CConstaterende datLeiden
Koppel je AI →
Document · PDF

210105 Bijlage 5 Verzamelde inspraakreacties (geanonimiseerd)

Gemeenteraad 27 januari 2022, gemeente LeidenBij agendapunt: RV 21.0105 Visie op de bezoekerseconomie Leiden 2021-202431.546 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Vrouwen, mensen met een allochtone achtergrond, studenten, dertigers en veertigers, praktisch opgeleiden, jongeren en expats waren niet of nauwelijks aanwezig. Wij denken dat het ontbreken van deze groepen bewoners bij participatie niet in het belang is van de stad en voor het benodigde draagvlak. Voor een volgende keer zouden wij het college dan ook willen vragen om meer tijd en energie in te steken in de diversiteit van de deelnemende bewoners. Tot slot. Wij denken dat het verstandig is geweest om afgelopen jaar, toen de bezoekerseconomie en de stad stil stonden, ons te bezinnen op dit vraagstuk. Onze organisaties werken graag mee aan het weer opstarten van de bezoekerseconomie en een verdere verbetering daarvan, zodat onze prachtige stad in de toekomst levendig en leefbaar blijft. Met vriendelijke groet,

Centrummanager Cultuurmakelaar

Directeur Leiden Marketing

2

Inspraakreactie 15

Inspraakreactie nota of plan indienen voor inwoners Inspraakreactie Wat is de naam van het plan/concept beleidsnota? Wat is het zaaknummer? Inspraakreactie

Concept Visie Bezoekerseconomie 3276865 Zie bijlage. De Zienswijze wordt ingediend mede namens andere wijkverenigingen van de binnenstad.

Documenten toevoegen Documenten toevoegen

Zienswijze Visie Bezoekerseconomie.pdf

Uw gegevens Uw gegevens Voornaam* Voorvoegsel(s) Achternaam*

Adresgegevens

Straatnaam* Huisnummer* Huisletter Huisnummertoevoeging Postcode* Woonplaats*

Contactgegevens E-mailadres* Telefoonnummer

Controleren en verzenden

02-09-2021 23:34:03

pagina 1 van 1

Inspraakreactie 15

Aan het College van Burgemeester en Wethouders. Bargelaan 190 2333CW Leiden Betreft: Zienswijze op de (concept) “Visie Bezoekerseconomie” (zaaknr. Z/21/3276865) Samenvatting en adviezen. De door het college gepresenteerde conceptdocument “Visie Bezoekerseconomie” schiet op veel cruciale punten ernstig tekort, zowel voor wat betreft de onderbouwing van de vele economische en sociale aannames als de kerngedachte van het vinden van een balans tussen ‘levendigheid’ en ‘leefbaarheid’. Niet alleen worden deze begrippen onvoldoende afgebakend maar wordt de geponeerde stelling dat beiden samenhangen en elkaar zelfs wederzijds versterken op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt. Bewoners van de binnenstad vechten niet het mogelijke belang van een visie op een bezoekerseconomie aan maar zien zowel bijster weinig terug van hun eigen belang daarbij, zeker de leefbaarheid, als van beleid dat zou moeten leiden tot een duurzame levendigheid. Schrijnend is de bewuste keuze om wel een analyse en opsomming te geven van de vele (veronderstelde) baten maar niet van de (economische en sociale) kosten. Een degelijke kosten/baten analyse die beleidsrichtingen moeten bepalen ontbreekt dus. In feite zijn zelfs vele genoemde baten slecht of geheel niet onderbouwd en daarmee slechts wensgedachten.

