CConstaterende datLeiden
Koppel je AI →
Document · PDF

210038 Bijlage 6 Duurzaamheidsvisie stationsgebied Leiden

raadscommissie Stedelijke Ontwikkeling 18 mei 2021, gemeente LeidenBij agendapunt: Bijlagen21.073 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bijlage 6

Duurzaamheidsvisie Stationsgebied Leiden Februari 2021

Leeswijzer Deze rapportage bevat de duurzaamheidsvisie voor het Stationsgebied Leiden. De rapportage bestaat uit een bundeling van eerder opgeleverde documenten van Over Morgen aan gemeente Leiden, aangevuld met een introductie, context en methode. We starten dit document met een introductie en lichten vervolgens de context toe waarbinnen deze duurzaamheidsvisie is opgesteld. We staan bij de contextbeschrijving stil bij de vragen over duurzaamheid uit de Gebiedsagenda van het Stationsgebied. De beantwoording van deze vragen kan gezien worden als de conclusie van de duurzaamheidsvisie. Vervolgens lichten we de methode toe, die is doorlopen om deze duurzaamheidsvisie op te stellen. Na de methode volgt een bundeling van documenten: de duurzaamheidsvisie van het Stationsgebied, ambities per duurzaamheidsthema en de verkenning van thema’s. De duurzaamheidsvisie is het eindresultaat, wat tot stand is gekomen door een prioritering van ambities en een verkenning van duurzaamheidsthema’s.

Inhoudsopgave > > > > >

Introductie en context…………………………………….…… pag. 4 Methode opstellen duurzaamheidsvisie…………………….. pag. 10 De duurzaamheidsvisie……………………………………….. pag. 22 De ambities per thema………............................................... pag. 54 De verkenning van thema’s……………………………………pag. 131

Introductie en context duurzaamheidsvisie Stationsgebied Leiden

Introductie Het stationsgebied in Leiden is volop in ontwikkeling. De gemeente Leiden heeft Over Morgen gevraagd om op integrale wijze te adviseren over duurzaamheid bij de totstandkoming van de Gebiedsvisie voor het Stationsgebied. Het doel van deze integrale benadering is om duurzaamheid meer invulling te geven in de vorm van concrete thema’s. Door het uitwerken van deze thema’s en keuzes te maken wordt inzicht verkregen in koppelkansen en kan een onrealistische stapeling van ambities voorkomen worden. Door de uitwerking en prioritering van de duurzaamheidsthema’s ontstaat er een duidelijke duurzaamheidsvisie voor het Stationsgebied. Deze duurzaamheidsvisie is input voor de Gebiedsvisie. De duurzaamheidsvisie is een bouwsteen voor de Gebiedsvisie en bouwt voort op de Gebiedsagenda Stationsgebied Leiden en het Stedenbouwkundig plan uit 2012. In de Gebiedsagenda staan een aantal uitgangspunten voor het thema duurzaamheid benoemd, die in deze duurzaamheidsvisie als leidraad zijn gebruikt. Ook staan er in de Gebiedsagenda een drietal vragen over de uitwerking van het thema duurzaamheid in de Gebiedsvisie en het vervolgproces. Deze vragen vormden het startpunt voor het opstellen van deze duurzaamheidsvisie.

Een integrale duurzaamheidsvisie vraagt om een brede blik en kennis van verschillende thema’s en verbanden tussen onderwerpen. Deze duurzaamheidsvisie is daarom gebaseerd op bestaand beleid, aanwezige kennis en ervaringen van betrokken in het stationsgebied en input van experts op de duurzaamheidsthema’s. Deze rapportage beschrijft de stappen die zijn genomen om tot de duurzaamheidsvisie te komen en geeft een handreiking voor vervolgstappen. Ook leest u in deze rapportage de (samenvatting van de) duurzaamheidsvisie, de prioritering van de duurzaamheidsthema’s en een verkennende analyse.

Context De duurzaamheidsvisie is gebaseerd op lokale gebiedskenmerken, bestaand beleid, aanwezige kennis en ervaringen van betrokkenen in het Stationsgebied en bouwt voor op inzichten die zijn opgedaan de afgelopen jaren. Het thema duurzaamheid was in de Gebiedsagenda op hoofdlijnen al uitgewerkt en belangrijke speerpunten zijn daarin benoemd. Deze agenda is het uitgangspunt geweest bij deze duurzaamheidsvisie. Op de volgende pagina leest u de beantwoording van de duurzaamheidsvragen uit de Gebiedsagenda. Binnen de gemeente Leiden is ook een afwegingskader duurzaamheid ontwikkeld waarin afhankelijk van het gebied en het gebruik ervan keuzes gemaakt kunnen worden op ambitieniveau evenals operationalisering. Dit afwegingskader is nauwkeurig bekeken. Naast bovengenoemde zaken is ook de Duurzaamste Kilometer van Nederland (DZKMNL) en het werk wat daarin is ontwikkeld input geweest voor deze duurzaamheidsvisie.

In het proces van het opstellen van de duurzaamheidsvisie, is met verschillende betrokkenen in het Stationsgebied gesproken. Dit betreft onder andere medewerkers van de gemeente Leiden, PosadMaxwan, Kickstad, DZKML, Bureau Buhrs ABC Vastgoed en inwoners.

Van Gebiedsagenda naar Gebiedsvisie De duurzaamheidsvisie is input voor de Gebiedsvisie en bouwt voort op de Gebiedsagenda. Op basis van deze duurzaamheidsvisie worden de vragen uit de gebiedsagenda als volgt beantwoord:

1. Welke duurzaamheidsthema’s of -eisen verdienen prioriteit en verschilt dat per kavel of deelgebied? Het thema duurzaamheid bestaat uit zes thema’s: duurzame mobiliteit, duurzame energie, klimaatadaptatie, biodiversiteit circulariteit en vitaliteit. Alle zes thema’s lijken soms wel even belangrijk. In het traject om tot de duurzaamheidsvisie te komen is echter gebleken dat er wel degelijk focus is aan te brengen om bepaalde duurzaamheidsthema’s sterker naar voren te brengen dan anderen. Het duurzaamheidsthema mobiliteit krijgt de hoogste prioriteit in het Stationsgebied. Ook het thema klimaatadaptie en duurzame energie verdienen prioriteit. Biodiversiteit, circulariteit en vitaliteit zijn belangrijke duurzaamheidsthema’s voor het Stationsgebied, maar passen iets minder goed bij de kenmerken en functies van het Stationsgebied. Deze prioritering betreft een gemiddelde voor het gehele Stationsgebied. Op sommige kavels geldt er een andere prioritering van de duurzaamheidsthema’s. Deze prioritering en onderbouwing is te lezen in deze rapportage. Het vertrekpunt is altijd het minimaal wettelijk/beleidsmatig opgelegde niveau, de gesprekspunten zouden vooral moeten gaan over waar je extra ambitie/doelen kan en wil toevoegen. Op de volgende pagina volgt een figuur die de prioritering van de duurzaamheidsthema’s weergeeft.

Prioritering duurzaamheidsthema’s

Van Gebiedsagenda naar Gebiedsvisie 2. Hoe maken we de duurzaamheidseisen concreet, meetbaar, financieel transparant en minder vrijblijvend en wat (welke pilots) gaan we vanaf nu gewoon doen? De duurzaamheidsvisie is een handreiking en leidraad die werkt als een gids om de juiste keuzes in het gebiedsontwikkelingsproces te maken. In het proces dat doorlopen is om tot de duurzaamheidsvisie voor het Stationsgebied te komen, is gekeken naar voorbeeldmaatregelen en is een indicatie gegeven van de financiële haalbaarheid om de duurzaamheidsthema’s uit te werken. Een eerste vervolgstap is nu een nieuw stedenbouwkundig plan waarin aantallen woningen, oppervlaktes, openbare ruimte e.d. zijn aangegeven. Dat kan dan in gezamenlijkheid met ontwerpers en inhoudelijke experts op de verschillende duurzaamheidsthema’s worden voorzien van een grondige check en doorrekening op hoofdlijnen om na te gaan of ambities op deze wijze worden behaald. Op basis van deze vervolgstap kan een (duurzaamheids)programma van eisen worden opgesteld. 3. Wat betekenen duurzame keuzes voor de stedenbouwkundige opzet en architectuur en voor de partijen die we selecteren of stimuleren voor uitvoering daarvan? De duurzaamheidsvisie geeft aan met welke thema’s en maatregelen de stedenbouwkundigen en ontwikkelaars rekening moeten houden.

