.2.2.3 Voorwaarden en voorschriften (Huisvestingsverordening) Aan een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 kunnen voorwaarden en voorschriften worden verbonden over onder andere: a. een beperkte geldingsduur van de vergunning als deze voorziet in een tijdelijke behoefte; b. de periode waarbinnen van de vergunning gebruik moet worden gemaakt; c. de voorwaarde dat de huurprijs wordt bepaald op grond van het woningwaarderingssysteem volgens de Huurprijzenwet woonruimte; d. geluidsisolatie-eisen; e. goed verhuurderschap; f. het voorkomen van overlast; g. het belang van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de omgeving van de woning waarop de aanvraag betrekking heeft, als de vergunning betrekking heeft op het omzetten van zelfstandige naar onzelfstandige woonruimten of meerdere zelfstandige woonruimten. Artikel 3.2.2.4 Weigeringsgronden (Huisvestingsverordening) 1. Een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 wordt in ieder geval geweigerd als: a. Naar het oordeel van het college het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het belang dat met het onttrekken, samenvoegen, omzetten of woningvorming wordt gediend; b. Het verlenen van de vergunning zou kunnen leiden tot een onaanvaardbare inbreuk op het woon- en leefklimaat in de omgeving van de betreffende woning; c.

De onder a en b genoemde belangen niet voldoende kunnen worden gediend door het stellen van voorwaarden en voorschriften aan de vergunning;

Pagina 12 van 37

d. Het verlenen van de vergunning zou leiden tot strijdigheid met de voorschriften uit het bouwbesluit of het ter plaatse geldende bestemmingsplan. 2. Een vergunning als bedoeld in artikel 21, onder c, van de Huisvestingswet, wordt in ieder geval ook geweigerd als: a. Het verlenen van de vergunning zou leiden tot het overschrijden van het maximum percentage onttrokken woningen per straat, zoals bedoeld in de vastgestelde Beleidsregel onttrekking en woningvorming; b. Er tussen de woningen met onzelfstandige ruimte horizontaal, en indien van toepassing verticaal, niet ten minste 2 aaneengesloten zelfstandige woonruimten of andere panden niet zijnde woonruimte zijn. 3. Een vergunning als bedoeld in artikel 21 onder d, van de Huisvestingswet, wordt geweigerd als ten minste één van de te realiseren woonruimtes een gebruiksoppervlakte heeft van minder dan 24m2. 4. Het college kan afwijken van het bepaalde in het tweede lid als de aanvraag voor een onttrekkingsvergunning is bedoeld voor het huisvesten van kwetsbare groepen. Artikel 3.2.2.5 Intrekking (Huisvestingsverordening) Het college kan in aanvulling op het bepaalde in artikel 26 van de Huisvestingswet 2014, een vergunning als bedoeld in artikel 3.2.2.1 intrekken als: a. de woning niet in goede staat van onderhoud wordt gehouden; b.

er sprake is van aantoonbare en stelselmatige overlast waardoor het woon- en leefklimaat voor omliggende woningen niet langer aanvaardbaar is, en dit niet kan worden opgelost door het stellen van nadere voorwaarden en voorschriften; c. de feitelijke situatie of het feitelijk gebruik niet meer in overeenstemming is met de vergunde situatie. D. In Hoofdstuk 3, Afdeling 3.4 een Paragraaf 3.4.11 toe te voegen die luidt als volgt: Hoofdstuk 3 Activiteiten in de fysieke leefomgeving Afdeling 3.4 Activiteiten op of bij wegen of bij wateren in beheer bij de gemeente Paragraaf 3.4.11 Markten Artikel 3.4.11.1 Vergunningen (Marktverordening) 1. Het is niet toegestaan om op een markt een standplaats voor het uitoefenen van markthandel in te nemen zonder een vergunning van het college voor een vaste standplaats, een seizoensplaats of een dagplaats. 2. Een vergunning voor een vaste standplaats geldt voor onbepaalde tijd en voor de standplaats die op de vergunning is vermeld, tenzij de vergunning anders bepaalt. Het college kan in bijzondere gevallen een andere standplaats aanwijzen. 3. Een dagplaatsvergunning geldt voor één dag en voor de standplaats die op de vergunning is vermeld. 4. Het is niet toegestaan om op een markt als standwerker op te treden zonder een standwerkvergunning van het college. 5.

