CConstaterende datLeiden
Koppel je AI →
Document · PDF

210135 Bijlage 1A Toelichting Vaststelling bestemmingsplan Mary Zeldenrustweg 18

Gemeenteraad 21 december 2021, gemeente LeidenBij agendapunt: RV 21.0135 Vaststelling bestemmingsplan Mary Zeldenrustweg 1814.351 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Mary Zeldenrustweg 18

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

Inhoudsopgave

Toelichting Hoofdstuk 1

3 Inleiding

3

1.1

Aanleiding

3

1.2

Begrenzing plangebied

3

1.3

Vigerend bestemmingsplan

3

Hoofdstuk 2

Beschrijving van het bestemmingsplan

5

2.1

Huidige situatie

5

2.2

Nota van Uitgangspunten

5

2.3

Beschrijving bouwplan

6

Hoofdstuk 3

Ruimtelijk beleidskader

9

3.1

Europees en nationaal beleid

9

3.2

Provinciaal en regionaal beleid

11

3.3

Gemeentelijk beleid

18

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

21

4.1

Archeologie

21

4.2

Ecologie

22

4.3

Kabels en leidingen

27

4.4

Milieu

28

4.5

Water

34

Hoofdstuk 5

Juridische planbeschrijving

37

5.1

Inleiding

37

5.2

Opzet en volgorde van de regels

37

5.3

Uitleg van de regels

38

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

41

6.1

Economische uitvoerbaarheid

41

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

41

2

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

Toelichting Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Stichting Puzzelstuk is een ouderinitiatief om te komen tot een levensloopbestendige woonplek voor 16 jongvolwassen autistische jongeren met een laag IQ of andere beperking: Villa Puzzelstuk. Stichting Puzzelstuk wil dit initiatief samen met woningcorporatie De Sleutels en zorgverlener ASVZ realiseren op de locatie Mary Zeldenrustweg 18-18a in de Stevenshof. Dit initiatief past niet binnen het vigerende bestemmingsplan. Daarom is op 23 januari 2020 door de gemeenteraad een Nota van Uitgangspunten (Bijlage 2) vastgesteld met ruimtelijke kaders voor dit initiatief op de planlocatie. De initiatiefnemers hebben vervolgens een bouwplan uitgewerkt dat binnen de vastgestelde kaders past. Om het initiatief juridisch-planologisch mogelijk te maken is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.

1.2

Begrenzing plangebied

Begrenzing plangebied

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Voor het plangebied, zoals aangegeven en toegelicht in paragraaf 1.2, gelden op dit moment de volgende bestemmingsplannen: Naam bestemmingsplan

Vastgesteld

Stevenshof

15 oktober 2009

Parapluplan stedenbouwkundige bepalingen bouwverordening 31 mei 2018

3

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

Parapluherziening Fietsparkeren

18 februari 2021

In het bestemmingsplan 'Stevenshof' heeft de projectlocatie de bestemming ‘Maatschappelijke doeleinden’. De toegestane maximale bouwhoogte bedraagt 5 meter. Woningen zijn op deze locatie niet toegestaan op grond van het bestemmingsplan. De beoogde nieuwbouw past niet binnen het aanwezige bouwvlak en de toegestane bouwhoogte. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is het noodzakelijk om de functie van het perceel, het bouwvlak en toegestane bouwhoogtes te wijzigen. Daarvoor is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.

4

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

Hoofdstuk 2 2.1

Beschrijving van het bestemmingsplan

Huidige situatie

Op de projectlocatie was tot voor kort een schoolgebouw gevestigd, gerealiseerd aan het begin van de jaren negentig als tijdelijke voorziening. De locatie is momenteel eigendom van de gemeente Leiden, maar op 23 juni 2015 heeft het college besloten deze gronden te verkopen (BW 15.089). Met De Sleutels is reeds een koopovereenkomst gesloten voor de grond. In deze overeenkomst is een voorbehoud gemaakt voor de te voeren ruimtelijke procedure. Dat betekent dat partijen de overeenkomst mogen ontbinden indien bijvoorbeeld voorliggende NvU of het bestemmingsplan niet wordt vastgesteld, of de omgevingsvergunning wordt geweigerd.

2.2

Nota van Uitgangspunten

De gemeenteraad van Leiden heeft op 23 januari 2020 een Nota van Uitgangspunten (NvU). vastgesteld voor de planlocatie. Deze NvU is opgenomen als Bijlage 2. In deze NvU zijn ruimtelijke randvoorwaarden gesteld waar de ontwikkeling op de planlocatie aan moet voldoen. De belangrijkste onderdelen daaruit zijn: a. b. c. d. e. f.

een programma van maximaal 16 woningen voor autistische jongeren met een beperking; een hoofdmassa bestaande uit één gebouw; een bouwhoogte van minimaal 6 meter en maximaal 9 meter; een auto-ontsluiting via de Maria Rutgersweg; groene erfafscheidingen, die contact met de omgeving toestaan; de inrichting van de groenstructuur draagt bij aan klimaatadaptatie en uitbreiding van de biodiversiteit; g. bomen die gekapt moeten worden, worden herplant of gecompenseerd in de groenstructuur en aan de Mary Zeldenrustweg; h. op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen conform de vigerende Beleidsregels Parkeernormen Leiden; i. er worden voldoende plaatsen gerealiseerd voor de fietsen van bewoners en bezoekers. De ruimtelijke randvoorwaarden zijn op onderstaande randvoorwaardenkaart aangegeven.

Randvoorwaardenkaart

5

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

Volledigheidshalve wordt verder verwezen naar de Nota van Uitgangspunten.

2.3

Beschrijving bouwplan

Het initiatief betreft de realisatie van 16 woningen. De woningen zijn opgezet als studio's, met een eigen keuken, badkamer en bergingsruimte. Zo is het in de toekomst mogelijk deze indien gewenst te transformeren naar reguliere sociale huurwoningen. Bij de formulering van de stedenbouwkundige randvoorwaarden is vooral van belang geweest dat externe prikkels voor de bewoners zoveel mogelijk worden weggenomen. De oriëntatie van de woningen is daarom niet richting de drukke Mary Zeldenrustweg, maar naar het binnenterrein. Zodoende ontstaat er een binnenterrein aan de stille kant, waar de bewoners vrij gebruik van kunnen maken. Dit was ook de reden dat de parkeerplaatsen aan de voorzijde van het gebouw waren gesitueerd. Na vaststelling van de NvU zijn de initiatiefnemers (De Sleutels i.s.m. Stichting Puzzelstuk), bezig geweest met het ontwerp van het gebouw en de openbare ruimte. Een groep direct omwonenden heeft op dit ontwerp gereageerd en verzocht over het ontwerp in gesprek te gaan. Zij gaven aan dat de bouwplannen hen een ingesloten gevoel gaf met te veel zicht vanuit het nieuwe woningbouwcomplex in hun woningen en achtertuinen. Tijdens dit proces is het idee ontstaan om de positie van het gebouw binnen het projectgebied op te schuiven en zo meer ruimte te creëren voor groen en tuinen en het parkeerterrein meer uit het zicht, achter de woningen i.p.v.

aan de voorzijde, aan te leggen. Dit heeft geleid tot onderstaand ontwerp.