De concrete betekenis van de duurzame keuzes voor deze partijen wordt nader ingevuld bij het opstellen van het programma van eisen.

Methode opstellen duurzaamheidsvisie Stationsgebied Leiden

Methode opstellen duurzaamheidsvisie De ambitie is om het Stationsgebied op een duurzame manier te ontwikkelen. Het volwaardige proces binnen een duurzame gebiedsontwikkeling bestaat uit 8 stappen. Uitgangspunt is het werken van grof naar fijn, van visie tot maatregelen. Het visietraject bestaat uit de stappen 1 t/m 3. Na de duurzaamheidsvisie volgt het opstellen van een duurzaamheidsprogramma van eisen en het ontwikkelen van een duurzaamheidsconcept. In stap 8 wordt vervolg gegeven aan de uitwerking op themaniveau, door concrete maatregelen te formuleren en de daadwerkelijke uitvoering voor te bereiden. De eerste drie stappen van dit proces zijn doorlopen om tot de duurzaamheidsvisie voor het Stationsgebied Leiden te komen. Op de volgende pagina’s volgt een uitwerking van deze drie stappen.

Stap 1- Thema’s verkennen In deze eerste stap van het duurzame gebiedsontwikkelingsproces is een definitie gegeven aan het begrip duurzaamheid. Samen met partijen is onderzocht welke thema’s onder het begrip duurzaamheid vallen. Om partijen op dezelfde golflengte te krijgen, zijn de duurzaamheidsthema’s uitgewerkt in bouwstenen. Deze bouwstenen beschrijven uit welke deelonderwerpen een duurzaamheidsthema bestaat. Bij de verkenning van de thema’s is er gekeken naar de beleidsuitgangspunten, de thema’s van de Duurzaamste Kilometer van Nederland (DZKMNL), unieke eigenschappen van het Stationsgebied, de stakeholders en het gebiedsprogramma. Opgaven, ambities en hiaten zijn per thema inzichtelijk gemaakt. Ook is er onderzocht tussen welke thema’s koppelkansen zitten en waar mogelijk spanningen tussen de duurzaamheidsthema’s kunnen optreden. Deze koppelkansen en spanningen zijn op gebiedsniveau in beeld gebracht. Dit zijn de bepalende ingrediënten voor het vervolg. De zes thema's voor duurzaamheid vaststellen

Per thema bestaand beleid en relevante ontwikkelingen analyseren

Opgaven, ambities en hiaten per thema inzichtelijk maken

Synergie en spanningen tussen de thema's in beeld brengen op gebiedsniveau

Stap 2- Ambities peilen In deze tweede stap van het duurzame gebiedsontwikkelingsproces zijn de duurzaamheidsthema’s verder geoperationaliseerd om ze vervolgens te kunnen prioriteren. Dit gebeurt aan de hand van de prioriteitenmix. Voor elk duurzaamheidsthema is er gekeken naar de kansen en bedreigingen voor de toepassing van het thema in het Stationsgebied, om het prioriteringsniveau te kunnen onderbouwen. De prioritering is uitgevoerd op gebiedsniveau en op kavelniveau. De prioritering is gebaseerd op de analyse uit stap 1, aangevuld met gebiedskennis van stakeholders en omwonenden van het Stationsgebied. Het uitgangspunt voor het peilen van ambities is dat elke partij een standpunt mag innemen en ambities voor de thema’s kan bepalen. De hoogte van de ambitie helpt om maatregelen te kiezen die hierbij aansluiten. Vanuit een integraal oogpunt wordt de uiteindelijke prioritering van ambities bepaald. Samen met de gemeente Leiden en haar sleutelpartners (Kickstad, DZKMNL, Bureau Buhrs, PosadMaxwan, inwoners die deelnamen aan de Doe Mee dag) is een iteratief proces doorlopen waarbij is geschakeld tussen gebied- en kavelniveau en telkens is gecheckt of prioriteiten en maatregelen op alle niveaus passen. Ambities op kavelniveau en gebiedsniveau bepalen aan de hand van de duurzaamheidsthema’s

Afwegen van de ambitieniveaus met stakeholders en bewoners

Doelstellingen, normen, synergie en spanningen per bouwsteen operationaliseren

Toelichting het peilen van ambities > >

>

Het peilen van ambities doen we aan hand van de prioriteitenmix. In de prioriteitenmix dwingen we onszelf om te differentiëren in focus voor een herkenbare signatuur per kavelcluster en het Stationsgebied. In de prioriteitenmix werken we met vier niveaus: Dit onderdeel moet een onderscheidend kenmerk zijn en moet zeer duidelijk herkenbaar zijn in het ontwerp

4

Dit onderdeel heeft prioriteit en moet goed geborgen zijn in het ontwerp. Het is daarmee een vertrekpunt

3

Voor dit onderdeel wordt meer gedaan dan wettelijk minimum. Wat dit is, dat is een gesprekspunt met de markt.

2

Voor dit onderdeel volstaat wat wettelijk noodzakelijk is. Extra maatregelen zijn “nice to have”

1

>

>

De prioriteitenmix stellen we op voor het Stationsgebied als geheel en voor de aparte kavelclusters. We maken een prioriteitenmix op themaniveau en op bouwsteenniveau.

Werken met de prioriteitenmix

Op het niveau van de zes duurzaamheidsthema’s

Heeft prioriteit

Voor dit onderdeel wordt meer gedaan dan wettelijk minimum. Wat dit is, dat is een gesprekspunt met de markt.

2

Voor dit onderdeel volstaat wat wettelijk noodzakelijk is. Extra maatregelen zijn “nice to have”

Basis Wettelijk minimum

1

Vitaliteit

3

Duurzame mobiliteit

Dit onderdeel heeft prioriteit en moet goed geborgen zijn in het ontwerp. Het is daarmee een vertrekpunt

Circulariteit

Onderscheidend

Duurzame energie

4

Biodiversiteit

Dit onderdeel moet een onderscheidend kenmerk zijn en moet zeer duidelijk herkenbaar zijn in het ontwerp

Klimaatadaptatie

PRIORITEITENMIX

Toelichting het peilen van ambities Het ambitieniveau wordt bepaald aan de hand van 4 factoren

Ambities en beleid

Lokale opgaven en initiatieven

Welke factoren zijn van invloed op de hoogte van het ambitieniveau? Ruimtelijke kenmerken van het gebied

Programma van de gebiedsontwikkeling

De bouwstenen per duurzaamheidsthema in beeld > > > >

Per duurzaamheidsthema zijn er bouwstenen gemaakt. Die geven specifieker aan wat een thema precies inhoudt. De bouwstenen maken specifiek waar de prioriteiten liggen per kavelcluster en op gebiedsniveau. De bouwstenen hebben zowel betrekking op het gebouwd oppervlak als op de openbare ruimte. Op de volgende pagina zijn de bouwstenen afgebeeld.

• Het gebruik van hernieuwbare materialen uit zich in de mate waarin het stationsgebied is ingericht met materialen die hernieuwbaar van aard zijn zoals hout en vezels.

Nieuwe verdien-modellen

Grondstoffen-besparing

Hernieuwbare materialen

• Er is veel materiaal aanwezig in het plangebied en de omgeving. Een tweede leven geven is een hoogwaardige circulaire strategie. Urban mining gaat uit van het direct hergebruik van grondstoffen, componenten, producten en gebouwdelen uit de directe omgeving.

• Gerecyclede producten zijn een goede optie wanneer er geen hernieuwbare materialen zijn of urban mining niet voldoende grondstoffen kan leveren. Er kunnen bijvoorbeeld eisen worden gesteld aan de recyclings percentages van staal, plastic en beton.

• Een circulair gebouw is zo ontworpen, dat het (gedeeltelijk) worden gedemonteerd. In materiaalpaspoorten zijn de materialen herleidbaar. De verschillende onderdelen (componenten, producten, gebouwdelen) kunnen vervolgens weer worden gebruikt voor een ander gebouw/gebied.

Direct hergebruik door urban mining

Grondstofbesparing door recycling

• Wat je niet gebruikt, hoef je ook niet op te wekken. Compacte bouw, goede isolatie, kierdichting en efficiënte ventilatie zorgen voor een beperking van de warmtevraag. Bij nieuwbouw is dit vaak al voldoende geborgd. De koudevraag en het voorkomen van oververhitting is daarom een belangrijker punt van aandacht.

