210078 Bijlage 1 Omgevingsvisie 1.1-versie
Tekst van het document
• Wijze waarop groen is ingepast in gebieden: is het groen vooral geconcentreerd in openbare parken en straten of is het groen op veel plekken aanwezig, bijvoorbeeld in (voor)tuinen, straten, parken en kleinere groengebieden door de hele wijk. Voor elk leefmilieu worden er extra aandachtspunten meegegeven, naast onderstaande stadskeuzes: Stadskeuzes Groen-blauw raamwerk • We realiseren een robuust groen-blauw raamwerk voor klimaatadaptatie, mens en natuur • We intensiveren het vergroenen van de stad waar mogelijk • We benutten het water beter en maken het beter beleefbaar Aantrekkelijk vestigingsklimaat • We kiezen voor stadsinbreiding in plaats van stadsuitbreiding om te voorzien in de vraag naar woningen en banen • We werken aan uitbreiding van stedelijke gemengde milieus • We zetten in op het versterken en verduurzamen van de economie • We bieden ruimte aan bedrijvigheid • We hebben een gevarieerd aanbod van voorzieningen • We benutten historie en cultuur als belangrijke waarde van de stad Duurzame mobiliteit • We gaan naar een duurzaam mobiliteitssysteem: gezond, schoon, veilig en ruimte-efficiënt • We verbeteren de regionale en (inter)nationale bereikbaarheid • We stemmen verstedelijking en mobiliteit goed op elkaar af Bodem als fundament • We brengen (ondergrondse) netwerken in samenhang in beeld • We bereiden de ondergrond voor op de toekomst • We stemmen ontwikkelingen
onder en boven de grond op elkaar af
80
6.1
Leefmilieu ‘dynamisch’
Leefmilieu Dynamisch
Waar in de stad Het leefmilieu ‘dynamisch’ bestaat globaal uit de binnenstad, de Spoorzone (inclusief Stations gebied), Innovation District Leiden Bio Science Park en de grote Lammenschansdriehoek. Algemene omschrijving Er zijn grote verschillen binnen het leefmilieu, maar de overeenkomst is dat binnen dit leefmilieu de belangrijkste functies en voorzieningen op het gebied van kennis en cultuur te vinden zijn, van (boven)regionale en zelfs nationale betekenis. Dit zijn de ‘vaandeldragers’ waarmee de stad Leiden zich binnen de Randstad profileert. Ondanks de grote verschillen tussen de deelgebieden wat betreft historie, functie en ruimtelijke verschijningsvorm vormen deze deelgebieden gezamenlijk het meest dynamische en stedelijke deel en het hart van de stad. Bij uitwerking van deze gebieden is oog voor deze verschillen en wordt hiermee rekening gehouden bij ontwikkelingen. Veel inwoners en bezoekers gebruiken het gebied nu en in de toekomst op veel verschillende momenten van de dag om verschillende redenen. Evenementen, toeristische en culturele activiteiten en bijvoorbeeld congresfaciliteiten geven kleur aan dit deel van stad. Voor de uitwisseling van kennis, voor innovatie en het creatieve proces, is het belangrijk dat mensen elkaar op een ongedwongen, soms zelfs toevallige, manier kunnen ontmoeten en flexibel kunnen werken.
Daarom is de openbare ruimte gericht op verblijven en ontmoeten en bevinden zich hier ook hotels, cafés en restaurants en overige vrijetijdsfuncties. Binnen het gebied zijn de verschillen tussen rust en reuring een belangrijke waarde. Het gebied is aantrekkelijk door de aanwezigheid van beleefbaar erfgoed (zoals de Oude Rijn, het grachtenstelsel, de verbinding tussen de landgoederen en vele monumen-
81
ten) en hoogwaardig ingerichte openbare ruimten, parken en de grachten. In deze gebieden draagt de woonfunctie ook bij aan een stabiele en betrokken gemeenschap die eigenaarschap toont van de (historische) stad, hetgeen onmisbaar is voor een goed onderhoud en gebruik. Verplaatsingen binnen het gebied gaan hoofdzakelijk te voet, per fiets of met het openbaar vervoer. De auto heeft een ondergeschikte functie. Delen van dit gebied zijn autoluw of autovrij. Zo ontstaat in dit dichtbebouwde stedelijk gebied meer ruimte voor voetgangers, fietsers en ruimte en draagvlak voor het openbaar vervoer en bijvoorbeeld ook ruimte voor verblijven, vergroening en klimaatadaptatie. Parkeren wordt veelal geclusterd, deels ondergronds ingepast. Er is veel aandacht voor het voor- en natransport en deelsystemen maken verplaatsen makkelijker. Logistiek, laden en lossen wordt efficiënt georganiseerd vanuit hubs aan de rand van de stad. De economie is vooral gericht op kennis, innovatie, ondernemerschap, cultuur, leisure en (cultuur) toerisme en zakelijke en commerciële dienstverlening. Daar waar mogelijk zijn werk, wonen en voorzieningen gemengd, naast elkaar of boven elkaar. De belangrijkste grote ruimtelijke dragers van het groen en blauw in dit gebied zijn de Oude Rijn, het grachtenstelsel, het Singelpark en de parken en Hartlijn in het LBSP. Het gebied wordt intensief gebruikt.
Daarom is het belang van een groene en aantrekkelijke openbare ruimte in dit gebied groot. Het aanwezige groen is grotendeels collectief van aard. Ook de (nieuwe) bebouwing zelf wordt vergroend, met respect voor erfgoedwaarden. Het gebied is via diverse robuuste en aantrekkelijke routes verbonden met de omliggende wijken en het omliggende landschap. De druk op de ruimte in het gebied is groot, zowel boven als onder de grond. De hoge dichtheid zorgt voor extra draagvlak voor zowel OV als de voorzieningen die het gebied levendig maken. De meeste voorzieningen zijn geclusterd langs doorlopende straten en historische routes en zijn op loop- of fietsafstand in het gebied.
