CConstaterende datLeiden
Koppel je AI →
Document · PDF

210109 Bijlage 5b Toelichting op de Verordening Jeugdhulp 2022 (oude nieuwe grijs gearceerde tekst)

raadscommissie Onderwijs en Samenleving 16 november 2021, gemeente LeidenBij agendapunt: bijlagen bij het raadsvoorstel17.881 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Bijvoorbeeld omdat de jeugdhulpvraag meteen duidelijk is, of als direct verwijzen naar specialistische

chatspreekuren, cursussen of informatieavonden. Als de vraag een jeugdhulpvraag betreft, die niet binnen het de jeugdgezondheidszorg of preventieve projecten van het CJG kan worden afgehandeld, zal de medewerker van het CJG de jeugdige en/of de ouders begeleiden naar het Jeugdteam. Lid 2 van artikel 5. Basisvoorzieningen zijn een onlosmakelijk en integraal onderdeel van dit toekomstmodel. Jeugdigen en ouders krijgen op deze manier overzicht van waar zij terecht kunnen met een jeugdhulpvraag. Om te voorkomen dat het beeld ontstaat dat een arts niet ook zelf kan verwijzen naar een individuele jeugdhulpvoorziening, wordt een verwijzing gemaakt naar artikel 15.

Artikel 6. Afspraak voor gesprek over jeugdhulpvraag Dit artikel beschrijft het maken van een afspraak voor een gesprek tussen de jeugdige en/of de ouders en het Jeugdteam en de voorbereiding op het gesprek. Het gesprek vindt plaats met één of meer hulpverleners van het Jeugdteam. Een aantal aspecten van dit artikel vragen om een toelichting. Lid 1 bepaalt dat het Jeugdteam in overleg met de jeugdige en zijn ouders alle voor het gesprek noodzakelijk en toegankelijke gegevens verzamelt. Deze gegevens verzameling kan ook tijdens het gesprek plaatsvinden als door vraagverheldering alle relevante informatie vergaard wordt om een volledig beeld van de jeugdhulpvraag te krijgen. Als het zinvol is gegevens bij derden op te vragen zal altijd eerst toestemming worden gevraagd aan de jeugdige en/of zijn ouders. Uiteraard geldt dit ook voor medische gegevens, zo wordt rekening gehouden met het medisch beroepsgeheim en het recht op privacy. Lid 1 benoemt ook dat het maken van een afspraak zo snel als mogelijk gebeurt. Hierbij wordt geen tijdslimiet genoemd omdat dit tot onnodige regelgeving leidt. Wel wordt duidelijk gemaakt dat het Jeugdteam alert moet zijn op onnodige vertraging in de procedure. Lid 2 beschrijft dat het Jeugdteam de jeugdige en/of de ouders informeert over de procedure, rechten en plichten.

Wanneer persoonsgegevens nodig zijn, zal de hulpverlener van het Jeugdteam om toestemming vragen om deze te registreren. Op de registratie van persoonsgegevens is de Wet bescherming persoonsgegevens van toepassing. Lid 3 beschrijft dat de hulpverlener van het Jeugdteam en de jeugdige en/of de ouders ook kunnen afzien van een gesprek. Bijvoorbeeld omdat de jeugdhulpvraag meteen duidelijk is, of als direct verwijzen naar specialistische hulpverlening noodzakelijk is. Dit artikel is in de verordening opgenomen om onnodige bureaucratie te voorkomen en mogelijk te maken dat gedaan wordt wat noodzakelijk is voor de jeugdhulpvraag van de jeugdige en/of zijn ouders.

hulpverlening noodzakelijk is. Dit artikel is in de verordening opgenomen om onnodige bureaucratie te voorkomen en mogelijk te maken dat gedaan wordt wat noodzakelijk is voor de jeugdhulpvraag van de jeugdige en/of zijn ouders.

•

• •

•

•

Artikel 7. Inhoud gesprek Tijdens het gesprek tussen de jeugdige en/of de ouders en een hulpverlener van het jeugd- en gezinsteam wordt onder andere gesproken over de behoeften, persoonskenmerken, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de hulpvraag; het gewenste resultaat; het vermogen van de jeugdige en/of de ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de jeugdhulpvraag te vinden; de mogelijkheden om gebruik te maken van een voorziening op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, die niet onder de Jeugdwet vallen; de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een voor de jeugdige en/of de ouders vrij toegankelijke jeugdhulpvoorzieningen of individuele jeugdhulpvoorzieningen. Deze onderwerpen worden genoemd in de verordening om een beeld te scheppen van de inhoud van het gesprek en om aan te geven welke afwegingen spelen bij het in behandeling nemen van een jeugdhulpvraag. Niet alle onderwerpen zullen bij elk gesprek aan de orde komen. Dit is afhankelijk van de inhoud van de jeugdhulpvraag. De medewerker van het jeugden gezinsteam is deskundig en bepaalt met de jeugdige en/of de ouders de inhoud van het gesprek. Het gesprek kan niet altijd in één afspraak worden afgerond. Het is dus mogelijk dat er meerdere gesprekken worden gehouden.

Bij het gesprek kunnen ook andere personen aanwezig zijn. Deze andere betrokkenen zijn personen die van belang zijn voor de jeugdige en/of de ouders en voor het bespreken van de jeugdhulpvraag. Dit kunnen bijvoorbeeld mensen zijn uit het sociale netwerk van de jeugdige of ouders, iemand van een specialistische jeugdhulpvoorziening of school. De jeugdige en/of ouders bepalen in overleg met de hulpverlener van het jeugd- en gezinsteam of er andere personen uitgenodigd zullen worden.

Artikel 7. Inhoud gesprek Tijdens het gesprek tussen de jeugdige en/of de ouders en een hulpverlener van het Jeugdteam wordt onder andere gesproken over - de behoeften, persoonskenmerken, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de hulpvraag; - het gewenste resultaat; - het vermogen van de jeugdige en/of de ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de jeugdhulpvraag te vinden; - de mogelijkheden om gebruik te maken van een voorziening op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, die niet onder de Jeugdwet vallen; - de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een voor de jeugdige en/of de ouders vrij toegankelijke jeugdhulpvoorzieningen of individuele jeugdhulpvoorzieningen. - de verdeling van rollen, taken en verantwoordelijkheden in een mogelijk vervolgproces (zorg coördinatie). Deze onderwerpen worden genoemd in de verordening om een beeld te scheppen van de inhoud van het gesprek en om aan te geven welke afwegingen spelen bij het in behandeling nemen van een jeugdhulpvraag. Niet alle onderwerpen zullen bij elk gesprek aan de orde komen. Dit is afhankelijk van de inhoud van de jeugdhulpvraag. De medewerker van het Jeugdteam is deskundig en bepaalt met de jeugdige en/of de ouders de inhoud van het gesprek.