Definitief ontwerp Om mogelijke schaduwwerking van de nieuwe bebouwing op de omgeving in beeld te brengen is een Bezonningsstudie uitgevoerd (Bijlage 3). Uit de bezonningsstudie blijkt dat er geen nadelige effecten op naastgelegen percelen zijn te verwachten. Parkeren De toekomstige bewoners van de woningen zijn meervoudig gehandicapt en kunnen zelf niet

6

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

autorijden. In de plannen is daarom van uitgegaan dat geen parkeerplaatsen voor bewoners hoeven te worden gerealiseerd, maar alleen voor bezoekers en zorgpersoneel. Daarvoor worden 6 parkeerplekken op eigen terrein gerealiseerd. Doordat geen parkeerplaatsen voor bewoners hoeven te worden aangelegd, ontstaan mogelijkheden voor het realiseren van extra groen en tuinen. Daarnaast biedt het de mogelijkheid om het eigen parkeerterrein aan de achterzijde van het gebouw en zo uit het zicht van de doorgaande weg te realiseren.

7

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

8

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

Hoofdstuk 3

Ruimtelijk beleidskader

3.1

Europees en nationaal beleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie

3.1.1.1 Beleidskader Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Ook worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten.

De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel Sterke en gezonde steden en regio's Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: '(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig 2. Kenmerken & identiteit 3. Afwentelen voorkomen

3.1.1.2 Onderzoeksresultaten In de NOVI zijn de volgende nationale belangen genoemd die het project raken:

9

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; Voor wat betreft de volgende nationale belangen “Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en alle onderdelen van de fysieke leefomgeving”, “Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit” en “Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving” wordt verwezen naar de milieuonderzoeken, zoals die in Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten aan de orde komen. Het realiseren van een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften behelst een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming. Vraaggericht programmeren en realiseren van verstedelijking door provincies, gemeenten en marktpartijen is nodig om groei te faciliteren, te anticiperen op stagnatie en krimpregio's leefbaar te houden. Ook dient de ruimte zorgvuldig te worden benut en overprogrammering te worden voorkomen. Om beide te bereiken, is een ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Zie verder onder paragraaf 3.1.3 en 3.2.2.2.

3.1.1.3 Conclusie De Nationale Omgevingsvisie staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

3.1.2.1 Beleidskader Voor de doorwerking van de rijksbelangen in plannen van lagere overheden, is het Barro opgesteld. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 (grotendeels) in werking getreden en omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Ook de bescherming van erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden, zoals de Limes, is in het Barro vastgelegd. Dit is inmiddels doorvertaald in de provinciale structuurvisie en verordening.

3.1.2.2 Onderzoeksresultaten Met het opstellen van dit bestemmingsplan is het Barro als uitgangspunt genomen. Het planinitiatief speelt zich af op lokaal niveau en conflicteren niet met het ruimtelijke ordeningsbeleid op nationaal niveau.

3.1.2.3 Conclusie Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

10

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

3.1.3

Besluit ruimtelijke ordening

3.1.3.1 Beleidskader In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd, waarbij een nieuwe laddersystematiek is ingevoerd ter vervanging van de voorheen geldende. Het aangepaste artikel 3.1.6, lid 2 Bro luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan (of uitgebreide omgevingsvergunning, red.) dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

3.1.3.2 Onderzoeksresultaten De ladder van duurzame verstedelijking is nader uitgewerkt in de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. De onderzoeksresultaten worden derhalve weergegeven in de betreffende paragraaf 3.2.2.2.

3.1.3.3 Conclusie Het Besluit ruimtelijke ordening staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

3.2

Provinciaal en regionaal beleid

3.2.1

Provinciale omgevingsvisie

3.2.1.1 Beleidskader Per 1 april 2019 is de Zuid-Hollandse Omgevingsvisie in werking getreden. In de Omgevingsvisie is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Er is daarom geen eindbeeld voor 2030 of 2050 opgenomen, maar de maatschappelijke opgaven zijn vertaald in ambities. In de Omgevingsvisie zijn zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving vastgesteld: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Naar een klimaatbestendige delta Naar een nieuwe economie: the next level Naar een levendige meerkernige metropool Energievernieuwing Best bereikbare provincie Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving

Beleid ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke

11

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied (‘korrelgrootte’) bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het ‘laadvermogen’ van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling. 1. Inpassing. Dit betreft een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en aard van het landschap.

Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of de herstructurering van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de richtpunten. 2. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die niet past bij de aard of de schaal van een gebied en daarmee niet geheel past binnen de richtpunten. Voorbeelden zijn een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied, een nieuw landgoed en de verbreding van een provinciale weg. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief optimaal resultaat, ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. 3. Transformatie. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. De ontwikkeling past niet bij de aard en schaal van het gebied. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden.

Bij transformatieopgaven is bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding en zal de betrokkenheid van de provincie zich richten op een actieve behartiging van provinciale doelen en een kwalitatief optimaal resultaat. Gelet op de verandering van het gebied is het reëel om aan te nemen dat niet aan alle richtpunten kan worden voldaan, maar dat door middel van een nieuw integraal ontwerp er een nieuwe ruimtelijke kwaliteit ontstaat. Ook hierbij kunnen ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig zijn om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren.

12

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

3 soorten ontwikkelingen volgens provinciaal beleid De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit vormen een uitwerking van de kwaliteitskaart en de richtpunten op gebiedsniveau, en zijn opgesteld in samenwerking met regionale partijen. Ze bieden een gebiedsspecifieke handreiking voor het omgaan met ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. Naast het generieke kwaliteitsbeleid, dat geldt voor de gehele provincie, wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden, waar onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook ontwikkelingen mogelijk zijn, maar waar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing zijn.

