210038 Bijlage 5 Ecologische input ontwerp stationsgebied Leiden
Tekst van het document
Figuur 27: Gewone dwergvleermuis (foto: Paul van Hoof)
TABEL 10: EISEN ONTWERPTYPE GEWONE DWERGVLEERMUIS FUNCTIE OMSCHRIJVING GROOTTE AANWEZIG OPMERKINGEN EN KANSEN Foerageergebied
Voortplantingshabitat
kruidenrijke vegetaties, afgewisseld met bomen en struiken in nissen van gebouwen en speciale nestkasten
n.v.t.
ja
bij de foerageergebieden kan het beste vleermuisvriendelijke verlichting worden toegepast
n.v.t.
ja, kan verder worden versterkt door natuurinclusief te bouwen
lijnvormige elementen zoals lanen of waterwegen worden gebruikt als vliegroute en om te foerageren. Vleermuiskasten plaatsen in de buurt van vliegroutes en foerageergebieden. Toepassen vleermuisvriendelijke verlichting is gewenst
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
33
7
VERTALING ECOLOGICHE UITGANGSPUNTEN NAAR ONTWERPPRINCIPES
Op basis van de ecologische uitgangspunten (zie H4), de gekozen kruiden, bomen en struiken (zie H5) en de gekozen doelsoorten (zie H6) wordt in dit hoofdstuk voor alle binnen onderstaande kaart onderscheidde typologieën een ecologische ontwerpstrategie ontwikkeld. Binnen elke ontwerpstrategie worden de spelregels beschreven die worden gebruikt om per locatie tot een ontwerp te komen.
7.1
NEGEN GROENE TYPOLOGIEEN
Binnen het plangebied worden 9 verschillende groene typologieën onderscheiden. Het gaat om pocketparkjes, 10 meter straten, singel, daken, stationsplein, lanen, parkwonen (= connexxionlocatie), natuur langs wegen, de binnenhoven en het taxipalet. Op de kaart in figuur 28 is te zien welke typologie op welke locatie worden gesitueerd.
Figuur 28: situering van de typologie van de groene ruimtes binnen het plangebied
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
34
7.2
POCKETPARKJES
De uitgangspunten bij het ontwerpen van de pocketparkjes zijn: • • •
•
• • • • •
In eindsituatie is 30 - 40% van de oppervlakte met boomkronen bedekt; Binnen de grotere parkjes worden sport- en spelfaciliteiten opgenomen; Solitaire boomgroepen of boomgroepen van 2 of 4 stuks: o HK 1 Zomereik (inheems, biodiversiteit); o HK 1 Hongaarse eik (klimaatadaptatie); o HK 2 Zoete kers (beleefbaarheid seizoenen en vroeg voedsel -kersen- voor vogels); o HK2 Hopbeuk (beleefbaarheid seizoenen); o HK3 Sierpeer (beleefbaarheid seizoenen); o Bomen HK 1 altijd 12m van gevel(s) ; Clusters met heesters: uitganspunt: geen stekels/doornen: o Rode kornoelje (inheems, vogels, biodiversiteit); o Gelderse roos (inheems, vogels, biodiversiteit); Bankjes zoveel mogelijk in ochtend- en avondzon (schaduw in middag); Paden half verharding; 2 – 2,5 meter breed; Randen 1m breed langs wegen, paden en overige verharding inzaaien met mengsel 2; Delen zonder betreding inzaaien met kruidenrijke vegetatie (afhankelijk van schaduwdruk mengsel 3 of 4), eventueel aangevuld met clusters met stinzen. 2x per jaar maaien, 30% laten overstaan; Locaties met betreding en ligweidefunctie inzaaien met gazongras (20-30x maaien per jaar).
Figuur 29 toont de schematische inrichting van een pocketparkje.
Figuur 29: schematische inrichting van een pocketparkje
In figuur 30 is een referentiebeeld van een bloemrijk pocketparkje toegevoegd.
