220010 Bijlage 2 Toelichting bij Reglement van orde gemeenteraad Leiden (inclusief zichtbare wijzigingen)
Tekst van het document
Bijlage 2. Toelichting Reglement van Orde voor de gemeenteraad Leiden (inclusief zichtbare wijzigingen) Hoofdstuk 1: Algemene Bepalingen Artikel 1 en artikel 2. In artikel 1 worden een aantal begrippen uit dit reglement van orde gedefinieerd. Deze spreken grotendeels voor zich. Voor wat betreft het begrip ‘voorzitter’ zij nog vermeld dat de burgemeester voorzitter is van de raad. Artikel 9 van de Gemeentewet schrijft dit dwingend voor. In artikel 77, eerste lid, van de Gemeentewet is bepaald dat het langstzittende raadslid het raadsvoorzitterschap waarneemt bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester. Als twee raadsleden even lang zitting hebben, is de oudste in jaren degene die het raadsvoorzitterschap waarneemt. Daarnaast heeft de raad altijd de mogelijkheid zelf te kiezen voor een andere waarnemer. In Leiden is ervoor gekozen de voorzitters van de raadscommissies als eerste, tweede, derde en vierde plaatsvervangend voorzitter te benoemen. De burgemeester heeft het recht op grond van artikel 21 van de wet in de vergadering aan de beraadslaging deel te nemen. Als voorzitter zorgt hij onder andere voor de handhaving van de orde in de vergadering. Wanneer in de regeling expliciet ‘burgemeester’ wordt genoemd, wordt gedoeld op het ambt van burgemeester als portefeuillehouder voor zover het betreft de uitoefening van burgemeestersbevoegdheden .
Het presidium bestaat uit de voorzitters van de ‘reguliere’ raadscommissies. Dit zijn de raadscommissies die op basis van artikel 2 van de Verordening op de raadscommissies Leiden worden ingesteld. Voorzitters van andere commissies waarin raadsleden zitting hebben (zoals de voorzitter van de Commissie voor de Rekeningen zijn geen Presidiumleden maar worden (op basis van artikel 7) wel om advies gevraagd. Voorzitters van subcommissie die zijn ingesteld op basis van artikel 3 Verordening Raadscommissies Leiden zijn ook geen lid van het Presidium. Deze subcommissies adviseren de betreffende raadscommissie (waarvan de voorzitter wel deel uitmaakt van het Presidium). Artikel 3. De griffier De raad is verplicht een griffier te benoemenaan te wijzen (artikel 100 en 107 Gemeentewet). De griffier is in eerste instantie verantwoordelijk voor de bijstand aan de raad. Hij is in principe in elke vergadering van de raad aanwezig. De Gemeentewet eist dat de raad de vervanging van de griffier regelt (artikel 107d, eerste lid). In het tweede lid is daarover een bepaling opgenomen. In verband met artikel 22 Gemeentewet (verschoningsrecht) is in het derde lid een bepaling opgenomen met betrekking tot het deelnemen van de griffier aan de beraadslaging. Artikel 4A en 4B.
Onderzoek geloofsbrieven; beëdiging; Met de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal stembureau aan de benoemde kennis van zijn benoeming (artikel V1 Kieswet). Voor dit benoemingsbesluit is bij ministeriële regeling een model vastgesteld. De benoemde geeft schriftelijk aan of hij de benoeming aanneemt (artikel V2 Kieswet). Tegelijk met de mededeling dat hij zijn benoeming aanneemt worden aan de raad stukken overlegd waaruit blijkt dat de benoemde voldoet aan de eisen om als lid van de raad toegelaten te worden. Dit omvat de volgende stukken: een ondertekende verklaring met de openbare betrekkingen die hij bekleedt, een uittreksel uit de basisregistratie personen met zijn woonplaats, geboorteplaats en datum en (indien niet-Nederlander) stukken waaruit blijkt dat hij voldoet aan de vereisten van artikel 10, tweede lid, van de wet (artikel V 3 van de Kieswet). Het onderzoek van de geloofsbrieven moet in een openbare vergadering gebeuren. Bij het onderzoek zal ook de gedragscode (artikel 15, derde lid Gemeentewet) betrokken worden. In deze code zijn
Pagina 1 van 23
onder meer bepalingen opgenomen over al dan niet toegestane nevenfuncties. De commissie die de geloofsbrieven onderzoekt brengt verslag uit tijdens de raadsvergadering. Het onderzoek van het proces verbaal (onderzoek naar het verloop van de verkiezing of de vaststelling van de uitslag) gebeurt alleen in de laatste samenkomst van de raad in oude samenstelling na de gemeenteraadsverkiezingen. Het onderzoek van de geloofsbrief strekt zich niet uit tot de geldigheid van de kandidatenlijsten en van de lijstverbindingen. De commissie bestaat uit de voorzitters van de twee grootste coalitiefracties en uit de twee grootste oppositiefracties. Dit om het mogelijk te maken dat een commissielid zich onthoudt van het geloofsbrievenonderzoek naar leden van de fractie waartoe het lid zelf behoort. Een commissielid dient zich namelijk te onthouden van het onderzoek geloofsbrieven van leden uit een fractie waar het commissielid deel van uitmaakt. Hiermee wordt iedere schijn van belangenverstrengeling voorkomen. De commissieleden worden benoemd door en uit de raad in de eerste vergadering na de vergadering van elke zittingsperiode waarin de leden worden geïnstalleerd. De benoeming geschiedt voor de duur van de zittingsperiode van de raad en gaat in op het tijdstip waarop deze wordt aanvaard. Als voorzitter van de commissie treedt op de voorzitter van de grootste fractie.
Indien deze daar van afziet, beslist de commissie wie als voorzitter zal optreden. Ingevolge artikel V4 van de Kieswet beslist de raad over de toelating van zijn leden. Daarbij is er een verschil in de procedure bij de samenstelling van een nieuwe raad of bij de vervulling van een tussentijdse vacature. Na de raadsverkiezingen beslist de raad in oude samenstelling in zijn laatste vergadering over de toelating van de nieuw gekozen leden. Met ingang van 00:00 uur de volgende dag treedt de nieuwe raad aan (artikel 18 van de Gemeentewet en artikel C 4, tweede lid, van de Kieswet). Na een raadsverkiezing kunnen de raadsleden op de eerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling de eed of verklaring en belofte afleggen. De voorzitter zal hen hiervoor oproepen. Bij tussentijdse vacaturevervulling kan de eed of verklaring en belofte aansluitend aan de beslissing van de raad over de toelating van het betrokken raadslid plaatsvinden. De tekst van de eed of verklaring en belofte die een raadslid bij het aanvaarden van het raadslidmaatschap moet afleggen, is in artikel 14 van de Gemeentewet vastgelegd. Na de gemeenteraadsverkiezingen heeft de commissie voor het geloofsbrievenonderzoek een extra taak, zij adviseert de raad ook over het verloop van de verkiezingen (of dit op wettige wijze is gebeurd) en het vaststellen van de uitslag (is deze juist vastgesteld).