Hiermee is een beleidsstuk dat pretendeert economische vraagstukken te adresseren gewoonweg geen geloofwaardig economisch beleidsstuk. Noch is het een geloofwaardige visie op de balans tussen levendigheid en leefbaarheid. Referenties naar de Leefbaarometer zijn zinnig, maar alleen als ook de onderliggende indicatoren onder de loep worden genomen èn meebepalend zijn voor beleid, anders is er sprake van misleiding. Er wordt gesproken van een zich aanpassend (‘adaptief’) beleid. Maar een voorstel voor een noodzakelijkerwijs daar bijbehorend monitoringskader met éénduidige, concrete indicatoren is er niet. Evenmin wordt toegelicht hoe een samenwerkingsverband dat zich over de vraag moet buigen of, en welke aanpassingen wanneer nodig zouden zijn eruit zou moeten zien, laat staan met welke gegevens zij dan moeten werken en hoe. Dit zijn belangrijke omissies. Het college heeft zich zeker veel moeite getroost om een zo goed mogelijk participatietraject te doorlopen en zoveel mogelijk Leidenaren te betrekken. Desalniettemin was de deelname (deels verklaarbaar maar ook te voorkomen) uiterst minimaal. Daarnaast was er geen sprake van een gelijk speelveld voor de diverse actoren. De economische actoren werd de overhand verleend, de bewoners (en hun wijkverenigingen) werden systematisch achtergesteld.

Hiermee kan in elk geval niet de conclusie getrokken worden dat de visie breed gedragen wordt en zeker niet onder de bewoners. Advies 1: Formuleer voor alle partijen aanvaardbare werkdefinities van zowel ‘levendigheid’ en ‘leefbaarheid’, geef een concrete beschrijving van de onderlinge samenhang en preciseer hoe en wanneer deze twee entiteiten als zijnde in balans en elkaar wederzijds versterkend kunnen worden beschouwd. Advies 2: Voer een degelijke, zowel kwalitatieve als kwantitatieve economische en sociale kosten/batenanalyse uit die een concrete en voor alle partijen duidelijk inzichtelijke onderbouwing verschaffen voor te kiezen beleidsrichtingen. Specificeer zowel de baten als de kosten. Geef hierbij ook aan wat de exacte kosten mitigerende maatregelen zullen zijn, inclusief handhaving, en hun 1

kosten voor het belastingbetalende Leidse publiek. Doe dit laatste ook voor de beleid stimulerende maatregelen voor het binnenhalen van baten door private partijen (ondernemers, investeerders). Advies 3: Adviezen 1 & 2 in acht nemende, zet voor implementatie van het voorgenomen adaptieve beleid een concreet monitoringssysteem op en formuleer een set van éénduidige indicatoren die gevolgd kunnen worden en waarvan het verloop al dan niet tot noodzaak voor aanpassingen kunnen leiden. Neem zulks op in het visiedocument. Bedeel bewoners (en hun verenigingen) in het samenwerkingsverband dat zich moet buigen over de vraag of beleidsaanpassingen (en welke) nodig zijn een rol toe die gelijkwaardig is aan die van de economische actoren. Advies 4: Verwerk de uitkomsten van bovenstaande adviezen in een herzien concept “Visie Bezoekerseconomie” en leg die opnieuw ter inzage voor inspraak. Inleiding. Om met de deur in huis te vallen, wij lezen hier het sprookje van “De nieuwe kleren van de keizer”. Alle toeschouwers ‘levendigheid’ juichen de keizer toe en complimenteren hem met zijn nieuwe kleren maar de toeschouwers ‘leefbaarheid’ zien de waarheid, de keizer is naakt en daarmee een belediging! Nu naar de inhoud. U heeft een uitgebreide reactie ontvangen van de heer wonende op de 5de Binnenvestgracht. In het algemeen ondersteunen wij zijn reactie.

Onze reactie is hier een afgeleide van maar wel autonoom. Wij benadrukken dat wij als bewoners niets tegen “reuring” hebben en daar ook van profiteren, we eenieder die daarmee haar/zijn brood verdient dat ook van harte gunnen, en dat wij er begrip voor hebben dat na de moeilijke coronaperiode een mate van steun aan ondernemers verleend wordt. En wij hebben ook niets tegen bezoekers uit welke categorie dan ook die de binnenstad bezoeken maar zijn beducht voor mogelijke massaliteit. Onze zorg ligt vooral ook daar waar de nog te tolereren last van “reuring” overgaat in onaanvaardbare overlast en tevens wanneer door een disbalans het DNA van de stad zodanig muteert dat Leiden voor ons onherkenbaar wordt. Het zal u bekend zijn dat wanneer veranderingen in DNA tot daadwerkelijke mutaties leiden, deze mutaties doorgaans schadelijk zo niet lethaal zijn. Vrij vertaald betekent dit dat ongebreidelde bezoekersstromen en daarmee samenhangende economische activiteiten uiteindelijk de duurzaamheid van ‘levendigheid’ teniet zullen doen en de ‘leefbaarheid’ zwaar aantasten. Algemeen. Wij lezen in het gehele verhaal de grote economische voordelen van de bezoekerseconomie die ook ten goede komt aan de leefbaarheid.

