220008 Bijlage 4 Bijlagen bij toelichting Bijlage 1 tm 14 verkleind DEEL 1
Tekst van het document
Bestemmingsplan Lammenschansweg Omega-locatie
Vastgesteld
Lammenschansweg - Omega-locatie
bestemmingsplan Lammenschansweg - Omega-locatie
Inhoudsopgave
Bijlagen bij toelichting
5
Bijlage 1
Toets Ladder voor duurzame verstedelijking
5
Bijlage 2
Quick scan natuur
23
Bijlage 3
Onderzoek stikstofdepositie
55
Bijlage 4
Akoestisch onderzoek industrielawaai
78
Bijlage 5
Bodemonderzoek
208
Bijlage 6
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
305
Bijlage 7
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
423
Bijlage 8
Verkeersonderzoek Kanaalweg
455
Bijlage 9
Verkeersonderzoek Lammenschansweg
470
Bijlage 10
Bezonning en skylineontwikkeling
509
Bijlage 11
Windklimaatonderzoek
527
Bijlage 12
Ontwerpbesluit hogere waarden
541
Bijlage 13
Verkeersonderzoek tijdelijke situatie
561
Bijlage 14
Nota van Wijzigingen
568
2
bestemmingsplan Lammenschansweg - Omega-locatie
3
bestemmingsplan Lammenschansweg - Omega-locatie
4
bestemmingsplan Lammenschansweg - Omega-locatie
Bijlagen bij toelichting Bijlage 1
Toets Ladder voor duurzame verstedelijking
5
Toets Ladder voor duurzame verstedelijking
Leiden, Lammenschansweg, Omegalocatie Gemeente Leiden
Datum: 28 juli 2020 Projectnummer: 160358.01
INHOUD
1
Inleiding
3
1.1 1.2 1.3
Aanleiding Het plan Leeswijzer
3 3 4
2
Toets Ladder voor duurzame verstedelijking
5
2.1 2.2 2.3 2.4
Stedelijke ontwikkeling Verzorgingsgebied Behoefte Bestaand stedelijk gebied
5 6 7 13
3
Conclusie
15
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Op 1 oktober 2012 is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op 1 juli 2017 is een wijziging van het Bro in werking getreden, waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking is aangepast. De (gewijzigde) Ladder is in artikel 3.1.6 Bro lid 2 vastgelegd en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling.
Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder ‘stedelijke ontwikkeling’ en ‘bestaand stedelijk gebied’ wordt verstaan is in het Bro opgenomen en is verder uitgekristalliseerd in jurisprudentie. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het Bro ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Onder ‘bestaand stedelijk gebied’ verstaat het Bro een ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’.
1.2
Het plan Al enkele jaren wordt fasegewijs gewerkt aan de herontwikkeling van de Lammenschansdriehoek in Leiden. Het gaat om het gebied tussen de Lammenschansweg, de Kanaalweg en de spoorlijn Leiden-Utrecht, waarbinnen diverse opgaven spelen op het gebied van het oplossen c.q. verbeteren van zaken als leegstand, beeldkwaliteit, bouwkwaliteit en openbare ruimte. Op nabije afstand van het gebied bevindt zich treinstation Leiden Lammenschans. Met de ontwikkeling van de studentencampus Yours Leiden en de transformatie van enkele kantoorpanden naar woningen zijn eerste stappen gezet richting het gewenste eindbeeld van de Lammenschansdriehoek van een gemengd stedelijk woon- en werkgebied. Het voornemen bestaat nu om het parkeerterrein op de hoek Lam-
3
menschansweg/Deltaweg tot ontwikkeling te brengen. Het plan voorziet in de realisatie van een woongebouw, inclusief commerciële plint. Het woonprogramma bestaat in totaal uit maximaal 114 woningen in de vorm van één, twee- en driekamerappartementen met een gebruiksoppervlak tussen de circa 55 en 2 100 m . De woningen zijn beoogd in de vrije sector huur en koop. Alle woningen op de verdiepingen zijn bereikbaar via een lift. Zo is sprake van een levensloopbestendig karakter en kan gesteld worden dat de woningen geschikt zijn voor de ouderendoelgroep. Gelet op de grootte van de woningen zullen ook de jongerendoelgroep en andere kleine huishoudensgroepen zich waarschijnlijk aangetrokken voelen tot de woningen. In de navolgende afbeelding is een impressie weergegeven van de voorliggende ontwikkeling.
Impressie beoogde situatie (bron: Kolpa Architecten) Op basis van het geldende bestemmingsplan is het niet mogelijk om binnen het plangebied woningen mogelijk te maken. Daarbij komt dat de bouwregels niet toereikend zijn voor het beoogde plan. Daarom wordt voor de ontwikkeling een nieuw bestemmingsplan opgesteld. In dat bestemmingsplan moet worden aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling in lijn is met een goede ruimtelijke ordening. Eén van de aspecten die onderdeel uitmaakt van een goede ruimtelijke ordening is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Deze toets vindt in dit rapport plaats.
1.3
Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt de toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Binnen de toets zal allereerst ingegaan worden of en waarom sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Vervolgens wordt het markt- of verzorgingsgebied bepaald. Daarna volgt de toetsing of de ontwikkeling voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte en wordt gekeken of de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied plaatsvindt. Hoofdstuk 3 bevat een eindconclusie als gevolg van de toets aan de Ladder.
4
2
Toets Ladder voor duurzame verstedelijking
2.1
Stedelijke ontwikkeling
2.1.1
Algemeen Allereerst moet de vraag worden beantwoord of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wat onder een stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro (Besluit ruimtelijke ordening) opgenomen. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Andere stedelijke voorzieningen betreffen volgen de Nota van Toelichting (2017) “accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure”.
2.1.2
Toetsing De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 114 woningen en 2 een commerciële plint van maximaal 650 m bvo binnen de bebouwde kom van de kern Leiden. Relevant is of deze ontwikkeling is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. Bij de beantwoording van deze vraag moet volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande plan, voorziet in een functiewijziging en welk planologische beslag op de ruimte het voorliggende plan mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande plan. Uit 1 de overzichtsuitspraak van de Afdeling volgt dat er in beginsel geen sprake is van 2 een stedelijke ontwikkeling indien er met een ontwikkeling minder dan 500 m bruto2 vloeroppervlakte wordt toegevoegd. Daarnaast blijkt uit jurisprudentie dat een woningbouwplan dat voorziet in de realisatie van maximaal 11 woningen binnen een dorpskern niet hoeft te worden aangemerkt als woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Een woningbouwplan dat voorziet in de ontwikkeling van 12 woningen wordt 3 daarentegen wel aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling .
Het plangebied heeft momenteel de bestemming ‘Groen’, waarbinnen groenvoorzieningen, water, langzaam verkeervoorzieningen, ondergrondse inzamelpunten voor huishoudelijk afval, terrassen, speel- en nutsvoorzieningen, hondenuitlaatplaatsen, kunstobjecten en bijbehorende bouwwerken. De beoogde commerciële plint is maxi2 maal 650 m bvo en is niet mogelijk binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan. De plint heeft een kleinschalig karakter in een omgeving die gekenmerkt wordt door verschillende commerciële functies/bedrijven. Ook het plangebied is in het verleden ingericht als bedrijfsperceel. Gelet op de aard en omvang van deze commerciële plint wordt gesteld dat deze plint geen stedelijke ontwikkeling betreft. Aangezien het beoogde woonprogramma binnen het plan bestaat uit meer dan 12 woningen 1
Zie hiervoor https://www.infomil.nl/onderwerpen/ruimte/gebiedsontwikkeling/ladder-
duurzame/handreiking-ladder/buttons/kopie-jurisprudentie/#hc4689667-5490-45bb-a4667e949f6f94a2. 2
Zie hiervoor de uitspraak van de ABRvS d.d. 16 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2921).
3
Zie hiervoor de uitspraak van de ABRvS d.d. 25 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:953). 5
wordt dit deel van de ontwikkeling wel gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling, meer specifiek een woningbouwlocatie. 2.1.3
Conclusie Gelet op het voorgaande is het woonprogramma binnen voorliggende ontwikkeling aan te merken als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro. Daarom is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. Deze toets vindt in dit document plaats.
2.2
Verzorgingsgebied
2.2.1
Algemeen Wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient de behoefte aan de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt te worden beschreven. De behoefte dient te worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling. De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Het verzorgingsgebied moet van geval tot geval worden bekeken en kan sterk verschillen per functie.
2.2.2
Toetsing Inleiding De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsverordening opgenomen dat gemeenten op regionaal niveau afspraken moeten maken over de kwantitatieve en kwalitatieve regionale behoefte van in ieder geval de functies wonen en kantoren. Gedeputeerde Staten geven bij de aanvaarding van de regionale visie aan in hoeverre daarmee op regionaal niveau de ladder voor duurzame verstedelijking is doorlopen, zodat bij individuele bestemmingsplannen daar naar kan worden verwezen. De gemeente Leiden vormt samen met de gemeenten Alphen aan den Rijn, Hillegom, Kaag en Braassem, Katwijk, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude de woningmarkt regio Holland Rijnland. Binnen deze regio vindt onderlinge afstemming plaats over woningbouwontwikkelingen. Op subregionaal niveau behoren de gemeenten Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest, Voorschoten en Zoeterwoude tot de subregio Holland Rijnland West. Verhuisbewegingen gemeente Leiden De kwantitatieve en kwalitatieve vraag wordt mede bepaald door de omvang van het marktgebied. Het marktgebied verschilt per ontwikkeling en valt niet per se samen met de bestuurlijke regio. Een belangrijke indicator voor de omvang van de marktregio is het aantal verhuisbewegingen binnen en naar de betreffende gemeente.
Uit gegevens van het CBS blijkt dat ruim veertig procent van alle gevestigde personen in de gemeente Leiden uit de gemeente zelf afkomstig is. Ook is er relatief gezien sprake van een grote hoeveelheid vestigers vanuit het buitenland (circa 20 procent van alle verhuisbewegingen). Dit zal voornamelijk te maken hebben met de internationale aantrekkingskracht van Leiden vanwege de universiteit.
6
Tabel: Totaal aantal verhuisbewegingen gemeente Leiden in 2019
Verhuisbewegingen Leiden
Aantal
Aandeel (%)
Binnen gemeente Leiden
7.967
41,9%
Vanuit andere gemeenten
7.347
38,6%
Vanuit het buitenland Totaal aantal verhuizingen
3.720 19.034
19,5% 100 %
Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek.
Daarnaast zijn er in eerste instantie vooral verhuisrelaties met de gemeente ’sGravenhage, Amsterdam en diverse buurgemeenten waaronder Leiderdorp en Oegstgeest. Tabel: Verhuisbewegingen naar Leiden naar herkomst in 2018
Gemeente
Aantal
Aandeel
's-Gravenhage
677
6,0%
Amsterdam
598
5,4%
Leiderdorp
478
4,3%
Oegstgeest
373
3,4%
Voorschoten
297
2,7%
Alphen aan den Rijn
276
2,5%
Katwijk
259
2,3%
Rotterdam
235
2,1%
Teylingen
233
2,1%
Utrecht
213
1,9%
Elders Totaal
6.563 11.107
59,1% 100 %
Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek.
2.2.3
Conclusie De meer bovengemeentelijke en internationale verhuisbewegingen richting Leiden zullen waarschijnlijk voortkomen uit het universiteitskarakter. Voorliggende woningbouwontwikkeling richt zich niet primair op studenten. Gelet op het voorgaande, de aard en de omvang van de ontwikkeling, wordt gesteld dat het verzorgingsgebied zich primair richt op de gemeente Leiden.
2.3
Behoefte
2.3.1
Algemeen Aangetoond moet worden dat de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte binnen het markt- of verzorgingsgebied. Bij het bepalen van de behoefte is zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte van belang.
7
2.3.2
Kwantitatieve behoefte Kwantitatieve huishoudensontwikkeling De vraag naar woningen wordt in belangrijke mate bepaald door de demografische ontwikkelingen. Voor de kwantitatieve woningbehoefte geldt dat het sterk afhankelijk is van de ontwikkeling van het aantal huishoudens. Uit de provinciale huishoudensprognose (Staat van Zuid-Holland) blijkt dat het aantal huishoudens in de gemeente Leiden van circa 67.800 in 2017 toeneemt naar circa 74.100 huishoudens in 2040. Dit is een toename van zo’n 6.300 huishoudens. Deze huishoudensgroei is zowel in de huishoudensgroep tot 40 jaar als bij de groep boven de 65 jaar terug te vinden. De prognose voor de huishoudensontwikkeling ziet er als volgt uit:
Stand en ontwikkeling van huishoudens naar leeftijd gemeente Leiden (Bron CBS en provincie Zuid-Holland).
Regionale kwantitatieve woonopgave Naast de huishoudensprognose geeft de provincie Zuid-Holland ook inzicht in de gewenste woningvoorraadtoename op basis van demografische prognoses. De navolgende tabel geeft deze ontwikkeling weer, waaruit is af te leiden dat binnen de regio Holland Rijnland een kwantitatieve woonopgave tot 2030 van 27.560 woningen geldt. De gemeente Leiden heeft daarbinnen met afstand te maken met de grootste opgave van circa 7.020 woningen. Relatief gezien gaat het dan om ongeveer een kwart van de regionale opgave die voor rekening van de gemeente Leiden komt.
8
Gewenste woningvoorraadtoename regio Holland Rijnland (Bron CBS, ABF Research en provincie Zuid-Holland).
Ook in de Regionale Woon Agenda 2017 voor de regio Holland Rijnland wordt ingegaan op de kwantitatieve opgave die de regio heeft. In de woonagenda wordt geconstateerd dat de behoefte aan nieuwe woningen meer is dan autonoom uit de regio voortkomt. Er is een substantiële behoefte die van buiten de regio komt en sprake van een achterstand voor wat betreft de woningbouwproductie. Dit maakt dat de woningbouwbehoefte, gebaseerd op de Bevolkingsprognose groter is in vergelijking tot de Woningbehoefteraming (WBR). Al met al wordt in de regionale woonagenda uitgegaan van een woningbehoefte van 22.100 tot ruim 28.000 woningen in de periode 2017-2030. Dat zou dan betekenen dat er voor de regio een opgave is van 700 à 2.200 woningen per jaar. De plancapaciteit ten tijde van vaststelling van de regionale woonagenda (ijkpunt is 1 december 2017) is onvoldoende om in de kwantitatieve opgave te kunnen voorzien.