• Vooral bij de opwek van warmte is de efficiëntie afhankelijk van de keuzes die worden gemaakt in de energie-infrastructuur. Ook is de efficiëntie bij woningen sterk afhankelijk van hoe de regelgeving ontwikkelt met betrekking tot de temperatuur-eisen van warm tapwater. In het gebied speelt daarnaast de beperkt beschikbare ruimte in de ondergrond een rol.

Vraagbeperking

• Energiebronnen zoals zon en wind zijn grilliger in hun opwek dan bijvoorbeeld gascentrales en kerncentrales. Meer aandacht is nodig om vraag en aanbod te balanceren door energieopslag en piekshaving.

Balancering vraag en aanbod

Efficiëntie van opwekinstallaties

Remontabelheid

• Keuzes in de woning kunnen het comfort positief beïnvloeden, zoals een goede ventilatie, hoge kierdichting, vloerverwarming in combinatie met actieve koeling en het beperken van de koudevraag door bouwkundige en klimaat adaptieve maatregelen.

Comfort

• De elektrificatie van onze energievraag zorgt voor hogere vermogensvraag en hogere piekvraag. Dit is een belangrijk onderdeel van de toekomstbestendigheid van de energie-infrastructuur. De vermogensvraag van o.a. de warmtevoorziening en de laadinfrastructuur moet zoveel mogelijk beperkt worden.

• Lokale opwek van duurzame energie is belangrijk, maar kent wel beperkingen. Zowel vanuit het perspectief van overbelasting van het elektriciteitsnet als het ruimtebeslag. Bij hoge dichtheden is de ruimte schaars, waardoor de opwekcapaciteit beperkt is.

Vermogensvraag elektriciteit

Lokale opwek van duurzame elektriciteit

Klimaatadaptatie & biodiversiteit

• Besparing is de hoogste vorm van reduceren van grondstoffengebruik. Dit kan door goed na te denken over de noodzaak van inzet van bepaalde producten, of door multifunctioneel gebruik te stimuleren.

Duurzame mobiliteit

Circulariteit Duurzame energie

• De transitie naar een circulaire Leidse gemeente vraagt om systeemverandering. Hierbij horen nieuwe verdienmodellen, zoals deelconcepten, servicemodellen en leaseconcepten.

• Bij een oplopende temperatuur stijgt de zeespiegel. Op het gebied van waterveiligheid bestaat, ondanks grote projecten (bijv. dijkversterking), er nog een kans op overstromingen. Mogelijk zijn aanvullende gevolgenbeperkende maatregelen gewenst.

• Twee van de vier KNMI klimaatscenario’s geven aan dat Nederland droger wordt door klimaatverandering. Droogte kan leiden tot bodemdaling en funderingsproblemen, maar ook tot schade bij natuur en stedelijk groen.

• Klimaatverandering leidt tot meer tropische dagen, wat invloed heeft op concentratie en nachtrust. Hittestress is voor kwetsbare groepen als ouderen en kinderen. Voldoende koele verblijfsplekken zijn in dit gebied belangrijk. Dit kan worden gerealiseerd door bomen of verblijfsplekken afstemmen op de beschaduwing van gebouwen.

Overstromings-bestendig

Droogte-bestendig

Hitte-proof

• Doordat we te maken krijgen met meer korte, hevige buien is er ook een grotere kans op wateroverlast. Door o.a. ontharding, voldoende waterberging en de juiste afvoer met voldoende capaciteit wordt het risico verlaagd.

• Het stimuleren van de verscheidenheid aan planten en dieren draagt bij aan de biodiversiteit in het stationsgebied. Daarbij ligt de nadruk op inheemse soorten en variatie in de toepassing van groen en water. De nadruk ligt op natuurlijke vegetaties.

• (Nieuwe) leefgebieden en schuilplaatsen worden met elkaar verbonden tot een divers en weerbaar groenblauw netwerk. Dit sluit aan op de bouwstenen droogte-bestendig, water-robuust en hitte-proof.

Waterrobuust

Rijk aan soorten

Groenblauwe netwerken

• De mate waarin het gebied gebruikers stimuleert om schone mobiliteit te gebruiken, denk aan laadinfrastructuur en koppeling met lokaal opgewekte energie.

• De mate waarin het gebied kiest voor compacte bouw, functiemenging, nabijheid organiseert, routing naar OV optimaliseert, nadenkt over ketenvoorziening.

• Deelconcepten en Mobility As A Service bieden kansen voor leefbaarheid en bereikbaarheid. Bv. door het bieden van alternatieven voor bezit eigen (1e ,2e ,3e) auto en first & last mile oplossingen met deelfietsen en scooters.

Zero-emissie

• De mate waarin het gebied lopen, fietsen en recreëren stimuleert, bv door het aansluiten op (snel)fietsroutes, fietsparkeren goed faciliteren en brede voetpaden.

Transit Oriented Development

Deelconcepten / MaaS

• De mate waarin de auto wordt gefaciliteerd in het gebied. Wat is het regime voor de auto en welke parkeernormen en –oplossingen horen daarbij?

• De mate waarin het gebied slimmer omgaat met bevoorrading, pakketbezorging, afvalverwerking en alle verkeersstromen die dat met zich meebrengt.

De bouwstenen • Levendige publieke ontmoetingsplekken, activiteiten op buurtniveau en dagbesteding past hierbij. Het gaat hier om de motivatie van de eindgebruiker om in verbinding te zijn met anderen en betekenisvolle relaties te vormen.

Sociaal maatschappelijk participeren

Mentaal welbevinden

• Deze bouwsteen gaat over fysieke beweging. In welke mate is er ruimte voor sport en speelplaatsen. Wordt wandelen fietsen en beweging gestimuleerd om het lichaam fit te houden.

• De mate waarin basisvoorzieningen zoals supermarkt, apotheek en sociale ontmoetingsplaatsen bereikbaar zijn. De dagelijkse levensverrichtingen moeten bereikbaar zijn met fijnmazige netwerken van voet- en fietspaden maar ook met het openbaar vervoer.

Toegang tot (basis)voorzieningen

Fysiek functioneren

• Groen, water, landschap en natuur maar ook cultuurhistorie en toegang tot gezond voedsel draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving . Het gaat hierbij ook om verscheidenheid in wonintypologie en de mate van leegstaande bebouwing. (wat weer een negatief effect heeft)

Kwaliteit van de leefomgeving

• Lekker in je vel zitten met een grote variatie aan betaalbaar gezond voedsel maar ook het stimuleren van eigenwaarde en zelfrespect. Dit moet bijdragen aan mentale lenigheid van de eindgebruiker.

• Economische vitaliteit met betekenisvol werk maar ook emotionele veerkracht stimuleren door ruimte te bieden aan educatie, plekken voor rust en bezinning en ruimte voor cultuur zoals kunst en theater.

Ruimte voor zingeving

Vitaliteit Actieve mobiliteit

Auto

Logistiek

Indicatie van financiële haalbaarheid

Werken met normen >

>

>

Per duurzaamheidsthema en waar logisch op bouwstenenniveau geven we suggesties voor normeringen waar op gestuurd kan worden. De Gebiedsvisie moet toekomstbestendig zijn voor 10 jaar. Daarom kijken we ook waar dynamische normen (bijv. altijd 10% meer dan het wettelijk minimum) voor de hand liggen. Voor het thema Vitaliteit hebben we geen suggesties voor normen beschreven omdat dit in essentie geen duurzaamheidsthema is. Vitaliteit hebben we weergegeven om de synergie in beeld te brengen.

>

>

>

Als we het hebben over financiële haalbaarheid dan baseren we dat op drie aspecten: effect op de Grond Exploitatie, de Vastgoedexploitatie en beheer. Per bouwsteen geven we met een niveau van 1 t/m 4 aan wat de financiële haalbaarheid is. Dit is een indicatie om rekening mee te houden. In de uitwerking op maatregelenniveau kan dit pas echt bepaald worden. De niveaus houden het volgende in:

1. Positieve financiële haalbaarheid: Maatregelen die hierbij passen renderen. 2. Neutrale financiële haalbaarheid: Maatregelen die hierbij passen hebben een kosten/batenverhouding die neutraal is. 3. Negatieve financiële haalbaarheid: Maatregelen die hierbij passen zorgen voor meer kosten dan dat ze in directe financiële zin iets opleveren. 4. Zeer negatieve financiële haalbaarheid: Maatregelen die hierbij passen zorgen voor aanzienlijk meer kosten dan dat ze in directe financiële zin iets opleveren.

