210121 Bijlage 2 Ruimtelijke onderbouwing Afgifte ontwerp omgevingsvergunning en vvgb Pioenstraat 14
Tekst van het document
4.3.2
Onderzoeksresultaten
Algemeen
38
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot verstoring, aantasting van groeiplaatsen en vernietiging van verblijfplaatsen van soorten die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming. Activiteiten die mogelijk leiden tot negatieve effecten op beschermde soorten leiden, zijn in principe verboden, tenzij maatregelen kunnen worden genomen om dit te voorkomen. Daarnaast moeten ook onbeschermde soorten zoveel mogelijk worden ontzien, volgens de "zorgplicht". In planvorming en/of uitvoering dient daarom tijdig rekening te worden gehouden met aanwezigheid van (beschermde) flora en fauna. Het project Uit het stadsnatuurmeetnet van de gemeente Leiden blijkt dat er in de omgeving van de locatie o.a. vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen voorkomen. Mogelijke kieren bij het dakbeschot van de woningen waar tegen aan gebouwd zal worden kunnen verblijfplaatsen zijn van deze soorten. Er is een ecologische QuickScan gevraagd om zeker te zijn dat er geen beschermde soorten verstoord worden. Gelet op het platte dak van de auotboxen zelf en de afwezigheid van open stootvoegen wordt het voldoende aannemelijk gemaakt dat de bestaande bebouwing geen geschikte verblijfslocatie biedt voor dwergvleermuizen. Voor wat betreft bestaande kopgevels van aangrenzende bebouwing wordt het volgende geconcludeerd: Sommige kieren in het dakbeschot blijven na de realisatie van de appartementen onaangetast.
Andere kieren zijn in de loop van de tijd door eigenaren van de belendende panden dichtgezet met een stuclaag. De mogelijkheid voor verblijfplaatsen van de in de omgeving aangetroffen diersoorten is hierdoor niet aanwezig. Er wordt rekening gehouden met de algemene zorgplicht (ook voor niet beschermde soorten), onder zorgplicht valt: dood en beschadig/verwond geen dieren. Bij het aantreffen van gewervelde dieren wordt overlegd met een ecologisch deskundige hoe deze op een veilige afstand van de werkzaamheden te verplaatsen, of hoe de werkzaamheden voorgezet kunnen worden. Conclusie Uit de Ecologische QuickScan blijkt dat de aanwezige flora en fauna geen belemmering vormen voor de ruimtelijke ontwikkeling. Tevens vormt de ruimtelijke ontwikkeling geen belemmering voor de aanwezige flora en fauna. Het aspect ecologie staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
4.4
Kabels en leidingen
In het plangebied liggen geen planologisch relevante kabels en leidingen. Derhalve dienen er geen verdere maatregelen te worden genomen.
4.4.1
Conclusie
De reeds gelegen kabels en leidingen in de grond leveren geen belemmeringen op voor de ruimtelijke ontwikkeling. Er dient ook geen Klic melding te worden gedaan.
39
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
4.5
Milieu
4.5.1
Bedrijven en milieuzonering
4.5.1.1 Beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving worden belemmerd door de ontwikkeling en of ter plaatse van gevoelige functies zoals woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en kunnen per gebiedstype, waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden, verschillen. Hierbij is het uitgangspunt dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast.
4.5.1.2 Onderzoeksresultaten Het plangebied kan worden getypeerd als rustige woonwijk. Bij de Omgevingsdienst zijn geen bedrijfsactiviteiten bekend in de directe (woon)omgeving van de woonark. Er is beoordeeld dat er geen belemmeringen zijn om de woonark te realiseren in een rustige woonwijk.
4.5.1.3 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
4.5.2
Bodem
4.5.2.1 Beleid Het Besluit op de ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6) schrijft voor dat in het kader van een ruimtelijk planologische procedure moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het gewenste nieuwe gebruik. De bodemkwaliteit kan (negatief) van invloed zijn op de gewenste nieuwe ontwikkeling.
4.5.2.2 Onderzoeksresultaten De Omgevingsdienst heeft het volgende rapport beoordeeld: - Verkennend bodemonderzoek (bureau IDDS; kenmerk A0100-06/ADR/rap1; d.d. 1 februari 2021).
Het uitgevoerde bodemonderzoek voldoet aan de NEN5740. Uit het bodemonderzoek blijkt het volgende: - visueel en analytisch is geen asbesthoudend materiaal is aangetroffen - De bovengrond is sterk verontreinigd met lood en is niet tot licht verontreinigd met de overige onderzochte parameters. - De ondergrond en het grondwater zijn niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Door IDDS wordt geconcludeerd dat de verontreiniging met lood te relateren is aan de bijmengingen met bodemvreemde materialen. Uitgaande van een oppervlakte van 55 m2 en
40
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
een verontreinigd traject tot 0,6 - 0,8 m-mv wordt de hoeveelheid sterk verontreinigde grond ingeschat op 35 m3 . Derhalve is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging en wordt geadviseerd een saneringsplan of BUS-melding te verrichten ten behoeve van het plan.
