CConstaterende datLeiden
Koppel je AI →
Document · PDF

Concept-besluitenlijst Gemeenteraad Leiden 3 december 2020

Gemeenteraad 21 december 2021, gemeente LeidenBij agendapunt: Vaststelling besluitenlijsten van 2 december 2021, 10 en 12 november 2020, 3 december 2020 en 17 december 202012.286 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Indien in de tarieventabel voor een voorwerp tarieven voor verschillende tijdseenheden zijn opgenomen, wordt de precariobelasting berekend op de voor de belastingplichtige meest voordelige wijze. 6. In afwijking van het bepaalde in artikel 1 wordt voor de berekening van de precariobelasting: a. indien in de tarieventabel voor een voorwerp wel een weektarief, maar geen dagtarief is opgenomen, een gedeelte van een week gelijkgesteld met een week; b. indien in de tarieventabel voor een voorwerp wel een maandtarief, maar geen dag- of weektarief is opgenomen, een gedeelte van een maand gelijkgesteld met een maand. 7. Indien in de tarieventabel voor een voorwerp een dagtarief, weektarief of maandtarief is opgenomen en het belastingtijdvak een langere periode dan een dag, onderscheidenlijk een week of een maand omvat, gelden deze tarieven per dag, onderscheidenlijk week of maand van het belastingtijdvak. 8. Bij de terrassen genoemd in hoofdstuk 6 van de tarieventabel wordt, indien de belastingplichtige structureel hinder ondervindt als gevolg van de wekelijkse warenmarkten, rekening gehouden met een correctie van de verschuldigde precariobelasting. 9. Onder structurele hinder als bedoeld in lid 8 wordt verstaan het niet of niet geheel kunnen benutten van de terrasoppervlakte zoals vermeld in de terrasvergunning. De structurele hinder wordt geacht één dag per warenmarktdag te duren.

10. De correctie als bedoeld in lid 8 wordt berekend volgens de formule (A/B) * (C/7) * 100%, waarbij A = verlies aantal m2, B = aantal m2 volgens de terrasvergunning, C = aantal dagen per week structurele hinder Artikel 7 Motorbrandstoffen

22 / 29

1. De grondslag voor de berekening van de belasting voor het al dan niet automatisch aftappen van motorbrandstoffen, is het aantal omgezette liters motorbrandstoffen in het jaar voorafgaande aan het kalenderjaar. 2. In afwijking van het bepaalde in lid 1, wordt op een door de belastingplichtige bij de aangifte gedaan verzoek, de grondslag vastgesteld op de in het betreffende kalenderjaar werkelijke hoeveelheid omgezette liters motorbrandstoffen. 3. De belastingplichtige, die een installatie voor het aftappen van motorbrandstoffen exploiteert, aan wie niet binnen twee maanden na afloop van het kalenderjaar, voorafgaand aan het kalenderjaar, een aangiftebiljet is uitgereikt, is gehouden binnen veertien dagen na afloop van die twee maanden bij Burgemeester en Wethouders een schriftelijk verzoek in te dienen tot uitreiking van een aangiftebiljet. Artikel 8 Belastingtijdvak 1. In de gevallen waarin de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, is het belastingtijdvak de periode waarvoor de vergunning is verleend, met dien verstande dat bij een kalenderjaaroverschrijdende geldigheidsduur van de vergunning het belastingtijdvak gelijk is aan het kalenderjaar. 2.

In andere dan de in het eerste lid bedoelde gevallen, is het belastingtijdvak de in het kalenderjaar gelegen aaneengesloten periode gedurende welke het belastbaar feit zich voordoet of heeft voorgedaan. Artikel 9 Wijze van heffing De precariobelasting wordt geheven bij wege van aanslag. Artikel 10 Ontstaan van de belastingschuld 1. De precariobelasting is verschuldigd na afloop van het belastingtijdvak. 2. Indien het totaalbedrag van een aanslagbiljet waarop verschillende aanslagen zijn verenigd, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat, het bedrag daarvan minder is dan € 5, wordt dit bedrag niet geheven. Artikel 11 Termijnen van betaling 1. De aanslagen moeten worden betaald uiterlijk op laatste dag van de eerste maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. 2. Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c., van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige toepassing. 3. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijn.

Artikel 12 Overgangsrecht De “Verordening precariobelasting 2020” van 3 december 2019 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 13, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Artikel 13 Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021.

Artikel 14 Citeertitel 23 / 29

Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening precariobelasting Leiden 2021". Bovenstaand raadsvoorstel wordt met algemene stemmen aangenomen.

