210038 Bijlage 5 Ecologische input ontwerp stationsgebied Leiden
Tekst van het document
Bijlage 5
APRIL 2021
ECOLOGISCHE INPUT ONTWERP STATIONSGEBIED LEIDEN
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
1
COLOFON
Titel Opdrachtgever Contact
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden Gemeente Leiden www.gemeente.leiden.nl Jelle Deurman
Status rapport Datum Projectnummer
definitief april 2021 2020-124
Opdrachtnemer
Buiting Advies BV www.buiting.nl Ronald Buiting Jeroen Willems Esther Nijhuis
Auteur Controle Illustraties
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
2
ECOLOGISCHE INPUT ONTWERP STATIONSGEBIED LEIDEN
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
3
INHOUD 1 2
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5
3
INLEIDING
6
VERKENNING PLANGEBIED
8
BOMENBESTAND .................................................................................................................................... 8 STRUIKEN.............................................................................................................................................. 11 KORTE VEGETATIES .............................................................................................................................. 12 OEVERS EN WATER ............................................................................................................................... 13 OVERIGE WAARNEMINGEN ................................................................................................................. 14
3.1 3.2 3.3
BELANG VAN EEN STERKE RELATIE MET DE OMGEVING ..................................................................... 15 NATURA-2000....................................................................................................................................... 15 NATUURNETWERK NEDERLAND (NNN) ............................................................................................... 17
ECOLOGIE OP HET HOOGSTE SCHAALNIVEAU
15
4
TIEN ECOLOGISCHE UITGANGSPUNTEN
18
5
KEUZE VAN KRUIDEN, BOMEN EN STRUIKEN
21
5.1 5.2 5.3 5.3.1 5.3.2 5.3.3 5.4 5.5 5.6
6
KRUIDEN ............................................................................................................................................... 21 STINZEN ................................................................................................................................................ 23 GEVELTUINEN ....................................................................................................................................... 23 WILDE KAMPERFOELIE ......................................................................................................................... 23 KLIMOP ................................................................................................................................................. 24 OVERIGE SOORTEN............................................................................................................................... 24 BOOMSOORTENKEUZE ......................................................................................................................... 25 UITBREIDING SORTIMENT BOMEN ...................................................................................................... 25 STRUIKSOORTENKEUZE ........................................................................................................................ 26
6.1 6.2 6.3 6.3.1 6.3.2 6.4
VLINDERS .............................................................................................................................................. 28 LIBELLEN ............................................................................................................................................... 29 VOGELS ................................................................................................................................................. 30 KOPERWIEK .......................................................................................................................................... 31 ZWARTE ROODSTAART......................................................................................................................... 32 ZOOGDIEREN ........................................................................................................................................ 33
DOELSOORTEN
28
7
VERTALING ECOLOGICHE UITGANGSPUNTEN NAAR ONTWERPPRINCIPES
34
7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.5.1 7.5.2 7.6 7.7 7.8 7.9 7.10 7.10.1 7.10.2 7.10.3
NEGEN GROENE TYPOLOGIEEN ............................................................................................................ 34 POCKETPARKJES ................................................................................................................................... 35 10 METER STRATEN .............................................................................................................................. 36 SINGEL .................................................................................................................................................. 39 NATUURDAKEN .................................................................................................................................... 41 NATUURDAK MET INHEEMSE KRUIDENRIJKE VEGETATIE .................................................................... 41 NATUURDAK MET INHEEMSE VEGETATIE, STRUWEEL EN BOMEN ..................................................... 43 STATIONSPLEIN CENTRUMZIJDE .......................................................................................................... 44 STATIONSPLEIN SEA SIDE ..................................................................................................................... 45 HOFJES ..................................................................................................................................................
46 TAXIPALET ............................................................................................................................................ 47 LANEN MET BOMEN ............................................................................................................................. 48 STATIONSWEG...................................................................................................................................... 48 BARGELAAN .......................................................................................................................................... 48 RIJNSBURGERWEG ............................................................................................................................... 49
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
4
7.10.4 7.10.5 7.11
SCHUTTERSWEG ................................................................................................................................... 51 PLESMANLAAN ..................................................................................................................................... 51 CONNEXXIONLOCATIE .......................................................................................................................... 53
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
5
1
INLEIDING
De gemeente Leiden wil rond Leiden Centraal een nieuw stationsgebied realiseren. Dit nieuwe gebied moet de entree en verbinding gaan vormen tussen het station en het oude stadscentrum. Het project heeft de naam Stationsgebied Leiden meegekregen. Figuur 1 toont de contour van het plangebied.
Figuur 1: contour plangebied Stationsgebied Leiden
Eén van de opgaven bij de herinrichting is de ecologische potentie van het gebied zo veel mogelijk te benutten. Dat betekent dat biodiversiteit, dus het realiseren van geschikte biotopen voor zo veel mogelijk planten en dieren, bij het ontwerpen en inrichten van het Stationsgebied, een belangrijke opgave is. Deze opgave wordt binnen dit rapport ingevuld. Leeswijzer Dit rapport start met een analyse van het huidige groen binnen het plangebied. Daarbij wordt vooral gekeken naar de bijdrage die het groen aan de biodiversiteit binnen de stad levert (zie H2). Vervolgens wordt stap voor stap input verzameld gericht op het ontwikkelen van een hoogwaardige ecologische inrichting van Stationsgebied Leiden (zie h3, H4 en H5). Deze input leidt in H6 tot de keuze voor een aantal doelsoorten, met bijbehorende biotopen. De doelsoorten en biotopen zijn zodanig gekozen dat en groot aantal andere soorten met de doelsoorten ‘meeliften’. Door deze ‘meekoppeling’ wordt de biodiversiteit binnen de Stationsomgeving verder versterkt. De informatie uit H3 t/m H6 wordt tijdens het ontwerpproces gebruikt om de groene ruimtes binnen het plangebied vorm te geven. Hoe dit uiteindelijk binnen de verschillende ‘groen typologieën’ land wordt beschreven in H7. Hier wordt per groentypologie schematisch aangegeven hoe de
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
6
inrichting het beste kan worden ingevuld. Deze schematische weergave moet uiteindelijk binnen het DO per locatie concreet worden ingevuld. Het is daarbij steeds de ambitie om op iedere locatie zo veel mogelijk van de in dit rapport beschreven kansen binnen het ontwerp te borgen. Want dan alleen wordt binnen het Stationsgebied een stadscentrum met een hoge stadsbiodiversiteit gerealiseerd.
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
7
2
VERKENNING PLANGEBIED
Op 20 oktober 2020 is het plangebied uitgebreid onderzocht. Daarbij is het groen visueel geïnspecteerd. Daarbij is de huidige ecologische kwaliteit, de toekomstig ecologische potenties en de situatie met betrekking tot het bomenbestand beoordeeld. Figuur 2 toont de locaties waar de groene ruimte binnen of in de directe omgeving van het plangebied is bekeken.
Figuur 2: locatie waar de huidige kwaliteit van de groene omgeving is beoordeeld
Hieronder worden de resultaten van de beoordeling van het groen beschreven. Ook worden conclusies getrokken met betrekking tot het huidige ecologisch functioneren en de bijdrage die het groen aan de biodiversiteit levert.
2.1
BOMENBESTAND
De volgende zaken zijn tijdens de inventarisatie opgevallen: •
•
Er zijn opvallend weinig bomen binnen het plangebied aanwezig. Dat valt extra op bij de entree van het station en bij het busstation: hier is sprake van een grote steenvlakte. Maar dat geldt bijvoorbeeld ook voor de grote parkeerplaats bij de supermarkt. Al deze locaties zijn met zekerheid ‘hitteeilanden’; Er zijn erg weinig oude, monumentale bomen in het plangebied aanwezig. En dat is opvallend omdat de stad wel oud is;
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
8
• • •
• •
•
•
Het bomenbestand bestaat voornamelijk uit uitheemse boomsoorten. Daarbij is Valse christusdoorn opvallend veel aangeplant, maar er komt ook veel vleugelnoot, plataan en paardenkastanje voor; Valse christusdoorn is een vrij ijle boom met een open niet al te grote en ook onopvallende kroon die eigenlijk niet goed binnen een stedelijke omgeving past; Inheems zijn vooral haagbeuk en linde aangeplant, waarbij me name de haagbeuk het moeilijk heeft. En dat is ook logisch: haagbeuk is eigenlijk geen stadsboom, omdat de boom niet tegen verharding en strooizout kan en oppervlakkig wortelt (opdrukking!), haagbeuken in open groenstroken is wel een goede keuze, al blijft het oppervlakkig wortelen een punt van aandacht; Bij veel bomen is sprake van vitaliteitsproblemen. Dat uit zich in het klein blijven van de bomen, maar ook in de vorm van afstervende takken en kroondelen; De zware populieren langs het Schuttersveld hebben zogenaamde ‘uitgezakte’ takken (takken die doorbuigen waardoor ze ‘los’ van de kroon komen te hangen) en dus een vervormde kroon. Dat betekent dat de houtkwaliteit en daarmee de sterkte van het hout is afgenomen. Dit vergroot de kans op het uitbreken van zware zijtakken.