4.5.2.3 Conclusie De Omgevingsdienst kan zich vinden in de conclusie van bureau IDDS om een saneringsplan of BUS-melding in te dienen ten behoeve van de omgevingsvergunning. Middels een sanering kan de locatie geschikt gemaakt worden voor de functie wonen met tuin. Gezien de kleine omvang van de planlocatie, kan ook overwogen worden om nog eerst een nader bodemonderzoek naar de exacte omvang van de verontreiniging met lood in de bovengrond uit te laten voeren. Indien hieruit blijkt dat het volumecriteria van 25 m3 grond met een concentratie boven de interventiewaarde niet wordt overschreden, zijn geen sanerende handelingen meer nodig voor het plan. Deze beschikking treedt niet eerder in werking (artikel 6.2c van de Wabo) nadat: is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging op basis van de Wet bodembescherming ten aanzien waarvan spoedige sanering noodzakelijk is en het betreffende besluit in werking is getreden; met het saneringsplan is ingestemd op basis van de Wet bodembescherming en het betreffende besluit in werking is getreden; een melding van een voornemen tot sanering, zoals bedoeld in de Wet bodembescherming, is gedaan en de gestelde termijn is verstreken”.
4.5.3
Externe veiligheid
4.5.3.1 Beleid Het algemene rijksbeleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving als gevolg van gebruik en opslag van gevaarlijke stoffen door bedrijven, het transport van gevaarlijke stoffen over wegen, waterwegen, spoorwegen en door buisleidingen en het gebruik van luchthavens.
4.5.3.2 Onderzoeksresultaten Het plan ligt niet in het invloedsgebied1 van een bedrijf waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of geproduceerd. Ook ligt het niet in een invloedsgebied van een spoorlijn, waterweg of buisleiding die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen. Deze risicobronnen vormen daarmee geen belemmering voor het plan. Over de rijksweg A4 en de provinciale weg N206 mogen gevaarlijke stoffen getransporteerd worden. Vanwege het transport van toxische vloeistoffen bedraagt het invloedsgebied van de A4 en van de N206 meer dan vier kilometer respectievelijk 880 meter. De locatie bevindt zich op een afstand van circa 2.100 meter van de A4 en circa 700 meter van de N206. De planlocatie ligt daarmee in het invloedsgebied van zowel de rijksweg A4 als de provinciale weg N206. Dit houdt in dat het plan getoetst moet worden aan de bepalingen van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Toetsing Uit het Bevt blijkt dat aan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de zelfredzaamheid van personen aandacht moet worden besteed (artikel 7). Een nieuwe risicoberekening is niet nodig omdat de afstand tot de A4 meer dan 200 meter bedraagt (artikel 8). Verantwoording groepsrisico en hulpverlening
41
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
Bij een incident met toxische stoffen op de A4 of de N206 kan een giftige gaswolk ontstaan die de locatie kan bereiken. Bij een dergelijke calamiteit zijn geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters, en zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de sirene van de Veiligheidsregio of bericht van NL-Alert, is daarvoor voldoende. Verder heeft het plan geen effect op de bereikbaarheid, de capaciteit van de hulpverleningsdiensten of de zelfredzaamheid van personen.
4.5.3.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
4.5.4
Geluid
4.5.4.1 Beleid Geluidsoverlast kan worden veroorzaakt door industrielawaai, railverkeerslawaai, wegverkeerslawaai en luchtverkeerslawaai van Schiphol. De Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet kent grenswaarden voor geluid. Bepaalde geluidgevoelige objecten mogen alleen worden toegelaten als zij geen ontoelaatbare geluidsbelasting ondervinden. Daartoe moet op grond van artikel 3.3.1 Besluit ruimtelijke ordening zones in het bestemmingsplan worden opgenomen rond geluidbronnen. Het bestemmingsplan moet de ligging en de afmetingen van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen gelegen binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder aangeven. Als een bepaalde bestemming en/of een bepaalde geluidsbron niet in de Wet geluidhinder of Luchtvaartwet is geregeld, moet in het kader van de goede ruimtelijke ordening toch een akoestische afweging gemaakt worden. De Wet geluidhinder geeft mogelijkheden om een hogere waarde vast te stellen voor wegverkeer, railverkeer en industrielawaai. Op 4 maart 2013 heeft de Omgevingsdienst de herziene versie van de "Richtlijnen voor het vaststellen van hogere waarden" vastgesteld. Op basis van deze richtlijnen stelt de Omgevingsdienst een maximale hogere waarde van 58 dB voor, voor verkeerslawaai en 63 dB voor railverkeer.