De grote voordelen worden uitgebreid beargumenteerd en onderbouwd met allerlei vage onderzoeken terwijl de leefbaarheid slechts voorkomt in de zin van balans tussen levendigheid en leefbaarheid (let op de volgorde!). Hoe een dergelijke balans er dan precies uit moet zien wordt echter nergens gedefinieerd en valt ook niet indirect af te leiden uit verdere tekst want dat gaat toch bovenal over stimulering van “reuring” en wat eraan te verdienen valt. Wij kunnen dus alleen maar concluderen dat de leefbaarheid in dit beleidsstuk (opnieuw) het ondergeschikte kind blijft dat zich maar moet schikken naar de zo positief mogelijke financieeleconomische balans van de opgeblazen bezoekerseconomie.

2

Taalgebruik. Het moet maar eens gezegd worden. Doorgaans is het taalgebruik in vele beleidstukken ontoegankelijk, verhullend en daardoor ondemocratisch. Op die manier wordt een hindernis opgeworpen voor inwoners van Leiden die niet gewend zijn om beleidsdocumenten te lezen en dientengevolge moeilijker in staat zijn om die kritisch te doorgronden. Zij haken bij wijze van spreken bij het voorwoord al af. Zo worden inspraak en meedenken al bij voorbaat een wassen neus. Dit taalgebruik wordt helaas ook meer dan royaal gebezigd in het onderhavige bezoekerseconomie document. De absoluut minimale deelname aan de diverse stappen in het participatietraject zou mede hieruit verklaard kunnen worden. Meerwaarde bezoekerseconomie? Waarom de ‘toekomstbestendige bezoekerseconomie’ grote economische en maatschappelijke meerwaarde voor Leiden zou hebben, wordt in het geheel niet inzichtelijk gemaakt. Dat geldt nog meer voor de opmerking dat de bezoekerseconomie zich zou richten op de versterking van levendigheid èn de leefbaarheid. Waarom de ‘levendigheid’ van de op één na dichtstbevolkte stad van Nederland versterking behoeft wordt niet beargumenteerd. En dat daardoor de stedelijke ‘leefbaarheid’ een oppepper zou krijgen blijft al helemaal volstrekt duister. Volgens raming zou de bezoekerseconomie jaarlijks € 450 miljoen opleveren.

Dat is nogal wat en maakt nieuwsgierig hoe dit cijfer is onderbouwd. Voor beantwoording van deze vraag wordt verwezen naar Bijlage 2a: ‘Analyse en keuzerichtingen’. Dit document verwijst op haar beurt – nota bene in slechts een voetnoot - naar een (zeven jaar oud en dus gedateerd) onderzoek van NBTC Holland Marketing. Verwacht het college dat de doorsnee Leidenaar dit allemaal gaat uitzoeken? Levendigheid en Leefbaarheid versterken elkaar en aandacht voor balans. Hoezo versterken levendigheid en leefbaarheid elkaar? In de overbevolkte (binnen)stad is er al levendigheid genoeg en soms al zo dit de leefbaarheid niet versterkt wordt maar integendeel juist verzwakt. Ook verbaast ons ten zeerste de uitspraak dat ‘dankzij de bestedingen van bezoekers de gemeente kan investeren in de leefbaarheid en met name in de voorzieningen van de stad’. Is het college deze mening werkelijk toegedaan? Betalen de bezoekers van buitenaf ook WOZ-belasting en reinigingsrechten. Nee, de bezoekers betalen alleen toeristenbelasting (en dan ook nog alleen die hier overnachten) en de opbrengst daarvan gaat (nog) geheel naar Leiden Marketing. Hier begeeft het college zich dus wel op heel glad ijs.

