CConstaterende datLeiden
Koppel je AI →
Document · PDF

210023 Bijlage 3a Verordening fysieke leefomgeving Leiden 2020 na wijziging onderdeel bomen

raadscommissie Leefbaarheid en Bereikbaarheid 27 mei 2021, gemeente LeidenBij agendapunt: Bijlagen bij raadsvoorstel33.182 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

De gegevens omvatten ten minste: a. Een plaatsaanduiding van de betreffende houtopstand; b. Bij vellen uit veiligheid of beheerbaarheid vanwege sterk teruglopende kwaliteit of conditie een afschrift van een recente boomveiligheidscontrole of een boomveiligheidsrapportage , in opdracht van de aanvrager opgesteld door een ETT-er of gelijkwaardig niveau; c. Bij vellen uit oogpunt van waterveiligheid van een waterkering binnen gemeente Leiden een afschrift van een recente gemotiveerde negatieve beoordeling hiervan opgesteld door een daarvoor gecertificeerde partij in opdracht van de beheerder van de waterkering. d. Bij vellen vanwege overlast de afhandeling van de overlastmelding conform de daarvoor vastgestelde beleidsnota ‘Versterken en verbinden van groen in Leiden’, met de bijlage ‘Overlast van bomen?’;

e. Een compensatieplan met beschrijving van de wijze waarop de te verwijderen houtopstand passend wordt gecompenseerd, binnen welke termijn, met welke boomsoort en welke groeiplaatsinrichting, mits het niet betreft het voor de eerste keer knotten of kandelaberen, of een beheermaatregel. Voor deze compensatie gelden de voorschriften zoals benoemd in artikel 3.6.1.12. 4. Het college kan aan de melding voorschriften verbinden die zien op het moment van herplant, de nazorg van de aanplant en de vervanging bij aanplant die niet aanslaat. 5. Het college kan indien de melding niet voldoet aan het in dit artikel gestelde eisen een kapverbod opleggen. Artikel 3.6.1.7 Indienen aanvraag kapvergunning voor waardevolle houtopstand en bij aantasting boomstructuren 1. Een vergunning als bedoeld in artikel 3.6.1.2 en artikel 3.6.1.3 wordt aangevraagd door de rechthebbende of gemachtigde daarvan van de betreffende houtopstand. 2. De aanvrager levert bij de aanvraag in ieder geval de volgende stukken en documenten: a. een kaart waarop de betreffende houtopstand en de huidige situatie zijn aangegeven; b. welk maatschappelijk belang van de aanvrager zwaarder weegt dan het belang van het in stand houden van de houtopstand op grond van de waarden als bedoeld in artikel 2.4.1.1, derde lid; c. welke alternatieven voor het behouden van de houtopstand zijn onderzocht en niet houdbaar zijn bevonden; d.

een afschrift van een recente boomveiligheidscontrole, in opdracht van de aanvrager uitgevoerd door een boomtechnisch deskundige met certificaat als ETT of gelijkwaardig, als de aanvraag is ingediend voor vellen uit veiligheid of beheerbaarheid vanwege sterk teruglopende kwaliteit of conditie, gelet op het belang van het voorkomen van letsel of ernstige schade, of een afschrift van een recente gemotiveerde negatieve beoordeling hiervan opgesteld door een daarvoor gecertificeerde partij in opdracht van de beheerder van de waterkering; e. een Bomen Effect Analyse of gelijkwaardig technisch onderzoek waaruit blijkt dat de bomen niet duurzaam behouden kunnen blijven; f. Een compensatieplan (artikel 3.6.1.12) met voorstel voor duurzame, kwalitatieve compensatie, conform beleid, van de verloren gaande houtopstand, door middel van gelijkwaardige herplant en/of financiële compensatie. De kwaliteit wordt bepaald aan de hand van de mate waarop de herplant bijdraagt aan ecologie, klimaat en beeldkwaliteit. 3. Voor de financiële compensatie van het herplanten van een te vellen houtopstand wordt de rechthebbende daarvan gevraagd om een berekening van de actuele vervangingskosten van de houtopstand aan de aanvraag toe te voegen. Artikel 3.6.1.8 Indienen aanvraag kapvergunning voor bomen en houtopstanden bij (her)ontwikkelingen in (na geplande overdracht) openbaar toegankelijke ruimte 1.

Een vergunning als bedoeld in artikel 3.6.1.4 en artikel 3.6.1.5 wordt aangevraagd door de rechthebbende of gemachtigde van de betreffende houtopstand. 2. De aanvrager levert bij de aanvraag in ieder geval de volgende stukken en documenten: a. een kaart waarop de betreffende houtopstand en de huidige situatie zijn aangegeven, en waarop te zien is waarom de houtopstand moet worden gekapt; b. welk maatschappelijk belang van de aanvrager zwaarder weegt dan het belang van het in stand houden van de houtopstand; c. welke alternatieven voor het behouden van de houtopstand zijn onderzocht en niet houdbaar zijn bevonden; d. een afschrift van een recente boomveiligheidscontrole, in opdracht van de aanvrager uitgevoerd door een boomtechnisch deskundige met certificaat als ETT of gelijkwaardig, als de aanvraag is ingediend voor vellen uit veiligheid of beheerbaarheid vanwege sterk

teruglopende kwaliteit of conditie, gelet op het belang van het voorkomen van letsel of ernstige schade, of een afschrift van een recente gemotiveerde negatieve beoordeling hiervan opgesteld door een daarvoor gecertificeerde partij in opdracht van de beheerder van de waterkering; e. een Bomen Effect Analyse of gelijkwaardig technisch onderzoek waaruit blijkt dat de bomen niet duurzaam behouden kunnen blijven; f. een kwalitatief compensatieplan, conform artikel 3.6.1.12. De kwaliteit wordt bepaald aan de hand van de mate waarop de duurzame herplant bijdraagt aan ecologie, klimaat en beeldkwaliteit. 3. Voor de financiële compensatie van het herplanten van een te vellen houtopstand wordt de rechthebbende daarvan gevraagd om een berekening van de actuele vervangingskosten van de houtopstand aan de aanvraag toe te voegen. Artikel 3.6.1.9 Criteria voor weigering vergunning vellen beschermde houtopstanden 1. Een vergunning wordt geweigerd als de belangen niet opwegen tegen de van toepassing zijnde waarden van de houtopstand als waardevolle boom of als een als zodanig te herkennen boomstructuur, zoals bedoeld in artikel 2.4.1.1 en artikel 2.4.1.2 van deze verordening. 2. Een vergunning kan worden geweigerd als naar boomtechnisch deskundige maatstaven: a. De mogelijkheden en/of alternatieven voor duurzaam behoud niet voldoende gemotiveerd zijn onderzocht; b.

De reden van de aanvraag verband houdt met mogelijke gevaarzetting en dit niet voldoende gemotiveerd wordt aangetoond. c. Het compensatieplan niet voldoende voorziet in een duurzame bijdrage aan ecologie, klimaat en beeldkwaliteit, conform het Beleidskader met afwegingen voor Aanwijzing en bescherming bomen Leiden. Artikel 3.6.1.10 Bijzondere voorschriften bij vergunning en melding; her- en verplanten, storting Bomenfonds 1. Aan de vergunning en bij melding wordt het voorschrift verbonden dat herplant moet plaatsvinden volgens het compensatieplan. Het college geeft bij een vergunningverlening hiervoor een termijn, welke ten laatste in het eerstvolgende plantseizoen is, en aanwijzingen voor de manier waarop de herplant moet plaatsvinden. 2. Indien een plicht tot herplant wordt opgelegd dan dient de vervangende herplant tenminste drie jaar afdoende nazorg te krijgen. Wanneer de herplant niet aanslaat, dient deze binnen een jaar te worden vervangen op de aangegeven manier. Voor elke nieuwe vervanging geldt opnieuw drie jaar nazorg. 3. Als bij een vergunning niet ter plaatse, op hetzelfde perceel of in de nabije omgeving kan worden herplant met bomen van kwalitatief vergelijkbare waarde, wordt als voorschrift opgenomen dat een financiële bijdrage in het Bomenfonds moet worden gestort. Deze bijdrage is gelijk aan de actuele vervangingskosten. 4.