Voor industrielawaai en Luchtvaartlawaai gelden de wettelijke grenswaarden.
4.5.4.2 Onderzoeksresultaten Gelet op het gestelde in de Wet geluidhinder heeft het plan betrekking op een geluidsgevoelige bestemming. Het plan ligt aan de Pioenstraat en nabij de Herenstraat. Op ruime afstand ligt de spoorbaan Leiden-Alphen v.v. De Herenstraat is opgenomen in de RVMK met een zeer geringe verkeersintensiteit. Van de Pioenstraat en de zijstraten zijn geen verkeersgegevens opgenomen in de RVMK. Aangenomen mag worden dat deze wegen ook zeer geringe verkeersintensiteiten hebben. Het wegverkeerslawaai kent geen beperkingen voor woningen op deze locatie. Ook vanwege het railverkeerslawaai van de spoorbaan Leiden/Alphen v.v. wordt de voorkeurswaarde niet overschreden.
4.5.4.3 Conclusie Het aspect geluid staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
42
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
4.5.5
Luchtkwaliteit
4.5.5.1 Beleid In de Wet milieubeheer (Wm) zijn kwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Hoofdstuk 5 Titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' wordt kortweg aangeduid als de Wet luchtkwaliteit. Het doel van de wet is om mens en milieu bescherming te bieden tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn grenswaarden opgenomen voor een aantal stoffen die als verontreiniging in de lucht voorkomen. Nieuwe plannen moeten aan de normen voor de luchtkwaliteit worden getoetst. De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate, ofwel niet in betekenende mate (NIBM), leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. NIBM projecten kunnen - juridisch gezien - zonder toetsing aan de grenswaarden voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
4.5.5.2 Onderzoeksresultaten Het plan heeft betrekking op de realisatie van twee appartementen. Dit is een klein ruimtelijk plan waarbij geen verslechtering van de luchtkwaliteit optreedt. Het plan draagt niet in betekende mate bij en heeft geen negatieve effecten op de gezondheid. Het betreft een NIBM project, dat zonder verdere toetsing aan de luchtkwaliteitseisen kan worden uitgevoerd. In het kader van de goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of op deze locatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit is het geval, want de concentratie stikstofdioxide en fijnstof ligt op deze locatie ruim onder de grenswaarde. Er is daarom geen belemmering voor dit plan met betrekking tot de luchtkwaliteit. Het plan voldoet aan de Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteitseisen.
4.5.5.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
4.6
Milieueffectrapportage
4.6.1
Beleid
Voordat een ontwikkeling wordt gerealiseerd, moet worden beoordeeld of de voorgenomen activiteit nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Dit staat in het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.). Uit diverse jurisprudentie over het begrip stedelijke ontwikkeling in relatie tot het Besluit m.e.r. blijkt dat niet alleen de omvang van de wijziging, maar ook de vigerende bestemming van het gebied een rol speelt bij het bepalen of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
4.6.1.1 Onderzoeksresultaten Het gaat om het realiseren van twee appartementen, in een woonstraat, in bestaand stedelijk gebied van Leiden. Het realiseren van dit plan is te kleinschalig van aard om te kunnen beschouwen als een (wijziging) van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in lijst D (D 11.2) van het Besluit m.e.r. Het Besluit is voor dit plan niet van toepassing.
43
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
4.6.1.2 Conclusie Het Besluit is voor dit plan niet van toepassing. Voor dit plan bestaan geen verplichtingen op basis van dit Besluit. Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
4.7
Stedenbouwkundige inpassing
4.7.1
Beleidskader
Het beleidskader wordt in dit geval weergegeven door het vigerende bestemmingsplan Zuidelijke Schil. In dit bestemmingsplan zijn de autoboxen onder de enkelbestemming Woondoeleinden opgenomen. De afmetingen van de nieuwe appartementen voldoen aan de afmetingen zoals in het bestemmingsplan voor de autoboxen zijn voorgeschreven en daarmee stedenbouwkundig aanvaardbaar: Het plan wordt ingepast in de bestaande architectuur. Het bestemmingsplan Zuidelijke Schil stelt eisen aan uiterlijk en schoonheid van nieuwe ruimtelijke ontwikkeling ter voorkoming van aantasting van het historische karakter. De beoordeling wordt in dit geval binnen de gemeente Leiden gedaan door WML Welstand. Deze commissie toetst nieuwe ruimtelijke ontwikkeling aan de Welstandsnota. Daarbij toetst de Welstandscommissie of de aanvraag ruimtelijk inpasbaar is.Zo wordt er onder andere gekeken naar het karakter van de bestaande bebouwing, openbare ruimte, het landschap, de stedenbouwkundige context, massa, structuur, maat en schaal, detaillering, materiaalkeuze en kleurstelling, samenhang van het bouwwerk en het plaatsen van zonnepanelen.