Hetzelfde geldt voor de abelen die staan aan de zuidzijde van de grote parkeerplaats bij het winkelcentrum: ook daar is de kroon uitgezakt/vervormd; Op een aantal locaties (in het zuiden van het plangebied) zijn binnen de smalle straten veel te grote bomen (Valse christusdoorn/Robinia) op korte afstand (soms maar 1m!) van de gevels geplant. Hierdoor is het wegsnoeien van de helft van de koon noodzakelijk. En dat moet ook nog eens jaarlijks worden herhaald om schade aan de panden te voorkomen. Hier zouden bomen van de derde orde veel beter passen; Op een aantal locaties worden snoeivormen toegepast zonder dat duidelijk is waarom. De vraag is dan dus waarom niet voor ‘gewoon’ uitgroeiende bomen -van de juiste orde- is gekozen? Want dat levert meer schaduw op -en dus bestrijding van hitte- en is veel goedkoper.
Figuur 3a: veel bomen met slechte vitaliteit; 3b: veel uitheemse boomsoorten zonder ecologische relaties; 3c: abeel met ‘uitgezakte’ takken
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
9
Figuur 4a: vorm snoei zonder doel; 4b: vrijwel boomloos busstation; 4c: bomen met halve kronen door verkeerde boomsoortenkeuze
Figuur 5a: esdoorn met slechte vitaliteit; 5b: Christusdoorn met open kroon; 5c: groen (nog) geen deel van de nieuwe ontwikkeling
Conclusie bomen: het bomenbestand binnen het plangebied is aan herziening toe. Doordat er naar verhouding weinig bomen zijn aangeplant en door het grote aandeel uitheemse bomen is de bijdrage aan de biodiversiteit laag.
6a: vrijwel boomloze stations-entree; 6b: boomloze met afstervende Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leidenparkeerplaats, Buiting Advies BV jonge bomen (= ondergrondse groeiplaats is 10 niet op orde)
2.2
STRUIKEN
De volgende zaken zijn tijdens de inventarisatie opgevallen: • Vrijwel alle struiken zijn uitheems; • Bijna alle struiken zijn zonder structuur geplant (één soort over grote oppervlakte, geen hoogte verschillen); • Er zijn geen vrij uitgroeiende en sterk bloeiende struiken aanwezig (dus ook geen nectar en bessen); • Er zijn veel snoeivormen in de vorm van snoeihagen aanwezig. Door de regelmatige snoei bloeien deze stuiken niet of nauwelijks (en leveren dus ook geen nectar en bessen); • Op aantal locaties struiken onder bomen waardoor bloei uitblijft (en leveren dus ook geen nectar en bessen).
Figuur 7a: uitheemse struiken zonder structuur over grote oppervlakte; 7b: snoeihagen met weinig bloemen en bessen
Figuur 8a: struiken onder schaduwdruk zonder nectar en bessen; 8b: uitheemse laurierkers en plataan zonder ecologische relaties
Conclusie struiken: door het ontbreken van inheemse struiken, het groot aantal locaties met schaduwdruk en de vele snoeivormen is het aanbod van nectar en bessen zeer gering. De binnen het plangebied aanwezige struiken leveren dan ook een zeer matige bijdrage aan de biodiversiteit.
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
11
2.3
KORTE VEGETATIES
De volgende zaken zijn tijdens de inventarisatie opgevallen: • Binnen het plangebied komt enkel en alleen kort (20 – 30x per jaar) gemaaid gazongras voor; • Dat intensieve onderhoud gebeurt ook op locaties waar voldoende ruimte is voor ander beheer en op locaties waar dat van uit gebruik of verkeer niet noodzakelijk is. • Ook worden grassen en kruiden rond objecten (zoals palen of langs muren) ‘schoon’ gemaaid, waardoor ook daar geen kruiden tot bloei kunnen komen; • Dat geldt ook voor alle oevers: ook daar is vrijwel al het gras kort tot aan het water; • Er komen vrijwel nergens bloeiende kruiden of grassen voor, waardoor sprake is van zware ‘bloemarmoede’.
Figuur 8a & b: 2 voorbeelden van zeer kort gemaaid gazongras op locatie waar dat vanuit gebruik of verkeer niet noodzakelijk is
Figuur 9a, b & c: geen (bloeiende) kruiden aanwezig: bloemarmoede en dus geen insecten
Conclusie korte vegetaties: de korte vegetaties binnen het plangebied bestaan hoofdzakelijk uit zeer kort en intensief gemaaid gazongras. Hierdoor leveren de korte vegetaties een zeer beperkte bijdrage aan de biodiversiteit.
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
12
2.4
OEVERS EN WATER
De volgende zaken zijn tijdens de inventarisatie opgevallen: • Alle oevers binnen het plangebied zijn hard: de overgang van -meestal kort- gemaaid gazongras naar water bestaat altijd uit beschoeiing of een andere constructie (bijvoorbeeld een bank of steiger); • Op slechts enkele plekken is er -zeer beperkte- ruimte voor kruiden; • Het aanwezige water binnen het plangebied bevat vrijwel geen natte vegetaties, zoals riet of waterlelies.
Figuur 10a: hier en daar kruiden (maar dat lijkt niet bewust, eerder een ‘maaifout’); 10b: kort gemaaid gazongras tot aan het water; 10c: overal harde oevers met beschoeiing
Figuur 11a: mooie oevervegetatie buiten het plangebied; 11b: harde oever met steiger en met water zonder vegetatie
Conclusies oevers en water: alle oevers binnen het plangebied zijn hard. Daardoor leveren de oevers een zeer beperkte bijdrage aan de biodiversiteit. Dat zelfde geldt voor het water: ook van daaruit is er een geringe bijdrage aan de biodiversiteit.
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
13
2.5
OVERIGE WAARNEMINGEN
De volgende zaken zijn tijdens de inventarisatie opgevallen: • • •
De huidige indeling van de bloembakken is meestal zonder bloemen. Hierdoor wordt het nectar aanbod niet vergroot; Het terrein van The Field ligt als een bijzondere oase binnen de zwaar versteende stedelijke omgeving; Op het talud van de spoorbaan komt massale opslag van Japanse duizendknoop voor. Het risico is groot dat deze invasieve exoot zich vanuit deze brandhaard binnen het plangebied gaat vestigen (op zeer korte termijn bestrijden is zeker aan te bevelen).
Figuur 12 a, b & c: bloembakken leveren geen extra nectar voor insecten of vlinders
Figuur 13a: The Field als oase in de stad; 13b: brandhaard met Japanse duizendknoop op spoortalud
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
14
3
ECOLOGIE OP HET HOOGSTE SCHAALNIVEAU
De hoogste ecologische waarde binnen het Stationsgebied Leiden kan worden bereikt als bij de inrichting niet alleen naar het plangebied zelf, maar ook naar de omgeving wordt gekeken 1. Binnen dit hoofdstuk worden de kansen die deze ‘ruimere blijk’ oplevert onderzocht. Ook wordt kort ingegaan op de ecologische beperkingen van het plangebied. Vervolgens wordt de meerwaarde van het ‘naar buiten kijken’ concreet ingevuld.
