Ruimtelijke onderbouwing ROL_versie 27-5-2024
Tekst van het document
4.5
Geluid (wet geluidhinder) Toetsingskader Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die ''in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken'', een geluidzone. Bij ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd. In de omgeving van het projectgebied zijn verschillende geluidszones van belang. Het gaat om de geluidszone rondom de inrichting van de vliegbasis, de geluidszones voor de luchtvaart en de geluidszones rondom wegen. Hoewel het project formeel geen geluidgevoelige objecten mogelijk maakt, is Gelet op de beoogde functie als huisvestingslocatie en de intentie om de verblijfseenheden op termijn in gebruik te kunnen nemen als woningen, wordt het project beschouwd als geluidgevoelig object. De rapportage hiervan is opgenomen in bijlage 2. Wegverkeerslawaai De nieuwbouwwoningen liggen binnen de zone van de Meester P.J. Troelstraweg, de Kampweg en de Bootsmaweg. Uit het onderzoek volgt dat de Wgh voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor geen enkele weg wordt overschreden. Daarmee is een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd.
Industrielawaai De planlocatie is gelegen binnen de geluidzone van het industrieterrein ‘Militaire Vliegbasis Leeuwarden’. In overeenstemming met het beoordelingskader als vastgelegd in de Wgh is de bouw van woningen binnen de zone mogelijk. Wel dient een hogere waarde te worden vastgesteld door het
26
Mr. P.J. Troelstraweg 165a in Leeuwarden, Regionale opvanglocatie vluchtelingen 23-845-1 | Definitief, V2.1
college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Leeuwarden. De ten hoogst toelaatbare en vast te stellen geluidbelasting bedraagt 55 dB(A). Uit het onderzoek volgt dat aan deze grenswaarde wordt voldaan. Om een in akoestische zin goed woon- en leefklimaat binnen de nieuwe woningen te waarborgen moet worden voldaan aan een binnenniveau van ten hoogste 35 dB(A). De minimaal te realiseren karakteristieke geluidwering dient ten minste 55 – 35 = 20 dB te bedragen. Dit komt overeen met de conform het Bouwbesluit 2012 minimaal vereiste gevelgeluidwering. Nader onderzoek en/of aanvullende geluidwerende maatregelen zijn niet nodig. Vliegverkeerslawaai In de omgeving van de vliegbasis zijn zones aangewezen waarbinnen een verhoogde geluidbelasting als gevolg van luchtvaartlawaai is te verwachten. Het projectgebied ligt niet binnen een dergelijke zone. Luchtvaartlawaai vormt om die reden geen onderdeel van het onderzoek. Dat betekent overigens niet dat in het projectgebied geen geluid van vliegverkeer hoorbaar is. Voor de luchtvaart worden op basis van het gebruik van de luchthaven contouren van Kosteneenheden (Ke) bepaald. Dit is een maat voor jaarlijkse geluidsbelasting. De 35 Ke contour is daarbij de buitenste contour, waarbij geldt dat 25% van de aanwezige mensen in theorie ‘ernstig gehinderd’ is.
Dit vormt de grens van wat wettelijk is toegestaan en maatschappelijk is aanvaard. De geluidsbelasting van vliegverkeer in het jaar 2021 is in het openbare rapport ‘De geluidsbelasting rondom de vliegbasis Leeuwarden voor het jaar 2021’ (NLR-CR-2022-025-Hzv-1) in beeld gebracht. De contouren zijn weergegeven in figuur 4.2. Het projectgebied is daarin weergegeven met een rode cirkel. Op basis hiervan mag geconcludeerd worden dat de geluidsbelasting als gevolg van vliegverkeer (ruim) binnen de aanvaardbare waarden ligt.