4.7.2
Onderzoeksresultaten
Er is een analyse gemaakt over de hoogte en daarmee aansluiting op de belendende percelen. Er wordt gekozen voor een pand met drie bouwlagen waardoor het pand ingepast wordt in de straat. Er is gekozen voor een moderne variant met eigentijdse architecten en massa opbouw ten op zichte van de rest van de straat. Dit is mogelijk omdat de Pioenstraat wordt gekenmerkt met een vrij rommelig straatbeeld met een verscheidenheid aan toenmalige arbeiderswoningen. Dit pand op zichzelf kan dan ook niet hele rommelige straatbeeld oplossen. Het inpassen van de appartementen qua hoogtes maar wel met een eigentijdse architectuur brengt karakter in de straat.
4.8
Verkeer en vervoer
4.8.1
Beleidskader
4.8.1.1 Regionale mobiliteitsagenda De vigerende regionale ambities zijn vastgesteld in de 'Inhoudelijke Agenda 2016-2020' van Holland Rijnland (16 december 2015). Deze agenda benoemt de speerpunten die in verschillende coalities worden opgepakt. Holland Rijnland is een netwerkorganisatie en heeft als opdracht: “zorgdragen binnen de regio voor een optimale verbinding, ontmoeting en samenwerking op ruimtelijk, economisch en sociaal gebied”. Twee van de vier verwoorde ambities hebben een relatie met de opgaven voor mobiliteit namelijk “koploper in het toepassen van economische en technologische innovaties” en een
44
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
“aantrekkelijke en vitale woon- en leefomgeving”. Enkele van de bijbehorende speerpunten van Holland Rijnland zijn het beter benutten van het regionaal mobiliteitsnetwerk en ondersteuning van de gemeenten bij het verwerven van subsidies (regionale projecten), strategische verkenningen en kennisdelen. Als uitwerking van het speerpunt mobiliteit heeft Holland Rijnland een knelpuntenanalyse uitgewerkt. Om goed voorbereid te zijn op de toekomst en om een robuust verkeer en vervoersysteem in de regio te garanderen zijn de (toekomstige) mobiliteitskansen en- knelpunten in beeld gebracht. Hierbij is rekening gehouden met toekomstige ontwikkelingen, zowel ruimtelijk-economisch als infrastructureel evenals met diverse trends en ontwikkelingen die effect kunnen hebben op de knelpunten en kansen. Op basis van bovenstaande analyses en met het RVVP (inclusief uitvoeringsprogramma's) en het Regionaal InvesteringsFonds als kaders, is de Regionale Mobiliteitsagenda ontwikkeld. Op het moment van opstellen van deze bestemmingsplantoelichting, wordt er in Holland Rijnland verband door de gemeenten gewerkt aan een mobiliteitsagenda die de strategie (en daarmee de keuzes en uiteindelijk de uitvoeringsprojecten) voor de langere termijn vastgelegd. Daarnaast wordt gelijktijdig gewerkt aan een ruimtelijke en economische agenda, zodat een geïntegreerde totaal visie op Holland Rijnland schaal ontstaat.
4.8.1.2 Mobiliteitsnota 2020-2030 De Mobiliteitsnota 2020-2030 vastgesteld door de gemeenteraad op 16 juli 2020 is onderdeel van het integrale beleid zoals omschreven in de Omgevingsvisie. Vooruitlopend op de Omgevingsvisie is de noodzaak ontstaan om het huidige mobiliteitsbeleid te actualiseren omdat de gemeente Leiden aan de vooravond staat van belangrijke transities voor energie, klimaat en mobiliteit. De mobiliteitsnota beschrijft hoe we onze stad via een toekomstbestendig mobiliteitssysteem duurzaam bereikbaar maken. Vervoersvormen die zuinig omgaan met de ruimte en goed zijn voor de leefbaarheid en het milieu in de stad krijgen een hoofdrol. In een compacte, inclusieve, stad, die steeds drukker wordt, zijn de fiets, lopen en goed toegankelijk openbaar vervoer logische opties voor bewoners en bezoekers om zich te verplaatsen. Door het gegeven dat er woningen bijkomen, het aantal banen blijft groeien en de bezoekersstroom blijft toenemen, kan worden geconcludeerd dat die reizigers onmogelijk allemaal de auto kunnen gebruiken, omdat het autonetwerk dan ontoereikend is. Alleen met meer fiets- en OV-gebruik wordt de stad leefbaar en bereikbaar gehouden en de luchtkwaliteit op het gewenste niveau. Dit wordt modal shift genoemd. Hierdoor wordt gezorgd dat iedereen in de stad zich kan verplaatsen én kan meedoen.