Het gesprek kan niet altijd in één afspraak worden afgerond. Het is dus mogelijk dat er meerdere gesprekken worden gehouden. Bij het gesprek kunnen ook andere personen aanwezig zijn. Deze andere betrokkenen zijn personen die van belang zijn voor de jeugdige en/of de ouders en voor het bespreken van de jeugdhulpvraag. Dit kunnen bijvoorbeeld mensen zijn uit het sociale netwerk van de jeugdige of ouders, iemand van een specialistische jeugdhulpvoorziening of school. De jeugdige en/of ouders bepalen in overleg met de hulpverlener van het Jeugdteam of er andere personen uitgenodigd zullen worden. Als wij spreken over regie (zorgcoördinatie) hanteren wij de volgende uitgangspunten: De eigen regie van de jeugdige en ouders, ook wel de eigen kracht genoemd, staat voorop en is leidend. De professional bespreekt met jeugdige en gezin en de betrokkenen hoe de krachten en talenten in het gezin en/ of netwerk kunnen bijdragen aan een duurzame oplossing. Wanneer er zorgen zijn in een gezin op meerdere leefgebieden en/ of multi problem casuïstiek is het vaak nodig een regisseur aan te wijzen. Volgens de werkwijze van gezin, 1 plan, 1 regisseur kan dit de jeugdige, een familielid, een goede vriend of een professional zijn. De professional uit

het Jeugdteam neem bij multi-problem casuïstiek de rol van regisseur op zich ongeacht de verwijzer.

Artikel 8. Verslag van het gesprek Van het gesprek tussen de jeugdige en/of de ouders en een hulpverlener van het jeugd- en gezinsteam over de jeugdhulpvraag wordt een verslag op hoofdlijnen gemaakt. De hulpverlener van het jeugd- en gezinsteam maakt dit verslag. Dit verslag wordt zo snel mogelijk nadat het gesprek heeft plaats gevonden, overhandigd aan de jeugdige / ouders. Het verslag wordt opgenomen in het cliëntdossier waar de jeugdige en/of de ouders op elk gewenst moment toegang toe hebben. De jeugdige / ouders hebben ook de mogelijkheid om, indien gewenst, opmerkingen of latere aanvullingen aan het verslag te laten toevoegen. Deze clausule is opgenomen opdat de jeugdige en ouders regie hebben en kunnen hebben, over hun eigen jeugdhulpvraag en dus zeggenschap hebben over de inhoud van het verslag. Zo wordt ook recht gedaan aan het principe van “eigen kracht”. De jeugdige / ouders kunnen ook aangeven dat zij geen exemplaar van het verslag willen ontvangen of het verslag juist op een later tijdstip willen ontvangen. Dit laatste kan bijvoorbeeld door een vakantie van de jeugdige en/of de ouders.

Artikel 8. Verslag van het gesprek Van het gesprek tussen de jeugdige en/of de ouders en een hulpverlener van het Jeugdteam over de jeugdhulpvraag wordt een verslag op hoofdlijnen gemaakt. De hulpverlener van het Jeugdteam maakt dit verslag. Dit verslag wordt zo snel mogelijk nadat het gesprek heeft plaats gevonden, overhandigd aan de jeugdige / ouders. Het verslag wordt opgenomen in het cliëntdossier waar de jeugdige en/of de ouders op elk gewenst moment toegang toe hebben. De jeugdige / ouders hebben ook de mogelijkheid om, indien gewenst, opmerkingen of latere aanvullingen aan het verslag te laten toevoegen. Deze clausule is opgenomen opdat de jeugdige en ouders regie hebben en kunnen hebben, over hun eigen jeugdhulpvraag en dus zeggenschap hebben over de inhoud van het verslag. Zo wordt ook recht gedaan aan het principe van “eigen kracht”.

Artikel 9. Inhoud van het verslag Het gespreksverslag gaat over de afspraken die tussen het jeugd- en gezinsteam en de jeugdige en/of de ouders zijn gemaakt. Het kan zijn dat het verslag een weergave is van meer dan één gesprek. In het verslag staat bijvoorbeeld of een gezinsplan wordt opgesteld en op welke wijze voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen kunnen worden afgestemd op de hulpverlening. Als de jeugdige en/of de ouders hebben aangegeven dat zij willen dat er rekening wordt gehouden met hun levensovertuiging, religieuze en/of culturele achtergrond wordt dit ook in het gespreksverslag vermeld. Bovendien is er een mogelijkheid dat de jeugdige en/of ouders indien gewenst opmerkingen aan het verslag toevoegen.

Artikel 9. Inhoud van het verslag Het gespreksverslag gaat over de afspraken die tussen het Jeugdteam en de jeugdige en/of de ouders zijn gemaakt. Het kan zijn dat het verslag een weergave is van meer dan één gesprek. In het verslag staat bijvoorbeeld of een gezinsplan wordt opgesteld en op welke wijze voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen kunnen worden afgestemd op de hulpverlening. Als de jeugdige en/of de ouders hebben aangegeven dat zij willen dat er rekening wordt gehouden met hun levensovertuiging, religieuze en/of culturele achtergrond wordt dit ook in het gespreksverslag vermeld.

Artikel 10. Opstellen van het gezinsplan Als tijdens het gesprek is afgesproken dat er een gezinsplan wordt opgesteld, wordt dit plan samen met de jeugdige en/of de ouders en mogelijk andere betrokkenen door de hulpverlener van het jeugd- en gezinsteam opgesteld. In de praktijk kan dit betekenen dat het in artikel 8 en 9 genoemde gespreksverslag, wordt omgebouwd tot een gezinsplan. Het gezinsplan wordt opgesteld aan de hand van de werkwijze één gezin - één plan. In het Beleidsplan Hart voor de Jeugd staat: “Uitgangspunt van 1Gezin1Plan is het versterken van de eigen kracht van een gezin, met de ouder

Artikel 10. Opstellen van het gezinsplan Als tijdens het gesprek is afgesproken dat er een gezinsplan/ ondersteuningsplan wordt opgesteld, wordt dit plan samen met de jeugdige en/of de ouders en mogelijk andere betrokkenen door de hulpverlener van het Jeugdteam opgesteld. In de praktijk kan dit betekenen dat het in artikel 8 en 9 genoemde gespreksverslag, wordt omgebouwd tot een gezinsplan.

De jeugdige / ouders kunnen ook aangeven dat zij geen exemplaar van het verslag willen ontvangen of het verslag juist op een later tijdstip willen ontvangen. Dit laatste kan bijvoorbeeld door een vakantie van de jeugdige en/of de ouders.

Ook kunnen afspraken worden gemaakt over de verdeling van rollen, taken en verantwoordelijkheden (zorgcoördinatie) in een mogelijk vervolgproces. Bovendien is er een mogelijkheid dat de jeugdige en/of ouders indien gewenst opmerkingen aan het verslag toevoegen.

