Bijlage 2 handboek bomen 2018 (1)
Tekst van het document
2.18 Overzicht: Onderverdeling randvoorwaarden werken rond bomen | Handboek Bomen 2018
Een ‘Goedgekeurd Werkplan’ ontslaat de opdrachtnemer nooit van zijn verplichting om (in overleg) andere en aanvullende maatregelen te treffen indien deze voor een goede bescherming van de bomen (alsnog) nodig blijken. Indien de gestelde randvoorwaarden en (beschermings)maatregelen in het ‘Goedgekeurd Werkplan’ niet afdoende blijken voor een verantwoorde handhaving van een te handhaven boom, moet dit door de opdrachtnemer (aannemer) direct (en aansluitend schriftelijk ten minste binnen 24 uur) gemeld worden. De (bouw) werkzaamheden en/of de randvoorwaarden kunnen dan in overleg tijdig worden aangepast of aangevuld. Werkzaamheden die de duurzame instandhouding van een te handhaven boom in gevaar brengen dienen (tijdelijk) zolang als nodig (in overleg) te worden onderbroken. Het niet of onvoldoende naleven van randvoorwaarden kan grote (vaak onomkeerbare) schade aan de boom en zijn groeiplaats veroorzaken en daarmee de duurzame instandhouding (art. 2.3) van de betreffende boom in gevaar brengen, Handboek Bomen 2018 | Algemene aanvullende bepalingen | art. 2.
Bomenposters: om te attenderen op de ‘Kwetsbare boomzones’ en de verplichting van een ‘Goedgekeurd Werkplan’, zijn de bomenposters WERKEN ROND BOMEN ontwikkeld. Deze bomenposters dienen bij alle bij het werk betrokken partijen bekend te zijn en moeten zichtbaar op het werk zijn aangebracht (Bomenposter: H2 | Werken rond bomen | Bijlage 1 en 2).
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE LEIDEN
45
2.19 Fysieke afscherming (boombescherming): rond de gehele kwetsbare boomzone (art. 2.16) van elke te handhaven boom (of bomengroep) binnen de reikwijdte van het Werkplan dient, voor zover niet specifiek anders voorgeschreven, een volledige (fysieke) afscherming geplaatst te worden. Dit op zodanige wijze dat deze afscherming de kwetsbare boomzone (boom en groeiplaats) volledig rondom en ononderbroken afschermt (art. 2.23). 2.20 Indien het plaatsen van een volledige fysieke afscherming niet mogelijk is, moet (met motivering en toestemming in het Werkplan) ten minste een ‘beperkte’ of ‘minimale’ afscherming geplaatst worden (overzicht 2.20). Voor elke afscherming geldt dat deze de boom steeds volledig rondom en ononderbroken afschermt (art. 2.23) en gelden onderstaande maatvoeringseisen: FYSIEKE AFSCHERMINGEN A. Volledige afscherming (art. 2.19): de volledige kwetsbare boomzone (figuur 2.16) wordt fysiek afgeschermd B. Beperkte afscherming (art. 2.21): ten minste de obstakelvrije zone ondergronds + 0,5 m wordt fysiek afgeschermd (art. 2.50) C. Minimale afscherming (art. 2.22): ten minste de stam en stamvoet + wortelaanlopen zijn fysiek afgeschermd
2.20 Overzicht: Indeling fysieke afscherming | werken rond bomen | Handboek Bomen 2018
2.21 Bij een ‘beperkte’ of ‘minimale’ afscherming is slechts een (klein) deel van de kwetsbare boomzone fysiek afgeschermd. Hierdoor gelden er voor werkzaamheden binnen de resterende, niet-afgeschermde kwetsbare boomzone nog steeds aanvullende randvoorwaarden (uitwerking en toelichting in Werkplan). 2.22 Een ‘minimale’ afscherming beschermt ten minste de stam en stamvoet plus de bovengrondse wortelaanzetten en (aan het maaiveld) zichtbare wortelaanlopen. Indien een ‘minimale’ afscherming direct rond de stam van de boom wordt bevestigd (bijvoorbeeld door middel van verticaal geplaatste planken rondom de stam, rustend op een, rondom de stam gedraaide bemantelde ribdrain), dan mag deze de boom nooit beschadigen of af knellen. 2.23 Een fysieke afscherming (ongeachte het type afscherming art. 2.20) reikt minimaal vanaf 10 cm +m.v. tot minimaal 2 m +m.v. De fysieke afscherming is zonder specifiek gereedschap niet te verplaatsen of te verwijderen en sluit de toegang tot de afschermingszone volledig af (bijvoorbeeld door koppelbare bouwhekken). De fysieke afscherming is minimaal bestand tegen de gemiddelde impact van aanrij-stootschade van een personen-/werk voertuig. 2.24 De fysieke afscherming moet voorafgaand aan de (sloop-/bouw)werkzaamheden worden geplaatst.
Zolang de fysieke afscherming nog niet is geplaatst en goedgekeurd, mag geen aanvang worden gemaakt met de (sloop-/ bouw)werkzaamheden. Voor het plaatsen en aanbrengen van de afschermingen gelden onverkort de randvoorwaarden van dit hoofdstuk. Afschermingen moeten zodanig worden geplaatst dat voorafgaande aan het plaatsen geen voertuigbewegingen plaatsvinden binnen de kwetsbare boomzone (specifiek ‘open’ maaiveld). 2.25 De geplaatste afschermingen mogen uitsluitend met toestemming worden verwijderd nadat de werkzaamheden ter plaatse volledig zijn afgerond. Een eenmaal geplaatste (en goedgekeurde) afscherming mag zonder toestemming niet meer (tijdelijk) worden verplaatst. 2.26 Binnen de fysieke afschermingszone is de toegang (ook voor personen) zonder uitdrukkelijke toestemming verboden en gelden onverkort alle algemene verboden voor de kwetsbare boomzone (art. 2.17). 2.27 Elke geplaatste afscherming binnen het werkterrein moet in het veld steeds duidelijk zichtbaar zijn gemarkeerd met een weersbestendige bomenposter ‘Kwetsbare boomzone’ (H2 | Werken rond bomen | Bijlage 2: Bomenposter: ‘Kwetsbare boomzone’).
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE LEIDEN
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN
H2 | RANDVOORWAARDEN FYSIEKE AFSCHERMING (BOOMBESCHERMING)
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN
46 H2 | RANDVOORWAARDEN VEL- EN SNOEIWERKZAAMHEDEN EN AANBINDEN M ATERIALEN 2.28 Voor bomen die binnen het werkterrein moeten worden geveld (uitsluitend met toestemming binnen het ‘Goedgekeurd Werkplan’) gelden de eisen Handboek Bomen 2018 | H12 | Vellen bomen en rooien stobben.
Vellen en snoeien: voor het vellen is net als voor het verplanten en (ingrijpend) snoeien van bomen als regel een (omgevings)vergunning in het kader van de Wabo benodigd, Handboek Bomen 2018 | Algemene aanvullende bepalingen | art. 5. 2.29 Voor het snoeien van bomen (uitsluitend met toestemming binnen het ‘Goedgekeurd Werkplan’) gelden de eisen Handboek Bomen 2018 | H8 | Snoeien bomen en H9 | Specifieke vormsnoei bomen. Het snoeien van bomen mag alleen worden uitgevoerd na het verkrijgen van expliciete toestemming, dit geldt ook indien er sprake is van een minimale snoei-ingreep, bijvoorbeeld het snoeien van een gebroken of beschadigde tak. Wortelsnoei of wortelkap gelden niet als reguliere beheermaatregel, hiertoe gelden de randvoorwaarden en restricties voor graafwerkzaamheden (art. 2.48 tot en met 2.51). Wanneer wortelsnoei of wortelkap moet worden uitgevoerd (bijvoorbeeld in het kader van herstelwerkzaamheden ‘bestratingsopdruk’), dan is boomtechnisch advies op maat noodzakelijk. Het advies en daaruit voorvloeiende maatregelen en rand voorwaarden moeten (met als uitgangpunt art. 2.48 t/m 2.51) zijn opgenomen en gemotiveerd in het ‘Goed gekeurd Werkplan’. 2.30 Direct aan of tegen de boom (kroon, stam, wortels) mag geen materiaal of materieel worden gehangen, aangebonden of geplaatst. Het plaatsen van de voorgeschreven bomenposter of een afscherming (art.
2.22) mag nimmer schade veroorzaken aan de boom.