Extra aandachtspunten naast stadskeuzes • In de openbare ruimte wordt ruimte gemaakt voor klimaatadaptatie en biodiversiteit Gebieden met een hoge dichtheid hebben vaker te maken met hittestress, wateroverlast en droogte dan groene woonwijken. Vergroening van gebouwen en openbare ruimte kan hittestress doen afnemen. (Biodivers) vergroenen en waterberging in de openbare ruimte helpt bij klimaatadaptatie en draagt met specifieke vegetatie en boomstructuren ook bij aan biodiversiteit. • Inzetten op aantrekkelijke levendige winkelstraten in de binnenstad Retailfuncties en winkelstraten staan onder druk, onder andere door het online winkelen. De aanwezigheid van een gevarieerd aanbod aan winkels en andere functies is een belangrijke
82
•
•
•
•
kwaliteit van de stad. Voor het gehele leefmilieu is de opgave te werken aan levendige winkelstraten en clusters die toekomstbestendig zijn en die een (boven)stedelijke functie hebben. Om het huidige zeer hoogwaardig stedelijk karakter te behouden en verder uit te bouwen zijn het creëren van onderscheidend vermogen, het aantrekken van bekende formules (passend bij de maat en schaal van de binnenstad), een goede bereikbaarheid en inzetten op totaalbeleving belangrijk. Leegstand wordt tegengegaan door te zorgen voor een sterker economisch hart. Ruimte behouden in het gebied voor culturele, maatschappelijke en buurtvoorzieningen Onder andere de goede OV-bereikbaarheid, de nabijheid van vele voorzieningen en aanwezigheid van vele monumenten zorgen voor hoge vastgoedprijzen in het gebied. De hoge prijzen vormen een risico voor het behouden van de verschillende functies die het gebied zo aantrekkelijk maken. Ruimte blijven bieden aan creatieve, culturele en maatschappelijke voorzieningen is in het gehele gebied een opgave. Verschillen tussen reuring en rust koesteren binnen het gebied Reuring en dynamiek in de stad is een grote kwaliteit, maar bij te grote stromen toeristen of evenementen kan reuring doorslaan richting overlast. Het is in het gehele leefmilieu een opgave om de balans tussen bewoners en bezoekers te bewaken om de leefbaarheid op orde te houden.
Hiervoor is het onder andere belangrijk drukkere en luwere gebieden aan te wijzen in de binnenstad en aangrenzende buurten, heldere kaders mee te geven voor evenementen, festivals, horeca en uitgaansclusters en om voldoende luwe, groene plekken en speelplekken te realiseren in het gebied. Bouwen aan een economisch ‘ecosysteem’ in het LBSP Het Leiden Bio Science Park ontwikkelt zich verder door tot een Innovation District. Het Innovation District Leiden Bio Science Park heeft geen harde grenzen, de hele stad (met centraal het innovatiedistrict) functioneert als een economisch ‘ecosysteem’, waar ook de verschillende kennisclusters een rol spelen. Het gebied gaat functioneren als één systeem. Hierbij doen ook diverse (kennis)functies en voorzieningen in de regio mee. Goed en toegankelijk onderwijs, cultuur en stedelijk wonen belangrijke pijlers onder dit succes van de aanwezige kennisclusters inclusief het Innovation District Leiden Bio Science Park. Autoluw is de norm De openbare ruimte is ingericht op verblijven en ontmoeten. Een groene inrichting vraagt om ander gebruik en inrichting van de ruimte en moet samengaan met andere ruimtevragers. Daarom streven we voor het gebied op termijn naar een (grotendeels) autoluwe inrichting. In de binnenstad en stationsgebied wordt dat nu uitgewerkt.
Daar waar gebieden nog niet autoluw zijn/worden gemaakt, wordt stapsgewijs bekeken hoe dit bereikt kan worden. Het bieden van een alternatief voor de auto als vervoersmiddel is hierbij noodzakelijk. Denk aan verbeterde OV-verbindingen, fiets- en voetgangersnetwerken en -faciliteiten en parkeervoorzieningen voor auto’s op afstand. Hierbij volgen we de huidige beleidskaders rondom mobiliteit.
83
6.2 Leefmilieu ‘levendig’
Leefmilieu Levendig
Waar in de stad Het leefmilieu ‘levendig’ bestaat uit de wijken rond de binnenstad en LBSP en nabij Knooppunt Leiden Centraal en wijken die centraal gelegen zijn in het grotere stedelijke gebied langs de Oude Rijn. Een wijk die aan de rand van de gemeente Leiden ligt, kan door het aaneengroeien van regiogemeenten juist op een centrale plek liggen in de verstedelijkte Leidse regio langs de Oude Rijn. Algemene omschrijving Gebieden in dit leefmilieu kenmerken zich door hun aantrekkelijke ligging, direct grenzend aan het centrum van Leiden en het dynamisch leefmilieu. In deze gebieden wordt veel gewoond, maar door de nabijheid van het centrum en bijvoorbeeld het LBSP zijn de huishoudens veelal stedelijk georiënteerd. Dit leefmilieu biedt ruimte aan een mix van functies (wonen-werken-voorzieningen) en een mix van doelgroepen en huishoudens. Deze mix kan per buurt verschillen. In de gebieden wordt ook veel gewerkt, in huis, in de (dag)horeca en in de (buurtgebonden) bedrijvigheid. De meeste verplaatsingen worden gedaan per fiets en te voet. De verbindingen met het centrum zijn via een fijnmazig langzaam verkeersnetwerk goed op orde. De belangrijkste fietsverbindingen tussen de gebieden en de binnenstad zijn de historische invalswegen van Leiden, met daaraan gelegen voorzieningen. De potentiegebieden in deze zone lenen zich voor verdere verdichting en verstedelijking.
Dit zijn de gebieden Centrumgebied Leiden Zuidwest, de Willem de Zwijgerlaan (oost en west), Westerpoort/ Verbeekstraat en het Werninkterrein. Intensivering leidt ook steeds tot kwaliteitsverbetering. Daarnaast vindt op kleinere schaal verdichting plaats, veelal buiten het beschermd stadsgezicht.
84
De economische activiteit vindt hoofdzakelijk plaats langs de (historische) routes, die de verschillende wijken met elkaar verbinden, op hoeken van straten, in wijkcentra en op bedrijventerreinen. Op de historische routes krijgen fietsers en voetgangers zo mogelijk meer ruimte en de routes worden waar mogelijk vergroend. De gemakkelijkste vervoerskeuze vanuit het gebied naar de binnenstad is te voet of met de fiets. De goede bereikbaarheid met het openbaar vervoer leent zich voor een minder prominente rol van de auto, passend bij de groene en duurzame stad die Leiden wil zijn. Met de auto zijn de verbindingen naar de Leidse Ring goed op orde. De openbare ruimte en het groen en water nodigen uit tot gebruik. Deze plekken geven lucht en ruimte in de verder verdichtende stad. Door en langs de buurten loopt het stedelijke groen-blauwe raamwerk met als bijzondere onderdelen daarvan het Singelpark en de tweede groene ring. Zo zijn de wijken via groene routes goed verbonden met het buitengebied. Ook dragen deze structuren en de openbare ruimte bij aan recreatiemogelijkheden, sport en spel en opgaven rond klimaatadaptatie.