Zij doet dit op basis van het proces-verbaal van het centraal stembureau. De raad dient op basis van dit advies een besluit te nemen over het verloop van de verkiezingen en de vaststelling van de uitslag. Deze artikelen geven invulling aan een leemte in de Gemeentewet. Uit de Kieswet vloeit het geloofsbrievenonderzoek van raadsleden voort. Aangezien de wethouder geen gekozen volksvertegenwoordiger is, is hierover niets in de Kieswet geregeld. De Gemeentewet geeft wel aan welke formele eisen gesteld worden aan een wethouder maar niet op welk moment deze getoetst worden. Daarom wordt in het reglement van orde bepaald dat deze commissie ook geloofsbrievenonderzoek uitvoert voor het benoemen van wethouders. De formele eisen voor het wethouderschap zijn grotendeels vergelijkbaar met de vereisten voor het raadlidmaatschap (artikelen 36a, 36b, 41b en 41c van de wet). Bij de benoeming van een wethouder zal er een integriteitstoets plaatsvinden. De gedragscode wethouders speelt hierbij een rol. Daarnaast kan een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) worden gevraagd. De VOG kent een screeningsprofiel voor politieke ambtsdragers. Bij dit profiel staat de integriteit van de aspirant bestuurder centraal. Het is mogelijk om deze VOG via een spoedprocedure uit te laten voeren. Na het onderzoek brengt de commissie advies uit aan de raad over de benoeming tot wethouder. Pagina 2 van 23
De kandidaat-wethouders kunnen in opdracht van de burgemeester voor aanvang van iedere ambtstermijn aan een integriteitstoets worden onderworpen. De burgemeester brengt over de uitkomsten daarvan verslag uit aan de raad. De analyse is niet openbaar. Deze artikelen zijn ook van toepassing als er geen wethouder van buiten maar uit de raad wordt benoemd. De incompatibiliteiten en nevenfuncties dienen dan immers opnieuw beoordeeld te worden. Een raadslid dat benoemd wordt tot wethouder mag raadslid blijven totdat de geloofsbrieven van zijn opvolger zijn goedgekeurd (artikel 36b, tweede lid, van de wet). Artikel 5. Fracties De Kieswet en de wet kennen het begrip fractie niet. In artikel 33, tweede lid, van de wet wordt wel uitgegaan van het bestaan van in de raad vertegenwoordigde groeperingen (recht op fractieondersteuning). Bij de aanvang van de eerste zitting van de nieuwe raad na de verkiezingen, worden de leden die op dezelfde lijst hebben gestaan, als één fractie beschouwd. Is onder een lijstnummer slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke fractie (zie de definitie van ‘fractie’ in artikel 1 Rvo). De fractie gebruikt in de vergadering van de raad de aanduiding die zij boven de kandidatenlijst had staan. Op deze wijze is de relatie tussen de fractie in de raad en de fractie op de kandidatenlijst voor de burger duidelijk.
Het kan echter voorkomen dat een fractie geen aanduiding boven de kandidatenlijst heeft staan. In een dergelijk geval deelt de fractie in de eerste vergadering de aanduiding mee. In de loop van een zittingsperiode kan het voorkomen dat leden de raad verlaten. Als dit het geval is, deelt de fractie dit aan de voorzitter mede. Het is ook mogelijk dat een raadslid zijn lidmaatschap niet opzegt maar uit een fractie stapt. Hij kan als zelfstandige fractie verdergaan of zich aansluiten bij een bestaande fractie. Ook andere wijzigingen zijn mogelijk, bijvoorbeeld een fusie van twee fracties. Een andere (tijdelijke) wisseling in een fractie kan het gevolg zijn van ziekte of zwangerschap van een raadslid. Voor deze gevallen is in de Kieswet een vervangingsregeling opgenomen. Uitgangspunt van ons kiesstelsel is dat volksvertegenwoordigers op persoonlijke titel worden verkozen en benoemd (dit laatste door de voorzitter van het stembureau).Dit uitgangspunt is gebaseerd op artikel 27 van de Gemeentewet en artikel 129 van de Grondwet, waarin is bepaald dat elk bindend mandaat van een lid van de raad nietig is. De volksvertegenwoordiger handelt naar eigen overtuiging en is bij stemmingen niet gebonden aan een lastgeving. Geen andere persoon of instantie kan hem rechtens bindende instructies opleggen met betrekking tot zijn stemgedrag.
Het is de individuele volksvertegenwoordiger die een mandaat van de kiezer heeft gekregen. De volksvertegenwoordiger heeft daardoor ook de mogelijkheid om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan. Ook de Kieswet gaat niet uit van politieke partijen. Een zetel 'hoort' dan ook niet bij een partij, maar is verbonden aan de volksvertegenwoordiger die daardoor ook de mogelijkheid heeft om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan. Ook kan een fractie besluiten om haar naam te veranderen. Dit staat de fractie vrij om te doen. De naam van de fractie wordt wel getoetst aan de afwijzingsgronden uit artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet. Dit is een logische voorwaarde; als een politieke groepering zich voor het eerst wil laten registreren gebeurt dit ook. Op grond van artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet wordt de naam van de nieuwe fractie onder meer geweigerd als deze in strijd is met de openbare orde of als deze overeenkomt met of erg lijkt op de naam van een politieke groepering die al geregistreerd is voor de Tweede Kamer- of Statenverkiezingen, én daardoor verwarring te duchten is. Op grond van deze bepalingen heeft de raad geen zeggenschap over wijzigingen in de samenstelling, fusies en splitsingen van fracties en de naamvoering. De raad kan hier dus geen besluit over nemen.
Een mededeling aan de voorzitter van de raad is voldoende. De raad is gehouden met ingang van de
Pagina 3 van 23
eerstvolgende vergadering nadat hiervan mededeling is gedaan rekening te houden met de nieuwe situatie. Dit betekent ook dat: - kandidaten die van een kandidatenlijst deel uitmaken en binnen die lijst/partij een onderlinge schriftelijke (en soms notariële) afspraak maken, bijvoorbeeld dat men onder bepaalde voorwaarden zal afzien van aanvaarding van het raadslidmaatschap, zich dienen te realiseren dat dergelijke afspraken nietig zijn vanwege strijd met de wet en de Kieswet; - personen die tussentijds van partij veranderen hun raadslidmaatschap niet verliezen; - als men uit een partij stapt en als eigen partij verder gaat, de verlatende partij geen middelen heeft om het raadslid uit de raad te weren. Fractieafsplitsing en het ontstaan van een nieuwe fractie kan diverse praktische gevolgen hebben. Te denken valt aan: fractievergoedingen en -faciliteiten, fractievoorzitterschap dan wel vertegenwoordiging in het presidium, zo nodig andere zitplaatsen in de raadszaal, bezetting in raadscommissies en eventueel de bezetting in raadscommissies door duoleden. Als moet worden voorzien in de vacature van een raadslid dat zich heeft afgesplitst, wordt teruggegrepen op de lijst waarop betrokkene oorspronkelijk was gekozen (artikel P19 Kieswet). Artikel 6. Fractievoorzittersoverleg Dit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 7.
Het presidium Het presidium heeft voornamelijk een algemeen adviserende rol (aanbevelingen aan de raad inzake de organisatie en het functioneren van de raad)procedurele rol. Het presidium vervult voor wat betreft de inhoudelijke aspecten van het raadswerk een ondergeschikte rol omdat anders het gevaar bestaat dat er binnen de raad een nieuw bestuursorgaan wordt gecreëerd, wat in strijd is met de Grondwet, die het primaat immers expliciet bij de raad legt (artikel 125 lid 1 Grondwet). Uit praktisch oogpunt is er echter voor gekozen de regie van enkele intern/organisatorische kwesties bij het presidium neer te leggen. In het presidium van de raad en de commissies hebben de vier commissievoorzitters zitting, de voorzitter van de raad. Het Presidium wordt ondersteund door de griffier. De voorzitter van de Commissie voor de Rekeningen en de voorzitter van een raadscommissie bestaande uit raadsleden die is ingesteld op grond van een andere verordening dan de Verordening op de raadscommissies Leiden maken geen deel uit van het Presidium maar worden wel voor advies gevraagd in aangelegenheden die de betreffende commissie aangaan. Op die manier wordt de inhoudelijke inbreng verzekerd en de samenhang geborgd. Het presidium stelt onder meer de agenda’s op voor de raad en de commissies. Het presidium bereidt de raads- en commissievergaderingen voor.
Hij bespreekt alle vergaderingen van raad en commissies voor, beoordeelt de kwaliteit van stukken, bepaalt of stukken ‘rijp’ zijn voor behandeling, stelt het vergaderschema vast, houdt overzicht over aanlevering en agendering van stukken en de wijze van behandeling van stukken in commissies en raad. Hij bewaakt de lange termijnagenda’s van de commissies en de raad en draagt zorg voor de planning van de activiteiten voor raad en commissies.