Het is niet toegestaan om voedsel en dranken die bedoeld zijn om ter plaatse te consumeren te verkopen aan vergunninghouders en degenen die hen vervangen of bijstaan zonder een bedienvergunning van het college. Een bedienvergunning geldt voor onbepaalde tijd, tenzij de vergunning anders bepaalt. 6. Het is niet toegestaan om marktkramen te plaatsen of daarvoor voorbereidingen te treffen zonder een vergunning van het college. Pagina 13 van 37

7. Er kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden aan een vergunning die is verleend op grond van deze verordening. 8. Een vergunning kan alleen worden verleend aan een natuurlijk persoon die handelingsbekwaam is, die gerechtigd is in Nederland arbeid te verrichten en die geen vergunning heeft voor een vaste standplaats voor de betreffende markt. 9. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. Artikel 3.4.11.2 Mandaatverboden (Marktverordening) De bevoegdheid om een vergunning te verlenen of in te trekken als bedoeld in deze paragraaf kan niet worden gemandateerd aan de marktmeester of een andere toezichthouder. De dagplaatsvergunning kan als uitzondering hierop wel aan de marktmeester of een andere toezichthouder worden gemandateerd. Artikel 3.4.11.3 Overschrijven vergunning vaste standplaats (Marktverordening) 1. De vergunning voor een vaste standplaats, inclusief de daarbij behorende opgebouwde rechten, kan door het college worden overgeschreven op naam van de gehuwd of geregistreerd partner van de vergunninghouder, of een andere persoon met wie hij een duurzame gemeenschappelijke huishouding vormt of vormde: a. op verzoek van de vergunninghouder als hij zelf geen gebruik meer wil maken van de vergunning; b. op verzoek van de curator van de vergunninghouder als hij onder curatele is gesteld; c.

op verzoek van de erven van de vergunninghouders als hij is overleden. 2. Als de overschrijving als bedoeld in het eerste lid niet kan worden gedaan, dan kan de vergunning, exclusief de daarbij opgebouwde rechten, op aanvraag van de vergunninghouder, zijn erven of zijn curator worden overgeschreven op: a. zijn kind, als deze ten minste drie aaneengesloten jaren in loondienst bij de vergunninghouder heeft gewerkt direct voorafgaand aan de gebeurtenis als bedoeld in het eerste lid; b. de mede-eigenaar van diens bedrijf, als deze ten minste drie aaneengesloten jaren mede-eigenaar was direct voorafgaand aan de gebeurtenis als bedoeld in het eerste lid; c. zijn medewerker, als deze ten minste drie aaneengesloten jaren in loondienst bij de vergunninghouder heeft gewerkt direct voorafgaand aan de gebeurtenis als bedoeld in het eerste lid. 3. In het geval van het overlijden of de ondercuratelestelling van de vergunninghouder moet de aanvraag om de vergunning over te schrijven binnen twee maanden na die gebeurtenis worden ingediend. 4. Het college kan van het bepaalde in dit artikel afwijken als het toepassen hiervan voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die vanwege de bijzondere omstandigheden niet in verhouding staan tot het doel van dit artikel. 5.

De aanvraag om een vergunning over te schrijven wordt alleen geweigerd als niet wordt voldaan aan de eisen uit dit artikel of aan een eis waar een houder van een vergunning voor een vaste standplaats volgens deze verordening aan moet voldoen. 6. Als de nieuwe vergunninghouder al een vergunning voor een vaste standplaats voor de betreffende markt heeft, wordt deze vergunning ingetrokken. Artikel 3.4.11.4 Intrekking en vervallen vergunning voor vaste standplaats (Marktverordening) 1. De vergunning voor een vaste standplaats wordt door het college ingetrokken als: a. de vergunninghouder daar schriftelijk om verzoekt;