Immers, het overgrote deel van (dagelijks) aan de economie bijdragende bezoekers zijn inwoners van de binnenstad en inwoners van andere delen van Leiden, gemeentelijke belastingbetalers dus die het gros bijdragen aan de voorzieningen! En dan dat eeuwige zalvende woord: balans. Het college stelt dat binnenstadbewoners lijken de meeste overlast van evenementen, horeca en dronken mensen en erger op straat te ervaren. Lijken?? Meent het college dit echt? Dan is wel duidelijk dat het college de inwoners van de binnenstad dus absoluut niet serieus neemt! Herstel bezoekerseconomie en selectief ontwikkelen. De ambitie van het college is om het aantal bezoekers te herstellen naar het oude peil van voor de coronacrisis. Toen waren levendigheid en leefbaarheid in balans, althans, zo leidt het college tenminste af uit de landelijk Leefbaarometer. Hier constateren wij echter een mate van misleiding. In de visie wordt een aantal malen verwezen naar de Leefbaarometer en dit weer op basis van het onderliggende ZKA-onderzoeksrapport (Bijlage 2a) waarin dit ook gebeurt. Hieruit zal dan geconcludeerd moeten worden dat er niets mis is met de leefbaarheid in onder meer de Leidse binnenstad. Echter: 3

De Leefbaarometer 2018 (laatste meting van 2020 is nog niet gepubliceerd) geeft per wijk in de binnenstad een overall score van tussen "goed" (b.v. Noordvest), "heel goed" (b.v. Oude Morsch) en "uitstekend" (b.v. Pieters- en Academiewijk). De overall score is relatief t.o.v. het Nederlandse gemiddelde. En dat is waar het college mee schermt. Maar die score is opgebouwd uit vijf onderliggende (hoofd-)indicatoren maar die noemt het college niet en wordt er dus niet op ingegaan: - woningen (beschikbaarheid van goede woningen) - bewoners (o.m. sociale interactie en samenhang) - voorzieningen (winkels, horeca, overnachtingsgelegenheid zoals hotels, artsen, wegen/voetpaden, sportaccommodaties, utiliteiten, etc.) - veiligheid (verkeer, inbraakkans, persoonlijke veiligheid op straat, etc.) - fysieke omgeving (staat van gebouwen/wegen, groen, vuil, geluid, luchtkwaliteit, etc.) Wij zijn de Leefbaarometer al in 2017 gaan volgen (men is er in 2012 mee begonnen en metingen zijn om de 2 jaar). En dan worden trends waarneembaar. Nader bekeken blijkt dat alleen "voorzieningen" in alle binnenstad wijken steeds maximaal scoort en daarmee de overall score per wijk opkrikt. De score van "woningen" varieert per wijk maar is doorgaans maar net voldoende. Hetzelfde geldt voor "bewoners" maar iets beter. Anders is het voor de "fysieke omgeving", daar zie je sinds 2014 een negatieve trend.

De scores zijn in 2018 van “goed” in een enkele wijk maar verminderd tot "voldoende" tot "onvoldoende" in andere en in een enkele wijk tot "ruim onvoldoende". "Veiligheid" is echter het grootste probleem met de meeste verslechtering over de jaren, in een aantal wijken loopt de score in 2018 zelfs tegen "slecht" aan, met name in uitgaansgebieden (b.v. de Oude Morsch). Leefbaarometer publiceert niet hoe de indicatoren precies zijn opgebouwd. Wij hebben de instantie in 2017 gesproken en o.m. gevraagd hoe het ongeveer zit met "veiligheid". Men gaf aan dat voor alle leeftijdsgroepen een groot deel verkeersonveiligheid betreft. Mensen van 38 jaar en ouder zijn vaker bang voor inbraak (en een deel heeft dat ook ondervonden). Vooral wat oudere mensen en vrouwen (van alle leeftijden) voelen zich in toenemende mate onveilig op straat, vooral 's avonds en juist ook in uitgaansgedeelten van de binnenstad. Gebrek aan zichtbare en/of actieve handhaving speelt een rol (wat overigens ook vaak geldt voor andere problematiek zoals verkeersproblemen, etc.) De nadruk van het college op verbetering/uitbreiding van "voorzieningen", i.e. vooral winkels, horeca, hotels (en "toeristisch verhuur"), etc., als er maar aan verdiend kan worden, is bevreemdend.

