CConstaterende datLeiden
Koppel je AI →
Document · PDF

210135 Bijlage 1A Toelichting Vaststelling bestemmingsplan Mary Zeldenrustweg 18

Gemeenteraad 21 december 2021, gemeente LeidenBij agendapunt: RV 21.0135 Vaststelling bestemmingsplan Mary Zeldenrustweg 1814.351 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Bouwfase Met de inwerkingtreding van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering per 1 juli 2021 zijn de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden van bouwactiviteiten vrijgesteld van de Wnb-vergunningplicht. Een berekening van de bouwfase is daarom niet noodzakelijk. Conclusie Er zijn geen belemmeringen vanuit de Wet natuurbescherming als het gaat om gebiedsbescherming en stikstofdepositie.

4.3

Kabels en leidingen

Planologisch relevante leidingen dienen in een bestemmingsplan te worden opgenomen. Dergelijke leidingen kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van de omgeving. Onder planologisch relevante leidingen vallen hoofdnutsvoorzieningen. Dit betreffen leidingen voor het transport van brandbare en/of ontplofbare stoffen en aardgasleidingen. Leidingen dienen als zodanig te worden bestemd en daarbij dient de afstand die moet worden vrijgehouden van bebouwing ter bescherming van de leiding, te worden aangeduid. Naast planologisch relevante leidingen kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die planologisch niet relevant zijn, maar waar met de beheerder van de kabels en leidingen afstemming dient plaats te vinden over het beschermen dan wel verleggen van in en nabij een ontwikkellocatie gelegen kabels en leidingen.

4.3.1

Onderzoeksresultaten

In het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig. Voor de overige kabels en leidingen wordt verwezen naar Bijlage 7. Conclusie De aanwezigheid van kabels en leidingen levert geen belemmeringen op ten aanzien van dit bestemmingsplan.

27

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

4.4

Milieu

4.4.1

Bedrijven en milieuzonering

Beleid en regelgeving In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving worden belemmerd door de ontwikkeling en of ter plaatse van gevoelige functies, zoals woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de beoordeling wordt gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en verschillen per gebiedstype waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden Uitgangspunt is dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast. Milieucategorie

Richtafstandwoongebied in Richtafstandgemengd meters gebied in meters

1

10

0

2

30

10

3.1

50

30

Beoordeling Het plan betreft de sloop van een school en de realisatie van vervangende nieuwbouw in de vorm van een levensloopbestendige woonplek. De bestemming maatschappelijke doeleinden zal worden omgezet in wonen. De omgeving van plangebied kan worden aangemerkt als een rustig woongebied. Uit het bedrijfsinformatiesysteem van de Omgevingsdienst West-Holland blijkt dat in de directe omgeving van de locatie geen bedrijven aanwezig zijn die er voor kunnen zorgen dat ter plaatse van het plangebied sprake kan zijn van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Anderzijds zal het plan evenmin leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van gevoelige bestemmingen in de omgeving. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering is geen belemmering voor het plan. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk.

4.4.2

Bodem

Beleid en regelgeving Wet ruimtelijke ordening De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen regels stellen voor een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent voor de bodem (grond en grondwater) dat de bodemkwaliteit en de voorgenomen bestemming met elkaar in overeenstemming dienen te zijn. Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt bepaald door middel van een historisch onderzoek, eventueel aangevuld met een bodemonderzoek. De resultaten van het historisch onderzoek, het bodemonderzoek en de