Extra aandachtspunten naast stadskeuze • Groen-blauw raamwerk als verbindend element tussen groene plekken en gebieden Het realiseren van het groen-blauwe raamwerk is in dit leefmilieu de grootste opgave. Het groen in dit gebied gaat de schakel vormen tussen Singelpark en de tweede groene ring en richting het buitengebied. Om het raamwerk te realiseren moeten plekken en straten stevig vergroend worden. De groene spaken tussen de ringen en de groene routes de stad uit richting het landschap zijn hiervoor het belangrijkste. Op de historische routes krijgen fietsers en voetgangers zo mogelijk meer ruimte en de routes worden waar mogelijk vergroend. Deze vergroening is mede mogelijk wanneer de auto een minder dominante rol krijgt in de stad. • Streven naar een levendige mix De levendigheid in deze gebieden bevindt zich grotendeels aan historische routes en aantrekkelijke routes voor langzaam verkeer, op hoeken van straten, in kleinere clusters en in de wijkcentra. Deze levendigheid en nabijheid draagt bij aan een stedelijk milieu. • Verdichten van de stad door het bouwen van woningen voor een mix aan doelgroepen Leiden bouwt aan stedelijke en gemengde leefmilieus waarbinnen verschillende type woningen met verschillende prijsklassen gerealiseerd kunnen worden. Hierbij is menging van doelgroepen op buurtniveau een aandachtspunt.
Deze nieuwe woningen worden onderdeel van een bestaande stad en leiden tot veranderingen in de stad. De stad wordt meer stedelijk. Hierbij is
85
het van belang in de programmering rekening te houden met het bouwen van de juiste mix aan woningen (huur/koop, prijscategorieën) en doelgroepen (grote woningen/kleine woningen) op de juiste plek en de bestaande buurt te betrekken in de planvorming. De verdichting is vooral gericht op stedelijke doelgroepen; doelgroepen met een zeer suburbane of landelijke woonwens vinden elders in de regio dat aanbod. • Zet in op het realiseren van gemengde werkgebieden en nieuwe concepten Een deel van de bedrijfsterreinen in dit milieu wordt richting 2040 getransformeerd naar gemengde werkgebieden waar ook gewoond wordt. De nieuwe economie vraagt ook om ruimte voor nieuwe concepten, zoals (niet-hindergevende) ambachtswerkplaatsen, creatieve ateliers en circulaire werkplaatsen. In dit leefmilieu kan hier ruimte voor worden gemaakt. • Mobiliteitshubs ontwikkelen om duurzame mobiliteit te stimuleren Het autoluw maken van een aantal doorgaande lange lijnen en wijkcentra/Hart van de wijk kan alleen plaatsvinden als er goede alternatieven voor het op peil houden van de bereikbaarheid geboden worden. Hiervoor is nodig om goede parkeer- en oplaadvoorzieningen voor auto’s te bieden, zowel voor bewoners als bezoekers van de gebieden.
Er wordt ruimte gemaakt voor het realiseren van mobiliteitshubs (overstappunten) waar auto’s geparkeerd, opgeladen en gedeeld kunnen worden en waar kan worden overgestapt op de fiets of het openbaar vervoer.
86
6.3 Leefmilieu ‘luw’
Leefmilieu Luw
Waar in de stad Het leefmilieu ‘luw’ bestaat uit de groene en relatief luwe wijken die aan de rand van de gemeente liggen, vaak tegen het buitengebied en het (open) landschap aan. Algemene omschrijving De wijken aan de randen van de stad profiteren van zowel de ligging op fietsafstand van de binnenstad als de ligging aan de grote karakteristieke landschappen. Stad én buitengebied zijn nabij. De grote kracht van deze gebieden is de relatieve rust, het groene karakter (zowel openbaar groen als privétuinen) en het relatief grote aandeel eengezinswoningen. Het zijn de wat meer traditionele woonwijken, met een centraal gelegen voorzieningencentrum en wijk(sport)park. Dit wijkwinkel centrum vormt, samen met het goed toegankelijke wijk(sport)park, het Hart van de wijk. Historische routes, (water)structuren en bijzondere plekken geven meer kleur aan de openbare ruimte.
87
Naast de woongebieden bevinden zich hier ook de meer traditionele bedrijventerreinen met de dienstverlenende stedelijke bedrijfsfuncties die niet mengbaar zijn met wonen. In de wijken zal richting 2040 meer gewerkt worden, zowel thuis als in de wijk zelf. In het Hart van de wijk wordt ruimte geboden aan nieuwe economische concepten en werkfuncties die gemengd kunnen worden met wonen. Ruimte voor verdichting en extra woningen in deze gebieden is beperkt aanwezig, bijvoorbeeld nabij de wijkcentra, gekoppeld aan openbaar vervoer en beperkt langs de lange lijnen en historische routes die de wijken verbinden met de rest van de stad en het centrum. In deze wijken wonen relatief veel gezinnen. Extra (gestapelde) woningen voor ouderen en kleinere huishoudens kunnen de bestaande woningvoorraad aanvullen. De groeiende groep ouderen krijgt zo de mogelijkheid om, indien gewenst, binnen de wijk (en het sociale netwerk) door te stromen. Het groen-blauwe raamwerk verbindt het groen in de stad met de landschappen rondom de stad. Hiervoor is de tweede groene ring in de stad gerealiseerd (naast het Singelpark), is een aantal groene routes toegevoegd en zijn bestaande groene routes versterkt. De fietsroutes tussen deze wijken, van en naar de rest van de stad en het buitengebied zijn direct, aantrekkelijk en groen.
Waar mogelijk maken zij gebruik van de historische routes die stad en het ommeland al sinds jaar en dag met elkaar verbinden. Ondanks dat de fiets in deze gebieden nog steeds op nummer één staat vanwege een korte afstand tot de binnenstad, heeft de auto in dit leefmilieu een belangrijker rol dan elders in de stad. De wijken liggen aan de belangrijke invalswegen van de stad. Via de Leidse Ring zijn de verbindingen naar andere wijken met de auto goed op orde, op termijn wordt doorgaand autoverkeer door de stad beperkt. Langs deze Leidse Ring wordt ruimte gezocht voor stedelijke mobiliteitshubs op het gebied van bouwhubs en distributie. Barrières in de vorm van grote infrastructuur en water worden waar nodig beter oversteekbaar. Openbaar vervoer (bus en Mobility as a Service (MaaS)) verbindt de wijk(centra) met de binnenstad en het station.