Hoofdambitie van het mobiliteitsbeleid is het bereiken van een modal shift naar meer schone mobiliteit. De hoofdambitie is vervolgens onder te verdelen in negen deelambities die bijdragen aan een verschuiving van vervoerswijzen door te faciliteren, stimuleren en verleiden: 1. Leiden als fietsstad 2. Lopen krijgt meer ruimte 3. Stimuleren Openbaar Vervoer 4. Versterken van de hoofdontsluitingsstructuur 5. Autoluwe binnenstad met meer autovrije straten 6. Een aantrekkelijke binnenstad maken door de aanwezigheid van een emissieloos stadsdistributiesysteem 7. De juiste parkeerder op de juiste plek 8. Ondersteunen deelconcepten 9. Gebruik maken van nieuwe technologie Er gaat veel aandacht uit naar de duurzame mobiliteitsvormen lopen, fietsen en openbaar
45
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
vervoer. En, hoewel het tegenstrijdig lijkt, is het noodzakelijk om de komende jaren te investeren in autobereikbaarheid. Niet alleen speelt de auto nog geruime tijd een rol bij verplaatsen van Leidenaren en bezoekers aan Leiden, maar door autoverkeer goed af te wikkelen op geschikte routes ontstaat elders tevens ruimte voor voetgangers, fietsers en het openbaar vervoer.
4.8.1.2 Parkeervisie 2020-2030 Op 16 juli 2020 heeft de gemeenteraad (Rv.nr. 20.0038) de Parkeervisie 2020 – 2030 vastgesteld. Hierin is de visie op zowel autoparkeren als op fietsparkeren in de gemeente Leiden vastgelegd. Duurzame, schone vervoersvormen zoals het openbaar vervoer, de fiets en de voetganger krijgen voorrang, de auto krijgt een minder prominente rol in de stad. Met oog voor de verschillende leefgebieden in de stad is gekozen voor maatwerk bij autoparkeren. Nieuw is een flexibele parkeernorm voor de auto bij nieuwbouw of een nieuwe functie van een gebouw. Niet één parkeernorm voor heel Leiden, maar de mogelijkheid om per gebied, functie en doelgroep te differentiëren. De gemeente Leiden staat voor een verbetering van de kwaliteit van de openbare ruimte, waardoor aangestuurd wordt op minder geparkeerde auto's op straat. Bij nieuwbouw is parkeren op eigen terrein uitgangspunt. Een nieuw onderdeel in de vastgestelde parkeervisie is de fietsparkeernorm: bij nieuwbouw of een nieuwe functie van een bestaand gebouw is een aantal fietsparkeerplaatsen vereist. De fietsparkeernorm geeft de fietser garantie op voldoende en goede stallingsplaats. Het plangebied is gelegen in de 'eerste schil rond de binnenstad'.
De belangrijkste beleidsuitgangspunten van deze zone zijn: Op basis van stresstesten – dat zijn onderzoeken naar wateroverlast, hitte, droogte en overstroming – heft de gemeente straatparkeerplaatsen op. In het beste geval gebeurt dit wanneer de parkeerdruk het toelaat, maar in gesprek met de buurt kan hiervan worden afgeweken. Leiden gaat parkeren door bewoners mogelijk meer op afstand invullen en liefst op eigen terrein of in gebouwde voorzieningen. Overloop van bewonersparkeren vanuit de binnenstad blijft bestaan totdat vraag en aanbod in de binnenstad met elkaar in balans zijn. Aanpassing van het parkeerregime moet wijkvreemde parkeerders weren. De kosten van het parkeren helpen het aantal interne autoverplaatsingen in de stad te verminderen. In de omgeving van (H)OV-locaties krijgen nieuwbouw en gebouwen die een andere functie krijgen op een verantwoorde manier minder parkeerplaatsen. Het aantal parkeervergunningen wordt beperkt. Bewoners mogen maximaal twee auto's in de openbare ruimte parkeren. De in de visie ter zake voorgeschreven maatregelen worden gefaseerd ingevoerd.
4.8.1.3 Beleidsregels parkeernormen 2020
In het bestemmingsplan dienen regels te worden opgenomen ten aanzien van parkeren en laden en lossen. Uitgangspunt is dat bij ontwikkelingen (nieuwbouw of functiewijziging) voldoende parkeerplaatsen en ruimte voor laden en lossen op eigen terrein beschikbaar moeten zijn. Hiermee wordt voorkomen dat een nieuwe ontwikkeling onevenredige gevolgen voor de omgeving oplevert. Om te beoordelen wat 'voldoende' parkeerplaatsen voor auto- en fietsparkeren zijn, heeft het college van B&W op 17 juli 2020 de 'Beleidsregels parkeernormen Leiden 2020' vastgesteld. De beleidsregels hebben ook betrekking op de wijze van bepalen van de hoeveelheid en de kwaliteit van benodigde parkeerplaatsen, in verband met aanvragen voor alle activiteiten, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid Wabo.