28

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

conclusie met eventuele saneringsadviezen worden in het bestemmingsplan vermeld. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) In de Wabo staat dat een omgevingsvergunning, voor het bouwen op een vermoeden van ernstig verontreinigde grond, pas in werking treedt nadat: er is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; het bevoegd gezag heeft ingestemd met het saneringsplan/BUS-melding; er een melding is gedaan van een voornemen tot saneren. Wet bodembescherming (Wbb) Als er sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan gelden de regels van de Wet Bodembescherming. In de Wbb is een saneringsdoelstelling bepaald (het saneren naar de functie) en een saneringscriterium (wanneer moet er gesaneerd worden (bij zogenaamde “spoed- of risicolocaties”)). Besluit bodemkwaliteit (Bbk) Het Besluit bodemkwaliteit geeft de lokale bevoegde gezagen de mogelijkheid om de bodemkwaliteit binnen hun gebied actief te gaan beheren binnen de gegeven kaders. Dit geeft onder andere ruimte voor nieuwe projecten op het gebied van natuur, wonen en industrie. Daarnaast worden de kwaliteit en de integriteit van belangrijke intermediairs bij bodemactiviteiten beter geborgd. In het Besluit staan ook regels met betrekking tot het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie. Lokaal bodembeleid De regels voor grondverzet volgen uit het Besluit bodemkwaliteit.

In de gemeente Leiden is het generieke beleid van kracht. Dat betekent dat toe te passen grond altijd aan twee eisen moet voldoen: toe te passen grond moet beter of gelijk in kwaliteit zijn als de ontvangende bodem - (op niveau van bodemkwaliteitsklasse); toe te passen grond moet beter of gelijk in kwaliteit zijn als geldt voor de op betreffende plek geldende bodemfunctieklasse. De gemeente Leiden beschikt over een bodemfunctieklassenkaart. Eventueel aanvullende regels worden opgenomen in de regionale bodembeheernota. Beoordeling Om vast te stellen of er belemmeringen te verwachten zijn voor de geplande ontwikkelingen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 8). De resultaten van het onderzoek zijn als volgt: er zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld en in de bodemmonsters. Er is geen reden tot een asbestonderzoek; de bovengrond is niet verontreinigd met de onderzochte stoffen; de baksteenpuinhoudende ondergrond (1,3 - 1,7 m-mv) is niet tot licht verontreinigd met de onderzochte stoffen; het grondwater is niet tot licht verontreinigd met onderzochte stoffen. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding voor vervolgstappen. Conclusie Er zijn geen belemmeringen te verwachten voor de ontwikkeling tot een woonbestemming. De

29

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

ontwikkelingslocatie is geschikt voor het gebruik 'wonen met tuin'.

4.4.3

Geluid

Beleid en regelgeving Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) een belangrijk juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wet geluidhinder biedt onder andere geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. De Wet geluidhinder is daarom sterk gelinkt aan de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Wegverkeerslawaai De Wgh biedt geluidsgevoelige bestemmingen bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de Wgh is beperkt tot een aandachtsgebied (een geluidszone) langs wegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wgh van toepassing. Een andere beperking is dat de Wgh niet geldt voor 30-km wegen en voor woonerven. Een eventueel noodzakelijke akoestische afweging wordt in dergelijke gevallen in het kader van de Wet ruimtelijke ordening gemaakt. Industrielawaai De Wgh verplicht om industrieterreinen waarop lawaaiveroorzakende bedrijven zijn of kunnen worden gevestigd te zoneren. Bij de zonering worden primair de grenzen vastgelegd van het gebied waarbinnen de lawaaimakende bedrijven gevestigd mogen zijn.

Vervolgens wordt ten behoeve van het gezoneerde industrieterrein de zonegrens bepaald en vastgesteld. Het gebied binnen de zonegrens vormt het aandachtsgebied. De binnen het aandachtsgebied geldende wettelijke voorkeursgrenswaarde, dan wel de binnen de zone vastgestelde hogere waarden zijn bepalend voor de toelaatbaarheid van geluidproducerende activiteiten. Buiten de geluidszone mag de geluidsbelasting als gevolg van de bedrijven op het gezoneerde industrieterrein niet meer dan 50 dB(A) bedragen. Spoorweglawaai De Wgh biedt geluidsgevoelige bestemmingen bescherming tegen geluidhinder van spoorweglawaai bij de aanleg/wijziging van spoorwegen of bij de bouw van woningen in de buurt van spoorwegen. De reikwijdte van de Wet geluidhinder (Wgh) is beperkt tot een aandachtsgebied (een geluidszone) langs spoorwegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wgh van toepassing. Normstelling De normstelling onderscheidt voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) bedraagt voor wegverkeerslawaai de voorkeursgrenswaarde 48 dB op de gevel van een geluidgevoelige bestemming. De voorkeursgrenswaarde wordt voor alle (nieuwe) situaties nagestreefd. Realisatie hiervan is echter niet altijd mogelijk. De wet biedt de mogelijkheid om ontheffing te verkrijgen van de voorkeursgrenswaarde tot de maximale ontheffingswaarde.