Immers, volgens de Leefbaarometer scoort Leiden hier al maximaal op en kunnen grote vraagtekens gesteld worden bij de rationaliteit hier nog meer in te investeren, zeker ook met publieke gelden. Men zou daarentegen toch kunnen verwachten dat het college zich juist gaat richten op verbetering van die indicatoren die veel minder of zelfs ruim onvoldoende scoren, in ieder geval op die welke samenhangen met economische activiteiten, incl. de bezoekerskant, en ook daarvoor van belang zijn. Achteruitgang van de fysieke omgeving en verslechtering van de veiligheid kunnen toch nauwelijks als aantrekkelijkheden van Leiden aan bezoekers verkocht worden! Kortom, het college bevestigt dat voor de coronacrisis de levendigheid en leefbaarheid in balans waren. Nu denken wij daar weliswaar anders over, maar dat terzijde. Maar toch is de ambitie van het college de versterking van de bezoekerseconomie met meer, meer, en nog meer, maar dan vooral balans verstorende ‘levendigheid’. Waarom?

4

Congressenmarkt aanjagen Wij begrijpen dat Leiden goede mogelijkheden biedt voor het houden van congressen en dat optimalisering en uitbreiding van deze markt zeker op de agenda kan blijven staan. Het voegt toe aan de stad. Maar ook aan deze intentie zijn kosten verbonden waarvan sommige te hoog zijn. In onderhavig beleidsdocument neemt het college bijvoorbeeld al een voorschot op de sloop van het Doelencomplex en de daarmee samenhangende gedwongen verhuizing van de bewoners ‘voor het realiseren van de ‘Humanities Campus’ met congresruimte. Wij vinden het (zeker op dit moment) wel zeer ongepast dat het college dit feit wil opnemen in de visie voor een bezoekerseconomie. Waterrecreatie. Dit hoofdstuk zit vol tegenspraak. In de visie wordt beweerd dat ‘de waterrecreatie in de huidige omvang een beperkte negatieve impact heeft’. Al jaar en dag klagen binnenstadbewoners (aan het water) en wijkverenigingen over lawaai en vervuiling door de waterrecreatie. Ons bereikt ook berichten dat bewoners zich genoodzaakt voelen om hun huis in de zomer tijdelijk te verlaten vanwege de frequente overlast van waterrecreatie’. Het college stelt in de bezoekerseconomie om grootschalige watertoerisme te vermijden. Maar op de website ‘Leiden stad van ontdekkingen’ is te lezen: Kom je met je eigen boot? Je vaart Leiden makkelijk in met je eigen boot. En op de website worden ook vaarroutes aangeboden.

Hoe geloofwaardig is dit nog? Overlast algemeen. Het college stelt ook vast dat de afgelopen jaren het aantal meldingen van overlast licht gestegen is en daarom het legitiem is om de bezoekerseconomie verder uit te werken. De cijfers zijn niet gebaseerd op specifieke gebieden maar in het algemeen voor de hele stad Leiden. Wij, als bewoners van de binnenstad, bestrijden deze conclusie ten zeerste! Het college kan niet met droge ogen stellen dat de overlast in de binnenstad, de afgelopen 10 jaar. Niet drastisch is gestegen. Want dit is wel degelijk het geval maar de bewoners zijn melding moe omdat er in de meeste gevallen helemaal niets met een melding gebeurt of het wordt digitaal afgedaan. Dát is de reden van de volledig misplaatste perceptie van een lichte stijging! In deze ook het volgende. In Bijlage 2b: Participatieverslag Bezoekerseconomie stelt het college dat wel de baten voor Leiden in kaart zijn gebracht maar niet de kosten (pag. 18). Nog afgezien van deze wel heel merkwaardige toepassing van economische analyses waar ook publieke gelden mee gemoeid zijn ondermijnt dit zeker (opnieuw) de uitgesproken centrale gedachtegang dat gezocht moet worden naar een balans tussen ‘levendigheid’ en ‘leefbaarheid’. Het argument zou zijn dat de kosten niet te berekenen zijn omdat b.v. het ervaren van overlast een grote mate van subjectiviteit kent.

