210121 Bijlage 2 Ruimtelijke onderbouwing Afgifte ontwerp omgevingsvergunning en vvgb Pioenstraat 14
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Pioenstraat 14 Ontwerp
Pioenstraat 14
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
Inhoudsopgave
Kennisgeving
4
Bijlagen
6
Bijlage 1
Plancontour
7
Bijlage 2
Ontwerpbesluit
9
Bijlage 3
Ontwerp verklaring van geen bedenkingen
11
Bijlage 4
Impressie gevels
13
Toelichting Hoofdstuk 1
15 Inleiding
15
1.1
Aanleiding
15
1.2
Begrenzing projectgebied
15
1.3
Vigerend bestemmingsplan
17
Hoofdstuk 2
Beschrijving van de omgevingsvergunning
19
2.1
Beschrijving van het projectgebied
19
2.2
Beschrijving van het project
20
Hoofdstuk 3
Ruimtelijk beleidskader
21
3.1
Nationaal beleid
21
3.2
Provinciaal en regionaal beleid
23
3.3
Gemeentelijk beleid
27
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
31
4.1
Archeologie
31
4.2
Cultuurhistorie
33
4.3
Ecologie
36
4.4
Kabels en leidingen
39
4.5
Milieu
40
4.6
Milieueffectrapportage
43
4.7
Stedenbouwkundige inpassing
44
2
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
4.8
Verkeer en vervoer
44
4.9
Water
48
Hoofdstuk 5
Procedurele aspecten
51
5.1
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
51
5.2
Procedure
51
5.3
Verklaring van geen bedenkingen
52
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
53
6.1
Economische uitvoerbaarheid
53
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
53
3
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
Kennisgeving
4
Ontwerp-omgevingsvergunning ‘Pioenstraat 14’(Z/21/3279984) Het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Leiden heeft besloten om de ontwerp-omgevingsvergunning ‘Pioenstraat 14’ (NL.IMRO.0546.OV00134-0201) ter visie te leggen. Toelichting Het verzoek om een omgevingsvergunning ziet concreet op de realisatie van twee appartementen aan de Pioenstraat 14. De appartementen worden gerealiseerd op een locatie van twee autoboxen, tevens zo aangegeven in het vigerende bestemmingsplan. De autoboxen worden al geruime tijd niet als zodanig gebruikt. Daarmee speelt de gemeente Leiden in op de behoefte om meer woningen toe te voegen aan de woningvoorraad van Leiden. Ter inzage Het ontwerpbesluit met bijbehorende stukken ligt vanaf vrijdag 12 november 2021 tot en met 24 december 2021 ter inzage. De stukken zijn digitaal raadpleegbaar op www.ruimtelijkeplannen.nl. Zienswijzen Gedurende de inzagetermijn kan een ieder zijn of haar zienswijze op de ontwerp omgevingsvergunning indienen bij het college van B&W van de gemeente Leiden (ter attentie van het Cluster Stedelijke Ontwikkeling, Team Ruimtelijke Ontwikkeling, Postbus 9100, 2300 PC Leiden, o.v.v. ‘zienswijze Omgevingsvergunning Pioenstraat 14’. Digitaal indienen is mogelijk via https://www.einwoner.nl/prod/fr/Leiden/u_zienswijze_omgevingsvergunning_inwoners/new.
Het zaaknummer bij deze ontwerp-omgevingsvergunning betreft: Z/21/3279984. Voor het indienen van een mondelinge zienswijze kunt u een afspraak maken via het secretariaat van het Team Ruimtelijke Ontwikkeling, telefoonnummer 14 071. Ingediende zienswijzen zullen worden betrokken bij de besluitvorming over de definitieve inhoud van de omgevingsvergunning. Meer informatie Nadere informatie kunt u inwinnen bij het Frontoffice Team Omgevingsvergunningen, Bargelaan 190, Leiden. Openingstijden en overige contactgegevens zijn te vinden via http://gemeente.leiden.nl/contact. De gemeente Leiden is op werkdagen bereikbaar via telefoonnummer 14 071.
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
Bijlagen
6
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
Bijlage 1
Plancontour
7
LEGENDA !
!
!
!
!
!
PLANGEBIED !
! !
! !
! !
! ! !
!
!
!
!
!
!
!
grens van de omgevingsvergunning
!
VERKLARING 2
0
°
BGT, oktober 2021 10
20
30
40
50 m
Omgevingsvergunning Pioenstraat 14 Status
IDN.IMRO
Datum
Schaal
ontwerp 25-10-2021
NL.IMRO .0546.O V000134-0201 1:500
Formaat A3
Bladnr
1 van 1
Leiden
Gemeente Leiden, Pos tbus 9100, 2300 PC Leiden
Clus ter St ede lijke O ntw ikke ling Te am Ru imteli jke On twikkelin g
!
!
!
!
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
Bijlage 2
Ontwerpbesluit
9
Ontwerpbesluit
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
Bijlage 3
Ontwerp verklaring van geen bedenkingen
11
ontwerpVerklaring van geen bedenkingen inzake de verlening van de omgevingsvergunning ‘Pioenstraat 14’
De raad van de gemeente Leiden;
Gezien • het voorstel van burgemeester en wethouders ten aanzien van de ter visie legging van de ontwerp-vvgb ‘Pioenstraat 14’ • de ontwerp-omgevingsvergunning ‘Pioenstraat 14’ met bijbehorende ruimtelijke onderbouwing, ten behoeve van de realisatie van twee appartementen. Overwegende dat • de realisatie van het bouwplan ‘Pioenstraat 14’ voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. • de eventuele indieners van zienswijze tegen de ontwerp-vvgb en ontwerpomgevingsvergunning zullen worden gehoord en de ingebrachte zienswijzen zullen worden beoordeeld. BESLUIT Een ontwerp verklaring van geen bedenkingen ter visie te leggen ten behoeve van de realisatie van het bouwplan ‘Pioenstraat 14’ (Z/21/3279984) Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van XX-XX-XXXX De raad voornoemd, de griffier,
de voorzitter,
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
Bijlage 4
Impressie gevels
13
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
Toelichting Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Onderhavig ruimtelijke onderbouwing voorziet in de juridisch-planologische regeling die nodig is voor de realisatie van twee appartementen aan de Pioenstraat 14. Op 31 december 2020 is er een verzoek om omgevingsvergunning ingediend voor de bouw van twee appartementen aan de Pioenstraat 14. Op dit moment bevinden hier zich twee autoboxen. Deze garages worden al geruime tijd gebruikt ten behoeve van opslag van spullen voor het naastgelegen pand. Met het verwijderen van de autoboxen en het bouwen van twee appartementen wordt er ingespeeld op de ambities die Leiden heeft voor de toekomst. Het verzoek om omgevingsvergunning is in strijd met het vigerende bestemmingsplan 'Zuidelijke Schil'. Er is een aanduiding 'autobox' opgenomen in de verbeelding op de betreffende locatie, maar het nieuw oprichten van een woning en het gebruiken van het perceel als woning is niet toegestaan. Uitgebreide procedure omgevingsvergunning De realisatie van twee appartementen op deze locatie kan alleen plaatsvinden indien de juiste vergunning hiervoor zijn verleend en wanneer het plan past binnen het planologisch-juridische kader. Het vigerende bestemmingsplan biedt niet het juist kader. De gemeente Leiden heeft daarom besloten om de uitgebreide vergunningsprocedure te doorlopen.