De maximaal vast te stellen hogere waarde voor nieuw te bouwen geluidsgevoelige bestemmingen binnen de bebouwde kom bedraagt 63 dB. Gemeentelijk geluidbeleid

30

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

Het gemeentelijk geluidbeleid is vastgelegd in de Geluidsnota Leiden (2004). In het geluidbeleid is lokale differentiatie mogelijk gemaakt, waardoor er per gebied een passend geluidsniveau wordt opgeleverd. Ter plaatse van het plangebied geldt is het gebiedstype conform de Geluidsnota Leiden 'gemengde bedrijventerreinen'. Voor weg-, spoor- en industrielawaai gelden de geluidsklassen -1 (onrustig) tot en met -4 (zeer lawaaiig). Voor verkeerslawaai geldt de geluidsklasse 50-55 als ambitie voor dit gebiedstype. Voor industrielawaai geldt de geluidsklasse 48-52 als ambitie. Naast de Geluidsnota Leiden heeft de gemeente een Geluidskaart Leiden (2017) en een actieplan Leiden (2018) opgesteld. De geluidskaart brengt de geluidsproductie in beeld en het actieplan zorgt voor het beheersen en waar nodig verlagen van de geluidsniveaus in de leefomgeving. Beoordeling Er is een akoestisch onderzoek (Bijlage 9) uitgevoerd naar de geluidbelasting op de gevels van de geprojecteerde woningen als gevolg van de omliggende wegen. Uit het onderzoek blijkt dat de voorkeurswaarde Wet geluidhinder (Wgh) niet wordt overschreden. Conclusie Het aspect geluid is geen belemmering voor het plan.

4.4.4

Luchtkwaliteit

Beleid en regelgeving In de Wet milieubeheer (Wm) zijn in titel 5.2 kwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen (Luchtkwaliteitseisen). In bijlage 2 van de Wet milieubeheer worden grenswaarden gegeven voor een aantal stoffen die als verontreiniging in de lucht voorkomen. Nieuwe plannen moeten aan de normen voor de luchtkwaliteit worden getoetst. In de luchtkwaliteitseisen wordt onderscheid gemaakt tussen grote en kleine projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate, ofwel niet in betekenende mate (NIBM), leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Het Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen' bevat criteria waarmee kan worden bepaald of een bepaald project wel of niet als 'in betekenende mate' moet worden beschouwd. NIBM projecten kunnen -juridisch gezienzonder toetsing aam de grenswaarden voor de luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet wel worden bekeken of het realiseren van het plan met betrekking tot de luchtkwaliteit op die locatie gewenst is. Daarbij speelt de mate van blootstelling en de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen een rol. Beoordeling Het plan heeft betrekking op de realisatie van een woonvoorziening voor 16 jongvolwassenen. Dit plan valt onder de NIBM-criteria. Toetsing aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.

Er moet wel worden beoordeeld of erop de planlocatie sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Voor deze beoordeling kan gebruik worden gemaakt van de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma NSL. De meest actuele gegevens zijn uit Monitoringsronde NSL 2019 over het jaar 2018 . Het dichtst bij de planlocatie gelegen toetspunt ligt aan de Stevenshofdreef (Stevensbloem). De concentraties stikstofdioxide en fijnstof zijn op dit punt als volgt:

31

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

De concentraties stikstofdioxide en fijnstof liggen op de planlocatie ruim onder de wettelijke grenswaarden en vertonen volgens de prognose in de komende jaren een dalende trend. Er is hiermee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie De luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van het project. Aanvullend onderzoek is niet nodig.