3.2.1.2 Onderzoeksresultaten De beoogde ontwikkeling kan worden toebedeeld aan het type ontwikkeling 'inpassing', want het voornemen sluit aan bij de gebiedsidentiteit en voegt zich in de bestaande structuur van de wijk, de aanwezige infrastructuur en groenstructuren en de omliggende woningen. De ontwikkeling van planinitiatief kan derhalve worden beschouwd als een gebiedseigen ontwikkeling. Om te beoordelen of de ruimtelijke kwaliteit passend is, is het project getoetst aan de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit. De planlocatie is voor wat betreft de 'Laag van de ondergrond' gelegen in het 'bijzonder reliëf en aardkundige waarden'. Relevante richtpunten voor ontwikkelingen in dit gebied zijn: Ontwikkelingen houden de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand. Waar mogelijk worden de archeologische waarden van deze structuren meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Op de kwaliteitskaart behorende bij de 'Laag van de stedelijke occupatie' is het plangebied aangegeven als onderdeel van de 'steden en dorpen'. Relevante richtpunten voor ontwikkelingen zijn: Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. Onderhavig plan bestaat uit het type ontwikkeling 'inpassing'.

Op de richtpunten kan voor dit plan als volgt worden gereageerd: De inpassing van het planinitiatief heeft geen effect op de richtpunten die voortkomen uit de 'Laag van de ondergrond'. De ontwikkeling in het plangebied heeft niet tot gevolg dat de patronen en het reliëf in het landschap in het landschap onevenredig nadelig worden beïnvloed. Ten gevolge van de richtpunten die voortkomen uit de kaart bij de 'Laag van de stedelijke occupatie' voorziet de ontwikkeling in de versterking van de stedelijke groenstructuur.

13

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

Met de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied wordt aan de van toepassing zijnde relevante richtpunten voldaan. Hierdoor ontstaat geen strijdigheid met het provinciaal beleid en past het plan binnen de provinciale Omgevingsvisie.

3.2.1.3 Conclusie De provinciale Omgevingsvisie staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

3.2.2

Provinciale omgevingsverordening

3.2.2.1 Beleidskader Per 1 april 2019 is, naast de Omgevingsvisie, ook de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in werking getreden. De inhoud van de omgevingsvisie is voor een groot deel leidend voor de inhoud van de omgevingsverordening. In de verordening van provinciale staten van Zuid-Holland zijn de regels opgenomen voor het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Aan deze regels moeten ruimtelijke plannen van de gemeenten voldoen. Enkele relevante speerpunten uit de omgevingsverordening zijn de regels voor ruimtelijke kwaliteit en de ladder voor duurzame verstedelijking. Regels voor ruimtelijke kwaliteit Voor toetsing aan de provinciale regels met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit is vooral de ruimtelijke impact van een ontwikkeling van belang. Hoe groot die ruimtelijke impact is wordt in specifieke gevallen bepaald aan de hand van gebiedsprofielen en door onderscheid te maken in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging. In artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit van de Omgevingsverordening is opgenomen aan welke voorwaarden een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient te voldoen ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit.

In geval van het type ontwikkeling 'inpassing' (zie ook 3.2.1 Provinciale omgevingsvisie) speelt de ontwikkeling zich af op het niveau van een kavel. Bestaande structuren en kwaliteiten veranderen niet tot nauwelijks en er wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. Ladder voor duurzame verstedelijking Indien sprake is van een stedelijke ontwikkeling, dient eveneens te worden voldaan aan artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen van de Omgevingsverordening. Bij een stedelijke ontwikkeling in het bestaand stads- en dorpsgebied dient in de toelichting van het bestemmingsplan ingegaan te worden op de ladder voor duurzame verstedelijking. Bij de onderbouwing van de ladder voor duurzame verstedelijking kan verwezen worden naar een regionale visie waar de behoefte van de stedelijke ontwikkeling al is gemotiveerd. De provincie heeft de ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in het Bro, ook opgenomen in de verordening om het provinciaal belang bij de toepassing van de ladder te benadrukken. Indien de ontwikkeling niet binnen bestaand stads- of dorpsgezicht kan worden voorzien kan gebruik worden gemaakt van de aangewezen locaties in het Programma ruimte.

3.2.2.2 Onderzoeksresultaten In deze paragraaf wordt het plan getoetst aan artikel 6.9 en aan artikel 6.10 van de provinciale Omgevingsverordening. Ruimtelijke kwaliteit Het planinitiatief bestaat uit een gebouw bestaande uit 2 bouwlagen, waarbinnen 16 woningen. Door het initiatief wijzigt de ruimtelijke en functionele structuur binnen het plangebied

14

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

marginaal. Er is sprake van een ontwikkeling type 'inpassing'. In paragraaf 3.2.1.2 is reeds getoetst aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. Uit deze toets blijkt dat aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart wordt voldaan. Het planinitiatief is derhalve in overeenstemming met de bepalingen uit artikel 6.9 van de provinciale Omgevingsverordening. Ladder voor duurzame verstedelijking De beoogde ontwikkeling betreft een stedelijke ontwikkeling binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. Het toevoegen van 16 woningen wordt gezien als een stedelijke ontwikkeling. In de 'Regionale Woonagenda Holland Rijnland' (2017) is een totale regionale woningbehoefte vastgesteld van 22.110 nieuwe woningen in de periode tot 2029. De behoefte is in de Woonagenda gebaseerd op de Woningbehoefteraming (WBR) 2016. Specifiek voor Holland Rijnland West gaat het om 11.650 woningen, waarvan de meerderheid van de behoefte in Leiden bestaat (8.180). De onderverdeling in subregio's laat zien dat er in de subregio West het risico bestaat dat er op korte termijn te weinig wordt gebouwd. Dit risico doet zich in alle woonmilieus voor, maar het meest in de stedelijke woonmilieus. In de meest actuele prognose van de gewenste woningvoorraadtoename (2019) blijft de gewenste woningvoorraadtoename hoog. In de periode 2019-2030 bedraagt de WBR in Leiden 7.020 nieuwe woningen.

Voor Holland Rijnland en zeker ook voor Leiden betekenen deze cijfers dat er in de komende jaren een aanzienlijke bouwopgave ligt om iedereen aan een woning te kunnen helpen. Uit onder meer het Programma Ruimte (zie paragraaf 3.2.3), de 'Regionale Woonagenda Holland Rijnland 2020' (zie ook paragraaf 3.2.4) en de Woonvisie Leiden 2020-2030 (zie ook paragraaf 3.3.2) volgt dat er behoefte is aan woningen voor bijzondere doelgroepen. Het planinitiatief levert een zeer belangrijke bijdrage aan de doelstellingen die zijn vervat in deze beleidsstukken, zoals het behouden en versterken van een aantrekkelijk woon- en leefklimaat voor verschillende woongroepen, het realiseren van sociale huurwoningen en het realiseren van duurzame woningen. Het planinitiatief voldoet aan de voorwaarden voor duurzame verstedelijking en is derhalve in overeenstemming met het bepaalde in artikel 6.10 van de provinciale Omgevingsverordening.