Pagina 4 van 23
Hoofdstuk 2: Orde van de vergaderingen Artikel 8. Vergaderfrequentie en aanvangstijd Ingevolge artikel 17 van de Gemeentewet vergadert de raad zo vaak hij daartoe heeft besloten en voorts indien de burgemeester het nodig oordeelt of indien ten minste acht leden van de raad schriftelijk met opgave van redenen daarom vraagt. In het vierde lid wordt bepaald dat de raadsvergaderingen waarin de PerspectiefnotaKadernota, Jaarrekening of Begroting worden besproken, overdag plaatsvinden. De vergaderingen over de KaderPerspectiefnota, Jaarrekening en Begroting vangen aan om 16.00 uur en eindigen uiterlijk 23.00 uur. Dit betekent dat de behandeling in principe wordt teruggebracht tot 1 vergaderdag. Tevens wordt de nu al in de praktijk gebruikte constructie van ‘informatieve raadsvergadering’ beschreven in lid 8.. Dit betreft de mogelijkheid om een informatieve raadsvergadering bijeen te roepen met als doel een commissiebreed onderwerp informatief te behandelen. Artikel 9. Oproep Dit artikel is gebaseerd op artikel 19 Gemeentewet. Het presidium bepaalt hoe de voorlopige agenda er uit ziet. Het eerste lid bepaalt dat de voorzitter ten minste tien dagen vóór een vergadering de leden digitale uitnodiging/oproep stuurt, waarin de vergadering wordt aangekondigd. Daarmee wordt ook bedoeld: het digitaal beschikbaar stellen van deze stukken via de website (via ‘politiek portaal’).
De oproep vermeldt de dag, tijdstip en plaats van de vergadering. Het tweede lid stelt verplicht dat de voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken, met uitzondering van de in artikel 25, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet bedoelde stukken, tegelijkertijd met de oproep digitaal aan de leden worden verzonden. In het eerste lid gaat het om een voorlopige agenda. In de dagelijkse praktijk van de gemeente zal het niet altijd mogelijk zijn om ruim voor de vergadering een agenda op te stellen, die ook zicht heeft op de actualiteiten. In een dergelijke situatie kan de aangepaste agenda en de bijbehorende stukken op de website worden aangepast en toegevoegd. Daarvan wordt mededeling gedaan aan de leden (derde lid) . De in artikel 25, eerste en tweede lid, bedoelde stukken zijn stukken ten aanzien waarvan geheimhouding is opgelegd. Hier wordt melding van gemaakt op de stukken. Geïnteresseerden moeten de mogelijkheid hebben om stukken in te zien. De niet geheime stukken kunnen door belangstellenden digitaal worden ingezien, zo nodig met hulp van een griffiemedewerker. Als een belangstellende dat wenst, kunnen bepaalde stukken worden uitgeprint zodat de papieren versie kan worden ingezien. Door dit proces op deze manier te regelen wordt voorkomen dat voor iedere raadsvergadering alle stukken in papieren vorm klaar moeten worden gelegd.
Dit vergt grote personele inzet en is weinig duurzaam omdat daarvan zelden gebruik wordt gemaakt. Onder de ‘stukken’ als bedoeld in het vierde lid worden verstaan: geheime stukken, waaronder de zogenaamde ‘achterliggende’ stukken waarvan in raadsvoorstellen melding wordt gemaakt (ambtelijke adviezen, toelichtende nota’s, etc.) en ten aanzien waarvan geheimhouding is opgelegd. Indien het gaat om geheime of vertrouwelijke stukken, waarop voorlopige geheimhouding is opgelegd door het bestuursorgaan dat het document aanbiedt aan de raad, dient dit duidelijk op het stuk te zijn aangegeven. De griffier vervult de secretariaatsfunctie ten dienste van de raad. Daarom worden stukken die betrekking hebben op de agenda en de voorstellen van de raadsvergadering en die geheim moeten blijven bij hem ter inzage gelegd. Op verzoek van de raadsleden kan de griffier inzage aan hen verlenen.
Pagina 5 van 23
Artikel 10. Agenda Het presidium bepaalt hoe de agenda eruit komt te zien. Het versturen van de agenda en stukken is geregeld in artikel 10. Dit is echter een voorlopige agenda. In de dagelijkse praktijk van de gemeente zal het niet altijd mogelijk zijn om tien dagen voor de vergadering een agenda op te stellen, die ook zicht heeft op de actualiteiten. In een dergelijke situatie kan de voorzitter na het verzenden van de schriftelijke oproep zo nodig een aanvullende, herziene, agenda en stukken rondsturen. Dit kan echter niet tot op het laatste moment, maar tot uiterlijk 48 voor de aanvang van de vergadering. Het tweede lid heeft tot doel om de raad een actievere rol te geven in de opstelling van de raadsagenda. Individuele raadsleden, de voorzitter of een raadcommissie kunnen bij het presidium onderwerpen voor de agenda voordragen. Zij kunnen echter ook bij aanvang van de raadsvergadering een voorstel doen om onderwerpen aan de agenda toe te voegen of van de agenda af te voeren. Daarmee kan het individuele raadslid in ieder geval op twee momenten invloed uitoefenen op de vaststelling van de agenda.
Indien een voorstel wordt gedaan de agenda aan te passen, bijvoorbeeld het doorschuiven van een agendapunt naar de volgende raadsvergadering, en de stemmen staken, is artikel 32, vierde lid Gemeentewet logischerwijs niet van toepassing en geldt artikel 32, vijfde lid, van de Gemeentewet. Voorstellen aan de raad kunnen van diverse actoren afkomstig zijn. In de eerste plaats zijn dit het college en de burgemeester. Daarnaast kunnen raadsleden initiatiefvoorstellen indienen. Het presidium kan voorstellen doen die te maken hebben met de organisatie en de werkzaamheden van de raad. Artikel 11. De wethouders en burgemeester Op basis van artikel 21 van de Gemeentewet heeft de wethouder toegang tot de raadsvergadering en kan hij aan de beraadslaging deelnemen. Een wethouder kan door de raad worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn. Het Reglement van orde geeft een nadere uitwerking van deze bepaling. Het gebruik van het werkwoord ‘uitnodigen’ geeft aan dat een wethouder kan weigeren te verschijnen in de raad. In de praktijk zal dat echter niet waarschijnlijk zijn, omdat een dergelijke weigering door de raad kan worden uitgelegd als een weigering inlichtingen te verschaffen of verantwoording af te leggen; met alle mogelijke onaangename politieke gevolgen van dien voor de betrokken wethouder.
De staatssecretaris van BZK vindt het echter onwenselijk dat in een duaal bestel raad en college elkaar uitsluiten. De burgemeester draagt als voorzitter van de raad èn van het college een bijzondere verantwoordelijkheid hierop toe te zien. Het is overigens nog steeds de raad zelf die de eigen agenda vaststelt. Met andere woorden: het recht van de wethouder om de raadsvergadering bij te wonen en aan de beraadslagingen deel te nemen houdt uitdrukkelijk niet het recht in om de agenda mede te bepalen. De wethouder kan wel inspelen op onderwerpen die worden behandeld, maar hij speelt geen rol bij de onderwerpen die op de agenda worden geplaatst. Artikel 12. De gemeentesecretaris De secretaris houdt zich voornamelijk bezig met de ondersteuning van het college en het leiden van de ambtelijke organisatie. In het kader van die twee taken kan het tevens wenselijk zijn dat de secretaris deelneemt aan de beraadslagingen van de raad. De secretaris wordt echter benoemd en ontslagen door het college. Dit houdt in dat de raad de secretaris niet kan dwingen om in de raad aanwezig te zijn. De raad zal het college moeten verzoeken of het college de secretaris opdraagt in de vergadering aanwezig te zijn om aan de beraadslagingen deel te nemen.