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
35
Figuur 30: pocketparkje met kruidenrijke vegetatie, verspreid staande bomen en paden in halfverharding (bron: Heem.nl)
7.3
10 METER STRATEN
De uitgangspunten bij het ontwerpen van de 10 meter straten zijn als volgt: • • •
• •
Meeste straten lopen N – Z: dus veel schaduwdruk; Weggedeelte waar auto’s rijden aan schaduwzijde (tevens zijde waar riolering en kabels worden gesitueerd); Groen 3 elementen: o HK 1: twee soorten zuilbomen: smalkronige stadsiep (Ulmus lobel: goed bestand tegen iepziekte en eindelijk weer eens iep geplant) en Tulpenboom ‘Fastigiatum 2’ (wel exoot uit Amerika, maar verder prachtige boom zonder ziektes of problemen zoals wortelopdrukking); Aanleg om en om Plantafstand 3 meter van de gevel Uiteindelijke straal van de kroon is 4 meter (1m tot de gevel en 5m tot de gevel overzijde blijft dus vrij van kroon) o Klimop (Hedera helix); o Wilde kamperfoelie; o Wellicht soorten (allen 12 – 15m hoog) als Driedelige wingerd, Amerikaanse trompetbloem, Boomwurger, Bruidssluier en Chinese of Japanse blauweregen toevoegen (zijn wel exoten, maar bloeien prachtig en geven ook bessen); Volgorde: Stadsiep – Kamperfoelie – Tulpenboom – Klimop: steeds 5m uit elkaar (bomen staan dan dus 10m uit elkaar waardoor er veel daglicht overblijft); Klimplanten tegen ondersteunende constructie van 1m breed lopend tot 1m onder de dakrand (klimplanten in volle grond en los van de wand);
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
36
• •
Overzijde van de straat (schaduwzijde): Particuliere geveltuinen: van deur tot deur. Afstand deur – begin geveltuin 1m. Tuin 0,5 meter breed. Ruimte al in straatprofiel opnemen; Eventueel door bewoners toe te voegen: planten in grote potten langs de gevels.
Figuur 31 toont de schematische inrichting van een 10 meter straat.
Figuur 31: schematische inrichting (boven- en zijaanzicht) van een 10 meter straat
Figuur 32 en 33 tonen referentiebeelden van gevelbegroeiing. Figuur 34 toont een referentiebeeld van begroeiing met klimop op vrijstaande pilaren gericht op het verminderen van hitte stress.
Figuur 32: geveltuin met Klimop in smalle stroken zonder ondersteunende constructie (© Stad Antwerpen)
Figuur 33: hoge geveltuin met Japanse blauweregen in Dordrecht (© Mostert de Winter)
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Figuur 34: Klimop op ondersteunende constructie. De milieueffecten, zoals fijnstofbinding en temperen van hittestress zijn vergelijkbaar met die van grondgebonden gevelbeplanting. Arnhem (© NEXIT, Poelmans Reesink)
Buiting Advies BV
37
Figuur 35 en figuur 36 zijn twee voorbeelden van prachtige zuilbomen binnen een stedelijke omgeving toegevoegd.
Figuur 35: volwassen Ulmus lobel met smalle kroon in 10m straat Velsen
Figuur 36: Liriodendron tulipifera ‘Fastigiatum’ (‘lelieboom’) met zeer smalle kroon in stedelijke omgeving
En figuur 37 en 38 tonen voorbeelden van particuliere, bloemrijke geveltuintjes.
Figuur 37: geveltuin particulier
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Figuur 38: geveltuin in Rotterdam (© gemeente Rotterdam)
Buiting Advies BV
38
7.4
SINGEL
De uitgangspunten bij het inrichten van de singel zijn als volgt: • • • • •
• • • •
Lokaal ligweidefunctie handhaven (locaties bepalen samen met ontwerpteam); Ligweides 30x per jaar maaien; Beschoeiing tot 10cm onder waterpeil verlagen; Oever iets afvlakken naar nieuwe beschoeiing; Natte delen oever inzaaien met kruidenmengsel 5 : o Beter voor de waterkwaliteit; o Gunstigere uitgangssituatie voor moerasplanten; Hoger gelegen gazongras plaggen en inzaaien met kruidenmengsel 3 (of 4 bij schaduw), lokaal aangevuld met stinzen (= verwilderingsbollen die zelf verder uitbreiden); Extensief maaibeheer (2x per jaar), met 30% laten overstaan (ook winter); Eerste meter langs wegen, paden en overige verharding inzaaien met kruidenmengsel 2 (maximaal 10x per jaar maaien); Solitaire bomen toevoegen (bedekking maximaal 10%): o Treurwilg (aam waterkant: soms solitair, soms in groepen met 2); o Zomerlinde (solitair).