Van het opleggen van een verplantverplichting kan door het college worden afgezien voor bomen met ecologische waarde minder dan 3 of wanneer de kosten van het verplanten hoger zijn dan de actuele vervangingskosten. De compensatieverplichtingen blijft onverminderd van kracht. Artikel 3.6.1.11 Herplant-/instandhoudingsplicht bij vellen zonder vergunning 1. Als een houtopstand zonder vergunning of melding is geveld terwijl daar wel een vergunning of melding voor nodig was, kan het college bij een last onder dwangsom de verplichting opleggen aan de overtreder om te herplanten. De herplant vindt plaats volgens de bij een last onder bestuursdwang aangegeven manier en binnen de aangegeven termijn. Deze verplichting wordt opgelegd aan de rechthebbende van de gevelde houtopstand en/of degene die de houtopstand heeft geveld of heeft laten vellen.

2. Als er niet fysiek kan worden herplant, moeten de actuele vervangingskosten van de gevelde houtopstand, berekend met behulp van de meest actuele richtlijnen van de NVTB door een bij de NVTB aangesloten taxateur van bomen, als financiële bijdrage worden gestort in het Bomenfonds, inclusief de taxatiekosten. 3. Bij de verplichting als bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald dat wanneer de herplant niet aanslaat, dat deze binnen één jaar moet worden vervangen op de aangegeven manier, en dat nazorg geldt conform artikel 3.6.1.10 lid 2. 4. Als het voortbestaan van een als waardevol te beschouwen houtopstand bij (her)ontwikkelingen in (na geplande overdracht) openbaar toegankelijke ruimte wordt bedreigd door menselijk handelen, kan het college aan de rechthebbende van de houtopstand, of aan degene die op een andere manier bevoegd is voorzieningen te treffen, in het kader van de op te leggen last onder bestuursdwang, de verplichting opleggen om: a. De activiteiten die de bedreiging veroorzaken onmiddellijk te stoppen en een onherroepelijk geworden omgevingsvergunning voor de activiteit vellen te hebben, voordat de activiteiten mogen worden voortgezet; b. Volgens de aangegeven manier en binnen de aangegeven termijn voorzieningen te treffen die de bedreiging wegnemen; c.

De activiteiten die de bedreiging veroorzaken onmiddellijk te stoppen en een Bomen Effect Analyse of gelijkwaardig technisch onderzoek op te stellen en aan het college voor te leggen; d. De schade die wordt veroorzaakt aan bomen die eigendom zijn van de gemeente te vergoeden door het bedrag van een boomschade-taxatie, berekend met behulp van de meest actuele richtlijnen van de NVTB door een bij de NVTB aangesloten taxateur van bomen, door overtreder te laten vergoeden door een storting in het Bomenfonds, inclusief de taxatiekosten. Artikel 3.6.1.12 Inhoud compensatieplan 1. Een compensatieplan maakt deel uit van de te verlenen omgevingsvergunning of wordt toegevoegd aan de melding voor het vellen van een houtopstand. 2. In het compensatieplan wordt het volgende bepaald: a. Waar zal worden herplant, op hetzelfde perceel of in de nabije omgeving, aangegeven op een voldoende gedetailleerde kaart; b. Een omschrijving van de te herplanten houtopstand (soortnaam, maatvoering), inclusief een aanduiding van de ecologische waarde daarvan conform de lijst van Register ecologische bomen; c. Een onderbouwing dat de kwalitatieve waarde van de aanplant verbeterd ten opzichte van de te vellen houtopstand, gebaseerd op ecologische waarden, waarde voor klimaatadaptatie, waarde voor een functionele aankleding van de directe leefomgeving; d.

Een omschrijving van de groeiplaats (bovengronds en ondergronds) met onderbouwing dat deze groeiplaats van voldoende kwalitatieve waarde is om de te herplanten houtopstand, conform het gestelde wenselijke eindbeeld ter plaatse, duurzaam te handhaven; e. Een beheerplan voor de eerste drie jaren, gerekend vanaf de aanplant, waarin onder andere de termijn voor de eerste aanplant, inboetperioden, aanwijzingen voor plantgatvoorbereiding, verzorging- en groeibevorderende maatregelen, welk plantmateriaal, welke soort, de stamomtrek en het aantal is opgenomen; f. Indien sprake is van kap van 30 procent of meer van een als eenheid te herkennen structuur, de wijze waarop fasering van de kap en herplant over meerdere groeiseizoenen zal worden toegepast. Artikel 3.6.1.13 Bestrijding iepziekte en andere boomziekten

1. Als op een erf of terrein één of meer iepen zich bevinden die volgens het college gevaar opleveren voor het verspreiden van de iepziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkever, is de rechthebbende die daarvoor door het college is aangeschreven verplicht binnen de daarvoor gegeven termijn: a. De iepen te vellen als deze in de grond staan; b. De iepen ter plaatse te ontschorsen en de schors te vernietigen, of; c. De niet ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of te behandelen zodat de verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen. 2. Het is niet toegestaan gevelde iepen of delen daarvan te hebben of te vervoeren, met uitzondering van geheel ontschorst iepenhout en op iepenhout met een doorsnede van minder dan 4 centimeter. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het tweede lid. Paragraaf 3.6.1 Vellen van houtopstanden Artikel 3.6.1.1 Mededelingsplicht rechthebbende beschermde houtopstand (Bomenverordening) De rechthebbende van een beschermde houtopstand op de Groene Kaart stelt het college schriftelijk op de hoogte als: a. de beschermde houtopstand geheel of gedeeltelijk verloren is gegaan, met uitzondering van wanneer voor het vellen een vergunning is verleend; b. de beschermde houtopstand dreigt geheel of gedeeltelijk verloren te gaan. Artikel 3.6.1.2 Kapverbod voor beschermde solitaire houtopstand (Bomenverordening) 1.

Het is niet toegestaan om zonder vergunning van het college een beschermde solitaire houtopstand te vellen of te doen vellen. 2. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor een beschermde solitaire houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een last onder bestuursdwang of onder dwangsom van het college. De bepalingen in deze verordening over herplant en schadevergoeding blijven daarbij van kracht. Artikel 3.6.1.3 Kapverbod voor houtopstand binnen beschermde boomstructuur, boomgebied en voorbomen in de openbare ruimte met een stamomtrek van 45 centimeter of meer, gemeten op 130 cm (Bomenverordening) 1. Het is niet toegestaan om zonder vergunning van het college een houtopstand te vellen of te doen vellen die op de Groene Kaart is opgenomen in een beschermde boomstructuur of boomgebied. 2. Het is niet toegestaan zonder vergunning van het college een boom in de openbare ruimte te vellen die niet op de Groene Kaart is opgenomen, als deze op een hoogte van 130 centimeter boven het maaiveld een stamomtrek heeft van ten minste 45 centimeter. 3. De verboden als bedoeld in het eerste en tweede lid gelden niet voor: a. een houtopstand binnen beschermde boomstructuren of boomgebieden als deze op een hoogte van 130 centimeter boven het maaiveld een stamomtrek heeft van minder dan 30 centimeter; b.

een houtopstand binnen beschermde boomstructuren of gebieden die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een last onder bestuursdwang of onder dwangsom van het college. De herplantplicht als bedoeld in artikel 3.85 blijft hierbij van toepassing.