3.2.2.3 Conclusie De provinciale Omgevingsverordening staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

3.2.3

Programma Ruimte

3.2.3.1 Beleidskader Het Programma Ruimte (20 februari 2019) is parallel aan de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening opgesteld. Het Programma Ruimte bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de Omgevingsvisie. Het gaat dan bijvoorbeeld om een locatiespecifieke of programmatische invulling van beleidsbeslissingen uit de Omgevingsvisie. Ook kan het gaan om taken en bevoegdheden van Gedeputeerde Staten.

3.2.3.2 Onderzoeksresultaten Het Programma Ruimte speelt in onderhavig plan een belangrijke rol bij de motivering van de regionale behoefte aan (extra) woningen. Gemeente Leiden is gelegen binnen de regio Holland Rijnland. In 2019 is een nieuwe Woningbehoefteraming (WBR) gemaakt door de provincie Zuid-Holland. Elke drie jaar maakt Zuid-Holland een nieuwe WBR. Volgens de meest recente raming is tot 2040 behoefte aan nieuwe woningen in de gemeente Leiden. De provincie wil het bestaand stads- en dorpsgebied beter benutten. Daarnaast blijkt dat tot 2030 behoefte is aan nieuwe woningen in de regio Holland Rijnland. Dit betekent dat er vanuit de provincie in zijn algemeenheid geen beperkingen worden opgelegd aan de voorgenomen

15

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

ontwikkeling. De ontwikkeling is daarmee in lijn met het Programma Ruimte.

3.2.3.3 Conclusie Het Programma Ruimte staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

3.2.4

Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020

3.2.4.1 Beleidskader De Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020, die een beleidsmatige doorkijk biedt tot 2030, is op 25 juni 2009 vastgesteld door het Algemeen Bestuur van het samenwerkingsorgaan Holland-Rijnland en vormt het gemeenschappelijke toetsingskader van alle regiogemeenten. Alle ruimtelijke ontwikkelingen in deze regio worden hieraan getoetst. De Holland Rijnland gemeenten willen een aantrekkelijke regio blijven, waar je niet alleen plezierig werkt en woont, maar ook prettig kunt recreëren. Ook moet Holland Rijnland goed bereikbaar zijn met het openbaar vervoer en de auto. Verder wil de regio zich onderscheiden in de Randstad en bijdragen aan de internationale positionering daarvan. Onder andere door de toegevoegde waarde op het gebied van landschap, wonen en economie. In het bijzonder voor economische sectoren als Greenport, Bio Sciences en ruimtevaarttechnologie. De visie bevat zeven kernbeslissingen die uitgaan van een evenwichtige ontwikkeling van wonen, recreatie, infrastructuur en intensief, meervoudig en duurzaam ruimtegebruik. De kernbeslissingen zijn: 1. Holland Rijnland is een top woonregio; 2. Leiden vervult een regionale centrumfunctie; 3. Concentratie stedelijke ontwikkeling; 4. Groenblauwe kwaliteit staat centraal; 5. De Bollenstreek en Veenweide en Plassen blijven open; 6. Speerpunt voor economische ontwikkeling: Kennis; 7.

Speerpunt voor economische ontwikkeling: Greenport.

3.2.4.2 Onderzoeksresultaten De beoogde ontwikkeling voorziet in een woningbouwontwikkeling voor een bijzondere doelgroep. Het planinitiatief levert daarmee een bijdrage aan de kernbeslissingen uit de Regionale Structuurvisie door onder andere mensen te binden aan de regio door een goed woonklimaat te realiseren. Daarnaast sluit het planinitiatief ook aan op de kernbeslissing die voorziet in concentratie van stedelijke ontwikkeling. De planlocatie ligt in het stedelijk gebied van Leiden.

3.2.4.3 Conclusie De regionale structuurvisie Holland Rijnland 2020 staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

16

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

3.2.5

Regionale Woonagenda 2017

3.2.5.1 Beleidskader Het aantal inwoners en huishoudens in Holland Rijnland neemt nog steeds toe. Daarnaast verandert de leeftijd en samenstelling van de bevolking door vergrijzing en steeds kleinere gezinnen. Om goed in te kunnen spelen op deze ontwikkelingen, stelden de gemeenten in Holland Rijnland de Regionale Woonagenda 2017 op. Dit document vervangt de vorige woonagenda uit 2014. Met de woonagenda willen de gemeenten het woningaanbod de komende jaren beter laten aansluiten op de behoefte in de regio Holland Rijnland en in de subregio's Duin- en Bollenstreek, Leidse regio en Rijn- en Veenstreek. Op de eerste plaats gaat het om de ontwikkeling van kansrijke bouwlocaties (woonmilieus). Andere belangrijke opgaven zijn het voorzien in voldoende sociale huurwoningen en passende woonruimten voor bijzondere doelgroepen, waarvoor aanvullende zorg noodzakelijk is. Met de vernieuwde Regionale Woonagenda zijn gemeenten in staat hun woningbouwplannen onderling beter af te stemmen, qua bouwjaar en woonmilieu.

Uitgangspunten Om de woonaantrekkelijkheid van de regio te behouden, in te kunnen blijven spelen op de behoefte en verdringing van kwetsbare groepen op de woningmarkt te voorkomen, maakt de regio in de woonagenda de volgende keuzes: tempoversnelling noodzakelijk, zeker voor korte termijn groei vraagt goede ruimtelijke ordening, balans tussen inbreiding en uitbreiding met prioriteit voor inbreiding een kwalitatief programma dat borgt dat verdringing beperkt is bevorderen doorstroming voor een betere werking van de woningmarkt een programma dat recht doet aan de behoefte aan verschillende woonmilieus, centrumstedelijk, suburbaan en dorps/landelijk groeien met aandacht voor duurzaamheid en bodemdaling langer zelfstandig wonen met zorg faciliteren bereikbaar bouwen solidariteit Hoofdopgaven subregio west In de subregio West zijn er voor de eerste vijf jaar de nodige plannen voor de behoefte. De jaren erna blijft het aanbod ver achter bij de behoefte. Overigens doet het 'potentiële overschot' aan plannen voor de komende vijf jaren zich hoogstwaarschijnlijk niet voor. Veel plannen in de eerste jaren zijn namelijk voorzien op (stedelijke) inbreidingslocaties. De ervaring is dat daar de planontwikkeling vaak minder snel gaat. Met de huidige programmering loopt de subregio West dan ook eerder het risico dat er op korte termijn te weinig wordt gebouwd.

De potentiële plannen in categorie 2b ('beter benutten actuele kansen') of 3 ('in meerdere opzichten onzeker') zijn dan ook hard nodig om het ontwikkeltempo te garanderen. In alle woonmilieus doet dit risico zich voor. Op termijn het meest in de stedelijke woonmilieus. Naar typologie blijft op termijn toevoegingen van sociale huurwoningen nodig. Er is in de plannen reeds een redelijk aanbod voorzien van middeldure huurwoningen en goedkope koopwoningen.