4.4.5

Externe veiligheid

Beleid en regelgeving Onderdeel van de ruimtelijke opgave is dat er bijzondere aandacht wordt besteed aan onder meer de externe veiligheidsaspecten. Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Hierbinnen worden twee normstellingen gehanteerd: het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers; het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is een maat voor het overlijdensrisico op een bepaalde plaats. Bij plaatsgebonden risico gaat het om de kans per jaar dat een gemiddelde persoon op een bepaalde geografische plaats in de omgeving van een transportroute overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen op deze transportroute, er van uitgaande dat die persoon onbeschermd en permanent op deze plaats aanwezig is. Anders gezegd, het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Het plaatsgebonden risico kan worden weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten: risicocontour).

Dergelijke contouren zijn van belang bij de beoordeling of een risicovolle activiteit of een risicogevoelige bestemming op een bepaalde plaats kan worden toegelaten. Voor plaatsgebonden risico is door de rijksoverheid voor nieuwe situaties een grenswaarde vastgesteld van 10-6/jaar. Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van één ongeval op de transportroute waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. Dit risico laat zich niet in de vorm van een risicocontour op een kaart weergegeven, maar kan wel worden vertaald in een dichtheid van personen per hectare. Hoe meer personen per hectare in het schadegebied van een hier bedoeld ongeval aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is. Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de cumulatieve kansen per jaar op ten minste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico is in tegenstelling tot het plaatsgebonden risico een oriënterende waarde.

32

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

Besluit externe veiligheid transportroutes Sinds 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van kracht. In dit besluit zijn de normen voor het plaatsgebonden risico en de doorwerking daarvan op het gebied van de ruimtelijke planvorming geregeld voor zover de risico's worden veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen. Daarnaast beoogt dit besluit te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Hiervoor bevat het besluit onder andere regels over de wijze waarop de kans op een ramp met veel slachtoffers inzichtelijk moet worden gemaakt en de wijze waarop dit risico transparant wordt afgewogen ten opzichte van toe te laten ruimtelijke ontwikkelingen. Het Bevb werkt door in besluitvorming op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet ruimtelijke ordening, zoals bestemmingsplannen. Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) / Regeling basisnet Het basisnet beoogt een duurzaam evenwicht te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, hoofdspoorwegen en binnenwateren, de bebouwde omgeving langs die wegen, hoofdspoorwegen en binnenwateren en de veiligheid van omwonenden.

Op basis van de Wvgs worden in de Regeling basisnet, de tot het basisnet behorende infrastructuur vastgelegd inclusief de daarbij behorende risicoplafonds. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is sinds 27 oktober 2004 van kracht. Voor wat betreft het groepsrisico is de verantwoordingsplicht wettelijk geregeld. Krachtens het Bevi moeten alle besluiten in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke Ordening integrale aspecten van externe veiligheid afwegen. Besluit externe veiligheid buisleidingen Sinds 1 januari 2011 geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Hierin zijn risicoafstanden opgenomen voor ondergrondse buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Voor wat betreft het groepsrisico is de verantwoordingsplicht wettelijk geregeld. Het Bevb werkt door in besluitvorming op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet ruimtelijke ordening, zoals bestemmingsplannen. Beoordeling Er is een quickscan externe veiligheid uitgevoerd voor het plangebied (Bijlage 10). In de quickscan worden de resultaten beschreven van een inventarisatie van de externe veiligheidsrisico's.