Het gaat om een omgevingsvergunning waarvoor de uitgebreide procedure van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geldt. Bij een uitgebreide procedure hoort een goede ruimtelijke onderbouwing. De ruimtelijke onderbouwing is onderdeel van de motivering dat de realisatie van de twee woningen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
1.2
Begrenzing projectgebied
Het plangebied ligt in de wijk Burgemeestersp en Professorenwijk, in het deelgebied Tuinstadwijk. Onderstaande luchtfoto is de locatie weergeven. Kadastraal is Pioenstraat 14 bekend als een onderdeel van de gemeente Leiden, sectie M, nummer 4297. In Bijlage 1 is de plancontour opgenomen.
15
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
1.1 Globale aanduiding plangebied binnen de gemeente Leiden
1.2 Begrenzing projectgebied binnen de omgeving
16
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Voor het projectgebied, zoals aangegeven en toegelicht in paragraaf 1.2, vigeren op dit moment de volgende bestemmingsplannen:
Naam bestemmingsplan
Vastgesteld
Raad van State
Zuidelijke Schil
12 november 2009
25 juli 2012
Parapluplan stedenbouwkundige bepalingen en bouwverordening
31 mei 2018
1.3.1
Zuidelijke Schil
Ter plaatse van de bestaande woonark geldt conform het vigerende bestemmingsplan 'Zuidelijke Schil' de enkelbestemming 'Woondoeleinden' met functieaanduiding 'autoboxen'. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend autoboxen toegestaan binnen de bestemming Woondoeleinden. Hoofdgebouwen mogen slechts binnen de bebouwingsgrenzen worden opgericht. Zuidelijke Schil is bestemd als beschermd stadsgezicht. De voor beschermd stadsgezicht aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de met het beschermd stadsgezicht verbonden cultuurhistorische waarden. Bij de beoordeling van aanvragen zoals deze omgevingsvergunning wordt de cultuurhistorische waarde van het beschermde stadsgezicht mede in overweging genomen. De realisatie van de voorgenomen ontwikkeling, bestaande uit de realisatie van twee appartementen, is in strijd met de vigerende bestemmingen en de daarbij behorende bouwregels uit het bestemmingsplan 'Zuidelijke Schil' gezien er twee nieuwe gebouwen worden opgericht op gronden met een functieaanduiding 'autobox' buiten de bebouwingsgrenzen. Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken zal gebruikt wordt gemaakt van een buitenplanse afwijking van het vigerende bestemmingsplan. Daartoe is een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12 eerste lid onder a onder 3 van de Wabo van het bestemmingsplan Zuidelijke schil noodzakelijk.
1.3.2
Parapluplan stedenbouwkundige bepalingen en bouwverordening
In november 2014 is de Reparatiewet BZK 2014 in werking getreden. In deze wet is de grondslag voor stedenbouwkundige bepalingen in de gemeentelijke bouwverordeningen komen te vervallen. Dit houdt in dat de dynamische parkeerregeling en de maximale toegestane bouwhoogte bepaling uit de Bouwverordening overgeheveld dienen te worden naar bestemmingsplannen. Hiertoe hadden gemeenten de gelegenheid tot uiterlijk 1 juli 2018. Een deel van de bestemmingsplannen van de gemeente Leiden voorzag al in deze stedenbouwkundige bepalingen, maar een deel ook niet. Om de stedenbouwkundige bepalingen inzake de parkeerregeling en de bouwhoogte over te hevelen naar alle bestemmingsplannen in de gemeente Leiden, is het paraplubestemmingsplan stedenbouwkundige bepalingen bouwverordening op 31 mei 2018 vastgesteld.
17
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
Onderhavig plan is tevens in strijd met het parapluplan stedenbouwkundige bepalingen en bouwverordening vanwege het volgende: Bij activiteiten waarvoor een 'omgevingsvergunning voor het bouwen' (art. 2.1, lid a Wabo) en/of een 'omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan' (art. 2.1, lid c Wabo) is vereist, dient ten behoeve van het parkeren van auto's en het laden en lossen in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw of het bijbehorende perceel, dan wel op of onder het betreffende terrein. Bij het bepalen of voldoende ruimte is aangebracht voor het parkeren van auto's en het laden en lossen is gebruikt gemaakt van de Beleidsregels Parkeernormen van de gemeente Leiden zoals die gelden ten tijde van voorliggende omgevingsvergunning. Conform de beleidsregels Parkeernormen 2020 wordt er onvoldoende ruimte aangebracht voor het parkeren van auto's vanwege het niet oplossen van de bestaande parkeereis. Met het verwijderen van twee autoboxen worden twee potentiele parkeeroplossingen verwijderd welke met voorliggend plan niet worden gecompenseerd op of onder het gebouw of het bijbehorende perceel, dan wel op of onder het betreffende terrein.
18
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
Hoofdstuk 2 2.1
Beschrijving van de omgevingsvergunning
Beschrijving van het projectgebied
Pioenstraat 14 staat in het beschermd stadsgezicht Leiden Zuidelijke Schil en is geen monument noch een karakteristiek pand. De huidige situatie betreft een dubbele garage naast Pioenstraat 16a, een traditioneel gebouwd individueel woonhuis uit 1930 met twee bouwlagen met een plat dak, dat oorspronkelijk een vrije westgevel had, uitkijkende op het zijgedeelte van de tuin. In 1963 is deze zijtuin ingevuld met twee eenvoudige garageboxen, nu nr 14. De Pioenstraat is een zijstraat van de Herenstraat en heette oorspronkelijk de Roode Laan. Deze 'laan' bestond uit niet meer dan een poldersloot met een rijtje huisjes met een voetpad voorlangs de gevel. Dergelijke huisjes werden door investeerders gebouwd voor de sterk groeiende arbeidersbevolking van de stad. Het is een typerend voorbeeld van de organische groei van de stad buiten de wallen van voor het eerste Uitbreidingsplan uit 1907. Samen met o.a. de Leliestraat en de Bloemistenlaan vormt de straat een verwijzing naar de pre-stedelijke polderverkaveling. Ook nadat de Pioenstraat werd uitgebreid volgens plan Verhagen met aaneengesloten geschakeerde rijbebouwing is de bouwblokhoogte bescheiden van maatvoering gebleven. De aanvrager is rechthebbende op deze gronden.
19
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
2.2
Beschrijving van het project
Het project bestaat uit de herontwikkeling van twee garageboxen in twee appartementen. De nieuwe appartemeten zullen worden ingepast in het perceel van de autoboxen en aan weerszijden aansluiten op belendende panden. In Bijlage 4 Impressie gevels is een impressie weergegeven van de nieuwe appartementen. De beoogde appartementen zijn gestapeld, middels twee bouwlagen en hebben een woonoppervlak van ca. 41,94m2 en 77,29m2. Het appartement op de begane grond heeft een buitenruimte van 16m2 en het appartement op de bovengelegen verdiepingen heeft een buitenruimte van 7,3m2. De hoogte van het pand sluit aan bij de rest van de straat en de dakopbouw wordt tevens zo ingepast dat deze op een eigentijdse manier kan aansluiten op mogelijk toekomstige dakopbouwen van de belendende percelen en de rest van de straat. Door de aansluiting met de hoogte van de naast gelegen woningen ontstaat er een rustiger gevelbeeld dan het huidige gevelbeeld waar de autoboxen slechts één bouwlaag hebbben.