3.2.5.2 Onderzoeksresultaten Het planinitiatief levert een substantiële bijdrage aan de uitgangspunten van de regionale woonagenda. Het betreft immers een inbreidingslocatie met passende woonruimten voor bijzondere doelgroepen, waarvoor aanvullende zorg noodzakelijk is.

3.2.5.3 Conclusie De Regionale Woonagenda staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

17

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Omgevingsvisie 2040 1.1 versie

3.3.1.1 Beleidskader Op 9 november 2021 heeft de gemeenteraad de 1.1-versie van de Omgevingsvisie Leiden 2040 vastgesteld (RV 21.0078). De Omgevingsvisie Leiden 2040 1.1-versie is een verdere uitwerking ten opzichte van de 1.0-versie uit 2019. In deze Omgevingsvisie Leiden 2040 worden de ambities en doelstellingen voor de lange termijn (2040) vastgelegd. De omgevingsvisie beschrijft op hoofdlijnen de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving in de stad. Het bevat geen blauwdruk voor de ontwikkeling van de stad, maar beschrijft wel de waarden die we belangrijk vinden in de ontwikkeling van de stad, eigenschappen die we koesteren en nieuwe ontwikkelingen die ruimte vergen. In de Omgevingsvisie zijn de stadskeuzes voor de hele stad beschreven. Deze vormen samen de bouwstenen van de visie op Leiden 2040. De uitwerking is opgedeeld in vier thema's: 1. 2. 3. 4.

Groen-blauw raamwerk Aantrekkelijk vestigingsklimaat Duurzame mobiliteit Bodem als fundament

Binnen deze thema's zijn Leidse keuzes gemaakt. Deze keuzes geven per thema het toekomstbeeld aan waar we op stadsniveau naartoe willen werken. De uitwerking van de stadskeuzes kunnen verschillen per gebied, zowel in de combinatie van als in de prioritering tussen de stadskeuzes. Aan de hand van drie type leefmilieus worden de stadskeuzes aangevuld met aandachtspunten per leefmilieu.

3.3.1.2 Onderzoeksresultaten Het planinitiatief draagt bij aan een aantal belangrijke doelstellingen uit de Omgevingsvisie Leiden 2040 1.1 versie, te weten het realiseren van geschikte en betaalbare woningen, in een aantrekkelijke, duurzame en leefbare omgeving. Ook wordt ingezet op het zo groen en duurzaam mogelijk inpassen van het plan. Het sluit daarom aan bij de verhaallijnen 'groene en gezonde stad' en 'stad voor iedereen' in de Omgevingsvisie.

3.3.1.3 Conclusie De Omgevingsvisie Leiden 2040 1.1 versie staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

3.3.2

Wonen

3.3.2.1 Beleidskader Woonvisie Leiden 2020-2030 Op 14 november 2019 heeft de gemeenteraad van Leiden de Woonvisie Leiden 2020-2030 vastgesteld (RV19.0104). Voor de Woonvisie zijn de volgende trends en ontwikkelingen belangrijk: Vanaf 2009 is er een jaarlijkse groei van het aantal inwoners en die ontwikkeling zet zich vermoedelijk de komende acht jaar voort. Binnen de groei van de Leidse bevolking is er vooral een toename zichtbaar van het aantal ouderen. De vraag van deze groeiende groep levert een belangrijke bijdrage aan de woningbehoefte. Het aantal studenten is tussen 2009 en 2018 sterk toegenomen.

18

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

De woningbehoefte is groot. Niet alleen vanwege de vergrijzing en de groei van het aantal studenten, maar ook door de uitstroom van kwetsbare inwoners uit instellingen en door 'spoedzoekers'. Er is vooral behoefte aan nieuwe woningen in het stedelijke woonmilieu. Er is sprake van een grote opgave op het gebied van duurzaamheid. Denk aan het overstappen op duurzame(re) warmtebronnen, het klimaatbestendig maken van Leiden en de ambitie op het gebied van circulariteit en duurzame mobiliteit. Er is een groeiende druk op de leefbaarheid van de stad, zeker in de Leidse wijken met veel sociale huurwoningen die zich kenmerken door een sterke instroom van kwetsbare inwoners. De belangrijkste doelstellingen, die in de Woonvisie verder zijn uitgewerkt, betreffen de volgende: 1. 2. 3. 4. 5.

te bouwen naar behoefte, met de juiste woning op de juiste plek; de voorraad wooneenheden voor studenten te vergroten; extra aandacht te geven aan kwetsbare doelgroepen; de woningvoorraad en woonomgeving duurzamer te maken; de kwaliteit van de woonomgeving te vergroten

Deze vijf doelstellingen zijn in de Woonvisie uitgewerkt.

3.3.2.2 Onderzoeksresultaten Het planinitiatief levert een zeer belangrijke bijdrage aan de doelstellingen van de Woonvisie Leiden 2020-2030. Het planinitiatief bevat immers een op behoefte gebaseerd woonprogramma voor bijzondere doelgroepen in het stedelijk woonmilieu. Daarnaast heeft het planinitiatief uitgebreid aandacht voor duurzaamheid en levert het een kwalitatieve impuls aan de woonomgeving.

3.3.2.3 Conclusie De Woonvisie Leiden 2020-2030 staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

19

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

20

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

Hoofdstuk 4 4.1

Archeologie

4.1.1

Beleidskader

Omgevingsaspecten

4.1.1.1 Nationaal beleid In 1992 werd in Valetta door de Ministers van Cultuur van de bij de Raad van Europa aangesloten landen het 'Europees Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed, beter bekend onder de naam 'Verdrag van Malta', ondertekend. In vervolg hierop is op 1 september 2007 de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) in werking getreden. Met de introductie van de nieuwe wet zijn de kerntaken en bestuurlijke verantwoordelijkheden van gemeenten veranderd. In de wet is bepaald, dat gemeenten door inzet van een planologisch instrumentarium het archeologisch belang dienen te waarborgen.

4.1.1.2 Provinciaal beleid Het beleid van de Provincie Zuid-Holland richt zich, conform het Rijksbeleid en de WAMZ op het behouden van archeologische waarden op de plaats waar de waarden zijn aangetroffen. Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient onderzoek te worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden in het projectgebied. Het provinciale beleid aangaande archeologie staat vermeld in de Visie op Zuid-Holland.