46
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
4.8.2
Onderzoeksresultaten
4.8.2.1 Ontsluiting De appartementen zijn gelegen in de Pioenstraat en is toegankelijk voor wandelaars, fietsers, (vracht)autoverkeer en hulpdiensten. Voorliggende ruimtelijke ontwikkeling belemmert de bereikbaarheid niet. Het overige verkeer wordt niet belemmerd door de komst van de appartementen, gezien de appartementen binnen de contouren van de voormalige autoboxen liggen. Bij het opmaken van het bestemmingsplan Zuidelijk is rekening gehouden met de doorstroming van het verkeer en de toegang voor het overige verkeer door een deel van de straat te bestemmen als 'Verblijfsgebied'. Deze gronden zijn slechts bestemd voor voorzieningen ten behoeve van langzaam verkeer en gemotoriseerd verkeer met overwegend een wijk- buurtfunctie.
4.8.2.2 Parkeren De ruimtelijke ontwikkeling aan de Pioenstraat zorgt voor zowel een bewonersparkeereis en een (minimale) bezoekersparkeereis. Voor wat betreft het bewonersaandeel van de parkeereis komen toekomstige bewoners niet in aanmerking voor een gemeentelijke parkeervergunning. Hiermee wordt voldaan aan de beleidsregels parkeernormen Leiden 2020. De bezoekersparkeereis is nihil, namelijk 0,2. Deze getallen worden altijd afgerond, waardoor er juridisch gezien geen bezoekersparkeereis is. Kortom: de nieuwe parkeereis die ontstaat door sec. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de beleidsregels parkeernormen Leiden 2020. Daarnaast worden er twee garageboxen gesloopt ten behoeve van deze ruimtelijke ontwikkeling. Aangezien dit theoretisch gezien bestaande parkeergelegenheid is, dienen twee parkeerplaatsen conform de beleidsregels teruggebracht te worden. Het terugbrengen van twee extra parkeerplaatsen op eigen terrein maakt het project onuitvoerbaar. Zowel financieel als ruimtelijk. Om de ruimtelijke ontwikkeling toch voort te zetten is de enige mogelijkheid om te onderbouwen dat er sprake is van een 'zwaarwegend belang'. Hieronder wordt de onderbouwing uiteengezet om gebruik te maken van artikel 11, lid 1 sub d.
Gelet op de reeds aanwezige parkeerplaatsen in de openbare ruimte en de daarbij horende parkeerdruk kan geconcludeerd worden dat verwijderen van de autoboxen niet voor een onevenredige aantasting van de leefbaarheid en bereikbaarheid zorgt. Vanuit dit oogpunt hoeven er tevens geen extra parkeerplekken te worden opgelost. De meest representatieve parkeerdrukmeting in de wijk is voor het laatst gemeten in het voorjaar van 2019. Hieruit blijkt dat de parkeerdruk te allen tijden maximaal 75% is. Naast deze bovenstaande argumenten wordt vastgesteld dat deze parkeerplaatsen door de afmetingen van de garageboxen niet meer voldoen aan de NEN norm en daarom te klein zijn om als officiële parkeerplaats te fungeren. Het verhuren of gebruiken van de autoboxen als parkeeroplossing is niet meer mogelijk in praktijk. Voor niet-openbare garages en stallinggarages wordt voor wat betreft de afmetingen gebruik gemaakt van de NEN 2443. Hiervoor geldt dat deze 2,30 meter breed (netto) dienen te zijn en een lengte van minstens 5,75 meter (netto). Netto houdt in: exclusief constructiedelen zoals een geval/wand. Huidige autoboxen zijn vergund in 1963. De afmetingen zijn: totaal 2,30 meter breed netto en de parkeervak lengte: 5,1 meter netto.
Het terugbrengen van de parkeermogelijkheden afkomstig van de autoboxen is gelet op de parkeerdrukmeting en de vrijwel slechts juridische benadering dat de autoboxen zouden fungeren als parkeeroplossing niet nodig.
47
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
4.8.2.3 Conclusie De ruimtelijke ontwikkeling levert geen belemmeringen op vanuit verkeerskundig oogpunt.
4.9
Water
4.9.1
Beleidskader
Beleid waterschap Waterbeheerplan 5 Voor de planperiode 2016-2021 zal het Waterbeheerplan 5 (WBP5) van het hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing zijn. In dit plan geeft het hoogheemraadschap van Rijnland aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. In het WBP5 staat samen werken met de omgeving aan water centraal. Het hoogheemraadschap van Rijnland wil samen met zijn omgeving werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer. De vier hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water, gezond water en de waterketen. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Bij voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil het hoogheemraadschap van Rijnland dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Het waterbeheerplan sorteert voor op deze ontwikkelingen. Gezond water is de zorgplicht om het water schoon zoals past bij de functie van het water te houden.