Op deze wijze kan de raad onder meer een beroep doen op kennis en informatie, die de secretaris bezit of kan de secretaris bijvoorbeeld deelnemen aan een discussie over het functioneren van de ambtelijke organisatie.
Pagina 6 van 23
Artikel 13. Presentielijst De verplichting tot het hebben van een presentielijst vloeit voort uit artikel 20 Gemeentewet. In dit artikel wordt de procedure vastgelegd. De handtekeningen op de presentielijst zijn bedoeld om formeel vast te stellen, dat het vergaderquorum aanwezig is. De lijst kan niet dienen om het stemquorum vast te stellen; daarvoor geldt artikel 29 van de Gemeentewet. Artikel 14. Zitplaatsen De griffier is overeenkomstig artikel 3 Rvo in elke vergadering aanwezig en heeft daarom een eigen zitplaats. De voorzitter kan na overleg in het presidium de indeling herzien, indien daartoe aanleiding bestaat. Op grond van artikel 12 Rvo kunnen wethouders worden uitgenodigd om in de vergadering aanwezig te zijn. Ook andere personen kunnen uitgenodigd worden om ter vergadering aanwezig te zijn. De voorzitter is de aangewezen persoon om voor een zitplaats voor hen te zorgen, uiteraard voor zover dat (fysiek) mogelijk is. Artikel 15. Opening van de vergadering: quorum De vergadering kan beginnen, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende raadsleden aanwezig is en de presentielijst heeft getekend. Lid 2 (cf. artikel 20 van de Gemeentewet) voorziet in een procedure voor een tweede vergadering indien het vereiste aantal leden niet op komt dagen. Artikel 16.
De actualiteit Elk raadslid kan aan het begin van de raadsvergadering een vraag aan het college stellen in de actualiteit. De definitie van een actualiteitsvraag staat in artikel 1. Het zijn vragen van niet technische aard over actuele onderwerpen met een zekere urgentie en waarvan bespreking niet is uit te stellen tot de eerstvolgende commissievergadering. Actualiteitsvragen worden kort en duidelijk geformuleerd en kunnen van een korte toelichting worden voorzien. Een actualiteitsvraag dient uiterlijk om 10.00 uur op de dag van de raadsvergadering te worden aangemeld bij de griffier. De griffier zorgt ervoor dat de betreffende wethouder op de hoogte is van de te stellen vragen, zodat hij tijdens de raadsvergadering de vraag kan beantwoorden. Lukt het niet om de vragen in de raadsvergadering te beantwoorden, dan zullen ze schriftelijk worden afgedaan. De persoon die de actualiteit stelt heeft hiervoor 1 minuut ter beschikking waarin hij vragen kan stellen over de actuele kwestie. In totaliteit is een half uur beschikbaar. De voorzitter van de raad heeft de bevoegdheid om actualiteiten te weigeren als niet wordt voldaan aan een van de criteria in lid 3. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat er een discussie ontstaat met de overige leden van de raad. Daarvoor is de actualiteit niet bedoeld. Een interpellatie is dan beter geschikt. Interrupties worden dus niet toegestaan.
Het moet nadrukkelijk gaan om een actueel onderwerp, waarvoor gezien de urgentie van het onderwerp, niet op een andere wijze vragen kunnen worden gesteld. Het moet dus gaan om nieuwe feiten en omstandigheden. Het is ook niet de bedoeling dat het onderwerp uitgebreid wordt ingeleid. Nadat de vragensteller een antwoord heeft gekregen van het college kan hij eventueel nog aanvullende vragen stellen. De voorzitter kan aan andere leden het woord verlenen om hetzij aan de vragensteller, hetzij aan het college, vragen te stellen over hetzelfde onderwerp.
Pagina 7 van 23
Artikel 17. Regeling van werkzaamheden De regeling van werkzaamheden bevat de voorstellen van het presidium voor de komende vergadercycli. Een lid dat een wijziging in de Regeling van Werkzaamheden wil voorstellen conform het tweede lid meldt dit voor 10.00 uur op de dag van de raadsvergadering bij de griffier. Artikel 18. Primus bij hoofdelijke stemming Dit artikel regelde wie als eerste mocht stemmen bij hoofdelijke stemming. Vanwege de samenhang is de inhoud van dit artikel verplaatst naar artikel 32B, lid 912. Daarmee is komt dit artikel komen te vervallen. De sprekersvolgorde wordt overigens geregeld in (het aangepaste) artikel 23. Artikel 19. Het verslag(vervallen) Dit artikel regelt de verslag leggende taak van de griffier en de wijze waarop het verslag wordt vastgesteld. Het maken van een verslag is niet verplicht op grond van de Gemeentewet. In de Gemeentewet wordt alleen gesproken over de verplichting een besluitenlijst openbaar te maken (artikel 23, vijfde lid Gemeentewet). Dit artikel is komen te vervallen omdat een verslag alleen nodig is bij een besloten (deel van een) raadsvergadering. Dan is ook een notulist nodig. Op dit moment is het verslag al ‘extra’ omdat de besluitenlijst het formele verslagleggingsdocument is en de uitzending van de vergadering in beeld en geluid beschikbaar blijft.
Het huidige verslag is vooral een manier om snel vanuit de besluitenlijst in te zoomen op de videobeelden van de vergadering. De functie komt te vervallen omdat het digitale raadsinformatiesysteem (RIS) na de invoering van Parlaeus 'automatisch' een verslag maakt op basis van digitale uitzending (de zgn. videotulen). Een verslag is dan dubbelop. Volstaan wordt met de besluitenlijst (artikel 20). Bij een besloten (deel) van een vergadering is een verslag echter wettelijk verplicht. Vandaar dat de bepalingen over het verslag gehandhaafd zijn in het deel van de verordening dat gaat over besloten vergaderingen (hoofdstuk 5). De raadsvergadering wordt via de gemeentelijke website uitgezonden en is ook na te bekijken en luisteren via de raadspagina. Artikel 20 Besluitenlijst De raadsvergadering wordt via de gemeentelijke website uitgezonden en is ook na te bekijken en luisteren via de raadspagina. De openbaarmaking van een besluitenlijst is verplicht op grond van artikel 25 Gemeentewet tenzij sprake is van geheimhouding of indien openbaarmaking in strijd is met het openbaar belang. Er kan worden volstaan met de publicatie van de kern. Artikel 21. Ingekomen stukken De raad stelt op voorstel van het presidium de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast.