4.1.1.3 Gemeentelijk beleid Het archeologisch beleid van de gemeente Leiden - vastgelegd in de Nota Cultureel Erfgoed, vastgesteld door de raad op 20 december 2005 - is er op gericht de in de grond aanwezige archeologische waarden zoveel mogelijk te behouden. Wanneer dat niet mogelijk blijkt moet de aanwezige archeologie veilig worden gesteld door middel van opgravingen. De Leidse bodem is rijk aan archeologische waarden. Veel daarvan zijn echter nog niet of maar ten dele bekend. Bij gebieden waar de waarden niet bekend zijn, maar waar de bodemopbouw de aanwezigheid van archeologische waarden mogelijk maakt, wordt gesproken van een archeologische verwachting. Indien in een in voorbereiding zijnde bestemmingsplan gebieden met archeologische waarden en/of verwachtingen aanwezig zijn dan staan deze gebieden aangegeven op de plankaart binnen de aanduiding “Waarde – Archeologie 1” tot en met “Waarde – Archeologie 7”. Voor werkzaamheden die in deze gebieden de grond verstoren, is een aanlegvergunning noodzakelijk, zoals aangegeven in de regels van het bestemmingsplan, met uitzondering van Waarde – Archeologie 1, daarvoor geldt de vergunningplicht van artikel 11 van de Monumentenwet 1988. Initiatiefnemers dienen bij de aanvraag van bovengenoemde vergunningen een rapport te overleggen.

Daarin moet de daadwerkelijke archeologische waarde van het terrein dat zal worden verstoord zijn vastgesteld. Het vaststellen van de archeologische waarde vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. Voor zover deze stappen gevolgd moeten worden, dienen deze in dat rapport opgenomen te worden met vermelding van de resultaten. 21

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

Uitvoering van archeologisch (voor)onderzoek is in Nederland voorbehouden aan daarvoor vergunninghoudende bedrijven of instanties.

4.1.2

Onderzoeksresultaten

4.1.2.1 Inleiding De gemeente Leiden heeft een rijk bodemarchief. In de afgelopen decennia is bij tientallen opgravingen vastgesteld dat het onderzoek van de archeologische resten die in de bodem verborgen liggen een van de belangrijkste bronnen van kennis over de bewoningsgeschiedenis van de regio rondom Leiden vormt. De doelstelling van het gemeentelijk archeologiebeleid is om de archeologische bronnen zo verantwoord mogelijk te beschermen. Voor het plangebied geldt Waarde-Archeologie 5. Hiervoor gelden de volgende criteria: archeologisch onderzoek moet plaatsvinden, indien de bodem wordt verstoord over een oppervlakte van meer dan 250 m2 en dieper dan 50 cm. In 2018 is in het plangebied een archeologisch booronderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek is gebleken dat er geen aanvullend onderzoek nodig is. Om deze reden zijn geen aanvullende maatregelen opgenomen ter bescherming van archeologische waarden.

4.1.2.2 Melding toevalsvondst Ingeval archeologische resten worden aangetroffen dient dit op grond van artikel 53 van de Monumentenwet onmiddellijk te worden gemeld aan de Minister van OC&W, door tussenkomst van de Unit Monumenten en Archeologie van de gemeente, tel. nr. 071-5167950. De vondst dient gedurende 6 maanden, te rekenen vanaf de datum van de melding, ter beschikking te worden gesteld of gehouden voor wetenschappelijk onderzoek.

4.1.2.3 Waarneming archeologie Indien in het plangebied de bodem wordt verstoord, kan het voorkomen dat tijdens of na de werkzaamheden een archeologische waarneming plaatsvindt. Deze waarneming wordt verricht als onderdeel van de gemeentelijke onderzoeksagenda en wordt uitgevoerd door een archeoloog van de gemeente Leiden. De kosten van dit onderzoek komen niet voor rekening van de initiatiefnemer. De initiatiefnemer dient op grond van artikel 57 van de Monumentenwet wel de gelegenheid te bieden tot het uitvoeren van deze werkzaamheden. De initiatiefnemer meldt de aanvang van de werkzaamheden dientengevolge uiterlijk drie weken van tevoren aan de gemeente Leiden.

4.2

Ecologie

4.2.1

Beleidskader

4.2.1.1 Nationaal beleid Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. De Wet natuurbescherming vervangt drie actuele wetten, te weten de Flora- en faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. Daarmee zijn gebiedsbescherming en soortbescherming bij elkaar gebracht in één Nederlandse wet. Deze wet beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen. De Wet natuurbescherming wijkt in een aantal opzichten af van de Flora- en faunawet; de strekking is echter hetzelfde. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet

22

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden (algemene verbodsbepalingen). Net als in de Flora- en faunawet is in de Wet natuurbescherming een zorgplicht opgenomen, een algemeen geldende fatsoensnorm voor de omgang met flora en fauna. Deze zorgplicht houdt in dat menselijk handelen zo weinig mogelijk nadelige gevolgen voor flora en fauna mag hebben. De soortbeschermingsbepalingen uit de Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR) zijn in de Wet Natuurbescherming geïmplementeerd: soorten en vegetatietypen waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, worden beschermd onder de nieuwe Wet natuurbescherming. Ongeveer 200 soorten verliezen hun bescherming in vergelijking met eerder vigerende Flora- en faunawet, voornamelijk soorten vaatplanten (muurplanten, orchideeën) en (zee)vissen. De bij de Flora- en faunawet gehanteerde gedragscodes blijven bestaan, zij het dat de lijsten met beschermde soorten wijzigen en aangepast moeten worden. Voor soortbescherming in relatie tot ruimtelijke ingrepen is een aantal artikelen in de nieuwe Wet natuurbescherming van belang: Zorgbeginsel artikel 1.10 en 1.11: net als bij artikel 2 Ffwet is de intrinsieke waarde van soorten vastgesteld in een doelbepaling en geldt voor alle soorten, los van een beschermingsregime, een zorgplicht.

Dit zorgbeginsel is vergelijkbaar met de zorgplicht in de Ffwet. Actieve soortbescherming, artikel 1.12. Provincies moeten verplicht beleid opstellen voor de bescherming van soorten, specifiek in hun eigen provincie. Dit beleid is nog in ontwikkeling en de inhoud is nog niet bekend.

Er worden in de Wet Natuurbescherming drie beschermingsregimes onderscheiden: 1. Soorten van Vogelrichtlijn: Bescherming van alle in het wild levende vogels in de EU, beschreven in artikel 3.1-3.4. Dit beleid verandert deels t.o.v. de. Ffwet. Het begrip "opzettelijk" is bij doden, vangen en verstoring van nesten etc. opgenomen. Hieronder valt ook het begrip "voorwaardelijk opzet". De grote verandering is dat verstoring onder de nieuwe wet is toegestaan, mits de staat van instandhouding van de soort maar niet in het geding komt. Degene die de verstoring begaat, moet dan aantonen dat er geen verstoring van wezenlijke invloed is. Verstoren van broedende vogels (op nest) en eieren blijft verboden. De provincie kan hiervoor vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen. 2. Soorten van Habitatrichtlijn: Bescherming van dier- en plantensoorten in artikel 3.5-3.9: a. A. die strikt beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage IV, Verdrag van Bern bijlage I en II, Verdrag van Bonn bijlage I.