H2 | RANDVOORWAARDEN OPSLAG, PARKEREN EN TRANSPORT 2.31 Ter bescherming van de bodem en de groeiplaats van de boom zijn de (tijdelijke) opslag van materialen en het berijden, verplaatsen of parkeren van voertuigen (materieel en materiaal) evenals het plaatsen van een (werk)keet, container of aggregaat et cetera binnen de kwetsbare boomzone (art. 2.16) zonder toestemming (Goedgekeurd Werkplan) niet toegestaan. Dit geldt in het bijzonder op locaties waar rond de boom sprake is van een open (onverhard) maaiveld, grasberm of een open boomspiegel. 2.32 De (tijdelijke) opslag van materiaal en materieel of transport mogen de bodemstructuur alsmede de infiltratie van regenwater en de diffusie van (bodem)lucht (art. 2.36 en overzicht 2.37) in de bodem binnen de kwetsbare boomzone niet verstoren (art. 2.34). 2.33 Het (tijdelijk) storten of opslaan van modder, klei, slib of slootbagger (alsook onverteerd organisch materiaal) mag nimmer binnen de kwetsbare boomzone plaatsvinden. 2.34 Werkzaamheden en activiteiten rond bomen mogen nooit leiden tot bodemverslemping of structuur bederf van de bodem. Met name in een natte (verzadigde) bodem nemen de risico’s van structuurbederf van de bodem sterk toe.
Indien werkzaamheden (hieronder wordt ook verstaan: opslag, parkeren of transport) als gevolg van weers- of terreinomstandigheden (bijvoorbeeld aanhoudende zware regen) structuurbederf van de bodem kunnen veroorzaken, moeten deze tijdelijk en zolang als nodig (in overleg) worden onderbroken. Plasvorming duidt op bodemverslemping of structuurbederf en moet gemeld en in overleg verholpen worden. 2.35 Drukverdelende rijplaten of elementen: indien opslag of het berijden, verplaatsen of parkeren van materieel en materiaal binnen de kwetsbare boomzone (open maaiveld of niet-dragende verharding) toch moet plaatsvinden (uitsluitend met Goedgekeurd Werkplan), dan geldt als randvoorwaarde ten minste het aanbrengen van drukverdelende rijplaten of elementen. Indien het maaiveld kleihoudend is moet vooraf aan het plaatsen van de rijplaten eerst een laag van 20 cm (zoet) grof zand (als extra afscherming) op het bestaande maaiveld worden aangebracht. Rijplaten en eventuele zandlaag moeten zodanig worden geplaatst dat voorafgaande aan het plaatsen geen voertuigbewegingen plaatsvinden op het bestaande (open) maaiveld.
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE LEIDEN
47
‘Ploffen’: bodemverdichting of verslemping van de bodem (toplaag) binnen de kwetsbare boomzone kan (met toestemming of Goedgekeurd Werkplan) onder andere worden behandeld (herstelmaatregel) met behulp van het met luchtimpulsen losbreken van de bodemstructuur. Dit zogenoemde ‘ploffen’ of pneumatisch losbreken van de bodemstructuur kan ook worden toegepast nadat genoemde rijplaten zijn verwijderd, zodat eventuele negatieve effecten van de bodemverdichting kunnen worden verminderd (zie Handboek Bomen 2018 | H4 | Aanleg groeiplaatsen voor bomen | Bijlage ‘ploffen’).
H2 | RANDVOORWAARDEN INFILTRATIE EN LOZEN VAN GASSEN EN/OF VLOEISTOFFEN 2.36 Binnen en in de directe omgeving van de kwetsbare boomzone mogen ‘bodemvreemde’ gassen of vloeistoffen niet in de bodem infiltreren. Lozingen van water en/of andere vloeistoffen zijn binnen of in de (directe) omgeving van de kwetsbare boomzone eveneens niet toegestaan. In terreinen met reliëf moet de inspoeling naar en binnen de kwetsbare zone worden voorkomen. Ter voorkoming van ongewenste infiltratie binnen of in de directe omgeving van de kwetsbare boomzone is opslag of verwerking van potentieel lekkende vloeistoffen (vaten of tanks) verboden. Eveneens verboden is opslag of verwerking van brandstof (aftanken), oliën en de aanwezigheid van smeermiddelen binnen of in de directe omgeving van de kwetsbare boomzone. Verboden zijn voorts cementspecie, cementmolens of cementsilo’s alsmede loos-/spoelwater van werkketen, (mobiele) toiletten et cetera binnen of in de directe omgeving van kwetsbare boomzones.
Water lozen: ook schoon (drink)water kan bij een verzadigde bodem de zuurstof huishouding sterk negatief beïnvloeden en daarmee het voortbestaan van een boom in gevaar kan brengen. Infiltratie als gevolg van lozing, lekkende, verspilde of gemorste materialen alsmede water(afvoer) is binnen of in de directe omgeving van de kwetsbare boomzone niet toegestaan (Bronbemaling en grondwaterfluctuaties, zie art. 2.42). 2.37 Gaslekkages in de bodem, binnen of in de directe omgeving van een kwetsbare boomzone zijn doorgaans acuut en zeer bedreigend voor de zuurstofhuishouding in de bodem. Deze kunnen op (zeer) korte termijn (binnen enkele uren) bodemzuurstofproblemen en daarmee wortelsterfte en de afsterving van bomen veroorzaken. Gaslekkages en bodemzuurstofproblemen moeten worden voorkomen. Gasschade en zuurstofproblemen kunnen ook ontstaan indien (bijvoorbeeld door bodembewerking) in de bodem bestaande afsluitende bodemlagen worden doorbroken waaronder moerasgas (CH4) is opgesloten of wanneer onvoldoende verteerde organische (rest)materialen in of op de bodem zijn terechtgekomen. Zuurstofproblemen kunnen ook ontstaan wanneer de bewortelde bodemzone is verzadigd met water (bijvoorbeeld bij wateroverlast, waterstagnatie of een verhoogde grondwaterstand) of de bodem onder te natte bodemomstandigheden wordt bewerkt.
Indien gaslekkages of zuurstofproblemen worden geconstateerd (O2% ten minste 12 tot 16%) dan moeten deze direct (Handboek Bomen 2018 | Algemene aanvullende bepalingen | art. 2) gemeld en ook (in overleg, maatwerk) direct verholpen worden, bijvoorbeeld door het beluchten van de bodem of het geforceerd afzuigen van gas of overtollig water. Als resultaat dient het zuurstofpercentage in de bodem snel te worden genormaliseerd tot ten minste 12 tot 16% (streefwaarde 16 - 18%). Daarnaast zijn aanvullende nazorg en monitoring van de bodemluchthuishouding noodzakelijk. Monitorwaarden voor bodemlucht- en waterhuishouding zijn weer gegeven in overzicht 2.37).
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE LEIDEN
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN
Wanneer op het bestaande maaiveld een organische toplaag aanwezig is (bijvoorbeeld gras of een strooisellaag) en de situatie langer dan circa 2 weken zal aanhouden, moet deze organische toplaag binnen de kwetsbare boomzone eerst worden verwijderd, voorafgaand aan het opbrengen (van zand) en het plaatsen van drukverdelende rijplaten (art. 2.46).
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN
48
MONITORWAARDEN BODEMLUCHT- EN WATERHUISHOUDING (in relatie tot wortelgroei | in groeiseizoen gemeten op 50 cm -m.v.) Bodemzuurstofwaarde (O2%): Optimaal 19 tot 20% (maximale buitenluchtwaarde = ca. 21%) Goed 18 tot 19% Voldoende 16 tot 18% Matig 14 tot 16% Zeer matig 12 tot 14% Slecht 10 tot 12% Zeer slecht < 10% (beneden 10% risico van acute wortelsterfte) Bodemkoolzuurgaswaarde: kooldioxide (CO2%): Normaal 0,5 tot 5% Te hoog > 5% Bodemgaswaarde (CH4%) Te hoog > 0,5% Referentiewaarden bodemvochtkarakteristiek (indicatie vochtgehalte %)
Bodemsoort:
Verwelkingspunt (te droog)
Streefwaarde (bij verwerking)
Veldcapaciteit
Humusarm zand Humeus zand Kleigrond
≤ 5% ≤ 10% ≤ 25%
10 - 15 % 15 - 20 % 30 - 40 %
ca. 10% ca. 35% ca. 50%
2.37 Overzicht: Monitorwaarden bodemlucht- en waterhuishouding bomen | Handboek Bomen 2018
2.38 Zouten zuurinfiltraties in de bodem zijn voor het bodemleven en de bomen zeer bedreigend. Zoutschade kan onder meer ontstaan door inspoeling van opgelost strooizout (als gevolg van gladheidsbestrijding), een overmaat aan anorganische meststoffen of zout of brak kwelwater dat infiltreert vanuit de bodem of brak water dat wordt gebruikt bij het water geven. Zout- en zuurschades moeten voorkomen worden en, indien aan de orde, direct gemeld en (in overleg, maatwerk) verholpen worden (bijvoorbeeld: spoelen van de bodem met zoet water). Voor de gemiddelde zout tolerantie van bomen geldt een toelaatbare EC-zoutwaarde van de bodem van 0,6 tot maximaal 1,5 mS/cm. Zuren beïnvloeden ook de pH-waarde van de bodem. Voor de meeste bomen geldt een gewenste pH-KCLwaarde van circa 5,0 tot 6,0 (= pH-H2O circa 6 tot 7); deze is echter sterk boomsoortafhankelijk. Voor verschillende boomsoorten is eveneens de inspoeling van kalk bedreigend. Zouten, zuren en kalk kunnen bij infiltratie in de bodem directe wortelschade veroorzaken en zijn door uitspoeling (achteraf) vaak niet of onvoldoende in de bodem traceerbaar.