Gewenste woningvoorraadtoename regio Holland Rijnland (Uit: Regionale Woon Agenda 2017, bron: provincie Zuid-Holland, saldo toevoeging CBS, planaanbod planmonitor Holland Rijnland (stand van zaken per 1 december 2017)).
Op basis van de resultaten en overwegingen uit de regionale woonagenda zijn er op subregionaal niveau zogenoemde ‘mandjes’ gemaakt. In deze mandjes worden kwantitatieve en kwalitatieve (woonmilieus en typologie) kaders voor de uitbreiding van de woningvoorraad uiteengezet. Voor de subregio West wordt een kwantitatieve opgave van 4.080 woningen voor de lange termijn (2022-2030) geschetst. In principe is er voor de periode 2017-2022 voldoende aanbod om de kwantitatieve behoefte te kun-
9
nen beantwoorden. Daarbij geldt wel dat in de regionale woonagenda gesteld wordt dat dit potentiële overschot in de prakrijk zeer waarschijnlijk niet zal optreden, omdat de planontwikkelingen van de inbreidingslocaties, waar deze woningen veelal zijn voorzien, een langere planontwikkelingsperiode kennen dan vooraf vaak ingeschat. De kans dat de gepresenteerde programmering dan ook in de gestelde periode wordt gerealiseerd, wordt als klein ingeschat.
Mandje subregio West 2017-2030, situatie bekend per 1 december 2017 (Uit: Regionale Woon Agenda 2017).
Woonvisie Leiden 2020-2030 De Leidse woonvisie geeft aan dat het de ambitie is om in de periode 2017-2030 8.180 woningen toe te voegen. In 2017 en 2018 zijn er 1.500 opgeleverd. Dit maakt dat er voor de periode 2019-2030 nog een opgave ligt voor de realisatie van ongeveer 6.680 woningen. Conclusie Gelet op de positieve huishoudensontwikkeling binnen de gemeente Leiden, het feit dat er sprake is van een grote kwantitatieve opgave en de plancapaciteit onvoldoende is om te kunnen voorzien in de kwantitatieve woonbehoefte, maakt dat wordt geconcludeerd dat het plan past binnen de kwantitatieve woningbehoefte van het marktgebied. 2.3.3
Kwalitatieve behoefte Kwalitatieve huishoudensontwikkeling Naast de kwantitatieve behoefte, bepaalt ook de kwalitatieve behoefte de woningvraag. De kwalitatieve behoefte richt zich op doelgroepen, woningtypen, prijsklassen en dergelijke. Deze behoefte is sterk afhankelijk van de kwalitatieve huishoudensontwikkeling, zoals de ontwikkeling van leeftijdsgroepen. Uit de provinciale huishoudensprognose (Staat van Zuid-Holland) blijkt dat het aantal huishoudens in de gemeente Leiden tot aan 2040 toeneemt, vanwege een groei in de huishoudensgroepen tot 40 jaar en de groep boven de 65 jaar. Het gaat om een verwachte groei van circa 2.800 (tot 40 jaar) en circa 5.200 (boven 65 jaar). Voor de groep 40-65 wordt een krimpsituatie verwacht van circa 2.600. De prognose voor de huishoudensontwikkeling is hierna opgenomen.
10
Stand en ontwikkeling van huishoudens naar leeftijd gemeente Leiden (Bron CBS en provincie Zuid-Holland).
Regionale Woon Agenda 2017 Naast de kwantitatieve woonopgave is in de Regionale Woon Agenda 2017 ook gekeken naar de kwalitatieve opgaves in de regio Holland Rijnland. Zo wordt in de regionale woonagenda gekeken naar de verhouding tussen het planaanbod (ijkpunt is 1 december 2017) en de vraag naar woonmilieus en woningen in het middensegment (middeldure huur en goedkope koop). Uit deze confrontatie is af te leiden dat het planaanbod aan ontwikkelingen in het stedelijk woonmilieu momenteel onvoldoende toereikend is om in de behoefte te kunnen voorzien. Dit geldt ook voor de woningen in het middensegment. Met het inzetten op deze typologieën wordt ingezet op het tegengaan van de verdringing van middeninkomens op de woningmarkt, hetgeen onder andere een belangrijke opgave betreft uit de regionale woonagenda. De navolgende tabellen geven de verschillende confrontaties tussen behoefte en planaanbod weer.
Indicatie behoefte woonmilieus Holland Rijnland afgezet tegen planaanbod (Uit: Regionale Woon Agenda 2017, bron: Springco, CBS-microdata, provincie Zuid-Holland, bewerking Companen, planaanbod planmonitor Holland Rijnland (stand van zaken per 1 december 2017)).
11
Indicatie behoefte middensegment (middeldure huur en goedkope koop) Holland Rijnland afgezet tegen planaanbod (Uit: Regionale Woon Agenda 2017, bron: diverse lokale woningmarktonderzoeken, bewerking Companen, planaanbod planmonitor Holland Rijnland (stand van zaken per 1 december 2017)).
Op basis van de resultaten en overwegingen uit de regionale woonagenda zijn ook voor de kwalitatieve behoefte op subregionaal niveau ‘mandjes’ gemaakt. Voor de subregio West wordt ten aanzien van de stedelijke woonmilieus aangegeven dat gestreefd wordt naar de toevoeging van minimaal 5.940 woningen in de periode 20172030. In principe is er voor de periode 2017-2022 voldoende aanbod om de kwalitatieve behoefte aan stedelijke woonmilieus te kunnen beantwoorden. Voor de lange termijn (2022-2030) is het planaanbod aan stedelijke woonmilieus onvoldoende. Eenzelfde beeld is te schetsen voor de woningen in de vrije sector huur. Voor goedkope koopwoningen is een tegenovergesteld beeld zichtbaar: op de korte termijn onvoldoende aanbod; op de lange termijn voldoende. Ook hier geldt de nuance die in de regionale woonagenda wordt gemaakt: potentiële overschotten zullen in de praktijk zeer waarschijnlijk niet optreden, omdat de planontwikkelingen van de inbreidingslocaties, waar deze woningen veelal zijn voorzien, een langere planontwikkelingsperiode kennen dan vooraf vaak ingeschat. Voor de stedelijke woonmilieus zal dit risico het grootste zijn.
Mandje subregio West 2017-2030, situatie bekend per 1 december 2017 (Uit: Regionale Woon Agenda 2017).
Woonvisie Leiden 2020-2030 In de periode 2017-2030 zet de gemeente Leiden in op het realiseren van een woonprogramma, waarbinnen ongeveer 40% van de woningen in de koopsector valt en ongeveer 60% tot de categorie huur behoort. Verder geldt dat grotendeels ingezet wordt op de realisatie van gestapelde woningen, namelijk circa 85%. Tot slot is de Lammenschansdriehoek (waartoe het plangebied behoort) een van de zes potentiegebieden uit de Omgevingsvisie waarbinnen de verstedelijkingsopgave kan worden gerealiseerd én de leefbaarheid verbeterd kan worden.