Het gezinsplan wordt opgesteld aan de hand van de werkwijze één gezin - één plan. In het Beleidsplan Hart voor de Jeugd staat: “Uitgangspunt van 1Gezin1Plan is het versterken van de eigen kracht van een gezin, met de ouder als regisseur van

als regisseur van het eigen gezinsleven. Ouders, jongeren, leden uit hun sociaal netwerk en betrokken instanties werken samen om de doelen van het gezin te realiseren. Met behulp van de werkwijze 1Gezin1Plan wordt een integraal gezinsplan opgesteld. Dat vormt de verbinding met ondersteuning vanuit bijvoorbeeld onderwijs, Wmo, Werk & inkomen, schuldhulpverlening, volwassenenzorg. 1Gezin1Plan vormt ook de basis voor de samenwerking met sociale wijkteams en het veiligheidshuis. Het is belangrijk dat ook vanuit deze domeinen met de principes en werkwijze van 1Gezin 1 Plan gewerkt wordt. Zo ontstaan integrale hulpplannen op maat voor dat kind of gezin waarbij alle leefdomeinen die een rol spelen bij de problematiek betrokken zijn.” In het gezinsplan staan in de eerste plaats de afspraken over wat de jeugdige en/of de ouders zelf gaan oppakken. Daarnaast wordt beschreven welke vrij toegankelijke jeugdhulpvoorzieningen en welke individuele jeugdhulpvoorzieningen nodig zijn. Het gezinsplan vormt de verbinding met ondersteuning vanuit andere voorzieningen bijvoorbeeld onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen, schuldhulpverlening en volwassenenzorg. Ook de eventuele wachtlijsten van jeugdhulpaanbieders en mogelijke tussenoplossingen om deze wachttijden te overbruggen worden in het gezinsplan meegenomen. Het gezinsplan is geen statisch document.

Er kunnen afspraken aan toegevoegd worden, wanneer dat naar inzicht van de jeugdige en/of de ouders en het jeugd- en gezinsteam van belang is of indien er meerdere vragen/problemen in een gezin zijn, waardoor deze niet allemaal tegelijkertijd kunnen worden opgepakt.

het eigen gezinsleven. Ouders, jongeren, leden uit hun sociaal netwerk en betrokken instanties werken samen om de doelen van het gezin te realiseren. Met behulp van de werkwijze 1Gezin1Plan wordt een integraal gezinsplan opgesteld. Dat vormt de verbinding met ondersteuning vanuit bijvoorbeeld onderwijs, Wmo, Werk & inkomen, schuldhulpverlening, volwassenenzorg. 1Gezin1Plan vormt ook de basis voor de samenwerking met sociale wijkteams en het veiligheidshuis. Het is belangrijk dat ook vanuit deze domeinen met de principes en werkwijze van 1Gezin 1 Plan gewerkt wordt. Zo ontstaan integrale hulpplannen op maat voor dat kind of gezin waarbij alle leefdomeinen die een rol spelen bij de problematiek betrokken zijn.”

Hoofdstuk 4. Behandeling aanvraag individuele jeugdhulpvoorziening

Hoofdstuk 4. Behandeling aanvraag individuele jeugdhulpvoorziening

In artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet staat dat de gemeenteraad voor individuele voorzieningen in een verordening regels moet stellen over de voorwaarden voor toekenning, over de wijze van beoordeling van en over de afwegingsfactoren bij de verlening van een individuele jeugdhulpvoorziening. In hoofdstuk 4 wordt dit uitgewerkt.

In artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet staat dat de gemeenteraad voor individuele voorzieningen in een verordening regels moet stellen over de voorwaarden voor toekenning, over de wijze van beoordeling van en over de afwegingsfactoren bij de verlening van een individuele jeugdhulpvoorziening. In hoofdstuk 4 wordt dit uitgewerkt.

In het gezinsplan staan in de eerste plaats de afspraken over wat de jeugdige en/of de ouders zelf gaan oppakken en op welke wijze het voorliggend veld betrokken kan worden. Daarnaast wordt beschreven welke vrij toegankelijke jeugdhulpvoorzieningen en welke individuele (specialistische) jeugdhulpvoorzieningen nodig zijn. Het gezinsplan vormt de verbinding met ondersteuning vanuit andere voorzieningen bijvoorbeeld onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen, schuldhulpverlening en volwassenenzorg. Ook de eventuele wachtlijsten van jeugdhulpaanbieders en mogelijke tussenoplossingen om deze wachttijden te overbruggen worden in het gezinsplan meegenomen. Het gezinsplan is geen statisch document. Er kunnen afspraken aan toegevoegd worden, wanneer dat naar inzicht van de jeugdige en/of de ouders en het Jeugdteam van belang is of indien er meerdere vragen/problemen in een gezin zijn, waardoor deze niet allemaal tegelijkertijd kunnen worden opgepakt.

De werkwijze van de toegang is te vinden op: https://www.jeugdhulpleidseregio.nl/bestanden//EindversieOpdracht-Gemeentelijke-Toegang.pdf Document t.b.v. werkwijze Centrale intake is vanaf 1 januari 2022 beschikbaar op de website: https://jeugdhulphollandrijnland.nl/documenten/

Artikel 11. Indienen aanvraag via jeugd- en gezinsteam Dit artikel regelt op welke wijze en op welke plek een jeugdige en/of de ouders een aanvraag voor een individuele jeugdhulpvoorziening kunnen indienen. Een aanvraag is nodig om een verleningsbeschikking voor een individuele jeugdhulpvoorziening te krijgen. In de Algemene

Artikel 11. Indienen aanvraag via Jeugdteam Dit artikel regelt op welke wijze en op welke plek een jeugdige en/of de ouders een aanvraag voor een individuele jeugdhulpvoorziening kunnen indienen. Een aanvraag is nodig om een verleningsbeschikking voor een individuele jeugdhulpvoorziening te krijgen. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden regels gegeven over de aanvraag. Deze regels zijn ook van toepassing op een

wet bestuursrecht (Awb) worden regels gegeven over de aanvraag. Deze regels zijn ook van toepassing op een aanvraag voor een individuele voorziening. Dit betekent bijvoorbeeld dat, op grond van artikel 4:1 van de Awb, een aanvraag schriftelijk wordt ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. In het eerste lid is bepaald dat jeugdigen en ouders een aanvraag, zowel mondeling als schriftelijk kunnen indienen bij het jeugd- en gezinsteam. Het nemen van een besluit op een aanvraag is een bevoegdheid van het college. Daarom staat in lid 1dat de aanvraag voor een voorziening aan het college wordt voorgelegd. Via een apart besluit zal het college deze bevoegdheid mandateren aan hulpverleners van het jeugd- en gezinsteam. Dit lijkt omslachtig maar juridisch gezien is het verplicht in de verordening aan te geven dat de besluitvorming bij het college van burgemeester en wethouder ligt. Het mandateren van deze bevoegdheid kan niet in deze verordening worden geregeld, dit gebeurt in een mandaatbesluit van het college.

aanvraag voor een individuele voorziening. Dit betekent bijvoorbeeld dat, op grond van artikel 4:1 van de Awb, een aanvraag schriftelijk wordt ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. In het eerste lid is bepaald dat jeugdigen en ouders een aanvraag, zowel mondeling als schriftelijk kunnen indienen bij het Jeugdteam. Het nemen van een besluit op een aanvraag is een bevoegdheid van het college. Daarom staat in lid 1dat de aanvraag voor een voorziening aan het college wordt voorgelegd. Via een apart besluit zal het college deze bevoegdheid mandateren aan hulpverleners van het Jeugdteam. Dit lijkt omslachtig maar juridisch gezien is het verplicht in de verordening aan te geven dat de besluitvorming bij het college van burgemeester en wethouder ligt. Het mandateren van deze bevoegdheid kan niet in deze verordening worden geregeld, dit gebeurt in een mandaatbesluit van het college.