Figuur 4.2
Ligging Ke-contouren vliegverkeer
Mr. P.J. Troelstraweg 165a in Leeuwarden, Regionale opvanglocatie vluchtelingen 23-845-1 | Definitief, V2.1
27
Cumulatie geluidsbronnen In hoofdstuk 2 van bijlage 1 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 zijn nadere rekenregels opgenomen met betrekking tot de wijze waarop de cumulatieve geluidbelasting vanwege meerdere geluidbronnen/geluidbronsoorten dient te worden bepaald. Daarbij is aangegeven dat de rekenmethode moet worden toegepast als er sprake is van een relevante blootstelling aan meer dan één geluidsbron. Er is sprake van een relevante blootstelling door een geluidsbron als vanwege die bron de wettelijke voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Hoewel er géén sprake is van een relevante geluidbelasting door meerdere geluidbronnen, als bedoeld in het Reken- en meetvoorschrift, heeft de geluidbelasting door luchtvaartlawaai, gelet op de korte afstand van de locatie tot de vliegbasis, een mogelijk effect heeft op het akoestisch woon- en leefklimaat ter plaatse. Daarom is een nader onderzoek uitgevoerd naar de cumulatieve geluidbelasting op de locatie, inclusief vliegtuiglawaai. De rapportage hiervan is opgenomen in bijlage 3. Omdat geluid van vliegverkeer met een andere methodiek wordt beschouwd dan de andere bronnen, namelijk kosteneenheden (Ke) tegenover dosismaten (Lden), is eerst een omrekening gemaakt. Voor vliegverkeer is op basis hiervan gerekend met 25 Ke, wat met enige veiligheidsmarge neerkomt op Lden 55 dB.
De berekende gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 63 dB invallend op de binnen de ROL-locatie te realiseren woningen/wooneenheden. Op basis van de Wet geluidhinder geldt voor nieuwe woonbestemmingen in een stedelijke omgeving een maximaal toelaatbare geluidbelasting van 63 dB door wegverkeerlawaai. Een dergelijke geluidbelasting is daarmee wettelijk aanvaardbaar. De nu berekende cumulatieve geluidbelasting is vergelijkbaar aan deze grenswaarde is daarmee eveneens als aanvaardbaar te beoordelen. Wel is het akoestisch (buiten)klimaat als ‘tamelijk slecht’ te kwalificeren. Voor de afweging hiervan is het van belang dat de geluidbelasting binnen de wooneenheden bij voorkeur wordt beperkt tot ten hoogste 33 dB. De hiervoor benodigde geluidwering van de woningen/wooneenheden bedraagt GA = 63 –33 = 30 dB. Hierop kan worden aangevuld dat specifiek voor de vliegbasis Leeuwarden geldt dat de vliegbewegingen voor het overgrote deel overdag plaatsvinden (tussen 08.00 en 18.00 uur). Voor zover vliegbewegingen in de late avondperiode en/of de nachtperiode voorkomen is dit incidenteel van aard. Overdag wordt er gevlogen 2 à 3 vliegtuigen in de ochtend die gaan en terugkomen en in de middag herhaalt zich dit. Buiten deze tijden is het relatief stil, waarmee er te spreken is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Conclusie Uit het onderzoek blijkt dat aan alle wettelijke geluidsnormen kan worden voldaan, maar dat wel een hogere grenswaarde voor industrielawaai vastgesteld moet worden. Dit wordt, gelet op de locatie en de inrichting van het project, aanvaardbaar geacht.
28
Mr. P.J. Troelstraweg 165a in Leeuwarden, Regionale opvanglocatie vluchtelingen 23-845-1 | Definitief, V2.1
4.6
Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Sinds een aantal jaren is er wetgeving over “externe veiligheid” om de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot te stellen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het aspect externe veiligheid wordt beoordeeld met het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het GR is de kans dat een groep mensen overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR moet worden gezien als een maat voor maatschappelijke ontwrichting. Voor het GR is een oriënterende waarde bepaald. Dit betreft geen harde norm, maar vormt een onderdeel bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het risico. Omgevingswet De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl.