3.1
BELANG VAN EEN STERKE RELATIE MET DE OMGEVING
Het inrichten van een mooie en ecologisch waardevolle groene omgeving binnen het Stationsgebied Leiden is een belangrijke ambitie. Om invulling aan deze ambitie te geven moet worden voorkomen dat de nieuwe groene omgeving als een soort ‘eiland’ wordt gezien en dus alleen ‘van binnen uit’ wordt ingericht. Het gaat bij het creëren van ecologische waarden juist om het verbinden van het nieuwe groen in het Stationsgebied Leiden met de omliggende omgeving. Het ontwikkelen van robuuste verbindingen is binnen natuurbeleid één van de belangrijkste thema’s. Kijk bijvoorbeeld naar het Europese Natura 2000-netwerk of het Natuurnetwerk Nederland. Daarnaast past dit ook in de doelstellingen binnen het Meerjarenplan Ontsnippering (MJPO) van Rijkswaterstaat. Deze nota zet in op het creëren van samenhang en het opheffen van zoveel mogelijk barrières tussen natuurgebieden. Conclusie: het gaat bij het ontwerpen van de groene inrichting van Stationsgebied Leiden dus om het inrichten van een groene omgeving met hoge ecologische kwaliteit in combinatie met -zo veel mogelijkverbinding met de omgeving.
3.2
NATURA-2000
Binnen het Stationsgebied Leiden moet dus een natuurlijke omgeving met -potentieel- hoge ecologische waarden worden gerealiseerd (en in stand gehouden!) en dat kan alleen als wordt gezorgd voor voldoende samenhang met de omliggende groenstructuren en natuurgebieden. Alleen op die manier kan een breed pallet aan soorten binnen een stedelijke context blijvend een habitat vinden. Het plangebied van Stationsgebied Leiden grenst niet direct aan een Natura-2000 gebied of het NNN (figuur 14). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Meijendel & Berkenheide ten zuidwesten van het plangebied. De noordgrens van dit natuurgebied ligt hemelsbreed op +/- 5.5 km van Station Leiden.
1 Op basis van de eilandtheorie (MacArthur & Wilson, 1967) blijkt dat grote eilanden een hogere soortenrijkdom herbergen dan kleine(re) eilanden. Dit
wordt verklaard doordat op grote eilanden grotere populaties (dus meer individuen van één soort) voorkomen. En grotere populaties kunnen doordat ze met meer zijn (veel) beter tegen een stootje (bijvoorbeeld ziekte of inteeltdepressie). Daarnaast is de kans dat bij een overstroming of een brand alle individuen van een bepaald soort omkomen bij grote populaties kleiner dan bij kleinere populaties. Tevens blijkt uit de eilandtheorie dat eilanden dichter bij het continent soortenrijker zijn dan eilanden die verder weg liggen. Dit wordt verklaart door het feit dat naarmate een eiland dichterbij het continent ligt de kans groter is dat een nieuwe soort zich op een eiland vestigt.
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
15
Figuur 14: plangebied (blauwe stip) in relatie tot Natura-2000 (donkergroen) en NNN (lichtgroen)
Het Natura 2000-gebied Meijendel en Berkheide bestaat uit een brede duinstrook met een gevarieerd en uitgestrekt, kalkrijk duinlandschap. Dit gebied is reliëfrijk en landschappelijk zeer afwisselend. Het zuidelijke deelgebied Meijendel is een relatief laag gelegen gebied met grote 'uitgestoven duinvlakten'. De in de duinstrook van Meijendel en Berkheide onderscheidden habitattypen zijn: • H2110 - Embryonale duinen • H2120 - Witte duinen • H2130A/B - Grijze duinen • H2160 - Duindoornstruwelen • H2180A/B - Duinbossen • H2190A/B/C/D - Vochtige duinvalleien • H3140 - Kranswierwateren • H6430A - Ruigten en zomen Conclusie Natura2000-habitattypen: de beperkte ruimte en de ligging midden in de stad zorgt ervoor dat bij het ontwerpen van de groene omgeving van Stationsgebied Leiden geen habitattypen waarvoor het Natura2000 gebied ‘Meijendel en Berkheide’ is aangewezen kunnen worden ontwikkeld. De in de duinstrook van Meijendel en Berkheide onderscheidden habitatrichtlijnsoorten zijn: • H1014 - Nauwe korfslak • H1149 - Kleine modderkruiper • H1166 - Kamsalamander • H1318 - Meervleermuis
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
16
Conclusie Natura2000-habitatsoorten: de beperkte ruimte zorgt er ook voor dat alleen habitat voor de Meervleermuis kan worden ontwikkeld 2. Meervleermuizen kunnen het centrum van Leiden ook daadwerkelijk bereiken doordat ze 10-20 km afleggen alvorens op de jacht over te gaan. Als vliegroutes maakt de Meervleermuis voornamelijk gebruik van kanalen, beken en vaarten. Ook voor de jacht zijn deze dieren afhankelijk van water. Door de aanwezigheid van de Valkenburgse plas tussen het natuurgebied en de stad en de binnen de stad aanwezige singels bestaat de kans dat deze soort inderdaad rond de singels gaat foerageren. Voorwaarde is wel dat binnen het plangebied de juiste groenstructuren en vegetatietypen worden ingericht zodat de prooidichtheid voor de Meervleermuis (insecten) wordt vergroot. Van groot belang is dan ook dat de vliegroutes en foerageergebieden zo donker mogelijk worden gehouden. Meervleermuizen houden namelijk niet van verlichting.
3.3
NATUURNETWERK NEDERLAND (NNN)
Als we verder inzoomen op het plangebied liggen de groenstructuren die onderdeel zijn van het NNN binnen een straal van 2 km. Dit zijn park Rhijngeest, Kasteel Endegeest en het Landgoed van Kasteel Oud Poelgeest (voor de situering ten opzichte van het plangebied zie figuur 15).
Figuur 15: plangebied (A) met contour NNN (lichtgroen)
De doelstelling van de provincie Zuid-Holland is om de binnen het NNN gesitueerde natuurgebieden te beschermen, herstellen en versterken. De provincie wil ook dat het totale oppervlak natuur -waar dan ook!toeneemt, zodat de overlevingskansen van planten en dieren worden vergroot. Conclusie Natuurnetwerk Nederland: door binnen de groene omgeving van Stationsgebied Leiden habitat te ontwikkelen voor soorten die op dit moment binnen het NNN aanwezig zijn kan invulling aan de provinciale doelen worden gegeven.
2 In dit hoofdstuk is alleen gekeken naar habitat- en vogelrichtlijnsoorten. Vanzelfsprekend zijn ook andere soorten relevant. Welke dat zijn wordt in H6
besproken.
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
17
4
TIEN ECOLOGISCHE UITGANGSPUNTEN
Eén van de opgaven bij de herinrichting van de stationsgebied in Leiden is de het realiseren van geschikte habitats voor zo veel mogelijk planten en dieren. Maar het gaat natuurlijk ook om het realiseren van nieuw groen voor de mensen. Om op de juiste wijze invulling aan het ontwerpen van de groene omgeving van Leiden Centraal te geven zijn 10 uitgangspunten geformuleerd. Deze 10 uitgangspunten worden hieronder kort beschreven. Uitgangspunt 1: altijd uitgaan van het ‘groen, tenzij-principe’ Altijd uitgaan van het groen-tenzij-principe betekent dat een locatie altijd groen is behalve als er een zwaarwegend argument is om die locatie niet groen te maken. Bij het ontwerpen van de groene omgeving rond Leiden Centraal wordt het groen, tenzij-principe ingevuld door overal waar het maar enigszins mogelijk is groen te realiseren. En overal is echt overal, dat geldt dus zowel voor locaties op maaiveldniveau, maar zeker ook op de gevels en daken en langs en op het water van de singel. Dus groen op 1. Uitgangspunt 2: groen voor mensen Het groen dat binnen het stationsgebied wordt ontwikkeld moet er zijn voor de mensen die er wonen, werken of verblijven. Het groen moet zorgen voor de herkenbaarheid van de verschillende locaties, goed toegankelijk zijn, maar ook mooi, op hete dagen schaduw een verkoeling brengen en het gevoel van veiligheid versterken. Groen als bindmiddel van de stad.