Zo is strooizout dat in de winterperiode is gestrooid en is geïnfiltreerd in de bodem al vaak in het voorjaar weer (ten dele) uitgespoeld en daardoor niet juist traceerbaar in de bodem, terwijl de boom het zout al wel heeft opgenomen en daardoor (ernstige) zoutschade kan ondervinden. Tijdig controleren en monitoren maar vooral ‘het voorkomen van’ is dus noodzakelijk! 2.39 Binnen of in de directe omgeving van de kwetsbare boomzone mag geen sprake zijn van open vuur. Daarnaast is het binnen of in de directe omgeving van de kwetsbare boomzone verboden om gassen af te fakkelen of (kunstmatig) hete of koude luchtstromen of uitlaatgassen af te blazen. 2.40 Binnen of in de directe omgeving van de kwetsbare boomzone mogen geen afval of andere materialen (art. 2.31) worden gestort of opgeslagen.
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE LEIDEN
49
2.41 Veranderingen in de grondwaterstand: kunstmatige fluctuatie of bronbemaling zijn binnen de kwetsbare boomzone zonder toestemming (Goedgekeurd Werkplan) niet toegestaan. Het (tijdelijk) verhogen van de grondwaterstand (GWST) met meer dan 10% of het (tijdelijk) verlagen van de GWST met meer dan 20% van de bestaande bewortelingsdiepte kan schade aan de wortels en daarmee aan de bomen veroorzaken (overzicht 2.41). Een ‘verhoging’ van de GWST is voor bomen extra bedreigend. Een (kortstondige) verhoging van de GWST in het groeiseizoen kan leiden tot acute wortelsterfte (verdrinken) vanwege zuurstofgebrek en daarmee leiden tot de afsterving van bomen (art. 2.37). Een ‘daling’ van de GWST in het groeiseizoen is vooral bedreigend wanneer deze langere tijd (meerdere weken) aanhoudt. Naast de mate van verandering (fluctuatie) zijn dus ook de tijdsduur en de periode waarin de GWST-veranderingen plaatsvinden van belang. In een droge periode (zonder neerslag) kan een (> 20%) van meer dan twee weken reeds aanzienlijke invloed hebben op de waterhuishouding van de boom en kunnen er dus gerichte maatregelen noodzakelijk zijn (art. 2.43). (Kunstmatige) grondwaterfluctuaties die buiten het groeiseizoen (periode november tot en met februari) plaatsvinden, hebben doorgaans minder invloed op bomen. Binnen een hangwaterprofiel heeft een grondwaterreductie (doorgaans) geen invloed op de bomen.
LEIDRAAD MAXIMAAL TOELAATBARE GRONDWATERFLUCTUATIE Bestaande doorwortelbare diepte of actuele grondwaterstand (GWST)
Maximaal toelaatbare % grondwaterfluctuatie verlaging ▼GWST (= -20%) of verhoging ▲GWST (= +10%)
tot 50 cm -m.v.
▼ GWST 20% = max. 10 cm ▲ GWST 10% = max. 5 cm
tot 100 cm -m.v.
▼GWST 20% ▲GWST 10%
= max. 20 cm = max. 10 cm
tot 150 cm -m.v.
▼GWST 20% ▲GWST 10%
= max. 30 cm = max. 15 cm
tot 200 cm -m.v.
▼GWST 20% ▲GWST 10%
= max. 40 cm = max. 20 cm
2.41 Overzicht: Leidraad maximale grondwaterfluctuatie | Handboek Bomen 2018
2.42 Bronbemalingen, retourbemalingen en infiltraties hebben doorgaans invloed op de grondwaterstand, ook op grote afstand van de bron (en daarmee dus mogelijk ook buiten het werkterrein). Indien kunstmatige fluctuaties van het grondwater aan de orde zijn (art. 2.41) dan moeten binnen en rond het werkterrein (ten minste in alle windrichtingen) peilbuizen ter controle (monitoring) van de grondwaterfluctuaties worden geplaatst, zodanig dat een goed beeld wordt verkregen van de gevolgen van de fluctuaties voor de bomen die binnen de invloedssfeer ervan staan (art. 2.9 en art. 2.43). Monitoring start voordat de werkzaamheden aanvangen, zodat een goed beeld wordt verkregen van de zo genaamde nulwaarden. Periodiek monitoren van de (maximale) fluctuaties (overzicht 2.41) is noodzakelijk (ten minste eens per week), zolang de werkzaamheden aanhouden en de ‘nulwaarden’ niet zijn hersteld. 2.43 Indien een (tijdelijke) bronbemaling of infiltratie de genoemde maximale fluctuatiewaarden (overzicht 2.41) overschrijdt (uitsluitend met Goedgekeurd Werkplan), dan gelden als potentiële randvoorwaarden: het toepassen van een gesloten bronbemaling, het individueel water geven of het afvoeren van overtollig water.
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE LEIDEN
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN
H2 | RANDVOORWAARDEN BRONBEMALING EN VERANDERINGEN IN DE GRONDWATERSTAND
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN
50 Water geven: te veel of te vaak water geven kan wortels eveneens ernstig bedreigen. Een watergift van circa 150 tot 200 liter per m3 per watergeefronde is doorgaans (ruim) voldoende; te veel water spoelt uit of veroorzaakt een verzadigde bodem en (tijdelijke) zuurstofproblemen (art. 2.37). Voor het monitoren van het bodemvochtgehalte kunnen in de bodem (binnen de wortelzone) bodemvochtmeters worden geplaatst (zie referentiewaarden vochtkarakteristiek ter indicatie overzicht 2.37). Wanneer de veldcapaciteit wordt overschreden is de bodem verzadigd met water (‘te nat’). Gebruik voor het water geven nooit sterk ijzerhoudende, zuurstofloze retourbemalingen. Voor het water geven van bomen gelden de eisen Handboek Bomen 2018 | H7 | Nazorg en hergroeigarantie bomen | art. 7.17 tot en met 7.19. 2.44 Het vervangen van bestaande riolen en waterafvoersystemen alsmede het dempen van sloten en water gangen (art. 2.45) kan eveneens (op afstand) grote invloed hebben op de grondwaterstand, waardoor genoemde maximale fluctuaties (overzicht 2.41) kunnen worden overschreden en er, evenals bij bemaling en infiltratie, specifieke randvoorwaarden nodig zijn.
Herinrichting groeiplaats: indien er sprake is van een blijvende verandering van grondwaterstanden waarbij de genoemde maximale fluctuaties worden overschreden, dan is eventueel een structurele herinrichting c.q. aanpassing van de groeiplaats noodzakelijk (nadere uitwerking ‘maatwerk’ in Goedgekeurd Werkplan). 2.45 Bij het dempen van sloten of watergangen binnen (of in de directe omgeving van) de kwetsbare boomzone (uitsluitend met Goedgekeurd Werkplan) gelden minimaal de onderstaande aanvullende randvoorwaarden. DEMPEN VAN SLOTEN EN WATERGANGEN • Verwijder eerst bestaande slootbagger en organische componenten uit sloot of watergang; deze bij het dempen van de watergang niet niet opsluiten of doormengen (bodemluchthuishouding art. 2.37) • Vrijkomende slootbagger en organische componenten nimmer (tijdelijk) opslaan op maaiveld rond de boom (art. 2.33) • Demp de sloot of watergang niet met organische, onvoldoende verteerde materialen (zuurstofhuishouding art. 2.37) • Voorkom wortelschade bij ontgraven en dempen van de sloot of watergang (art. 2.46 e.v.) • Borg bodeminfiltratie en -diffusie (voorkom bodemverslemping en/of structuurbederf van de bodem (art. 2.46 e.v.) • Draag zorg (na demping) voor continuering van afwatering (drainage/afvoer) • Monitor en bewaak grondwaterstanden (art. 2.41) en zuurstofhuishouding (art. 2.37) binnen kwetsbare boomzone
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE LEIDEN
51
2.46 Graafwerkzaamheden en andere bodembewerkingen zijn binnen de kwetsbare boomzone zonder toestemming (Goedgekeurd Werkplan) niet toegestaan. Wanneer graafwerkzaamheden of andere bodembewerkingen toch binnen de kwetsbare boomzone moeten plaatsvinden (uitsluitend met Goedgekeurd Werkplan), dan gelden minimaal de randvoorwaarden in artikelen 2.46 tot en met 2.51. Zonder expliciete toestemming (Goedgekeurd Werkplan) mogen genoemde graaf- en bodembewerkingen binnen de kwetsbare zone niet anders dan uitsluitend handmatig worden uitgevoerd. Onder bodembewerkingen wordt hier onder andere verstaan: graven, afgraven, spitten, frezen, boren, egaliseren, afwerken maaiveld, heien, (her)bestraten, aftrillen, plaatsen van kunstwerken op en (reclame) bebordingen in de bodem et cetera. Voor bodembewerking ten behoeve van de aanleg of (her)inrichting van groeiplaatsen gelden aanvullend de eisen Handboek Bomen 2018 | H4 | Aanleg groeiplaatsen voor bomen.