Hierin wordt gewerkt met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s. Dit is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico. Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar via de Atlas Leefomgeving. Toetsing In het kader van het aspect externe veiligheid is advies ingewonnen bij de FUMO. Dit advies is opgenomen in bijlage 3. Hieruit blijkt dat nabij het projectgebied enkele risicobronnen aanwezig zijn: • Ten westen van het plangebied bevindt zich hogedruk aardgastransportleiding N-503-70 van Gasunie Transport Services B.V; • Ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich aan de Mr. P.J. Troelstraweg 151 een tankstation ten behoeve van het wegverkeer; • Ten westen van het plangebied bevindt zich vliegbasis Leeuwarden. Een complex waar explosieven worden opgeslagen. Uit het advies blijkt dat het projectgebied buiten het invloedgebied van deze aardgastransportleiding ligt. Voor het tankstation geldt dat hier geen LPG meer wordt getankt, maar dat het bestemmingsplan dit nog wel toestaat. In de huidige vergunde situatie is er geen sprake van een extern risico.
Mocht zich in de toekomst toch weer een LPG-tankstation willen vestigen, dan wordt dat als een nieuwe installatie beschouwd en zal in dat kader worden beoordeeld of het groepsrisico voor het verlenen van de vergunning voor het tankstation aanvaardbaar is.
Mr. P.J. Troelstraweg 165a in Leeuwarden, Regionale opvanglocatie vluchtelingen 23-845-1 | Definitief, V2.1
29
Voor de vliegbasis geldt dat het beleid voor de externe veiligheid rond munitiecomplexen en civiele inrichtingen voor explosieven is vastgelegd in het Barro. Voor munitieopslagen gelden veiligheidszones (A, B en C zones). Uit het advies blijkt dat er geen veiligheidszones over het projectgebied zijn gelegen, die veroorzaakt worden door munitiecomplexen op de vliegbasis. Conclusie Op basis van het advies externe veiligheid wordt geconcludeerd dat het projectgebied niet in de risicocontouren of -zones van risicobronnen ligt. Het aspect externe veiligheid vormt daarom geen belemmering voor het project.
4.7
Ecologie Toetsingskader Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. Dit is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europese regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Omgevingswet Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Voor een inzicht in de ecologische potenties van het projectgebied en de omgeving en de effecten van het project daarop is een ecologische beoordeling uitgevoerd. De rapportage hiervan is opgenomen in bijlage 5. Toetsing: Gebiedsbescherming De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wnb. Indien ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van de natuurwaarden binnen deze gebieden, moet een vergunning worden aangevraagd. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het projectgebied ligt op ongeveer 5 kilometer afstand vanaf het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Groote Wielen.
Negatieve effecten door externe werking door trillingen, geluid en oppervlakte verlies zijn gezien de grote afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Groote Wielen) uit te sluiten. Ook onderdelen van het NNN liggen op grote afstand, waarmee effecten uit te sluiten zijn. Stikstofdepositie De ecologische beoordeling verwijst naar de gemeente Leeuwarden om te beoordelen of een stikstofberekening nodig is. Het project ligt niet in de directe nabijheid van stikstofgevoelige habitats. Desondanks is een stikstofonderzoek uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in bijlage 6. Hieruit is naar voren gekomen dat het project nergens leidt tot een stikstofbijdrage meer dan 0,00
30
Mr. P.J. Troelstraweg 165a in Leeuwarden, Regionale opvanglocatie vluchtelingen 23-845-1 | Definitief, V2.1
mol/ha/jaar zijn. Op basis daarvan wordt geconcludeerd dat het plan niet leidt tot negatieve effecten door een potentiële toename van stikstof op daarvoor gevoelige gebieden. Vanuit de gebiedsbescherming bestaan er geen belemmeringen voor het project. Toetsing: Soortenbescherming In de Wnb wordt onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en daarnaast de overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Als onderdeel van de ecologische beoordeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat in het projectgebied rekening moet worden gehouden met een vliegroute (Kampweg) en foerageergebied van vleermuizen en ook met de aanwezigheid van broedvogels. Het project veroorzaakt op dit punt geen conflicten met de Wnb, mits rekening wordt gehouden met deze soorten. Op basis van de ter plaatse aanwezige omstandigheden en verspreidingsgegevens wordt ook niet verwacht dat het planvoornemen tot een overtreding van een verbodsbepaling zal leiden omtrent beschermde ongewervelden, vissen, amfibieën, reptielen en flora. Tijdens het broedseizoen (grofweg 15 mrt. t/m 15 juli) kunnen broedvogels in het plangebied broeden waarvan het nest niet jaarrond beschermd is.