Het tweede lid bepaalt tevens dat de aanvraag mondeling of schriftelijk kan worden gedaan en dat het jeugd- en gezinsteam de aanvraag begeleidt. Hiermee wordt ook mogelijk gemaakt om, ter voorkoming van onnodige administratieve lasten, verslag of plan als aanvraag aan te merken. In de verordening is geen termijn opgenomen om te beslissen op een aanvraag. De regeling in de Awb geldt onverkort. In artikel 4:13 van de Awb is bepaald dat een beschikking dient te worden gegeven binnen een redelijke termijn. De Awb bepaalt dat een redelijke termijn in ieder geval verstreken is wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven. Indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, dient het bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan de aanvrager mee te delen en daarbij een redelijk termijn te noemen waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien (artikel 4:14, derde lid, van de Awb).

In de verordening is geen termijn opgenomen om te beslissen op een aanvraag. De regeling in de Awb geldt onverkort. In artikel 4:13 van de Awb is bepaald dat een beschikking dient te worden gegeven binnen een redelijke termijn. De Awb bepaalt dat een redelijke termijn in ieder geval verstreken is wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven. Indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, dient het bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan de aanvrager mee te delen en daarbij een redelijk termijn te noemen waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien (artikel 4:14, derde lid, van de Awb).

Deze termijnen zijn maximumtermijnen. Indien nodig, kan en zal na een aanvraag al binnen enkele dagen een individuele jeugdhulpvoorziening worden verstrekt. In complexe situaties zal in de regel in het belang van een zorgvuldig onderzoek een langere termijn nodig zijn. Bijvoorbeeld, indien een langer durend diagnosetraject benodigd is. Van belang is dat het jeugd- en gezinsteam zelf een professionele inschatting maakt van wat een redelijke termijn is, gezien de aard en mate van urgentie van de jeugdhulpvraag. Dit sluit aan bij een van de uitgangspunten van het jeugd- en gezinsteam: “doen wat nodig is”. Artikel 12. Beschikking individuele jeugdhulpvoorziening

Het tweede lid bepaalt tevens dat de aanvraag mondeling of schriftelijk kan worden gedaan en dat het Jeugdteam de aanvraag begeleidt. Hiermee wordt ook mogelijk gemaakt om, ter voorkoming van onnodige administratieve lasten, verslag of plan als aanvraag aan te merken.

Deze termijnen zijn maximumtermijnen. Indien nodig, kan en zal na een aanvraag al binnen enkele dagen een individuele jeugdhulpvoorziening worden verstrekt. In complexe situaties zal in de regel in het belang van een zorgvuldig onderzoek een langere termijn nodig zijn. Bijvoorbeeld, indien een langer durend diagnosetraject benodigd is. Van belang is dat het Jeugdteam zelf een professionele inschatting maakt van wat een redelijke termijn is, gezien de aard en mate van urgentie van de jeugdhulpvraag. Dit sluit aan bij een van de uitgangspunten van het Jeugdteam: “doen wat nodig is”. Het vijfde lid bepaalt dat de Centrale Intake fungeert als toegangspoort tot de voorziening behandeling met verblijf (inclusief ambulante alternatieven ter vervanging van verblijf), met het doel de jeugdige zo snel mogelijk passende hulp te kunnen bieden en waarbij als uitgangspunt geldt dat opname in een verblijfssetting zoveel mogelijk wordt voorkomen. Artikel 12. Beschikking individuele jeugdhulpvoorziening In artikel 2.9 onder a van de Jeugdwet is bepaald dat in de verordening regels moeten worden gesteld over de voorwaarden voor toekenning van een individuele jeugdhulpvoorziening, over de wijze van beoordeling van en de afwegingfactoren bij een individuele jeugdhulpvoorziening. Dit artikel is een uitwerking van deze opdracht. Bij de

In artikel 2.9 onder a van de Jeugdwet is bepaald dat in de verordening regels moeten worden gesteld over de voorwaarden voor toekenning van een individuele jeugdhulpvoorziening, over de wijze van beoordeling van en de afwegingfactoren bij een individuele jeugdhulpvoorziening. Dit artikel is een uitwerking van deze opdracht. Bij de besluitvorming hanteert het college de wettelijke termijn (Awb) van maximaal 8 weken. Het door het JGT en de cliënt opgestelde plan heeft een formele status in de zin van de AWB. De cliënt kan zich dus altijd beroepen op het (formele) plan. Onder a van dit artikel wordt bepaald dat alleen een individuele jeugdhulpvoorziening kan worden verstrekt als de jeugdige niet op eigen kracht of met hulp van zijn ouders of andere personen uit zijn naaste omgeving een oplossing voor zijn jeugdhulpvraag kan vinden. Hiermee wordt aangesloten bij de regionale visie jeugdhulp “Op eigen kracht” (bijlage van Beleidsplan Hart voor de Jeugd): “Voor iedereen is het van belang steun te krijgen uit de directe omgeving van het sociale netwerk. Familie, vrienden, buren en vrijwilligers zijn essentieel bij de opvoeding. Daarom kijken we altijd eerst welke steun en hulp het eigen sociale netwerk kan bieden en hoe we het eigen sociale netwerk kunnen versterken. Steun dichtbij, hoe klein ook is effectief en duurzaam”.

Onder b van dit artikel wordt verder bepaald dat alleen een individuele jeugdhulpvoorziening kan worden verstrekt als de jeugdige geen oplossing voor zijn jeugdhulpvraag kan vinden door gebruik te maken van een vrij toegankelijke jeugdhulpvoorziening, zoals omschreven in artikel 3. Daarmee worden individuele voorzieningen pas ingezet wanneer vrij toegankelijke voorzieningen niet toereikend zijn. Artikel 13. Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening Wanneer jeugdigen of ouders een formele aanvraag bij het college hebben ingediend, moet het college een schriftelijke beschikking opstellen. Ook op deze beschikking is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Jeugdigen en ouders kunnen tegen de beschikking bezwaar en beroep indienen. De mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daarop volgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Awb. Weigering of uitblijven van een beschikking, geeft de burger op grond van de Awb de mogelijkheid om bezwaar in te dienen. De Awb is ook van toepassing als het college het ontvangen van aanvragen en het nemen van besluiten op aanvragen voor individuele jeugdhulpvoorzieningen mandateren aan medewerkers van het jeugd- en gezinsteam.

Het tweede en derde lid regelen welke onderdelen in de beschikking moeten worden opgenomen, indien sprake is van een voorziening in natura dan wel een voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb).

besluitvorming hanteert het college de wettelijke termijn (Awb) van maximaal 8 weken. Het door het Jeugdteam en de cliënt opgestelde plan heeft een formele status in de zin van de AWB. De cliënt kan zich dus altijd beroepen op het (formele) plan. Onder a van dit artikel wordt bepaald dat alleen een individuele jeugdhulpvoorziening kan worden verstrekt als de jeugdige niet op eigen kracht of met hulp van zijn ouders of andere personen uit zijn naaste omgeving een oplossing voor zijn jeugdhulpvraag kan vinden. Hiermee wordt aangesloten bij de regionale visie jeugdhulp “Op eigen kracht” (bijlage van Beleidsplan Hart voor de Jeugd): “Voor iedereen is het van belang steun te krijgen uit de directe omgeving van het sociale netwerk. Familie, vrienden, buren en vrijwilligers zijn essentieel bij de opvoeding. Daarom kijken we altijd eerst welke steun en hulp het eigen sociale netwerk kan bieden en hoe we het eigen sociale netwerk kunnen versterken. Steun dichtbij, hoe klein ook is effectief en duurzaam”. Onder b van dit artikel wordt verder bepaald dat alleen een individuele jeugdhulpvoorziening kan worden verstrekt als de jeugdige geen oplossing voor zijn jeugdhulpvraag kan vinden door gebruik te maken van een vrij toegankelijke jeugdhulpvoorziening, zoals omschreven in artikel 3.