KLIC: om eventuele schade aan ondergrondse infrastructuur (kabels en/of leidingen) te voorkomen, is de aannemer verplicht werkzaamheden in de bodem ten minste 3 werkdagen vóór aanvang te melden bij het Kadaster via een KLIC-melding op grond van de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION of ‘grondroerdersregeling’), Handboek Bomen 2018 | Algemene aanvullende bepalingen | art. 3. Gaslekkages (als gevolg van schades aan gasleidingen bij graafwerkzaamheden) vormen een acute bedreiging voor bomen (art. 2.37). 2.47 Bodembewerkingen (art. 2.46) binnen de kwetsbare boomzone mogen niet onder (te) natte (verzadigde, overzicht 2.37), met sneeuw bedekte of bevroren bodemomstandigheden worden uitgevoerd. Grondwerkzaamheden mogen nooit leiden tot verslemping of structuurbederf van de bodem. Wanneer de veldcapaciteit van de bodem wordt overschreden is er sprake van een verzadigde bodem. Structuurbederf: wanneer graafwerkzaamheden of bodembewerkingen als gevolg van weers-, terrein- of bodemomstandigheden structuurbederf van de bodem kunnen veroorzaken (bijvoorbeeld tijdens en direct na aanhoudende of zware regen) dan moeten deze werkzaamheden (tijdelijk) zolang als nodig (in overleg) worden onderbroken en uitgesteld. Plasvorming (op een onverhard maaiveld) duidt op bodemverslemping of structuurbederf en moet direct gemeld en in overleg hersteld worden.
2.48 Bij de uitvoering van bodembewerkingen (binnen de kwetsbare boomzone) mogen geen onverteerde organische materialen in of door de bodem worden verwerkt (zoals ‘doorspitten’ van de strooisellaag, blad, graszoden, verse organische mest et cetera). Daarnaast mag de bestaande toplaag (0 tot 20 cm) niet worden verwerkt met andere, dieper gelegen of opgebrachte bodemlagen en mogen zuurstofloze (anaerobe) bodem lagen niet worden doorgemengd met de zuurstof houdende (aerobe) bodemlagen (art. 2.37). De bodem moet bij bewerking of verwerking vrij zijn van kruiden die zich door wortelstok kunnen vermeerderen en vrij zijn van grondkluiten (kluitgrootte maximaal 10 cm) en ongerechtigheden zoals puin, stenen, metaal, bouwhout, glasscherven, plastic et cetera. Aangetroffen onregelmatigheden moeten worden beschouwd en verwerkt als vrijkomend materiaal. Vrijkomende grond en materialen mogen niet zonder toestemming (tijdelijk) worden gestort of opgeslagen binnen de kwetsbare boomzone (art. 2.32).
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE LEIDEN
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN
H2 | RANDVOORWAARDEN GRAAFWERKZAAMHEDEN EN ANDERE BODEMBEWERKINGEN
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN
52 2.49 Wortelschades: ter voorkoming van (ontoelaatbare) wortelschades gelden strikte randvoorwaarden voor bodembewerkingen en graafwerkzaamheden. Blootliggende (levende) wortels moeten direct worden afgedekt (bijvoorbeeld met grond) om uitdrogen te voorkomen, maar altijd op zodanige wijze dat broei en zuurstof problemen (art. 2.37) worden voorkomen. Bodembewerking en graafwerkzaamheden zijn binnen de kwetsbare boomzone uitsluitend toegestaan met toestemming of met een Goedgekeurd Werkplan (art. 2.46). WORTELS DIKKER DAN 2,5 CM Wortels dikker dan 2,5 cm moeten bij bodembewerking of graafwerkzaamheden altijd haaks op de groeirichting worden doorgezaagd of doorgeknipt (nooit: frezen, hakken, lostrekken of doorscheuren): dit voorkomt onnodige, extra omvangrijke wortelschade door ‘rafelen’ en ‘kapot trekken’. Wortels dikker dan 5 cm mogen niet of (bij uitzondering) alleen onder toezicht en met expliciete toestemming worden door gezaagd of verwijderd.
2.50 Minimale graafafstanden: de in overzicht en figuur 2.50 weergegeven minimale graafafstanden gelden vanuit het hart van de stamvoet van de boom. De maatvoering geldt als leidraad en is gerelateerd aan de stamdiameter van de boom gemeten op 1,3 m +m.v. in relatie tot de straal van de stabiliteitszone rondom de boom. Bodembewerking en graafwerkzaamheden zijn als regel binnen de weergegeven minimale graaf afstanden niet toegestaan. MINIMALE GRAAFAFSTANDEN De minimale graafafstand (overzicht 2.50) bevindt zich (doorgaans) binnen de kwetsbare boomzone (art. 2.16) en is dus alleen toegestaan mits gemotiveerd en uitgewerkt in een Goedgekeurd Werkplan. Graafwerkzaamheden en beoogde graafafstanden binnen de kwetsbare boomzone moeten op basis van gericht veldonderzoek altijd nader in het Werkplan zijn gemotiveerd. Met behulp van het rekenprogramma ‘Boommonitor’ kan (per situatie) meer specifiek de minimale graafafstand, afgestemd op de boomgrootte en boomomvang, worden berekend (art. 2.51). De weergegeven minimale graafafstanden (overzicht en figuur 2.50) zijn gebaseerd op een normale, vrije ontwikkeling van stabiliteitswortels, uitgaande van een actuele doorwortelde diepte van minimaal 75 cm -m.v. (overzicht 2.50 ‘kolom 1’). Bij een meer oppervlakkige wortelontwikkeling of scheefstaande boom zijn afwijkende normeringen van toepassing (overzicht 2.50 ‘kolom 2’).
Overschrijding van de minimum graafafstanden leidt tot (potentiële) schade aan de stabiliteitswortels, dit kan de stabiliteit van de boom en daardoor de veiligheid van de boom en de directe omgeving in gevaar brengen.
Gestuurd boren en mantelbuizen: voor graafwerkzaamheden ten behoeve van de aanleg van kabels en leidingen binnen de kwetsbare boomzone is ‘gestuurd boren’ een gangbaar alternatief. Bij gestuurd boren moet steeds (bij elke boom) ten minste aan weerszijden van de boom de minimale graafafstand (overzicht 2.50) worden overbrugd. De boring moet op zodanige diepte (nader onderzoek) plaatsvinden dat schade aan de stabiliteitswortels wordt voorkomen (nadere uitwerking in Werkplan). Preventief kunnen bij de aanleg van een groeiplaats mantelbuizen worden geplaats die een gecontroleerde doorvoer van kabels en leidingen binnen de bewortelingsruimte van een groeiplaats mogelijk maken (zie Handboek Bomen 2018 | H4 | Aanleg groeiplaatsen voor bomen | Bijlage: ‘aanvullende voorzieningen’).
Zuigen: soms is het als alternatief mogelijk de bestaande grond of zand tussen de wortels af te zuigen, zodat er werkruimte ontstaat tussen de wortels zonder deze te beschadigen. Deze methode wordt bijvoorbeeld toegepast op plaatsen waar graafwerkzaamheden vanwege de aanwezigheid van zwaardere wortels (ø > 5 cm) niet zijn toegestaan.
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE LEIDEN
53
Stamdiameter op 1,3 m +m.v.
(kolom 1) minimale graafafstand, gerekend vanuit het hart van de stamvoet
(2) minimale graafafstand bij eenzijdige wortel ontwikkeling of scheefstaande boom (trekzijde), gerekend vanuit het hart van de stamvoet
20 cm 40 cm 60 cm 80 cm 100 cm 150 cm
> 1,25 m > 1,50 m > 1,75 m > 2,25 m > 2,50 m > 3,50 m
> 2,0 m > 2,5 m > 3,0 m > 3,5 m > 4,0 m > 5,0 m
Graafwerkzaamheden binnen de kwetsbare boomzone zijn uitsluitend toegestaan via een ‘Goedgekeurd Werkplan’. De maatvoering binnen kolom 1 geldt voor bomen met een rondom normale evenwichtige (vrije) wortelontwikkeling, uitgaande van een actuele bewortelingsdiepte van minimaal 75 cm -m.v. Kolom 2 geldt specifiek voor bomen met een meer oppervlakkige of eenzijdige wortelontwikkeling en scheefstaande of aan de trekzijde belaste bomen (zie ook figuur 2.50).