Voor deze soorten dient men rekening te houden met het feit dat ieder nest, mits op dat moment in gebruik, beschermd is. Dit houdt in dat er geen wezenlijke verstoring mag plaatsvinden, waardoor de vogel het nest verlaat. Daarom wordt aangeraden buiten het vogelbroedseizoen te werken. Indien men voornemens is binnen het vogelbroedseizoen te starten met de werkzaamheden, dan wordt aangeraden het plangebied vooraf te checken op (potentiële) broedgevallen door een deskundig ecoloog. Verder dient men tijdens de uitvoer van de werkzaamheden rekening te houden met de Zorgplicht (Artikel 1.11 wnb). De Zorgplicht geldt voor elke soort/individu in Nederland. Dit houdt in dat men tracht schade aan wilde planten en dieren zo veel mogelijk te voorkomen. Dit kan door een werkwijze te hanteren waarbij dieren kunnen ontsnappen en/of deze te verplaatsen naar een geschikt biotoop. Voor de bouwfase en het gebruik van het gebouw geldt dat felle lichtuitstraling voorkomen moet worden. Hiermee wordt bij de uitvoering rekening gehouden. Het verstoren van verblijfsplaatsen of leefgebied van beschermde soorten kan op deze manier worden uitgesloten. Op deze manier is het project uitvoerbaar binnen de kaders van de Wet natuurbescherming.
Mr. P.J. Troelstraweg 165a in Leeuwarden, Regionale opvanglocatie vluchtelingen 23-845-1 | Definitief, V2.1
31
4.8
Bodemkwaliteit Toetsingskader In verband met de uitvoerbaarheid van een plan moet rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Omgevingswet Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang: • beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; • evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen Toetsing In het kader van de planvorming zijn verkennende bodemonderzoeken en een (nader) asbestonderzoeken uitgevoerd. De rapportage voor het deelgebied aan de noordzijde van de Kampweg is opgenomen in bijlage 7.
De rapportage voor het deelgebied aan de zuidzijde van de Kampweg is opgenomen in bijlage 8. De bodemkwaliteit is hiermee voldoende in beeld gebracht, waarmee het projectgebied aantoonbaar geschikt voor het voorgenomen gebruik. Aangezien in het onderhavige onderzoek hoogstens een lichte mate van verontreiniging is aangetoond, geven de resultaten geen aanleiding tot het uitvoeren van aanvullend onderzoek. Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek in puinfundering, worden vanuit milieuhygiënisch oogpunt, geen belemmeringen verwacht ten aanzien van de beoogde planontwikkeling.
4.9
Watertoets Deze 'waterparagraaf' gaat in op de watertoets. Hierin wordt beoordeeld wat de effecten van het bestemmingsplan op de waterhuishouding zijn en of er waterschapsbelangen spelen. De belangrijkste thema's zijn waterveiligheid, de afvoer van schoon hemelwater en afvalwater en de waterkwaliteit. Het projectgebied ligt in het beheersgebied van Wetterskip Fryslân. Het plan is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap. De uitkomst is dat de normale procedure moet worden gevolgd. De uitgangsnotitie geeft handvatten om de uitkomsten en aandachtspunten van de watertoetsaanvraag mee te nemen in het ruimtelijke plan of besluit. Deze is opgenomen in bijlage 9. Bij de uitwerking van de plannen wordt hier rekening mee gehouden.
32
Mr. P.J. Troelstraweg 165a in Leeuwarden, Regionale opvanglocatie vluchtelingen 23-845-1 | Definitief, V2.1
Hoofd- en schouwwatergangen Langs het projectgebied ligt een systeem van hoofdwatergangen en schouwwatergangen. Deze hebben een belangrijke functie voor de afwatering van het gebied en moeten bereikbaar blijven voor onderhoud. De watergangen die het betreft zijn aangegeven in figuur 4.4. In dit geval worden binnen 5 meter vanaf de watergangen geen gebouwen gebouwd. Langs het water blijven de gronden vrij toegankelijk voor onderhoud.