Daarmee worden individuele voorzieningen pas ingezet wanneer vrij toegankelijke voorzieningen niet toereikend zijn. Artikel 13. Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening Wanneer jeugdigen of ouders een formele aanvraag bij het college hebben ingediend, moet het college een schriftelijke beschikking opstellen. Ook op deze beschikking is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Jeugdigen en ouders kunnen tegen de beschikking bezwaar en beroep indienen. De mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daarop volgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Awb. Weigering of uitblijven van een beschikking, geeft de burger op grond van de Awb de mogelijkheid om bezwaar in te dienen. De Awb is ook van toepassing als het college het ontvangen van aanvragen en het nemen van besluiten op aanvragen voor individuele jeugdhulpvoorzieningen mandateren aan medewerkers van het Jeugdteam. Het tweede lid regelt welke onderdelen in de beschikking moeten worden opgenomen, indien sprake is van een voorziening in natura. De vakinhoudelijke medewerker bepaald de inzet, het beoogde resultaat, de ingangsdatum en de duur van de individuele jeugdhulpvoorziening, maar kan de gecontracteerde aanbieder betrekken bij de beoordeling hiervan.

Het derde lid regelt welke onderdelen in de beschikking moeten worden opgenomen, indien sprake is van een voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Het vierde lid gaat over een eventuele ouderbijdrage. De ouderbijdrage geldt alleen in situaties van jeugdhulp met verblijf buiten de thuissituatie (zie artikel 8.2.1 van de Jeugdwet). In de beschikking wordt een eventuele ouderbijdrage alleen als informatie opgenomen. De vaststelling en inning geschieden namelijk niet door de gemeente maar door het bestuursorgaan dat namens de

Het vierde lid gaat over een eventuele ouderbijdrage. De ouderbijdrage geldt alleen in situaties van jeugdhulp met verblijf buiten de thuissituatie (zie artikel 8.2.1 van de Jeugdwet). In de beschikking wordt een eventuele ouderbijdrage alleen als informatie opgenomen. De vaststelling en inning geschieden namelijk niet door de gemeente maar door het bestuursorgaan dat namens de gemeente met de inning is belast. Dit bestuursorgaan zal het CAK zijn.

gemeente met de inning is belast. Dit bestuursorgaan zal het CAK zijn.

Lid 5 maakt mogelijk dat niet bij elke verlening en verstrekking van een individuele jeugdhulpvoorziening een beschikking wordt afgegeven. Tevens wordt geregeld dat in elk geval wel een beschikking wordt afgegeven bij een pgb, weigering van een aangevraagde voorziening of als de jeugdige en/of ouders dat wensen. De laatste twee gevallen zijn van belang omdat dit hiermee de rechtszekerheid van de burger wordt geregeld. Als in overleg tussen het jeugd- en gezinsteam en de jeugdige en/of ouders wordt besloten dat geen beschikking wordt afgegeven, wordt wel geregistreerd in het dossier van de jeugdige dat een individuele voorziening is verstrekt.

Het vijfde lid maakt het mogelijk dat niet bij elke verlening en verstrekking van een individuele jeugdhulpvoorziening een beschikking wordt afgegeven. Tevens wordt geregeld dat in elk geval wel een beschikking wordt afgegeven bij een pgb, weigering van een aangevraagde voorziening; als de jeugdige en of ouders het niet eens zijn over de voorziening of als de jeugdige en/of ouders dat wensen. De laatste drie gevallen zijn van belang omdat dit hiermee de rechtszekerheid van de burger wordt geregeld.

In een beschikking maakt het college het besluit bekend over het verlenen van een individuele jeugdhulpvoorziening. Wettelijk heeft iedere jeugdige en/ of gezin recht op een beschikking bij elk besluit over niet vrij-toegankelijke zorg. Als jeugdhulpaanbieder en jeugdige en/ of ouder(s) het eens zijn over het hulpaanbod en dus niet van plan is bezwaar te maken, heeft een beschikking uit oogpunt van rechtsbescherming geen toegevoegde waarde. Dit, en de wens (administratieve) regeldruk van de Jeugdteams te beperken, is besloten tot het verstrekken van een beschikking alleen in de in lid 5 genoemde situaties.

Als in overleg tussen het Jeugdteam en de jeugdige en/of ouders wordt besloten dat geen beschikking wordt afgegeven, wordt wel geregistreerd in het dossier van de jeugdige dat een individuele voorziening is verstrekt. Ook wordt een verwijzing gegeven naar de contracteerde aanbieder. Lid 6 benoemt dat de verwijzing naar de gecontracteerde aanbieder, mits voorzien van het genoemde onder lid 2 a., b. en c. derhalve beschouwd kan worden als een beschikking.

Hoofdstuk 5. Individuele jeugdhulpvoorzieningen via persoonsgebonden budget (pgb) Een persoonsgebonden budget (pgb) is een geldbedrag waarmee een persoon zelf zorg, begeleiding, hulp, hulpmiddelen of voorzieningen in kan kopen. In 2015 wordt het pgb via trekkingsrecht geregeld. Bij trekkingsrechten komt het budget niet meer op de rekening van de budgethouder, maar bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) op de bankrekening te staan. De budgethouder stuurt de rekeningen voor het betalen van zorgverleners naar de SVB en zij controleert vooraf of het om verzekerde zorg gaat. Artikel 14. Individuele jeugdhulpvoorziening via persoonsgebonden budget (pgb) In het eerste lid is verankerd dat het college op grond van artikel 8.1.1 van de Jeugdwet een pgb kan verstrekken. Er is een verwijzing opgenomen naar het centrale pgb artikel (8.1.1) van de Jeugdwet. Daarin wordt een compleet beeld gegeven van de rechten en plichten van de cliënt. Als aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan, kan van een verplichting van het college worden gesproken (zie ook de tekst van artikel 8.1.1, eerste lid: “Indien de jeugdige of zijn ouders dit

Hoofdstuk 5. Individuele jeugdhulpvoorzieningen via persoonsgebonden budget (pgb) Een persoonsgebonden budget (pgb) is een geldbedrag waarmee een persoon zelf zorg, begeleiding, hulp, hulpmiddelen of voorzieningen in kan kopen. Vanaf 2015 is het pgb via trekkingsrecht geregeld. Bij trekkingsrechten komt het budget niet meer op de rekening van de budgethouder, maar bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) op de bankrekening te staan. De budgethouder stuurt de rekeningen voor het betalen van zorgverleners naar de SVB en zij controleert vooraf of het om verzekerde zorg gaat.