Pagina 14 van 37

b. binnen twee maanden na het overlijden of na de ondercuratelestelling van de vergunninghouder geen verzoek tot overschrijving is ingediend als bedoeld in artikel 3.4.11.3. 2. De vergunning voor een vaste standplaats kan door het college worden ingetrokken als: a. voor het verkrijgen van de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. de gegevens in de vergunning niet meer kloppen met de werkelijke situatie; c. de vergunninghouder, degene die hem vervangt of iemand die hem bijstaat op de markt zich schuldig heeft gemaakt aan wangedrag of bedrog, of een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling heeft overtreden; d. van de vergunning gedurende ten minste twee maanden geen gebruik is gemaakt; e. de vergunninghouder niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld betaalt dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. 3. Als de vergunninghouder, of zijn vervanger als bedoeld in artikel 3.4.11.6, zijn standplaats niet uiterlijk bij de aanvang van de markt heeft ingenomen, dan vervalt de vergunning voor de rest van de dag. De standplaats komt dan in aanmerking voor een dagplaats. De regels over het in acht nemen van de markttijden uit het inrichtingsplan gelden hierbij.

Artikel 3.4.11.5 Tijdelijke intrekking van een vergunning voor een vaste standplaats (Marktverordening) Het college kan, eventueel voorwaardelijk, een vergunning voor een vaste standplaats telkens voor ten hoogste vier achtereenvolgende marktdagen intrekken, als de vergunninghouder of degene die hem bijstaat: a. een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling overtreedt; b. zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; c. niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld betaalt dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. Dit geldt naast het bepaalde in artikel 3.4.11.4. Artikel 3.4.11.6 Persoonlijk innemen standplaats; vervanging (Marktverordening) 1. De houder van een vergunning voor een vaste standplaats neemt de standplaats die aan hem is toegewezen persoonlijk in. 2. Het college kan toestaan dat de standplaats door een vervanger wordt ingenomen in geval van vakantie, ziekte of bijzondere omstandigheden. Bij de aanvraag daarvoor worden de reden en de verwachte duur van de afwezigheid (maximaal zes aaneengesloten weken) en de naam van de vervanger vermeld. 3. Het college kan op aanvraag van de vergunninghouder ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid in het geval van ziekte of bijzondere omstandigheden die langer duren dan zes weken. 4.

Voor de aanvraag als bedoeld in het tweede en het derde lid wordt het formulier gebruikt dat door het college is vastgesteld. 5. Als de vergunninghouder langer dan zes maanden ziek is moet hij zich laten keuren door een instantie die door het college wordt vastgesteld. 6. De vervanger treedt op namens de vergunninghouder. De rechten en verplichtingen die bij of krachtens deze verordening gelden voor de vergunninghouder gelden gelijk voor de vervanger, met uitzondering van het recht op vervanging als bedoeld in dit artikel. Artikel 3.4.11.7 Vergunning voor een seizoensplaats (Marktverordening)

Pagina 15 van 37

1. Een vergunning voor een seizoensplaats kan worden verleend voor het innemen van een standplaats voor het uitoefenen van markthandel op een markt, voor de periode van 5 oktober tot en met 4 april, op plaatsen die daarvoor in aanmerking komen op grond van het inrichtingsplan. 2. Als een seizoensplaats vrijkomt zal door middel van adverteren worden geprobeerd om deze op te vullen met een ontbrekende artikelgroep of een ontbrekend product uit een artikelgroep. 3. De seizoensplaats zal worden vrijgegeven voor alle artikelgroepen als na vier weken adverteren niet kan worden voorzien in een ontbrekende artikelgroep of een ontbrekend product uit een artikelgroep. 4. De vergunningen voor seizoensplaatsen worden verleend aan de gegadigden die in aanmerking komen op volgorde van wanneer de aanvragen zijn ontvangen. 5. Een vergunning voor een seizoensplaats is gelijk aan een vergunning voor een vaste standplaats voor wat betreft de regels voor overdracht, bijstand en vervanging. Artikel 3.4.11.8 Vergunning voor een dagplaats (Marktverordening) 1. Een vergunning voor een dagplaats kan worden verleend voor het innemen van een standplaats voor het uitoefenen van markthandel op een markt: a. op plaatsen die daarvoor in aanmerking komen op grond van het inrichtingsplan, en; b. op plaatsen die niet zullen worden ingenomen door de houder van een vergunning voor een vaste standplaats omdat: i.