Omtrent de (aan de raad en commissies gerichte) ingekomen stukken worden alleen voorstellen gedaan en besluiten genomen van procedurele aard, bijvoorbeeld ter kennisneming, steunen, afwijzen, in behandeling nemen, doorsturen naar een raadscommissie, doorsturen naar het college etc. Wanneer een ingekomen stuk leidt tot inhoudelijke discussie en besluitvorming, dient dit op de gebruikelijke wijze te worden voorbereid. Brieven van het college of een wethouder gericht aan een raadscommissie komen ook op de lijst ingekomen stukken van de raad. De lijst (LIS) en de stukken worden digitaal via de gemeentelijke website ontsloten Zoveel mogelijk moet worden voorkomen dat een LIS-brief twee keer in een commissievergadering aan de orde komt door daar bij voorkeur direct een motie-VOD te bespreken en niet eerst een LISbrief en daarna een motie VOD. Uiteraard is die procedure niet van toepassing bij commissie- en raadsvergaderingen waarbij de P&C-stukken worden besproken of als een LIS-brief ‘hoort’ bij een raadsvoorstel dat in een commissie wordt besproken. In die gevallen kan dat zonder meer, kan Pagina 8 van 23
worden volstaan met het LIS-advies: ‘desgewenst betrekken bij de behandeling van RV X in commissie Y’ en is geen apart behandelvoorstel nodig. Artikel 22 Spreekregels Dit artikel behoeft geen verdere toelichting. Artikel 23 Volgorde sprekers Fracties die vooraf amendementen en/of moties hebben aangekondigd, krijgen als eerste het woord. Daarna voeren sprekers het woord op volgorde van het aantal zetels waarbij wordt begonnen met de grootste oppositiefractie, vervolgens de grootste coalitiefractie, vervolgens de één na grootste oppositiefractie, daarna de één na grootste coalitiefractie tot alle fracties zijn geweest en wordt geëindigd met de kleinste fractie. Fracties die vooraf moties en/of amendementen hebben aangekondigd, krijgen als eerste het woord. Bij aanvang van de vergadering wordt door het lot bepaald welke fractie vervolgens het woord krijgt. Verder wordt de volgorde van grootte van de fractie aangehouden. Artikel 24 Aantal spreektermijnen Dit artikel behoeft geen verdere toelichting. Artikel 25 Spreektijd Bij elke raadsvergadering geldt een spreektijdenregeling. De spreektijdenregeling geldt zowel voor de fracties en voor het college. Er zijn twee soorten regelingen voor de spreektijden: • vrije debattijd; • spreektijdendebatten. Het presidium stelt de raad voor welke spreektijdenregeling op welk onderwerp op de agenda van toepassing is.
Dit kan pas worden gedaan na de commissiebehandeling, aangezien dan pas bekend is of het onderwerp een hamerstuk of inhoudelijk bespreekpunt is. De spreektijden hebben betrekking op de actualiteit en de inhoudelijke bespreekpunten. Bij de vrije debattijd wordt alleen de totale behandeltijd voor het onderwerp in de raad bepaald. De voorzitter zal er op toezien dat de spreektijd evenwichtig over de fracties wordt verdeeld. Er worden geen vaste spreektijden per fractie vastgesteld. Indien de totale behandeltijd op is, wordt het onderwerp afgesloten. Indien de beraadslagingen of de stemmingen nog niet zijn afgerond zal op een volgende vergadering opnieuw tijd voor dit onderwerp worden gepland. Ook kan het presidium werken met spreektijden per fractie. De spreektijd wordt evenredig verdeeld over de diverse fracties in de raad en het college. De fracties krijgen in totaal 66% van de beschikbare spreektijd en het college 33%. De fracties krijgen een totale spreektijd per vergadering toebedeeld en de fracties moeten aangeven hoe zij hun spreektijd verdelen over de geagendeerde onderwerpen. Zij dienen dit uiterlijk 48 uur voor aanvang van de vergadering te doen. Het is niet toegestaan voor fracties om spreektijd die zij over hebben mee te nemen naar een volgend onderwerp.
Daarnaast mag een fractie als zij door hun spreektijd voor een bepaald onderwerp heen zijn, geen spreektijd ‘lenen’ van een onderwerp dat later nog behandeld gaat worden. Per onderwerp kan een andere regeling gelden, een aantal agendapunten krijgen een vaste spreektijdenregeling (fracties krijgen totale spreektijd voor die agendapunten en verdelen zelf de spreektijd over de agendapunten die een vaste spreektijd hebben), een aantal agendapunten krijgen een vrije spreektijd (dus alleen een totale behandeltijd). Pagina 9 van 23
Artikel 26 Orde der vergaderingen Raadsleden moeten in beginsel vrijelijk kunnen spreken. Interrupties zijn toegestaan voor zover de voorzitter bij een overvloed aan interrupties of in het belang van de voortgang van de beraadslagingen niet bepaalt dat een spreker zijn betoog zonder verdere interrupties afrondt. Om te bevorderen dat leden van de raad zich niet belemmerd voelen om hun mening te uiten, is in artikel 22 Gemeentewet bepaald dat zij niet in rechte te vervolgd kunnen worden, aan te spreken zijn of verplicht zijn getuigenis af te leggen over wat zij in de vergadering zeggen of schriftelijk overleggen. Het derde lid heeft naast de leden die het woord voeren, ook betrekking op de wethouders, de secretaris, de griffier of andere personen, die het woord voeren. De voorzitter kan hen tot de orde roepen. Indien zij hieraan geen gehoor geven, kan hen het woord worden ontzegd. De bevoegdheid die in het derde lid aan de voorzitter wordt gegeven om een spreker over een aanhangig onderwerp het woord te ontzeggen, gaat minder ver dan de mogelijkheid die artikel 26, derde lid, van de Gemeentewet biedt om aan dat lid, dat door zijn gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert, de toegang tot de vergadering te ontzeggen. De laatstgenoemde bevoegdheid van de voorzitter blijft echter onverlet. Het artikel is slechts een aanvulling op de Gemeentewet.
Een besluit van de voorzitter om iemand het woord te ontnemen is een op feitelijk handelen gerichte beslissing met een intern karakter. Dit is geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. Onder interruptie is overigens niet te verstaan het geven van tekenen van goed- of afkeuring; deze uitingen worden beschouwd als verstoringen van de orde. Voor wat betreft de handhaving van de orde op de publieke tribune wordt verwezen naar artikel 53 van dit reglement. Artikel 27 Advisering aan raad Hamerstukken en hamerstukken met stemverklaring worden behandeld in de raadsvergadering bij het agendapunt ‘Stemmingen’. Artikel 28. Beraadslaging Teneinde de vergaderduur niet te zeer te verlengen wordt over een voorstel dat in onderdelen of artikelen is verdeeld, in principe in zijn geheel beraadslaagd. In het eerste lid is een uitzonderingsmogelijkheid opgenomen. Door de toevoeging 'of een lid van de raad' wordt ook raadsleden het recht toegekend om voor te stellen een voorstel gesplitst te behandelen. Dit brengt tot uitdrukking dat de raad zijn eigen werkwijze bepaalt. Het recht is aan ieder individueel raadslid toegekend.
Artikel 29 Deelname aan de beraadslaging door anderen Deze bepaling is noodzakelijk in verband met het de in artikel 22 Gemeentewet geregelde verschoningsrecht immuniteit (De leden van het gemeentebestuur en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken dan wel worden verplicht getuigenis af te leggen als bedoeld in artikel 191, eerste lid, wetboek Burg. RV over wat zij in de vergadering van de raad hebben gezegd of aan de raad schriftelijk hebben overgelegd). De raad heeft bepaald dat de griffier, de secretaris en de wethouder(s) deelnemen aan de beraadslagingen. Daarmee blijft het artikel uitdrukken dat de raad kan beslissen dat anderen kunnen deelnemen aan de beraadslagingen. In het tweede lid wordt het begrip 'beslissing' gebruikt. Het gaat hier namelijk niet om het besluitbegrip in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 30. Stemverklaring Elk raadslid kan bij elk agendapunt een stemverklaring afleggen. De stemverklaring dient te worden aangekondigd bij de voorzitter van de raad. Dit dient meteen na het sluiten van de beraadslaging te Pagina 10 van 23
gebeuren, maar voor het moment dat de raad tot stemming (over het besluit of amendement of motie) overgaat. Een stemverklaring is bedoeld om het stemgedrag van de fractie, of een lid van de fractie te motiveren. Het gaat dus om een hele korte verklaring waarom iemand aangeeft waarom hij/zij voor of tegen het raadsbesluit stemt, het gaat dus om het verklaren van stemgedrag. Het zal meestal gaan om afwijkend stemgedrag (ten opzichte van de fractie of de meerderheid van de raad) of uitleg waarom er toch voor of tegen een voorstel wordt gestemd. De stemverklaring is niet bedoeld om de discussie voort te zetten of vragen op te werpen of vervolgacties aan te kondigen. Artikel 31. Beslissing De voorzitter kan de beraadslaging sluiten, als hij vaststelt dat een onderwerp voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist. De voorzitter formuleert daarna de te nemen eindbeslissing. Na de verkiezingen in 2010 worden regelmatig raadsvoorstellen voorgelegd waarin meerdere scenario’s staan opgenomen. Het is niet altijd duidelijk hoe gestemd moet worden bij dergelijke raadsvoorstellen. Daarom is hiervoor een extra bepaling toegevoegd waarin de procedure staat beschreven. Bij een raadsvoorstel met twee scenario’s worden beide scenario’s in stemming gebracht en vervolgens wordt het scenario met de meeste stemmen aangenomen.