Artikel 14. Individuele jeugdhulpvoorziening via persoonsgebonden budget (pgb) In het eerste lid is verankerd dat het college op grond van artikel 8.1.1 van de Jeugdwet een pgb kan verstrekken. Er is een verwijzing opgenomen naar het centrale pgb artikel (8.1.1) van de Jeugdwet. Daarin wordt een compleet beeld gegeven van de rechten en plichten van de cliënt. Als aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan, kan van een verplichting van het college worden gesproken (zie ook de tekst van artikel 8.1.1, eerste lid: “Indien de jeugdige of zijn ouders dit wensen …”) om een pgb te verstrekken in plaats van een voorziening in natura.

wensen …”) om een pgb te verstrekken in plaats van een voorziening in natura.

•

•

•

Van belang is dat een pgb slechts wordt verstrekt indien (zie artikel 8.1.1, derde lid): de jeugdige of zijn ouders op eigen kracht of met hulp uit hun sociale netwerk of met hulp van een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde, voldoende in staat zijn de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; de jeugdige of zijn ouders gemotiveerd kunnen aantonen dat de individuele jeugdhulpvoorziening die door een aanbieder wordt geleverd, niet passend is; gewaarborgd is dat de jeugdhulp die tot de individuele jeugdhulpvoorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is. Het tweede lid van artikel 14 berust op artikel 2.9, onder c, van de Jeugdwet. In deze wetsbepaling staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld. Deze bevoegdheid wordt in het tweede lid gedelegeerd aan het college.

Van belang is dat een pgb slechts wordt verstrekt indien (zie artikel 8.1.1, derde lid): - de jeugdige of zijn ouders op eigen kracht of met hulp uit hun sociale netwerk of met hulp van een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde, voldoende in staat zijn de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;

-

de jeugdige of zijn ouders gemotiveerd kunnen aantonen dat de individuele jeugdhulpvoorziening die door een aanbieder wordt geleverd, niet passend is;

-

gewaarborgd is dat de jeugdhulp die tot de individuele jeugdhulpvoorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is.

Het tweede lid van artikel 14 berust op artikel 2.9, onder c, van de Jeugdwet. In deze wetsbepaling staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld. Deze bevoegdheid wordt in het tweede lid gedelegeerd aan het college. In de eerste plaats wordt gekeken naar adequaatheid van een jeugdhulpvoorziening en in tweede instantie zijn de kosten leidend in de keuze die gemaakt wordt. Op die manier wordt gestreefd naar passende zorg voor alle kinderen, die dat nodig hebben. Er vindt geen indexatie plaats van het tarief voor de inzet van het sociaal netwerk, het tarief is immers niet gelieerd aan zorg in natura. Het PGB sociaal netwerk wordt niet gezien als inkomensvoorziening. Indien de ontwikkeling van de inflatie en/ of de stijging van het minimumloon hier aanleiding toe geeft, kan de raad besluiten tot aanpassing van dit tarief.

In het derde lid is beschreven dat het college in nadere regels uitwerkt onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk. Dit is een uitwerking van het bepaalde in artikel 8.1.1 lid 4 van de Jeugdwet. Hoofdstuk 6. Overige wijzen van toegang tot jeugdhulp Artikel 15. Verwijzing naar jeugdhulp door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de door de gemeente georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de huisarts, medisch specialist en jeugdarts kunnen verwijzen naar de jeugdhulp. Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke voorzieningen als de individuele (niet vrijtoegankelijke) voorzieningen. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zijn die na de verwijzing beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren

In het derde lid is beschreven dat het college in nadere regels uitwerkt onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk. Dit is een uitwerking van het bepaalde in artikel 8.1.1 lid 4 van de Jeugdwet.

Hoofdstuk 6. Overige wijzen van toegang tot jeugdhulp Artikel 15. Verwijzing naar jeugdhulp door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de door de gemeente georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de huisarts, medisch specialist en jeugdarts kunnen verwijzen naar de jeugdhulp. Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke voorzieningen als de individuele (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zijn die na de verwijzing beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen.

op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen. De verwijzing van de huisarts, medisch specialist of jeugdarts geeft dus rechtstreeks toegang tot de jeugdhulp. Er zal geen beschikking volgen van de gemeente. De gemeente moet wel zorgen dat er voldoende zorg beschikbaar is. Als de jeugdige en/of ouders het niet eens kunnen worden, kan de jeugdhulpaanbieder de jeugdige en- of ouders erop wijzen dat zij een aanvraag voor jeugdhulp kunnen indienen bij het jeugd- en gezinsteam. Het is van belang dat de verwijzing goed verloopt. De gemeente zal daarom afspraken maken met artsen en aanbieders over de verwijzing naar jeugdhulp. Dit wordt benoemd in artikel 23 van deze verordening. Artikel 16. Jeugdhulp bij kinderbeschermingsmaatregel en jeugdreclassering Het artikel gaat over de verplichtingen die de gemeente heeft als er een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering is opgelegd door de rechter. Zowel de kinderbeschermingsmaatregel als de jeugdreclassering worden uitgevoerd door een gecertificeerde instelling. De jeugdbeschermer en jeugdreclassering mogen in het kader van de maatregel, besluiten tot inzet van jeugdhulp.

Dat de jeugdbeschermer en de jeugdreclasseerder deze bevoegdheid hebben staat in artikel 3.5 van de Jeugdwet In het eerste lid wordt verwoord dat de gemeente zorg draagt voor een toereikend aanbod van jeugdhulpvoorzieningen, zodat de uitspraak van de rechter (of een andere instantie) kan worden uitgevoerd. Hiervoor verstrekt het college geen beschikking als bedoeld in artikel 12. Artikel 17. Jeugdhulp in spoedeisend geval In dit artikel staat dat het college in spoedeisende gevallen een tijdelijke voorziening kunnen te treffen. Dit is het geval als een spoedmachtiging is afgegeven door de rechter (of andere instantie) omdat onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is en de reguliere machtiging niet kan worden afgewacht. De Jeugdwet noemt de inzet jeugdhulp in spoedeisende gevallen in artikel 6.1.3 en 6.1.8.

De verwijzing van de huisarts, medisch specialist of jeugdarts geeft dus rechtstreeks toegang tot de jeugdhulp. Er zal geen beschikking volgen van de gemeente. De gemeente moet wel zorgen dat er voldoende zorg beschikbaar is. Als de jeugdige en/of ouders het niet eens kunnen worden, kan de jeugdhulpaanbieder de jeugdige en- of ouders erop wijzen dat zij een aanvraag voor jeugdhulp kunnen indienen bij het Jeugdteam. Het is van belang dat de verwijzing goed verloopt. De gemeente zal daarom afspraken maken met artsen en aanbieders over de verwijzing naar jeugdhulp. Dit wordt benoemd in artikel 23 van deze verordening.