Extra aandachtspunten naast stadkeuzes • Zet in op klimaatadaptieve maatregelen Door het behouden en versterken van het vele groen in deze gebieden kunnen deze gebieden een grotere rol spelen op het gebied van klimaatmaatregelen, zowel adaptief als mitigerend. Dit geldt zowel voor het privégroen als het collectieve groen. In dit milieu bevindt zich de grootste biodiversiteit van de gemeente.
88
• Levendig en aantrekkelijk ‘Hart van de wijk’ als basis voor sociaal inclusieve stad Het ‘Hart van de wijk’ (wijkcentrum) speelt een belangrijke rol in het dagelijks leven in dit leefmilieu. Hier zijn de dagelijkse winkel- en eerstelijnszorgvoorzieningen, zoals de huisarts, fysiotherapeut en apotheek aanwezig. Het draagvlak voor de voorzieningen komt grotendeels uit de wijken zelf. De wijkcentra worden meer verblijfsgebieden en vormen de meest stedelijke plekken in het leefmilieu met een aantrekkelijke (groene) openbare ruimte. In deze wijkcentra wordt ook ruimte geboden voor nieuwe economische functies (o.a. cross-overconcepten) en functies die aansluiten op het toenemend aantal thuiswerkers in deze wijken. Deze wijkcentra zijn, vanwege de zeer nabije voorzieningen en openbaar vervoer, ook geschikte plekken om woningen voor ouderen toe toevoegen. Dit kan doorstroming bevorderen binnen de wijk. • Bijzondere aandacht voor demografische en sociale ontwikkeling Veel van de wijken in dit leefmilieu zijn binnenkort toe aan de 2e generatie of soms al de 3e generatie inwoners. De wijken worden hiermee als het ware volwassen. De grootste piek in kinderen is eerder geweest en de grootste piek met ouderen komt er nog aan.
Het is zaak hierop in te spelen met beleid dat zich richt op het faciliteren van deze demografische piek en het toekomstbestendig en volwassen maken van de wijken als geheel. Dit kan betekenen dat er tijdelijke maatregelen nodig zijn om de vergrijzingspiek op te vangen. Het toevoegen van nieuwe woningen en het toevoegen van een ‘nieuwe laag’ aan bestaande bebouwing in de wijk kan hierbij helpen. Hierbij valt te denken aan compactere woningen voor ouderen van wie hun eigen woning te groot is geworden. Zij kunnen daardoor binnen hun wijk en bij hun sociale netwerk blijven wonen. Dit leidt tot meer variatie aan bebouwing, maar kan op gespannen voet staan met als geheel ontworpen stedenbouwkundig en architectonische eenheden. Hier dient maatwerk geleverd te worden. Sommige gebieden in dit leefmilieu zijn ongemengd qua woningaanbod, dit kan leiden tot concentraties van problemen. Het plaatselijk meer mengen van woningtypes op buurtniveau (prijs-grootte) kan hier positief aan bijdragen. Mengen van doelgroepen kan juist ook spanningen opleveren (studenten versus gezinnen/ouderen), ook hier is maatwerk geboden. • Bedrijfsterreinen optimaal benutten voor bedrijvigheid met behoefte aan milieuruimte De bedrijfsterreinen met een (blijvende) zwaardere milieucategorie worden optimaal benut voor bedrijven die lucht-, geluid-, geur- of verkeershinder veroorzaken.
Het is belangrijk om de bedrijven op deze bedrijventerreinen te verduurzamen en tegelijkertijd de terreinen klimaatadaptief in te richten om hittestress tegen te gaan.
89
90
7 Werken met de omgevingsvisie 7.1
De omgevingsvisie is het overkoepelend kader op hoofdlijnen voor de ontwikkeling, het beheer, het gebruik en de bescherming van de fysieke leefomgeving in de stad. Hoe er met deze omgevingsvisie wordt gewerkt beschrijven we in dit hoofdstuk. Hoe de ambities en doelstelling uit deze omgevingsvisie worden bereikt is een organisch proces. Na de vaststelling van deze omgevingsvisie wordt gekeken of dit het beste in nog op te richten programma’s kan gebeuren, in bestaande beleidskaders verwerkt wordt of dat het vastgelegd wordt in het omgevingsplan. Werking van het instrumentarium van de Omgevingswet De omgevingsvisie maakt deel uit van het instrumentarium van de Omgevingswet. Deze wet heeft vier doelstellingen: slimmer, beter, sneller, samen. Door de instrumenten in samenhang te ontwikkelen en te gebruiken kan aan deze doelen bijgedragen worden. De Omgevingswet onderscheidt zes verschillende (wettelijke) instrumenten in de beleidscyclus, waarvan er vier relevant zijn voor de Leidse beleidscyclus: de omgevingsvisie, de programma’s, het omgevingsplan en de omgevingsvergunning. Daarnaast heeft Leiden gekozen om het instrument ‘ontwikkelperspectief’ op te stellen, om zo een meer gedetailleerd kader te hebben voor enkele gebieden. Het ontwikkelperspectief is het instrument tussen de omgevingsvisie en het programma.
Hieronder worden de positionering en de werking van de omgevingsvisie, het ontwikkelperspectief, de programma’s, het omgevingsplan en de omgevingsvergunning in samenhang beschreven.
Figuur: beleidscyclus Omgevingswet
91
De omgevingsvisie en de ontwikkelperspectieven zijn de twee instrumenten waarin doelen, ambities en uitgangspunten voor de ontwikkeling van de stad (op hoofdlijnen) vastgelegd worden. Ten opzichte van de omgevingsvisie zijn de ontwikkelperspectieven gedetailleerder, onder meer in de typering van gewenste woon- en werkmilieus in verschillende buurten en het gewenste aanbod van functies en voorzieningen. Beide producten doen uitspraken op hoofdlijnen en zijn zelfbindend voor de gemeente. De gemeenteraad is voor beide documenten het bevoegd gezag. Dit geeft de gemeenteraad haar kaderstellende en sturende rol. De ambities en keuzes uit de omgevingsvisie en de ontwikkelperspectieven worden – indien wenselijk - juridisch geborgd in het omgevingsplan. Hier wordt uitvoering gegeven aan het door de gemeenteraad vastgestelde beleid. Het omgevingsplan wordt ook door de gemeenteraad vastgesteld. Hiermee kan zij controleren of de door haarzelf vastgestelde ambities en doelstellingen (in de omgevingsvisie en ontwikkelperspectieven) voldoende en juist juridisch geborgd zijn. Het Omgevingsplan is geen doel op zich, maar vormt wel een (wettelijk verplicht) middel, waarmee de raad (straks) kan sturen op de ontwikkeling van Leiden en het bereiken van de door raad gestelde ambities en doelen. Tussen de ontwikkelperspectieven en het omgevingsplan zijn programma’s gepositioneerd.