voor de plaats geen vergunning geldt; ii. de vergunning (tijdelijk) is vervallen, of; iii. de vergunninghouder niet in staat is de plaats in te nemen en niet is vervangen als bedoeld in artikel 3.4.11.6. 2. Voor een vergunning voor een dagplaats komen degenen in aanmerking die: a. staan ingeschreven op de meeloperslijst, b. zich minstens 15 minuten vóór de aanvang van de markttijd bij de marktmeester hebben gemeld, en; c. die niet zijn uitgesloten omdat zij tijdens een of meer van de vier voorafgaande marktdagen: i. een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling hebben overtreden; ii. zich schuldig hebben gemaakt aan wangedrag of bedrog; iii. niet of niet tijdig heb verschuldigde marktgeld hebben betaald dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. 3. Het college kan bepalen dat ten aanzien van een gegadigde een uitsluitingsgrond niet geldt, of dat voor de toepassing van het vorige lid een langere termijn geldt. 4. De vergunningen voor een dagplaats worden verleend aan de gegadigden die in aanmerking komen in de volgorde van hun positie op de meeloperslijst. 5. Een dagplaatsvergunning kan niet worden overgedragen. De vergunninghouder kan zich niet laten vervangen. 6. Het is niet toegestaan om deel te nemen aan de loting als bedoeld in artikel 3.4.11.9 en daarnaast in aanmerking te willen komen voor een vergunning voor een dagplaats voor dezelfde dag.

Artikel 3.4.11.9 Standwerkvergunning (Marktverordening) 1. Een standwerkvergunning kan worden verleend voor die plaatsen of gebieden die zijn aangewezen voor standwerken op grond van het inrichtingsplan.

Pagina 16 van 37

2. In de standwerkvergunning staat vermeld voor welke markt, dag en standwerkplaats deze geldt, en welk(e) artikel(en) mag/mogen worden verkocht. 3. Een standwerkvergunning wordt verleend door middel van een loting. 4. De loting vindt plaats op de marktdag bij aanvang van de markt. 5. Iemand die staat ingeschreven op de meeloperslijst mag niet deelnemen aan de loting zolang deze inschrijving niet definitief is vervallen. 6. Als een standwerker zich wil laten bijstaan, moet hij dit vooraf aan de marktmeester melden samen met de naam van degene die hem zal bijstaan. Degene die hem zal bijstaan mag niet op eigen naam deelnemen aan de loting. 7. Een standwerker mag geen weegapparatuur gebruiken of prijskaartjes tonen bij zijn producten of aan zijn kraam. Artikel 3.4.11.10 Bedienvergunning (Marktverordening) 1. Het college kan op aanvraag een bedienvergunning verlenen. In de vergunning staat vermeld voor welke artikelen deze geldt. 2. Artikel 3.4.11.2 van deze verordening is hierop van toepassing. Artikel 3.4.11.11 Opbouwvergunning (Marktverordening) 1. Het college kan op aanvraag een opbouwvergunning verlenen. In de vergunning staat vermeld voor welke artikelen deze geldt. 2. Het college kan in de opbouwvergunning nadere eisen stellen over de opbouwtijden, het te gebruiken materiaal en de opstelplaatsen daarvan. 3. Artikel 3.4.11.2 van deze verordening is hierop van toepassing.

Artikel 3.4.11.12 Uitsluiting standwerker of houder van een vergunning voor een dagplaats (Marktverordening) 1. Het college kan een verleende vergunning voor een dagplaats of een standwerkvergunning intrekken als de vergunninghouder of een persoon die hem bijstaat: a. een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling overtreedt; b. zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; c. niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld betaalt dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet; d. niet als standwerker actief is op de standwerkplaats die aan hem is toegewezen; e. direct of indirect de goede gang van zaken op de markt in gevaar brengt of verstoort. 2. Het college kan een houder van een vergunning voor een dagplaats of van een standwerkvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd uitsluiten van de toewijzing van een dagplaats of standwerkplaats als de vergunninghouder of een persoon die hem bijstaat: a. een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling of de voorschriften van de vergunning overtreedt; b. zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; c. niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld betaalt dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet; d. niet als standwerker actief is op de standwerkplaats die aan hem is toegewezen; e. direct of indirect de goede gang van zaken op de markt in gevaar brengt of verstoort.