2.50 Overzicht: Leidraad minimale graafafstanden in relatie tot stabiliteitskluit | Handboek Bomen 2018
LEIDRAAD LEIDRAAD MINIMALE MINIMALE GRAAFAFSTANDEN GRAAFAFSTANDEN IN IN RELATIE RELATIE TOTTOT STAMDIAMETER STAMDIAMETER
GRAAFWERKZAAMHEDEN GRAAFWERKZAAMHEDEN BINNEN BINNEN KWETSBARE KWETSBARE BOOMZONE BOOMZONE UITSLUITEND UITSLUITEND TOEGESTAAN TOEGESTAAN METMET GOEDGEKEURD GOEDGEKEURD WERKPLAN! WERKPLAN!
MINIMUM MINIMUM GRAAFAFSTAND GRAAFAFSTAND ‘NORMAAL’: ‘NORMAAL’:
RELATIE RELATIE STAM STAM
STAM STAM GRAAFAFSTAND GRAAFAFSTAND
MINIMUM MINIMUM GRAAFAFSTAND GRAAFAFSTAND ‘TREKZIJDE’: ‘TREKZIJDE’: TREKZIJDE TREKZIJDE STAM STAM GRAAFAFSTAND GRAAFAFSTAND
ø 20 ø cm 20 cm> 1,25 > 1,25 m m
ø 20 ø cm 20 cm> 2,0 > 2,0 m m
ø 40 ø cm 40 cm> 1,5 > 1,5 m m
ø 40 ø cm 40 cm> 2,5 > 2,5 m m
ø 60 ø cm 60 cm> 1,75 > 1,75 m m
ø 60 ø cm 60 cm> 3,0 > 3,0 m m
ø 80 ø cm 80 cm> 2,25 > 2,25 m m
ø 80 ø cm 80 cm> 3,5 > 3,5 m m
ø 100 ø 100 cm cm> 2,5 > 2,5 m m
ø 100 ø 100 cm cm> 4,0 > 4,0 m m
ø 150 ø 150 cm cm> 3,5 > 3,5 m m
RELATIE RELATIE STAM STAM
ø 150 ø 150 cm cm> 5,0 > 5,0 m m MIN.MIN. GRAAFAFSTAND GRAAFAFSTAND HART HART STAMVOET STAMVOET
NIETNIET BINNEN BINNEN KWETSBARE KWETSBARE BOOMZONE! BOOMZONE!
MIN.MIN. GRAAFAFSTAND GRAAFAFSTAND HART HART STAMVOET STAMVOET (TREKZIJDE) (TREKZIJDE) KROONDIAMETER KROONDIAMETER + 1,5M + 1,5M = = KWETSBARE KWETSBARE ZONE ZONE GOEDGEKEURD GOEDGEKEURD WERKPLAN WERKPLAN RAND! !RANDVOORWAARDEN VOORWAARDEN
BODEMBODEMBESCHERMING BESCHERMING
GESTUURD GESTUURD BOREN BOREN
FIGUUR 2.50 Leidraad minimale graafafstanden in relatie tot stabiliteitskluit | Handboek Bomen 2018
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE LEIDEN
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN
LEIDRAAD MINIMALE GRAAFAFSTANDEN (uitsluitend met toestemming Goedgekeurd Werkplan)
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN
54 2.51 Graafwerkzaamheden (en bodembewerking) buiten de minimale graafafstand (art. 2.50) - ook wel aangeduid als de ondergrondse obstakelvrije zone - kunnen nog steeds leiden tot aanzienlijk wortelverlies en daarmee een bedreiging vormen voor de duurzame instandhouding van de boom. Buiten de weergegeven graafafstand (uitsluitend met Goedgekeurd Werkplan) mag slechts een deel van het bestaande wortelvolume (tijdelijk) verloren gaan, mits dit verlies direct aansluitend wordt gecompenseerd, bijvoorbeeld door het beschikbaar stellen van alternatieve doorwortelbare ruimte (herinrichting groei- en standplaats) of het direct aansluitend op de graafwerkzaamheden herstellen van de oorspronkelijke door wortelbare ruimte. Wortelverlies kan in sommige gevallen ook (deels) worden gecompenseerd door de uitvoering van groeiplaats verbeterende maatregelen. Wanneer te veel beworteling c.q. doorwortelbare ruimte verloren gaat, kan dit vooral op een hangwaterprofiel of bij een boom met een verminderde conditie leiden tot ernstige (groei)schade aan de boom en daarmee de duurzame instandhouding ervan in gevaar brengen. Graafwerkzaamheden en wortelverlies (binnen de kwetsbare boomzone) moeten altijd in het Werkplan worden gemeld en gemotiveerd.
De mate waarin beworteling buiten de graafafstand (tijdelijk) verloren mag gaan en de benodigde maatregelen om dit te compenseren moeten middels vooronderzoek (BEA art. 2.6) worden vastgesteld.
Kroonreductie: bij een aanzienlijk verlies van bestaande beworteling kan een kroonreductie ten behoeve van het corrigeren van de wortel-kroonverhouding noodzakelijk zijn. Een dergelijke kroonreductie (innemen van de kroon) is een noodmaatregel (schade!) en geldt dus niet als reguliere beheermaatregel. Het innemen van de kroon wordt ook niet door elke boomsoort verdragen. De uitvoering van snoeimaatregelen in het algemeen en het innemen van een kroon in het bijzonder is zonder expliciete toestemming niet toegestaan, art. 2.29. Boommonitor: overzicht 2.51 geeft een beeld van de richtlijnen die gelden voor de maatvoering van bomen en de benodigde groei- en standplaatsruimte (zie ook Handboek Bomen 2018 | H1 | Bomenontwerp). Met behulp van het rekenprogramma Boommonitor kunnen belangrijke kengetallen van bomen en hun groei- en standplaats, bijvoorbeeld ten behoeve van een onderbouwing van een advies binnen de BEA worden doorgerekend. Naast benodigde doorwortelbare ruimte (m3) worden in Boommonitor ook de benodigde obstakelv rije boomzones (ondergronds en bovengronds) per situatie doorgerekend en schematisch weer gegeven. Figuur 2.51 geeft een voorbeeld van zo’n weergave binnen de Boommonitor.
LEIDRAAD: MAATVOERING BOMEN EN GROEIPLAATS Boomgrootte
Kroondiameter
Stamdiameter
Doorwortelbare ruimte m3 (hangwaterprofiel)
Doorwortelbare ruimte m3 (grondwaterprofiel)
Obstakelvrije zone (ondergronds)*
1e grootte
15 > 20 m
60 - 80 cm
40 - 70 m3
25 - 40 m3
2,0 - 2,5 m
1e grootte 2e grootte
10 - 15 m
40 - 60 cm
30 - 50 m3
20 - 30 m3
1,5 - 2,0 m
1e grootte 2e grootte
8 - 12 m
30 - 40 cm
20 - 35 m3
15 - 20 m3
1,25 - 1,5 m
3e grootte
3-8m
15 - 20 cm
10 - 20 m3
5 - 10 m3
1,0 - 1,25 m
vormboom
2 - 4 m (variabel)
20 - 40 cm
4 - 8 m3
3 - 5 m3
0,75 - 1,25 m
* Obstakelvrije zone(s) vanuit het hart van de boom (stamvoet): - Obstakelvrije zone bovengronds = kroondiameter ‘beoogd eindbeeld’ x 0,6 - Obstakelvrije zone ondergronds = minimum graafafstand (art. 2.50) rondom ‘beoogde eindbeeld’
2.51 Overzicht: Richtlijnen maatvoering bomen en benodigde groei- en standplaatsruimte | Handboek Bomen 2018
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE LEIDEN
55
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN
REKENPROGRAMMA BOOMMONITOR: KENGETALLEN
Benodigde doorwortelbare ruimte (m3) en grondvlak (m2):
(m3 en m2) (m2)
2.51 Figuur: Voorbeeld weergave rekenprogramma Boommonitor | Handboek Bomen 2018
Boommonitor is voor licentiehouders beschikbaar via de login op www.norminstituutbomen.nl.
Naast de obstakelvrije zones in overzicht en figuur 2.51, kan er ook sprake van een vereiste ‘wettelijke’ vrije doorgang voor het verkeer, die in het Werkplan moet worden geborgd. RICHTLIJN: VEREISTE (WETTELIJKE) VRIJE DOORGANG Extra vrije doorgang Auto(rij)weg Voet- en fietspad
6,5 m +m.v. (alleen wanneer extra vrije doorgang expliciet is voorgeschreven) 4,5 m +m.v. 2,5 m +m.v.