Een programma bevat maatregelen voor de ontwikkeling, het beheer, het gebruik, de bescherming of het behoud van (een deel van) het grondgebied. Hierin wordt beschreven hoe ambities en doelstellingen, die zijn vastgesteld door de gemeenteraad, kunnen worden behaald. Het college van B en W is bevoegd gezag voor de programma’s. Daarnaast is het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het omgevingsplan de bevoegdheid van het college van B en W. De gemeenteraad kan met het adviesrecht een controlerende rol invullen bij een omgevingsvergunning. De gemeenteraad moet daarvoor wel specifiek aangeven in welke gevallen hij daar gebruik van wil maken. Kortom: de gemeenteraad stelt de ambities en doelstellingen vast en het college van B en W geeft invulling over hoe die ambities en doelstellingen behaald worden. Sturingsfilosofie Er zijn grofweg zes te onderscheiden partijen bij het realiseren van ambities en doelstellingen uit deze omgevingsvisie: de gemeenteraad, het college van B en W, de gemeente, de initiatiefnemer, de inwoners en ketenpartners. Hieronder worden de rollen van deze zes partijen kort beschreven. Gemeenteraad De gemeenteraad heeft een kaderstellende, volksvertegenwoordigende en controlerende rol onder de Omgevingswet en is het bevoegd gezag voor de omgevingsvisie.
Door de omgevingsvisie (en ontwikkelperspectieven) vervult de gemeenteraad zijn kaderstellende rol. De ambities en doelstellingen uit de omgevingsvisie geven richting aan en werken door in projecten. Nieuwe ambities leiden eerst tot een aanpassing in de kaderstellende documenten en kunnen daarna doorvertaald worden naar projecten of uitvoeringsbeleid. De gemeenteraad heeft in het gehele instrumentarium van de Omgevingswet ook een controlerende rol. Deze rol komt naar voren in andere beleidsinstrumenten zoals het omgevingsplan, programma’s, adviesrecht en monitoring en evaluatie van de ambities en doelstellingen.
92
College van Burgemeester en Wethouders Het college van B en W bereidt (aanpassingen in) de omgevingsvisie voor en biedt deze voor vaststelling aan aan de gemeenteraad. Het college van B en W is verantwoordelijk voor de uitvoering van de door de gemeenteraad vastgestelde ambities en doelstellingen. Dit uit zich in het feit dat het college van B en W het bevoegd gezag is voor de programma’s en vergunningen, toezicht en handhaving (VTH). Gemeente De gemeente biedt door het opstellen van een omgevingsvisie duidelijke kaders voor de toekomst van de stad. In de omgevingsvisie wordt het belang benadrukt van slimme combinaties en samenwerkingen bij de aanpak van de toekomstige opgaven voor de stad. De rol van de gemeente kan in deze aanpak verschillen van regulerend tot facilitator. Rollen gebaseerd op de overheidsparticipatietrap (ROB, Adviesrapport Loslaten in vertrouwen, 2012) die de gemeente kan aannemen zijn: • de uitvoerende overheid: de gemeente voert taken uit. Zo legt de gemeente straten, voetpaden en fietsroutes aan en zorgt dat ze onderhouden worden. De gemeente draagt zorg voor het beheer in de openbare ruimte.
• de regulerende overheid: de gemeente reguleert door wet- en regelgeving (bijvoorbeeld met het huidige bestemmingsplan en verordeningen en vanaf 2022 het omgevingsplan) • de regisserende overheid: de gemeente hecht waarde aan samenwerking met anderen, maar houdt regie in deze samenwerking (bijvoorbeeld het opstellen van de regionale energiestrategie). • de stimulerende overheid: ambitie of doelstelling komt vanuit de gemeente, maar realisatie laat zij over aan anderen; de gemeente stimuleert hen om aan de slag te gaan (bijvoorbeeld het verduurzamen van huizen door isolatie en zonnepanelen). • de faciliterende overheid: het initiatief komt van buiten en past binnen de ambities en doelen. De gemeente ondersteunt het initiatief door passende voorwaarden te scheppen (bijvoorbeeld het Singelpark of gebiedsontwikkelingen). • de terugtredende, loslatende overheid: de gemeente laat een taak helemaal los, geen inmenging of interventie als de uitkomst of het effect niet bevalt (bijvoorbeeld onderhoud van een buurttuin). Bij de uitvoering van de omgevingsvisie vervult de gemeente al deze rollen. Voor welke rol gekozen wordt, is afhankelijk van verschillende factoren, zoals stakeholders, wettelijk taken, mate van invloed, grondpositie, de opgave, het project, tijd en/of financiën. Soms kunnen rollen ook gecombineerd worden of veranderen de rollen tijdens een proces.