Uitgangspunt 3: zo groot mogelijke groeneenheden realiseren Bij het ontwerpen van het nieuwe stationsgebied Leiden moeten de oppervlaktes groen altijd zo groot mogelijk worden gemaakt. Smalle groenstroken, kleine overhoeken of groene restruimtes worden dus zo veel mogelijk vermeden. Door van grote aaneengesloten eenheden uit te gaan ontstaat ‘groene massa’ waarbinnen een robuuste biodiversiteit met een zo groot mogelijke diversiteit aan soorten tot ontwikkeling kan komen. Large is beautiful! Uitgangspunt 4: zorgen voor de beleefbaarheid van de seizoenen Ieder seizoen heeft zijn charme. En bijzonder is dat de seizoenen in Nederland ook duidelijk beleefbaar zijn. Bij het ontwerpen van de groene omgeving rond Leiden Centraal moet de beleefbaarheid van de seizoenen dan ook als belangrijk ontwerpdoel worden meegenomen. Dat gebeurt bijvoorbeeld door voorjaarsbloeier zoals stinzen in te brengen, maar ook door bloeiende struiken en bomen met bijzondere herfstkleuren aan het straatbeeld toe te voegen. En dat is belangrijk. Uit onderzoek blijkt dat het herkennen van de seizoenen mensen ondersteund bij hun psychisch welbevinden en dus steviger en gelukkiger maakt 3. Seizoensgroen levert op die manier binnen de drukke stedelijke omgeving rond Leiden centraal een belangrijke bijdrage aan de leefbaarheid.
Uitgangspunt 5: focussen op herkenbare soorten Binnen het stationsgebied Leiden worden voor specifieke insecten, bijen en vlinders, maar ook voor libellen en vogels geschikte biotopen ontwikkeld. Daarbij wordt aangesloten op bronpopulaties uit de omgeving, waardoor zeker is dat de gewenste soorten ook daadwerkelijk naar de nieuwe biotopen zullen migreren. Door binnen het ontwerp te focussen op insecten, bijen, vlinders, libellen en vogels komt iedereen die in het nieuwe stationsgebied woont, werkt of verblijft regelmatig met bijzondere soorten in aanraking. En daardoor wordt de natuur in de stad echt beleefbaar (en dus niet alleen voor ecologen) en ontstaat een positief natuurgevoel.
3 https://www.essencio.nl/lessen-uit-de-natuur-seizoenen-in-je-leven/
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
18
Uitgangspunt 6: kruidenrijke vegetaties als basis Goed ontwikkelde inheemse kruidenrijke vegetatie vormen -ook in de stad- de basis van een goed ontwikkelde biodiversiteit. Daarom worden bij het ontwerpen van het stationsgebied overal waar dat maar enigszins mogelijk is vegetaties van inheemse kruiden ontwikkeld. En overal is echt overal, dus op maaiveldniveau, maar ook in (grotere) bloembakken en op platte daken. Hierdoor is binnen de stationsgebied ‘jaarrond’ nectar voor insecten, bijen en vlinders beschikbaar. Het bloeiseizoen wordt verbreed door stinzen (= vroege nectar) in te brengen en groene gevels met kamperfoelie (= nectar in de zomer) en klimop (= late nectar) toe te voegen. De binnen de stationsgebied aanwezige insecten, bijen en vlinders (= rupsen) zijn voedsel voor libellen, vogels en vleermuizen. Door sterk op kruidenrijke vegetaties in te zetten komt de stedelijke biodiversiteit dus ‘vanzelf’ op gang. Uitgangspunt 7: altijd uitgaan van inheems Algemeen is bekent dat een inheemse vegetatie door de aanwezigheid van een relatie met inheemse soorten een veel grotere bijdrage aan de biodiversiteit levert dan bomen, struiken of kruiden van buiten Nederland 41. Daarom wordt bij het ontwerpen van de groene ruimte van het stationsgebied Leiden vrijwel altijd met inheemse soorten gewerkt. Dat geldt altijd voor kruiden en ook altijd voor struiken.
Voor bomen wordt soms een uitzondering gemaakt omdat een groot deel van de inheemse bomen binnen de stedelijke omgeving niet gezond oud kunnen worden. Bomen van buiten Nederland hebben wel altijd een Europese herkomst. Het idee is dat de bijbehorende fauna, door het verder opschuiven van de klimaatzones wellicht op termijn toch kunnen aansluiten. De Europese bomen vormen dan als het ware de ‘ecologische voorhoede’ van de toekomst. Nu komen ze van buiten Nederland en straks zijn ze wellicht het nieuwe inheems. Uitgangspunt 8: klimaatadaptief ontwerpen Dat het klimaat echt aan het veranderen is, is na drie tropische zomers wel duidelijk. Daarom is het realiseren van een klimaatadaptief ontwerp een zeer belangrijk uitgangpunt. De nieuwe groene omgeving rond Leiden Centraal moet goed bestand zijn tegen hitte, droogte en wateroverlast. En dat betekent dat bij de keuze van kruidenmengsels, struik- en boomsoorten goed moet worden gekeken of ze aan veranderingen die nog gaan komen zijn aangepast. Dit is extra belangrijk doordat nieuwe groene omgeving midden in Leiden, in een sterk versteende omgeving, is gesitueerd. Hierdoor worden toekomstige klimaatextremen extra vergroot. En aan die klimaatextremen moet het groen dus nu al worden aangepast. Uitgangspunt 9: zo compleet mogelijk ontwerpen Een zo compleet mogelijk ecosysteem biedt een geschikt habitat aan een breed scala van soorten.
Natuurlijk kan een dergelijk ecosysteem niet in het centrum van Leiden worden gerealiseerd. Dat neemt niet weg dat het toch belangrijk is om ook bij het ontwerpen van het groen zo breed mogelijk te ontwerpen. Dat betekent dat kruidenrijke vegetaties, wellicht kleine ruigtes, stuiken en struweel, maar ook met bomen en boomgroepen en parkachtige structuren waar mogelijk worden gecombineerd. Want hoe meer diversiteit binnen het groen wordt gerealiseerd, hoe meer soorten duurzaam een plek zullen vinden. En dat is het uiteindelijk doel. Uitgangspunt 10: aansluiten bij de groeiplaatsomstandigheden Bij het ontwerpen van de groene omgeving wordt vanzelfsprekend rekening gehouden met de aanwezig abiotische factoren zoals bodemtype (vaak vergraven), zuurgraad en grondwatertrap. Daarnaast zijn binnen een stedelijke omgeving ‘nieuwe’ groeiplaatsfactoren aanwezig die sterk afwijken van die in de natuur. Het gaat dan om beschaduwing door gebouwen, de aanwezigheid van ondergrondse bebouwing en infrastructuur
4 Uit onderzoek in het Verenigd Koninkrijk) blijkt dat op inheemse soorten veel meer insecten en mijten leven. Zo werden op inheemse wilgen en eiken
meer dan 400 soorten vastgesteld, op berk meer dan 300 en op meidoorn 209. Op de (uitheemse) Amerikaanse eik werden slechts 12 soorten en op de (uitheemse) walnoot slechts 7 soorten vastgesteld (Kennedy & Southwood, 1984). Aangenomen mag worden dat de situatie in Nederland vergelijkbaar is.
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
19
(kabel en leidingen), (beperkte) ondergrondse (wortel)ruimte, hitte ontwikkeling door verstening en droogte door de aanwezigheid van verhard oppervlak. Bij het ontwerpen van de groene omgeving van het stationsgebied Leiden wordt met alle groeiplaats gerelateerde zaken rekening gehouden, waardoor al het groen gezond oud kan worden.
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
20
5
KEUZE VAN KRUIDEN, BOMEN EN STRUIKEN
In dit rapport wordt stap voor stap input verzameld om de gewenste hoogwaardige ecologische inrichting van Stationsgebied Leiden mogelijk te maken. Het uiteindelijke doel is om zo veel mogelijk van de in dit hoofdstuk beschreven kruiden, bomen en struiken binnen het ontwerp een plek te geven, waardoor een Stationsomgeving met zowel een hoge stadsbiodiversiteit als een hoge esthetische kwaliteit ontstaat.