Figuur 39 toont de schematische inrichting van -een deel van- de singel.
Figuur 39: schematische inrichting van -een deel van- de singel
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
39
Figuur 40 en 41: natuurlijke oever 1 jaar na aanleg (Spoorpark Amsterdam; Heem.nl)
Figuur 42: natuurlijke kruidenrijke oever langs watergang Amsterdam
Figuur 43: natuurlijk oever Park Atlantis Gouda
Figuur 40, 41, 42 en 43 tonen referentiebeelden van de nieuw in te richten oeverzone met een kruidenrijke vegetatie. Figuur 44 toont een referentie van het inbrengen van nieuwe individuele bomen op bijzondere locaties.
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
40
Figuur 44: inbrengen individuele ‘blauwe’ treurwilg (kruising S. alba en S. babylonica) langs singel als blikvanger
7.5
NATUURDAKEN
7.5.1
NATUURDAK MET INHEEMSE KRUIDENRIJKE VEGETATIE
Het principe is dat alle platte daken binnen het plangebied als natuurdak met inheemse kruiden en/of struiken en bomen worden ingericht. Het inrichten van sedumdaken is vanuit ecologisch oogpunt onwenselijk.
De uitgangspunten bij de inrichting van natuurdaken met inheemse kruiden zijn als volgt: • • •
10-15 cm kalkrijk substraat pH 7,0 – 7,5 (sluit aan bij duinen); De eerste meter langs de dakrand of langs hoogbouw wordt met grove Maaskeien bedekt (30-60mm). Hierdoor wordt de drainage goed georganiseerd; De rest van het dakoppervlak wordt ingezaaid met kruidenmengsel 1, eventueel aangevuld met stinzen.
Figuur 45 toont de schematische inrichting van een natuurdak met inheemse kruidenrijke vegetatie. De grijze vlakken zijn woontorens die als hoogbouw zijn toegevoegd.
Figuur 45: schematische inrichting van een natuurdak met inheemse kruiden
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
41
Figuur 46 en 47 tonen referentiebeelden van een natuurdaken ingezaaid met inheemse kruiden. In figuur 48 is een referentiebeeld toegevoegd waarbij ook stinsen aan de vegetatie zijn toegevoegd. Door deze toevoeging is al vroeg in het voorjaar nectar -voor bijvoorbeeld aardhommels- beschikbaar.
Figuur 46: natuurlijke vegetatie met inheemse kruiden op grote hoogte (BP raffinaderij, Rotterdam; Heem.nl)
Figuur 47: natuurdak met inheemse vegetatie en zonnepanelen (Groendak op het NIOO, Wageningen)
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
42
Figuur 48: natuurdak met inheemse vegetatie en stinzen (privé-tuin, Antwerpen)
7.5.2
NATUURDAK MET INHEEMSE VEGETATIE, STRUWEEL EN BOMEN
De uitgangspunten bij de inrichting van natuurdaken met inheemse kruiden, struweel en (incidenteel) bomen zijn als volgt: • • • • •
• •
35 – 50 cm kalkrijk substraat pH 7,0 – 7,5 (sluit aan bij duinen); De 1 meter langs de dakrand en langs hoogbouw wordt ingericht als drainage strook door Maaskeien (30-60mm:) te storten; Kruidenmengsel 1, eventueel aangevuld met stinzen; Ruwe berk: op daken met een grote oppervlakte enkele bomen (geplant als bosplantsoen zodat de bomen maximaal in wortels kunnen investeren); Struweel: o Eenstijlige meidoorn individueel en in clusters; o Sleedoorn alleen in clusters; o Egelantier alleen in clusters; 20% van het oppervlak is struweel of 5% kroonprojectie boom, 75%is kruidenvegetatie; Heesterclusters tussen ZO – Z - ZW planten en ruim vrij staan van bebouwing (in de schaduw geen bloei en vruchtvorming).
Figuur 49 toont de schematische inrichting van een natuurdak met inheemse vegetatie, struweel en bomen. De grijze vlakken zijn woontorens die als hoogbouw zijn toegevoegd.