2.1 Impressie gevelbeeld Pioenstraat 14. Bron: Mulder van Tussenbroek architectenbureau
20
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
Hoofdstuk 3
Ruimtelijk beleidskader
3.1
Nationaal beleid
3.1.1
Nationale omgevingsvisie
3.1.1.1 Beleidskader De NOVI biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven; 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties
3.1.1.2 Onderzoeksresultaten Het nationale beleid geeft in de NOVI allerlei kaders en uitvoeringsinstrumenten voor de ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening. Deze beleidsstukken richten zich met name op grootschalige ontwikkelingen op het gebied van wonen, bedrijvigheid en recreatie. Samenhang, relatie met en aandacht voor de omgeving zijn hierbij belangrijke thema's.
3.1.1.3 Conclusie
Gelet op de kleine schaal en omvang van het project staat de Nationale Omgevingsvisie de uitvoering van het plan niet in de weg.
21
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Voor de doorwerking van de rijksbelangen in plannen van lagere overheden, is het Barro opgesteld. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 (grotendeels) in werking getreden en omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Ook de bescherming van erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden, zoals de Limes, is in het Barro vastgelegd. Dit is inmiddels doorvertaald in de provinciale structuurvisie en verordening.
3.1.2.1 Onderzoeksresultaten Zoals in paragraaf 3.1.2 aangegeven vormt de beoogde ontwikkeling geen belemmering voor de rijksbelangen op het gebied van ruimtelijke ordening. Derhalve vloeien er vanuit het Barro ook geen restricties voort ten aanzien van deze ontwikkeling.
3.1.2.2 Conclusie Het besluit algemene regels ruimtelijke ordening staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
3.1.3
Besluit ruimtelijke ordening
3.1.3.1 Beleidskader In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd, waarbij een nieuwe laddersystematiek is ingevoerd ter vervanging van de voorheen geldende. Het aangepaste artikel 3.1.6, lid 2 Bro luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan (of uitgebreide omgevingsvergunning, red.) dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
22
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
3.1.3.2 Onderzoeksresultaten Uit jurisprudentie blijkt dat er in beginsel sprake moet zijn van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Onderhavig initiatief betreft de herontwikkeling van twee autoboxen naar twee appartementen in de Zuidelijke Schil (beschermd stadsgezicht) van Leiden en sluit niet aan bij de uitgangspunten van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' gelet op dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (3.2.2.1 Beleidskader). Het doorlopen van de laddertoets is niet noodzakelijk.
3.1.3.3 Conclusie Het besluit ruimtelijke ordening staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
3.2
Provinciaal en regionaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Zuid-Holland
3.2.1.1 Beleidskader Het provinciaal beleid is neergelegd in de Omgevingsvisie Zuid-Holland en de Omgevingsverordening Zuid-Holland. De visie is op 20 februari 2019 door de Provinciale Staten vastgesteld en op 1 april in werking getreden en volgt daarmee de Visie Ruimte en Mobiliteit uit 2014 op. De Omgevingsvisie Zuid-Holland is het provinciaal beleidsplan van de fysieke leefomgeving. Hoofddoel van de Omgevingsvisie Zuid-Holland is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De sturingsfilosofie van de omgevingsvisie betreft: 1. ruimte bieden aan ontwikkelingen; 2. aansluiten bij de maatschappelijke vraag naar woningen, bedrijfsterreinen, kantoren, winkels en mobiliteit; 3. allianties aangaan met maatschappelijke partners; 4. minder toetsen op regels en meer sturen op doelen.
3.2.1.2 Onderzoeksresultaten Om te beoordelen of de ruimtelijke kwaliteit passend is, is het project getoetst aan de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit. De planlocatie is voor wat betreft de 'Laag van de ondergrond' gelegen in het 'bijzonder reliëf en oude stroom en geulafzettingen' en 'Rivierdeltacomplex - jonge zeeklei'. Relevante richtpunten voor ontwikkelingen in dit gebied zijn: Ontwikkelingen houden de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand. Waar mogelijk worden de archeologische waarden van deze structuren meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Op de kwaliteitskaart behorende bij de 'Laag van de stedelijke occupatie' is het plangebied aangegeven als onderdeel van de 'steden en dorpen' en 'bouwwerken voor energie-opwekking'. Relevante richtpunten voor ontwikkelingen zijn: Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra
23
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
(zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur. Daar waar hoogbouw niet samenvalt met “zwaartepunten” in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving. Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd. Historische centra en kernen blijven ervaarbaar vanuit het omringende gebied. De inpassing van de ruimtelijke ontwikkeling heeft nagenoeg geen effect op de richtpunten die voortkomen uit de 'Laag van de ondergrond'. De ontwikkeling in het plangebied heeft niet tot gevolg dat de patronen en het reliëf in het landschap in het landschap onevenredig nadelig worden beïnvloed. Ten gevolge van de beperkte archeologische potentie kan bij de ontwikkeling van het plan niet worden voldaan aan de wens om archeologische waarden meer herkenbaar te maken. Tevens heeft de inpassing van de ruimtelijke ontwikkeling nagenoeg geen effect op de een van de richtpunten die voortkomen uit de kaart bij de 'Laag van de stedelijke occupatie' . In het plangebied is bestaand water, de Vliet, aanwezig.
Het plan wordt dusdanig ingepast, dat deze geen invloed heeft op de uitstraling en functioneren van de Vliet. Met betrekking tot cultuurhistorie wordt verwezen naar paragraaf 4.2 Cultuurhistorie. Geconcludeerd kan worden dat de gevolgen voor de cultuurhistorische waarden acceptabel blijven binnen het beschermd stadsgezicht. Er is geen sprake van onevenredige aantasting van de cultuurhistorische waarden ter plaatse. Gelet op de kleine schaal en omvang van het plan heeft de ruimtelijke ontwikkeling nagenoeg geen effect op de relevante lagen uit de kwaiteitskaart van de provincie Zuid-Holland. Hierdoor ontstaat geen strijdigheid met het provinciaal beleid en past het plan binnen de provinciale Omgevingsvisie.
3.2.1.3 Conclusie De provinciale Omgevingsvisie staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
3.2.2
Omgevingsverordening Zuid-Holland
3.2.2.1 Beleidskader De Omgevingsverordening Zuid-Holland bevat concrete regels die bij de ruimtelijke ontwikkelingen in acht moeten worden genomen. In de Omgevingsverordening zijn de provinciale belangen uit de omgevingsvisie verder uitgewerkt in regels. Per 1 april 2019 is de verordening in werking getreden. Gemeentelijke plannen zullen ook getoetst worden aan de provinciale regels: strijdigheid met deze regels betekent ook strijdigheid met provinciaal beleid. Ladder voor duurzame verstedelijking Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen BSD. De ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat het handelingskader. De provincie heeft de ladder voor duurzame verstedelijking ook opgenomen in de verordening, om het provinciaal belang bij toepassing van deze ladder te
24
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
benadrukken. Dit biedt de provincie de mogelijkheid om enkele begrippen die voor meerdere uitleg vatbaar zijn, te verduidelijken voor de specifieke Zuid-Hollandse situatie. De ladder zoals opgenomen in het Bro is een motiveringseis voor de toelichting van het bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Om een vrijblijvend karakter te vermijden, heeft de ladder zoals opgenomen in de verordening daarom niet alleen betekenis voor de toelichting van het bestemmingsplan maar ook voor de inhoud. Ook voor de provinciale 'ladder' geldt dat deze per 1 juli 2017 een andere grondslag heeft, namelijk het per 1 juli 2017 gewijzigde Bro. Inhoudelijk is de toets niet wezenlijk veranderd. Ruimtelijke kwaliteit In de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening is een van de speerpunten het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. De provincie beschikt over een kwaliteitskaart met een bijbehorende uitwerking in richtpunten. In artikel 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn voorwaarden opgenomen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Binnen dit kwaliteitsbeleid onderscheidt de provincie in de Omgevingsverordening twee beschermingscategorieën. Hier zijn onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook ontwikkelingen mogelijk.