12
Verhouding koopwoningen versus huurwoningen (Bron: Gemeente Leiden).
Verhouding grondgebonden versus gestapelde woningen (Bron: Gemeente Leiden).
Conclusie Gelet op de kwalitatieve huishoudensontwikkeling met bijbehorende woonwensen kan gesteld worden dat het plan met haar gestapelde woonprogramma aansluit bij de demografische ontwikkelingen. Het beoogde kwalitatieve woonprogramma sluit immers aan op de kwalitatieve woonwens van eenpersoonshuishoudens, zoals jongeren en senioren. Ook wordt ingespeeld op de grote vraag naar stedelijke woonmilieus en middensegment woningen, waarvan ten tijde van vaststelling van de regionale woonagenda onvoldoende planaanbod voorhanden is. Het gestapelde programma sluit eveneens aan bij de ambities van de gemeentelijke woningbouwproductie om in deze typologieën de grootste woningtoevoegingen te voorzien. Bovendien voorziet het plan in een ontwikkeling die aansluit op het ruimtelijk beleid en wordt een kwaliteitsimpuls gegeven aan één van de belangrijke ontwikkelgebieden binnen Leiden, namelijk de Lammenschansdriehoek. Dit tezamen maakt dat de ontwikkeling voorziet in een kwalitatieve behoefte van het marktgebied. 2.3.4
Conclusie De ontwikkeling van het plangebied ten behoeve van woningbouw sluit aan op de woningbehoefte in de gemeente Leiden en anticipeert op de demografische ontwikkelingen door in te zetten op een stedelijk woonmilieu met appartementen, gericht op kleine huishoudensgroepen zoals senioren en jongeren. Ook wordt met dit plan verstedelijking gerealiseerd en een kwaliteitsimpuls gegeven aan de gronden binnen de Lammenschansdriehoek, hetgeen reeds jaren de ambitie is. Dit tezamen maakt dat de ontwikkeling van het plangebied voorziet in een behoefte van het marktgebied.
2.4
Bestaand stedelijk gebied
2.4.1
Algemeen Nu is gebleken dat de ontwikkeling voorziet in een behoefte, moet worden aangetoond in hoeverre die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins. Het Bro definieert het bestaand stedelijk gebied als: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, 13
dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Naast de criteria uit de definitie moet de geldende bestemming ook betrokken worden bij het beoordelen of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied. 2.4.2
Toetsing Het plangebied maakt onderdeel uit van de bebouwde kom van Leiden. De gronden van het plangebied hebben momenteel een groenbestemming. Feitelijk gezien zijn deze gronden ingericht ten behoeve van een parkeerplaats. De omgeving van het plangebied is vrijwel volledig gevormd door bedrijvigheid, woningen en andere stedelijke functies. Dit tezamen maakt dat, gelet op de huidige ruimtelijke structuren en bebouwing rondom het plangebied en de ter plaatse geldende bestemming, wordt geconcludeerd dat het plangebied in het bestaand stedelijk gebied ligt. Bovendien kan gezien de heersende functies in de omgeving van het plangebied en het karakter van de beoogde ontwikkeling gesteld worden dat de voorgestelde ruimtelijke ontwikkelingen op deze locatie past. Momenteel is de omgeving van het plangebied immers ook in ontwikkeling richting een gemengde stedelijke woon- en werkomgeving. Ook wordt de ontwikkeling ruimtelijk gezien ingepast in de beoogde ruimtelijke structuren van de Lammenschansdriehoek en sluit de bebouwing qua maat en schaal aan op het beoogde eindprofiel voor het gebied.
2.4.3
Conclusie Geconcludeerd wordt dat voorliggende ontwikkeling wordt voorzien in bestaand stedelijk gebied. Bovendien is gemotiveerd dat de voorgestelde ontwikkeling op de locatie past. De geconstateerde kwantitatieve en kwalitatieve behoefte wordt dan ook gerealiseerd in bestaand stedelijk gebied.
14
3
Conclusie Op basis van het voorafgaande kan geconcludeerd worden dat de Ladder voor duurzame verstedelijking positief is doorlopen. Het plan voorziet in een behoefte en vindt binnen bestaand stedelijk gebied plaats. Daarmee wordt het plan als haalbaar geacht voor wat de betreft de Ladder voor duurzame verstedelijking.
15
bestemmingsplan Lammenschansweg - Omega-locatie
Bijlage 2
Quick scan natuur
23
Quick scan natuur
Leiden, Omega-locatie
GREEN Real Estate BV
Datum: 5 augustus 2020 Projectnummer: 160358.01
INHOUD
1
Inleiding
3
1.1 1.2
Aanleiding Plangebied
3 3
2
Wettelijk kader
6
2.1 2.2 2.3
Gebiedsbescherming Soortenbescherming Bescherming houtopstanden
6 7 7
3
Onderzoeksmethode
8
3.1 3.2 3.3
Deskundigheid Definitie product Werkwijze
8 8 8
4
Aanwezigheid beschermde gebieden en soorten
10
4.1 4.2 4.3
Ligging beschermde gebieden Aanwezigheid beschermde soorten Aanwezigheid houtopstanden
10 11 17
5
Effectbeoordeling en advies vervolgtraject
18
5.1 5.2 5.3
Mogelijke effecten op beschermde gebieden Mogelijke effecten op beschermde soorten Mogelijke effecten op beschermde houtopstanden
18 18 20
6
Conclusie
21
Geraadpleegde bronnen
22
Bijlage 1. Wettelijk kader
24
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Binnen de Lammenschansdriehoek is op de oude AKB-locatie een parkeerterrein aanwezig. Het voornemen bestaat om op deze locatie nieuwbouw te realiseren. Hiertoe moet een wijziging van het bestemmingsplan plaatsvinden. Voor de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan is het noodzakelijk dat de haalbaarheid ervan wordt aangetoond. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. Voorliggende rapportage zet door middel van een quick scan natuur uiteen of met de ruimtelijke ontwikkeling mogelijk sprake kan zijn van het verstoren van beschermde natuurgebieden en beschermde soorten en of nader onderzoek hiernaar noodzakelijk is.
1.2
Plangebied
1.2.1
Huidige situatie Het plangebied bevindt zich in de kern van Leiden (provincie Zuid-Holland). De omgeving van Leiden kenmerkt zich door agrarische gronden en de nabijheid van grote steden. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich voornamelijk door de aanwezigheid van bedrijven en woonhuizen. Ten zuiden van het plangebied ligt het RijnSchiekanaal, de Bult en Polderpark Cronesteyn. Navolgende afbeeldingen geven de globale ligging van het plangebied weer.
Topografische kaart met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd).Bron: PDOK. Bewerking: SAB.
Luchtfoto met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron: PDOK. Bewerking: SAB.
Op 29 juli 2020 is een veldbezoek uitgevoerd. Het plangebied bestaat uit een parkeerterrein waar veel zwerfafval aanwezig is. Met name langs de randen zijn bomen en struiken aanwezig. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van het plangebied ten tijde van het veldbezoek.