Figuur 49: schematische inrichting van een natuurdak met inheemse vegetatie, struweel en bomen
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
43
Figuur 50 toont een referentiebeeld van een natuurlijk struweel. Doel is op de natuurdaken vergelijkbare struwelen te ontwikkelen. Figuur 51 toont een natuurdak begroeid met een kruidenrijke vegetatie en struweel.
Figuur 50: eindbeeld natuurdak met kruiden en 10-20% struweelbedekking (in ideale situatie)
7.6
Figuur 51: natuurdak begroeid met een kruidenrijke vegetatie en
STATIONSPLEIN CENTRUMZIJDE
De uitgangspunten bij het ontwerpen van het stationsplein aan de centrumzijde zijn 11: • •
•
Bomen Hoogte Klasse 1; 2x twee rijen, tegenoverstaand: o Zilverlinde (grote maat: 30-35); o 1ste boom: 10 meter vanaf stationsgebouw; o Laatste boom: 2 meter vanaf ondergrondse structuren (fietsenstalling, tunnel); o 5 meter afstand in rij; o 3 meter afstand tussen de rij; Schipholstraat als 10m straat in richten.
Figuur 52 toont de typologie van het stationsplein centrumzijde. Waar de bomen exact kunnen worden geplant moet nog nader worden bepaald.
Figuur 52: typologie van het stationsplein centrumzijde
11 Er is in de omgeving van het stationsplein centrumzijde heel weinig ondergrondse ruimte beschikbaar. Dat betekent dat de werkelijke situatie nog nader moet worden onderzocht en de ontwerpuitgangspunten op basis van de uitkomsten van dit onderzoek opnieuw moeten worden overwogen
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
44
7.7
STATIONSPLEIN SEA SIDE
De uitgangspunten bij het ontwerpen van het stationsplein aan de sea site zijn12: • •
Bomen Hoogte Klasse 1; 2x twee rijen, tegenoverstaand: o Zilverlinde (grote maat: 30-35); o 1ste boom: 10 meter vanaf stationsgebouw; o Laatste boom: 2 meter vanaf ondergrondse structuren (fietsenstalling, tunnel); o 5 meter afstand in rij; o 3 meter afstand tussen de rij.
Figuur 53 toont de typologie van het stationsplein sea site. Waar bomen exact kunnen worden geplant moet nog nader worden bepaald.
Figuur 53: typologie van het stationsplein sea site
Figuur 54 toont de referentie van een vrij uitgroeiende rijbeplanting van zilverlinde. Figuur 55 en 56 tonen referenties van net aangeplante rijbeplantingen van zilverlinde.
Figuur 54: vrij uitgegroeide rijbeplanting van zilverlinde met prachtige kronen
Figuur 55: jonge zilverlinde aan geplant als dubbele rijbeplanting (De Groene Loper, Maastricht)
Figuur 56: zilverlinde als jonge rijbeplanting langs fietspad (gemeente Sittard-Geleen)
12
Ook in de omgeving van het stationsplein sea site is heel weinig ondergrondse ruimte beschikbaar. Dat betekent dat ook hier de werkelijke situatie nader moet worden onderzocht en de ontwerpuitgangspunten op basis van de uitkomsten van dit onderzoek opnieuw moeten worden afgewogen
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
45
7.8
HOFJES
De ontwerpuitgangspunten binnen de hofjes zijn als volgt: • • • • •
Aanleggen hoogstam fruitgaard in strak historisch plantverband (10x10m); Oude hoogstam fruitrassen (indien mogelijk uit de regio); 2 bomen per soort (sommige fruitbomen tweehuizig); Ondergroei kruidenmengsel 4 (gezien de schaduwdruk van de gebouwen); Ruimte voor bloemenpluktuin of kruidentuin.
Figuur 57 toont de schematische inrichting van de hofjes.
Figuur 57: schematische inrichting van de hofjes
Figuur 58 toont een referentie van een hoogstamboomgaard geplant in een vierkantverband van 10x10m. Figuur 59 een jonge hoogstamboomgaard binnen een stedelijke omgeving met ondergroei van inheemse kruiden.