BESLUIT bij RV 20.0115: 1. vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en invordering van markt- en staangeld Leiden 2021 (Verordening markt- en staangeld Leiden 2021) Artikel 1 Begripsomschrijvingen Deze verordening verstaat onder: a. 'dag': de periode van 0.00 uur tot 24.00 uur, waarbij een gedeelte van een dag als een hele dag wordt aangemerkt; b. 'week': een tijdvak van maandag tot en met de eerstvolgende zaterdag, waarbij een gedeelte van een week als een hele week wordt aangemerkt; c. 'maand': een kalendermaand, waarbij een gedeelte van een maand als een hele maand wordt aangemerkt; d. 'jaar': een kalenderjaar, tot en met de laatste dag van het kalenderjaar; e. 'kalenderjaar': de periode van 1 januari tot en met 31 december. Artikel 2 Belastbaar feit 1. Onder de naam van "marktgeld" worden rechten geheven ter zake voor het gebruik van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen, werken of inrichtingen tot het hebben van een standplaats op of een ligplaats aan de onderscheidene markten gedurende de voor die markten aangewezen marktdagen. 2. Onder de naam van "staangeld" worden rechten geheven: a. ter zake voor het op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond ten verkoop uitstallen van goederen en waren van elke aard voor winkels; b.

voor het op voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond hebben van een standplaats, anders dan de in het eerste lid bedoelde standplaatsen, voor wagens, tenten, kramen en dergelijke inrichtingen, dienende tot het verkopen of het ten verkoop uitstallen van goederen en waren van elke aard. Artikel 3 Belastingplicht De rechten worden geheven: 1. van degene, die het in het eerste lid van artikel 2 omschreven gebruik of genot heeft; 2. van degene, die de in het tweede lid van artikel 2 bedoelde uitstallingen of standplaatsen heeft.

Artikel 4 Tarieven 1. De markt- en staangelden worden geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel. 2. Voor de berekening van de markt- en staangelden wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt. Artikel 5 Wijze van heffing De markt- en staangelden worden geheven bij wege van een gedagtekende kennisgeving, waarin het verschuldigde bedrag wordt vermeld. Artikel 6 Termijnen van betaling 1. De betaling van het marktgeld geschiedt op de eerste aanvraag, en wel: a. voor zover het per dag wordt berekend, op de dag van het in het eerste lid van artikel 2 omschreven gebruik of genot, behalve voor de 3-oktobermarkt, waarvoor de betaling van het marktgeld moet geschieden tegelijk met het indienen van de aanvraag voor een plaats op deze markt; b. voor zover het per week wordt berekend, bij de aanvang van de week; c. voor zover het per kwartaal wordt berekend, bij de aanvang van het kwartaal; d. voor zover het per jaar wordt berekend, bij de aanvang van het jaar. 24 / 29

2. De betaling van het staangeld geschiedt op de eerste aanvraag, en wel: a. voor zover het per week wordt berekend, bij de aanvang van de week van het in artikel 2, tweede lid, sub a. omschreven gebruik of genot; b. voor zover het per maand wordt berekend, bij de aanvang van de maand van het in artikel 2, tweede lid, sub a. omschreven gebruik of genot; c. voor zover het per jaar wordt berekend, bij de aanvang van het jaar van het in artikel 2, tweede lid, sub a. omschreven gebruik of genot; d. voor zover het per dag wordt berekend, bij de aanvang van de dag van het in artikel 2, tweede lid, sub b. omschreven gebruik of genot; e. voor zover het per week wordt berekend, bij de aanvang van de week van het in artikel 2, tweede lid, sub b. omschreven gebruik of genot; f. voor zover het per maand wordt berekend, bij de aanvang van de maand van het in artikel 2, tweede lid, sub b. omschreven gebruik of genot; g. voor zover het per kwartaal wordt berekend, bij de aanvang van het kwartaal van het in artikel 2, tweede lid, sub b. omschreven gebruik of genot; h. voor zover het per halfjaar wordt berekend, bij de aanvang van het halfjaar van het in artikel 2, tweede lid, sub b. omschreven gebruik of genot; i. voor zover het per jaar wordt berekend, bij de aanvang van het jaar van het in artikel 2, tweede lid, sub b. omschreven gebruik of genot. 3.

De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel 7 Teruggaaf 1. Indien de belastingplichtige, door omstandigheden, onafhankelijk van zijn wil, gedurende een aaneengesloten periode van ten minste zes weken geen gebruik heeft kunnen maken van de standplaats, wordt het bedrag, dat bij toepassing van het tarief, bedoeld in artikel 4, minder verschuldigd zou zijn geweest, terug gegeven. De teruggaaf wordt alleen voor volle kalendermaanden terug gegeven. 2. Er vindt geen teruggaaf plaats indien de standplaats, met toestemming van het college van burgemeester en wethouders, door een aangewezen plaatsvervanger wordt ingenomen. 3. Het verzoek tot teruggaaf op grond van het eerste lid wordt schriftelijk gedaan bij het College van Burgemeester en Wethouders. Artikel 8 Kwijtschelding Bij de invordering van de markt- en staangelden wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 9 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en invordering van de markt- en staangelden. Artikel 10 Inwerkingtreding en citeertitel 1.