Plangebied ten tijde van het veldbezoek.
1.2.2
Toekomstige situatie In de toekomstige situatie zal nieuwbouw in het plangebied zijn gerealiseerd. Dit zal gaan om een appartementencomplex van 90 appartementen. Daarbij zullen circa 120 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Voor de nieuwbouw wordt de bestaande parkeerplaats gesloopt en worden de aanwezige bomen en het groen binnen het plangebied verwijderd.
2
Wettelijk kader Hieronder staat een samenvatting van het wettelijk kader. Een uitgebreide beschrijving staat in bijlage 1.
2.1
Gebiedsbescherming
2.1.1
Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden Op grond van de Wet natuurbescherming kunnen natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna, door de Minister worden aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Ook kan de Minister op grond van deze wet in enkele specifieke gevallen bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/ of habitats vastgesteld. Het is verboden om zonder vergunning een project te realiseren dat significant negatieve gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Als een plan of project mogelijk negatieve gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, vindt eerst een globale toetsing plaats, de voortoets. Als uit de voortoets blijkt dat er zeker geen negatieve gevolgen zijn, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld, of geldt in het geval van een project geen vergunningplicht. Als de kans op significante gevolgen niet kan worden uitgesloten dan moet, conform artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling worden gemaakt.
2.1.2
Natuurnetwerk Nederland De Wet natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten op, om in hun provincie te zorgen voor een landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland. Voor dit netwerk geldt, op basis van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (het Barro), een ‘nee, tenzij’-beschermingsregime. Het bestemmingsplan, of een omgevingsvergunning waarmee van het bestemmingsplan wordt afgeweken, maakt geen ontwikkelingen mogelijk die kunnen leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur, of tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden, tenzij er sprake is van groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn, negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt en overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd. Provincies dienen deze bescherming te regelen bij provinciale verordening. Daarnaast kunnen provincies bij provinciale verordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, genaamd bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. De provincie Zuid-Holland heeft de bescherming van Natuurnetwerk Nederland opgenomen in artikel 6.24 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland 2019. Via artikel 6.9 van deze verordening worden daarnaast belangrijke weidevogelgebieden beschermd via een ‘nee, tenzij’-regime.
De regels voor compensatie van waarden die verloren gaan binnen het NNN of binnen belangrijk weidevogelgebied staan beschreven in de beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland (2013).
2.2
Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming. Voor een aantal soorten is door middel van verboden een beschermingsregime opgenomen. Er is een apart beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten, voor Habitatrichtlijnsoorten en voor andere soorten. Naast de beschermde plant- en diersoorten geldt voor al de in het wild levende soorten ook een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Provinciale Staten kunnen in een verordening een vrijstelling verlenen van de verboden van de wet. De provincie Zuid-Holland heeft besloten voor een aantal algemeen voorkomende zoogdiersoorten en amfibieën een vrijstelling te verlenen, voor handelingen die men verricht in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud. Het betreft de soorten aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, veldmuis, bunzing, hermelijn, wezel, vos, woelrat, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en middelste groene kikker.
Daarnaast zijn de verboden niet van toepassing op handelingen die men uitvoert in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud, wanneer men die handelingen uitvoert conform een goedgekeurde gedragscode. Tot slot kunnen Gedeputeerde Staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, onder bepaalde voorwaarde een ontheffing verlenen van de verboden.
2.3
Bescherming houtopstanden Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn onder meer niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen en op houtopstanden binnen de, bij besluit van de gemeenteraad, vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet.
3 3.1
Onderzoeksmethode Deskundigheid Kwaliteit van het ecologisch onderzoek en het geleverde product staan bij SAB hoog in het vaandel. Mede daarom zijn wij aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Om aan onze standaard te voldoen, wordt ecologisch onderzoek enkel uitgevoerd door deskundigen. Onder een ecologisch deskundige verstaan we iemand met aantoonbare ervaring en kennis op het gebied van de ecologie van de betreffende soorten. Onze deskundigen voldoen aan de eisen van een ecologisch deskundige zoals de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland die stelt. Ecologen in opleiding tot deskundige werken altijd onder begeleiding van een deskundige.
3.2
Definitie product Het product wat in deze rapportage geleverd wordt is een “quick scan natuur”. Dit bestaat uit een “quickscan soorten” conform de begrippenlijst van het Netwerk Groene Bureaus (NGB, 2020), aangevuld met verkennende analyse op het gebied van gebiedsbescherming (Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland) en een verkennende analyse op het gebied van houtopstanden.
3.3
Werkwijze Voor het onderzoek werd een bureaustudie uitgevoerd en werd een veldbezoek aan de locatie gebracht. Als eerste werd voor het onderzoek, op basis van informatie van de opdrachtgever, het plangebied in beeld gebracht en werden de toekomstige ontwikkelingen beschreven. Vervolgens werd onderzocht welke beschermde plant- en diersoorten in de omgeving van het plangebied zijn te verwachten. Hiervoor werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd op 18 juli 2020, waarbij waarnemingen van de afgelopen 10 jaar werden opgevraagd. Aanvullend hierbij is gebruik gemaakt van andere bronnen, als websites en verspreidingsatlassen. Bij deze bureaustudie werd ook de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000gebieden en gebieden die via de provinciale verordening zijn beschermd onderzocht. Hiervoor werd onder meer informatie van de website van de provincie geraadpleegd. Vervolgens werd een veldbezoek aan het plangebied en de directe omgeving ervan gebracht. Dit bezoek vond plaats op 29 juli 2020, bij droog, windstil bewolkt weer en een temperatuur van circa 16 graden Celsius. Doel van deze veldverkenning was om een indruk te krijgen van de habitats ter plaatse en om de geschiktheid van het plangebied voor de verschillende soortgroepen te beoordelen. Het veldbezoek heeft niet de status van een volledige veldinventarisatie.
Het eenmalige veldbezoek geeft een globaal beeld van aanwezige soorten en habitats op basis van een momentopname. Met de gegevens uit de bureaustudie en het veldbezoek is vervolgens een inschatting gemaakt van de mogelijke effecten op beschermde soorten en beschermde gebieden. Op basis van deze inschatting is een advies opgesteld met aanbevelingen voor ver-
volgstappen. Nadat het eerste conceptrapport gereed was, is dit beoordeeld op inhoud en vorm door een deskundig collega. Het commentaar is vervolgens besproken en verwerkt, om zo tot een eensluidend advies te komen.
4
Aanwezigheid beschermde gebieden en soorten In dit hoofdstuk beschrijven wij de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden en beschrijven we de kans op de aanwezigheid van beschermde soorten. In het volgende hoofdstuk volgt een beoordeling van de mogelijke effecten op beschermde gebieden en beschermde soorten ten gevolge van de ontwikkeling.
4.1
Ligging beschermde gebieden Ligging Natura 2000-gebied Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen (zie navolgende afbeelding). Wel liggen Natura 2000-gebieden “De Wilck” en “Meijendel & Berkheide” in de omgeving van het plangebied. Deze liggen 5,2 en 6 kilometer van het plangebied verwijderd.
Globale ligging van het plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Bron: PDOK. Bewerking: SAB.