Artikel 3.6.1.4 Indienen aanvraag kapvergunning voor een beschermde houtopstand en voor een boom in de openbare ruimte met een stamomtrek van 45 centimeter of meer (Bomenverordening) 1. Een vergunning als bedoeld in artikel 3.6.1.2 en 3.6.1.3 wordt aangevraagd door de rechthebbende van de betreffende houtopstand. 2. De aanvrager levert bij de aanvraag in ieder geval de volgende stukken en documenten: a. een kaart waarop de betreffende houtopstand en de huidige situatie zijn aangegeven, en waarop te zien is waarom de houtopstand moet worden gekapt; b. welk maatschappelijk belang van de aanvrager zwaarder weegt dan het belang van het in stand houden van de houtopstand; c. welke alternatieven voor het behouden van de houtopstand zijn onderzocht; d. de gegevens uit het register bij de Groene Kaart als het een beschermde houtopstand betreft. 3. De aanvrager kan worden gevraagd de volgende stukken te leveren: a. een boomwaardebepaling; b. een boomveiligheidscontrole (VTA). 4. Als de aanvraag is ingediend omdat de houtopstand wordt verondersteld minder stabiel en/of vitaal te zijn, moet de aanvraag worden voorzien van een rapportage door een boomdeskundige dat aantoont waarom dit het vellen rechtvaardigt. 5.

Als de aanvraag wordt ingediend omdat in de buurt van beschermde houtopstanden werkzaamheden in het kader van een bouw-, renovatie- of aanlegproject gaan plaatsvinden, moet de aanvraag worden voorzien van een Bomen Effect Analyse. 6. Als de aanvraag wordt ingediend in verband met een bouw-, renovatie- of aanlegproject, moet de aanvraag worden voorzien van een compensatieplan. 7. Als voor het herplanten van een houtopstand die wordt geveld financiële compensatie nodig is, wordt de rechthebbende daarvan gevraagd om een berekening van de boomwaarde van de houtopstand aan de aanvraag toe te voegen. Artikel 3.6.1.5 Criteria voor vergunningverlening vellen beschermde houtopstanden en bomen in de openbare ruimte met een stamomtrek van 45 centimeter of meer (Bomenverordening) 1. Er kunnen voorschriften worden verbonden aan een verleende vergunning. 2. Een vergunning voor het vellen kan worden verleend als aan een of meer van de volgende criteria wordt voldaan: a. Er zijn alternatieven met betrekking tot behoud onderzocht en er is gebleken dat er geen alternatieven zijn anders dan het vellen van de houtopstand; b. Het maatschappelijk belang van de aanvrager weegt zwaarder dan: i. De aanduiding in het register waarom de beschermde houtopstand op de Groene Kaart is opgenomen; ii.

De waarde of waarden die zijn toegekend aan de boom in de openbare ruimte met een stamomtrek van ten minste 45 centimeter, gemeten op 130 centimeter boven het maaiveld. c. De instandhouding van de houtopstand volgens boomdeskundige maatstaven niet langer verantwoord is, gelet op het belang van het voorkomen van letsel of ernstige schade;

d. Als blijkt dat er sprake is van overlast op grond van de daarvoor vastgestelde beleidsnota ‘Versterken en verbinden van groen in Leiden’, met de bijlage ‘Overlast van bomen?’. Artikel 3.6.1.6 Criteria voor weigering vergunning vellen houtopstanden binnen aangewezen boomstructuren en boomgebieden en voor bomen die zich bevinden in de openbare ruimte met een stamomtrek van 45 centimeter of meer (Bomenverordening) 1. Een vergunning wordt geweigerd als: a. De belangen niet opwegen tegen de aanduiding in het register waarom de houtopstand op de Groene Kaart is opgenomen; b. Voor bomen in de openbare ruimte met een stamomtrek van ten minste 45 centimeter, gemeten op 130 centimeter boven het maaiveld: als de belangen niet opwegen tegen de waarden als bedoeld in artikel 2.4.1.2, vierde lid. 2. Een vergunning kan worden geweigerd als naar boomdeskundige maatstaven: a. De mogelijkheden en/of alternatieven voor behoud niet voldoende gemotiveerd zijn onderzocht; b. De reden van de aanvraag verband houdt met mogelijke gevaarzetting en dit niet voldoende gemotiveerd wordt aangetoond. Artikel 3.6.1.7 Bijzondere vergunningvoorschriften; herplanten, storting Bomenfonds (Bomenverordening) 1. Aan de vergunning kan het voorschrift worden verbonden dat herplant moet plaatsvinden. Het college geeft hiervoor een termijn en aanwijzingen voor de manier waarop. 2.

Als niet ter plaatse, op hetzelfde perceel of in de nabije omgeving kan worden herplant met bomen van vergelijkbare waarde, kan als voorschrift worden opgenomen dat een financiële bijdrage in het Bomenfonds moet worden gestort. Deze bijdrage is gelijk aan de boomwaarde zoals genoemd in de boomwaardebepaling. 3. In het voorschrift als bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald dat wanneer de herplant niet aanslaat, dat deze binnen één jaar moet worden vervangen op de aangegeven manier. 4. Als de aanvraag wordt gedaan vanwege een bouwplan, werken of werkzaamheden die betrekking hebben op beschermde houtopstanden, of daar vlakbij plaatsvinden, kunnen aan de vergunning voorschriften worden verbonden met de verplichting om: a. een boombeschermingsplan op te stellen en ter vaststelling aan het college voor te leggen, en; b. bij de uitvoering van de vergunning het vastgestelde boombeschermingsplan na te leven. 5. Verder kunnen de volgende voorschriften aan de vergunning worden verbonden: a. een verbod om een houtopstand te vellen binnen een bepaalde periode vanwege een vaste rust- en verblijfplaats van een diersoort die volgens de Wet natuurbescherming beschermd is; b. de verplichting om een natuurtoets op te stellen over de mogelijke effecten op beschermde flora en fauna; c.

de verplichting om maatregelen te nemen om flora- en fauna die in en rond de houtopstand voorkomt te beschermen; d. aanwijzingen om nabijgelegen houtopstanden te beschermen.

Artikel 3.6.1.8 Behandeling afvoeren beschermde houtopstand van de Groene Kaart (nadere regels Bomenverordening) 1. Nadat de rechthebbende of de vergunninghouder een schriftelijke melding heeft gedaan van de datum van het feitelijk vellen van een beschermde houtopstand waarvoor de omgevingsvergunning onherroepelijk was, wordt de houtopstand doorgehaald op de Groene Kaart en in het bijbehorende register bij de jaarlijkse herziening. 2. Het doorhalen gebeurt pas als blijkt dat de voorschriften en beperkingen in de vergunning volledig zijn nagekomen. 3. Een beschermde houtopstand die door illegale handelingen of mechanische kracht verloren is gegaan, wordt pas doorgehaald op de Groene Kaart en in het bijbehorende register, als de handhavingsbesluiten en -maatregelen die betrekking hebben op het verloren gaan van de houtopstand volledig en onherroepelijk zijn uitgevoerd. Artikel 3.6.1.9 Herplant-/instandhoudingsplicht bij vellen zonder vergunning (Bomenverordening) 1. Als een houtopstand zonder vergunning is geveld terwijl daar wel een vergunning voor nodig was, kan het college bij een last onder bestuursdwang of onder dwangsom de verplichting opleggen aan de overtreder om te herplanten. De herplant vindt plaats volgens de bij een last onder bestuursdwang of onder dwangsom aangegeven manier en binnen de aangegeven termijn.

Deze verplichting wordt opgelegd aan de rechthebbende van de gevelde houtopstand en/of degene die de houtopstand heeft geveld of heeft laten vellen. 2. Als er niet fysiek kan worden herplant, moet de boomwaarde van de gevelde houtopstand als financiële bijdrage worden gestort in het Bomenfonds. 3. Bij de verplichting als bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald dat wanneer de herplant niet aanslaat, dat deze binnen één jaar moet worden vervangen op de aangegeven manier. 4. Als het voortbestaan van een beschermde houtopstand wordt bedreigd door menselijk handelen, kan het college aan de rechthebbende van de houtopstand, of aan degene die op een andere manier bevoegd is voorzieningen te treffen, in het kader van de op te leggen last onder bestuursdwang of last onder dwangsom, de verplichting opleggen om: a. De activiteiten die de bedreiging veroorzaken onmiddellijk te stoppen en een onherroepelijk geworden omgevingsvergunning voor het kappen te hebben, voordat de activiteiten mogen worden voortgezet; b. Volgens de aangegeven manier en binnen de aangegeven termijn voorzieningen te treffen die de bedreiging wegnemen; c. De activiteiten die de bedreiging veroorzaken onmiddellijk te stopen en een Bomen Effect Analyse op te stellen en aan het college voor te leggen; d.