In geval van ontheffing of vrijstelling moet aan drie voorwaarden voldaan worden: dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat, de handeling noodzakelijk is (diverse redenen mogelijk, waaronder die van groot openbaar belang met redenen van sociale en economische aard) en tot slot alleen wanneer er geen afbreuk gedaan wordt aan de gunstige staat van instandhouding van de soort in haar natuurlijke verspreidingsgebied. b. die streng beschermd zijn Habitatrichtlijn bijlage V, Verdrag van Bern bijlage III, Verdrag van Bonn bijlage II. waarvoor maatregelen moeten worden getroffen indien de gunstige staat van instandhouding in het geding is. In geval van ontheffing of vrijstelling moet alleen voldaan worden aan de eis dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt. Hiervoor zijn maatregelen verplicht. Ook hier is het opzetvereiste van toepassing, maar in tegenstelling tot vogels is er geen uitzondering dat 'verstoring toegestaan is zolang het niet van wezenlijke invloed is'. 23

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

Via een AMvB kunnen nog nadere regels gesteld worden. De provincie kan vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen, met in achtneming van de belangen. 3. Andere soorten: Dit zijn de in de bijlage van bij artikel 3.10 van Wet natuurbescherming genoemde soorten. Op deze bijlage staan zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Onderdeel A bevat de fauna, onderdeel B de flora. Deze lijst is een nationale toevoeging en betreft soorten die in principe een landelijke achteruitgang kennen. In praktijk is deze bescherming lichter en verwacht wordt dat ontheffingen vrij gemakkelijk verkregen kunnen worden, aangezien er niet de zwaardere belangen gelden voor de soorten van de Europese richtlijnen. Ruimtelijke ontwikkeling is een geldig belang voor een ontheffing (art 3.10.2 onderdeel a). Opzettelijk verstoren in algemene zin, wordt voor deze groep niet genoemd als verbod. De provincies kunnen voor deze lijst vrijstellingsbesluiten maken. Op dit moment staan ook zeer algemene soorten op deze lijst; mogelijk zal er een vrijstellingsbesluit of AMvB opgesteld worden hoe hier mee om te gaan. Wet stikstofreductie en natuurverbetering Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) van kracht geworden.

Eén van de zaken die met de inwerkingtreding van de Wsn van kracht wordt, is de partiële vrijstelling van de bouwsector als het gaat om stikstof. Met de Wsn worden onder meer de Wet natuurbescherming en het Besluit natuurbescherming gewijzigd. Overeenkomstig het nieuwe artikel 2.9a Wet natuurbescherming (Wnb), worden de gevolgen van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden van bepaalde activiteiten van de bouwsector vrijgesteld van de Wnb-vergunningplicht. Het gaat hier dan om het bouwen en slopen van een bouwwerk en het aanleggen, veranderen en verwijderen van een werk. Voorbeelden van activiteiten die onder de vrijstelling vallen, zijn: de bouw en sloop van woningen, utiliteitsgebouwen, bruggen en viaducten; bouw- en aanlegactiviteiten voor duurzame energieopwekking, grond-, weg- en waterbouw waaronder straten, pleinen, wegen; het verplaatsen van grond in het kader van bouwrijp maken van een terrein, spoorwegen, waterstaatswerken, waterwegen, waterkeringen, energie-infrastructuur, telecommunicatie-infrastructuur, drinkwaterinfrastructuur zoals waterleidingen, pompstations en winputten, openbare hemelwater- en ontwateringsstelsels en vuilwaterriolen.

De vrijstelling heeft ook betrekking op de vervoersbewegingen die samenhangen met de werkzaamheden, zoals: de aan- en afvoer van bouwmaterialen en bouw- en sloopafval, het transport van werknemers en (mobiele) werktuigen van en naar de bouwplaats; de emissies van werktuigen op de bouwplaats (aggregaten, bouwmachines, mobiele puinbrekers, baggerwerk- of baggervaartuigen et cetera); eventuele tijdelijke omrijd- en omvaar-effecten als gevolg van de werkzaamheden.

4.2.1.2 Provinciaal en regionaal beleid Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Provincies zijn bevoegd om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor de groep 'Andere soorten', waardoor bij overtreding van de verbodsbepalingen de noodzaak tot ontheffing vervalt. Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland heeft deze verordening op 9 november 2016 vastgesteld. Waar de verantwoordelijkheid voor de uitvoering voorheen grotendeels bij het Rijk lag, gaan de meeste verantwoordelijkheden vanaf 2017 naar provinciaal niveau. Vrijwel alle ontheffingsverlening, uitvoering van de wet en handhaving zal uitgevoerd gaan worden door de provincies. Belangrijke procedurele wijziging hierbij is, dat wanneer er sprake is van een omgevingsvergunning, ontheffingen voor de beschermde soorten vanaf de inwerkingtreding van

24

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

de wet daarbij mogen aanhaken. Dat wil zeggen dat de indiener mag kiezen of hij zijn ontheffing direct bij de provincie aanvraagt, of dat hij dat doet door aan te haken bij de omgevingsvergunning. In het laatste geval moet de gemeente dan een volledigheidstoets uitvoeren. Met de aanvraag van een omgevingsvergunning geldt de uitgebreide procedure, en is er een wettelijke beslistermijn van maximaal 26 weken. Wanneer een ontheffing bij de provincie aangevraagd wordt waarbij geen omgevingsvergunning nodig is, is deze termijn 13 weken met maximaal 7 weken verlenging.

4.2.1.3 Gemeentelijk beleid Kaderstelling Bomenbeleid De Bomennota heeft vier hoofddoelstellingen voor het ruimtelijk, beheersmatig en juridisch beleid: het aanvullen van structuurvormende bomenrijen, het beschermen van bomen (Bomenverordening), het verbeteren van groeiplaatsomstandigheden van bomen, het versterken van stad-land relatie door sortimentskeuze van bomen. De actuele Bomenverordening is begin 2016 in werking getreden. Gedragscode Ruimtelijke Ontwikkeling & Inrichting De Flora- en Faunawet stelt gemeenten verplicht bij ruimtelijke ontwikkelingen na te gaan of er bedreigde plant- en diersoorten aanwezig zijn in het projectgebied. Een wijziging van deze wet in februari 2005 stelt gemeenten in staat een gemeentelijke gedragscode voor ecologisch beleid vast te stellen. Als één van de eerste gemeenten in Nederland heeft de gemeente Leiden een dergelijk document opgesteld. Dit document is door het Ministerie van LNV goedgekeurd. Dit document, de 'Gedragscode voor ruimtelijke ontwikkelingen in Leiden' (vastgesteld door B en W op 1 november 2005), is bij B en W-besluit van 4 december 2012 komen te vervallen en vervangen door de gedragscode 'Ruimtelijke Ontwikkeling & Inrichting'. Deze gedragscode is opgesteld door Stadswerk en goedgekeurd per 1 januari 2011.