In de woorden van het college: “…wat voor de één als ernstige overlast wordt ervaren kan de ander ervaren als ‘gezellig druk’…”. Terwijl wij niet ontkennen dat er een mate van subjectiviteit kan zijn nodigen wij die ‘ander’ dan uit om de tafel om uit te leggen wat er dan zo ‘gezellig’ is aan: dronkemansgeschreeuw en -gebral midden in de nacht, bonkende, harde muziek ’s nachts, hysterisch geschreeuw van lachgasgebruikers ook ’s nachts, stank die wildplassers achterlaten, feces of braaksel in geveltuinen of voor de voordeur, gegooi met bierblikken en flessen, passerende personen (en vooral vrouwen) die lastig gevallen worden en incidenteel erger, etc. En dit zijn in bepaalde delen van de binnenstad geen uitzonderingen maar schering en inslag. Uit de mond van de Wethouder van Werk, Inkomen, Economie & Cultuur hebben wij opgetekend dat het college zich zowel van deze zich herhalende misère bewust is alsook waar zich de “hotspots” zich bevinden. De bewering (ook in Bijlage 2b) dat voorgenomen maatregelen vermeld staan in b.v. de Horecavisie zijn pertinent onwaar.

In het participatietraject stelden wij voor: 1) preventieve en actieve handhaving op straat tot na sluitingstijden van de horeca, 2) huidige fasering van sluitingstijden tot 4 uur ’s nachts afschaffen en terugbrengen tot één vroeger moment, en 3) een verbod op nachtelijke alcoholverkoop door 24/7 eetgelegenheden ter voorkoming van alcoholgebruik op straat. Hierop is 5

niet ingegaan, noch nemen wij actie waar. Dus kennelijk worden ook deze ‘gezellige’ zaken gezien als ‘aantrekkelijkheden’ voor zowel bewoners als bezoekers want van enige preventieve of actieve handhaving is geen sprake, mogelijk omdat de kosten hiervan van de baten zouden moeten worden afgetrokken en daarmee een deel van het kaartenhuis in elkaar zou zakken. Hoe dan ook is de stelling dat de kosten niet te berekenen zouden zijn pertinente onzin. In Amsterdam is enige jaren geleden wel een analyse van de voordelen/nadelen gemaakt: https://www.amsterdam.nl/bestuur-en-organisatie/volg-beleid/stad-in-balans/publicatiesprogramma-stad-balans/ (zie met name derde link) en de inkomsten/kosten van bezoekers (zie met name de 2e link). Daaruit kwam naar voren dat de economische voordelen in belangrijke mate door de ondernemers (horeca en organistoren, maar niet de ‘normale’ winkels!) worden opgestreken. Erger, veel van de winsten gaan naar een beperkt aantal grote investeerders (wat deels in Leiden ook het geval is) en zelfs naar buitenlandse investeerders. Maar hoe dan ook blijkt dat de belastingbetalende bewoners via de gemeente het gelag betalen. Zaken als handhaving en faciliteren van infrastructurele zaken worden door de gemeente (en dus door de bewoners via de gemeentelijke belastingen) veelal betaald ten behoeve van de bezoekers.

Hier is sprake van overdracht van gelden van gemeente naar de economie van de stad, waar voor bewoners weinig tot niets tegenover staat. En in Leiden komt daar dan nog de subsidiering van Leiden Marketing via de toeristenbelasting bij. Wat het college dus kennelijk niet begrijpt (of meer waarschijnlijk, niet wil begrijpen) is dat het niet kritisch kijken naar en aanpakken van negatieve effecten van de bezoekerseconomie en een globale berekening maken van de kosten daarvan (dus ook handhaving) zowel de ‘levendigheid’ als de ‘leefbaarheid’ bedreigen. En op deze wijze niet de aantrekkelijkheden van de stad stimuleren maar verloedering in de hand werken. De bottom-line is echter ook dat een beleidsstuk dat pretendeert economische vraagstukken te adresseren maar hiervoor geen grondige kosten- èn batenanalyse maakt gewoonweg geen economisch beleidsstuk is. En het is geen geloofwaardige visie op de balans tussen levendigheid en leefbaarheid. Adaptief beleid en samenwerking. (N.B. – gemakshalve hanteren wij de term ‘adaptief’ zoals die in het beleidsstuk wordt gebruikt maar adviseren dit om te zetten in ‘zich aanpassend’). Het college stelt dat de bezoekerseconomie dynamisch is en dat zij wil inspelen op de positieve en negatieve ontwikkelingen en op de ervaring van de bewoners. Dat daar een samenwerkingsverband bij nodig is lijkt ons vanzelfsprekend.