In geval er drie of meer scenario’s zijn, worden al deze scenario’s in stemming gebracht. Vervolgens worden de twee scenario’s met de meeste stemmen opnieuw in stemming gebracht en wordt uiteindelijk het scenario met de meeste stemmen aangenomen. Artikel 32. Algemene bepalingen over stemming Als geen van de leden om stemming vraagt, is het voorstel zonder stemming aangenomen (hamerstuk). Dit volgt ook uit artikel 32, derde lid van de Gemeentewet. Daarnaast is geregeld dat raadsleden bij een hamerstuk aantekening in het verslag kunnen vragen dat zij geacht willen worden te hebben tegengestemd, of niet aan de stemming hebben deelgenomen (om de redenen zoals genoemd in artikel 28 Gemeentewet). Dit kan door de stemverklaring voorafgaand aan de besluitvorming over een hamerstuk. Dit kan toepassing krijgen, indien de uitkomst van de stemming tevoren duidelijk is en slechts enkele raadsleden zouden tegenstemmen. Een raadslid kan zich alleen onthouden van deelname aan stemming op grond van artikel 28 van de Gemeentewet. In alle andere gevallen is een raadslid verplicht stelling in te nemen en te stemmen. Stemmingen zijn in principe ook openbaar. Een volksvertegenwoordiger dient duidelijk te zijn in zijn of haar rol. Door de openbaarheid is het voor de achterban (kiezers) duidelijk hoe ze vertegenwoordigd worden.
Leiden kent sinds 2017 een elektronisch stemsysteem waarbij de openbaarheid gewaarborgd wordt doordat de naam van het raadslid gekoppeld wordt aan het voor of tegen. Dit is te lezen op een scherm, de afdruk ervan wordt meegenomen in de verslaglegging. Deze manier van stemmen is mogelijk op grond van de wet. Daarnaast wordt in beeld gebracht de datum en tijdstip waarop de stemming heeft plaatsgevonden, het totaal aantal stemmen, het aantal stemmen voor en tegen het voorstel en welke raadsleden niet deelnemen aan de stemming. Het digitale stemmen is in plaats gekomen van het stemmen door middel van handopsteken, tenzij het stemsysteem een storing heeft. In dat geval wordt teruggegrepen op het stemmen door middel van handopsteken. Het digitale stemmen (dan wel handopsteken) is van toepassing op de stemming over raadsvoorstellen, moties en amendementen. In artikel 31, lid 4 RvO is opgenomen dat er bij een voorstel met meerdere scenario’s eerst een peiling wordt gehouden. Ook voor de peiling geldt dat het digitale stemmen van toepassing is.
Pagina 11 van 23
Het digitale stemmen wordt niet toegepast bij hamerstukken, aangezien daarbij formeel geen stemming wordt toegepast. Als een fractie tegen is bij een hamerstuk kan op hier aantekening van worden gemaakt in het verslag (indien gewenst). De hoofdelijke stemming is dus bedoeld is als ‘backup-mogelijkheid’ wanneer dit digitale systeem niet werkt. Bij digitale stemming wordt precies weergegeven welke leden hebben gestemd en wat zij hebben gestemd. Mocht het systeem uitvallen, wordt gestemd door middel van handopsteken, tenzij een van de leden een hoofdelijke stemming wenst. In dat geval wordt hoofdelijk gestemd door de procedure zoals geregeld in artikel 32B. Bij hoofdelijke stemming worden de raadsleden opgeroepen om hun stem uit te brengen door ‘voor’ of ‘tegen’ te zeggen. De stemming over personen is geheim en vindt schriftelijk plaats conform artikel 36 en 37 RvO jo. artikel 31 Gemeentewet
Beveiliging tegen ongeautoriseerd stemmen De griffier houdt toezicht op het correct verlopen van de stemming en bedient op aanwijzing van de voorzitter van de raad het starten en stoppen van het digitaal stemmen. Een lid kan alleen een stem uitbrengen als de stempas behorend bij het raadslid gekoppeld is aan het apparaat waarmee de stem wordt uitgebracht. De griffie heeft de stempassen in bewaring en zorgt voor plaatsing van de stempassen in het stemapparaat. Indien een raadslid niet aanwezig is of niet deelneemt aan de stemming wordt de stempas verwijderd uit het stemapparaat. Ter controle is op het stemscherm zichtbaar welke raadsleden niet deelnemen aan de stemming. Door het systeem van stempassen, de koppeling aan een raadslid en het in bewaring houden van de stempassen door de griffie wordt voorkomen dat ongeautoriseerd stemmen worden uitgebracht. Digitaal stemmen door de plaatsvervangend voorzitter De plaatsvervangend voorzitter kan als raadslid geen gebruik maken van het digitale stemsysteem als de plaatsvervangend voorzitter achter de voorzitterstafel zit (de collegeleden hebben immers geen stemrecht). Totdat hier een technische oplossing voor is gevonden, wordt voorgesteld dat de plaatsvervangend voorzitter mondeling meldt voor of tegen te stemmen. Een fractiegenoot brengt vervolgens de digitale stem uit namens de plaatsvervangend. voorzitter.
In artikel 32B is bepaald hoe de stemvolgorde wordt bepaald bij hoofdelijke stemming. Dit is de tekst uit het (vervallen) artikel 18. De voorzitter bepaalt aan het begin van de raadsvergadering bij welk lid een hoofdelijke stemming, zoals bedoeld in artikel 32B zal beginnen. In de praktijk tekenen alle aanwezige raadsleden bij aanvang van de raadsvergadering een presentielijst. De handtekeningen zijn genummerd. Wanneer er een hoofdelijke stemming moet plaatsvinden, trekt de voorzitter een nummer en het raadslid wiens naam achter het nummer op de presentielijst staat, is het eerste lid van de raad waar de hoofdelijke stemming zal beginnen. Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de Gemeentewet van toepassing. Indien de vergadering voltallig is, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Is de vergadering niet voltallig, dan wordt het nemen van het besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. Als ook dan de stemmen staken, wordt het voorstel geacht niet te zijn aangenomen. De raad kan in een uitzonderlijk geval een even aantal leden hebben, en toch voltallig zijn, wanneer er een vacature is die niet kan worden opgevuld. Dan kunnen de stemmen staken (en dat zal dan waarschijnlijk blijven gebeuren). Dan wordt er niet opnieuw gestemd.
Artikel 33 Deelneming aan stemming Pagina 12 van 23
Een raadslid kan zich alleen onthouden van deelname aan stemming op grond van artikel 28 van de Gemeentewet (dat hier integraal is overgenomen). In alle andere gevallen is een raadslid verplicht stelling in te nemen en te stemmen. Stemmingen zijn in principe ook openbaar. Een volksvertegenwoordiger dient duidelijk te zijn in zijn of haar rol. Door de openbaarheid is het voor de achterban (kiezers) duidelijk hoe ze vertegenwoordigd worden. Artikel 34 Besluitquorum Dit artikel is voor de duidelijkheid overgenomen uit artikel 30 Gemeentewet. Artikel 35 Stemming over amendementen en moties Voor alle duidelijkheid wordt hier een verschil in procedure aangegeven tussen een motie en een amendement. Een amendement strekt tot wijziging van een voorstel en komt daarom in stemming voorafgaand aan de stemming over dat voorstel. Een motie strekt niet tot wijziging van een voorgesteld besluit; over een motie wordt een apart besluit genomen, nadat de besluitvorming over het aanhangige voorstel is afgerond. Bij een motie over een afzonderlijk onderwerp geldt dit uiteraard niet en is het vierde lid niet van toepassing. Bovendien kan de raad besluiten af te wijken van deze stemvolgorde. Artikel 36 Stemming over personen Artikel 31, eerste lid, van de Gemeentewet geeft aan dat de stemming over personen geheim dient te zijn.