Bijvoorbeeld als de gemeente faciliterend optreedt bij een initiatief, maar voor realisatie van het initiatief regelgeving moet aanpassen, zal de gemeente ook haar regulerende rol pakken. Bij de aanpak van de opgaven en projecten maken we de rolverdeling tussen de partijen van tevoren duidelijk. Dit is van belang voor een goede samenwerking met partijen en alleen samen kunnen we werken aan de doelen en opgaven voor de stad. Initiatiefnemer Zowel kleine als grote initiatieven in de gehele stad kunnen bijdragen aan de opgaven waar de stad voor staat. De opgaven zijn divers en een aantal opgaven is complex. Dat vraagt om creativiteit. De Omgevingsvisie Leiden 2040 is dan ook een uitnodiging voor divers en verassend initiatief. In Leiden zijn veel kundige partijen en inwoners die op basis van wetenschappelijke of praktische kennis en
93
inzet kunnen bijdragen aan deze opgaven. De Omgevingsvisie versie 1.1 biedt op hoofdlijnen een kader voor initiatiefnemers. De initiatiefnemer moet bij zijn/haar initiatief aangeven of en zo ja hoe hij/zij aan participatie heeft gedaan. Verdere uitwerking van deze participatieplicht vindt los van deze omgevingsvisie plaats. Inwoners van Leiden Veel ambities en doelstellingen uit deze omgevingsvisie kunnen alleen worden bereikt samen met de Leidenaren. Wij stimuleren de bewoners van Leiden om een bijdrage te leveren aan het in de omgevingsvisie geschetste toekomstbeeld. Dit hoeft niet altijd via initiatieven, maar kan ook door zelfstandig actie te ondernemen, bijvoorbeeld door de privétuinen te ontstenen of het huis te verduurzamen, of door te participeren bij uitvoeringsplannen. Alleen samen met de stad kunnen de ambities en doelstelling in 2040 behaald worden. Ketenpartners Bij de aanpak van de opgaven uit deze omgevingsvisie werken we intensief samen met onze ketenpartners. Onder de ketenpartners verstaan we medeoverheden, samenwerkingsverbanden en uitvoerings- en adviesorganisaties. Voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming, vergunningverlening, regelgeving, uitvoering en handhaving is nauwe en vroegtijdige samenwerking met deze partijen noodzakelijk.
Ook van initiatiefnemers wordt verwacht dat zij - wanneer relevant - deze ketenpartners vroegtijdig betrekken. Doorwerking omgevingsvisie De Omgevingsvisie is een onderdeel van de beleidscyclus van de gemeente. De uitvoering van ambities en doelstellingen uit de omgevingsvisie werkt door in de andere (beleids-)producten onder de Omgevingswet. De Omgevingswet biedt nieuwe instrumenten met nieuwe mogelijkheden. Bij de totstandkoming van deze Omgevingsvisie is gelijktijdig aan de andere instrumenten van de Omgevingswet en de samenhangende werking van deze instrumenten gewerkt. Komende periode zal verder uitgewerkt worden hoe de ambities en doelstellingen landen in de verschillende instrumenten. Dit kan aanleiding zijn om op termijn de omgevingsvisie aan te passen om zo in dit document scherper aan te geven hoe uitvoering wordt gegeven aan de ambities en doelstellingen. Monitoring Door de staat van de fysieke leefomgeving te monitoren, houden we in de gaten of de ontwikkelingen passen bij de gewenste richting van de stad. Monitoringsgegevens bieden inzicht in de haalbaarheid van beleidsdoelen. Blijkt dat de haalbaarheid van een beleidsdoel of de ontwikkeling van de stad in het gedrang komt, dan kan een aanpassing van de omgevingsvisie of een programma nodig zijn. Door datagedreven te werken faciliteren we beleidsprocessen en projecten in de stad.
De uitvoering van samenhangende monitoring vraagt om het uitwerken van een monitoringsplan dat na vaststelling van deze omgevingsvisie en de omgevingseffectrapportage zal worden opgepakt. De uitwerking van monitoring is afhankelijk van andere instrumenten uit de beleidscyclus, zoals programma’s, omgevingsplan en vergunningen en moet in samenhang worden bezien. De leefomgevingsfoto wordt samen met de al bestaande monitoringssystemen, zoals de woon monitor of het stadsnatuurmeetnet, gebruikt als basis om tot een nieuw en toekomstgericht monitoringssysteem te komen. Financiering van ambities en doelstellingen uit de omgevingsvisie Met het realiseren van ambities en doelstellingen uit deze omgevingsvisie zijn kosten gemoeid.
94
De verschillende beleidsvoornemens in de omgevingsvisie vragen verschillende investeringen. Dit zijn bijvoorbeeld investeringen die “in en om het huis” van Leidenaren of bedrijven worden gedaan, zoals zonnepanelen, isolatie, vergroenen van tuinen, pleinen en daken, aanschaf van elektrische fiets of auto. Ook valt te denken aan investeringen van het bedrijfsleven, maatschappe lijke organisaties, sport- en onderwijsinstellingen, ontwikkelaars en de gemeente zelf. Deze investeringen dragen bij aan de diverse opgaven op het gebied van het klimaat, het vestigingsklimaat, duurzame energie, duurzame mobiliteit, leefbaarheid door werkgelegenheid, passend woningaanbod, innovatie, kennis, reuring en leveringszekerheid. De kosten worden zoveel mogelijk verdeeld over diegenen die er profijt van hebben, en zo ook op initiatiefnemers van bouwplannen. Voor het verhalen van de bedoelde kosten op initiatiefnemers van bouwplannen zijn verschillende mogelijkheden. Naast het verhalen van binnenplanse kosten is in de omgevingswet ook een regeling opgenomen die het mogelijk maakt gebiedsoverstijgende kosten ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving op een initiatiefnemer te verhalen. Dit regelt artikel 13.22 t/m 13.24 Omgevingswet. Er dient een functionele samenhang te bestaan tussen de activiteit en ontwikkeling waarvoor een bijdrage wordt gevraagd.
In een omgevingsvisie of programma kan de functionele samenhang voor de locatie waar de activiteit wordt verricht, worden onderbouwd. Het is niet mogelijk om ten tijde van het vaststellen van de omgevingsvisie een compleet beeld te hebben van alle noodzakelijke gebiedsoverstijgende kosten die benodigd zijn in de realisatie van de hierin beschreven ambities en doelstellingen. Dat bemoeilijkt het vastleggen van de ontwikkelingen waarvoor bijdragen van private initiatiefnemers worden gevraagd in de omgevingsvisie. Om deze reden is in dit hoofdstuk een koppeling gemaakt met onderliggende documenten die frequenter geactualiseerd worden. De gemeente werkt de ambities uit de omgevingsvisie uit en koppelt daaraan ook uitvoerings programma’s en – agenda’s. Onderstaand is per hoofdopgave benoemd binnen welk uitvoeringsprogramma en/of -agenda de ontwikkelingen waar de bijdragen van private initiatiefnemers betrekking op hebben zijn benoemd. • Verstedelijking - Uitvoeringsagenda wonen • Mobiliteit - Leiden Duurzaam Bereikbaar en Leiden Verbindt • Energietransitie - Uitvoeringsagenda energietransitie gebouwde omgeving 2020-2023.