De schade die wordt veroorzaakt aan bomen die eigendom zijn van de gemeente te vergoeden door het bedrag van een boomschade taxatie door overtreder te laten vergoeden door een storting in het Bomenfonds. Artikel 3.6.1.10 Inhoud compensatieplan (nadere regels Bomenverordening) 1. Een compensatieplan maakt deel uit van de te verlenen omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand, nadat het college het heeft goedgekeurd. 2. In het compensatieplan wordt het volgende bepaald:

a. Waar zal worden herplant, op hetzelfde perceel of in de nabije omgeving, aangegeven op een voldoende gedetailleerde kaart, of met x- en y-coördinaten; b. Een omschrijving van de te herplanten houtopstand (soortnaam, maatvoering) en groeiplaats (bovengronds en ondergronds); c. Een onderbouwing dat de waarde van de aanplant in verhouding staat tot die van de te vellen houtopstand; d. Een beheerplan voor de eerste drie jaren, gerekend vanaf de aanplant, waarin onder andere de termijn voor de eerste aanplant, inboetperioden, aanwijzingen voor plantgatvoorbereiding, verzorging- en groeibevorderende maatregelen, welk plantmateriaal, welke soort, de stamomtrek en het aantal is opgenomen. Artikel 3.6.1.11 Bestrijding iepziekte en andere boomziekten (Bomenverordening) 1. Als op een erf of terrein één of meer iepen zich bevinden die volgens het college gevaar opleveren voor het verspreiden van de iepziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkever, is de rechthebbende die daarvoor door het college is aangeschreven verplicht binnen de daarvoor gegeven termijn: a. De iepen te vellen als deze in de grond staan; b. De iepen ter plaatse te ontschorsen en de schors te vernietigen, of; c. De niet ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of te behandelen zodat de verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen. 2.

Het is niet toegestaan gevelde iepen of delen daarvan te hebben of te vervoeren, met uitzondering van geheel ontschorst iepenhout en op iepenhout met een doorsnede van minder dan 4 centimeter. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het tweede lid. Paragraaf 3.6.2 Dieren Artikel 3.6.2.1 Loslopende honden (APV) 1. De eigenaar of houder van een hond mag deze niet laten verblijven of laten lopen: a. op een voor het publiek toegankelijke en duidelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide, of op een andere door het college aangewezen plaats; b. zonder dat die hond is aangelijnd; c. op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3. Het eerste lid, aanhef en onder a en b, is niet van toepassing op de eigenaar of houder die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of een sociale hulphond lat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. Artikel 3.6.2.2 Bijen (APV) 1. Het is niet toegestaan bijen te houden: a. binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waarin overdag mensen verblijven. b. binnen een afstand van 30 meter van de weg.

2. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid. 3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Afdeling 3.7 Activiteiten met betrekking tot bodem en ondergrond Paragraaf 3.7.1 Algemene bepalingen met betrekking tot bodem en ondergrond Artikel 3.7.1.1 Handboek Leidingen (Leidingenverordening) Het college stelt ter uitvoering van deze verordening een Handboek Leidingen vast, waarin onder meer bepalingen zijn opgenomen met betrekking tot de aanleg, het houden, het wijzigen en het verwijderen van kabels en leidingen. Paragraaf 3.7.2 Leidingen Artikel 3.7.2.1 Verbodsbepaling (Leidingenverordening) 1. Het is niet toegestaan om zonder of in afwijking van een vergunning, in, op of boven de openbare ruimte, leidingen: a. aan te leggen; b. te houden; c. te onderhouden; d. te verwijderen. 2. Het is niet toegestaan om zonder of in afwijking van een vergunning, in of op infrastructurele voorzieningen, leidingen: a. aan te leggen; b. te houden; c. te onderhouden; d. te verwijderen. 3.

Het is niet toegestaan om zonder of in afwijking van een vergunning bestaande leidingen: a. te wijzigen; b. te verplaatsen; c. een andere functie te geven dan in de vergunning is omschreven. Artikel 3.7.2.2 Aanvragen vergunning (Leidingenverordening) 1. Het college verleent een vergunning op aanvraag aan de leidingexploitant, nadat is gebleken dat wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze verordening. 2. De aanvraag om een vergunning wordt digitaal ingediend bij het college door middel van een daartoe vastgesteld formulier dat is gepubliceerd op de website van de gemeente Leiden. 3. Het college stelt in het Handboek Leidingen vast welke gegevens en documenten nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag. 4. In het geval van reparaties en het maken van huisaansluitingen met een maximale lengte van 25 meter in de openbare ruimte geldt een verkorte procedure. Het college verleent toestemming voor de beoogde werkzaamheden als de leidingexploitant ten minste twee werkdagen voorafgaand aan de werkzaamheden daarvan digitaal een melding heeft gedaan

op de manier die door het college is vastgesteld. Het college kan voorwaarden stellen aan de toestemming. Artikel 3.7.2.5 tweede lid, is hierbij van overeenkomstige toepassing. 5. Het vierde lid is niet van toepassing op hoogspanningskabels van meer dan 380 Volt en leidingen ten behoeve van stadsverwarming. 6. Bij storingen, waarvoor uitstel van de reparatie niet mogelijk is, of wanneer de storing buiten de normale werktijden plaatsvindt, wordt de digitale melding als bedoeld in het vierde lid, gedaan binnen een week na aanvang van de reparatiewerkzaamheden. Artikel 3.7.2.3 Naleven vergunningvoorschriften (Leidingenverordening) 1. Een vergunning die is verleend voor een leiding geldt alleen voor die leiding. De leidingexploitant zorgt ervoor dat de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden worden nageleefd. 2. Als de leiding waarvoor een vergunning is verleend wordt overgedragen, of als de leidingexploitant in een andere rechtsvorm wordt omgezet, melden de oude en de nieuwe leidingexploitant, respectievelijk de nieuwe rechtspersoon, dit direct schriftelijk aan het college. 3. Het college kan in afwijking van het eerste en tweede lid in de vergunning bepalen dat de vergunning alleen geldt voor de leidingexploitant. 4.

Een vergunning die is verleend op grond van deze paragraaf geldt, voor zover van toepassing ook als een vergunning op basis van artikel 3.4.4.2 van deze verordening. Artikel 3.7.2.4 Beslistermijn (Leidingenverordening) 1. Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. 2. De termijn als bedoeld in het eerste lid kan met acht weken worden verlengd. 3. Het college houdt een beslissing op de aanvraag om een leidingvergunning aan als er op grond van artikel 3.4.4.2 van deze verordening ook een omgevingsvergunning nodig is voor het aanleggen, verplaatsen of verwijderen van de leiding, en er verder geen andere redenen zijn om de aanvraag om een leidingvergunning te weigeren. Dit geldt niet als de omgevingsvergunning is verleend en er zes weken zijn verstreken waarbinnen geen bezwaar is aangetekend, of als er een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend en op dat verzoek is beslist. 4. De vergunning wordt in ieder geval niet verleend als niet wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze verordening. Artikel 3.7.2.5 Vergunningvoorschriften (Leidingenverordening) 1. Het college kan aan de vergunning voorschriften en beperkingen verbinden met inachtneming van het Handboek Leidingen. 2. De voorschriften en beperkingen als bedoeld in het eerste lid hebben betrekking op: a. de bescherming van de openbare orde; b. de bescherming van de bodem; c.