Sinds 1 februari 2016 is artikel 31 ook van toepassing op de stemming over de benoeming van een wethouder (artikel 35, eerste lid, van de Gemeentewet). Datzelfde geldt voor de stemming over het ontslag van een wethouder in het geval een motie van wantrouwen niet tot onmiddellijk aftreden leidt (artikel 49 van de Gemeentewet). Ook dat gebeurt schriftelijk en is daarmee geheim. Stemmen over personen moet dus altijd schriftelijk gebeuren. De regels hiervoor zijn opgenomen in artikel 31 van de Gemeentewet en artikel 36 van het Reglement van Orde. Bij stemming over personen benoemt de voorzitter van de raad een Stembureau. Dit bureau bestaat uit vier leden. Elk aanwezig raadslid dat zich niet op grond van de Gemeentewet van stemming moet onthouden is verplicht een stembriefje in te vullen en in te leveren. Het stembriefje moet behoorlijk ingevuld worden. Een blanco stembriefje wordt niet aangemerkt als een behoorlijk ingevuld stembriefje (MvT, 19 403, nr. 3 p. 86). In geval van een schriftelijke stemming wordt dan ook geen rekening gehouden met blanco stembriefjes. Een blanco of verkeerd ingevuld stembriefje telt wel mee bij de bepaling van het quorum. De raad oordeelt of een stembriefje behoorlijk is ingevuld. Wat onder een (niet) behoorlijk ingevuld stembriefje moet worden verstaan, is in de wet niet geregeld.
Bij een benoeming stelt de raad een specifiek persoon aan in een bepaald ambt (raadslid, wethouder). Op het stembiljet wordt de naam van de te benoemen persoon (of personen in geval van meerdere vacatures) met daarachter de opties 'voor' en 'tegen' vermeld. Onder voordracht wordt verstaan het als kandidaat voorstellen van een persoon voor een bepaald ambt. Een voordracht is voor de raad bindend, op de stembiljetten dienen de namen van de voorgedragen perso(o)n(en) te worden vermeld met daarachter de opties 'voor' en 'tegen'. Bij een aanbeveling wordt voorgesteld om bepaalde personen voor een bepaald ambt voor te dragen, de raad mag van de aanbevelingen afwijken. Het betreft hier een zogenaamde vrije stemming (zie ook toelichting bij artikel 28). Op de stembiljetten kunnen de namen van de aanbevolen personen worden vermeld met daarachter de opties 'voor' en 'tegen' én een vrije ruimte waar een kandidaat van eigen keuze kan worden ingevuld. Dit heeft tot gevolg dat raadsleden de mogelijkheid hebben op het stembriefje de naam van de kandidaat die hun voorkeur heeft in te vullen (die van de voorgestelde perso(o)n(en), of die van een ander). Er is in dit geval geen sprake van een voordracht of een anderszins beperkte keuze en aan de Pagina 13 van 23
stemming mag daarom ook worden deelgenomen door raadsleden die ter benoeming zijn voorgesteld: zij kunnen immers op het stembriefje een andere naam dan hun eigen naam invullen. Bij de benoeming van wethouders is er ook sprake van een vrije stemming. Dat is dus anders dan bij een voordracht, waarbij de keus beperkt is tot twee of meer kandidaten. Bij een vrije stemming is artikel 28, eerste lid, onder a, en derde lid, van de Gemeentewet niet van toepassing. Daarin is bepaald dat een raadslid zich van stemming onthoudt wanneer hij “behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt". Zoals vermeld is dat bij de benoeming van wethouders niet aan de orde. Een raadslid kan op het stembriefje de naam van elke kandidaat die zijn voorkeur heeft invullen: die van de voorgestelde perso(o)n(en), of die van een ander. Dat geldt dus ook voor raadsleden die zelf genomineerd zijn; die kunnen op zichzelf stemmen als ze dat willen. De wetgever heeft nooit de bedoeling gehad de politieke verhoudingen in de raad te beïnvloeden door middel van een verbod op het meestemmen van de kandidaat-wethouder. Los van de formeeljuridische context pleiten de volgende argumenten nog voor bovenstaande zienswijze: - Een democratisch gekozen vertegenwoordiger mag niet te snel het recht op stemming worden ontnomen.
Stel: partij X beveelt meneer Janse en mevrouw Pieterse aan als wethouders. Als deze personen in de raad zitting hebben en niet mee mogen stemmen houdt dit in, dat de partij ineens twee stemmen in de raad minder heeft. Dat is onaanvaardbaar in het licht van de politieke verhoudingen; - Een aanbeveling is geen voordracht. Het spraakgebruik heeft het vaak over voordracht, maar een persoon nomineren als wethouder staat niet gelijk aan een voordracht; - Het is denkbaar dat een kandidaat-wethouder die voor benoeming wordt aanbevolen, uit moreel-politieke overwegingen en om iedere schijn van belangenverstrengeling te vermijden op eigen initiatief afziet van het meestemmen over de benoeming. Alhoewel het uitgangspunt is dat zeer terughoudend moet worden omgegaan met het inperken van het stemrecht van gekozen volksvertegenwoordigers, laat de wet de betrokkenen de ruimte daarin een eigen afweging te maken. De Leidse raad volgt in gevallen van benoemingen bijvoorbeeld van raadsleden en/of wethouders in gemeenschappelijke regelingen en besturen en raadscommissies de ‘methode Welling’*. Dit houdt in dat de stemming niet volgens artikel 36 van het Reglement van Orde plaats vindt (Door middel van stembriefjes) maar door het bij hamerslag vaststellen van de door het presidium voorgestelde kandidaten voor de functies.
Hiervoor is gekozen omdat er meestal geen discussies zijn over de te benoemen personen en er vaak precies voldoende personen zijn voor de vacatures. Het is in een dergelijke situatie dan ook niet zinvol om hiervoor met stembriefjes te moeten gaan werken. De fractievoorzitters bepalen in onderling overleg welk raadslid of wethouder/burgemeester wordt afgevaardigd naar een bestuur. Hierbij wordt rekening gehouden met een evenwichtige inbreng van oppositie en coalitiepartijen. Artikel 37. Herstemming over personen Dit artikel is voor de duidelijkheid overgenomen uit artikel 31, tweede en derde lid, van de Gemeentewet. Artikel 38. Beslissing door het lot Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Pagina 14 van 23
Hoofdstuk 3: Rechten van leden Artikel 39. Amendementen Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de Gemeentewet. Dit artikel verplicht de raad nadere regels te stellen. Deze nadere regels staan in het tweede tot en met het vierde lid. Op basis van artikel 147b van de Gemeentewet is de raad verplicht een amendement te behandelen. Leden van de raad kunnen aan de raad wijzigingen op het voorstel van het college of op initiatiefvoorstellen indienen, de zogenaamde amendementen. Wanneer een amendement is ingediend, kan dit voor een ander raadslid aanleiding zijn, op dit amendement nog weer een wijziging voor te stellen, het subamendement. Een (sub)amendement kan ingediend worden op een voorgesteld besluit, dat aanhangig is. Het Reglement van Orde bepaalt het volgende over amendementen (artikel 39). • Ieder lid is bevoegd tijdens de beraadslagingen wijzigingen voor te stellen op het voorgestelde besluit. Ook kan hij voorstellen, het voorgestelde besluit in een of meer onderdelen te splitsen, waarover afzonderlijke besluitvorming zal plaatsvinden.. Het is praktisch dat een raadslid aanwezig is voor de behandeling van zijn (sub)amendement. Dit omdat doorgaans een (sub)amendement toegelicht wordt door de indiener.