Figuur 4.4
Hoofdwatergangen en schouwwatergangen rondom projectgebied
Waterberging Het waterschap hanteert als uitgangspunt dat de toename verhard oppervlak voor een deel wordt gecompenseerd in de vorm van nieuw oppervlaktewater of waterberging. Het dempen van water en/of watergangen moet volledig gecompenseerd worden. Deze compensatie is bedoeld om wateroverlast door het versneld afvoeren van hemelwater vanaf de verhardingen te voorkomen. Het bebouwd/verhard oppervlak neemt in de nieuwe situatie toe met ca. 490 m2. Daarnaast is sprake van een kleine demping van 38 m2 t.b.v. een dam met duiker. Dempingen moet worden gecompenseerd met nieuwe waterberging (100% watercompensatie). In bestaand stedelijk gebied moet een toename van 200 m2 of meer aan verharding gecompenseerd worden met nieuw oppervlakte water (watercompensatie). In bestaand stedelijk gebied met boezempeil geldt een compensatieverplichting van 5%. In bestaand stedelijk gebied met polderpeil geldt een compensatieverplichting van 10%. Het projectgebied ligt binnen bestaand stedelijk gebied met boezempeil. Hoewel 5% watercompensatie verplicht is in bestaand stedelijk gebied met boezempeil, wordt in het plan, in het kader van een klimaatadaptieve terreininrichting, ervoor gekozen om 10% watercompensatie toe te passen. Watercompensatie vindt plaats door de watergang aan de zuidelijke kavelgrens met 90 m2 te verbreden
Mr. P.J. Troelstraweg 165a in Leeuwarden, Regionale opvanglocatie vluchtelingen 23-845-1 | Definitief, V2.1
33
Een weergave van de huidige en nieuwe verharding in het projectgebied en de berekening en invulling van de watercompensatie is opgenomen in bijlage 10. Ruimtelijke adaptatie Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Kansen moeten benut worden om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming. Door nú maatregelen te nemen, worden steden en dorpen mooier en wordt grote schade in de toekomst voorkomen. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het proces worden meegenomen. Bij de inrichting van het projectgebied is hierop geanticipeerd door het projectgebied zo groen mogelijk in te richten. Ook wordt zoveel mogelijk groen op de platte daken gebracht. Waterrobuust bouwen/drooglegging Het projectgebied ligt vrij voor de boezem, waar het streefpeil op -0,52 m NAP ligt. Voor gebouwen met kruipruimten wordt een drooglegging van 1,10 m geadviseerd, voor verharding en gebouwen zonder kruipruimten is dit 0,70 m. Het aansluitende terrein ligt op ongeveer +1,40 m NAP. Daarmee wordt ruim aan de droogleggingsnorm voldaan.
Waterkwaliteit Om een goede waterkwaliteit te realiseren is het nodig dat wordt voorkomen dat milieubelastende stoffen in het oppervlaktewater terecht komen. De bouwwijze en onderhoudstechniek moeten emissievrij zijn. Het uitgangspunt is dat gebouwd wordt met milieuvriendelijk en duurzaam materiaal. Afvalwater en regenwatersysteem Het uitgangspunt is om regenwater en rioolwater zoveel mogelijk gescheiden af te voeren. In dit geval wordt rioolwater aangesloten op het gemeentelijk riool. Schoon hemelwater wordt afgekoppeld op het oppervlaktewater, dat kan afvoeren op het omliggende systeem van sloten. Vervolg Voor alle ingrepen in de waterhuishouding moet een vergunning worden aangevraagd of een melding worden gedaan in het kader van de Waterwet. Het wateraspect wordt gecommuniceerd met de ontwikkelaar en geldt als uitgangspunt voor de uitvoering van het plan.
4.10
Cultuurhistorie en archeologie Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving is per 1 januari 2024 overgegaan naar de Omgevingswet. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie.