Wat betreft de waterketen, zijnde afvalwater, wordt dit optimaal gezuiverd en onttrokken grondstoffen worden hergebruikt. Keur en uitvoeringsregels Per 1 juli 2015 is een nieuwe Keur en de daarbij horende uitvoeringsregels in werking getreden. De Keur is benodigd vanuit de Waterwet. Daarin zijn vastgelegd de bevoegdheden en taken van het hoogheemraadschap, zijnde de zorg voor het watersysteem, de zorg voor het zuiveren van afvalwater, de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden en waterbeheer. De Keur dient tevens ter invulling van deze doelstellingen, te weten: voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, en vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Samengevat is maakt de Keur en uitvoeringsregels het mogelijk dat het hoogheemraadschap van Rijnland haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken) en andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen).
De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als het hoogheemraadschap van Rijnland daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een Keurvergunning. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Uitvoeringsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van het hoogheemraadschap van Rijnland nader uitgewerkt.
48
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
Waterkeringen Het hoogheemraadschap van Rijnland heeft de zorg voor de waterkeringen (zowel primaire als secundaire) en de instandhouding van de landscheidingen met de aangrenzende waterschappen. Verharding onbebouwde gronden Binnen het beheergebied van het hoogheemraadschap van Rijnland gelden strenge regels om onbebouwde grond te verharden. Bij toename van verharding van de onbebouwde gronden met meer dan 5.00 m2 is compensatie van verharding door middel van extra te graven vierkante meters water verplicht. Hiervoor geldt een realisatie- en meldingsplicht als ontheffing van de Keur en uitvoeringsregels van het hoogheemraadschap van Rijnland. De eigenaar van de gronden dient toename van de verharding en de realisatie van extra water te melden bij het hoogheemraadschap van Rijnland. Bij toename van verharding van om onbebouwde grond met meer dan 5.000 m2 dient de eigenaar een vergunning aan te vragen bij het hoogheemraadschap van Rijnland.
4.9.2
Onderzoeksresultaten
4.9.2.1 Algemeen Water en ruimtelijke ordening Het aanwezige watersysteem vormt een belangrijke randvoorwaarde voor wat in een bepaald gebied wel of juist niet mogelijk is en stelt daarmee eisen aan de omgang en inrichting van de beperkte ruimte. Bouwen langs het water kan enorm bijdragen aan het woongenot. Bouwen op de verkeerde plek kan veel ellende geven door wateroverlast. Terecht wordt steeds meer erkend dat water mede sturend dient te zijn voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is inmiddels voor iedereen duidelijk dat het watersysteem meer ruimte nodig heeft om de effecten van klimaatverandering, zeespiegelrijzing en bodemdaling het hoofd te kunnen bieden. Een goede afstemming tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening is daarom noodzakelijk. Extra aandacht voor water in ruimtelijke plannen in een vroeg stadium van de planvorming is blijvend vereist met het oog op de toekomst en het naleven en uitvoering van de Watertoets, de Kaderrichtlijn Water (KRW), Waterplan Leiden en eisen vanuit waterbeheer.
4.9.2.2 Watertoets De beoogde ontwikkeling betreft geen toename van de verharding. Watercompensatie is derhalve niet noodzakelijk. Het plan is op 20 augustus 2021 besproken in het periodieke wateroverleg tussen de gemeente Leiden en het Hoogheemraadschap van Rijnland. Het aspect water vormt geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Er zijn geen waterhuishoudkundige belemmeringen voor de realisatie van het plan.
49
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
50
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
Hoofdstuk 5 5.1
Procedurele aspecten
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Op grond van artikel 2.10, lid 1 onder c Wabo dient een omgevingsvergunning geweigerd te worden voor aanvragen die in strijd zijn met het bestemmingsplan en er geen vergunningverlening mogelijk is met toepassing van artikel 2.12 Wabo. De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend na het voeren van een procedure tot afwijking van het bestemmingsplan. Hierbij gelden drie mogelijkheden: indien in het bestemmingsplan een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid wordt gegeven dan kan deze toegepast worden op grond van artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 1º van de Wabo; indien het bestemmingsplan geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheid biedt, maar bij algemene maatregel van bestuur afgeweken kan worden dan kan deze toegepast worden op grond van artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 2º van de Wabo; indien aan geen van bovenstaande voldaan kan worden, de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat, dan kan de omgevinsgvergunning worden verleend met toepassing van artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3º van de Wabo doorlopen worden. Dit is een procedure op grond van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.