Ligging Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen Natuurnetwerk Nederland (zie navolgende afbeelding). Het dichtstbijzijnde gedeelte van het natuurnetwerk bevindt zich op ongeveer 1,6 kilometer ten oosten van het plangebied. De dichtstbijzijnde Ecologische verbinding bevindt zich op ongeveer 900 meter ten zuiden van het plangebied. Het dichtstbijzijnde weidevogelleefgebied bevindt zich op ongeveer 1,8 kilometer ten zuidoosten van het plangebied.
Globale ligging van het plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland en Ecologische verbindingen. Bron: Provincie Zuid-Holland. Bewerking: SAB.
4.2
Aanwezigheid beschermde soorten
4.2.1
Zorgplicht, voor alle in het wild levende dieren en planten In het plangebied is enig groen aanwezig. Het plangebied vormt daarmee geschikt leefgebied voor in het wild levende planten en dieren.
4.2.2
Vogelrichtlijnsoorten Vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied soorten met niet jaarrond beschermde nesten aangetroffen als kauw en ekster. Dergelijke soorten kunnen mogelijk in het plangebied tot broeden komen. Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Naast de reguliere bescherming in het broedseizoen zijn er verschillende vogelsoorten van wie de nesten jaarrond worden beschermd. Deze jaarrond beschermde status is vanwege verschillende redenen. Zo zijn er soorten die het hele jaar gebruik maken van het nest. Daarnaast zijn er koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn. Ook zijn er soorten die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die nauwelijks in staat zijn zelf een nest te maken. Hieronder wordt in meer detail beschreven of en in welke mate het gebied geschikt kan zijn voor de betreffende soorten. Vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd, nestelen in gebouwen in kieren en spleten tussen dakpannen (huismus, gierzwaluw), nestelen op hoge gebouwen (slechtvalk), op richels van bergen of steengroeven en soms op oude roofvogelnesten (oehoe), langs stromende beken (grote gele kwikstaart), in hoge bomen in bos of boomgroepen (buizerd, roek, havik, sperwer, wespendief, zwarte wouw), in oude nes-
ten van kraaien en roofvogels in boomgroepen (boomvalk) in oude nesten van kraaien en roofvogels in vooral naaldbomen (ransuil), in holtes in bomen en in gebouwen in kleinschalig agrarisch gebied (steenuil), in nissen van kerktorens of in andere toegankelijke gebouwen in kleinschalig agrarisch gebied (kerkuil) of op speciale nestpalen (ooievaar) (SOVON 2002, vogelbescherming.nl, sovon.nl). Deze elementen zijn niet in het plangebied aanwezig. Nesten van deze vogelsoorten worden niet in het plangebied verwacht. 4.2.3
Planten De vaatplanten die zijn beschermd middels de Wet natuurbescherming betreffen veelal zeldzame soorten, waarvan de meeste Rode Lijst-soorten, met specifieke groeiplaatsen in met name stabiele en natuurlijke biotopen, zoals bossen, zeeduinen, kalkgraslanden, beekdalen, veengronden en moerassen. Ook is een aantal soorten beschermd die groeit op oude en verweerde muren en zijn enkele zeldzame akkerplanten beschermd. Een deel van de beschermde planten komt alleen voor in ZuidLimburg. Veel soorten komen voornamelijk voor op kalkhoudende en voedselarme grond (Sparrius et al. 2012). Naast de beschermde vaatplanten zijn er twee mossoorten beschermd. Beide soorten zijn zeer zeldzaam. Tonghaarmuts is in Nederland gevonden in vochtige, jonge wilgenbossen en in jonge aanplant van zomereik. Geel schorpioenmos groeit op moskussens op venig substraat (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingsatlas.nl). In het plangebied is sprake van voedselrijke en regelmatig bewerkte grond in een stedelijke omgeving. Beschermde planten worden in een dergelijk biotoop niet verwacht en zijn dan ook niet waargenomen.
4.2.4
Grondgebonden zoogdieren Aanwezigheid soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Zoals beschreven in paragraaf 2.2, geldt voor een aantal meer algemeen voorkomende beschermde soorten zoogdieren een provinciale vrijstelling van de verboden in de wet. Het is goed mogelijk dat in of nabij het plangebied deze soorten voorkomen, zoals de veldmuis of egel. Deze soorten komen wijdverspreid voor en stellen geen hoge eisen aan hun omgeving. Aanwezigheid soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Deze beschermde grondgebonden zoogdieren komen voornamelijk voor in natuurlijkeof half-natuurlijke habitats zoals bos, heide of kleinschalig agrarisch landschap. Een aantal soorten is zeer zeldzaam en komt alleen in Zuid-Limburg voor. Dit geldt voor hamster, hazelmuis, eikelmuis, molmuis, lynx en wilde kat. Ook de wolf is zeer zeldzaam. Andere soorten, zoals bever, boommarter, das, eekhoorn, steenmarter, waterspitsmuis en wild zwijn komen algemener voor. Met name eekhoorn en steenmarter worden ook regelmatig in meer stedelijk gebied aangetroffen (Lange et al. 2003, verspreidingsatlas.nl). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komt alleen de eekhoorn in omgeving van het plangebied voor. In het plangebied staan enkele bomen welke gecontroleerd zijn op nesten of holen geschikt voor de eekhoorn. Deze zijn niet aangetroffen.
Door de ligging van het plangebied in het stedelijke gebied en de hoge mate van verstoring
door naastgelegen wegen, bedrijven en woonfuncties, zijn beschermde grondgebonden zoogdieren uit te sluiten in het plangebied. 4.2.5
Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis in de buurt van het plangebied voor. Daarnaast kan de tweekleurige vleermuis in de omgeving voorkomen aldus de verspreidingsgegevens van verspreidingsatlas.nl. Alle vleermuissoorten, alsmede hun verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden en vliegroutes zijn beschermd volgens de Wet natuurbescherming. Vleermuizen zijn globaal op te delen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis en boombewonende soorten als rosse vleermuis en watervleermuis Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikmaken. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, etc.). Andere soorten als de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten (Dietz et al. 2011).
Gebouwbewonende vleermuissoorten Gebouwbewonende vleermuizen hebben hun verblijfplaats achter bijvoorbeeld gevelbetimmering, in spouwmuren, achter dakbeschot, achter luiken en in schoorstenen (BIJ12 2017a, Dietz et al. 2011). In het plangebied zijn geen gebouwen aanwezig. Gebouwbewonende vleermuizen zijn daarom uit te sluiten in het plangebied. Boombewonende vleermuissoorten Boombewonende soorten worden gevonden in holten en spleten in bomen en achter loshangend schors. Bomen dienen hiervoor een zekere diameter en leeftijd te hebben. Zo hebben vleermuizen genoeg ruimte in de boom. Grofweg zijn hardhout bomen als eik en beuk jonger dan 60 jaar en zachthout bomen jonger dan ongeveer 30 jaar voor een spechtenhol nog niet geschikt (Zoogdiervereniging & Probos 2012). Aan de westelijke rand van het plangebied staan twee bomen waar gaten en loshangend schors zijn aangetroffen die een geschikte verblijfplaats voor vleermuizen kunnen vormen (zie navolgende afbeelding).