Stap 3- Visie opstellen Op basis van de thema’s en ambities is er een beeld ontstaan van het toekomstige Stationsgebied. Dit beeld is uitgewerkt door experts op de verschillende duurzaamheidsthema’s in samenwerking met de stedenbouwkundigen van PosadMaxwan. Het beeld is vastgelegd in de Gebiedsvisie voor het Stationsgebied en geeft richting voor de verdere uitwerking.

Per duurzaamheidsthema ambities, doelstellingen en voorbeeldmaatregelen beschrijven

Duurzaamheidsvisie voor het Stationsgebied als geheel en per kavelcluster

Vervolgstappen Met de duurzaamheidsvisie voor de Gebiedsvisie van het Stationsgebied zijn de eerste drie stappen gezet om tot een duurzame gebiedsontwikkeling te komen. De vervolgstappen bestaan uit het opstellen van een programma van eisen, het bepalen van maatregelen, het uitwerken van een duurzaamheidsconcept, het toetsen van haalbaarheid en het concreet uitwerken en voorbereiden van maatregelen. Voor een aantal thema’s zijn aandachtspunten benoemd die onderzocht moeten worden bij het opstellen van het programma van eisen. Deze punten voor nader onderzoek staan verderop in deze rapportage beschreven. Een belangrijk aandachtspunt voor het vervolg is het meetbaar maken van duurzaamheid. Deze duurzaamheidsvisie biedt hiervoor input door de prioritering van duurzaamheidsthema’s en de suggesties voor normen. In de volgende fase kan een partij gespecialiseerd in het meten van duurzaamheid door monitoring inzichtelijk maken wat er moet gebeuren om de normen te behalen. De monitoring kan integraal worden opgepakt, aangezien ook de andere thema’s die onderdeel zijn van de gebiedsvisie vragen om monitoring.

Duurzaamheidsvisie Stationsgebied Leiden

Inhoudsopgave > > > >

Samenvatting duurzaamheidsvisie…………………………………. pag. 24 Aandachtspunten voor het vervolg…………………………………. pag. 28 Duurzaamheidsparagraaf per thema…………………...………….. pag. 29 Belangrijkste ambities per kavelcluster……………………………. pag. 48

Samenvatting duurzaamheidsvisie Duurzaamheid is voor het Stationsgebied niet de sluitpost maar de nieuwe standaard Het onderwerp duurzaamheid bestaat voor het Stationsgebied uit zes verschillende thema’s: mobiliteit, klimaatadaptatie, energie, circulariteit, biodiversiteit en vitaliteit. De duurzaamheidsthema’s staan niet op zichzelf en kunnen elkaar versterken, de som is meer dan de losse delen. Het integreren en combineren van deze duurzaamheidsthema’s in het stedenbouwkundig ontwerp biedt de kans om voor het Stationsgebied een unieke signatuur te ontwikkelen die passend is bij de Duurzaamste Kilometer van Nederland. Daarbij wordt er bewust geprioriteerd per duurzaamheidsthema om een balans te vinden in ambities en maatregelen die aansluiten bij de fysieke, technische en financiële ruimte. In deze paragraaf lichten we de essentie toe per duurzaamheidsthema die leidend is voor de gebiedsontwikkeling van het Stationsgebied.

Het Stationsgebied is de plek waar wonen, werken en ontmoeten in harmonie samengaan Dit bereiken we door vol overtuiging in te zetten op schone en actieve mobiliteit en klimaatadaptieve oplossingen. In het Stationsgebied wordt fysieke beweging door wandelen en fietsen gestimuleerd en is dit de meest vanzelfsprekende optie. Je ruikt geen uitlaatgassen doordat het een emissievrije zone is waar deelmobiliteit de standaard is. Er zijn groene verbindingen naar de Singels van Leiden om te ontmoeten en te ontspannen. De openbare ruimte en de gebouwen zijn bestand tegen hittestress, wateroverlast en zijn droogtebestendig, door bijvoorbeeld de aanplanting van groen en het realiseren van waterberging. Met duurzame energie van zonnepanelen en bodemwarmte en -koude hebben gebouwen een optimaal en gezond binnenklimaat dat gevoed wordt door hernieuwbare bronnen.

De stadsentree van Leiden is onderscheidend met zero-emissie vervoer, deelconcepten en ruimte voor de fiets en voetganger Het Stationsgebied Leiden is een OV-knooppunt, waarin duurzame mobiliteit wordt ingebed in het ontwerp. De auto maakt plaats voor wandelen en fietsen, er komen hubs voor deelmobiliteit om de reiziger te voorzien in de first en last mile en parkeermogelijkheden bevinden zich met name aan de randen van het gebied. Hierdoor onderscheidt het Stationsgebied zich op het onderdeel duurzame mobiliteit ten opzichte van de rest van Nederland.

De toegangspoort van Leiden moet ook bij weersextremen functioneren Daarom heeft klimaatadaptatie hoge prioriteit in het Stationsgebied. Als dé toegangspoort tot Leiden komen hier veel vitale functies bij elkaar: natuurlijk het station en de samenhangende voorzieningen, maar ook de busterminal en essentiële tunnels en toegangswegen voor Leiden. In elk gebouw- en openbare ruimteontwerp moet daarom rekening worden gehouden met hitte en waterrobuustheid, bijvoorbeeld door het aanplanten van groen in de openbare ruimte en op daken, het creëren van schaduwrijke plekken, het realiseren van waterberging en het creëren van veilige routes en plekken bij extreme neerslag. Dat doen we door bovengrondse bergingsvoorzieningen in het groen te maken waar regenwater in wordt vastgehouden en geïnfiltreerd. Op kavelniveau bergen we regenwater op groen-blauwe daken. Vanwege de hoge ruimtedruk kan het nodig zijn om ondergrondse waterbergingsvoorzieningen te creëren. Duurzame energie is het nieuwe normaal Het is een voorwaarde en basisbehoefte om het Stationsgebied duurzaam te realiseren: Energie uit hernieuwbare bronnen, waarom ook dit thema prioriteit krijgt in het Stationsgebied. Dat betekent dat het beschikbare dakoppervlak maximaal benut moet worden voor het plaatsen van zonnepanelen en dat er wordt ingezet op bodemenergie om te voorzien in de warmte- en koudevoorziening voor het gebied.

De transitie naar een circulaire economie aanjagen in het gebied De transitie naar een circulaire economie komt op. Naast grondstoffenbesparing biedt circulair bouwen reductie van broeikasgassen en schadelijke stoffen. Daarom is het uitgangspunt voor dit thema om meer te doen dan het wettelijk minimum. Het Stationsgebied wil de transitie naar de circulaire economie aanjagen door marktpartijen uit te nodigen om tot de beste circulaire innovaties te komen. Het wettelijk minimum stimuleert al duurzaam materiaal gebruik en door flexibel en remontabel ontwerp in combinatie met een MPG-norm wordt een stap verder gegaan.

Biodiversiteit stimuleren met een groene hoofdstructuur Het Stationsgebied is een sterk verstedelijkte omgeving. Dat zorgt ervoor dat biodiversiteit slim geïntegreerd moet worden waar kan maar niet kenmerkend is voor de signatuur. Door bewuste keuzes te maken voor planten-en diersoorten die hierin passen, worden de kansen die er zijn in het sterk verstedelijkte Stationsgebied maximaal benut. Dat zien we bijvoorbeeld terug aan veel inheems groen en het uitbreiden van het groen-blauwe netwerk door aansluiting op de Groenstructuur Leiden. Een vitaal Stationsgebied door werk te maken van gezonde mobiliteit en klimaatadaptieve maatregelen Het Stationsgebied moet een fijne en gezonde plaats zijn voor bewoners en bezoekers. In het Stationsgebied wordt fysieke beweging gestimuleerd, is schone lucht, ruik je geen uitlaatgassen en is ruimte om te ontmoeten en te ontspannen. Kortom, het Stationsgebied is het hart van de gezonde stad die Leiden wil zijn. Het thema vitaliteit wordt meegenomen in samenhang met de andere thema’s. Zo wordt er een vitaal gebied gerealiseerd door werk te maken van gezonde mobiliteit en door groene en schone ontwerpoplossingen op het gebied van stedenbouw, klimaatadaptatie en energie waar te maken.

Aandachtspunten per thema voor het vervolg De duurzaamheidsvisie leidt tot een aantal punten die verder onderzocht moeten worden. Deze aandachtspunten staan hieronder per thema weergegeven. Energie

•

De beperkte ruimte in de ondergrond moet nader in beeld gebracht worden. Dit moet uitgewerkt worden in een bodemenergieplan en/of consessie voor het leveren van warmte en koude in het gebied.