5.2
Procedure
Het plan is strijdig met het bestemmingsplan. Voor dit bouwplan is in het Besluit omgevingsrecht geen mogelijkheid opgenomen voor een buitenplanse afwijking. Daarmee is de juiste juridisch-planologische procedure voor het mogelijk maken van het ingediende bouwplan, het verlenen van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o Wabo. Het betreft een uitgebreide procedure. Dit houdt in dat het ontwerpbesluit met deze ruimtelijke onderbouwing zes weken ter inzage wordt gelegd voor het indienen van zienswijzen. Eenieder kan gedurende die termijn een zienswijze indienen. De zienswijzen worden beantwoord in een zienswijzennota. Als gevolg van ingediende zienswijzen kan een omgevingsvergunning worden geweigerd. De aanvrager kan dan een aangepaste aanvraag indienen. Geven de zienswijzen geen aanleiding de omgevingsvergunning te weigeren, dan kunnen de indieners van de zienswijzen door de raadscommissie worden gehoord. De raadscommissie neemt een besluit op de zienswijzen en in voorkomende gevallen over het afgeven van een verklaring van geen bedenkingen. Indien geen zienswijzen ingediend worden, kan direct na de ter inzage legging van het ontwerpbesluit een omgevingsvergunning verleend worden.
De omgevingsvergunning treedt in werking met ingang van de dag na afloop van de beroepstermijn van zes weken gerekend vanaf de dag na die waarop het besluit ter inzage is gelegd en nadat deze langs elektronische weg kenbaar is gemaakt. Tegen het besluit tot verlening van een omgevingsvergunning kan rechtstreeks beroep worden aangetekend bij de rechtbank gedurende een termijn van zes weken na publicatie van de vergunning.
51
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
5.3
Verklaring van geen bedenkingen
Bij de toepassing van artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3º is in sommige gevallen een verklaring van geen bedenkingen vereist. De Wabo biedt de raad op grond van artikel 6.5, derde lid Bor de mogelijkheid om een lijst van categorieën van gevallen vast te stellen, waarvoor een verklaring van geen bedenkingen van de raad niet is vereist. Met een dergelijke lijst kan de raad er voor zorgen dat het geen verklaring hoeft af te geven voor strijdige ruimtelijke activiteiten met een zeer beperkt planologisch belang, of activiteiten waarover de raad reeds eerder heeft besloten in de vorm van een gebiedsvisie, wijkontwikkelingsplan, stedenbouwkundig masterplan of soortgelijk ruimtelijk kader. Op 29 februari 2020 heeft de raad van Leiden besloten (RV 19.0008) een lijst met categorieën van gevallen vast te stellen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen is vereist. Deze lijst wordt periodiek herzien. Voorliggende ruimtelijke ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van een woonark in bestaand stedelijk gebied, beschermd stadsgezicht. Op basis van artikel 10 is daarom een VVGB benodigd wanneer er ten minste één zienswijze wordt ingediend.
52
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
In de ruimtelijke ordening is sprake van veel publiekelijke belangen. Het is dan ook noodzakelijk om aan te geven in hoeverre de voorgestane plannen financieel haalbaar zijn en wie de risicodragende partij is. Dit hoofdstuk geeft daarin inzage. De aanvrager draagt de kosten voor de realisering van het project. De gemeente Leiden doet geen investeringen. In artikel 6.12 lid 1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Wat onder een bouwplan moet worden verstaan is opgenomen in artikel 6.2.1 Bro. Het plan is niet aan te merken als een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro. Er hoeft derhalve geen exploitatieplan worden opgesteld. De plankosten worden in rekening gebracht op basis van de Legesverordening.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Algemeen
Bij het opstellen van deze ontwerp omgevingsvergunning hoort een belangenafweging. In zo'n belangenafweging worden alle belangen tegen elkaar afgewogen om uiteindelijk tot een besluit te komen. Gedurende een zienswijzentermijn kan eenieder zijn of haar belang bij het college kenbaar maken alvorens de een besluit wordt genomen over verlening van de omgevingsvergunning.
6.2.2
Zienswijzen
Via publicaties in de Staatscourant en de Stadskrant zal de termijn van terinzage legging van de ontwerp omgevingsverguning worden aangekondigd. Een ieder wordt tijdens deze periode van zes weken in de gelegenheid gesteld om een zienswijze tegen het voorgenomen plan kenbaar te maken. De ontwerp omgevingsvergunning alsmede de ontwerp verklaring van geen bedenkingen zal gedurende een termijn van zes weken voor zienswijzen ter visie worden gelegd. In die termijn kan eenieder een zienswijze met betrekking tot het ontwerp indienen. Op deze manier kunnen belangen die bij de uiteindelijke besluitvorming betrokken moeten worden ingebracht worden. De beantwoording van eventuele zienswijzen vindt plaats in een zienswijzennota. Deze zienswijzennota vormt een onderdeel van het uiteindelijke besluit tot al dan niet verlening van de omgevingsvergunning.
53