Figuur 58: hoogstambomen in verspringend patroon van 10x10m
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Figuur 59: jonge hoogstamboomgaard in stedelijke omgeving met ondergroei van kruiden
Buiting Advies BV
46
7.9
TAXIPALET
De uitgangspunten bij het ontwerp van het nieuwe taxipalet zijn als volgt: • •
•
Alle wanden groen, veel klimop, kamperfoelie, maar ook andere klimplanten, aangebracht in de volle grond (= klimmend) en in het substraat (= hangend); Natuurdak met vegetatie, struweel en incidenteel bomen; o 50 cm daksubstraat, kalkrijk substraat PH 7,0 – 7,5 (sluit aan bij duinen); o Kruidenmengsel 1, eventueel aangevuld met stinzen; o De 1m langs de dakrand en langs gebouwen wordt ingericht met drainage grind (30-60mm: Maaskeien); o Ruwe berk: geplant als bosplantsoen zodat de bomen maximaal in wortels kunnen investeren; o Struweel: Eenstijlige meidoorn individueel en in clusters; Sleedoorn alleen in clusters; Egelantier alleen in clusters; 30% van het oppervlak is struweel, 20%kroonprojectie boom, 50% kruidenvegetatie.
Figuur 60: schematische inrichting van het taxipalet
In figuur 61 en 62 worden een referenties getoond van volledig begroeide parkeervoorzieningen.
Figuur 61: volledig begroeid gebouw (parkeergarage High Tech Campus, Eindhoven)
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Figuur 62: volledige groene gevel (Caixa Forum in Madrid © atelier GROENBLAUW, Amar Sjauw En Wa)
Buiting Advies BV
47
7.10
LANEN MET BOMEN
7.10.1 STATIONSWEG
Bij de inrichting van de Stationsweg worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: •
Eenzijdig bomen (westzijde) HK1 Zilverlinde (grote maat: 30-35). Hierdoor ontstaat een robuuste groene ruggengraad van ingang zeezijde, via stationsplein tot en met de ingang van de oude stad bij de brug over de singel. Ook leveren de zilverlindes veel schaduw op zonnige dagen: o Locatie boom: 8 meter vanaf gevel; o Afstand boom: 2 meter vanaf ondergrondse structuren (al aanwezige kelders en nieuw te realiseren kelders); o 12 meter afstand in rij.
Figuur 63 toont de schematische inrichting (boven- en zijaanzicht) van de inrichting van de Stationsweg. Figuur 64 toont een referentiebeeld van zilverlinde geplant in een 12x12m verband.
Figuur 63: schematische inrichting (boven- en zijaanzicht) van de inrichting van de Stationsweg
Figuur 64: zilverlinde met plantverband van 12m, 10 jaar na aanplant (gemeente Nieuwpoort, België)
7.10.2 BARGELAAN
Bij de inrichting van de Bargelaan worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • •
Bestaande bomen waar mogelijk behouden (linde, in mindere mate amberboom); Om de 15 meter (ter voorkoming van te veel schaduwdruk) HK 1 tot 2 bomen (15-20m hoog): Tilia x europe ‘Euchloraea’ (Klimlinde - hybride tussen T. cordata en de zeldzame T. dasystyla uit de Krimsuper nectarboom/ half open kroon voor licht op kruiden): o Afstand tot gebouw minimaal 8m; o Doorrij hoogte 5 meter;
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
48
• • •
Basis is kruiden vegetatie mengsel 3 ingezaaid, op locaties met schaduw 4 (2x maaien en 30% per keer van de vegetatie laten overstaan); Buitenste meter -alle zijden- is mengsel 2 (maximaal 10x maaien per jaar); Clusters met stinzenbollen (publieksfunctie, beleven seizoenen en biodiversiteit: nectar in vroege voorjaar) her en der aangeplant.
Figuur 65: schematische inrichting van de Bargelaan
7.10.3 RIJNSBURGERWEG Bij de inrichting van de Rijnsburgerweg worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • •
2m is te smal. Hier kan niets. Wellicht wat gazongras met plukjes stinzen; Leibomen met de rijrichting mee van Krimlinde past wel goed bij de rest van de wegen.
Figuur 66: schematische inrichting van de Rijnsburgerweg
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
49
Figuur 67 toont een referentiebeeld van het gebruik van leibomen binnen een smalle groenstrook.