Mobiliteit

•

Er mist een ‘duurzame mobiliteitsbalans’: een onderbouwde voorspelling van de toekomstige mobiliteitsbehoefte, bij een zeker aanbod aan voorzieningen aan de hand van de gestelde maatregelen (o.a. fiets/ deelmobiliteit/ OV). Dit zou moeten landen in een duurzaam mobiliteitsaanbod (balans). Uitwerking onderbouwing opvang mobiliteitsmaatregelen met passend mobiliteitsconcept voor de verschillende doelgroepen. Dit levert een uiteindelijke ruimteclaim van deelmobiliteit op. Invulling / karakterisering hubs (Privé-hub, Buurthub, Wijkhub, OV-hub, Stadshub, Regiohub) Er zijn heel lage parkeernormen opgenomen i.c.m. aanbod deelmobiliteit. In hoeverre strookt dit met wat de toekomstige gebruikers willen en kunnen betalen (o.a. bewoners, forenzen)? POA (Parkeren-op-afstand) kan een additionele oplossing bieden voor parkeerproblematiek (o.a. voor trafo- en buslocatie). Dit dient nader onderzocht te worden (hoe en waar? / Morspoort?). Mogelijk gecombineerd met (autonome) pendeldienst.

• • • • Klimaatadaptatie

• •

Circulariteit

•

•

Er mist een kwantitatieve analyse en schetsontwerp voor wateroverlast, hitte en droogte (Hoeveel m3 berging realiseren we? Hoeveel m2 schaduw bij verblijfsplekken? Over hoeveel m2 kan er regenwater geïnfiltreerd worden?) Ten behoeve van de droogte een analyse van GHG-GLG Voorkeursmaten voor stramien- en beukmaten: zo veel mogelijk standaardiseren van maten in hoofddraagstructuur en gevelelementen. Hier mist nog een stedenbouwkundige visie, er kan nu gestuurd worden op een set aan standaard stramienen, in de vorm van een raster per categorie kavels (zoals legoblokken). Er mist een inventarisatie naar aanwezige flora, voorzieningen en meubilair, bestrating en gebouwen. Dit dient als basis voor een potentieanalyse voor hergebruik.

Duurzaamheidsparagraaf per thema

Duurzame mobiliteit Het Stationsgebied Leiden is een OV-knooppunt, waarin duurzame mobiliteit wordt ingebed in het ontwerp. Op het onderdeel duurzame mobiliteit onderscheidt het Stationsgebied zich ten opzichte van de rest van Nederland. Het duurzame mobiliteitsconcept voor het Stationsgebied is opgebouwd uit zes bouwstenen: zero-emissie vervoer, Transit Oriented development, deelconcepten, actieve mobiliteit, de auto en logistiek. In deze bouwtenen zit de ThAMES-sequentie verwerkt. Hierin worden reisbewegingen in eerste instantie zoveel mogelijk voorkomen, onder andere door (1) thuiswerken en overige voorzieningen zoveel mogelijk nabij te organiseren. Voor de reisbewegingen die vervolgens overblijven, wordt geprobeerd reizigers zoveel mogelijk te doen veranderen van modaliteit. Oftewel, reizigers laten de auto staan ten favaure van (2) actieve mobiliteit; men gaat wandelen en fietsen. Naar bestemmingen die men niet unimodaal te voet of per fiets kan bereiken, gebruikt men (3) MaaS-diensten (deelmobiliteit & OV). De automobiliteit die overblijft is volledig verduurzaamt. We zien alleen nog (4) elektrische auto’s in het Stationsgebied. De benodigde logistiek is tenslotte ook (5) optimaal gebundeld, centraal georganiseerd en volledig verduurzaamd.

• De mate waarin het gebied gebruikers stimuleert om schone mobiliteit te gebruiken, denk aan laadinfrastructuur en koppeling met lokaal opgewekte energie.

• De mate waarin het gebied kiest voor compacte bouw, functiemenging, nabijheid organiseert, routing naar OV optimaliseert, nadenkt over ketenvoorziening.

Zero-emissie

Transit Oriented Development

• Deelconcepten en Mobility As A Service bieden kansen voor leefbaarheid en bereikbaarheid. Bv. door het bieden van alternatieven voor bezit eigen (1e ,2e ,3e) auto en first & last mile oplossingen met deelfietsen en -scooters.

Deelconcepten / MaaS

• De mate waarin het gebied lopen, fietsen en recreëren stimuleert, bv door het aansluiten op (snel)fietsroutes, fietsparkeren goed faciliteren en brede voetpaden.

• De mate waarin de auto wordt gefaciliteerd in het gebied. Wat is het regime voor de auto en welke parkeernormen en – oplossingen horen daarbij?

• De mate waarin het gebied slimmer omgaat met bevoorrading, pakketbezorging, afvalverwerking en alle verkeersstromen die dat met zich meebrengt.

Actieve mobiliteit

Auto

Logistiek

Duurzame mobiliteit Voor duurzame mobiliteit in het Stationsgebied krijgen de volgende uitgangspunten prioriteit: •

Thuiswerken & lokale voorzieningen: Woningen hebben voldoende ruimte en kamers, zodat bewoners de mogelijkheid hebben thuis te werken. In de wijk zelf zijn voldoende flexplekken voor de bewoners die in kleinere appartementen wonen. Iedere bewoner kan zo ‘thuiswerken’ in eigen wijk. Door ook overige voorzieningen, van kleine bouwmarkten tot fitnesscentrum en van fietsenmaker tot supermarkt, lokaal in de wijk te groeperen, hoeven bewoners zo min mogelijk de wijk uit en wordt een groot deel van de potentiële reisbewegingen voorkomen.

•

Actieve Mobiliteit is de norm: De auto maakt plaats voor wandelaars en fietsers. Er wordt een autoluw gebied gecreëerd, waar ruimte is voor de voetganger en de fietser. Dat betekent dat er aantrekkelijke voet- en wandelpaden worden gerealiseerd en dat fietsenpaden in het Stationsgebied waar mogelijk worden aangesloten op snelfietsroutes en bestaande fietsverbindingen richting de binnenstad en het Leiden Bio Science Park. De voetganger krijgt ruimte op goed verlichte wandelpaden. Om het fietsgebruik te faciliteren worden er meerdere grote fietsenstallingen geplaatst. Het parkeren van de auto gebeurt juist aan de randen van het gebied, gecombineerd met hubs. Het Stationsgebied kent een lage parkeernorm en heeft op sommige kavels zelfs een parkeernorm van 0. In deze transitie naar minder autogebruik, wordt tijdelijke parkeerruimte gerealiseerd, de zogenoemde ‘parkeerbuffers’.

Duurzame mobiliteit •

MaaS: In het Stationsgebied sluiten vervoersmodaliteiten goed op elkaar aan. Het Stationsgebied wordt een belangrijk duurzaam OV-knooppunt waar meerdere vervoersmodaliteiten samenkomen, zoals treinen en bussen, maar ook de fiets en deelauto’s. De stedenbouwkundige opzet van compacte bouw draagt bij aan het gemakkelijk op elkaar aansluiten van deze verschillende vervoersmodaliteiten. Om te voorzien in de first en last mile van de reiziger, worden deelmobiliteitshubs voor fietsers en elektrische auto’s gerealiseerd op wijkniveau. Deze deelmobiliteitsconcepten moeten zo dicht mogelijk bij de bewoners zijn en goed zichtbaar zijn voor potentiële gebruikers. MaaS-dienstverleners zorgen voor de digitale toegang en ontsluiting van het mobiliteitsaanbod.

•

Zero Emissie Mobiliteit: In het Stationsgebied staat zero-emissie vervoer centraal. Bewoners en bezoekers van het Stationsgebied worden gestimuleerd om zero-emissie vervoersmodaliteiten te gebruiken, doordat laadinfrastructuur optimaal wordt ingericht en elektrische deelvoertuigen worden aangeboden.

•

Duurzame stadslogistiek: De logistiek in het Stationsgebied is duurzaam, gebundeld en gecentraliseerd. Het transport vindt plaats door elektrische(bestel)voertuigen en bakfietsen. Vanaf 2025 geldt er een Zero-Emissie zone voor de gehele binnenstad. Halflege bestelvoertuigen komen niet meer voor; pakketdiensten worden gedwongen samen te werken en aan de randen van de stad elkaars lege capaciteit te delen. Op centrale hubs en pakketkluizen worden vervolgens efficiënt, zonder enige overlast, alle goederen bezorgd.