Aangegeven is dat in de nabijheid van het plangebied de volgende risicobronnen aanwezig zijn: Bedrijven Geen: het plan ligt niet in het invloedsgebied van een bedrijf waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of geproduceerd. Wegen, spoorlijnen, waterwegen Het plan ligt in het invloedsgebied van de volgende wegen waarover transport plaatsvindt van gevaarlijke stoffen: Rijksweg A4 Rijksweg A44 de geprojecteerde Rijnlandroute

33

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

Aangezien het plangebied op meer dan 200 meter van de verschillende wegen is gelegen, hoeft de invloed van de planvorming op de hoogte van het groepsrisico niet kwantitatief inzichtelijk gemaakt te worden. Buisleidingen Geen: het plan ligt niet in het invloedsgebied van een buisleiding die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen. Conclusie Het aspect Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de realisatie van het project.

4.4.6

Milieueffectrapportage

Beleid en regelgeving De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen deze belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. Beoordeling Het woongebouw heeft met een omvang van 16 woonplekken, ten opzichte van de drempelwaarde uit het Besluit m.e.r. voor een stedelijk ontwikkelingsproject (D 11.2) van 2000 woningen, een zeer beperkte omvang.

Mede gezien het feit dat hier sprake is van vervangende nieuwbouw, en dat de nieuw te realiseren woonplekken zullen worden gerealiseerd in bestaand woongebied, is hier geen sprake van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld onder D 11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. Weliswaar is er sprake van een wijziging van een bestemming, maar in dit geval naar een woonbestemming, passend in de (directe) omgeving van het plangebied. Conclusie Het besluit m.e.r is voor dit plan niet van toepassing.

4.5

Water

4.5.1

Beleidskader

Beleid waterschap Waterbeheerplan 5 Voor de planperiode 2016-2021 zal het Waterbeheerplan 5 (WBP5) van het hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing zijn. In dit plan geeft het hoogheemraadschap van Rijnland aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en

34

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. In het WBP5 staat samen werken met de omgeving aan water centraal. Het hoogheemraadschap van Rijnland wil samen met zijn omgeving werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer. De vier hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water, gezond water en de waterketen. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Bij voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil het hoogheemraadschap van Rijnland dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Het waterbeheerplan sorteert voor op deze ontwikkelingen. Gezond water is de zorgplicht om het water schoon zoals past bij de functie van het water te houden. Wat betreft de waterketen, zijnde afvalwater, wordt dit optimaal gezuiverd en onttrokken grondstoffen worden hergebruikt. Keur en uitvoeringsregels Per 1 juli 2015 is een nieuwe Keur en de daarbij horende uitvoeringsregels in werking getreden. De Keur is benodigd vanuit de Waterwet.

Daarin zijn vastgelegd de bevoegdheden en taken van het hoogheemraadschap, zijnde de zorg voor het watersysteem, de zorg voor het zuiveren van afvalwater, de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden en waterbeheer. De Keur dient tevens ter invulling van deze doelstellingen, te weten: voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, en vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Samengevat is maakt de Keur en uitvoeringsregels het mogelijk dat het hoogheemraadschap van Rijnland haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken) en andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen). De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als het hoogheemraadschap van Rijnland daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een Keurvergunning.

De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Uitvoeringsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van het hoogheemraadschap van Rijnland nader uitgewerkt. Waterkeringen Het hoogheemraadschap van Rijnland heeft de zorg voor de waterkeringen (zowel primaire als secundaire) en de instandhouding van de landscheidingen met de aangrenzende waterschappen. Verharding onbebouwde gronden Binnen het beheergebied van het hoogheemraadschap van Rijnland gelden strenge regels om onbebouwde grond te verharden. Bij toename van verharding van de onbebouwde gronden met meer dan 500 m2 is compensatie van verharding door middel van extra te graven vierkante meters water verplicht. Hiervoor geldt een realisatie- en meldingsplicht als ontheffing van de Keur en uitvoeringsregels van het hoogheemraadschap van Rijnland. De eigenaar van de gronden dient toename van de verharding en de realisatie van extra water te melden bij het hoogheemraadschap van Rijnland. Bij toename van verharding van om onbebouwde grond met

35

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

meer dan 500 m2 dient de eigenaar een vergunning aan te vragen bij het hoogheemraadschap van Rijnland.