De ‘wettelijk’ vereiste vrije doorgang wordt gemeten vanaf het maaiveld of bij een verharding loodrecht boven de verharding, vanaf de doorgetrokken streep (of opstaande rand) langs de wegzijde (breedtemarkering) of de buitenzijde van de verharding indien een doorgetrokken breedtemarkering ontbreekt. Wanneer fiets- en voetpaden ook worden gebruikt door andere voertuigen (bijvoorbeeld hulpdiensten, veeg- en strooiwagens etc.) dat geldt daarvoor ook de vereiste vrije doorgang van rijwegen. Wanneer er sprake is van extra benodigde vrije doorgang, bijvoorbeeld vanwege een trolleybus- of tramleiding of langs specifieke ‘zwaarverkeerroutes’, dan kan de benodigde vrije doorgang bijvoorbeeld worden verruimd tot 6,5 m +m.v.
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE LEIDEN
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN
56 H2 | RANDVOORWAARDEN OPHOGINGEN EN OMVORMING MAAIVELD 2.52 Ophogingen van de bodem en het omvormen van het bestaande maaiveld (herprofilering) zijn binnen de kwetsbare boomzone zonder toestemming (Goedgekeurd Werkplan) niet toegestaan. OPHOGINGEN Een ophoging of omvorming van het bestaande maaiveld wordt door de meeste bomen niet of slecht verdragen. Wanneer een ophoging of omvorming van het bestaande maaiveld toch binnen de kwetsbare boomzone moet plaatsvinden (uitsluitend met Goedgekeurd Werkplan), dan gelden (op basis van nader onderzoek) minimaal de randvoorwaarden in artikelen 2.52 tot en met 2.59. Zonder expliciete goedkeuring binnen het Werkplan mogen genoemde ophogingen en omvorming van het maaiveld binnen de kwetsbare zone uitsluitend handmatig worden uitgevoerd.
2.53 Bij een ophoging binnen de kwetsbare boomzone (uitsluitend met goedgekeurd Werkplan) moeten diffusie (bodemlucht) en infiltratie (water) van de bestaande bodem en de opgebrachte grond middels het gebruik van geschikte ophoogmaterialen en verwerkingsmethoden geborgd worden. De tolerantie voor een ophoging is onder andere (sterk) boom- en bodemsoortafhankelijk. Bij een ophoging rond kwetsbare boomsoorten moet direct grondcontact met het bestaande schorsweefsel van de stam en stamvoet worden voorkomen (wortelhals en wortelaanlopen niet afdekken). Dit kan bijvoorbeeld door op het bestaande maaiveld rondom de stamvoet een keerrand of grondwerende kraag aan te brengen, of door (direct) rond de boom geen grond of zand op te brengen. Bij de ophoging moeten structuurbederf en bodemverslemping van zowel het bestaande profiel als het op te brengen ophogingsmateriaal (art. 2.47) worden voorkomen. De toplaag (bovenste 2 tot 3 cm) van het bestaande maaiveld moet een voldoende losse structuur hebben (eventueel oppervlakkig bodem bewerken toepassen) en mag niet te nat (niet verzadigd) zijn. Bij eventuele bodembewerking moet wortelschade worden voorkomen (art. 2.46 e.v.). Een organische toplaag (bijvoorbeeld gras of een strooisellaag) moet ter plaatse van de voorgenomen op hoging, voorafgaand verwijderd worden.
Deze organische toplaag mag nooit in de bodem worden doorgespit of doorgefreesd (zuurstofproblemen bij nadere vertering, art. 2.37 en 2.47). Materiaalkeuze en verwerking: een ophoging van slechts enkele centimeters kan funest zijn wanneer de materiaalkeuze en/of verwerkingswijze de mogelijkheden voor diffusie en infiltratie van de bodem negatief beïnvloeden (bijvoorbeeld afsluitende kleilaag). De materiaalkeuze voor een ophoging rond bomen is essentieel. Eventuele organische bestanddelen moeten goed zijn uitgerijpt, zodat bodemzuurstofproblemen worden voorkomen (art. 2.37). Het ophoogmateriaal en de mate van verdichting moeten zodanig worden gekozen dat infiltratie van water en diffusie van lucht na verwerking niet worden verstoord; streefwaarde bodemzuurstof ten minste 16 - 18%. Dit kan bijvoorbeeld door gebruik te maken van (grof) bomenzand (M50-cijfer: 420 - 700 µm) of bomen granulaat als ophoogmateriaal op plaatsen waar verdichtingseisen relevant zijn. Bij een open maaiveld of berm (zonder verdichtingseisen) kan bijvoorbeeld gekozen worden voor bomengrond met 5 - 7% organische stof (bomengrond = teelaarde, specifiek voor bomen samengesteld). Voor de levering en verwerking van bomengrond en bomenzand gelden de eisen Handboek Bomen 2018 | H3 | Levering bomensubstraten en H4 | Aanleg groeiplaatsen voor bomen.
In het Werkplan moeten de werkwijze, materiaalkeuze voor de ophoging en de verwerking ervan nader worden uitgewerkt (maatwerk).
Lichten bomen: als alternatieve maatregel bij een ophoging of herprofilering kan (Goedgekeurd Werkplan) worden gekozen om de betrokken bomen te lichten en ter plaatse te herplanten. Hiermee kunnen de ver andering van de groei- en standplaats met een juiste (her)plantwijze worden afgestemd. Voor het lichten en (her)planten gelden de eisen Handboek Bomen 2018 | H13 | Verplanten bomen.
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE LEIDEN
57
Een op te brengen zandlaag dient als regel te worden voorzien van een beluchtingssysteem (maatwerk) en afhankelijk van de belastbaarheid van de nieuw aan te brengen verharding te worden afgedekt met een drukverdelende of drukspreidende constructie of geotextuur (zuurstof- en waterdoorlatend en afgestemd op de toekomstige belastingseisen), waarop het zandcunet (EC-waarde < 1,5 mS/cm) ten behoeve van de verharding kan worden aangebracht. Indien er tevens sprake is van een ophoging, dan geldt een combinatie van art. 2.53 en art. 2.54 en is een nadere uitwerking van een specifiek gecombineerd (maatwerk)ophoogplan binnen het Werkplan noodzakelijk.
Zwevende of zelfdragende constructie: voor ophogingen rond bomen en het aanbrengen van verhardingen op een bestaand open maaiveld kan de toepassing van een zwevende of zelfdragende (groeiplaats)constructie binnen de kwetsbare boomzone een goed alternatief bieden (maatwerk). 2.55 Bij een grondophoging met of zonder verharding (maaiveldverhoging) is borging (indien ter plaatse relevant) van voldoende vrije doorgang (vrije doorrijhoogte) onder en naast de kroon noodzakelijk. Wanneer er sprake is van een onvoldoende vrije doorgang dient dit (tijdig) te worden gemeld. Leidraad (wettelijke) vrije doorrijhoogte: zie art. 2.51. 2.56 Ten behoeve van (voldoende) infiltratie (regenwater) en diffusie (lucht/zuurstof) geldt als regel binnen de kwetsbare boomzone het toepassen van een open of niet gebonden verharding; bijvoorbeeld grastegels, k linkers of tegels met een open voeg.
Halfverharding: optioneel (motivering Werkplan) is de toepassing van een halfverharding (grind, steenslag et cetera). Sommige halfverhardingen slaan gemakkelijk dicht of spoelen uit en zijn om die reden boomtechnisch ongeschikt. Gebruik daarom binnen de kwetsbare boomzone bijvoorbeeld geen schelpen, fijn split, leem houdende materialen of gravel et cetera (zie ook Handboek Bomen 2018 | H1 | Bomenontwerp | art. 1.22). 2.57 Indien binnen de kwetsbare boomzone een bestaande verharding moet worden vervangen (uitsluitend met Goedgekeurd Werkplan) dan mag het ontgraven of uitkisten ‘vernieuwen van het (zand)cunet’ slechts (met toestemming) plaatsvinden wanneer er zich in het bestaande (te vervangen) cunet (nog) geen wortels met een diameter dikker dan 1,0 cm bevinden. Binnen de minimale graafafstand mag als uitgangspunt geen grond of zand worden ontgraven c.q. worden vervangen of worden bewerkt (art. 2.50). In sommige gevallen is het mogelijk het bestaande cunet tussen de wortel met behulp van het zogenoemde afzuigen af te voeren (art. 2.50). Als alternatief geldt de optie om het nieuwe cunet aan te brengen boven op het bestaande cunet (art. 2.54).