Klimaatadaptatie Het Stationsgebied wordt klimaatadaptief ingericht om voorbereid te zijn op weersextremen en om de vitale functies van de stad te garanderen. Een klimaatadaptief gebied is droogtebestendig, hitte-proof en waterrobuust. Voor klimaatadaptatie in het Stationsgebied krijgen de volgende uitgangspunten prioriteit:

• Twee van de vier KNMI klimaatscenario’s geven aan dat Nederland droger wordt door klimaatverandering. Droogte kan leiden tot bodemdaling en funderingsproblemen, maar ook tot schade bij natuur en stedelijk groen. Dit dient zoveel mogelijk voorkomen te worden.

• Klimaatverandering leidt tot meer tropische dagen, wat invloed heeft op concentratie en nachtrust. Hittestress is voor kwetsbare groepen als ouderen en kinderen. Voldoende koele verblijfsplekken zijn in dit gebied belangrijk. Dit kan worden gerealiseerd door warmtewerend oppervlak, bomen en de verblijfsplekken af te stemmen op de beschaduwing van gebouwen.

• Doordat we te maken krijgen met meer korte, hevige buien is er ook een grotere kans op wateroverlast. Door o.a. ontharding, veilige routes en plekken bij extreme neerslag, waterberging en de juiste afvoer met voldoende capaciteit wordt het risico op wateroverlast verlaagd.

Droogte-bestendig

Hitte-proof

Waterrobuust

Klimaatadaptatie •

Het Stationsgebied is een fijne verblijfsplek, ook op hete dagen. In het Stationsgebied worden schaduwrijke gebieden gerealiseerd om hitte-stress te voorkomen. Er is tenminste 50% schaduw op de hoogste zonnestand voor verblijfsplekken en gebieden waar langzaam verkeer zich verplaatst. Deze schaduw wordt gerealiseerd door het aanplanten van groen en het gebouwontwerp. Bij het gebouwontwerp is aandacht voor het blokkeren van het licht, door het gebouw zelf of door maatregelen zoals pergola’s en zonnedoeken. Ook het materiaalgebruik en de locatie van de bebouwing kunnen zo worden gekozen dat ze hittestress verminderen. De reflectie van bebouwing en bestrating wordt met name bepaald door de kleur van het materiaal. Lichte kleuren absorberen minder en geven daardoor minder warmte af.

•

Het gebied blijft functioneren bij extreme neerslag, schade wordt voorkomen en hemelwater wordt geïnfiltreerd. In de stedelijke omgeving van het Stationsgebied is voldoende waterberging elementair. De ambitie is dat het gebied blijft functioneren bij extreme neerslag en dat er geen schade optreedt aan bebouwing en voorzieningen bij extreem hevige neerslag (1/250 jaar, 90 mm/u). Ook wordt 50% (450 mm) van het hemelwater geïnfiltreerd om zo bij te dragen aan de droogteproblematiek. Dat doen we door middel van een drietrapsstrategie. De eerste maatregel die wordt toegepast is het bergen van water op groen/blauwe daken. Als dit niet mogelijk is wordt het hemelwater geborgen en geïnfiltreerd in bovengrondse voorzieningen zoals groenstroken en wadi’s. Pas als de ruimtedruk te hoog is, wordt ondergronds water geborgen en geïnfiltreerd.

Energie In het Stationsgebied is duurzame energie het nieuwe normaal. Daarbij wordt gestreefd naar een energieneutraal gebied met daar waar mogelijk een BENG 2 van 0. Door de hoge dichtheid van het Stationsgebied is het behalen van deze ambitie een uitdaging en voor de hoogbouwontwikkelingen zal deze ambitie niet haalbaar zijn en is de wettelijke eis al een uitdaging op zich. Binnen de mogelijkheden die er zijn, wordt er een duurzaamheid energieconcept ontwikkeld aan de hand van de volgende vijf bouwstenen: vraagbeperking, efficiëntie van opwekinstallaties, gezondheid, slim elektriciteitsconcept en de lokale opwek van duurzame elektriciteit.

• Wat je niet gebruikt, hoef je ook niet op te wekken. Compacte bouw, goede isolatie, kierdichting en efficiënte ventilatie zorgen voor een beperking van de warmtevraag. Bij goed geisolaarde gebouwen in hoge dichtheid is de koudevraag en het voorkomen van oververhitting een belangrijker punt van aandacht.

Vraagbeperking

• Vooral bij de opwek van warmte en koude is de efficiëntie afhankelijk van de keuzes die worden gemaakt in de energie-infrastructuur. Ook is de efficiëntie bij woningen sterk afhankelijk van hoe de regelgeving ontwikkelt met betrekking tot de temperatuur-eisen van warm tapwater. In het gebied speelt daarnaast de beperkt beschikbare ruimte in de ondergrond een rol.

Efficiëntie van opwekinstallaties

• De elektrificatie van de energievraag en de lokale productie met zorgt voor een hogere vermogensvraag en hogere piekvraag van het elektriciteitsnet. Voor de toekomstbestendigheid van de energie-infrastructuur is meer aandacht nodig om vraag en aanbod beter af te stemmen door energieopslag, vraagsturing en piekshaving.

Slim elektriciteitsconcept

• Installaties en het gebouwontwerp kunnen het de gezondheid positief beïnvloeden. Voorbeelden zijn goede ventilatie, hoge kierdichting, vloerverwarming in combinatie met actieve koeling en het beperken van de koudevraag door bouwkundige en klimaat adaptieve maatregelen.

Gezondheid

• Lokale opwek van duurzame energie is belangrijk, maar kent wel beperkingen. Door de hoge dichtheid en omdat de daken van gebouwen ook nodig zijn voor klimaat adaptatie en recreatie is de ruimte schaars, waardoor de opwekcapaciteit beperkt is.

Lokale opwek van duurzame elektriciteit

Energie Voor duurzame energie in het Stationsgebied krijgen de volgende onderdelen prioriteit: •

De energievraag wordt beperkt. Het Stationsgebied kent een hoge dichtheid met intensief gebruik. Het beperken van de energievraag is daarom een belangrijke eerste stap voor een duurzaam energiesysteem. De wettelijke eis BENG1 wordt in het Stationsgebied gehanteerd. Voor het voorkomen van oververhitting wordt gekeken naar een optimale verhouding in de gevel tussen open en dicht. Met balkons op de zuidgevel kunnen daarnaast overstekken gemaakt worden. Daarnaast moet er in het Stationsgebied worden gekozen voor een goed geïsoleerde schil, een efficiënt ventilatiesysteem, compacte bouw en slimme gebouwsturing op basis van aanwezigheid. Verder is er extra aandacht nodig voor kierdichting en de isolatiewaarde en zonwerende eigenschappen van de ramen.

•

Er wordt voorzien in collectieve duurzame warmte en koude. Het Stationsgebied kent een mix aan gebouwfuncties met ongeveer 60% woningbouw in hoge dichtheid. De realisatie van een duurzaam energiesysteem voor warmte en koude vraagt daarom om extra aandacht. Om de beschikbare energie uit de bodem optimaal te kunnen benutten moet er een collectief systeem, waar bronnen gedeeld worden, gerealiseerd worden. De gemeente moet hierop de regie pakken. Voor de levering van warm tapwater aan woningen kan mogelijk gebruik gemaakt worden van het warmtenet of als de regelgeving dat toestaat laagtemperatuur warmte opgewekt door collectieve warmtepompen. De duurzaamheid van de levering van warmte en koude moet geborgd worden in KPI’s bij de selectie van exploitanten. Belangrijke KPI’s zijn o.a. de energieprestatie van het systeem, het beperken van de impact van het systeem op het elektriciteitsnet, het beperken van het bovengronds en ondergronds ruimtegebruik en de bodembalans.

Energie •

Er wordt een slim elektriciteitsconcept gerealiseerd. De elektrificatie van de energievraag voor warmte, koude en mobiliteit en de lokale productie met zonnepanelen zorgt voor hogere vermogensvraag en hogere piekvraag van het elektriciteitsnet. Voor de toekomstbestendigheid van de energie-infrastructuur is meer aandacht nodig om vraag en aanbod beter af te stemmen door energieopslag, vraagsturing en piekshaving. Dit wordt o.a. gerealiseerd door deelmobiliteit in te zetten in combinatie met een slimme laadinfrastructuur, collectieve warmtepompen in combinatie met warmtebuffers en batterijen bij bijvoorbeeld liftinstallaties.