het voorkomen van gevaar, schade of hinder; d. de verkeersveiligheid en goede doorstroming van het verkeer; e. het verschaffen van nadere informatie; f. de afstemming met andere werken;

g. de verzekering van de toestand waarin het tracé na voltooiing van het werk moet worden opgeleverd; h. het bepalen van het tijdstip waarop de feitelijke werkzaamheden aan de leiding mogen of moeten beginnen; i. de vaststelling van het in te dienen werkplan en de termijn waarbinnen het plan moet zijn ingediend; j. het tijdschema voor de aanleg, wijziging of verwijdering van de leiding; k. de voorwaarden waaronder afwijken van het werkplan of het tijdschema is toegestaan; l. het tracé waar de leiding moet worden gelegd en gehouden. 3. Het college kan met het oog op de belangen als bedoeld in het tweede lid een verleende vergunning wijzigen. Artikel 3.7.2.6 Wijzigings- en intrekkingsgronden (Leidingenverordening) Het college kan, onverminderd het bepaalde in artikel 3.7.2.5, derde lid, de vergunning wijzigen of intrekken als: a. de leidingexploitant niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de vergunning met de werkzaamheden is begonnen zoals die zijn omschreven in de vergunning; b. de leidingexploitant de exploitatie en het onderhoud van de leiding gedurende een aaneengesloten periode van ten minste zes maanden staakt, of de leiding op een andere manier gedurende een periode van ten minste zes maanden niet in gebruik is; c. blijkt dat de vergunning is verleend op basis van onjuiste of onvolledige gegevens; d.

de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is verleend; e. het bij of krachtens deze verordening bepaalde niet wordt nageleefd door de leidingexploitant; f. de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden niet worden nageleefd door de leidingexploitant; g. dit noodzakelijk is vanwege de uitvoering van werken. Artikel 3.7.2.7 Intrekken vergunning (Leidingenverordening) 1. Het college trekt de vergunning in als de leidingexploitant schriftelijk aan het college verklaart geen gebruik meer te willen maken van de vergunning. 2. Degene die een verklaring als bedoeld in het eerste lid afgeeft, wordt gedurende de tijd dat de leiding na opzegging in de openbare ruimte aanwezig is, beschouwd als leidingexploitant, tenzij de leiding is overgedragen of wordt geëxploiteerd of beheerd door een andere persoon. In dat geval wordt de laatstgenoemde persoon als leidingexploitant beschouwd. 3.

In afwijking van het tweede lid wordt in het geval van een persoonsgebonden vergunning als bedoeld in artikel 3.7.2.3, derde lid, de vergunninghouder als leidingexploitant beschouwd, tot aan het moment dat hij schriftelijk aan het college verklaart geen gebruik meer te willen maken van de vergunning en de exploitatie van de leiding staakt, of de leiding waar de vergunning betrekking op heeft in eigendom overdraagt en hij daarvan bij het college schriftelijk melding heeft gedaan, met dien verstande dat hij het bewijs van de overdracht kan leveren.

Artikel 3.7.2.8 De aanleg (Leidingenverordening) 1. Het college kan de leidingexploitant verplichten binnen een vast te stellen termijn na het verlenen van de vergunning, en voor de beoogde aanvang van de feitelijke werkzaamheden voor de aanleg, wijziging of verwijdering van de leiding, bij het college documenten in te dienen zoals aangegeven in het Handboek Leidingen. 2. De leidingexploitant voltooit de werkzaamheden met betrekking tot de aanleg, wijziging of verwijdering binnen zes maanden na aanvang van de werkzaamheden, tenzij in de vergunning anders is bepaald. Artikel 3.7.2.9 Oplevering (Leidingenverordening) 1. De leidingexploitant zorgt ervoor dat het leidingtracé na afloop van het werk wordt opgeleverd in de oorspronkelijke, dan wel in de staat die in de vergunning is omschreven. 2. Als door de leidingexploitant werkzaamheden aan leidingen in de openbare ruimte worden uitgevoerd, brengt het college de kosten in rekening bij de leidingexploitant voor het herstel, beheer, onderhoud en degeneratie van die openbare ruimte die het rechtstreekse gevolg zijn van de uitgevoerde werkzaamheden, volgens het Besluit vaststelling tarieven voor schade veroorzaakt door ingravingen in verhardingen gemeente Leiden. Artikel 3.7.2.10 Ondergrondse obstakels (Leidingenverordening) 1.

De leidingexploitant meldt het direct aan het college als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden ondergrondse obstakels worden gevonden. 2. Het college kan bij gebleken ondergrondse obstakels in of nabij het tracé van de leiding aan de leidingexploitant maatregelen opdragen ter bescherming van de belangen waartoe deze verordening strekt en opschorting van de werkzaamheden gelasten. De kosten van de te nemen maatregelen zijn voor rekening van de vergunninghouder. 3. De opschorting als bedoeld in het tweede lid wordt pas gelast als: a. is gebleken dat er geen uitvoering is gegeven aan de maatregelen die door het college aan de leidingexploitant zijn opgedragen, of; b. naar het oordeel van het college de maatregelen als bedoeld onder a niet mogelijk zijn. Artikel 3.7.2.11 Ter beschikking stellen tekeningen (Leidingenverordening) Het college kan de leidingexploitant verplichten na de voltooiing van het werk tekeningen kosteloos aan het college ter beschikking te stellen waaruit de feitelijke situatie na de uitvoering van de werkzaamheden blijkt. Artikel 3.7.2.12 Verontreiniging, gevaar en hinder (Leidingenverordening) De leidingexploitant is verplicht om verontreiniging, gevaar of hinder, dan wel storingen waarbij verontreiniging, gevaar of hinder kunnen optreden onmiddellijk te melden aan het college. Artikel 3.7.2.13 Verwijderen van leidingen (Leidingenverordening) 1.

De leidingexploitant is verplicht de leidingen te verwijderen binnen een door het college te bepalen termijn na het verlopen, opzeggen of geheel of gedeeltelijk intrekken van de vergunning.

2. De artikelen 3.7.2.1, 3.7.2.8, 3.7.2.9, 3.7.2.10 en 3.7.2.11 zijn van overeenkomstige toepassing op de verwijderingen als bedoeld in het eerste lid. Paragraaf 3.7.3 Rioleringen Artikel 3.7.3.1 De aanvraag voor een aansluiting (Rioolverordening) 1. Een nieuwe aansluiting of een wijziging van een bestaande aansluiting moet bij de gemeente worden aangevraagd door de rechthebbende van het betreffende perceel. 2. Als er werkzaamheden in de openbare weg nodig zijn bij de uitvoering van de aanleg of wijziging van de aansluiting van het particulier riool op de openbare riolering, of bij de verwijdering van een bestaande aansluiting als bedoeld in artikel 3.7.3.2, worden deze alleen door of namens de gemeente uitgevoerd. De kosten daarvan zijn op basis van de werkelijke kosten geheel voor rekening van de rechthebbende. 3. De uitvoering van de aanleg of wijziging van de aansluiting door of namens de gemeente vindt alleen plaats als het aan te sluiten riool tot aan het aansluitpunt aanwezig is, en als het voldoet aan de daaraan te stellen eisen. 4. De datum en de voorlopig begrote kosten van de aanleg of wijziging van de aansluiting worden zo snel mogelijk na het ontvangen van de aanvraag vastgesteld en aan de rechthebbende meegedeeld. Bij het vaststellen van het tijdstip voor de uitvoering wordt zo veel mogelijk met de wensen van de rechthebbende rekening gehouden. 5.