De Leidse regio heeft de ambitie om de beweging naar voren te maken (voorveld) en om (opvoed)vragen minder te verwijzen naar specialistische jeugdhulp. Daarom wordt, naast het maken van afspraken, extra geïnvesteerd op de samenwerking met de huisartsen. Zo kan de medewerker van het Jeugdteam de rol van praktijkondersteuner jeugd (POH-J) vervullen. Afhankelijk van de lokale situatie kan bijvoorbeeld ook de POH GGZ, die in de meeste praktijken reeds werkzaam is, worden ingezet wanneer de POH GGZ ook over de specialisatie ‘jeugd’ beschikt (of deze wil behalen). Ongeacht wie deze ondersteuning van de huisarts uitvoert, deze taak is voor ons een van de prioriteiten en wij vinden het van belang dat er aan de voorkant een brede vraagverheldering is, gaan wij ervan uit dat in een vroegtijdig stadium passende hulp kan worden geboden. Artikel 16. Jeugdhulp bij kinderbeschermingsmaatregel en jeugdreclassering Het artikel gaat over de verplichtingen die de gemeente heeft als er een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering is opgelegd door de rechter. Zowel de kinderbeschermingsmaatregel als de jeugdreclassering worden uitgevoerd door een gecertificeerde instelling. De jeugdbeschermer en jeugdreclassering mogen in het kader van de maatregel, besluiten tot inzet van jeugdhulp.

Dat de jeugdbeschermer en de jeugdreclasseerder deze bevoegdheid hebben staat in artikel 3.5 van de Jeugdwet In het eerste lid wordt verwoord dat de gemeente zorg draagt voor een toereikend aanbod van jeugdhulpvoorzieningen, zodat de uitspraak van de rechter (of een andere instantie) kan worden uitgevoerd. Hiervoor verstrekt het college geen beschikking als bedoeld in artikel 12.

Artikel 17. Jeugdhulp in crisisgeval In dit artikel staat dat het college in crisisgevallen een tijdelijke voorziening kan treffen. Dit is het geval als een spoedmachtiging is afgegeven door de rechter (of andere instantie) omdat onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is en de reguliere machtiging niet kan worden afgewacht. De Jeugdwet noemt de inzet jeugdhulp in crisisgevallen in artikel 6.1.3 en 6.1.8. In dit artikel wordt specifiek genoemd dat het college dit besluit neemt in afwijking van artikel 11 en 12. Het kan zijn dat vanwege de spoed er nog geen goed gemotiveerde aanvraag is en dat nog niet echt duidelijk is of aan de voorwaarden voor een individuele voorziening is voldaan. Na

In dit artikel wordt specifiek genoemd dat het college dit besluit neemt in afwijking van artikel 11 en 12. Het kan zijn dat vanwege de crisis er nog geen goed gemotiveerde aanvraag is en dat nog niet echt duidelijk is of aan de voorwaarden voor een individuele voorziening is voldaan. Na

het treffen van een tijdelijke voorziening zal daarin later worden voorzien.

het treffen van een tijdelijke voorziening zal daarin later worden voorzien.

Hoofdstuk 7. Overige bepalingen

Hoofdstuk 7. Overige bepalingen

Artikel 18. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Volgens de wet is een jeugdige en/of de ouders verplicht mede te delen wanneer er zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen waarvan men redelijkerwijs kan verwachten dat die van invloed op de individuele jeugdhulpvoorziening kunnen zijn. Dit wordt benadrukt in lid 1. In lid 2 wordt aangegeven dat de gemeente ook zelf de situatie kan bekijken en kan besluiten om een beslissing over individuele jeugdhulpvoorziening te herzien, in te trekken of terug te vorderen en onder welke omstandigheden de gemeente dit mag doen. Lid 3 regelt dat als door de jeugdige en/of de ouders onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt die bij volledigheid en/of juistheid tot een andere beslissing hadden geleid, het pgb of de geldswaarde van de voorziening (de daadwerkelijke kosten van de voorziening) kunnen worden teruggevorderd. Lid 4 geeft aan dat als een pgb na een jaar nog niet is gebruikt voor het doel waarvoor het is verstrekt het besluit kan worden ingetrokken. Tot slot geeft lid 5 aan dat het college de besteding van het pgb kan controleren. Artikel 19.

Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering In artikel 2.12 van de Jeugdwet staat omschreven dat de gemeente in de verordening moet regelen dat het college hierover afspraken moet maken. Via dit artikel voldoet de gemeente hieraan en geeft de raad deze opdracht aan het college. Naast de in dit artikel genoemde aspecten kunnen ook andere zaken in overweging genomen worden, zoals de NZA-richtlijnen (Nederlandse Zorgautoriteit) voor prijzen van jeugdhulp. Artikel 20. Vertrouwenspersoon De vertrouwenspersoon wordt landelijk geregeld. Gemeenten hebben er gezamenlijk voor gekozen dat de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) dit namens alle gemeenten inkoopt bij het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ), een stichting die op dit moment ook het vertrouwenswerk voor de jeugdzorg uitvoert. Artikel 21. Inspraak en medezeggenschap In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over inspraak en medezeggenschap bij de gemeente. De mogelijkheid tot inspraak en medezeggenschap tegenover de aanbieder is al geregeld in artikel 4.2.4 en verder van de wet. Opgemerkt wordt dat regeling van de inspraak en medezeggenschap in artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015, op grond van artikel 2.10 van de

Artikel 18. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Volgens de wet is een jeugdige en/of de ouders verplicht mede te delen wanneer er zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen waarvan men redelijkerwijs kan verwachten dat die van invloed op de individuele jeugdhulpvoorziening kunnen zijn. Dit wordt benadrukt in lid 1. In lid 2 wordt aangegeven dat de gemeente ook zelf de situatie kan bekijken en kan besluiten om een beslissing over individuele jeugdhulpvoorziening te herzien, in te trekken of terug te vorderen en onder welke omstandigheden de gemeente dit mag doen. Lid 3 regelt dat als door de jeugdige en/of de ouders onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt die bij volledigheid en/of juistheid tot een andere beslissing hadden geleid, het pgb of de geldswaarde van de voorziening (de daadwerkelijke kosten van de voorziening) kunnen worden teruggevorderd. Lid 4 geeft aan dat als een pgb na een jaar nog niet is gebruikt voor het doel waarvoor het is verstrekt het besluit kan worden ingetrokken. Artikel 20. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering In artikel 2.12 van de Jeugdwet staat omschreven dat de gemeente in de verordening moet regelen dat het college hierover afspraken moet maken.

Via dit artikel voldoet de gemeente hieraan en geeft de raad deze opdracht aan het college. Naast de in dit artikel genoemde aspecten kunnen ook andere zaken in overweging genomen worden, zoals de NZA-richtlijnen (Nederlandse Zorgautoriteit) voor prijzen van jeugdhulp. Artikel 21. Vertrouwenspersoon De vertrouwenspersoon wordt landelijk geregeld. Gemeenten hebben er gezamenlijk voor gekozen dat de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) dit namens alle gemeenten inkoopt bij het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ), een stichting die op dit moment ook het vertrouwenswerk voor de jeugdzorg uitvoert. Artikel 22. Inspraak en medezeggenschap In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over inspraak en medezeggenschap bij de gemeente. De mogelijkheid tot inspraak en medezeggenschap tegenover de aanbieder is al geregeld in artikel 4.2.4 en verder van de wet. Opgemerkt wordt dat regeling van de inspraak en medezeggenschap in artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015, op grond van artikel 2.10 van de Jeugdwet van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. Dit leidt ertoe dat bij verordening moet worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet. In lid 1 van dit artikel verwijst naar de regelgeving van artikel 150 van de Gemeentewet. Lid 2 waarborgt dat er wordt dat voor het jeugdhulpbeleid een zelfde

Jeugdwet van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. Dit leidt ertoe dat bij verordening moet worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet. In lid 1 van dit artikel verwijst naar de regelgeving van artikel 150 van de Gemeentewet. Lid 2 waarborgt dat er wordt dat voor het jeugdhulpbeleid een zelfde inspraakprocedure geldt als voor andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Lid 3 regelt dat inwoners van de jeugdhulpregio Holland Rijnland kunnen deelnemen aan een regulier overleg. Inwoners van de jeugdhulpregioHollandRijnland kunnen onderwerpen aandragen voor dit overleg en ondersteuning krijgen. In lid 4 wordt het aan het college de mogelijkheid geboden om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven. Artikel 22. Klachtregeling Deze bepaling is aanvullend op de klachtregeling uit artikel 4.2.1 van de Jeugdwet en hoofdstuk 9 Klachtenbehandeling van de Algemene wet bestuursrecht. Het is zo dat de aanbieder in eerste instantie zal (moeten) worden aangesproken bij klachten van jeugdigen en/of ouders over de behandeling.