•

In het Stationsgebied wordt lokaal elektriciteit opgewekt. Lokale opwek van duurzame energie is belangrijk, maar is in het Stationsgebied een uitdaging. De ruimte is schaars door de hoge dichtheid van het gebied en het gebruik van gebouwdaken voor andere functies zoals klimaatadaptatie en recreatie. Vanwege het intensieve programma en de maximale bouwhoogtes wordt het een uitdaging om gebruik te maken van windturbines op het dak gecombineerd met zonnepanelen vanwege de extra bouwhoogte, die deze oplossing vraagt. Om toch zoveel mogelijk lokaal energie op te wekken zullen zonnepanelen een belangrijk onderdeel moeten zijn van het gebouwontwerp. Denk daarbij aan zonnepanelen geïntegreerd in de zuidgevel en zonnekronen op de hoogbouw. De laagbouw kan tevens worden benut voor zonnepanelen in combinatie met een vegetatiedak, maar moet ook ruimte bieden voor blauwgroene daken en recreatie. Voorkomen moet worden dat alle zonnepanelen eenzijdig georiënteerd worden, omdat hierdoor het elektriciteitsnet onnodig extra wordt belast. De wettelijke eis BENG 3 wordt voor het Stationsgebied gehanteerd, daar waar de dichtheid hoog is. Daar waar er een lagere dichtheid is, is meer ruimte voor duurzame opwek en kan een betere score behaald worden.

Circulariteit De transitie naar de circulaire economie komt op gang en moet op onderdelen worden meegenomen bij de inrichting én gebruik van het Stationsgebied. Om het duurzaamheidsthema circulariteit concreet te maken, zijn er zes bouwstenen voor dit thema geformuleerd: nieuwe verdien-modellen, grondstoffenbesparing, hernieuwbare materialen, direct hergebruik door urban mining, grondstoffenbesparing door recycling en remontabel bouwen.

• De transitie naar een circulaire Leidse gemeente vraagt om systeemverandering. Hierbij horen nieuwe verdienmodellen, zoals deelconcepten, servicemodellen en leaseconcepten.

• Besparing is de hoogste vorm van reduceren van grondstoffengebruik. Dit kan door goed na te denken over de noodzaak van inzet van bepaalde producten, of door multifunctioneel gebruik te stimuleren.

• Het gebruik van hernieuwbare, biobased materialen uit zich in de mate waarin het stationsgebied is ingericht met materialen die hernieuwbaar van aard zijn zoals hout en vezels.

Nieuwe verdienmodellen

Grondstoffenbesparing

Hernieuwbare materialen

• Er is veel materiaal aanwezig in het plangebied en de omgeving. Een tweede leven geven is een hoogwaardige circulaire strategie. Urban mining gaat uit van het direct hergebruik van grondstoffen, componenten, producten en gebouwdelen uit de directe omgeving.

• Gerecyclede producten zijn een goede optie wanneer er geen hernieuwbare materialen zijn of urban mining niet voldoende grondstoffen kan leveren. Er kunnen bijvoorbeeld eisen worden gesteld aan de recyclings percentages van staal, plastic en beton.

Direct hergebruik door urban mining

Grondstofbesparing door recycling

• Een circulair gebouw is zo ontworpen, dat het (gedeeltelijk) kan worden gedemonteerd. In materiaalpaspoorten zijn de materialen herleidbaar. De verschillende onderdelen (componenten, producten, gebouwdelen) kunnen vervolgens weer worden gebruikt voor een ander gebouw/gebied. Remontabelheid

Circulariteit Op basis van deze bouwstenen en passend bij de kernmerken van het Stationsgebied, zijn de volgende uitgangspunten op het gebied van circulariteit geformuleerd. Meer dan de andere duurzaamheidsthema’s vraagt circulariteit om maatregelen in de verschillende fasen van de herontwikkeling van het Stationsgebied: ontwerpfase, voorbereidingsfase en gebruiksfase. •

Ontwerpfase o Verlaag de milieudruk van materialen ▪ Hanteer een MPG-waarde van 0.8. In het Stationsgebied geldt een MPG van minimaal 0,8. De markt wordt uitgedaagd om een ontwerp te maken met een nog lagere MPG-waarde. Naarmate de tijd vordert kan worden toegewerkt naar betere prestaties, zoals een MPG van 0,6 in 2025. Afhankelijk van het type gebouw kan de markt al een MPG waarde van rond de 0,35 behalen, echter dat is exclusief fundering en zonnepanelen. ▪ Stimuleer biobased, hernieuwbare materialen. Voorkom beton waar mogelijk, door ruimte te bieden voor ontwikkelaars die constructies van hout willen realiseren. Dit is ook mogelijk in hybride vorm: hout in combinatie met beton en/of staal. Ook voor de gevels en inbouw zijn veel betaalbare biobased producten beschikbaar, zonder dat deze afdoen aan gebruikscomfort en kwaliteit (akoestiek, brandveiligheid) borgen. Denk aan lisdodde en vlas voor isolatie, bamboe en hout voor gevel bekleding en afwerking en bio plastics in voorzieningen zoals keukens en pantry’s. o Multifunctioneel ruimtegebruik vraagt om minder grondstoffen. In het hoge stedelijke Stationsgebied worden functies gestapeld. Dit multifunctioneel ruimtegebruik leidt tot grondstoffenbesparing en slim ruimtegebruik, op kavelniveau en op straatniveau. Denk aan het integreren van PV-panelen in gevels en het realiseren van groene verblijfsplaatsen op daken.

Maar ook worden hellende groenstructuren aantrekkelijk gemaakt voor mensen om plaats te nemen (zonder meubilair te gebruiken) en worden zitmeubels gecombineerd met plantenbakken.

Circulariteit •

Ontwerpfase o Vormen bepalen mede de benodigde grondstoffen. Hoe meer geveloppervlak een gebouw heeft, hoe meer grondstoffen nodig zijn voor de bouw van het gebouw. U-vormige gebouwen vragen meer grondstoffen dan een gesloten blok of een rond gebouw. o Standaardiseren stramien en beukmaten. De maten in de hoofddraagstructuur en gevelelementen worden zoveel mogelijk gestandaardiseerd, wat resulteert in repeterende gebouwdelen en componenten. Dit maakt hergebruik bij einde levensduur, samen met remontabel bouwen, gemakkelijker. Er wordt gestuurd op een set aan standaardstramienen, passend bij verschillende typologieën woningen en commerciële en niet-commerciële functies in het Stationsgebied. Daarbij wordt ook gelet op de plafondhoogte van de plinten. Daarnaast laat de constructie een vrij indeelbare ruimte toe waarmee tunnelbouw wordt voorkomen, zodat (delen van) het gerealiseerde programma gemakkelijk van functie kan veranderen. o Remontabel bouwen is de standaard. De gebouwen moeten na gebruik (deels) uit elkaar gehaald kunnen worden en op een volgende locatie weer opgebouwd. Dit kan worden ondersteund met een materialenpaspoort en/of ‘digital twin’ van het gebouw. Stimuleer droge verbindingen en voorkom vorminsluitingen.

Circulariteit •

Voorbereidingsfase o Producteninventarisatie bestaande situatie. Voor alle kavels geldt dat er moet worden gestart met het bouwrijp maken van het gebied. Dat betekent dat aanwezige groene elementen, voorzieningen en meubilair, plaats moeten maken voor werkzaamheden. Door met (een) sloper(s) op gebiedsniveau te inventariseren wat er aan her te gebruiken waarde in het gebied aanwezig is, wordt duidelijk wat weer kan worden hergebruikt, in het Stationsgebied of daarbuiten. Zo ontstaan verdienmodellen gebaseerd op hergebruik.

•

Gebruiksfase o Het afvalconcept stimuleert bewoners om minder afval te produceren en beter te scheiden. Op centrale punten in het gebied worden de restafvalcontainers gecombineerd met papier, glas en groente-, fruit- en eetafval (gfe) containers. De containers worden aantrekkelijk en opvallend gemaakt, om de hoeveelheid zwerfafval te reduceren. We streven naar 4-6 restafvalcontainers per 1.000 bewoners. Centraal en zo veel mogelijk binnen de bebouwing wordt bedrijfsafval ingezameld. In de straten met veel passanten wordt geëxperimenteerd met het beperken van het aantal afvalbakken. Afval kan men gemakkelijk meenemen tot ze een afvalbak tegen komen waar het gescheiden ingeleverd kan worden.