2.58 Ter voorkoming van zoutinspoeling en het waarborgen van voldoende infiltratie dient binnen de kwetsbare boomzone uitsluitend grof zoet (voeg- en cunet)zand of split te worden toegepast of grof zand dat voldoende is ontzilt (EC-waarde < 1,5 mS/cm). De toepassing van gestabiliseerd zand (dit is zand met toevoeging van cement) is binnen de kwetsbare zone (als cunet) niet toegestaan. De mogelijkheden voor infiltratie en diffusie zullen door het toepassen van gestabiliseerd zand verloren gaan. 2.59 Wanneer er binnen de kwetsbare boomzone sprake is van een (toekomstige) potentiële strooizoutbelasting, moeten in het Werkplan specifieke voorzieningen worden opgenomen om bijvoorbeeld de inspoeling van zout in de bodem te beperken (art. 2.56). Dit kan bijvoorbeeld middels het plaatsen een opstaande betonrand en het realiseren van een adequate waterafvoer, zodat het zoute smeltwater via inspoeling de groeiplaats niet negatief beïnvloedt (nadere uitwerking in Werkplan). Voor de randvoorwaarden van de groei- en standplaats van bomen gelden de eisen Handboek Bomen 2018 | H1 | Bomenontwerp en H4 | Aanleg groeiplaatsen voor bomen.
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE LEIDEN
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN
2.54 Aanbrengen van een verharding, indien het aanbrengen van een verharding op een (voorheen) open of met gras bedekt maaiveld binnen de kwetsbare boomzone noodzakelijk is (uitsluitend met Goedgekeurd Werkplan), geldt als randvoorwaarde dat op het bestaande maaiveld eerst een laag grof (M50 cijfer ≥ 400 mu) zoet zand wordt aangebracht nadat een eventuele organische toplaag (art. 2.53) is verwijderd. Dit houdt dus in dat het zandcunet moet worden aangebracht op het bestaande maaiveld en dat het ontgraven of uitkisten van het bestaande maaiveld ten behoeve van het zandcunet niet is toegestaan! (art. 2.57).
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN
58 H2 | BIJLAGE 1 BOMENPOSTER ‘WERKEN ROND BOMEN’
BOMENPOSTER
WERKEN ROND BOMEN KWETSBARE BOOMZONE
Opslag parkeren en transport Opslag Opslag parkeren parkeren en en transport transport
OPSLAG, PARKEREN EN TRANSPORT 1,5M
1,5M
1,5M
1,5M
BRONBEMALING EN VERANDERINGEN IN GRONDWATERSTAND
!
KWETSBARE ZONE KWETSBARE ZONE KWETSBARE ZONE
GWST
MINIMALE GRAAFAFSTAND
GWST
MARKEER!
STAM
GWST
MIN. 2M
! RANDVOORWAARDEN
! Werkzaamheden en de opslag van materiaal en materieel zijn binnen de KWETSBARE BOOMZONE alleen toegestaan MET TOESTEMMING (goedgekeurd Werkplan).
RAND!! RANDRANDVOORWAARDEN ! VOORWAARDEN VOORWAARDEN
GESLOTEN DAMWAND
GWST
RANDVOORWAARDEN EN EISEN Voor opslag, parkeren en transport gelden randvoorwaarden binnen de kwetsbare boomzone. Bijvoorbeeld het plaatsen van drukverdelende rijplaten.
! Randvoorwaarden moeten worden uitgewerkt in een goedgekeurd Werkplan!
1 2
3
ONDERGRONDS
GRAVEN, OPHOGEN EN ANDERE BODEM¡ BEWERKINGEN
4
Graven, Graven, ophogen ophogen en en andere andere bodembewerkingen bodembewerkingen
5 6
Plaats een niet-verplaatsbare fysieke bescherming rond de boom (vanaf 10 cm tot minimaal 2 m boven het maaiveld) en markeer deze als beschermd boomgebied. Binnen elke kwetsbare boomzone zijn de uitvoering van werkzaamheden en de opslag van materiaal en materieel alleen toegestaan met toestemming via een door de opdrachtgever of directie goedgekeurd Werkplan. Binnen elke kwetsbare boomzone gelden randvoorwaarden die uitgewerkt moeten zijnBOVENGRONDS in het goedgekeurde Werkplan. Deze randvoorwaarden worden in de regel opgesteld aan de hand van een Bomen Effect Analyse (BEA). Het Werkplan vermeldt gedetailleerd (per boom) wanneer, op welke wijze, volgens welke randvoorwaarden en met welk materieel en welke binnen de 1,5M hulpmiddelen werkzaamheden 1,5M kwetsbare boomzone moeten worden uitgevoerd. Werkzaamheden mogen de duurzame instandhouding van de boom nooit in gevaar brengen. Graafwerkzaamheden binnen de kwetsbare boomzone zijn uitsluitend toegestaan met toestemming via het goedgekeurde Werkplan.
LEIDRAAD MINIMALE GRAAFAFSTANDEN INDICATIEF Stam Minimale graafafstand Eenzijdige wortelontwikkeling vanuit het hart van de of scheefstaande boom stamvoet (trekzijde) 20 cm > 1,25 m 2,0 m 40 cm > 1,50 m 2,5 m 60 cm > 1,75 m 3,0 m 80 cm > 2,25 m 3,5 m 100 cm > 2,50 m 4,0 m 150 cm > 3,50 m 5,0 m
KWETSBARE KWETSBARE ZONE ZONE KWETSBARE ZONE
Voor bronbemalingen en veranderingen in de grondwaterstand gelden zowel binnen als buiten de kwetsbare boomzone randvoorwaarden. Bijvoorbeeld het toepassen van een gesloten bronbemaling.
! Randvoorwaarden moeten worden uitgewerkt in een goedgekeurd Werkplan!
VLOEISTOFFEN EN GASSEN
Vloeistoffen en gassen
Vloeistoffen en gassen
GIF/ZUUR/ CEMENT
Bodemvreemde gassen en vloeistoffen kunnen grote schade veroorzaken aan de groeiplaats
Snoeiwerkzaamheden van een boom.
Houd gassen en vloeistoffen, maar ook cementmolens en (water)afvoeren, op grote afstand van de kwetsbare boomzone! GIF/ZUUR/ CEMENT
RANDRAND!! RANDVOORWAARDEN VOORWAARDEN VOORWAARDEN
BODEMBODEMBODEMBESCHERMING BESCHERMING BESCHERMING
1,5M
1,5M
!
GESTUURD GESTUURD GESTUURD BOREN BOREN BOREN
Voor graven, ophogen en bodembewerking gelden randvoorwaarden binnen de kwetsbare boomzone. Bijvoorbeeld minimale graafafstanden en wortelbescherming.
MINIMALE GRAAFAFSTAND
DIPLOMA
SNOEI Snoeiwerkzaamheden WERKZAAMHEDEN 1,5M
1,5M
MARKEER!
STAM
DIPLOMA MIN. 2M
! Randvoorwaarden moeten worden uitgewerkt in een goedgekeurd Werkplan! Kabelgoten, mantelbuizen en gestuurd boren bieden soms een goed alternatief. Let bij grond- en graafwerkzaamheden ook op kabels en leidingen (KLIC-melding, WION).
Het snoeien van bomen is alleen toegestaan met toestemming van de opdrachtgever of directie, ook wanneer er enkel sprake is van een gebroken of beschadigde tak.
! Kwetsbare boomzone = Kroonprojectie + 1,5 meter Kijk voor aanvullende informatie over randvoorwaarden en een goedgekeurd Werkplan op: www.bomenposter.nl
Deze uitgave van Stadswerk is tot stand gekomen dankzij:
Kijk voor meer info op www.norminstituutbomen.nl ONDERGRONDS
BOVENGRONDS
NB_Poster_WerkenRondBomen_2017.indd 1
19-03-18 20:58
1,5M
1,5M
Bomenposters zijn beschikbaar via LOGIN op www.norminstituutbomen.nl
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE LEIDEN
59
KWETSBARE BOOMZONE! 1,5M
!
1,5M
MINIMALE GRAAFAFSTAND
1,5M
STAM
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN
H2 | BIJLAGE 2 WEERBESTENDIGE BOMENPOSTER ‘KWETSBARE BOOMZONE!’
MAR
! Kwetsbare boomzone = Kroonprojectie + 1,5 meter ZONDER TOESTEMMING NIET TOEGESTAAN BINNEN KWETSBARE Graven, BOOMZONE: ophogen en andere bodembewerkingen
Opslag parkeren en transport
Opslag parkeren en transport
GWST GWST KWETSBARE ZONE
GWST
OPSLAG, PARKEREN EN TRANSPORT
1,5M
1,5M
1,5M
!