4.5.2

Onderzoeksresultaten

4.5.2.1 Algemeen Water en ruimtelijke ordening Het aanwezige watersysteem vormt een belangrijke randvoorwaarde voor wat in een bepaald gebied wel of juist niet mogelijk is en stelt daarmee eisen aan de omgang en inrichting van de beperkte ruimte. Bouwen langs het water kan enorm bijdragen aan het woongenot. Bouwen op de verkeerde plek kan veel ellende geven door wateroverlast. Terecht wordt steeds meer erkend dat water mede sturend dient te zijn voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is inmiddels voor iedereen duidelijk dat het watersysteem meer ruimte nodig heeft om de effecten van klimaatverandering, zeespiegelrijzing en bodemdaling het hoofd te kunnen bieden. Een goede afstemming tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening is daarom noodzakelijk. Extra aandacht voor water in ruimtelijke plannen in een vroeg stadium van de planvorming is blijvend vereist met het oog op de toekomst en het naleven en uitvoering van de Watertoets, de Kaderrichtlijn Water (KRW), Waterplan Leiden en eisen vanuit waterbeheer.

4.5.2.2 Watertoets Met het Waterplan Leiden (2007) hebben de gemeente Leiden en het Hoogheemraadschap van Rijnland afgesproken om gezamenlijk knelpunten in het watersysteem efficiënter op te lossen, kansen te benutten en andere te inspireren om 'Leiden Waterstad' nog beter op de kaart te zetten. Het Hoogheemraadschap van Rijnland is de waterbeheerder van onder andere de gemeente Leiden en is belast met het waarborgen van de kwaliteit van het water en met de bescherming van waterbouwkundige werken. Zij toets aanvragen voor een omgevingsvergunning aan hun verordening, de Keur. De Keur bevat regels voor de bescherming van o.a. waterkeringen, dijken en geeft het criterium voor watercompensatie. Het Hoogheemraadschap hanteert bij nieuw ingediende plannen een oppervlaktecriterium van 500 m². Dit houdt in dat watercompensatie is vereist als sprake is van een nieuwe verharding van 500 m² of meer. Het verharde oppervlak dient dan binnen het plangebied of elders te worden gecompenseerd. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van woningen en tuinen op een locatie waar voorheen een school met schoolplein aanwezig was. Het plangebied was nagenoeg geheel verhard en deze verharding neemt door het planinitiatief af. Watercompensatie is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie Er zijn geen waterhuishoudkundige belemmeringen voor de realisatie van het plan.

36

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de bestaande situatie en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied juridisch zijn vertaald. Het juridische deel van een bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en de regels. De regels bevatten regels voor het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch gezien ook geen deel uit van het bestemmingsplan maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

5.2

Opzet en volgorde van de regels

De regels van bestemmingsplan Mary Zeldenrustweg zijn op de volgende wijze opgebouwd. Hoofdstuk 1 Artikel 1 en 2 Inleidende regels: Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten Hoofdstuk 2 Artikel 3 en 4 Bestemmingsregels: Artikel 3 Verkeer Artikel 4 Wonen - zorgwoning Hoofdstuk 3 Artikel 5 t/m 9 Algemene regels: Artikel 5 Anti-dubbeltelregel Artikel 6 Algemene bouwregels Artikel 7 Algemene gebruiksregels Artikel 8 Algemene afwijkingsregels Artikel 9 Overige regels Hoofdstuk 4 Artikel 10 en 11 Overgangs- en slotregels: Artikel 10 Overgangsrecht Artikel 11 Slotregel

37

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

5.3

Uitleg van de regels

5.3.1

Inleiding

Bij het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Daarnaast is voor het bestemmingsplan aangesloten bij de landelijke standaard voor bestemmingsplannen: de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012).