34
Mr. P.J. Troelstraweg 165a in Leeuwarden, Regionale opvanglocatie vluchtelingen 23-845-1 | Definitief, V2.1
De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in een ruimtelijk plan een beschrijving opgenomen moet worden van de manier waarop met de aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Omgevingswet Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. Archeologie De gemeente heeft op 11 november 2020 het paraplubestemmingplan Partiële herziening Archeologie vastgesteld. Dit ten behoeve van de bescherming van archeologische waarden in de gemeente. Dit parapluplan is van toepassing op het grondgebied van de gemeente Leeuwarden, exclusief de gronden van de voormalige gemeenten Leeuwarderadeel en Littenseradiel, voor zover er sprake is van archeologische (verwachtings-)waarden.
Gronden waar geen onderzoek noodzakelijk is, of gronden die na onderzoek zijn vrijgegeven, zijn niet opgenomen in dit bestemmingsplan. Voor het plangebed geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’, waarbinnen bij ingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 50 centimeter onder maaiveld een onderzoek uitgevoerd moet worden. De oppervlakte van het projectgebied is groter dan 2.500 m2. Daarom is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in bijlage 11. Dit bestaat uit een bureauonderzoek om de archeologische verwachting te bepalen en een verkennend booronderzoek om dit te toetsen. Uit de resultaten hiervan blijkt dat de diepere ondergrond van het plangebied uit getijde-afzettingen bestaat van door zandlaagjes onderbroken klei. Hier bovenop zijn tegen de hier gelegen oostoever van de voormalige Middelzee, door de overwegend westelijke winden, banken van herafgezette schelpen ontstaan. Deze relatief lichte schelpresten konden waarschijnlijk vrij gemakkelijk hoog tegen de oever worden afgezet. Hierdoor zijn uiteindelijk banken van schelprijk materiaal ontstaan van ruim een meter dikte. Het milieu waarin deze afzettingen zijn gevormd was waarschijnlijk te dynamisch voor bewoning. Archeologische indicatoren zijn niet aangetroffen in het projectgebied.
De resultaten van het onderzoek geven ook geen aanleiding tot het adviseren van archeologisch vervolgonderzoek. Evenmin zijn archeologische resten aangetroffen waarmee tijdens de verdere planvorming rekening zou moeten worden gehouden.
Mr. P.J. Troelstraweg 165a in Leeuwarden, Regionale opvanglocatie vluchtelingen 23-845-1 | Definitief, V2.1
35
Niettemin blijft onverminderd van kracht dat indien bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, hier direct melding van dient te worden gemaakt bij de minister conform de Erfgoedwet 2015, artikel 5.10 & 5.11. Andere cultuurhistorische waarden Het projectgebied ligt aan de oude hoofdweg naar Leeuwarden, waaraan verschillende cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig zijn. De Cultuurhistorische Kaart Fryslân geeft hierin een inzicht. Een fragment van deze kaart is opgenomen in figuur 4.5. Binnen of direct aangrenzen aan het projectgebied komen geen cultuurhistorisch waardevolle elementen voor, waarmee bij de uitvoering van het project rekening gehouden moet worden. Het project voegt zich overigens goed binnen de historisch onderstane structuren van het gebied.
Figuur 4.5
4.11
Fragment CHK Fryslân
Luchtkwaliteit Toetsingskader In de Wet milieubeheer zijn normen voor luchtkwaliteit opgenomen. Deze normen zijn bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, tegen te gaan. Als maatgevend voor de luchtkwaliteit worden de gehalten fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) gehanteerd.
36
Mr. P.J. Troelstraweg 165a in Leeuwarden, Regionale opvanglocatie vluchtelingen 23-845-1 | Definitief, V2.1
Omgevingswet De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Toetsing Volgens gegevens uit NSL-monitoringstool van het rijk is nabij het projectgebied sprake van een concentratie fijn stof van 17 µg/m3 en een concentratie NO2 van 23 µg/m3. De norm voor beide stoffen ligt op 40 µg/m3 (jaargemiddelde concentratie vanaf 2015). De huidige luchtkwaliteit ter plaatse is dus goed te noemen. Projecten die slechts in zeer beperkte mate bijdragen aan luchtverontreiniging zijn op grond van het besluit 'niet in betekenende mate' (NIBM) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Een plan voldoet hieraan als het een toename van minder dan 3% van de grenswaarden tot gevolg heeft. Bij woningbouwplannen van minder dan 1.500 is dit het geval. Dit plan draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Aanvullend onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor dit project.