Het Beleidsplan Hart voor de jeugd zegt daarover “Het effectief en laagdrempelig bemiddelen bij en afhandelen van klachten van cliënten is een verantwoordelijkheid van de jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen”. Artikel 23. Toepassen verordening en stellen nadere regels Omdat de interpretatie van de verordening tot misverstanden kan leiden is in lid 1 van dit artikel geregeld dat bij dergelijke misverstanden moet worden teruggegrepen naar de Jeugdwet (inclusief memorie van toelichting). Zo kan worden achterhaald wat er precies met een bepaald woord of bepaalde term wordt bedoeld. In lid 2 geeft de raad aan het college de bevoegdheid om nadere regels te stellen ten behoeve van de uitvoering van deze verordening. Lid 3 regelt dat het college met huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen afspraken zal maken over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing zoals bedoeld in artikel 15 plaatsvindt. Dit komt overeen met artikel 2.7, lid 4 van de Jeugdwet. Waarschijnlijk zullen deze afspraken regionaal of op landelijk niveau worden gemaakt en worden daarna lokaal onder regie van de gemeente uitgewerkt. Artikel 24. Hardheidsclausule Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om van deze verordening af te wijken in zeer schrijnende gevallen waarvoor geen passende voorziening volgens de regelgeving mogelijk is.

De hardheidsclausule kan dan door het college ingezet worden bij uitzonderingsgevallen.

inspraakprocedure geldt als voor andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Lid 3 regelt dat inwoners van de jeugdhulpregio Holland Rijnland kunnen deelnemen aan een regulier overleg. Inwoners van de jeugdhulpregioHollandRijnland kunnen onderwerpen aandragen voor dit overleg en ondersteuning krijgen. In lid 4 wordt het aan het college de mogelijkheid geboden om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven. Artikel 23. Klachtregeling Deze bepaling is aanvullend op de klachtregeling uit artikel 4.2.1 van de Jeugdwet en hoofdstuk 9 Klachtenbehandeling van de Algemene wet bestuursrecht. Het is zo dat de aanbieder in eerste instantie zal (moeten) worden aangesproken bij klachten van jeugdigen en/of ouders over de behandeling. Het Beleidsplan Hart voor de jeugd zegt daarover “Het effectief en laagdrempelig bemiddelen bij en afhandelen van klachten van cliënten is een verantwoordelijkheid van de jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen”. Artikel 24. Toepassen verordening en stellen nadere regels Omdat de interpretatie van de verordening tot misverstanden kan leiden is in lid 1 van dit artikel geregeld dat bij dergelijke misverstanden moet worden teruggegrepen naar de Jeugdwet (inclusief memorie van toelichting).

Zo kan worden achterhaald wat er precies met een bepaald woord of bepaalde term wordt bedoeld. In lid 2 geeft de raad aan het college de bevoegdheid om nadere regels te stellen ten behoeve van de uitvoering van deze verordening. In lid 3 geeft de raad aan het college de bevoegdheid om grenzen te stellen aan de duur en de omvang van individuele jeugdhulpvoorzieningen. Lid 6 regelt dat het college met huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen afspraken zal maken over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing zoals bedoeld in artikel 15 in de verordening plaatsvindt. Dit komt overeen met artikel 2.7, lid 4 van de Jeugdwet. Waarschijnlijk zullen deze afspraken regionaal of op landelijk niveau worden gemaakt en worden daarna lokaal onder regie van de gemeente uitgewerkt. Artikel 25. Hardheidsclausule Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om van deze verordening af te wijken in zeer schrijnende gevallen waarvoor geen passende voorziening volgens de regelgeving mogelijk is. De hardheidsclausule kan dan door het college ingezet worden bij uitzonderingsgevallen.

Artikel 25. Overgangsrecht Dit artikel regelt dat jeugdigen die al aanspraak maken op jeugdhulp (dus vóór de inwerkingtreding van de Jeugdwet) en deze verordening, deze jeugdhulp kunnen blijven houden tot uiterlijk 1 januari 2016. Dit overgangsrecht geldt voor jeugdigen die een indicatiebesluit of verwijzing voor (jeugd)zorg in het kader van de AWBZ Wjz en Zvw hebben. De bedoeling daarvan is dat deze jeugdigen een overgangsperiode krijgen waarin er voor hen niets verandert en zij zich kunnen instellen op de nieuwe situatie. De overgangsperiode verschilt naar gelang de resterende looptijd van het indicatiebesluit, maar eindigt in elk geval een jaar na inwerkingtreding van deze wet.Voor pleegzorg is een uitzondering gemaakt en is er geen einddatum indien vóór de inwerkingtreding van deze wet een indicatiebesluit is afgegeven waarin is vastgesteld dat de jeugdige is aangewezen op pleegzorg.

Artikel 26. Overgangsrecht Dit artikel regelt dat jeugdigen die al aanspraak maken op jeugdhulp, deze jeugdhulp kunnen blijven houden tot uiterlijk 1 januari 2023. De bedoeling daarvan is dat deze jeugdigen een overgangsperiode krijgen waarin er voor hen niets verandert en zij zich kunnen instellen op de nieuwe situatie. De overgangsperiode verschilt naar gelang de resterende looptijd van het indicatiebesluit, maar eindigt in elk geval een jaar na inwerkingtreding van deze Verordening.

Artikel 26. Inwerkingtreding Dit artikel regelt de inwerkingtreding. De verordening zelf dient voor 1 november 2014 te zijn vastgesteld door de raad.

Artikel 28. Citeertitel Dit artikel geeft de officiële benaming weer. De verordening zal via deze naam zijn terug te vinden (conform de wet elektronische bekendmaking).

Artikel 27. Citeertitel Dit artikel geeft de officiële benaming weer. De verordening zal via deze naam zijn terug te vinden (conform de wet elektronische bekendmaking).

Voor pleegzorg en perspectief biedende kleinschalige woonvormen is een uitzondering gemaakt en is er geen einddatum indien vóór de inwerkingtreding van deze Verordening een indicatiebesluit is afgegeven waarin is vastgesteld dat de jeugdige is aangewezen op pleegzorg en bovengenoemde kleinschalige woonvormen. Artikel 27. Inwerkingtreding Dit artikel regelt de inwerkingtreding.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10703663/1