• Klimaatadaptatie en biodiverse vergroening - Uitvoeringsprogramma ‘Leiden Biodivers en klimaatbestendig, Samen maken we Leiden groener!’ • Circulaire economie en afval - Uitvoeringsprogramma circulaire economie Gekoppeld aan de vijf genoemde hoofdopgaven heeft de gemeenteraad het Financieel Perspectief Duurzame Stad vastgesteld. Het doel van het Financieel Perspectief Duurzame stad is om jaarlijks een integraal inhoudelijk en vooral financieel beeld te bieden van de invulling van de ambities uit de opgave. In de Nota Kostenverhaal Gemeente Leiden wordt verder geconcretiseerd voor welke specifieke ontwikkelingen binnen deze programma’s en agenda’s een bijdrage wordt verlangd en wordt verder ingegaan op de functionele samenhang met de activiteiten. Bovengenoemde uitvoeringsprogramma’s en -agenda’s zijn beleidsproducten die zijn vastgesteld voor de komst van de Omgevingswet. Bij het actualiseren van deze beleidsproducten zullen we bekijken hoe we ze positioneren binnen de beleidsproducten uit de beleidscyclus van de Omgevingswet. Daarbij is ook goede aansluiting noodzakelijk op de financiële kaders.
95
Behalen van ambities en doelstellingen uit de omgevingsvisie Om te zorgen dat er aan de ambities en doelstellingen uit de omgevingsvisie gewerkt wordt, kiest de gemeente voor een situationeel grondbeleid: per locatie en situatie maken we een afweging wat de beste aanpak is. Bepalende factoren in de keuze voor het grondbeleid zijn beschikbare middelen: de (organisatorische) capaciteit; risico’s en meer in het algemeen de vraag of de specifieke ambitie en/of doelstelling ook door de markt opgepakt zal worden. De uiteindelijke keuze voor het grondbeleid verschilt per situatie en locatie en wordt afgewogen voorgelegd aan de raad. Steeds vaker is sprake van een hybride gebiedsontwikkeling waarbij de gemeente verschillende rollen inneemt. Vanuit een faciliterende rol kostenverhaal plegen kan binnen dezelfde gebiedsontwikkeling gepaard gaan met een actieve rol waarbij bouwkavels geproduceerd worden en/of extra bouwmogelijkheden voor erfpachtgronden gecreëerd worden. Ook binnen de faciliterende en actieve rollen zijn verschillende mengvarianten denkbaar, zo hoeft de faciliterende rol niet per se reactief te zijn. De gemeente Leiden past op bepaalde locaties namelijk uitnodigingsplanologie toe waarbij initiatiefnemers proactief gestimuleerd worden om in beweging te komen.
Als uitnodigingsplanologie wordt toegepast voor een groter gebied is veelal sprake van een organische gebiedsontwikkeling waarbij de gemeente zonder grondeigendom toch een regierol kan innemen. Met het vastleggen van de keuze voor situationeel grondbeleid in de omgevingsvisie vervalt de in de Nota grondbeleid 2015 vastgestelde beleidskeuze hieromtrent. In het document behorende bij het grondbeleid uit 2015 zijn naast deze beleidskeuze veel instrumenten en werkwijzen benoemd waarvan er veel nog actueel zijn en onverminderd van kracht blijven. Op het moment dat de beschreven werkwijzen een actualisatie behoeven of behoefte is aan het vastleggen van nieuwe werkwijzen zal dit binnen de kaders van de omgevingsvisie gebeuren door het college van B en W. Actualisering van de omgevingsvisie De omgevingsvisie wordt maximaal één keer per vier jaar grootschalig herzien. Redenen voor een grootschalige wijziging kunnen uiteenlopen van een nieuwe politieke koers tot nieuwe beleidsmatige inzichten of technologische ontwikkelingen met dusdanig grote gevolgen dat een grote herziening nodig is. Het aantal tussentijdse wijzigingen is afhankelijk van de nieuwe beleidsinzichten in deze periode. Bij elke actualisatie wordt een slag gemaakt op het digitaal toegankelijk maken van de visie. Hierin zijn wij afhankelijk van de ICT-ontwikkelingen op rijksniveau.
Het aanpassen van de omgevingsvisie organiseren we op een slimme en efficiënte manier. We betrekken burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanpassing. Het college doet voorstellen en tijdens de inspraakperiode kan iedereen reageren op de gewijzigde inhoud. De gemeenteraad stelt de aangepaste omgevingsvisie vast. Nieuw thematisch en gebiedsbeleid Het uitgangspunt is één integraal beleidskader met de strategische visie voor de lange termijn: de omgevingsvisie. Uitwerking van dit beleid in thematisch beleid en gebiedsbeleid is mogelijk, maar moet passen binnen het strategische langetermijnbeleid in de omgevingsvisie. Bij aanvulling of wijziging van die strategische langetermijnvisie zelf moet de omgevingsvisie aangepast of gewijzigd worden. Wanneer er uitwerking in thematisch of gebiedsbeleid voor de fysieke leefomgeving noodzakelijk is, wordt dus altijd een link gemaakt met de omgevingsvisie en de beleidscyclus van de Omgevingswet. De hoofdlijnen van beleidswijzigingen, zoals opgaven, ambities en doelstellingen, zullen verwerkt worden in de omgevingsvisie. In het besluit wordt aangegeven wat het effect is van de beleidswijziging op het samenhangende verhaal. Op deze manier blijft de omgevingsvisie actueel, integraal en relevant.
96
Bijlage 1 – Verklarende woordenen begrippenlijst Achtergrondconcentratie
Van nature aanwezige hoeveelheid (van een bepaalde stof).
Aquathermie Verzamelterm voor duurzaam verwarmen en koelen met water. Het gaat om warmte en koude uit oppervlaktewater, afvalwater en drinkwater. Autoluw Een gebied met een minder prominente rol van geparkeerde en rijdende auto. Beleidsinstrument Middel dat een overheid inzet om beleid uit te voeren, bijvoorbeeld: omgevingsvisie, uitvoeringsprogramma, omgevingsvergunning, subsidieregeling. Beoordelingskader Set indicatoren waarmee beoordeeld wordt: a) in hoeverre met het beoogde beleid (in dit geval vooral ontwikkelprincipes) de beleidsdoelen worden gehaald (‘doelbereik’) en b) wat de effecten van het beleid zijn op de leefomgeving. Beschermd stadsgezicht Van rijkswege beschermde stadsgezichten. Leiden heeft er twee: de Binnenstad en Zuidelijke Schil. Bevoegd gezag Eén of meer overheidsinstanties die bevoegd zijn om over de activiteit van de initiatiefnemer het besluit te nemen. Bezoekerseconomie Bij bezoekerseconomie gaat het primair om bezoekmotieven die te maken hebben met vrijetijdsbesteding. Dit is inclusief bezoek waarbij vrijetijdsactiviteiten óók een rol spelen (bijv. bij winkelen of congresbezoek), maar niet voor overige bezoek met andere doelen (o.a. werk, familiebezoek, opleiding, regulier zakelijk bezoek).