Deze gedragscode dient als leidraad voor ruimtelijke projecten waarbij sprake is van een functieverandering of werkzaamheden waarbij sprake is van een ruimtelijke verandering (zoals sloop, grondwerk of bouw). Het volgen van de gedragscode bij ruimtelijke ontwikkelingen minimaliseert de kans op conflicten met de Flora- en Faunawet.

4.2.2

Onderzoeksresultaten

4.2.2.1 Soortbescherming In september 2020 is een ecologische quickscan (Bijlage 4) uitgevoerd in het plangebied. Hierin wordt het volgende geconcludeerd: Grondgebonden zoogdieren Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat van deze soortgroep alleen nationaal beschermde soorten voorkomen. Voor de in het plangebied mogelijk voorkomende soorten geldt in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling voor overtreding van verbodsartikelen ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Deze soorten komen in de provincie algemeen voor. Het betreft soorten als mol, egel en muissoorten. Voor deze soorten geldt nog steeds wel de algemene zorgplicht, hetgeen inhoud dat wel rekening wordt gehouden dient te worden met het voorkomen ervan. Hiervoor is het echter niet nog nodig om te handelen conform een verleende ontheffing of een gedragscode. Rekening houden met deze soorten kan als volgt: Mocht tijdens de uitvoering van het werk dieren worden waargenomen, dan moeten zij de gelegenheid krijgen om te kunnen vluchten. Minder mobiele dieren kunnen eventueel worden verplaatst tot buiten de werkgrens. Vleermuizen Alle soorten vleermuizen zijn beschermd binnen de Habitatrichtlijn. Ten aanzien van de

25

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen worden uitgesloten. Doordat het plangebied een dermate klein oppervlak behelst en in de directe omgeving van het plangebied verschillende lijnvormige structuren bevinden, leiden de voorgenomen werkzaamheden niet tot afbreuk of verstoring van het foerageergebied van vleermuizen. Doordat de wetering grenzend aan het plangebied een belangrijke structuur vormt, is de aanwezigheid van een essentiële vliegroute voor vleermuizen die in de omgeving verblijven niet uit te sluiten. Echter deze lijnstructuur blijft behouden. Doordat de sloop- en bouwwerkzaamheden uitsluitend overdag plaatsvinden, is het uitgesloten dat 's avonds en 's nachts foeragerende vleermuizen verstoord worden. Indien gebruik gemaakt wordt van verlichting op eventuele opslag is verstoring op overvliegende en foeragerende vleermuizen bij de wetering niet uit te sluiten. Vleermuizen zijn namelijk lichtgevoelig. Geadviseerd wordt om bij gebruik van verlichting op de aanwezige opslag lichtverstrooiing naar de wetering te voorkomen. Het gebruik van vleermuisvriendelijke bouwverlichting als armaturen met bijvoorbeeld een amberkleurig licht wordt hierbij geadviseerd. Vogels Alle vogelsoorten zijn beschermd conform de Vogelrichtlijn. Ten gevolge van de voorgenomen werkzaamheden worden geen jaarrond beschermde nesten (cat.

1t/m 4) verwijderd. De te verwijderen bosschages beslaan een dermate klein oppervlak ten opzichte van het aanwezige groen in de wijk (voornamelijk in en rondom de tuinen), waardoor permanente negatieve effecten of het leefgebied van de huismus, ransuil en/of sperwer niet aan de orde is. Nadrukkelijk wordt geadviseerd om de voorgenomen rooi- en kapwerkzaamheden buiten de broedperiode uit te voeren. De broedperiode loopt van medio maart tot en met medio augustus. Indien de voorgenomen rooi- en kapwerkzaamheden buiten deze periode, dus binnen de periode september tot en met maart, uitgevoerd worden, leidt dit dan ook niet tot overtreding van verbodsartikelen binnen de Wet natuurbescherming. Indien de werkzaamheden in de broedperiode plaatsvinden, dient enkele dagen voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden een broedvogelcheck uitgevoerd te worden. Amfibieën Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat van deze soortgroep alleen nationaal beschermde soorten voorkomen. Voor een deel van deze soorten geldt in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling voor overtreding van verbodsartikelen ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Deze soorten komen in de provincie algemeen voor. Het betreft soorten als bruine kikker, bruine kikker en kleine watersalamander.

Voor deze soorten geldt nog steeds wel de algemene zorgplicht, hetgeen inhoud dat wel rekening wordt gehouden dient te worden met het voorkomen ervan. Hiervoor is het echter niet nog nodig om te handelen conform een verleende ontheffing of een gedragscode. Rekening houden met deze soorten kan als volgt: Mocht tijdens de uitvoering van het werk dieren worden waargenomen, dan moeten zij de gelegenheid krijgen om te kunnen vluchten. Minder mobiele dieren kunnen eventueel worden verplaatst tot buiten de werkgrens. Conclusie Met in achtneming van de hierboven vervolgstappen, kunnen de werkzaamheden in overeenstemming met de Wet natuurbescherming plaatsvinden.

26

Ruimtelijke Onderbouwing Mary Zeldenrustweg 18

4.2.2.2 Gebiedsbescherming (stikstofdepositie) Het plangebied ligt op ongeveer 3,8 km afstand van het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide en op 6,8 km afstand van het Natura 2000-gebied De Wilck. Op grond van deze afstand zijn significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van deze Natura 2000-gebied niet uit te sluiten. Daarom is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (Bijlage 5). De overige Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand, of zijn niet gevoelig voor de stikstofdepositie. Gebruiksfase De nieuwe woningen bestaan uit studio's met gemeenschappelijke ruimten. Omdat de woningen mogelijk op termijn naar reguliere sociale huurwoningen kunnen worden getransformeerd is uitgegaan van een verkeersgeneratie van 4 voertuigen per etmaal per woning. Verder wordt uitgegaan van een emissie van 1,11 kg N per jaar per appartement. De totale emissie per jaar bedraagt tijdens de gebruiksfase 20,43 kg per jaar. Hierover zijn Berekening met AERIUS Calculator (Bijlage 6) levert geen depositieresultaten boven 0,00 mol/ha/jaar op. Uit de berekening blijkt dat er tijdens de gebruiksfase geen sprake is van een verhoging van de depositie op de verschillende Natura 2000-gebieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10899292/1