Pas als de voorlopig begrote kosten door de rechthebbende aan de gemeente zijn betaald en door de gemeente zijn ontvangen, gaat de gemeente de feitelijke werkzaamheden uitvoeren. 6. Als de werkzaamheden zijn uitgevoerd worden de werkelijke kosten daarvan vastgesteld in een definitieve afrekening. Deze worden verrekend met de voorlopig begrote kosten die door de rechthebbende zijn betaald. Artikel 3.7.3.2 (Sloop)werkzaamheden, verwijdering aansluiting (Rioolverordening) 1. Bij sloopwerkzaamheden of andere werkzaamheden op een perceel dat op het openbare riool is aangesloten, moet de rechthebbende voorzieningen treffen aan de particuliere afvoerleiding zodat verzanding van het openbare riool en de perceelaansluitleiding wordt voorkomen. 2. De gemeente heeft de bevoegdheid de aansluiting op het openbare riool af te sluiten als de rechthebbende niet voldoet aan de zorgplicht als bedoeld in het eerste lid. De kosten daarvan zijn voor rekening van de rechthebbende. 3. De rechthebbende is verplicht de gemeente op de hoogte te stellen als het gebruik van de perceelaansluitleiding definitief wordt beëindigd. 4. De gemeente verwijdert de aansluiting als het gebruik van een aansluiting van een particulier riool op de openbare riolering definitief wordt en/of is beëindigd. De kosten daarvan zijn voor rekening van de rechthebbende. Artikel 3.7.3.3 Storingen (Rioolverordening) 1.

Bij een verstopping, lekkage of een andere storing in de particuliere afvoerleiding onderzoekt de rechthebbende of de gebruiker of het gaat om een storing in de particuliere afvoerleiding (terreinleiding) of in de perceelaansluitleiding. Aan de perceelaansluitleiding mogen onder geen enkele voorwaarde werkzaamheden worden uitgevoerd zonder voorafgaande toestemming van de gemeente.

2. Als uit het onderzoek bedoeld in het eerste lid blijkt dat er sprake is van een verstopping of storing in de perceelaansluitleiding, of van een verstopping of storing als gevolg van inspoeling vanuit het openbare riool, neem de rechthebbende of de gebruiker met de gemeente contact op voor het verrichten van de noodzakelijke werkzaamheden. De ontstoppingsvoorziening moet worden vrijgehouden totdat deze werkzaamheden zijn verricht. Als de rechthebbende of de gebruiker zelf aan een derde de opdracht geeft om werkzaamheden te verrichten, zonder dat de gemeente voorafgaand toestemming heeft gegeven, komen de kosten daarvan voor rekening van de rechthebbende of de gebruiker. 3. Als uit het onderzoek bedoeld in het eerste lid blijkt dat er sprake is van een verstopping, lekkage, breuk of storing in de particuliere afvoerleiding moet de rechthebbende of de gebruiker deze zelf verhelpen. De kosten daarvan zijn voor de rechthebbende of de gebruiker. 4. Als er sprake is van een verstopping of storing als bedoeld in het tweede lid, moet de rechthebbende of de gebruiker, voordat de gemeente met de werkzaamheden start, schriftelijk akkoord gaan met de voorwaarde dat de kosten van die werkzaamheden aan de rechthebbende of de gebruiker in rekening worden gebracht als blijkt dat deze kosten voor de rechthebbende of de gebruiker zijn.

Hoofdstuk 4 Beheer en onderhoud Afdeling 4.1 Groen Paragraaf 4.1.1 Activiteiten bij of aan bomen Artikel 4.1.1.1 Toegelaten activiteiten aan bomen Activiteiten aan bomen zijn toegestaan als deze geen afbreuk doen aan de doelstellingen zoals bedoeld in artikel 1.3 van deze verordening of als instandhouding niet verantwoord is vanwege kans op letsel of schade aan personen of goederen. Tot deze activiteiten behoren: a. activiteiten die betrekking hebben op bestendig beheer, conform de actuele versie van het Handboek Bomen van het Norminstituut Bomen, en b. activiteiten in het kader van de Plantenziektewet. Artikel 4.1.1.2 kabel en/of leidingwerkzaamheden in de nabijheid van bomen 1. Bij kabel en/of leidingwerkzaamheden in de nabijheid van bomen wordt de minimale graafafstand tot stabiliteitskluit conform de actuele versie van het Handboek Bomen van het Norminstituut Bomen in acht genomen; 2. De schade aan bomen wordt achteraf vastgesteld op basis van de meest actuele richtlijnen van de NVTB (Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen). De aansprakelijkheidsstelling voor de schade vindt plaats conform het civiele aansprakelijkheidsrecht. Het totale schadebedrag wordt opgebouwd uit de getaxeerde schade inclusief taxatiekosten, beredderingskosten en overige bijkomende kosten zoals voor verhalen van schade. Artikel 4.1.1.3 activiteiten in de nabijheid van bomen 1.

Indien in de nabijheid van houtopstanden werkzaamheden gaan plaatsvinden die duurzaam behoud van de houtopstand nadelig kunnen beïnvloeden, is de uitvoerder verplicht van de werkzaamheden een Boom Effect Analyse (standaard beoordeling van de gevolgen voor houtopstanden bij voorgenomen bouw-, aanleg-, of herinrichtingsprojecten) op te stellen voorafgaand aan de werkzaamheden en de daaruit voortvloeiende maatregelen met betrekking tot bescherming van de houtopstand op te volgen.

2. Bij de uitvoer van de werkzaamheden dienen de richtlijnen van de actuele versie van het Handboek Bomen van het Norminstituut Bomen in acht genomen te worden. 3. Bij aangerichte schade ten gevolge van de aanleg, instandhouding en opruiming van werkzaamheden in de nabijheid van bomen, laat gemeente Leiden het herstel verrichten door een door de gemeente geselecteerde aannemer. De marktconforme kosten worden aan de uitvoerder doorberekend. De uitvoerder wordt hiervan vooraf (schriftelijk of per mail) op de hoogte gebracht door de gemeente Leiden; 4. De schade aan bomen wordt achteraf vastgesteld op basis van de Richtlijnen NVTB (Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen). De aansprakelijkheidsstelling voor de schade vindt plaats conform het civiele aansprakelijkheidsrecht. Het totale schadebedrag wordt opgebouwd uit de getaxeerde schade inclusief taxatiekosten, beredderingskosten en overige bijkomende kosten zoals voor verhalen van schade. Paragraaf 4.1.1 Uitvoeren boomveiligheidscontrole Artikel 4.1.1.1 Programma boomveiligheidscontrole (nadere regels Bomenverordening) 1. Het college stelt een programma boomveiligheidscontrole vast. 2. Het programma betreft vier uitvoeringsjaren en vier verschillende stadsdelen. 3. Per uitvoeringsjaar wordt binnen het aangewezen stadsdeel de boomveiligheidscontrole in opdracht van het college uitgevoerd. 4.

Het jaarprogramma betreft alle houtopstanden in de openbare ruimte. Artikel 4.1.1.2 Inhoud van een beheerplan (nadere regels Bomenverordening) 1. Het beheerplan geeft per onderdeel of type beplanting aan hoe vaak bestendig beheer plaatsvindt, in welke tijd van het jaar, met welke gereedschappen en machines werkzaamheden worden uitgevoerd, en of er gefaseerd wordt gewerkt. Ook kunnen voorschriften worden opgenomen voor compensatiemaatregelen. 2. Het beheerplan moet door het college worden goedgekeurd voordat het voor het uitvoeren van bestendig beheer kan worden gebruikt.

Paragraaf 4.1.2 Boomveiligheidscontrole en beheerplan Artikel 4.1.2.1 Programma boomveiligheidscontrole 1. Het college stelt een programma boomveiligheidscontrole vast. 2. Het programma betreft vier uitvoeringsjaren en vier verschillende stadsdelen. 3. Per uitvoeringsjaar wordt binnen het aangewezen stadsdeel de boomveiligheidscontrole in opdracht van het college uitgevoerd. 4. Het jaarprogramma betreft de houtopstanden in eigendom van de gemeente. Artikel 4.1.2.2 Inhoud van een beheerplan 1. Het beheerplan geeft per onderdeel of type beplanting aan hoe vaak bestendig beheer plaatsvindt, in welke tijd van het jaar, en of er gefaseerd wordt gewerkt. Ook kunnen voorschriften worden opgenomen voor compensatiemaatregelen. 2. Het beheerplan moet door het college worden goedgekeurd voordat het voor het uitvoeren van bestendig beheer kan worden gebruikt.