Maar hoe gaat het college dit organiseren? Onze inzet en inbreng worden stelselmatig genegeerd terwijl daar tegenover staat dat de (gesubsidieerde) economische actoren zoals Leiden Marketing. Centrummanagement Leiden, Leiden stad van Ontdekkingen, Cultuurfonds Leiden het voor het zeggen hebben. En dan hebben wij het nog niet eens over de macht van de Universiteit. Wij hebben in het adaptief beleid en de samenwerking, gezien onze ervaringen, geen vertrouwen. Dit had wellicht anders kunnen zijn ware het niet dat het college gedurende onze recente dialoog met hen over participatie en inspraak wel aangaf begrip te hebben voor onze wens voor een gelijk speelveld maar anders acteerde. Dit uiteraard vis á vis de betrokkenheid van onder andere bovengenoemde economische actoren. Het college gaf hier in een volgende eerste versie van een participatieplan voor de Visie Bezoekerseconomie al geen invulling aan, i.e. bewoners werd slechts een ‘informerende en raadplegende’ rol toegekend maar de economische actoren een zwaarwegender rol van adviseurs (met als argument dat zij – betaald – veel werk voor de Gemeente verrichten). Na ons appel werd de rol van de economische actoren gereduceerd tot ‘informeren en raadplegen’, op papier dan want het relaas in Bijlage 2b (Participatieverslag) geeft een totaal ander beeld weer.

Naast dit alles achtte het college ons voorstel tot instelling van een bewonersadviesraad 6

o.i.d. dat advies verstrekt bij opstelling van afwegingskaders voor en bij besluitvorming voor beleid en projecten al helemaal onbespreekbaar terwijl de economische actoren niet anders doen. Kortom, samenwerken, ook aan beleidsaanpassingen, doe je op basis van gelijkwaardigheid van alle betrokken actoren maar in Leiden is dat dankzij de houding van het college voorlopig nog een utopie. Een belangrijk technisch kernprobleem is echter het volgende. Adaptief beleid voeren vergt het hebben van een concreet monitoringssysteem en derhalve de formulering van een set van éénduidige indicatoren die gevolgd kunnen worden en waarvan het verloop al dan niet tot noodzaak voor aanpassingen kunnen leiden. In het visie document wordt van zulks nergens gewag gemaakt. Maar even ernstig is dat een dergelijk monitoringsysteem bij gebrek aan een grondige (economische en sociale) kosten/baten analyse (zie boven: Overlast algemeen) niet eens uitgewerkt kan worden.

De grote vraag is dan: hoe ziet het college deze adaptieve benadering dan exact voor zich en met welke gegevens van welk type gaan samenwerkende partners dan precies aan de slag om vast te stellen of er al dan geen beleidswijzigingen nodig zijn? En hoe komen wijzigingen dan precies tot stand, net als gedurende het participatietraject met adviezen van de economische actoren waarna de bewoners voor de vorm ook nog wat mogen roepen? Participatieverslag/traject. Toegegeven, het college heeft haar best gedaan om met alle betrokkenen in gesprek te komen. Alhoewel slechts van een minimaal aantal deelnemers (zo’n half procent van de bevolking van de binnenstad maar lang niet iedereen komt uit de binnenstad dus is het op de totale bevolking nog heel veel minder) aan het participatietraject heeft zij veel input binnengehaald. En dan? Waarop worden de keuzes gebaseerd? Op 23 augustus is er een Teams-bijeenkomst geweest waar het college daar uitleg over heeft gegeven. Blijft een feit dat deze keuzes zwaar leunen op (vaak wankele) onderzoekscijfers en nauwelijks op de beleving van de binnenstadbewoners. En dat is een bittere conclusie. Zeker van een linksgeoriënteerd college. Samen maken we de stad? Echt waar?

Leiden, 2 september 2021

voorzitter buurtvereniging De Put in de Oude Morsch, mede namens: voorzitter Pieters- & Academiewijk en Levendaal-West, voorzitter Hogewoerd en omgeving, voorzitter Maredorp-de Camp, voorzitter Pancras-West, voorzitter Noordvest-Molenbuurt, voorzitter Tussen de Rijnen.

7

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10752173/1