KWETSBARE ZONE
BRONBEMALING
RANDVOORWAARDEN
KWETSBARE ZONE
GRAVEN, OPHOGEN EN BODEMBEWERKING
RANDVOORWAARDEN EN WERKPLAN ONDERGRONDS ! 1,5M
BODEMBESCHERMING
MINIMALE GRAAFAFSTAND
MARKEER!
STAM
BOVENGRONDS
RANDVOORWAARDEN
Voor de uitvoering van werkzaamheden rond deze boom gelden randvoorwaarden!
MIN. 2M
GESTUURD BOREN
De uitvoering van werkzaamheden rond deze boom is uitsluitend toegestaan met een goedgekeurd werkplan!
1,5M
! RANDVOORWAARDEN VOOR MELDINGEN OF OPMERKINGEN:
Deze uitgave is tot stand gekomen dankzij:
Kijk voor meer info op www.norminstituutbomen.nl
ONDERGRONDS
BOVENGRONDS NB_Poster_Buiten_40x80_2017.indd 1
19-03-18 21:01
1,5M
1,5M
Bomenposters zijn beschikbaar via LOGIN op www.norminstituutbomen.nl
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE LEIDEN
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE LEIDEN
61
LEVEREN BOMENSUBSTRATEN HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE LEIDEN
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 LICENTIEVOORWAARDEN
HOOFDSTUK 3
LEVEREN BOMENSUBSTRATEN
BOMENGROND | BOMENZAND | BOMENGRANULAAT
Specifiek voor bomen samengestelde grond-, zand- en granulaatmengsels, voor de duurzame inrichting van groeiplaatsen voor bomen. Nader aangeduid als: ‘bomengrond, bomenzand en bomengranulaat’.
De te leveren bomensubstraten moeten een waarborg zijn voor een voor bomen specifiek geschikt en duurzaam groeimedium, waarin (met inachtneming van de gestelde leverings- en verwerkingseisen) goede wortelontwikkeling blijvend mogelijk is. Het leveren van bomensubstraten (H3) omvat en moet samenvattend voldoen aan: • geleverd volgens uitvraag en de eisen Handboek Bomen 2018 | H3 | Leveren bomensubstraten • een waarborg zijn voor een geschikt duurzaam groeimedium voor bomen • voldoen aan de wettelijke milieuhygiënische eisen ‘Besluit bodemkwaliteit’ • voorzien zijn van bijbehorende analyserapporten en bewijs van oorsprong (inclusief schonegrondverklaring) • bij aflevering voorzien zijn van de bijbehorende afleveringsdocumenten • vanaf de verwerkingsplaats tot aan het lossen, geborgd in kwaliteit en samenstelling • afgeleverd en gelost worden volgens de voorgeschreven leveringswijze, datum, tijd en losplaats
Uitvraagrelevante specificaties: • formuleren van de uitvraag • verwijzen in uitvraag naar eisen: Handboek Bomen 2018 | H3 | Leveren bomensubstraten • voorschrijven dat Handboek Bomen 2018 bij tegenstrijdigheden in de uitvraag (indien niet specifiek anders is voorgeschreven) prevaleert • voorschrijven van type bomensubstraat • voorschrijven hoeveelheid in uitvraag: los gestort of verwerkt (m3 of tonnage) • voorschrijven van (eventuele) aanvullende of afwijkende eisen, specificaties of leveringsvoorwaarden
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE LEIDEN
63
3.1 Het leveren van bodemsubstraten voor bomen (bomengrond, bomenzand en bomengranulaat, nader te noemen als ‘bomensubstraten’) mag alleen worden uitgevoerd door of onder directe begeleiding van vak bekwaam personeel dat specifiek en vakinhoudelijk op de hoogte is van de in het Handboek Bomen gestelde eisen ten aanzien van het leveren van bomensubstraten voor bomen. Handboek Bomen 2018 | Algemene aanvullende bepalingen | art. 6. De transporteur moet in staat zijn de aflevering volgens gestelde eisen, vakkundig en zelfstandig uit te voeren (art. 3.16 tot en met 3.19). 3.2 De levering van bomensubstraten moet voldoen aan de in hoofdstuk 3 van het Handboek Bomen 2018 gestelde eisen. Voor zover niet specifiek anders is voorgeschreven, zijn tevens de Algemene aanvullende bepalingen van het Handboek Bomen 2018 van toepassing als waren deze integraal opgenomen in dit hoofdstuk. 3.3 Voor zover niet specifiek anders voorgeschreven, vermeldt de opdrachtnemer, rekening houdend met de gestelde eisen, wanneer en op welke wijze de levering wordt gerealiseerd (Plan van Aanpak | Algemeen tijdschema), Handboek Bomen 2018 | Algemene aanvullende bepalingen | art 1. De opdrachtnemer borgt dat de werkzaamheden worden uitgevoerd conform het goedgekeurde Plan van Aanpak.
3.4 De levering van bomensubstraten moet zodanig plaatsvinden dat de werkzaamheden in relatie tot de (directe) omgeving schadevrij en veilig worden uitgevoerd, Handboek Bomen 2018 | Algemene aanvullende bepalingen | art. 2 en 3. Onder schadevrij wordt tevens verstaan het voorkomen van schades aan (buur) bomen en beplantingen alsmede het voorkomen van schade aan de ondergrondse infrastructuur en de groei- en standplaats zoals bodemverdichting, bodem- c.q. toplaagverslemping, rij- en inslagsporen et cetera. Bestaande schades dienen door de aannemer voorafgaand aan het werk gemeld te worden. Voor de uitvoering van gestelde werkzaamheden kunnen op grond van landelijke wet- en regelgeving of lokale keuren of verordeningen verschillende (voor)onderzoeken, meldingen, vergunningen, ontheffingen, ver klaringen et cetera benodigd zijn. Benodigde ‘vergunningen en ontheffingen’ dienen op het werk aanwezig te zijn, Handboek Bomen 2018 | Algemene aanvullende bepalingen | art. 5. 3.5 Geleverde bomensubstraten moeten een waarborg zijn voor een voor bomen specifiek geschikt en duurzaam groeimedium, waarin (bij de gestelde leverings- en verwerkingseisen) goede duurzame wortelontwikkeling blijvend (in relatie tot de omloop van een boom) mogelijk is. Een nadere algemene omschrijving van de bomensubstraten en hun algemene toepassing is opgenomen in H3 | Leveren bomensubstraten | Bijlage.
3.6 Geleverde bomensubstraten moeten voldoen aan de milieu(hygiënische-)eisen in het kader van het ‘Besluit bodemkwaliteit’ (schonegrondverklaring). In het kader van een partijkeuring ‘milieuhygiënische verklaring’. Voor granulaten keuring niet-vormgegeven bouwstoffen (of BRL 9341), voor bomengrond en/of bomenzand een keuring AP04/AS1000 (of BRL 9335-4). 3.7 Voorafgaande aan de levering (uiterlijk 3 weken voor levering) van elke uniforme partij bomensubstraat moet een voor die partij representatief analyserapport (art. 3.12) en een ‘milieuhygiënische verklaring’ (art. 3.6) alsook een bewijs van oorsprong (art. 3.10) verstrekt worden. Analyserapport, milieuhygiënische verklaring en bewijs van oorsprong, mits (nog) representatief, mogen ten hoogste 6 maanden oud zijn.
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE LEIDEN
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H3 LEVEREN BOMENSUBSTRATEN
H3 | EISEN LEVEREN BOMENSUBSTRATEN
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H3 LEVEREN BOMENSUBSTRATEN
64 PARTIJ, ANALYSES EN BEWIJS VAN OORSPRONG BOMENSUBSTRATEN 3.8 Elke partij, elke analyse en elk bewijs van oorsprong moet voorzien zijn van een voor die partij herleidbare unieke en overeenstemmende identiteitscodering. 3.9 Indien een partij bomensubstraat wordt uitgeleverd vanaf verschillende depots, dan wordt deze als nietuniform beschouwd. 3.10 Het bewijs van oorsprong vermeldt de identiteitscodering (art. 3.8), de herkomst, de producent, de samenstelling en de bereidingswijze van het bomensubstraat. Het bewijs van oorsprong moet het mogelijk maken de herkomst, samenstelling en samenvoeging van alle deelstromen van het geleverde bomensubstraat te herleiden. 3.11 Voor alle bomensubstraten gelden, voor zover niet specifiek anders is voorgeschreven, de voor die substraten benoemde eisen en specificaties (bijlage: art. 3.20 - 3.26). Substraten met een afwijkende (granulaire of drager)fractie of -samenstelling moeten als zodanig specifiek in de uitvraag of aanbieding (ter goedkeuring) worden benoemd en moeten voldoen aan de overige in dit hoofdstuk gestelde eisen. EISEN & SPECIFICATIES BOMENSUBSTRATEN (ANALYSE) Bomengrond: Bomengrond 8 - 12% Bomengrond 5 - 8% (verschraald)