Afdeling 4.2 Overige bepalingen Paragraaf 4.2.1 Water en riolering Artikel 4.2.1.1 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen (APV) Sloten en andere wateren, en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen geen gevaar voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen opleveren. Artikel 4.2.1.2 Beheer, onderhoud, renovatie en vervanging (Rioolverordening) 1. Het beheer en onderhoud, de renovatie dan wel de vervanging van de perceelaansluitleiding wordt uitgevoerd door of namens de gemeente en voor rekening van de gemeente, tenzij het aannemelijk is dat deze werkzaamheden moeten worden uitgevoerd door een onjuist gebruik van het particuliere riool. In dat geval zijn de kosten voor rekening van de rechthebbende of de veroorzaker. 2. Onder onjuist gebruik wordt in ieder geval begrepen: a. Het via deze aansluiting lozen van stoffen die door hun aard en samenstelling voor verstoppingen in de aansluitleiding of het openbare riool kunnen zorgen; b. Het via deze aansluiting lozen van stoffen die door hun aard of concentratie de constructie van de aansluitleiding of het riool aantasten; c. Het lozen van hemelwater en/of drainagewater op de drukriolering. 3.

De kosten voor het beheer en onderhoud, de renovatie dan wel de vervanging van de particuliere afvoerleiding (terreinleiding) zijn voor rekening van de rechthebbende, tenzij vaststaat dat de noodzaak voor onderhoud is veroorzaakt door inspoeling vanuit het openbare riool. Dit geldt ook voor verzamelleidingen in particuliere grond die zijn aangelegd voor de gezamenlijke afvoer van twee of meer woningen. 4. Als de hoogteligging van het aansluitpunt door de gemeente wordt gewijzigd, moet de rechthebbende ervoor zorgen dat de particuliere afvoerleiding hierop kan worden aangesloten zodat de afvoer vanuit het perceel ongehinderd kan plaatsvinden. Paragraaf 4.2.2 Stadsverwarming Artikel 4.2.2.1 Stadsverwarming (Leidingenverordening) De beheerder van de stadsverwarming moet aan de gemeente aannemelijk maken dat de veiligheidsaspecten van de stadsverwarmingsleidingen in voldoende mate zijn gewaarborgd. De beheerder kan dit onder andere aannemelijk maken door een daartoe strekkende verklaring van de Autoriteit Consument & Markt aan te leveren. De hiervoor genoemde verplichting voor de beheerder van de stadsverwarming vervalt als een toereikende regeling voor de veiligheidsaspecten in de Warmtewet wordt opgenomen.

Hoofdstuk 5 Financiële bepalingen Afdeling 5.1 Groen Paragraaf 5.1.1 Bomenfonds Artikel 5.1.1.1 Bomenfonds 1. In het door Gemeenteraad ingestelde Bomenfonds (RV 12.0085) worden financiële bijdragen gestort door:

a. Vergunninghouders ter uitvoering van een voorschrift dat is opgenomen in de omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand; b. Rechthebbenden en/of overtreders in situaties als bedoeld in artikel 3.6.1.11, tweede lid. 2. Als aan de omgevingsvergunning of de melding voor het vellen van een houtopstand het voorschrift is verbonden dat de waarde van de houtopstand geheel of gedeeltelijk moet worden gecompenseerd, dan moet deze financiële compensatie in het Bomenfonds worden gestort. 3. Het college beheert het Bomenfonds. 4. Het Bomenfonds wordt gebruikt voor de versterking van het bomenbestand en andere vormen van ecologisch waardevol groen in de stad. Artikel 5.1.1.2 Financiële compensatie 1. De bepaling van de actuele vervangingskosten wordt gedaan op grond van de op dat moment actuele gepubliceerde methode van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen (NVTB). In een bosplantsoenvak geldt een waarde per m2. 2. Als de waarde van de houtopstand niet kan worden bepaald door middel van de methode als bedoeld in het eerste lid, bepaalt het college de vervangingskosten, waarin in ieder geval worden meegerekend: a. Aankoop en planten van een vervangende boom; b. Passende groeiplaatsaanleg; c. Nazorg voor ten minste 3 jaar. 3.

Het kan voorkomen dat de vergunning voorschrijft dat de compensatie deels plaatsvindt op basis van het compensatieplan en deels via het storten van een financiële compensatie in het Bomenfonds. Artikel 5.1.1.3 Storting in het Bomenfonds is geoormerkt 1. De financiële compensatie die volgens een vergunningvoorschrift aan de uitvoering van de vergunning als waarborgsom in het Bomenfonds moet worden gestort, is geoormerkt als bedrag dat is bestemd voor de herplant in een aangewezen aanplantproject. 2. De geoormerkte gelden in het Bomenfonds kunnen alleen worden gebruikt voor het feitelijke aanplantproject dat in het vergunningvoorschrift is aangeduid en de daaraan grenzende aanplantprojecten zoals bedoeld in artikel 3.6.1.12 Lid 2a. 3. In het vergunningvoorschrift over de herplantplicht in een aangewezen aanplantproject wordt aangegeven waar, wanneer, hoe en waarmee de vergunninghouder de feitelijke aanplant dient uit te voeren. Artikel 5.1.1.4 Voorwaarden teruggave storting in Bomenfonds 1. Als na de oplevering van het aanplantproject is voldaan aan de vergunningvoorschriften kan de vergunninghouder verzoeken tot teruggave van de gehele of van een deel van de financiële compensatie in het Bomenfonds. 2. Een aanvraag om een teruggave moet uiterlijk binnen één jaar na oplevering van het aanplantproject schriftelijk worden ingediend.

Daarna bestaat er geen recht meer op teruggave van de financiële compensatie en vervalt het oormerk van de storting in het Bomenfonds. 3. De aanvraag moet gemotiveerd zijn en zijn ondertekend door de aanvrager. De aanvraag bevat ten minste de opgave van de kosten van het aanplanten van de bomen en de begroting van het verzorgen van de aanplant op dusdanige wijze dat deze volledig aanslaat en gezond doorgroeit. 4. Het college of een door haar gemandateerd persoon beoordeelt de aanvraag en de bijbehorende documenten en beoordeelt de feitelijke toestand van de aanplant op gezondheid en bestendigheid. Het terug te storten bedrag wordt hierop afgestemd. 5. Het terug te storten bedrag is niet hoger dan de financiële compensatie die de vergunninghouder in het Bomenfonds heeft gestort. Alleen de kosten voor het aankopen van de houtopstand, het inrichten van de groeiplaats, het planten (inclusief volledig aanslaan en doorgroeien) en drie jaar beheerkosten worden teruggestort.

6. De gelden in het Bomenfonds die niet meer geoormerkt zijn worden gebruikt voor de versterking van het bomenbestand en andere vormen van ecologisch waardevol groen. Paragraaf 5.1.1 Bomenfonds Artikel 5.1.1.1 Bomenfonds (Bomenverordening, Nadere regels Bomenverordening) 1. In het door het college ingestelde Bomenfonds worden financiële bijdragen gestort door: a. Vergunninghouders ter uitvoering van een voorschrift dat is opgenomen in de omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand; b. Rechthebbenden en/of overtreders in situaties als bedoeld in artikel 3.6.1.11, tweede lid. 2. Als aan de omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand het voorschrift is verbonden dat de waarde van de houtopstand geheel of gedeeltelijk moet worden gecompenseerd, dan moet deze financiële compensatie in het Bomenfonds worden gestort. 3. Het college beheert het Bomenfonds. 4. Het Bomenfonds wordt gebruikt voor de versterking van het bomenbestand in de stad. Artikel 5.1.1.2 Financiële compensatie (nadere regels Bomenverordening) 1. De boomwaardebepaling wordt gedaan op grond van de op dat moment actuele gepubliceerde methode van de Nederlandse Vereniging van Beëdigde Taxateurs van Bomen (NVTB). 2. Als de waarde van de houtopstand niet kan worden bepaald door middel van de methode als bedoeld in het eerste lid, bepaalt het college een financiële vervangingswaarde. 3.