Artikel 3.4.11.13 Bijstand (Marktverordening)

Pagina 17 van 37

De houder van een vergunning voor een vaste standplaats, voor een seizoensplaats, voor een dagplaats of van een bedienvergunning kan zich laten bijstaan door één of meer andere personen. Artikel 3.4.11.14 Markt schoonhouden (Marktverordening) 1. Een vergunninghouder is verplicht afval dat vrijkomt tijdens de door hem uitgeoefende verkoop op zijn standplaats te bewaren op een manier dat het marktterrein daardoor niet wordt verontreinigd en het afval niet door onbevoegden kan worden verwijderd. Daaronder valt verpakkingsmateriaal. De vergunninghouder voert het afval onmiddellijk na afloop van de markt af. 2. Een vergunninghouder is verplicht na afloop van de markt de standplaats die door hem is ingenomen en de naaste omgeving daarvan veegschoon achter te laten. Artikel 3.4.11.15 Versterkt geluid en muziek (Marktverordening) 1. Het is niet toegestaan om tijdens de markt op het marktterrein: a. luidsprekers, versterkers en andere middelen om geluid te versterker te gebruiken; b. radiotoestellen, afspeelapparatuur of dergelijke apparatuur te gebruiken. 2. Het college kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 1.

Artikel 3.4.11.16 Vervroegd einde markt (Instellingsbesluit markten) De marktmeester kan toestemming geven aan standplaatshouders om af te wijken van de plicht om tot het einde van de markt aanwezig te blijven, in het geval van weersomstandigheden of andere dringende redenen. E. In Hoofdstuk 3, een Afdeling 3.7 toe te voegen dat luidt als volgt: Hoofdstuk 3 Activiteiten in de fysieke leefomgeving Afdeling 3.7 Activiteiten met betrekking tot bodem en ondergrond Paragraaf 3.7.1 Algemene bepalingen met betrekking tot bodem en ondergrond Artikel 3.7.1.1 Handboek Leidingen (Leidingenverordening) Het college stelt ter uitvoering van deze verordening een Handboek Leidingen vast, waarin onder meer bepalingen zijn opgenomen met betrekking tot de aanleg, het houden, het wijzigen en het verwijderen van kabels en leidingen. Paragraaf 3.7.2 Leidingen Artikel 3.7.2.1 Verbodsbepaling (Leidingenverordening) 1. Het is niet toegestaan om zonder of in afwijking van een vergunning, in, op of boven de openbare ruimte, leidingen: a. aan te leggen; b. te houden; c. te onderhouden; d. te verwijderen. 2. Het is niet toegestaan om zonder of in afwijking van een vergunning, in of op infrastructurele voorzieningen, leidingen: a. aan te leggen; b. te houden; c. te onderhouden; Pagina 18 van 37

d. te verwijderen. 3. Het is niet toegestaan om zonder of in afwijking van een vergunning bestaande leidingen: a. te wijzigen; b. te verplaatsen; c. een andere functie te geven dan in de vergunning is omschreven. Artikel 3.7.2.2 Aanvragen vergunning (Leidingenverordening) 1. Het college verleent een vergunning op aanvraag aan de leidingexploitant, nadat is gebleken dat wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze verordening. 2. De aanvraag om een vergunning wordt digitaal ingediend bij het college door middel van een daartoe vastgesteld formulier dat is gepubliceerd op de website van de gemeente Leiden. 3. Het college stelt in het Handboek Leidingen vast welke gegevens en documenten nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag. 4. In het geval van reparaties en het maken van huisaansluitingen met een maximale lengte van 25 meter in de openbare ruimte geldt een verkorte procedure. Het college verleent toestemming voor de beoogde werkzaamheden als de leidingexploitant ten minste twee werkdagen voorafgaand aan de werkzaamheden daarvan digitaal een melding heeft gedaan op de manier die door het college is vastgesteld. Het college kan voorwaarden stellen aan de toestemming. Artikel 3.7.2.5 tweede lid, is hierbij van overeenkomstige toepassing. 5.