Kier in boom aan westelijke rand va plangebied.
Echter staat tussen deze twee bomen een straatlantaarnpaal. Ook loopt ten westen, vlak langs de bomen, een grote weg welke goed verlicht is. Dit kunstmatige licht werkt verstorend voor vleermuizen. Daarnaast is de directe omgeving van het plangebied bebouwd en is er vrijwel geen groen aanwezig. Aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in de twee bomen is dan ook niet te verwachten. Nader onderzoek hiernaar is dus niet noodzakelijk. Essentieel foerageergebied Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel voorkomende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied. Als een dergelijk foerageergebied verloren zou gaan, zou de voedselvoorziening van deze vleermuizen verdwijnen, waardoor ze de verblijfplaats moeten verlaten. Het verdwijnen van het foerageergebied leidt zo tot het niet meer functioneren van de verblijfplaats. Dergelijk essentieel foerageergebied is beschermd. In het plangebied zijn bomen en struiken aanwezig. Dit vormt geschikt foerageergebied voor vleermuizen.
Echter is het plangebied van beperkte afmeting en is in omgeving voldoende vergelijkbaar gebied aanwezig voor vleermuizen. Dit betreft voornamelijk de zuidelijk gelegen rivier, de parken en het buitengebied. Hoogstens enkele vleermuizen zullen tegelijk in het plangebied foerageren. In het plangebied is dan ook geen sprake van essentieel foerageergebied.
Essentiële vliegroutes Om zich van hun verblijfplaatsen naar hun foerageergebied te verplaatsen worden door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt. Bijvoorbeeld de gewone dwergvleermuis gebruikt vaak bomenrijen waaraan het zich kan oriënteren. Als een dergelijke route verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid om van verblijfplaats naar foerageergebied te komen. Vleermuizen moeten dan een alternatieve route zoeken. Als dit niet mogelijk is en als de vliegroute door veel vleermuizen wordt gebruikt, kan dit een groot negatief effect op de vleermuizenpopulatie in het gebied hebben (Limpens et al. 2004). Daarom zijn dergelijke vliegroutes beschermd. In het plangebied is niet sprake van een doorlopende groenstructuur tot buiten het plangebied. Het voorkomen van een essentiële vliegroute in het plangebied kan dan ook uitgesloten worden. 4.2.6
Reptielen Reptielen komen in ons land voornamelijk voor op de hogere zandgronden, in duin-, bos- of heidegebieden. De ringslang komt daarnaast ook voor in veengebieden en laat zich ook in meer stedelijk gebied zien. Deze soort komt vooral voor ten noorden van de grote rivieren. De muurhagedis is gebonden aan warme, stenige plekken en leeft in Nederland vooral in Maastricht en is daarnaast op verschillende plaatsen uitgezet. (Creemers en van Delft 2009). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en verspreidingsatlas.nl komt alleen de ringslang in de buurt van het plangebied voor. De ringslang is sterk gebonden aan waterrijke habitats. De soort komt voor ten noorden van de grote rivieren en wordt vooral aangetroffen in laagveengebieden, natte heideterreinen en waterrijke zandgronden. Maar de soort komt ook voor op verhoogde terreinen zoals dijken, spoorbanen of struwelen. Belangrijk hierbij is de aanwezigheid van natuurlijke oevers met open plekken en ruigte zodat deze zowel zongelegenheid als schuilplaatsen bieden. Veel meer dan andere in Nederland levende reptielen wordt de soort ook in bebouwde omgeving en in agrarisch gebied aangetroffen. Leefgebieden van de ringslang hebben meestal veel ruimtelijke variatie en kleinschaligheid. Voor de voortplanting is de ringslang afhankelijk van warme, vochtige plekken zoals composterende bladhopen of andere rottende boomresten.
In cultuurlandschap wordt intensief gebruik gemaakt van door de mens aangelegde mest-, zaagsel- en composthopen of speciaal voor de ringslang aangelegde broeihopen. Ringslangen overwinteren op vorstvrije plaatsen onder takkenbossen, struiken, in oude konijnenholen of in kelders (Creemers & van Delft). In het plangebied is habitat van de ringslang zoals hierboven beschreven afwezig. Daarnaast ontbreekt waterrijke omgeving en ligt het plangebied volledig geïsoleerd tussen wegen en bebouwing. Het voorkomen van de ringslang in dergelijk gebied kan uitgesloten worden.
4.2.7
Amfibieën Aanwezigheid soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Zoals beschreven in paragraaf 2.2, geldt voor een aantal meer algemeen voorkomende beschermde soorten amfibieën een provinciale vrijstelling van de verboden in de wet. Het is goed mogelijk dat in of nabij het plangebied deze soorten voorkomen, zo-
als de bruine kikker of gewone pad. Deze soorten komen wijdverspreid voor en stellen geen hoge eisen aan hun omgeving. Aanwezigheid soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Beschermde amfibieën waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, komen voornamelijk voor in en nabij vennen, poelen en slootjes, met helder en schoon water, in heide-, veen- en bosgebied en in de uiterwaarden. De rugstreeppad is ook in de duinen aanwezig. De geelbuikvuurpad, vuursalamander en vroedmeesterpad worden bijna uitsluitend in Zuid-Limburg aangetroffen (Creemers en van Delft 2009, verspreidingsatlas.nl). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en verspreidingsatlas.nl komen de alpenwatersalamander en rugstreeppad in de buurt van het plangebied voor. De alpenwatersalamander heeft een voorkeur voor zandige leemgronden waar hij voorkomt in loof- of gemengde bossen, of kleinschalige landschappen met heggen of struwelen. Voortplanting vindt plaats in allerlei typen water te vinden zolang het niet snelstromend en niet rijk is aan vis (Goverse et al.). Wanneer de temperatuur ’s avonds boven de vijf graden komt trekken alpenwatersalamanders naar het voortplantingshabitat, meestal is dat rond half maart. Ze blijven hier dan tot en met juni. Half september hebben ook de larven het voortplantingswater verlaten.
Alpenwatersalamanders overwinteren op het land ze zijn dan ten vinden onder hout, stenen, bunkers of in niet bewoonde holen van knaagdieren (Creemers & van Delft, 2009). In het plangebied is ontbreekt geschikt habitat voor de alpenwatersalamander. Zowel voortplantingswater als overwinteringshabitat zijn niet aanwezig. Deze soort is daarom uit te sluiten in het plangebied. De rugstreeppad is een bewoner van zandige terreinen met een hoge dynamiek zoals duinen, uiterwaarden, opgespoten terreinen, heidevelden en akkers. Ook komt de soort op minder natuurlijke terreinen voor, zoals braakliggende terreinen of bouwlocaties. Deze soort is een echte pionier die zich ingraaft in kaal braakliggend terrein en haar eitjes legt in ondiepe kale poeltjes en plassen, maar ook slootjes en vennen kunnen geschikt leefgebied zijn. De dieren verlaten half maart de winterverblijfplaats. Voortplanting begint half april en kan doorgaan tot in augustus. Mannetjes verblijven de gehele voortplantingsperiode in het water. Vrouwtjes daarentegen verlaten na de eierafzet het water weer. De rugstreeppad overwintert op het land, de dieren hebben eind oktober allemaal het water weer verlaten (Creemers & van Delft, 2009). Habitat van de rugstreeppad is niet aanwezig in het plangebied. Vergraafbare grond ontbreekt en voortplantingswater is niet aanwezig.