5.1
KRUIDEN
Ecologisch gezien zijn de kruidenrijke vegetaties het belangrijkste onderdeel van een ontwerp. De kruidenrijke vegetaties leveren nectar en pollen aan -specifieke- bijen, vlinders en andere insecten (die op hun beurt voedsel zijn voor libellen, amfibieën, vogels en vleermuizen). Het is daarbij van groot belang dat de opvolging in bloei zodanig wordt ingericht dat de bijen, vlinders en insecten ‘jaarrond’ nectar en pollen krijgen ‘aangeboden’. Het gaat dus op het opheffen van de ‘Bloemarmoede’. Op basis van de standplaatsfactoren en omstandigheden van dak- en gevelbegroeiing kunnen in het stationsgebied vooral kruiden worden toegepast die zijn gebonden aan een droog en veelal zonnig milieu. Vanwege de natuurlijke ligging relatief dicht bij de kalkrijke Zuid-Hollandse duinen ligt het voor de hand substraten toe te passen die zo dicht mogelijk bij dit bodemprofiel aansluiten. Aangezien in het stationsgebied voor een groot gedeelte de vegetatie op daken gerealiseerd zal worden, is het belangrijk om bij het kiezen van de kruiden niet alleen rekening met het natuurlijk bodemprofiel te houden, maar ook een geschikt daksubstraat te kiezen. Voor de daken die tussen de 0 – 5 ° zitten is een > 150 mm kalkrijk waterretentie substraat zeer geschikt 5. Tabel 1 toont de kruiden die binnen een dakmengsel kunnen worden toegepast gepresenteerd.
Buiten de dakzones wordt uitgegaan van de natuurlijk groeiplaats. Op dergelijke groeiplaatsen kunnen verschillende kruidenrijke vegetaties worden ingericht. Binnen tabel 1 wordt onderscheidt gemaakt in kruidenrijke vegetaties die regelmatig kunnen worden gemaaid en toch nog nectar leveren. Deze vegetaties kunnen bijvoorbeeld langs wegen en paden worden ontwikkeld. Daarnaast wordt in tabel 1 een kruidenmengsel voor rijke zonnige groeiplaatsen gepresenteerd. Deze vegetaties kunnen worden ontwikkeld op locaties waar de kruiden gedurende het gehele groeiseizoen vrij kunnen uitgroeien en in de winter gedeeltelijk kunnen overstaan. In tabel 1 is ook een overzicht van kruiden opgenomen die in een schaduwrijke situatie goed gedijen. Door de aanwezigheid van bebouwing of een boom- en struiklaag zijn lokaal (half-)schaduw milieus aanwezig. Als op dergelijke locaties een kruidenrijke vegetaties wordt ontwikkeld zijn kruiden die binnen de zoomvegetatie van de Wegedoorn en Eenstijlige meidoorn associatie voorkomen geschikt. En tenslotte laat tabel 1 de samenstelling zien van een kruidenrijke vegetatie die langs de oevers van de singel kan worden ontwikkeld. De dikgedrukte soorten zijn waardplanten van dagvlinders en derhalve van groot belang voor de voortplanting.
5 https://www.optigruen.nl/systemen/natuurdak/systeemopbouw/
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
21
TABEL 1: VEGATATIES OP BASIS VAN DE STANDPLAATSFACTOREN VEGETATIETYPE GROEIPLAATS BELANGRIJKE SOORTEN 6 Dakvegetatie (=kruidenrijke vegetatie voor daktuinen)
altijd met veel zon
Kort gemaaide vegetatie met nectar
altijd met veel zon, rijke groeiplaats
Kruidenrijke vegetatie met veel nectar en lange bloei
altijd met veel zon, rijke groeiplaats
Kruidenrijke vegetatie met veel nectar en lange bloei op schaduwrijke locaties, dus als ondergroei of als zoomvegetatie
altijd in (half) schaduw, rijke groeiplaats
Kruidenrijke vegetatie langs oevers en op vochtige en natte groeiplaatsen
altijd in de zon, rijke, maar ook armere, altijd vochtige en natte groeiplaatsen
OPMERKING
Duizendblad, Bieslook, Engels gras, Grasklokje, Ruige anjer, Steenanjer, Gewone reigersbek, Geel walstro, Muizenoor, Zandblauwtje, Vlasbekje, Gewone rolklaver, Rode klaver, Wilde marjolein, Ruige weegbree, Muurpeper, Wit vetkruid, Tripmadam, Blaassilene, Grote tijm, Hazenpootje, Akkerviooltje, Schapenzuring Madeliefje, Pinksterbloem, Klein streepzaad, Gewone reigersbek, Gewoon biggenkruid, Vertakte leeuwentand, Gewone rolklaver, Hopklaver, Smalle weegbree, Gewone brunel, Kruipende boterbloem, Schapenzuring, Kleine klaver, Rode klaver, Witte klaver Duizendblad, Fluitenkruid, Gewoon barbarakruid, Knoopkruid, Klein streepzaad, Peen, Gewone berenklauw, Vertakte leeuwentand, Gewone margriet, Pastinaak, Smalle weegbree, Gewone brunel, Scherpe boterbloem, Kleine ratelaar, Avondkoekoeksbloem, Boerenwormkruid, Gele morgenster, Rode klaver, Vogelwikke, Smalle wikke Veldhondstong, Boskruiskruid, Welriekende salomonszegel, Jakobskruiskruid, Geel walstro, Bitterzoet, Robertskruid, Hondsdraf
soorten voor een dakvegetatie zijn uitgekozen vanwege hun en droogte resistente karakter. de meeste soorten prefereren een kalkhoudend tot kalkrijke bodem. het daksubstraat moet 10/15 20cm dik zijn anders is het voor deze soorten te droog op locaties die regelmatig worden gemaaid
Gewone engelwortel, Gewoon barbarakruid, Gewone dotterbloem, Pinksterbloem, Kale jonker, Rietorchis, Moeraswespenorchis, Moerasspirea, Kantig hertshooi, Gevleugeld hertshooi, Gele lis, Moerasrolklaver, Gewone veldbies, Wolfspoot, Grote wederik, Grote kattenstaart, Watermunt, Gewone brunel, Heelblaadjes, Scherpe boterbloem, Kleine ratelaar, Echte koekoeksbloem, Poelruit, Echte valeriaan
geschikt voor locaties in de volle grond
op grotere locaties, inclusief specifiek maaibeheer en ’s winters laten overstaan van kruiden
Wegedoorn en Eenstijlige meidoorn associatie: geschikt voor locaties in de volle grond
De exacte samenstelling van de in te zaaien kruidenmengsels kan -pas- worden vastgesteld als de locaties waar de kruiden worden ingezaaid bekend zijn (schaduwdruk, bomen of struiken in de omgeving, ed.) én als de bodemsamenstelling op die locaties exact is vastgesteld.
6 Niet alle kenmerkende soorten zijn per associatie in tabel 1 weergegeven. De soorten in tabel 7 zijn geselecteerd op basis van hun ecologische en esthetische waarden voor het Stationsgebied Leiden. Dit houdt bijvoorbeeld in dat voor de verschillende associaties kenmerkende grassen niet in tabel 1 zijn opgenomen en ook niet zullen worden ingezaaid.