Het vierde lid is niet van toepassing op hoogspanningskabels van meer dan 380 Volt en leidingen ten behoeve van stadsverwarming. 6. Bij storingen, waarvoor uitstel van de reparatie niet mogelijk is, of wanneer de storing buiten de normale werktijden plaatsvindt, wordt de digitale melding als bedoeld in het vierde lid, gedaan binnen een week na aanvang van de reparatiewerkzaamheden. Artikel 3.7.2.3 Naleven vergunningvoorschriften (Leidingenverordening) 1. Een vergunning die is verleend voor een leiding geldt alleen voor die leiding. De leidingexploitant zorgt ervoor dat de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden worden nageleefd. 2. Als de leiding waarvoor een vergunning is verleend wordt overgedragen, of als de leidingexploitant in een andere rechtsvorm wordt omgezet, melden de oude en de nieuwe leidingexploitant, respectievelijk de nieuwe rechtspersoon, dit direct schriftelijk aan het college. 3. Het college kan in afwijking van het eerste en tweede lid in de vergunning bepalen dat de vergunning alleen geldt voor de leidingexploitant. 4. Een vergunning die is verleend op grond van deze paragraaf geldt, voor zover van toepassing ook als een vergunning op basis van artikel 3.4.4.2 van deze verordening. Artikel 3.7.2.4 Beslistermijn (Leidingenverordening) 1. Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. 2.

De termijn als bedoeld in het eerste lid kan met acht weken worden verlengd. 3. Het college houdt een beslissing op de aanvraag om een leidingvergunning aan als er op grond van artikel 3.4.4.2 van deze verordening ook een omgevingsvergunning nodig is voor het aanleggen, verplaatsen of verwijderen van de leiding, en er verder geen andere redenen zijn om de aanvraag om een leidingvergunning te weigeren. Dit geldt niet als de omgevingsvergunning is verleend en er zes weken zijn verstreken waarbinnen geen bezwaar is aangetekend, of als er een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend en op dat verzoek is beslist. Pagina 19 van 37

4. De vergunning wordt in ieder geval niet verleend als niet wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze verordening. Artikel 3.7.2.5 Vergunningvoorschriften (Leidingenverordening) 1. Het college kan aan de vergunning voorschriften en beperkingen verbinden met inachtneming van het Handboek Leidingen. 2. De voorschriften en beperkingen als bedoeld in het eerste lid hebben betrekking op: a. de bescherming van de openbare orde; b. de bescherming van de bodem; c. het voorkomen van gevaar, schade of hinder; d. de verkeersveiligheid en goede doorstroming van het verkeer; e. het verschaffen van nadere informatie; f. de afstemming met andere werken; g. de verzekering van de toestand waarin het tracé na voltooiing van het werk moet worden opgeleverd; h. het bepalen van het tijdstip waarop de feitelijke werkzaamheden aan de leiding mogen of moeten beginnen; i. de vaststelling van het in te dienen werkplan en de termijn waarbinnen het plan moet zijn ingediend; j. het tijdschema voor de aanleg, wijziging of verwijdering van de leiding; k. de voorwaarden waaronder afwijken van het werkplan of het tijdschema is toegestaan; l. het tracé waar de leiding moet worden gelegd en gehouden. 3. Het college kan met het oog op de belangen als bedoeld in het tweede lid een verleende vergunning wijzigen.

Artikel 3.7.2.6 Wijzigings- en intrekkingsgronden (Leidingenverordening) Het college kan, onverminderd het bepaalde in artikel 3.7.2.5, derde lid, de vergunning wijzigen of intrekken als: a. de leidingexploitant niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de vergunning met de werkzaamheden is begonnen zoals die zijn omschreven in de vergunning; b. de leidingexploitant de exploitatie en het onderhoud van de leiding gedurende een aaneengesloten periode van ten minste zes maanden staakt, of de leiding op een andere manier gedurende een periode van ten minste zes maanden niet in gebruik is; c. blijkt dat de vergunning is verleend op basis van onjuiste of onvolledige gegevens; d. de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is verleend; e. het bij of krachtens deze verordening bepaalde niet wordt nageleefd door de leidingexploitant; f. de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden niet worden nageleefd door de leidingexploitant; g. dit noodzakelijk is vanwege de uitvoering van werken. Artikel 3.7.2.7 Intrekken vergunning (Leidingenverordening) 1. Het college trekt de vergunning in als de leidingexploitant schriftelijk aan het college verklaart geen gebruik meer te willen maken van de vergunning. 2.