Het voorkomen van de rugstreeppad in het plangebied kan dan ook uitgesloten worden. De rugstreeppad is een echte pioniersoort die zich snel op braakliggend terrein kan vestigen. Het zou dus kunnen dat met de geplande ruimtelijke ontwikkeling tijdig geschikt leefgebied voor de rugstreeppad ontstaat. Echter, omdat het plangebied erg geïsoleerd ligt tussen wegen en bebouwing is het niet te verwachten dat de rugstreeppad dit tijdige geschikte gebied kan bereiken. Het is dan ook uitgesloten dat de rugstreeppad zich gedurende de ruimtelijke ontwikkeling zal vestigen in het plangebied.
4.2.8
Vissen De beschermde vissoorten zijn veelal zeldzaam voorkomende soorten gebonden aan helder, stromend water van beekjes of rivieren. Een uitzondering hierop is de grote modderkruiper die vooral leeft in langzaam stromend water van sloten, vennen of plassen. De soort komt daar voor op plekken met veel onderwatervegetatie en een goed ontwikkelde waterbodem (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingatlas.nl). In het plangebied zijn geen permanent watervoerende elementen aanwezig. De aanwezigheid van beschermde vissen in het plangebied is daarmee uitgesloten.
4.2.9
Insecten en andere ongewervelden Beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden zijn veelal zeldzaam en eisen een specifiek habitat. Beschermde vlindersoorten komen vooral voor in kruidenrijke en soortenrijke graslanden, heiden, venen en (vochtig) bos (Bos et al. 2006, vlinderstichting.nl). Beschermde libellensoorten leven met name in veengebieden, nabij beekjes of rivieren en bij vennen op de hogere zandgronden (Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie 2002). Beschermde keversoorten zijn gebonden aan oude, rottende bomen in bosgebieden of komen zeldzaam voor in (groter) permanent, helder open water van goede kwaliteit op veengrond (eis-nederland.nl, Janssen en Schamineé, 2004). De Europese rivierkreeft is in ons land nog maar van één plek bekend, op landgoed Warnsborn bij Arnhem. De Bataafse stroommossel is uit ons land verdwenen en de platte schijfhoren komt lokaal voor in laagveengebieden en het rivierengebied, in helder, stilstaand of zeer zwak stromend water met rijke plantengroei, in zowel meren, sloten als plassen (anemoon.org, verspreidingsatlas.nl). In het betreffende plangebied is geen sprake van open water, bos, soortenrijk grasland, heide of veen. Leefgebied voor deze soorten is hierdoor niet aanwezig. Beschermde insecten en andere ongewervelden zijn daarom niet te verwachten in het plangebied en zijn dan ook niet waargenomen.
4.3
Aanwezigheid houtopstanden Binnen het plangebied is geen houtopstand aanwezig. In het plangebied zijn wel bomen en struiken aanwezig. Maar deze bomen en struiken zijn geen onderdeel van een eenheid bomen en struiken waarvan de oppervlakte groter is dan duizend vierkante meter en zijn ook geen onderdeel van een rijbeplanting die groter is dan 20 bomen.
5 5.1
Effectbeoordeling en advies vervolgtraject Mogelijke effecten op beschermde gebieden Natura 2000 Uit voorliggend onderzoek blijkt dat Natura 2000-gebied “De Wilck” en “Meijenel & Berkheide” in de omgeving van het plangebied ligt. Met de geplande ruimtelijke ontwikkeling is een toename in stikstofuitstoot in het plangebied te verwachten. Om te onderzoeken of negatieve effecten op Natura 2000-gebied mogelijk zijn, adviseren wij nader onderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening uit te voeren (Rijksoverheid, 2020). Andere verstoringen als gevolg van de ontwikkeling zijn op voorhand uit te sluiten, zoals verstoring van instandhoudingsdoelstellingen door geluid. Provinciale bescherming Het dichtstbijzijnde gedeelte van het natuurnetwerk bevindt zich op minimaal 900 meter ten zuiden van het plangebied. De bescherming van het NNN kent in de provincie Zuid-Holland niet het begrip externe werking. Aangezien het plangebied niet in de NNN of Ecologische verbindingszone ligt, leidt de voorgenomen ingreep niet tot vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur. De voorgenomen ingreep zal geen effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Nederlands Natuurnetwerk hebben. De bescherming van het Nederlands Natuurnetwerk staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
5.2
Mogelijke effecten op beschermde soorten
5.2.1
Zorgplicht, voor alle in het wild levende dieren en planten In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren voorkomen. Bij de ruimtelijke ontwikkeling zouden deze planten en dieren kunnen worden gedood. Voor al de in het wild levende soorten geldt de zorgplicht van de Wet natuurbescherming. Dit houdt in elk geval in dat iedereen die weet dat hij schade aan natuur gaat veroorzaken door een bepaalde handeling, hij deze handeling daarom niet uitvoert, of maatregelen neemt om schade aan de natuur door de handeling zoveel mogelijk te voorkomen. Probeer bijvoorbeeld bij de ruimtelijke ingreep zoveel mogelijk bomen, struiken en overig groen te behouden. Werken buiten de winterperiode voorkomt dat dieren die in winterrust zijn verstoord of gedood worden. Wanneer verlichting wordt geplaatst, probeer uitstraling van licht naar de omgeving zoveel mogelijk te beperken, om verstoring van diersoorten te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door verlichting te beperken tot die plekken waar licht noodzakelijk is, lage en gericht armaturen te gebruiken in plaats van rondstralende armaturen en lampen goed te richten.
Om verstoring van dieren door straatverlichting en andere vormen van verlichting tot een minimum te beperken, dienen lichtbundels zo veel mogelijk naar beneden te worden gericht.
5.2.2
Vogels Uit voorliggend onderzoek blijkt verder dat in en direct rond het plangebied vogels aanwezig zijn en ook kunnen broeden. Voor deze vogels geldt artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming, die het onder meer verbiedt vogels te doden, te vangen of in gebruik zijnde nesten van vogels te beschadigen of te vernielen. Bij de geplande ontwikkeling zouden nesten van broedende vogels kunnen worden beschadigd, wat verboden is onder de Wet natuurbescherming. De periode waarin de meeste vogelsoorten broeden, loopt globaal van half maart tot half augustus, maar ook broedgevallen buiten deze periode zijn gewoon beschermd. Om overtreding van de wet te voorkomen adviseren wij u om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Ook zullen vogels in en direct rond het plangebied geen nest bouwen, omdat te veel verstoring aanwezig is. Indien de werkzaamheden echt in de broedperiode gestart moeten worden, is nader onderzoek naar broedende vogels noodzakelijk. Kort voor de start van de werkzaamheden dient dan door een ecoloog met kennis van vogels door middel van één veldbezoek onderzocht te worden of broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn. Als deze niet aanwezig zijn, kunnen de werkzaamheden starten.