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
22
5.2
STINZEN
Stinzenplanten zijn een bijzondere verrijking voor een omgeving. In tabel 2 wordt een overzicht gegeven van te gebruiken stinzenplanten. Deze lijst met stinzenplanten vraagt voor aanplant nog wel om een gedegen beplantingsplan. Binnen dit beplantingplan kan nadere invulling worden gegeven aan de relatie tussen de groeiplaats (in de schaduw, in de zon, onder struweel of bomen, in de grasberm, ed.) en het in te brengen stinzenpallet. De vetgedrukte stinzen in tabel 2 zijn het meest geschikt binnen de Leidense situatie. TABEL 2: AUTHENTIEKE KENMERKENDE SOORTEN VAN BUITENPLAATSEN EN PARKEN SOORT WETENSCHAPPELIJKE BLOERIPERIODE KLEUR HOOGTE 7 NAAM IN CM
STANDPLAATS
Gewoon sneeuwklokje
Galanthus nivalis
maart-april
wit
15-20
Oosterse sterhyacint
Scilla siberica
maart-april
wit
15-20
Bostulp
Tulipa sylvestris
april-mei
geel
20-50
Wilde hyacint
Hyacinthoides non-scripta
april-mei
zacht blauw
20-40
bos; bosrand; grasberm
Gewone vogelmelk
Ornithogalum umbellatum
mei-juni
wit groen
10-30
Knikkende vogelmelk
Ornithogalum nutans
april-mei
wit groen
20-50
Holwortel
Corydalis cava/bulbosa
april-mei
zacht paars
20
bos; bosrand; grasberm bos; bosrand; grasberm bos; bosrand
Vingerhelmbloem
Corydalis solida
maart-april
zacht paars
25
bos; bosrand; grasland; berm
Bosanemoon Gele anemoon
Anemone nemorosa Anemone ranunculoides
maart-april maart-mei
wit zacht geel
15 15
bos; bosrand bos; bosrand
Donkere ooievaarsbek
Geranium phaeum
mei-september
paars
45-60
bos; bosrand
5.3
GEVELTUINEN
5.3.1
WILDE KAMPERFOELIE
bos; bosrand; grasland; berm; gazon bos; bosrand; grassland; berm; gazon bos; bosrand
Geveltuinen leveren een belangrijke bijdragen aan de ecologie binnen de stad. Maar ook in relatie tot klimaat zijn ze relevant. En tenslotte zijn groene geveltuinen binnen een versteende stedelijke context ook mooi. Als bloei een belangrijk doel is moeten de geveltuinen op het zuiden zijn gericht en zo veel mogelijk zon krijgen 8.
Wilde kamperfoelie is een soort die met name nachtvlinders aantrekt. Deze onopvallende, maar uitermate soortenrijke groep is van groot belang als voedselbron voor vleermuizen en zangvogels (rupsen). Kamperfoelie kan vooral als geveltuin worden aangebracht.
7 Wetenschappelijke naam naar “The Plant List”: http://www.theplantlist.org/ 8 https://www.gagoed.nl/leiden-krijgt-internationaal-kwaliteitskeurmerk-voor-ecologisch-herstel/
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
23
Figuur 16: Wilde kamperfoelie
Figuur 17: bloeiende klimop als belangrijke najaarse nectar en stuifmeelbron
5.3.2
KLIMOP
5.3.3
OVERIGE SOORTEN
Klimop is een inheemse klimplant die in de natuurlijke situatie via de stammen van bomen tot in het kronendak rijkt. De bloei van klimop is in de nazomer en de herfst van september tot december. Klimop is ook een belangrijke drachtplant. De bloei van klimop valt in de herfst en is, omdat er dan weinig andere planten bloeien, voor vele insecten een rijke bron van nectar en stuifmeel. Ook klimop kan prima als gevelgroen worden toegepast
Naast deze inheemse soorten zijn er ook soorten van buiten Nederland die prima kunnen worden toegepast. Het gaat dan bijvoorbeeld om: • Driedelige wingerd; • Amerikaanse trompetbloem; • Boomwurger;
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
24
• • •
Bruidssluier; Chinese blauweregen; of Japanse blauweregen.
Al deze soorten worden ongeveer 12 tot 15m hoog en kunnen binnen de Nederlandse situatie gezond oud worden. Ook leveren deze soorten nectar en pollen, al zijn er geen inheemse insecten, vlinders of bijen die specifiek aan deze soorten gebonden (dus geen ‘waardplantfunctie’).
5.4
BOOMSOORTENKEUZE
Belangrijk uitgangspunt is dat de aan te planten boom- en struiksoorten binnen de stedelijke context gezond oud kunnen worden, een bijdrage leveren aan het ecologisch functioneren van het stadsbiotoop en esthetisch waardevol zijn. Op basis van de groeiplaatsfactoren (veelal lichte zavel en lichte klei) komt op de locatie van het stationsgebied van nature (dus zonder menselijke invloed = Potentieel Natuurlijke Vegetatie) een EssenIepenbos tot ontwikkeling 9. Tabel 3 toont de boomsoorten die van nature binnen een Essen-Iepenbos voorkomen. De tabel geeft tevens per boom de hoogteklasse en de geschiktheid om te worden aangeplant binnen de stationsomgeving van Leiden. TABEL 3: GESCHIKTHEID BOMENSOORTEN ESSEN-IEPENBOS BINNEN STAIONSGEBIED LEIDEN BOOMSOORT HOOGSTEKLASSE & OPMERKINGEN GESCHIKTHEID Fladder iep
HK2 Nee
Gewone es Gladde iep Kraakwilg
HK1 Nee HK1 Nee HK3 Ja/nee
Spaanse aak
HK2 Ja/nee
Schietwilg Zoete kers
HK1 Nee HK2 Ja/nee
Zomereik
HK 1 Ja/nee
Zomerlinde
HK1 Ja/nee
Zwarte els Zwarte populier
HK2 Ja/nee HK1 Nee
kans op aantasting door iepziekte groot, boom sterft af, maar loopt struikvorming weer uit: geen boomvorm, niet geschikt voor stedelijke omgeving niet duurzaam, zeer gevoelig voor essentaksterfte niet duurzaam, zeer gevoelig voor iepziekte geen binnenstedelijke boom, verdraagt geen verharding, wellicht in clumbs langs singel of in overhoeken geen mooie kroonvorm; veel overlast door zaad (‘vleugeltjes’) dat overal kiemt; wel boom die sterk is last van watermerkziekte, kan niet tegen verharding, geen stadsboom eigenlijk geen stadsboom, licht risico op gomziekte, wel boom die past bij ‘bloeiend’ voorjaar zeer belangrijke boom voor insecten (tot 500 soorten), niet bestand tegen verharding, veel overlast door eikels, waardplant voor possessierups mooie boom, past in stedelijke omgeving, last van honingdauw, alleen op locaties waar geen wegen of paden lopen geen binnenstedelijke boom, verdraagt geen verharding, wellicht langs singel zeer grote boom; eigenlijk geen binnenstedelijke boom waardplant voor eikenprocessierups
Het sortiment te gebruiken PNV-boomsoorten is dus beperkt. Uiteindelijk zijn zes boomsoorten -min of meergeschikt. En daarbij is het gebruik van een aantal van deze boomsoorten binnen een woonomgeving niet ideaal. Het is dus belangrijk het potentiële bomenbestand uit te breiden.