Daarom is bepaald dat er alleen wordt beraadslaagd over amendementen en subamendementen die ingediend zijn door raadsleden die de presentielijst getekend hebben. • Ieder lid dat in de vergadering aanwezig is, is bevoegd op het amendement dat door een lid is ingediend, een wijziging voor te stellen (subamendement). • Elk (sub)amendement en elk voorstel wordt schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend, tenzij de voorzitter - met het oog op het eenvoudige karakter van het voorgestelde - oordeelt, dat met een mondelinge indiening kan worden volstaan. Het amendement dient voorzien te zijn van de handtekening van de indiener(s) en , indien van toepassing, van de namen en handtekeningen van de medeondertekenaars. • Intrekking, door de indiener(s), van het (sub)amendement is mogelijk, tot het moment dat de besluitvorming door de raad plaatsvindt. • Een amendement is ontoelaatbaar, indien het een strekking heeft, tegengesteld aan die van het voorstel, of indien er tussen de materie van het amendement en die van het voorstel geen rechtstreeks verband bestaat, zulks ter beoordeling van de voorzitter. Dit is een zgn. ‘destructief amendement’. Elk besluit dat is geagendeerd voor de raadsvergadering, is amendeerbaar. Aanneming van een dergelijk amendement door de (meerderheid van de) raad wijzigt het besluit.
Een amendement moet zodanig geformuleerd zijn dat het mogelijk is om het direct in het besluit op te nemen. Artikel 40A en 40B. Moties en Motie VOD In het eerste artikel van dit reglement is de definitie van het begrip motie gegeven. Een motie is een voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan gaan om het uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke, procedurele aard), het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde ontwikkelingen of om het doen van een verzoek. Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat op rechtsgevolg is gericht; een motie heeft geen juridische, maar een politieke betekenis. Daarom zijn burgemeester en wethouders formeel niet aan een motie gebonden of tot uitvoering ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen van een motie door het college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en college en hieruit kan het college dan zijn consequentie trekken. Voor wat betreft de besluitvormingsprocedure over een motie wordt opgemerkt, dat over een motie een apart besluit wordt genomen. Voor de beraadslaging over een motie over een aanhangig
Pagina 15 van 23
onderwerp geldt, dat deze niet plaatsvindt in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het onderwerp, waarop de motie betrekking heeft. In de raad komen over het algemeen twee soorten moties voor, te weten de moties ingediend op een raadsvoorstel of de moties vreemd aan de orde van de dag. Daarnaast zijn er nog twee bijzondere vormen van moties, te weten de moties van afkeuring en de moties van wantrouwen (met varianten daarop zoals de moties van treurnis). In een motie van afkeuring spreekt de Raad zijn afkeuring uit over het functioneren van één of meer leden van het college van B&W. Dit is een vrij zwaar instrument. Het is bedoeld als een stevige waarschuwing van de raad aan het betreffende collegelid. Nog verder gaat de motie van wantrouwen. Hierin wordt het vertrouwen in één of meer leden van het college opgezegd. In de wet wordt deze motie uitgewerkt, namelijk in artikel 49. Het is een wethouder niet toegestaan om na een aangenomen motie van wantrouwen aan te blijven. Indien de wethouder hij zelf niet opstapt, dient de raad actie te ondernemen. Moties zijn pas ingediend als het raadslid in de raadsvergadering de motie aankondigt en na zijn bijdrage een ondertekend exemplaar daarvan overhandigd aan de griffier. De griffier zorgt voor nummering van de motie en voor het kopiëren daarvan.
Alle raadsleden, collegeleden en alle aanwezigen in de zaal en op de perstribune ontvangen een exemplaar van de motie. Het college mag in haar termijn haar mening uitspreken over de ingediende moties en amendementen. Zij kan de moties of amendementen slechts ‘ontraden’ of ‘overnemen’. Een besluit over een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt aan het einde van de vergadering plaats. Deze ‘motie vreemd aan de orde van de dag’ (motie VOD) wordt in artikel 40B genoemd. Bij moties VOD wordt de volgende procedure gevolgd: Procedurevoorstel tot en met de raad: 1. Alle MVOD worden eerst met inbegrip van tekst (en eventueel behandelvoorstel) aan presidium gestuurd. (Uiterlijk de donderdag voor de commissiebehandeling. zodat het presidium er zo nodig en gewenst de vrijdag na de indiening nog over kan adviseren) 2. Presidium agendeert MVOD in eerstvolgende (vak)commissievergadering. 3. Na behandeling in de commissie wordt e.e.a. door presidium (zo nog nodig en gewenst) voor een raadsvergadering geagendeerd (in beginsel de eerstvolgende) 4. In die raadsvergadering mag indiener inhoud MVOD kort en zakelijk toelichten (max 1 minuut). 5. Tijdens deze toelichting kan niet geïnterrumpeerd worden. 6. College krijgt geen één minuut spreektijd. Dit is bedoeld om een stemadvies te geven. Het is niet de bedoeling het debat te openen.
Ook Het college heeft immers al in de commissie kunnen reageren en de MVOD al dan niet kunnen omarmen of negatief adviseren. Voorzitter raad kan dat in de raad aangeven) 7. Andere fracties kunnen alleen een stemverklaring indienen (max 1 minuut) 8. Stemming Pagina 16 van 23
Artikel 41. Voorstellen van orde De voorzitter legt aan de raad ter beslissing voor of er inderdaad sprake is van een voorstel van orde. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder beraadslaging, besloten door de raad. Bij staken van stemmen is het voorstel niet aangenomen, (artikel 32, lid 4 Gemeentewet is hierop niet van toepassing). Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de vergadering voor een pauze. Artikel 42. Collegevoorstel Dit artikel heeft betrekking op het agenderingsrecht van de raad. De raad is de enige die een voorstel voor een verordening of een ander voorstel kan agenderen, dat het college heeft voorbereid. Als het college het voorstel heeft voorbereid, betekent dit niet dat het college het door hen voorbereide voorstel kan intrekken indien het college van oordeel is dat verdere behandeling van het voorstel niet wenselijk is (bijvoorbeeld omdat het een voorstel wil wijzigen). De raad moet hier toestemming voor geven. Indien de raad van oordeel is dat een voorstel voor een verordening of een ander voorstel niet voldoende is voorbereid, kan de raad het voorstel voor een verordening of een ander voorstel op grond van het tweede lid nogmaals voor advies aan het college zenden. De raad kan het college bijvoorbeeld verzoeken het voorstel voor een verordening of ander voorstel nader te onderbouwen.
De raad bepaalt echter wanneer het voorstel voor een verordening of ander voorstel, dat door het college verder voorbereid is, opnieuw behandeld wordt. De raad kan dit in dezelfde raadsvergadering regelen, maar de raad kan dit ook aan het presidium overlaten. Artikel 43. Initiatiefvoorstellen Het is de taak van het college aan de raad de nodige voorstellen te doen. Maar raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een ontwerpverordening of ontwerpbeslissing ter behandeling bij de raad indienen. Hiervoor is het recht van initiatief toegekend. Een raadslid kan hiermee los van het college voorstellen aan de raad voorleggen. Het geeft een raadslid de mogelijkheid om signalen die hij oppikt uit de samenleving te vertalen in concrete voorstellen voor gemeentelijk beleid. Na indiening van het voorstel bij het presidium (via de griffier) zal het geagendeerd worden voor de eerstvolgende raadsvergadering. De raad kan het initiatiefvoorstel voor kennisgeving aannemen maar kan het voorstel ook direct in behandeling nemen of voor advies naar het college sturen. In artikel 147a, eerste lid, van de Gemeentewet is dit uitgewerkt. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de raad regelt op welke wijze een initiatiefvoorstel voor een verordening wordt ingediend en behandeld.