3.2.2.2 Onderzoeksresultaten Ladder voor duurzame verstedelijking De toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking is vastgelegd in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De ladder verplicht decentrale overheden ertoe om ruimtelijke plannen te toetsen aan indien er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij de vervanging van een woonschip, waarbij het aantal woningen gelijk blijft, is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Voor deze omgevingsvergunning dient dan ook geen formele 'laddertoets' te hoeven doorlopen. Ruimtelijke kwaliteit Op de kwaliteitskaart is het plangebied van dit bestemmingsplan aangewezen als 'steden en dorpen' en 'stedelijk centrumgebied'. Het plangebied is niet gelegen in een beschermingsgebied. Uitgangspunt is een ontwikkeling die past binnen de gebiedsidentiteit, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen). Dit betekent dat dit bestemmingsplan moet passen binnen de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen). Dit is het geval: het plan past binnen de aangewezen zones 'steden en dorpen' en 'stedelijk centrumgebied'.
Het plan is hiermee ingepast in de omgeving en voldoet daarmee aan de eisen ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: de richtpunten van de kwaliteitskaart zijn niet in het geding. Doordat de richtpunten van de kwaliteitskaart niet in het geding zijn en er geen sprake is van een ontwikkeling in een beschermingszone is een uitvoerige beeldkwaliteitsparagraaf niet nodig. Deze omgevingsvergunning voldoet hiermee aan de provinciale eisen ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Geconcludeerd wordt dat de ruimtelijke kwaliteit niet in het geding is.
3.2.2.3 Conclusie De Omgevingsverordening Zuid-Holland staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
25
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
3.2.3
Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020
3.2.3.1 Beleidskader Deze structuurvisie is op 25 juni 209 vastgesteld door het Algemeen Bestuur van het samenwerkingsorgaan Holland Rijnland en vormt het gemeenschappelijke toetsingskader van alle regiogemeenten. Alle ruimtelijke ontwikkelingen in deze regio worden hieraan getoetst. De Holland Rijnland gemeenten willen een aantrekkelijke regio, waar je niet alleen plezierig werkt en woont, maar ook prettig kunt recreëren. Ook moet Holland Rijnland goed bereikbaar zijn met het openbaar vervoer en de auto. Verder wil de regio zich onderscheiden in de Randstad en bijdragen aan de internationale positionering daarvan. Onder andere door de toegevoegde waarde op het gebied van landschap, wonen en economie. In het bijzonder voor economische sectoren als Greenport, Bio Sciences en ruimtevaarttechnologie. De visie bevat zeven kernbeslissingen die uitgaan van een evenwichtige ontwikkeling van wonen, recreatie, infrastructuur en intensief, meervoudig en duurzaam ruimtegebruik. De kernbeslissingen zijn: 1. Holland Rijnland is een top woonregio; 2. Leiden vervult een regionale centrumfunctie; 3. Concentratie stedelijke ontwikkeling; 4. Groenblauwe kwaliteit staat centraal; 5. De Bollenstreek en Veenweide en Plassen blijven open; 6. Speerpunt voor economische ontwikkeling: Kennis; 7. Speerpunt voor economische ontwikkeling: Greenport.
3.2.3.2 Onderzoeksresultaten Gelet op dat voorliggende ruimtelijke ontwikkeling twee autoboxen vervangt voor twee appartementen, worden er twee extra woningen aan de woningvoorraad van Leiden toegevoegd. Het vervangen van de autoboxen voor twee appartementen draagt bij aan een goed woonleefklimaat, het zij op beperkte schaal. De ruimtelijke ontwikkeling sluit aan op de kernbeslissing die voorziet in concentratie van stedelijke ontwikkeling, het zij op beperkte schaal. De overige kernbeslissingen worden door voorliggende ruimtelijke ontwikkeling niet beperkt.
3.2.3.3 Conclusie De Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020 staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
26
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Leiden 2040
3.3.1.1 Beleidskader Op 15 juli 2019 heeft de gemeenteraad de 1.0-versie van de Omgevingsvisie Leiden 2040 vastgesteld (RV 19.0068). De Omgevingsvisie Leiden 2040 sluit aan op de Regionale agenda voor de omgevingsvisie "Hart van Holland", welke in 2017 is opgesteld door Leiden en de omliggende gemeenten. De Omgevingsvisie Leiden 2040 helpt om samenhang te brengen in de verschillende fysieke projecten in de stad, om deze meer Leids te maken, om ze beter de laten aansluiten op sociale, maatschappelijke en economische doelen en om investeringen goed te richten. De omgevingsvisie beschrijft op hoofdlijnen de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving in de stad. Het bevat geen blauwdruk voor de ontwikkeling van de stad, maar beschrijft wel de waarden die we belangrijk vinden in de ontwikkeling van de stad, eigenschappen die we koesteren en nieuwe ontwikkelingen die ruimte vergen. Op basis van de Leidse waarden (opgehaald uit participatie), trends en noodzakelijke ontwikkelingen zijn er zes verhaallijnen geformuleerd; 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Leiden, stad van historie en cultuur Leiden, groene en gezonde stad Leiden, stad voor iedereen Leiden, stad van onderwijs, kennis en werk Leiden, verbonden stad Leiden, waterstad.
3.3.1.2 Onderzoeksresultaten Het plan draagt bij aan verhaallijn 3: 'Leiden, stad voor iedereen' uit de Omgevingsvisie Leiden 2040. Het vertrekpunt van Leiden is om een stad te zijn waar iedereen in een aantrekkelijke, duurzame en leefbare omgeving kan wonen. Daarbij worden genoeg geschikte en betaalbare woningen gerealiseerd voor huidige en toekomstige bewoners. Woningen worden toegevoegd aan de stad middels verdichting en optimaal gebruik van bestaand stedelijk gebied. Overige doelstellingen worden niet beperkt door uitvoering van voorliggende ruimtelijke ontwikkeling.
3.3.1.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de doelstellingen zoals verwoord in de Omgevingsvisie Leiden 2040.
27
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
3.3.2
Ontwikkelingsvisie 'Leiden, stad van ontdekkingen: profiel 2030'
3.3.2.1 Beleidskader In 2004 heeft de gemeenteraad de ontwikkelingsvisie "Leiden, Stad van Ontdekkingen" vastgesteld (RV 04.0097). In hetzelfde raadsbesluit heeft het college opdracht gekregen een cyclisch proces te ontwikkelen voor onderhoud van de ontwikkelingsvisie. De geactualiseerde uitgave van de ontwikkelingsvisie 2030 "Leiden, Stad van Ontdekkingen" is het resultaat van dat "onderhoud". Deze actualisering is op 13 september 2012 door de raad vastgesteld (RV 12.0044). De geactualiseerde uitgave van de visie vervangt hiermee de vorige versie uit 2004. De geactualiseerde uitgave van Leiden Stad van Ontdekkingen dient als leidraad voor beleidsontwikkeling en voor gesprekken over samenwerking in de stad en met de omgeving. In 2004 hebben bewoners, instellingen, collegeleden en de gemeenteraad uitvoerig gesproken over de gewenste ontwikkelingsrichting van Leiden. Die gesprekken mondden uit in de ontwikkelingsvisie 2030 "Leiden, Stad van Ontdekkingen". Die had 'kennis' en 'kwaliteit' als pijlers. Gebruiken maken van de kracht van de stad en deze kracht verder versterken, was daarbij het motto. Er was bij de vaststelling van de geactualiseerde visie geen behoefte aan een geheel nieuwe visie, maar de tijd was wel rijp voor een geactualiseerde uitgave die toekomstbestendig is.