Figuur 67: Referentiebeeld leilinde van Krimlinde in smalle strook gazon
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
50
7.10.4 SCHUTTERSWEG
Bij de inrichting van de Schuttersweg worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: •
• • •
Om de 15 meter (ter voorkoming van te veel schaduwdruk) HK 1 tot 2 bomen (15-20m hoog) : Tilia x europe ‘Euchloraea’ (Klimlinde - hybride tussen T. cordata en de zeldzame T. dasystyla uit de Krimsuper nectarboom/ half open kroon voor licht op kruiden): o Afstand tot gebouwen minimaal 8m; o Doorrij hoogte 5 meter; Basis is kruiden vegetatie mengsel 3, op schaduwrijke locaties 4 (2x maaien en 30% van de vegetatie per laten overstaan); Buitenste meter -alle zijden- is met mengsel 2 ingezaaid (maximaal 10x maaien per jaar); Clusters met stinzenbollen (publieksfunctie, beleven seizoenen en biodiversiteit: nectar in vroege voorjaar) zijn her en der ingebracht.
Figuur 68 toont de schematische inrichting van de Schuttersweg.
Figuur 68: schematische inrichting van de Schuttersweg
7.10.5 PLESMANLAAN
Bij de inrichting van de Plesmanlaan worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • •
Bestaande bomen inpassen; Om de 15 meter (ter voorkoming van te veel schaduwdruk) HK 1 tot 2 (15-20m hoog) bomen: Tilia x europe ‘Euchloraea’ (Klimlinde - hybride tussen T. cordata en de zeldzame T. dasystyla uit de Krimsuper nectarboom/ half open kroon voor licht op kruiden): o Afstand tot gebouwen minimaal 8 meter; o Doorrij hoogte 5 meter;
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
51
• • •
Basis is kruiden vegetatie mengsel 3 (2x maaien en 30% van de vegetatie per keer laten overstaan), op schaduwrijke locaties mengsel 4; Buitenste meter -alle zijden- is ingezaaid met mengsel 2 (maximaal 10x maaien per jaar); Clusters met stinzenbollen (publieksfunctie, beleven seizoenen en biodiversiteit: nectar in vroege voorjaar) zijn her en der ingebracht.
Figuur 69 toont de schematische inrichting van de Plesmanlaan.
Figuur 69: schematische inrichting van de Plesmanlaan
Figuur 70 toont een referentie van een laan met een ondergroei van inheemse kruiden. Binnen de referentie in figuur 71 zijn aan de inheemse kruiden stinzen toegevoegd.
Figuur 70: laan met bloeiende bermen met mengsel 3 en 1ste keer gemaaid mengsel 2 (gemeente Soest; Heem.nl)
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Figuur 71: middenberm met stinzen en inheemse kruiden (gemeente Soest; Heem.nl)
Buiting Advies BV
52
7.11
CONNEXXIONLOCATIE
Bij de inrichting van de Connexxionlocatie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • • • •
Aantal solitaire zuileiken (zeer belangrijk voor insecten -vooral nachtvlinders- verspreid als strooigoed toepassen). Kroonbedekking 10%. De eiken worden niet opgekroond; Aantal clusters met meidoorn en sleedoorn (voor bloei en bessen). Bedekking maximaal 10%; 1 meter langs verharding en paden en 2m rond gebouwen inzaaien met kruidenmengsel 2. Maximaal 10x per jaar maaien; Rest van de oppervlakte, afhankelijk van schaduw of zonnige plek (slagschaduw gebouw), kruidenmengsel 3 of 4 toepassen.
Figuur 72 toont de schematische inrichting van de Connexxionlocatie.
Figuur 72: schematische inrichting van de Connexxionlocatie
Figuur 73 toont een referentiebeeld met prachte zuileiken binnen een stedelijke context . Binnen figuur 74 en 75 zijn vegetaties met bloeiende inheemse kruiden binnen de bebouwde omgeving opgenomen.
Figuur 73: zuileiken als bijzonder en ecologisch zeer waardevolle bomen binnen de stedelijke context
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Figuur 74: kruidenrijke vegetaties met ‘strooibomen’ tussen hoogbouw (Woningcorporatie Stadsgenoten, Amsterdam)
Buiting Advies BV
53
Figuur 75: detail rijkdom kruidenrijke inheemse vegetaties tussen hoogbouw (Woningcorporatie Stadsgenoten, Amsterdam)
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
54
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
55