De bezoekerseconomie bestaat uit de onderdelen Erfgoed en cultuur ; Attracties- sportief en outdoor; Horeca; Detailhandel; Evenementen; Waterrecreatie; Congresmarkt. Biodiversiteit De biologische verscheidenheid op meerdere niveaus: genetische variatie, variatie aan soorten (planten en dieren en andere levensvormen) en variatie aan landschappen / ecosystemen. Centrumstad Met centrumstad wordt bedoeld; de ligging van Leiden t.o.v. omliggende (kleinere) gemeenten rondom de stad en de centrale functie op het vlak van onder andere werkgelegenheid, mobiliteit, zorg, onderwijs, cultuur en ontspanning voor de inwoners van de regio.
97
Commissie voor de m.e.r.
E en bij wet ingestelde landelijke commissie van onafhankelijke milieudeskundigen. Zij adviseren het bevoegd gezag over de kwaliteit van de informatie in het milieueffectrapport en naar wens ook over reikwijdte en detailniveau van het milieueffectrapport.
Cross-over concepten Dit zijn gemengde soorten van bedrijfsvoering, waar verschillende concepten door elkaar heen lopen, bijvoorbeeld horeca gecombineerd met flexwerkplekken of natuur gecombineerd met (openlucht)theater. Deelconcepten Concepten waar delen en collectief gebruik centraal staan. Je betaalt niet voor bezit maar voor gebruik zoals bij Uber en de OV-fiets. Energiehub Een (belangrijke) schakel in een netwerk van stroom en warmte. Geothermie (aardwarmte) Lokale duurzame warmte uit de ondergrond die gebruikt kan worden om gebouwen te verwarmen. De temperatuur van de ondergrond en het water daarin lopen op met de diepte. Het warme grondwater wordt opgepompt. Een warmtewisselaar brengt de warmte over naar het warmtenet. Het afgekoelde water gaat via de injectieput weer terug in de grond, waar het weer opwarmt. Grondbeleid Het beleid dat de gemeente voert op haar grondbezit. Hub
Een schakel in of middelpunt van een netwerk.
HOV-halte Hoogwaardig openbaar vervoer-halte. HOV voldoet aan de hoge eisen op het gebied van de doorstroming en kan zowel vervoer over rails als over de weg zijn. Innovation district Een gebied waar publieke en private individuen, instellingen en/of organisaties samenwerken om een gebied te versterken of op te waarderen. Klimaatadaptatie
Het aanpassen (van de leefomgeving) aan klimaatverandering.
Ketenpartners Partners die nauw betrokken zijn bij de totstandkoming van een product Leefomgevingsfoto De leefomgevingsfoto is een manier om de huidige kwaliteit van de fysieke leefomgeving in beeld te brengen. Milieucategorie Milieucategorieën bepalen in welke mate een bedrijf milieubelastend mag zijn. De categorieën gaan van 1 tot 4. Hoe hoger de categorie hoe zwaarder de toegestane milieubelasting.
98
Mitigerende maatregel
Een maatregel die negatieve effecten vermindert of voorkomt.
Mobility as a Service Een mobiliteitsconcept waarbij de reiziger gebruikmaakt van verschillende transportmiddelen via één abonnement. Modal shift Een verandering of verschuiving van het voornaamste vervoer middel, bijvoorbeeld een verandering van auto naar fiets. (Plan)MER MER staat voor ‘Milieueffectrapport’ en bevat de resultaten van het onderzoek naar de (milieu)effecten binnen een m.e.r. De toevoeging ‘Plan’ wil zeggen dat het om een MER voor een plan gaat, zoals een Omgevingsvisie. (Plan)m.e.r M.e.r. staat voor ‘milieueffectrapportage’ en is de procedure waarbinnen een MER wordt opgesteld. De toevoeging ‘Plan’ wil zeggen dat het om een m.e.r. voor een plan gaat, zoals een omgevingsvisie. Natuurhistorische locatie
Gebieden met een hoge ecologische waarde.
Next economy Volgende fase in de economische ontwikkeling, waarin hoogstwaarschijnlijk robotisering en hoogwaardige kennis een groter aandeel gaan krijgen. NRD Notitie Reikwijdte en Detailniveau: notitie die beschrijft waar de m.e.r.-procedure wel en niet overgaat (‘reikwijdte’), welke aspecten in het OER onderzocht gaan worden en met welke diepgang (‘detailniveau’). OER OER staat voor ‘Omgevingseffectrapport’ en omvat naast milieueffecten ook andere omgevingseffecten. In deze NRD wordt met OER de planMER bedoeld. Omgevingsvisie De omgevingsvisie is één van de wettelijk verplichte instrumenten uit de Omgevingswet. In de omgevingsvisie legt de gemeente haar ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving vast voor de lange termijn. De omgevingsvisie is zelfbindend en is een richtinggevend kader. Ontwikkelperspectief Het ontwikkelperspectief is een gebiedsgerichte uitwerking van de omgevingsvisie. Omgevingswet De aangenomen maar nog niet in werking getreden wet die een vereenvoudiging van het stelsel van wetgeving voor de leefomgeving beoogt. De Omgevingswet gaat de Wet ruimtelijke ordening (Wro) vervangen.
99
Smart city Een slimme stad. Een stad die steeds meer wordt bestuurd op basis van data. Structuurvisie In de structuurvisie is het ruimtelijk beleid voor de lange termijn vastgelegd. De structuurvisie is zelfbindend en is een richtinggevend kader. De structuurvisie is een instrument uit de Wet op de Ruimtelijke Ordening (Wro). Verzilting Geleidelijk toenemen van het zoutgehalte van de bodem of het water. Wet ruimtelijke ordening
uidige wet op het gebied van ruimtelijke ordening. Deze wordt H naar verwachting op 1 juli 2022 vervangen door de Omgevingswet.
Wijksportparten Open sportparken waar naast georganiseerde sportverenigingen ook ruimte is voor de ongeorganiseerde sport en voor maatschappelijke organisaties uit de buurt.
100