De kernpunten van de Ontwikkelingsvisie 2030 voldeden nog prima, maar de uitwerking daarvan is deels achterhaald door veranderde omstandigheden. Belangrijke ambities van de geactualiseerde visie 'Leiden, Stad van Ontdekkingen' zijn 'internationale kennis' en 'historische cultuur'. Kennis vindt zijn basis in de Universiteit van Leiden, het Leids Universitair Medisch Centrum en het Leiden Bio Science Park. Historische cultuur is overal in de stad terug te vinden in de vorm van monumenten, musea en een ruim cultureel aanbod. Als Leiden deze ambities wil waarmaken moet de bereikbaarheid op orde zijn en wil de gemeente meer gebruik maken van 'de kracht van de stad'.
3.3.2.2 Onderzoeksresultaten Gelet op dat het gebied Zuidelijke Schil consoliderend van aard en gericht op bescherming van het stadsgezicht is, dient elke ruimtelijke ontwikkeling geen aantasting te mogen vormen voor de aanwezige historische waarden. De nieuwe ontwikkeling dient zelfs waarden toe te voegen. Voorliggend initiatief houdt hier rekening mee. Het plan draagt bij aan de ambitie 'historische cultuur'. Voorliggende ruimtelijke ontwikkeling staat de uitvoerbaarheid van de ontwikkelingsvisie 'Leiden stad van Ontdekkingen: profiel 2030' niet in de weg.
3.3.2.3 Conclusie Het plan draagt bij aan de ontwikkelingsvisie 'Leiden Stad van Ontdekkingen: profiel 2030'.
3.3.3
Woonbeleid
3.3.3.1 Beleidskader Woonvisie Leiden 2020-2030 Op 14 november 2019 heeft de gemeenteraad van Leiden de Woonvisie Leiden 2020-2030 vastgesteld (RV19.0104). Voor de Woonvisie zijn de volgende trends en ontwikkelingen belangrijk:
28
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
Vanaf 2009 is er een jaarlijkse groei van het aantal inwoners en die ontwikkeling zet zich vermoedelijk de komende acht jaar voort. Binnen de groei van de Leidse bevolking is er vooral een toename zichtbaar van het aantal ouderen. De vraag van deze groeiende groep levert een belangrijke bijdrage aan de woningbehoefte. Het aantal studenten is tussen 2009 en 2018 sterk toegenomen. De woningbehoefte is groot. Niet alleen vanwege de vergrijzing en de groei van het aantal studenten, maar ook door de uitstroom van kwetsbare inwoners uit instellingen en door 'spoedzoekers'. Er is vooral behoefte aan nieuwe woningen in het stedelijke woonmilieu. Er is sprake van een grote opgave op het gebied van duurzaamheid. Denk aan het overstappen op duurzame(re) warmtebronnen, het klimaatbestendig maken van Leiden en de ambitie op het gebied van circulariteit en duurzame mobiliteit. Er is een groeiende druk op de leefbaarheid van de stad, zeker in de Leidse wijken met veel sociale huurwoningen die zich kenmerken door een sterke instroom van kwetsbare inwoners.
De belangrijkste doelstellingen, die in de Woonvisie verder zijn uitgewerkt, betreffen de volgende: te bouwen naar behoefte, met de juiste woning op de juiste plek; de voorraad wooneenheden voor studenten te vergroten; extra aandacht te geven aan kwetsbare doelgroepen; de woningvoorraad en woonomgeving duurzamer te maken; de kwaliteit van de woonomgeving te vergroten Deze vijf doelstellingen zijn in de Woonvisie uitgewerkt.
3.3.3.2 Onderzoeksresultaten Gelet op de beperkte schaal en omvang van het plan, zal het plan een kleine bijdrage leveren aan doelstellingen van de Woonvisie Leiden 2020-2030. Voorliggende ruimtelijke ontwikkeling vervangt twee autoboxen voor twee appartementen. Voor de woonomgeving is dit tevens een positieve ontwikkeling.
3.3.3.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan de doelstelling uit de Woonvisie 2020-2030.
29
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
30
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
Hoofdstuk 4 4.1
Archeologie
4.1.1
Beleidskader
Omgevingsaspecten
4.1.1.1 Nationaal beleid In 1992 werd in Valetta door de Ministers van Cultuur van de bij de Raad van Europa aangesloten landen het 'Europees Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed, beter bekend onder de naam 'Verdrag van Malta', ondertekend. De wet tot goedkeuring van het verdrag is aangenomen door het Nederlands parlement en op 9 april 1998 in het Staatsblad gepubliceerd. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is op 1 september 2007 in werking getreden. De nieuwe wet heeft zijn beslag gekregen via een wijziging van de Monumentenwet 1988, aanpassingen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en enkele andere wetten. De Monumentenwet 1988 is inmiddels opgegaan in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Met de huidige wetgeving is het accent komen te liggen op het streven naar het behoud en beheer van archeologische waarden in de bodem (in situ) en het beperken van (de noodzaak van) archeologische opgravingen. Uitgangspunt van het beleid is tevens het principe 'de verstoorder betaalt'. Bij het voorbereiden van werkzaamheden die het bodemarchief kunnen verstoren (zoals de aanleg van een weg, een nieuwe woonwijk, een bedrijventerrein), dient onderzocht te worden of daardoor archeologische resten verstoord kunnen worden (dat kan bijvoorbeeld door booronderzoek of sleuvenonderzoek - beide na een gedegen bureauonderzoek).
Als uit het onderzoek blijkt dat er archeologische waarden aanwezig zijn en deze niet ter plaatse behouden kunnen blijven, dan dient de initiatiefnemer van het werk de kosten die gepaard gaan met het opgraven en conserveren van de plaats te dragen. Met de huidige wetgeving zijn de kerntaken en bestuurlijke verantwoordelijkheden van gemeenten veranderd. Eén van de belangrijkste consequenties is, dat gemeenten een centrale rol is toegekend in de bescherming van archeologisch erfgoed. In de wet is bepaald, dat gemeenten door inzet van een planologisch instrumentarium het archeologisch belang dienen te waarborgen. Bescherming van het archeologisch erfgoed kan onder meer vorm krijgen door in bestemmingsplannen regels ter bescherming van bekende en te verwachten archeologische waarden op te nemen.
4.1.1.2 Provinciaal beleid Verordening Ruimte 2014 Het beleid van de Provincie Zuid-Holland richt zich op het behouden van archeologische waarden op de plaats waar de waarden zijn aangetroffen. Op 12 januari 2017 is door Gedeputeerde Staten de geactualiseerde Verordening Ruimte 2014 vastgesteld. In deze verordening regelt de provincie de bescherming van twee typen gebieden die als provinciaal belang zijn aangemerkt: gebieden met hoge en zeer hoge bekende archeologische waarden (de zogeheten AMK-terreinen, op de Cultuurhistorische Hoofdstructuur aangeduid) en de Romeinse limeszone. Voor deze gebieden dienen gemeenten de bescherming conform de richtlijnen van de provincie op te nemen in ruimtelijke plannen. In overige gebieden hebben gemeenten de vrijheid om gemotiveerd (op basis van een gemeentelijke archeologische waardenkaart) af te wijken van de in de Erfgoedwet voorgeschreven vrijstellingsgrenzen.