5.5
UITBREIDING SORTIMENT BOMEN
Bij de selectie van ‘nieuwe’ bomen zijn de volgende randvoorwaarden gehanteerd. Als eerste moeten de bomen een mooie en bijzonder kroonvorm bezitten. Daarnaast moet het natuurlijke verspreidingsgebied zo dicht mogelijk bij Nederland liggen: alle gekozen bomen komen daarom uit Midden- en Zuid-Europa. Ook
9 De bossamenstelling in het Leidse Hout en het Bos van Bosman bevestigd deze aanname
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
25
moeten de geselecteerde bomen verharding rond de stamvoet kunnen verdragen. En tenslotte is een belangrijke pre als de bomen nectar en stuifmeel voor bijen en insecten produceren en/of een bijzondere voor- of najaarsbloem of kleur hebben. Groot voordeel van het gebruik van bomen uit meer zuidelijke streken is dat deze bomen goed zijn ingesteld op hoge temperaturen en langere periodes van droogte. Daardoor past de keuze voor zulke soorten goed bij een klimaatadaptiefontwerp. Het ligt namelijk in de verwachting dat de temperatuur, net als langere periodes zonder neerslag, door de klimaatverandering ook in Nederland in de toekomst zullen toenemen. Dus ook vanuit het ‘meebewegen’ met het veranderende klimaat (klimaatadaptatie), zijn dergelijke bomen een verstandige keuze. Tabel 4 toont de soorten die aan het PNV-pallet kunnen worden toegevoegd. TABEL 4: BOMEN VAN BUITEN NL TOE TE PASSEN IN STATIONSGEBIED LEIDEN BOOMSOORT MAX. OPMERKINGEN HOOGTE/HOOGTEKLASSE Liriodendron tulipifera 'Fastigiatum' Ostrya carpinifolia / Europese hopbeuk
10-15m / 2
Pyrus calleryana ‘Chanticleer’ / Sierpeer
6-8m / 3
Tilia x europe ‘Euchloraea’ / Krimlinde Tilia tomentosa / zilverlinde
15-20m /1 tot 2
Ulmus ‘Lobel’ / Smalkronige stadsiep
15-18m / 1 tot 2
5.6
12-14m / 2
20-25(30)m / 1
zeer smalle kroon (3-5m); goed bestand tegen verharding, bodemvaag, rijke bodem, prachtige herfstkleur eironde kroon; gele herfstkleur; herkomst: Zuid-EU; kalkminnende soort; verdraagt droge grond; verdraagt wind en verharding smalle kroon; prachtige bloei (bijen); prachtige herfst kleur (roodviolet); Midden en Zuid EU; windbestendig; weinig eisend qua grondsoort bodemvaag; goed bestand tegen wind; geen honingdauw; bijzondere nectar boom voor insecten (bloei in juni & juli) brede kroon; drachtplant voor insecten; geen honingdauw; herkomst: Zuidoost EU; gevoelig voor te natte omgeving. voorjaarsbloeier, zeer wind- en zoutbestendig, oranje- tot goudgeel herfstblad; herkomst: cultivar inheemse iep
STRUIKSOORTENKEUZE
Ook bij het bepalen van de struiken die een plek in het Stationsgebied krijgen is gekeken welke soorten van nature op deze locaties zouden verschijnen. Op basis van de standplaatsfactoren is -opnieuw- naar het EssenIepenbos gekeken en naar de Associatie van Wegedoorn en Eenstijlige meidoorn gekeken. Het Verbond van Sleedoorn en Meidoorn (Carpino-Prunion) is te zien als het pioniersstadium van het Essen-Iepenbos. In tabel 5 wordt de complete lijst, inclusief het natuurlijke aandeel en de verwachte eindhoogte, gepresenteerd. De vetgedrukte soorten zijn het meest geschikt om binnen de Leidse context te worden ingezet. TABEL 5: STRUIKSOORTEN OP BASIS VAN DE PNV ESSEN-IEPENBOS & DE ASSOCIATE VAN WEGEDOORN EN EENSTIJLIGE MEIDOORN STRUIKSOORT HOOGTE VOORKOMEN OPMERKING Gelderse roos
4-6m
20%
Hazelaar
6-8m
10%
Sleedoorn
4-6m
10%
Inlandse vogelkers Wilde framboos Aalbes Wilde kardinaalsmuts
8-12m 1-2m 1-2m 3-5m
10% 5% 5% 4%
Klimop
klimplant in boomlaag of in geveltuinen
4%
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
kan gezien de open inrichting in hele plangebied, bloemen worden door bijen bestoven, bessen gegeten door vogels vroege bloei voor insecten, eetbare noten (voor mensen en kleine zoogdieren) zeer vroege bloei, pruimen belangrijk wintervoedsel vogels: rijp na eerste vorst mooie bloei, wordt vaak niet oud, vruchten voor vogels eetbare vruchten (voor mensen en vogels) eetbare vruchten (voor mensen en vogels) door bloemopbouw belangrijk voor insecten met korte tongen aardhommel en de weidehommel, zaden worden gegeten door lijsters, mezen en roodborstjes alleen als groene wanden worden toegevoegd (als metafoor voor de boomlaag) ingericht, belangrijke drachtplant: in de herfst belangrijkste bron van nectar en stuifmeel
Buiting Advies BV
26
Hondsroos
1-3m
Egelantier
2-3m
2% voornamelijk randen 2%
Rode kornoelje Eenstijlige meidoorn
3-4m 4-6+m
2% 2%
Wegedoorn
6-8m
2%, meer randen
kan gezien de open inrichting in hele plangebied, bloemen worden door bijen bestoven, bottels gegeten door vogels; bezit stekels prachtige roze bloei, belangrijk voor bijen, mooie rode bottels in het najaar Mooie bloei, vruchten voor vogels bloemen worden door bijen bestoven; bezit doorns; bessen voer voor vogels kan gezien de open inrichting in hele plangebied, waardplant voor insecten waaronder de wegedoornspanner. Nectar en stuifmeel voor bijen, zweefvliegen en dagvlinders zoals de citroenvlinder; bezit doorns
Anders dan bij de boomsoorten kunnen de van nature voorkomende soorten wel onder stedelijke condities gezond oud worden. Er hoeven dus geen soorten van buiten Nederland te worden gebruikt. Binnen deze begroeiingstypen komt een breed scala aan struiksoorten voor.
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
27
6 DOELSOORTEN Hieronder wordt de dagvlinders, libellen, broedvogels en zoogdieren waarvoor binnen Stationsgebied in Leiden nieuw habitat kan worden ontwikkeld gepresenteerd. Er is daarbij gekozen voor soorten die op dit moment al in de (directe) omgeving aanwezig zijn. Deze soorten vormen de bronpopulaties van waaruit de binnen het stationsgebied ontwikkelende habitat worden gekoloniseerd 10. Daarnaast zijn soorten gekozen die qua habitat aansluiten bij een aantal ‘meeliftende’ soorten. Hierdoor wordt de biodiversiteit verder versterkt.
Figuur 18: Icarusblauwtje
6.1
Figuur 19: Argusvlinder
Figuur 20: Kleine parelmoervlinder
VLINDERS
In de directe omgeving van het plangebied komen populaties van verschillende soorten graslandvlinders voor. Veel van deze soorten staan (nog net) niet op de Rode lijst, maar gaan in ons land wel in aantal achteruit. Twee interessante graslandvlinders zijn het Icarusblauwtje (figuur 18) en de Argusvlinder (figuur 19). Verder wordt de beschermde en zeldzame Kleine parelmoervlinder (figuur 20) een enkele keer binnen Leiden waargenomen. Waarschijnlijk betreffen dit zwervende exemplaren uit de aangrenzende duingebieden. Om deze en andere soorten vlinders een plek in binnen het Stationsgebied Leiden te geven is het van belang gedurende het gehele groeiseizoen voor voldoende nectar en stuifmeel te zorgen. Dat kan door binnen het inrichten van -zo veel mogelijk- bloemrijke vegetaties. Voor de zeldzame Kleine parelmoervlinder is het daarnaast van belang dat er voldoende open plekken tussen de vegetatie aanwezig zijn, zodat de vlinders kunnen opwarmen in de zon. Het op een kleine schaal nabootsen van een duinstrook zou voor de Kleine parelmoervlinder ook zeer aantrekkelijk zijn. Het Icarusblauwtje leeft in bloemrijke graslanden en ruigtes. Deze soort zoekt veel naar nectar waardoor bloei in de periode mei-oktober essentieel is. Eitjes worden vooral gelegd op Gewone rolklaver, Kleine klaver en
10 Als bron is de Nederlandse Database Flora & Fauna (NDFF) gebruikt
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
28
Hopklaver. Deze soorten moeten dan ook zeker in het mengel van het bloemrijke grasland worden opgenomen. Tabel 6 geeft een overzicht van de ontwerpeisen. TABEL 6: EISEN ONTWERPTYPE ICARUSBLAUWTJE FUNCTIE OMSCHRIJVING GROOTTE AANWEZIG OPMERKINGEN EN KANSEN Waardplant
Gewone rolklaver
n.v.t.
nee
Leefgebied
kruidenrijke vegetaties en ruigtes
minimaal 250 m2
nee
opnemen van Gewone rolklaver en Hopklaver in zaadmengsel 3 is noodzakelijk langdurig aanbod van bloeiende inheemse kruiden (nectar). Zandige plekjes om op te warmen en overstaande vegetatie (30%) om rupsen te laten overwinteren
BELEVINGSWAARDE Het Icarusblauwtje komt algemeen in Nederland voor zolang er genoeg kruidenrijke vegetaties aanwezig zijn. De dichtheid kan wel > 100 individuen per ha beslaan. Daar waar Icarusblauwtje voorkomt en de juiste kruiden voorkomen vliegen veel meer soorten dagvlinders en ook veel -bedreigde- wilde bijen. Het gaat om ‘meekoppelsoorten’ zoals, Bruin blauwtje, Hooibeestje, Kleine vuurvlinder en misschien zelfs de zeldzamere Kleine parelmoervlinder of de Argusvlinder. MEELIFTENDE SOORTEN In een landschap met goed ontwikkelde en gevarieerde kruidenrijke/bloemrijk graslanden komen vrijwel alle hierboven genoemde graslandvlinders voor. Daarnaast leeft er een groot scala aan andere insectensoorten voor in deze graslanden. Deze insecten dienen als voedsel voor vrijwel alle (jonge) vogels, vleermuizen en andere insecteneters zoals libellen.