4.12
Planologische zones Toetsingskader Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht. Toetsing Ter plaatse van het projectgebied gelden verschillende zones die en planologische bescherming genieten. Het gaat om een vrijwaringszone rondom het ILS-navigatiesysteem en om de obstakelbeheersgebied voor de luchtvaart. Hier worden wordt verstoring van de vliegbasis door te hoge bebouwing wordt tegengegaan. Voor het obstakelbeheergebied geldt ter plaatse van het projectgebied maximum bouwhoogte van 50 meter. Daaraan wordt ruimschoots voldaan. Voor het ILS-verstoringsgebied geldt dat wanneer de bouwhoogte van gebouwen de aangegeven toetsingshoogte overschrijdt, alleen gebouwd mag worden wanneer uit een daaromtrent verstrekt advies van de beheerder van het ILS-systeem blijkt dat dit systeem niet op onaanvaardbare wijze wordt verstoord.
Deze toetsingshoogte is 6,2 meter. De beoogde bebouwing wordt hoger. Hierover is advies gevraagd van de vliegbasis.
Mr. P.J. Troelstraweg 165a in Leeuwarden, Regionale opvanglocatie vluchtelingen 23-845-1 | Definitief, V2.1
37
Verder ligt er door het projectgebied een waterleiding, waar bij de uitvoering van dit project rekening is gehouden. De ligging van deze leiding ten opzichte van de inrichting van het projectgebied is weergeven in figuur 4.6.
Figuur 4.6
38
Ligging waterleiding ten opzichte van inrichtingsplan
Mr. P.J. Troelstraweg 165a in Leeuwarden, Regionale opvanglocatie vluchtelingen 23-845-1 | Definitief, V2.1
5
Uitvoerbaarheid
Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een project. Wat dat betreft wordt een onderscheid gemaakt in de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.
5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Participatie Het project raakt vanuit ruimtelijke ordeningsperspectief geen grote maatschappelijke belangen. Wel leidt de komst van opvanglocaties van (grotere) groepen kwetsbare, maar ook onbekende mensen dikwijls tot lokale discussies. In dit kader is een zorgvuldige communicatieproces van belang. Sinds de locatiekeuze voor de Troelstraweg zijn in dit kader nieuwsbrieven en informatieavonden gepland. Een verslag hiervan wordt bijgehouden op de website: https://www.leeuwarden.nl/opvang-vluchtelingen/rol/ Het plan van de initiatiefnemer bestond eerst uit 72 woningen, waarvan 45 voor het COA en 27 voor reguliere spoedzoekers. De gemeenteraad heeft besloten de 27 extra woningen voor spoedzoekers te laten vervallen. Na dit besluit en duidelijke uitgangspunt van de gemeente raad, zijn direct aanwonenden uitgenodigd hun input te leveren voor het stedenbouwkundig ontwerp Hier heeft een deel van de aanwonenden gebruik van gemaakt. De input vanuit de omwonenden is samen met de gemeentelijke uitgangspunten en wensen vanuit de initiatiefnemer en eindgebruiker, teruggekomen in het stedenbouwkundigplan. Daarmee zou met het tot stand komen van het stedenbouwkundig plan praktisch gesproken kunnen worden van een soort coproductie. Vooroverleg De omgevingsvergunning voor de realisatie van een Regionaal Opvang Locatie (ROL) op de locatie Mr. P.J.
Troelstraweg 165a in Leeuwarden is op 18 september 2023 voor vooroverleg gedeeld met het Wetterskip Fryslân, de provincie Fryslân en de brandweer (Veiligheidsregio). Gedurende de vooroverlegtermijn van 6 weken hebben Wetterskip Fryslân en de brandweer (Veiligheidsregio) een vooroverlegreactie ingediend. De reactienota vooroverleg is opgenomen in bijlage 12. In deze nota is uitgelegd of de ingekomen reactie wel of niet tot een planaanpassing heeft geleid. Provincie Fryslân heeft buiten de gestelde 6 weken gereageerd. De overlegreactie van de provincie is opgenomen in bijlage 13. Hierin gevraagd om een realistische/representatieve inschatting van de materieelinzet in de aanlegfase op te nemen in het stikstofonderzoek. Ook vraagt de gemeente aandacht voor het aspect ontgrondingen. Naar aanleiding van deze reactie is het stikstofonderzoek aangevuld en is in paragraaf 3.2 een beschouwing van het aspect ontgrondingen opgenomen.