Degene die een verklaring als bedoeld in het eerste lid afgeeft, wordt gedurende de tijd dat de leiding na opzegging in de openbare ruimte aanwezig is, beschouwd als leidingexploitant, tenzij de leiding is overgedragen of wordt geëxploiteerd of beheerd door een andere persoon. In dat geval wordt de laatstgenoemde persoon als leidingexploitant beschouwd. Pagina 20 van 37

3. In afwijking van het tweede lid wordt in het geval van een persoonsgebonden vergunning als bedoeld in artikel 3.7.2.3, derde lid, de vergunninghouder als leidingexploitant beschouwd, tot aan het moment dat hij schriftelijk aan het college verklaart geen gebruik meer te willen maken van de vergunning en de exploitatie van de leiding staakt, of de leiding waar de vergunning betrekking op heeft in eigendom overdraagt en hij daarvan bij het college schriftelijk melding heeft gedaan, met dien verstande dat hij het bewijs van de overdracht kan leveren. Artikel 3.7.2.8 De aanleg (Leidingenverordening) 1. Het college kan de leidingexploitant verplichten binnen een vast te stellen termijn na het verlenen van de vergunning, en voor de beoogde aanvang van de feitelijke werkzaamheden voor de aanleg, wijziging of verwijdering van de leiding, bij het college documenten in te dienen zoals aangegeven in het Handboek Leidingen. 2. De leidingexploitant voltooit de werkzaamheden met betrekking tot de aanleg, wijziging of verwijdering binnen zes maanden na aanvang van de werkzaamheden, tenzij in de vergunning anders is bepaald. Artikel 3.7.2.9 Oplevering (Leidingenverordening) 1. De leidingexploitant zorgt ervoor dat het leidingtracé na afloop van het werk wordt opgeleverd in de oorspronkelijke, dan wel in de staat die in de vergunning is omschreven. 2.

Als door de leidingexploitant werkzaamheden aan leidingen in de openbare ruimte worden uitgevoerd, brengt het college de kosten in rekening bij de leidingexploitant voor het herstel, beheer, onderhoud en degeneratie van die openbare ruimte die het rechtstreekse gevolg zijn van de uitgevoerde werkzaamheden, volgens het Besluit vaststelling tarieven voor schade veroorzaakt door ingravingen in verhardingen gemeente Leiden. Artikel 3.7.2.10 Ondergrondse obstakels (Leidingenverordening) 1. De leidingexploitant meldt het direct aan het college als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden ondergrondse obstakels worden gevonden. 2. Het college kan bij gebleken ondergrondse obstakels in of nabij het tracé van de leiding aan de leidingexploitant maatregelen opdragen ter bescherming van de belangen waartoe deze verordening strekt en opschorting van de werkzaamheden gelasten. De kosten van de te nemen maatregelen zijn voor rekening van de vergunninghouder. 3. De opschorting als bedoeld in het tweede lid wordt pas gelast als: a. is gebleken dat er geen uitvoering is gegeven aan de maatregelen die door het college aan de leidingexploitant zijn opgedragen, of; b. naar het oordeel van het college de maatregelen als bedoeld onder a niet mogelijk zijn.

Artikel 3.7.2.11 Ter beschikking stellen tekeningen (Leidingenverordening) Het college kan de leidingexploitant verplichten na de voltooiing van het werk tekeningen kosteloos aan het college ter beschikking te stellen waaruit de feitelijke situatie na de uitvoering van de werkzaamheden blijkt. Artikel 3.7.2.12 Verontreiniging, gevaar en hinder (Leidingenverordening) De leidingexploitant is verplicht om verontreiniging, gevaar of hinder, dan wel storingen waarbij verontreiniging, gevaar of hinder kunnen optreden onmiddellijk te melden aan het college. Artikel 3.7.2.13 Verwijderen van leidingen (Leidingenverordening) Pagina 21 van 37

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10297889/1