Biodiversiteit In het Stationsgebied wordt biodiversiteit, voor zover mogelijk in een sterk verstedelijkt gebied, slim geïntegreerd in het ontwerp. Het thema biodiversiteit is in het Stationsgebied opgebouwd uit twee bouwblokken: rijk aan soorten en groenblauwe netwerken.

• Het stimuleren van de verscheidenheid aan planten en dieren draagt bij aan de biodiversiteit in het stationsgebied. Daarbij ligt de nadruk op inheemse soorten en variatie in de toepassing van groen en water.

Rijk aan soorten

• (Nieuwe) leefgebieden en schuilplaatsen worden met elkaar verbonden tot een divers en weerbaar groenblauw netwerk. Dit sluit aan op de bouwstenen droogte-bestendig, water-robuust en hitte-proof.

Groen-blauwe netwerken

Biodiversiteit Gebaseerd op deze bouwblokken hanteren we voor het Stationsgebied de volgende uitgangspunten: •

Het Stationsgebied is rijk aan inheemse soorten. Een biodivers Stationsgebied kenmerkt zich door veel groen, maar betekent ook meer dan dat. In een biodivers Stationsgebied heeft natuurlijke inheemse vegetatie de voorkeur. Hier wordt rekening mee gehouden in de toe te passen beplanting (bomen, struiken en zaadmengels). Binnen het Stationsgebied Leiden worden voor specifieke insecten, bijen en vlinders, maar ook voor libellen en vogels geschikte biotopen ontwikkeld. Daarbij wordt aangesloten op bronpopulaties uit de omgeving, waardoor de kans vergroot wordt dat de gewenste soorten ook daadwerkelijk naar de nieuwe biotopen zullen migreren. Ook zullen maatregelen in gevels worden genomen, zoals in- of aanbouw van nestkasten voor vogels en vleermuizen. Per kavel worden voor Leiden relevante indicatorsoorten aangewezen; dit zijn dier- en plantensoorten waarvoor optimale omstandigheden worden gecreëerd. De groen-blauwe inrichting en beheer van het gebied en de gebouwen worden hierop aangepast. Het toepassen van bodemsubstraat met de juiste samenstelling is bijvoorbeeld een belangrijke basis voor het ontwikkelen van een natuurlijke vegetatie.

Biodiversiteit •

Het groen-blauwe netwerk sluit aan op de Groene Hoofdstructuur Leiden. In het Stationsgebied wordt het principe ‘groen, tenzij’ gehanteerd, wat betekent dat er groen wordt aangeplant, waar dit niet conflicteert met andere ruimtelijke claims. We zien het groen zowel in de openbare ruimten als op (lage) daken en op gevels. In plaats van verspreide plukjes groen, kiezen we voor een mooie op elkaar aansluitende structuur. Zo creëren we een groen-blauw netwerk door het gebied. De kavels langs de Singel worden door groeninrichting aangesloten op de Groene Hoofdstructuur Leiden. Daarnaast wordt er kwaliteitsverbetering aangebracht in de Groene Hoofdstructuur Leiden en sluit de groenstructuur in het Stationsgebied hier op aan. Het groen-blauwe netwerk draagt niet alleen bij aan de biodiversiteit, maar is draagt bij aan een aantrekkelijke leefomgeving voor mensen en nodigt uit tot wandelen en fietsen.

•

Groen draagt bij aan het realiseren van een klimaatadaptief gebied. Biodivers groen wordt ingezet om het gebied klimaatadaptief te maken. Op de plekken waar de risico’s voor hittestress en wateroverlast het grootste zijn, wordt gebruik gemaakt van groen om overlast te minimaliseren. Denk aan plantsoenen of waterpartijen waar regenwater geborgen kan worden of bomen met brede kronen die schaduw bieden. In het Stationsgebied wordt gekozen voor planten- en diersoorten die bestand zijn tegen een veranderend klimaat.

Vitaliteit Het Stationsgebied moet een vitaal gebied zijn zodat het een gezonde en fijne verblijfplaats voor bewoners en bezoekers is. Vitaliteit gaat over lichamelijk, sociaal en mentaal welbevinden en het vermogen om regie te voeren over de fysieke, emotionele en sociale uitdagingen van het leven. Een vitaal gebied biedt veerkracht, geeft energie en motiveert. Voor het Stationsgebied zijn zes bouwstenen geformuleerd die meegenomen worden in het ontwerpproces en bijdragen aan het versterken van de vitaliteit. Deze bouwstenen zijn: sociaal maatschappelijk participeren, mentaal welbevinden, toegang tot (basis)voorzieningen, fysiek functioneren, kwaliteit van de leefomgeving en ruimte voor zingeving.

• De mate waarin basisvoorzieningen zoals supermarkt, apotheek en sociale ontmoetingsplaatsen bereikbaar zijn. De dagelijkse levensverrichtingen moeten bereikbaar zijn met fijnmazige netwerken van voet- en fietspaden maar ook met het openbaar vervoer.

• Levendige publieke ontmoetingsplekken, activiteiten op buurtniveau en dagbesteding past hierbij. Het gaat hier om de motivatie van de eindgebruiker om in verbinding te zijn met anderen en betekenisvolle relaties te vormen.

• Lekker in je vel zitten met een grote variatie aan betaalbaar gezond voedsel maar ook het stimuleren van eigenwaarde en zelfrespect. Dit moet bijdragen aan mentale lenigheid van de eindgebruiker.

Sociaal maatschappelijk participeren

Mentaal welbevinden

• Deze bouwsteen gaat over fysieke beweging. In welke mate is er ruimte voor sport en speelplaatsen. Wordt wandelen fietsen en beweging gestimuleerd om het lichaam fit te houden.

• Groen, water, landschap en natuur maar ook cultuurhistorie en toegang tot gezond voedsel draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving . Het gaat hierbij ook om verscheidenheid in wonintypologie en de mate van leegstaande bebouwing. (wat weer een negatief effect heeft)

• Economische vitaliteit met betekenisvol werk maar ook emotionele veerkracht stimuleren door ruimte te bieden aan educatie, plekken voor rust en bezinning en ruimte voor cultuur zoals kunst en theater.

Fysiek functioneren

Kwaliteit van de leefomgeving

Ruimte voor zingeving

Toegang tot (basis)voorzieningen

Vitaliteit

Op basis van deze bouwstenen hanteren we voor het Stationsgebied de volgende uitgangspunten: •

Het Stationsgebied nodigt uit tot beweging. Wandelen, fietsen en andere actieve mobiliteit dragen bij aan de gezondheid van mensen. In het Stationsgebied stimuleren we daarom lichamelijk beweging. Dat doen we door in de openbare ruimte aantrekkelijke voetpaden te creëren voor wandelaars en fanatieke hardlopers. De promenade langs de Singel springt eruit als de plek waar wandelaars, fietsers en skaters in een aantrekkelijke omgeving in de buitenlucht kunnen zijn. In een aantal pocketparkjes creëren we daarnaast ruimte om actief buiten te spelen. Ook realiseren we autoluwe straatjes bestemd voor langzaam verkeer. In het gehele Stationsgebied staat de veiligheid van de voetganger en fietser voorop. We maken de gezonde keuze om de fiets te pakken gemakkelijk en logisch. De fietser wordt daarbij optimaal gefaciliteerd door het aansluiten van nieuwe fietspaden op bestaande snelfietsroutes, door het plaatsen van meerdere grote fietsenstallingen en door het aanbieden van een variëteit aan deelfietsen (van bakfiets tot stadsfiets).

>

Er is ruimte om elkaar te ontmoeten. Het Stationsgebied Leiden is zeer goed bereikbaar met het openbaar vervoer, de fiets en ter voet. Vanwege haar goede toegankelijkheid is het Stationsgebied de plek voor bewoners en reizigers om elkaar te ontmoeten. Daarom realiseren we in de pocketparkjes en op de promenade langs de Singel zitruimte. Ook komen er horecagelegenheden voor het faciliteren van informele ontmoetingen. Op het lage dak van de buslocatie, gelegen op het tweede maaiveld naast de woontorens, kunnen buurtbewoners gezamenlijk tuinieren in een gemeenschappelijke daktuin. De kleine fruitboomgaarden in de hofjes bieden buurtbewoners daarnaast de mogelijkheid om gezamenlijk te werken aan een gezonde voedselvoorziening door het verbouwen en plukken van fruit. De fruitboomgaard wordt ook een ontmoetingsplek voor buurtbewoners. Om eenzaamheid onder met name ouderen tegen te gaan, kunnen er projecten worden opgezet gericht op het gezamenlijk tuinieren, waar jong en oud elkaar ontmoeten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10070556/1