5.3.2

Inleidende regels

Begripsbepalingen (Artikel 1) In de begripsbepaling worden begrippen waar nodig beschreven om zodoende interpretatieproblemen te voorkomen. Veelal worden begrippen gedefinieerd die in de voorschriften worden gebruikt en daar een bijzondere betekenis hebben, die afwijkt van of niet dan wel niet vaak voorkomt in het “normale” spraakgebruik. Wanneer een begrip niet opgenomen is in de begripsomschrijvingen/-bepalingen en er ontstaat een interpretatieprobleem dan is het normale spraakgebruik richtinggevend. De begripsomschrijvingen/-bepalingen zijn niet uitputtend bedoeld. De belangrijkste en/of onduidelijke begrippen zijn opgenomen in dit artikel. Wijze van meten (Artikel 2) De wijze van meten beschrijft hoe de genoemde maatvoeringen in de diverse bestemmingsbepalingen gemeten dienen te worden.

5.3.3

Bestemmingsregels

Verkeer (Artikel 3) De bestemming 'Verkeer' omvat wegen, groen en water met bijbehorende erftoegangswegen, woonstraten, fiets- en voetpaden, trottoirs, parkeerplaatsen, in- en uitritten, fietsenstallingen en leidingen. Wonen - zorgwoning (Artikel 4) De voor 'Wonen - zorgwoning'' aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen voor de huisvesting van bepaalde categorieën van de bevolking, zoals mensen met een beperking, waarbij de mate en de vorm van de geboden zorg en ondersteuning aan de bewoners dusdanig is dat niet langer gesproken kan worden van zelfstandige bewoning, maar die gezien de maatschappelijke ontwikkelingen en de geringe ruimtelijke impact wel aanvaardbaar is in de woonomgeving. In de bestemming is opgenomen dat maximaal 16 woningen gerealiseerd mogen worden en dat dit voor 100% sociale huurwoningen moeten zijn. Bij deze bestemming passende voorzieningen zoals gezamenlijke entrees, gemeenschappelijke ruimten, bergingen, parkeerplaatsen, tuinen, groen en water zijn ook toegestaan binnen de bestemming.

5.3.4

Algemene regels

De algemene regels bevatten de volgende artikelen: Antidubbeltelregel (Artikel 5) De antidubbeltelregel bepaalt dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij

38

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. De antidubbeltelregel is opgenomen in het Bro met de verplichting deze over te nemen in het bestemmingsplan. De Wro bevat een algemeen verbod om de gronden en bebouwing in strijd met het bestemmingsplan te gebruiken. Dit hoeft dus niet in de regels te worden opgenomen. Hetzelfde geldt voor de strafbepaling. Algemene bouwregels (Artikel 6) In de algemene bouwregels zijn regels opgenomen voor het ondergronds bouwen. De regels geven kort en bondig aan dat ondergronds bouwen is toegestaan, daar waar bovengronds bouwen is toegestaan. Algemene gebruiksregels (Artikel 7) In de algemene gebruiksregels zijn een aantal activiteiten opgenomen die verboden zijn in het plangebied. Algemene afwijkingsregels (Artikel 8) Op grond van de algemene afwijkingssregels kan afgeweken worden van het bestemmingsplan in verschillende specifieke gevallen. In onderhavig bestemmingsplan gaat het om het afwijken van de maatvoering. Overige regels (Artikel 9) In de overige regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die borgt dat er altijd voldoende parkeergelegenheid aanwezig is. Hiervoor wordt in het kader van een omgevingsvergunningaanvraag getoetst aan de op dat moment geldende Beleidsregels Parkeernormen van de gemeente Leiden.

5.3.5

Overgangs- en slotregels

Overgangsregels (Artikel 10) Het overgangsrecht is opgenomen in het Bro met de verplichting deze over te nemen in het bestemmingsplan. De overgangsregels bevatten bepalingen omtrent het voortzetten van gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is. Eenzelfde regeling is opgenomen voor bouwwerken die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering zijn, dan wel gebouwd kunnen worden krachtens een bouwvergunning. Indien zo'n bouwwerk afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, het bouwwerk 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. Slotregels (Artikel 11) In de slotregels worden de regels van dit bestemmingsplan aangehaald.