31
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
Voor de AMK-terreinen geldt bij uitstek het uitgangspunt van behoud in situ. Hier zijn bodemingrepen in het geheel niet toegestaan. In de limeszone gaat de voorkeur uit naar behoud in situ, maar dient het behoud van archeologische resten in ieder geval via onderzoek te worden gewaarborgd.
4.1.1.3 Gemeentelijk beleid Erfgoednota 2014-2020 Het archeologisch beleid van de gemeente Leiden (zoals vastgelegd in de Erfgoednota 2014-2020) is er op gericht de in de grond aanwezige archeologische waarden zoveel mogelijk te behouden. De gemeente Leiden heeft een rijk bodemarchief. In de afgelopen decennia is bij tientallen opgravingen vastgesteld dat het onderzoek van de archeologische resten die in de bodem verborgen liggen een van de belangrijkste bronnen van kennis over de bewoningsgeschiedenis van de regio rondom Leiden vormt. De doelstelling van het gemeentelijk archeologiebeleid is om de archeologische bronnen zo verantwoord mogelijk te beschermen. De erosie van het bodemarchief is ondanks alle inspanningen tot behoud van archeologische resten immers nog steeds erg groot. Dit betekent dat bij bouwwerkzaamheden verstoring van de diepere ondergrond uit archeologisch oogpunt zoveel mogelijk dient te worden vermeden. Waar dit niet mogelijk is, zal in de gebieden waar waardevolle, informatieve archeologische resten verloren dreigen te gaan, voorafgaand aan de geplande bodemingreep verantwoord onderzoek dienen plaats te vinden. Om deze doelstelling te kunnen realiseren is in het bestemmingsplan een aantal regels opgenomen. Deze regels zijn gebaseerd op een inventarisatie en evaluatie van de omvang en kwaliteit van het archeologisch bodemarchief in en om het plangebied.
Leiden heeft negen verschillende 'waarderingsgebieden', waar verschillende regimes gelden naar aanleiding van de archeologische waarde of de archeologische verwachtingswaarde. Voor acht waarderingsgebieden wordt in opzet dezelfde planregel gebruikt, waarin een omgevingsvergunningstelsel is opgenomen. De verschillen tussen de waarderingsgebieden zitten in de oppervlakten en diepte van bodemverstoring vanaf wanneer een vergunning dient te worden aangevraagd. Voor 'Waarde - Archeologie 1' geldt de vergunningsplicht niet, omdat het een beschermd archeologisch rijksmonument betreft, waarop de regels van de Erfgoedwet van toepassing zijn. Voor verstoring van de bodem op die locaties is een rijksmonumentenvergunning vereist.
4.1.2
Onderzoeksresultaten
4.1.2.1 Inleiding De gemeente Leiden heeft een rijk bodemarchief. In de afgelopen decennia is bij tientallen opgravingen vastgesteld dat het onderzoek van de archeologische resten die in de bodem verborgen liggen een van de belangrijkste bronnen van kennis over de bewoningsgeschiedenis van de regio rondom Leiden vormt. De doelstelling van het gemeentelijk archeologiebeleid is om de archeologische bronnen zo verantwoord mogelijk te beschermen.
32
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
4.1.2.2 Onderzoek Op en in de gronden van de beoogde ontwikkeling heeft een medebestemming terrein met hoge archeologische verwachting. Deze zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarde. Deze gronden met hoge archeologische waarden worden beschermd. Aangetoond is dat de ruimtelijke ontwikkeling niet de oppervlakte- en dieptegrenzen van de medebestemming terrein van hoge archeologische verwachting overschrijdt. Derhalve zijn geen aanvullende maatregelen opgenomen ter bescherming van archeologische waarden.
4.1.2.3 Melding toevalsvondst Ingeval archeologische resten worden aangetroffen dient dit op grond van artikel 53 van de Monumentenwet onmiddellijk te worden gemeld aan de Minister van OC&W, door tussenkomst van de Unit Monumenten en Archeologie van de gemeente, tel. nr. 071-5167950. De vondst dient gedurende 6 maanden, te rekenen vanaf de datum van de melding, ter beschikking te worden gesteld of gehouden voor wetenschappelijk onderzoek.
4.1.2.4 Waarneming archeologie Indien in het plangebied de bodem wordt verstoord, kan het voorkomen dat tijdens of na de werkzaamheden een archeologische waarneming plaatsvindt. Deze waarneming wordt verricht als onderdeel van de gemeentelijke onderzoeksagenda en wordt uitgevoerd door een archeoloog van de gemeente Leiden. De kosten van dit onderzoek komen niet voor rekening van de initiatiefnemer. De initiatiefnemer dient wel de gelegenheid te bieden tot het uitvoeren van deze werkzaamheden. De initiatiefnemer meldt de aanvang van de werkzaamheden dientengevolge uiterlijk drie weken van tevoren aan de gemeente Leiden.
4.2
Cultuurhistorie
4.2.1
Beleidskader
4.2.1.1 Nationaal beleid Erfgoedwet (2016) Vanaf 2016 wordt een gedeelte van het cultureel erfgoed beschermd via de Erfgoedwet. In deze wet zijn deels de regels uit de voormalige Monumentenwet 1988 opgenomen, en deels zijn deze tijdelijk in de Erfgoedwet ondergebracht totdat de Omgevingswet in werking zal treden. Tot dat moment geeft de Erfgoedwet het Rijk de mogelijkheid om objecten aan te wijzen als rijksmonument en regelt de bescherming daarvan via een vergunningenstelsel, opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De Erfgoedwet geeft daarnaast de mogelijkheid tot aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten. Onder stads- en dorpsgezicht worden groepen van onroerende zaken bedoeld die een bijzondere cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen en in welke zich een of meer monumenten bevinden. De wet verplicht in het geval van een Rijksbeschermd stadsgezicht de betrokken gemeente een beschermend bestemmingsplan op te stellen voor het gebied. De Erfgoedwet geeft aan gemeenten de mogelijkheid om zelf monumenten aan te wijzen.
Modernisering Monumentenzorg
33
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
In 2009 heeft de minister van OC&W de modernisering van de monumentenzorg in gang gezet. Dit beleidsprogramma omvat een drietal pijlers: cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening, vereenvoudiging regelgeving en herbestemming. De rode draad door het beleid is om de monumentenzorg om te vormen tot een meer gebiedsgericht instrument dat cultuurhistorie in het ruimtelijk domein in den brede zin onderzoekt, borgt en hergebruikt. Een overkoepelend beleidsuitgangspunt binnen de Modernisering Monumentenzorg is de grotere rol van de burger bij het waarderen van en de omgang met erfgoed.
Besluit ruimtelijke ordening Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de nadere uitwerking van de Wro. In het Bro is onder meer vastgelegd dat gemeenten rekening moeten houden met cultuurhistorie bij het opstellen van bestemmingsplannen. Dat betekent dat gemeenten onderzoek moeten doen naar de cultuurhistorische waarden van een bestemmingsplangebied. Het gaat om een integrale beschouwing van cultuurhistorie: een combinatie van gebouwd erfgoed, archeologie en cultuurlandschap.
4.2.1.2 Provinciaal beleid Verordening Ruimte Er zijn verder geen molenbiotopen of beschermde monumenten in de directe nabijheid van het plangebied aanwezig. De beoogde ontwikkeling levert derhalve geen belemmeringen op vanuit cultuurhistorisch oogpunt.