6.2
LIBELLEN
In de directe omgeving van het Stationsgebied Leiden komen verschillende soorten libellen, zoals de Gewone oeverlibel en Steenrode heidelibel, voor. Figuur 21 en 22 tonen beide libellen.
Figuur 21: Gewone oeverlibel
Figuur 22: Steenrode heidelibel
De Gewone oeverlibel is door de gele kleur een opvallen soort. De soort is gebonden aan bloemrijke oevers met veel kleine insecten. Tabel 7 geeft een overzicht van de ontwerpeisen.
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
29
TABEL 7: EISEN ONTWERPTYPE GEWONE OEVERLIBEL FUNCTIE OMSCHRIJVING GROOTTE AANWEZIG OPMERKINGEN EN KANSEN Voortplantingshabitat Foerageergebied
wateren met een spaarzame oeveren watervegetatie Bloemrijke oeverranden
n.v.t.
ja
n.v.t.
ja
beheer in de vorm van gefaseerd schonen van oevers is noodzakelijk om voldoende habitat te behouden het aanbrengen van natuurvriendelijke oevers met kruidenrijke vegetatie op enkele plekken van de singel zou al veel winst opleveren
BELEVINGSWAARDE De Gewone oeverlibel komt vooral voor langs stilstaande of langzaam stromende wateren. De singels in het centrum van Leiden voldoen hieraan. Een bloemrijke oeverrand met af en toe een open plek is zeer geschikt jachtgebied. MEELIFTENDE SOORTEN Het habitat van de Gewone oeverlibel, is ook geschikt als (voortplantings-) habitat voor verschillende amfibieën zoals de poelkikker en gewone pad. Daarnaast staan er op de natuurlijke oevers bloeiende planten. Deze planten zijn een bron van nectar voor hommels, bijen en andere insecten.
Figuur 23: voorbeeld van een natuurlijke oever
Voor deze libellen kan rondom het Stationsgebied Leiden mogelijk op kleine schaal habitat worden ontwikkeld. Dat kan door langs singels bloemrijke oevers te creëren, waar libellen op kleine insecten kunnen jagen.
6.3
VOGELS
Rond het plangebied komen op dit moment veel algemene stadsvogels voor. Los van deze meer algemene soorten (zoals Wilde eend, Koolmees, Merel e.d.) kunnen in de toekomst ook minder algemene soorten en
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
30
wellicht zelfs zeldzame vogelsoorten een plek binnen het plangebied krijgen. Het gaat dan bijvoorbeeld om de doortrekkende en overwinterende Koperwieken of de broedende Zwarte roodstaart.
6.3.1
KOPERWIEK
De Koperwiek (zie figuur 24) is een trekvogel én wintergast in Nederland. Deze vogel is familie van de lijster en is alleen van september tot mei in Nederland waar te nemen. Tijdens de trek vormt de kust een belangrijke trekroute. Daardoor is het goed mogelijk dat het plangebied bij een juiste inrichting gaat functioneren als ‘stopplek’ voor Koperwieken om te foerageren. Dat gebeurt echter alleen als er voldoende struwelen met besdragende heesters aanwezig is (bijvoorbeeld begroeit met Duindoorn, Wilde lijsterbes, Eenstijlige meidoorn (zie figuur 25) of kardinaalsmuts. Deze struiken worden alleen besdragend als ze min of meer in de vollen zon groeien. Tabel 8 geeft een overzicht van de ontwerpeisen.
Figuur 25: Eenstijlige meidoorn bloeit op zonnige locaties uitbundig en levert in het najaar veel bessen voor doortrekkende Koperwieken en andere vogels
Figuur 24: Koperwiek
TABEL 8: EISEN ONTWERPTYPE KOPERWIEK FUNCTIE OMSCHRIJVING GROOTTE AANWEZIG OPMERKINGEN EN KANSEN Foerageergebied Broedgebied
besdragende struiken noodzakelijk n.v.t.
n.v.t.
langs kusstrook als trekvogel n.v.t.
breed aanbod noodzakelijk. Door situering langs de kust is deze soort kansrijk n.v.t.
BELEVINGSWAARDE Bij besdragende struiken is jaarrond wat te beleven. In het voorjaar en de zomer volgt de bloei van de verschillende soorten elkaar op. Vanaf de nazomer tot in de winter zijn de prachtige rode en blauwe bessen te zien. In het voorjaar en de zomer gonst het van de insecten en in het najaar kwetteren, piepen en zingen de vogels je tegemoet. Daarnaast leveren de struiken ook een broed- en schuilplek voor veel soorten zangvogels. Leven (en beleven) alom dus! MEELIFTENDE SOORTEN Een omgeving met veel struwelen is rijk aan insecten en daarmee ook aan soorten die insecten eten, zoals vogels en vleermuizen.
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
31
6.3.2
ZWARTE ROODSTAART
De Zwarte roodstaart (zie figuur 26) is een luidruchtige vogel die binnen Nederlandse steden vrij algemeen voorkomt. Het is een uitgesproken ‘stationsvogel’, die vaak vanaf één van de hoge gebouwen rondom het treinstation zijn zang laat horen. Zwarte roodstaarten broeden in nissen van gebouwen, maar ook in speciale nestelstenen. De vogels zoeken voedsel (insecten) in korte kruidenrijke vegetaties. Aangezien dit prima samengaat met het te vergroenen platte dak en aangezien de Zwarte roodstaart nu al regelmatig binnen Leiden wordt gehoord is dit een geschikte ambassadeursoort.
Figuur 26: Zwarte roodstaart
De Zwarte roodstaart broedt in nissen van gebouwen en komt in Nederland veel voor rondom treinstations. Plekken met grote gebouwen en schrale droge vegetaties zijn favoriet. Tabel 9 geeft een overzicht van de ontwerpeisen. TABEL 9: EISEN ONTWERPTYPE ZWARTE ROODSTAART FUNCTIE OMSCHRIJVING GROOTTE AANWEZIG OPMERKINGEN EN KANSEN Foerageergebied
schrale droge vegetaties
n.v.t.
ja
Broedlocatie
in nissen van gebouwen en speciale nestkasten
n.v.t.
ja
met name een kruidenrijke dak vegetatie met af en toe wat kiezels of stenen is zeer geschikt biotoop. Om de bloei van de kruiden optimaal te benutten is een extensief maaibeheer noodzakelijk (1x per jaar maaien maaien) er zijn speciale nestkasten beschikbaar die ingemetseld kunnen worden in muren. Ook zijn er losse nestkasten verkrijgbaar.
BELEVINGSWAARDE Zwarte roodstaarten zingen vrijwel het hele jaar door vanaf de gebouwen rondom het station. De soort is voor velen mysterieus, je hoort ze zingen, maar waar zitten ze toch. De korte kruidenrijke vegetaties waar de soort in zijn voedsel zoekt moeten rijk zijn aan insecten. MEELIFTENDE SOORTEN Niet alleen Zwarte roodstaarten broeden in nissen. Ook Huismussen, Gierzwaluwen en Spreeuwen profiteren hiervan mee. Op de groene daken liften met name insecten mee, waar vervolgens vogels en vleermuizen van profiteren.
Ecologische input ontwerp Stationsgebied Leiden
Buiting Advies BV
32
6.4
ZOOGDIEREN
De Gewone dwergvleermuis (zie figuur 27) komt ook in de omgeving van plangebied voor. De soort slaapt overdag in holtes in gebouwen zoals spouwmuren of onder dakpannen. Als foerageergebied zijn parken en tuinen waar voldoende insecten aanwezig zijn gewild. Door binnen het plangebied zo veel mogelijk kruidenrijk vegetatie -kruidenrijke vegetaties zorgen voor het verhogen van het insectenaanbod-, afgewisseld met bomen en struiken, te ontwikkelen ontstaat een geschikt jachtgebied.