De “Verordening markt- en staangeld 2020” van 3 december 2019 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich hebben voorgedaan vóór die datum van ingang van de heffing. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021. 4. Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening markt- en staangeld Leiden 2021”.

Bovenstaand raadsvoorstel wordt met algemene stemmen aangenomen.

BESLUIT bij RV 20.0116: 1. vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing Leiden 2021 (Verordening rioolheffing Leiden 2021) 25 / 29

Artikel 1 Definities Deze verordening verstaat onder: a. perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan; voor de toepassing van deze verordening wordt als één perceel aangemerkt: - hetgeen in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken als één onroerende zaak wordt aangemerkt; - een roerende zaak; - een gedeelte van een roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; - een samenstel van twee of meer roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren. b. gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente; c. water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater; d. woning: een roerende of een onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dient; e. niet-woning: een roerende of een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient; f. verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft.

Artikel 2 Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht 1. De belasting wordt geheven van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd. 2. Met betrekking tot de belasting wordt als gebruiker aangemerkt: a. degene die naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht van het perceel gebruikmaakt. b. Voor de toepassing van onderdeel a, wordt: 1e. gebruikmaken van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruikmaken door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden; 2e.

gebruikmaken door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruikmaken door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; 3e. het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruikmaken door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld. Artikel 4 Zelfstandige gedeelten Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de belasting geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met

26 / 29

dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als één geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt. Artikel 5 Maatstaf van heffing 1.

De belasting wordt ter zake van niet-woningen geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd.

2.

Het aantal kubieke meters water wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater, grondwater en oppervlaktewater dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of is opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend.

3.

Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: a.

watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of

b.

bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is

geweest kan worden afgelezen. De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige wettelijke bepaling. 4. De op de voet van het tweede lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet als water is afgevoerd. 5. De belasting wordt ter zake van woningen geheven naar een vast bedrag afhankelijk van de omvang van het huishouden. Artikel 6 Belastingtarieven 1. De belasting als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, bedraagt: a. indien de woning wordt gebruikt door één persoon € 91,44; b. indien de woning wordt gebruikt door twee personen € 130,80; c. indien de woning wordt gebruikt door drie of meer personen € 170,16; d. indien de woning op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, niet permanent mag worden bewoond, € 91,44. 2. Indien betreffende het eerste lid in de loop van het belastingjaar een verandering plaatsvindt van sub c. naar sub b. respectievelijk van sub b. naar sub a. respectievelijk van sub c. naar sub a. wordt het tarief als bedoeld in het eerste lid sub b. of sub a. toegepast met ingang van de eerst volgende kalendermaand, tenzij in dezelfde dan wel de eerstvolgende kalendermaand opnieuw sprake is van sub c dan wel sub b. 3.

De belasting als bedoeld in artikel 5, eerste lid, bedraagt voor een niet-woning: voor een hoeveelheid water tot en met 250 m3

€

165,51

voor elke m3 boven de 250 m3 tot en met 500 m3

€

1,27;

voor elke m3 boven de 500 m3 tot en met 10.000 m3

€

0,88;

voor elke m3 boven de 10.000 m3 tot en met 100.000 m3

€

0,55;

voor elke m3 boven de 100.000 m3 tot en met 1.000.000 m3

€

0,27;

voor elke m3 boven de 1.000.000 m3

€

0,04.

Artikel 7 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 8 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

27 / 29

Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1.

De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

2.

Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Indien de belastingplicht aanvangt op de eerste dag van een kalendermaand wordt die kalendermaand aangemerkt als een volle kalendermaand.

3.

Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 5,00. Indien de belastingplicht eindigt op de eerste dag van een kalendermaand wordt die kalendermaand aangemerkt als een volle kalendermaand.

4. Belastingbedragen van minder dan € 5,00 worden niet geheven. Indien het totaalbedrag van een aanslagbiljet waarop verschillende aanslagen zijn verenigd, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat, het bedrag daarvan minder is dan € 5,00 wordt dit bedrag niet geheven. Artikel 10 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. 2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 geldt dat, ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 75,00 doch minder dan € 5.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, de aanslagen moeten worden betaald in maximaal acht termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens één maand later. 3. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste en het tweede lid gestelde termijnen.

Artikel 11 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en invordering van de rioolheffing. Artikel 12 Overgangsrecht De 'Verordening rioolheffing 2020’ van 3 december 2019, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 13, tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Artikel 13 Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021. Artikel 14 Inwerkingtreding en citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening rioolheffing Leiden 2021'. Bovenstaand raadsvoorstel wordt aangenomen met 31 stemmen voor en 7 tegen, met dien verstande dat de aanwezige leden van de fracties van VVD en PS tegen het voorstel hebben gestemd. 28 / 29

SLUITING 21. Sluiting van de vergadering De voorzitter sluit de vergadering om 21.40 uur. Vastgesteld in de vergadering van 21 december 2021, de Griffier,

de Voorzitter,

29 / 29

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10934853/1