4.2.1.3 Gemeentelijk beleid Erfgoednota 2014-2020 Erfgoednota van de stad: Op 19 december 2013 heeft de Leidse gemeenteraad de Erfgoednota 2014-2020 (RV 13.0113) vastgesteld. De Erfgoednota benadert erfgoed integraal en gaat niet alleen over de historische stad zelf, maar ook over erfgoedkennis, onderwijs, ondernemerschap, collecties, verhalen en beleving. In Leiden, Stad van Ontdekkingen, zorgen professionals, betrokken burgers en gemeente samen voor uitvoering van de ambities van de Erfgoednota. Visie en ambitie: De Erfgoednota gaat uit van de volgende visie: Leiden heeft met erfgoed een onderscheidende kracht in huis: zo heeft Leiden en de (internationale) kennis en collecties, en de aantrekkelijke historische stad en de grote mate van betrokkenheid van bewoners. Daarbij gaat het niet alleen om de waarde van het erfgoed zelf maar ook om de meerwaarde voor de stad uit maatschappelijk, cultureel, wetenschappelijk en economisch oogpunt. Een belangrijke ambitie uit de Erfgoednota is dat Leiden haar historische omgevingskwaliteit wil behouden, benutten en versterken voor een aantrekkelijke, vitale en toekomstbestendige stad. Erfgoed inspireert in de ontwikkeling van de stad. Daarbij benut Leiden de inspiratie uit het verleden en zoekt aansluiting bij bestaande historische karakteristieken en essenties.
Inbedding cultuurhistorie in ruimtelijke ordening: Onder invloed van rijksbeleid en wetgeving komt voor het erfgoed steeds meer nadruk te liggen op het ruimtelijk instrumentarium. Dit zet zich voort in de ontwikkeling van de nieuwe Omgevingswet, waarin ook het erfgoed wordt opgenomen. Leiden continueert de aandacht
34
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
voor cultuurhistorie in het bestemmingsplan en anticipeert daarbij op rijksbeleid en wettelijke verplichtingen. Integrale cultuurhistorische waarden maken - uitgebreider en specifieker dan voorheen - deel uit van het bestemmingsplan. Van archeologie tot bouwhistorie, van historische structuren tot monumentale objecten. Hieraan worden maatregelen gekoppeld. Uitgangspunt is; beschermen wat beschermenswaardig is, zonder onnodige regeldruk. Cultuurhistorische kennis- en waardenkaarten van Leiden (met diverse themakaarten) dragen hieraan bij, evenals de onderzoeksagenda voor archeologie en bouwhistorie. Herbestemming: Hergebruik en herbestemming van historische bebouwing is in de Erfgoednota een belangrijk thema, met het oog op vitale omgevingskwaliteit en toekomstwaarde. Waar mogelijk en gewenst creëren bestemmingsplannen qua functies dan ook ruimte voor flexibele herbestemming. Monumentenverordening en monumentenlijst (2009) De gemeente Leiden hanteert de Monumentenverordening 2009. Deze verordening geeft regels over hoe om te gaan met gemeentelijke monumenten. De bescherming van de monumenten is geregeld in de Monumentenwet of de gemeentelijke verordening. Karakteristieke panden Naast de aanwijzing van gemeentelijke monumenten hanteert de gemeente Leiden nog het instrument van karakteristieke panden.
Doel daarvan is de bijdrage aan de beeldkwaliteit van de openbare ruimte door de aanwezige historische bebouwing te borgen. De aanduiding en bescherming van de karakteristieke panden wordt, indien relevant, geregeld in het betreffende bestemmingsplan. De bescherming sterkt zich niet uit tot het interieur van de betreffende panden maar heeft alleen betrekking op het volume, de hoofdvorm en het aanzicht. In de welstandsnota zijn aanvullende criteria opgenomen die toezien op de kwaliteit van materiaal en detaillering van de straatgevels en het dak.
4.2.2
Onderzoeksresultaten
4.2.2.1 Cultuurhistorische paragraaf Pioenstraat 14 staat in het beschermd stadsgezicht Leiden Zuidelijke Schil en is geen monument noch een karakteristiek pand. Het pand betreft een dubbele garage naast Pioenstraat 16a, een traditioneel gebouwd individueel woonhuis uit 1930 met twee bouwlagen met een plat dak, dat oorspronkelijk een vrije westgevel had, uitkijkende op het zijgedeelte van de tuin. In 1963 is deze zijtuin ingevuld met twee eenvoudige garageboxen, nu nr 14. De Pioenstraat is een zijstraat van de Herenstraat en heette oorspronkelijk de Roode Laan. Deze 'laan' bestond uit niet meer dan een poldersloot met een rijtje huisjes met een voetpad voorlangs de gevel. Dergelijke huisjes werden door investeerders gebouwd voor de sterk groeiende arbeidersbevolking van de stad. Het is een typerend voorbeeld van de organische groei van de stad buiten de wallen van voor het eerste Uitbreidingsplan uit 1907. Samen met o.a. de Leliestraat en de Bloemistenlaan vormt de straat een verwijzing naar de pre-stedelijke polderverkaveling. Ook nadat de Pioenstraat werd uitgebreid volgens plan Verhagen met aaneengesloten geschakeerde rijbebouwing is de bouwblokhoogte bescheiden van maatvoering gebleven.
35
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
4.2.2.2 Beschermd stads- of dorpsgezicht Het plangebied is gelegen in het beschermd stadsgezicht 'Zuidelijke Schil'. Volgens het vigerende bestemmingsplan dient er bij de afwijking van dat bestemmingsplan rekening te worden gehouden met de belangen van het beschermd stadsgezicht en het historische karakter (artikel 25). Bij het verzoek om omgevingsvergunning zijn de waarden van het beschermd stadsgezicht in overweging genomen. Doordat het gaat om een herontwikkeling van autoboxen naar appartementen en deze aansluiten op de bestaande architectuur van de straat komen de historische waarden van het beschermd stadsgezicht niet in het geding.
4.2.2.3 Kasteel-, landgoed- en molenbiotoop Het plangebied is niet gelegen in een kasteel-, landgoederen-, of molenbiotoop. Derhalve vormen deze biotopen geen belemmering voor voorliggende ruimtelijke ontwikkeling.
4.2.2.4 Rijks- gemeentelijke monumenten en karakteristieke panden Binnen het plangebied zijn geen Rijks- en gemeentelijke monumenten aanwezig. Tevens bevinden zich geen karakteristieke panden in het plangebied. Derhalve vormen bovenstaande aspecten geen belemmering voor voorliggende ruimtelijke ontwikkeling.