39

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

40

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan ziet op de realisatie van 16 woningen. Een dergelijke ontwikkeling valt onder de categorieën genoemd in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en valt daardoor onder de Grondexploitatiewet. In beginsel dient er daarom een exploitatieplan opgesteld te worden. Dit kan in onderhavig geval achterwege blijven, omdat het kostenverhaal anderszins is verzekerd. De gemeente is immers eigenaar van de gronden.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Algemeen

Het bestemmingsplan ziet op de realisatie van 16 woningen. Met de realisatie van deze bestemming zijn kosten en opbrengsten gemoeid. Op basis van een haalbaarheidsberekening kan gesteld dat de verwachte opbrengsten minimaal zo hoog zijn als de voor de realisatie van het bestemmingsplan benodigde kosten. Het bestemmingsplan wordt daarmee economisch uitvoerbaar geacht. De ontwikkeling valt onder de categorieën genoemd in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en valt daardoor onder de Grondexploitatiewet. In beginsel dient er daarom een exploitatieplan opgesteld te worden. Dit kan in onderhavig geval achterwege blijven, omdat het kostenverhaal anderszins is verzekerd (kostenverhaal via vekoop gronden).

6.2.2

Participatie

Voorafgaand aan het vaststellen van de Nota van Uitgangspunten door de gemeenteraad heeft op initiatief van de gemeente een eerste participatieronde plaatsgevonden. Zie hiervoor hoofdstuk 3 uit de Nota van Uitgangspunten. Na vaststelling van de NvU zijn de initiatiefnemers (De Sleutels i.s.m. Stichting Puzzelstuk), verder gegaan met de planontwikkeling. Het oorspronkelijk ontwerp is begin 2020 gedeeld met omwonenden via een brief en de website van De Sleutels. Een groep direct omwonenden heeft daarop gereageerd en verzocht over het ontwerp in gesprek te gaan. Zij gaven aan dat de bouwplannen hen een ingesloten gevoel gaf met te veel zicht vanuit het nieuwe woningbouwcomplex in hun woningen en achtertuinen. Daarom is het idee ontstaan om de positie van het gebouw binnen het projectgebied op te schuiven, verder van de bestaande woningen af. Zodoende werd ook meer ruimte gecreëerd voor groen en tuinen. Dit heeft geleid tot het aangepaste ontwerp waarop dit bestemmingsplan is gebaseerd. Dat aangepaste ontwerp is mede tot stand gekomen naar aanleiding van gesprekken met de omwonenden.

6.2.3

Vooraankondiging

Overeenkomstig het gestelde in artikel 1.3.1 Bro is op 11 februari 2021 een vooraankondiging van dit bestemmingsplan gedaan.

41

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

6.2.4

Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijn geïnformeerd. Eventuele reacties zullen worden meegenomen in het bestemmingsplan.

6.2.5

Zienswijzen

Conform de 'Werkwijzer participatie 2018' van gemeente Leiden start de bestemmingsplanprocedure met een ontwerpbestemmingsplan en is een voorontwerpbestemmingsplan (met daarbij gangbare inspraakmogelijkheden) niet van toepassing. Dit vanwege het doorlopen participatieproces en het vaststellen van een Nota van Uitgangspunten door de gemeenteraad. Dit ontwerpbestemmingsplan zal gedurende een termijn van zes weken voor zienswijzen ter visie worden gelegd. In die termijn kon eenieder een zienswijze tegen het ontwerp indienen. In deze periode is één zienswijze ingediend. De zienswijze is ingediend namens 2 reclamanten. De zienswijze is beantwoord in de 'Zienswijzennota bestemmingsplan Mary Zeldenrustweg 18' en als bijlage opgenomen in het bestemmingsplan. De ingediende zienswijzen hebben niet geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan.

42

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10899292/1