Het kan voorkomen dat de vergunning voorschrijft dat de compensatie deels plaatsvindt op basis van het compensatieplan en deels via het storten van een financiële compensatie in het Bomenfonds. Artikel 5.1.1.3 Storting in het Bomenfonds is geoormerkt (nadere regels Bomenverordening) 1. De financiële compensatie die volgens een vergunningvoorschrift aan de uitvoering van de vergunning als waarborgsom in het Bomenfonds moet worden gestort, is geoormerkt als bedrag dat is bestemd voor de herplant in een aangewezen aanplantproject. 2. De geoormerkte gelden in het Bomenfonds kunnen alleen worden gebruikt voor het feitelijke aanplantproject dat in het vergunningvoorschrift is aangeduid. 3. In het vergunningvoorschrift over de herplantplicht in een aangewezen aanplantproject wordt aangegeven waar, wanneer, hoe en waarmee de vergunninghouder de feitelijke aanplant dient uit te voeren. Artikel 5.1.1.4 Voorwaarden teruggave storting in Bomenfonds (nadere regels Bomenverordening) 1. Als na de oplevering van het aanplantproject is voldaan aan de vergunningvoorschriften kan de vergunninghouder verzoeken tot teruggave van de gehele of van een deel van de financiële compensatie in het Bomenfonds. 2. Een aanvraag om een teruggave moet uiterlijk binnen één jaar na oplevering van het aanplantproject schriftelijk worden ingediend.

Daarna bestaat er geen recht meer op teruggave van de financiële compensatie en vervalt het oormerk van de storing in het Bomenfonds.

3. De aanvraag moet gemotiveerd zijn en zijn ondertekend door de aanvrager. De aanvraag bevat ten minste de opgave van de kosten van het aanplanten van de bomen en de begroting van het verzorgen van de aanplant om te zorgen dat deze volledig aanslaat en gezond doorgroeit. 4. Het college beoordeelt de aanvraag en de bijbehorende documenten en beoordeelt de feitelijke toestand van de aanplant op gezondheid en bestendigheid. Het terug te storten bedrag wordt hierop afgestemd. 5. Het terug te storten bedrag is niet hoger dan de financiële compensatie die de vergunninghouder in het Bomenfonds heeft gestort. Alleen de kosten voor het aankopen van de houtopstand, het planten (inclusief volledig aanslaan en doorgroeien) en drie jaar beheerkosten worden teruggestort. 6. De gelden in het Bomenfonds die niet meer geoormerkt zijn worden gebruikt voor de versterking van het bomenbestand in de stad. Afdeling 5.2 Schadevergoeding Paragraaf 5.2.1 Schadevergoedingsverzoek op grond van Wet natuurbescherming Artikel 5.2.1.1 Schadevergoedingsverzoek op grond van Wet natuurbescherming (Bomenverordening) Het college is het bevoegde bestuursorgaan om te beslissen op een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 6.3 van de Wet natuurbescherming.

Afdeling 5.3 Nadeelcompensatie Paragraaf 5.3.1 Nadeelcompensatie leidingen Artikel 5.3.1.1 Nadeelcompensatie (Leidingenverordening) Als blijkt dat een leidingexploitant als gevolg van een besluit van het college om de vergunning in te trekken of te wijzigen als bedoeld in artikel 3.7.2.6, onder g, schade lijdt of zal lijden die redelijkerwijs niet of niet geheel tot het normale bedrijfsrisico kan worden gerekend, en waarvan een vergoeding niet of niet voldoende is verzekerd, kent het college op verzoek aan hem een vergoeding toe. Een dergelijke vergoeding wordt toegekend zo lang de gemeente op grond van artikel 228 van de Gemeentewet precario kan heffen.

Hoofdstuk 6 Procesregels Afdeling 6.1 Voorbereiding van besluiten Paragraaf 6.1.1 Groen Artikel 6.1.1.1 Behandeling van de voorstellen tot plaatsing op de Groene Kaart (nadere regels Bomenverordening) 1. Ieder jaar, na 1 oktober, start het college met de procedure voor het actualiseren van de Groene Kaart. Degenen die voor 1 oktober een voorstel hebben ingediend voor het toevoegen van een houtopstand aan, of het verwijderen daarvan van de Groene Kaart, worden schriftelijk geïnformeerd over het begin en het verloop van de procedure. 2. Het college stelt een ontwerpbesluit op naar aanleiding van de voorstellen. De voorstellen worden getoetst op de manier als bedoeld in artikel 2.4.1.3, tweede lid. Als een boom meer dan 75 punten behaald, is deze voldoende onderscheidend en komt de boom in aanmerking om aan de Groene Kaart te worden toegevoegd. De uitkomst van de toetsing wordt als motivering opgenomen in het ontwerpbesluit.

3. Het ontwerpbesluit geeft aan of het gaat om een solitaire boom, een boomstructuur of een boomgebied. 4. Solitaire bomen krijgen een nadere aanduiding: a. monumentale boom als ze ouder zijn dan 80 jaar; b. herdenkingsboom als status die door het college wordt toegewezen; c. toekomstboom, of; d. waardevolle boom in alle overige gevallen. 5. De belanghebbenden en eigenaren krijgen zes weken de tijd om een zienswijze op het ontwerpbesluit in te dienen. 6. Het college geeft een gemotiveerde reactie op de ingediende zienswijzen. De Groene Kaart wordt door het toevoegen van houtopstanden gedeeltelijk herzien. 7. Op de procedure voor het toevoegen van houtopstanden aan de Groene Kaart is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Paragraaf 6.1.2 Cultureel erfgoed Artikel 6.1.2.1 De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument (Erfgoedverordening) Het college kan bepalen dat een nader waardestellend onderzoek moet worden verricht ten behoeve van de aanwijzing van een onroerende zaak of terrein als beschermd gemeentelijk monument. Afdeling 6.2 Advies Paragraaf 6.2.1 Advies bij aanwijzing beschermd gemeentelijk monument Artikel 6.2.1.1 Termijn advies en aanwijzingsbesluit (Erfgoedverordening) 1. Het college vraagt advies aan de Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden, voordat zij een besluit neemt over de aanwijzing van een beschermd gemeentelijk monument. 2.

De Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden adviseert schriftelijk binnen 12 weken na ontvangst van het verzoek van het college. Paragraaf 6.2.2 Advies bij aanwijzing gemeentelijk beschermd stadsgezicht Artikel 6.2.2.1 Advies bij aanwijzen gemeentelijk beschermd stadsgezicht (Erfgoedverordening) 1. Het college vraagt advies aan de Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden voordat de gemeenteraad een besluit neemt over de aanwijzing tot gemeentelijk beschermd stadsgezicht als bedoeld in artikel 2.3.3.1. In spoedeisende gevallen kan het vragen van dit advies achterwege blijven. 2. De Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden adviseert schriftelijk binnen 12 weken na ontvangst van het verzoek van het college. Paragraaf 6.2.3 Advies bij omgevingsvergunning monument Artikel 6.2.3.1 Advies van de Welstands- en Monumentencommissie Leiden (Erfgoedverordening) 1. Het college vraagt advies aan de Welstands- en Monumentencommissie Leiden, voordat zij een besluit neemt op de aanvraag van de vergunning als bedoeld in artikel 3.5.1.3. 2. Als de aanvraag betrekking heeft op een gemeentelijk archeologisch monument, dan betrekt de Welstands- en Monumentencommissie Leiden een extern deskundig senior archeoloog bij haar advies.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10158137/1