4.2.2.5 Conclusie Het aspect cultuurhistorie staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
4.3
Ecologie
4.3.1
Beleidskader
4.3.1.1 Nationaal beleid Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. De Wet natuurbescherming vervangt drie actuele wetten, te weten de Flora- en faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. Daarmee zijn gebiedsbescherming en soortbescherming bij elkaar gebracht in één Nederlandse wet. Deze wet beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen. De Wet natuurwetbescherming wijkt in een aantal opzichten af van de Flora- en faunawet; de strekking is echter hetzelfde. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden (algemene verbodsbepalingen). Net als in de Flora- en faunawet is in de Wet natuurbescherming een zorgplicht opgenomen, een algemeen geldende fatsoensnorm voor de omgang met flora en fauna. Deze zorgplicht houdt in dat menselijk handelen zo weinig mogelijk nadelige gevolgen voor flora en fauna mag hebben. De soortbeschermingsbepalingen uit de Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR) zijn in de Wet Natuurbescherming geïmplementeerd: soorten en vegetatietypen waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, worden beschermd onder de
36
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
nieuwe Wet natuurbescherming. Ongeveer 200 soorten verliezen hun bescherming in vergelijking met eerder vigerende Flora- en faunawet, voornamelijk soorten vaatplanten (muurplanten, orchideeën) en (zee)vissen. De bij de Flora- en faunawet gehanteerde gedragscodes blijven bestaan, zij het dat de lijsten met beschermde soorten wijzigen en aangepast moeten worden. Voor soortbescherming in relatie tot ruimtelijke ingrepen is een aantal artikelen in de nieuwe Wet natuurbescherming van belang: Zorgbeginsel artikel 1.10 en 1.11: net als bij artikel 2 Ffwet is de intrinsieke waarde van soorten vastgesteld in een doelbepaling en geldt voor alle soorten, los van een beschermingsregime, een zorgplicht. Dit zorgbeginsel is vergelijkbaar met de zorgplicht in de Ffwet. Actieve soortbescherming, artikel 1.12. Provincies moeten verplicht beleid opstellen voor de bescherming van soorten, specifiek in hun eigen provincie. Dit beleid is nog in ontwikkeling en de inhoud is nog niet bekend. Er worden in de Wet Natuurbescherming drie beschermingsregimes onderscheiden: 1. Soorten van Vogelrichtlijn: Bescherming van alle in het wild levende vogels in de EU, beschreven in artikel 3.1-3.4. Dit beleid verandert deels t.o.v. de. Ffwet. Het begrip "opzettelijk" is bij doden, vangen en verstoring van nesten etc. opgenomen. Hieronder valt ook het begrip "voorwaardelijk opzet".
De grote verandering is dat verstoring onder de nieuwe wet is toegestaan, mits de staat van instandhouding van de soort maar niet in het geding komt. Degene die de verstoring begaat, moet dan aantonen dat er geen verstoring van wezenlijke invloed is. Verstoren van broedende vogels (op nest) en eieren blijft verboden. De provincie kan hiervoor vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen. 2. Soorten van Habitatrichtlijn: Bescherming van dier- en plantensoorten in artikel 3.5-3.9: a. die strikt beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage IV, Verdrag van Bern bijlage I en II, Verdrag van Bonn bijlage I. In geval van ontheffing of vrijstelling moet aan drie voorwaarden voldaan worden: dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat, de handeling noodzakelijk is (diverse redenen mogelijk, waaronder die van groot openbaar belang met redenen van sociale en economische aard) en tot slot alleen wanneer er geen afbreuk gedaan wordt aan de gunstige staat van instandhouding van de soort in haar natuurlijke verspreidingsgebied. b. die streng beschermd zijn Habitatrichtlijn bijlage V, Verdrag van Bern bijlage III, Verdrag van Bonn bijlage II.
waarvoor maatregelen moeten worden getroffen indien de gunstige staat van instandhouding in het geding is.In geval van ontheffing of vrijstelling moet alleen voldaan worden aan de eis dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt. Hiervoor zijn maatregelen verplicht. Ook hier is het opzetvereiste van toepassing, maar in tegenstelling tot vogels is er geen uitzondering dat 'verstoring toegestaan is zolang het niet van wezenlijke invloed is'. Via een AMvB kunnen nog nadere regels gesteld worden. De provincie kan vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen, met in achtneming van de belangen. 3. Andere soorten: Dit zijn de in de bijlage van bij artikel 3.10 van Wet natuurbescherming genoemde soorten. Op deze bijlage staan zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Onderdeel A bevat de fauna, onderdeel B de flora. Deze lijst is een nationale toevoeging en betreft soorten die in principe een landelijke achteruitgang kennen. In praktijk is deze bescherming lichter en verwacht wordt dat ontheffingen vrij gemakkelijk verkregen kunnen worden, aangezien er niet de zwaardere belangen gelden voor de soorten van de Europese richtlijnen. Ruimtelijke ontwikkeling is een geldig belang voor een ontheffing (art 3.10.2 onderdeel a). Opzettelijk verstoren in algemene zin, wordt voor deze groep niet
37
Ruimtelijke Onderbouwing Pioenstraat 14
genoemd als verbod. De provincies kunnen voor deze lijst vrijstellingsbesluiten maken. Op dit moment staan ook zeer algemene soorten op deze lijst; mogelijk zal er een vrijstellingsbesluit of AMvB opgesteld worden hoe hier mee om te gaan.
4.3.1.2 Provinciaal en regionaal beleid Landschapsbeleidsplan Leidse regio en Warmond 2002 Het regionale landschapsbeleidsplan heeft meerdere doelstellingen. Aangegeven moet worden hoe de agrarische, ecologische, recreatieve, cultuurhistorische en visueel - ruimtelijke kwaliteiten van het landschap behouden, versterkt of ontwikkeld kunnen worden op een zodanige manier, dat een meerwaarde ontstaat op regionaal niveau. Daarnaast moet er een landschappelijk raamwerk worden ontworpen, waarin functies als landbouw, natuur, waterbeheer, recreatie en mogelijkheden voor verstedelijking duidelijk zijn gepositioneerd. Ook een optimale wisselwerking tussen stedelijke en landelijke gebieden moet worden aangegeven. De relatie stadland, de voedingsaders voor natuur in de stad, moet worden geoptimaliseerd en worden beschermd.
4.3.1.3 Gemeentelijk beleid Kaderstelling Bomenbeleid De Bomennota heeft vier hoofddoelstellingen voor het ruimtelijk, beheersmatig en juridisch beleid: het aanvullen van structuurvormende bomenrijen, het beschermen van bomen (Bomenverordening), het verbeteren van groeiplaatsomstandigheden van bomen, het versterken van stad-land relatie door sortimentskeuze van bomen. De actuele Bomenverordening is juni 2021 vastgesteld door de raad. Deze geeft een nieuwe, pragmatische invulling aan het behoud van waardevolle en monumentale bomen en vervanging van zieke bomen. Uitvoeringsprogramma biodiversiteit In 2020 heeft de stadsecoloog een breed advies gegeven aan het college van B&W over het verbeteren van de biodiversiteit. Dit advies is grotendeels overgenomen door B&W en sluit aan op het Uitvoeringsprogramma klimaat en biodiversiteit 2020-2023 (eveneens door B&W vastgesteld, inclusief budget voor biodiversiteit), waarin ambitie en doelen zijn vastgesteld. Gedragscode Ruimtelijke Ontwikkeling & Inrichting De Wet natuurbescherming stelt gemeenten verplicht bij ruimtelijke ontwikkelingen, bestendig beheer en onderhoud de werkzaamheden zo uit te voeren dat beschermde soorten in acht worden genomen. Werken conform door het Ministerie van LNV goedgekeurde gedragscodes minimaliseert de kans op conflicten met de vigerende natuurwet.
De huidige gedragscodes van Stadswerk zijn verlopen, voor Ruimtelijke Ontwikkeling in 2017 en voor Bestendig Beheer en Onderhoud in 2019. Naar verwachting worden de vervangende gedragscodes van Stadswerk eind 2020/ begin 2021 goedgekeurd en bruikbaar. Tot die tijd dienen werkzaamheden onder de grootste zorgvuldigheid plaats te vinden, op de wijze van de oude gedragscodes, zo nodig onder begeleiding van een ter zake deskundig ecoloog.