Mr. P.J. Troelstraweg 165a in Leeuwarden, Regionale opvanglocatie vluchtelingen 23-845-1 | Definitief, V2.1
39
Wettelijke procedure Eenieder is vervolgens in de gelegenheid gesteld om een zienswijze tegen de aanvraag in te dienen. Daarvoor heeft de ontwerpbeschikking van de vergunning, met bijbehorende stukken gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegen. Er zijn 6 zienswijzen ingediend op de aanvraag. Ook zijn 3 zienswijzen ingediend op het besluit hogere grenswaarden. De zienswijzen zijn door de gemeente beantwoord in een reactienota, die wordt meegewogen in de besluitvorming omtrent het verlenen van de omgevingsvergunning. De indieners worden hiervan op de hoogte gesteld. Naar aanleiding van de zienswijzen die gaan over geluidhinder als gevolg van onder andere vliegverkeer, is een aanvullende beschouwing van cumulatief geluid van alle geluidbronnen gemaakt. De resultaten zijn beschreven paragraaf 4.3 en opgenomen in bijlage 3. Tegen het besluit bestaat de mogelijkheid voor beroep en hoger beroep.
5.2
Economische uitvoerbaarheid Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het project is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid De kosten voor de uitvoering van het project worden gedragen door de aanvrager. De gemeente heeft hiermee geen financiële bemoeienis. Grondexploitatie Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Het verhaal van eventuele planschades is verzekerd doordat gemeente en initiatiefnemer een planschadeovereenkomst hebben getekend. Voorts zijn nadere afspraken gemaakt over de vergoeding van de ambtelijke kosten.
40
Mr. P.J. Troelstraweg 165a in Leeuwarden, Regionale opvanglocatie vluchtelingen 23-845-1 | Definitief, V2.1
6
Afweging en conclusies
6.1
Aanleiding Deze ruimtelijke onderbouwing dient ter afweging voor het verlenen van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 van de Wabo. Hiermee wordt de realisatie van woningen en tijdelijke voorzieningengebouwen ten behoeve van een Regionale Opvanglocatie Vluchtelingen, in afwijking van het bestemmingsplan, mogelijk gemaakt.
6.2
Afweging De overheid staat voor een forse opgave voor de opvang van vluchtelingen. Ook de gemeente Leeuwarden moet hierin haar rol vervullen. De locatie aan de Troelstraweg 165a is gekozen op basis van een zorgvuldige afweging van geschikte locaties, waarbij zowel wordt gekeken naar praktische en sociale aspecten vanuit de toekomstige bewoners als naar de draagkracht en het draagvlak van de omgeving. Hier wordt een duurzaam en toekomstbestendig programma van 45 wooneenheden voor in totaal 450 vluchtelingen met verwijderbare voorzieningengebouwen gerealiseerd. Het plan is zo opgezet dat in de toekomst een omzetting naar een reguliere woonbuurt mogelijk is. Het ontwerp van het plan sluit aan bij de structuren en kenmerken van de omgeving en bij de (sociale) eisen en wensen van het COA, waaronder veiligheid en beheersbaarheid. Het plan past ook goed in de landschappelijke structuur van dit tussengebied, tussen het lint aan de Troelstraweg en de vliegbasis. Verder heeft zorgvuldig onderzoek uitgewezen dat de ontwikkeling vanuit de milieu- en omgevingsaspecten die samenhangen met dit project, goed is in te passen op deze plek. Verder is het project in overeenstemming met de relevante beleidsregels en beleidsambities.
6.3
Conclusie Het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project is in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening.
Mr. P.J. Troelstraweg 165a in Leeuwarden, Regionale opvanglocatie vluchtelingen 23-845-1 | Definitief, V2.1
41