CConstaterende datLeeuwarden
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing incl. bijlagen

Besluitvorming (raad) 12 juli 2023, gemeente LeeuwardenBij agendapunt: ‘Verklaring van geen bedenkingen' (vvgb) voor de uitbreiding van een jachthaven op het adres Leechlân 4 te Grou20.376 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Door de snelle zeespiegelstijging verdronken veel van de langs de kust gelegen veengebieden en trad vaak grootschalige erosie van het veen op. Enkele kilometers ten noordwesten van het plangebied ontstond de Middelzee. Het plangebied ligt op een vlakte van getij-afzettingen (code 2M35 op de geomorfologische kaart). De getijvlakten liepen tweemaal per etmaal onder water vanuit geulen die de getijvlakten doorsneden. In en nabij dergelijke geulen werd grof materiaal afgezet zoals zand. Naarmate de afstand tot de geulen groter is, is fijner materiaal afgezet zoals klei. Volgens de bodemkaart bestaan de bodems hier uit kalkarme drechtvaagronden die zijn gevormd in klei. Het betreft gronden die worden gekenmerkt door een onvoltooid rijpingsproces en ondiepe oxidatie (code Mv41C). De gemiddeld laagste grondwaterstand is 50 tot 80 centimeter beneden het maaiveld (grondwatertrap II). In de diepere ondergrond van het plangebied kan dekzand aanwezig zijn. Op de drogere delen van het dekzandlandschap zijn doorgaans podzolbodems ontstaan. Deze bestaan uit een donkerbruine, humusrijke toplaag (A-horizont) met daaronder een loodgrijze uitspoelingslaag (E-horizont). Het hieruit gespoelde materiaal, zoals ijzer en humus, is neergeslagen in de roodbruine B-horizont. Deze gaat via een oranjegele overgangslaag (de BC-horizont) over in het schone gele zand van de C-horizont.

4

2.3 Historische geografie (KNA 4.0 LS03) De historische situatie wordt het beste weergeven op de topografische kaart uit 1927. Dit is de eerste kaart waarop de boerderij (Abehorne) ten zuiden van de jachthaven wordt aangegeven. Het plangebied bestaat dan nog geheel uit grasland. Op eerdere topografische kaarten en op de hier niet afgebeelde kaarten van Schotanus uit 1718 en Eekhoff uit de periode 1849-1859 is ook geen bebouwing in het plangebied afgebeeld.

Figuur 3.

Grou, Leechlân. Uitsnede van de topografische kaart uit 1927. Het plangebied ligt binnen de rode cirkel.

5

2.4 Archeologie (KNA 4.0 LS01, LS04) Het plangebied ligt volgens de gemeentelijke Archeologische Waardenkaart in een zone met een middelhoge verwachtingswaarde 1. Voor deze gebieden geldt dat archeologisch onderzoek nodig is bij bodemverstorende werkzaamheden van meer dan 500 vierkante meter. Volgens de Friese Archeologische MonumentenKaart Extra (FAMKE) ligt het plangebied in een zone waar zich op enige diepte archeologische lagen uit de steentijd bevinden die zijn afgedekt door een veen- of kleidek. Mochten zich hier archeologisch resten bevinden, dan zijn deze waarschijnlijk goed van kwaliteit. Ook kunnen archeologische resten uit de ijzertijd tot en met de middeleeuwen voorkomen. Archeologisch onderzoek moet uitwijzen of er vindplaatsen in het plangebied aanwezig zijn. De resultaten van het onderzoek kunnen ook uitwijzen dat de voorgenomen ingreep niet bezwaarlijk is, of met welke randvoorwaarden in het plan rekening dient te worden gehouden. Worden er een of meerdere vindplaatsen aangetroffen, dan zal uit nader (waarderend) onderzoek moeten blijken hoe waardevol deze vindplaatsen zijn. De aard van dit waarderend (vervolg)onderzoek hangt af van het type aangetroffen vindplaats. Archis3 toont in de omgeving van het plangebied drie bekende archeologische vindplaatsen. Ten noorden en westen van het plangebied ligt een eerder door MUG onderzocht gebied (zaaknummer 2395862100).

Tijdens booronderzoek in 2013 ten behoeve van de aanleg van sloten en een fietspad zijn hier geen archeologische vondsten gedaan. Ten noordwesten hiervan ligt zaaknummer 2929028100 die resten van bouwmateriaal en een grafsteen uit de late middeleeuwen betreft van de kerk van Idaerd. Ten noordoosten van het plangebied ligt zaaknummer 2928964100 die de vondst betreft van een toetssteen uit de middeleeuwen. Ten zuidwesten van het plangebied tenslotte, ligt zaaknummer 4574332100. Hier is tijdens in 2017 door RAAP uitgevoerd booronderzoek baksteenpuin en houtskool aangetroffen in opgebrachte klei op een stateterrein aan de Hoflaan 15.

6

Figuur 4.

Grou, Leechlân. Uitsnede van de Archis-kaart. Het plangebied is het omlijnde gebied met zaaknummer 4586418100. De getallen zijn de zaaknummers in Archis3. De gele vlakken zijn onderzoeksmeldingen en de groene stippen zijn vondstmeldingen.

Archeologisch verwachtingsmodel en advies (KNA 4.0 LS05) door drs. R. Exaltus (senior KNA Prospector) Het plangebied ligt op een getijdevlakte waarop in de periode ijzertijd tot aan de inpolderingen in de late middeleeuwen alleen bewoning op terpen mogelijk was. Het plangebied ligt van oudsher op landbouwpercelen op korte afstand ten noorden van een boerderij die vanaf 1927 wordt afgebeeld op topografische kaarten. Dergelijke locaties vormen veel verhoogde woonplaatsen die niet meer hoeven te zijn dan een huisterp uit de nieuwe tijd maar die ook een oorspronkelijk aanmerkelijk grotere woonplaats uit de ijzertijd-Romeinse tijd kunnen afdekken. Dergelijke vindplaatsen worden gekenmerkt door afgedekte vondstlagen die vaak bestaan uit met archeologische indicatoren vervuilde klei. Dergelijke indicatoren kunnen ook voorkomen in de veraarde top van veenpakketten die in de ijzertijd-Romeinse tijd ten gevolge van verbeterde gebiedsontwatering bewoonbaar werden. De archeologische indicatoren kunnen bestaan uit houtskool, aardewerk verbrand- en onverbrand bot en (gebakken) leem e.d. In de diepere ondergrond van het plangebied moet rekening worden gehouden met archeologische resten uit de steentijd. Deze worden doorgaans aangetroffen op dekzandkoppen en bestaan uit archeologische indicatoren en kunnen bestaan uit houtskool, vuursteen en verbrand en onverbrand bot.

Geadviseerd is om de kans op archeologische waarden nader te onderzoeken 7

door middel van een booronderzoek met tenminste zes boringen per hectare. De boringen dienen te worden doorgezet tot ongeveer drie meter beneden het maaiveld in verband met de ontgraving tot ongeveer twee meter beneden het maaiveld voor de uitbreiding van de jachthaven.

8

3. Veldonderzoek 3.1 Aanpak (KNA 4.0 VS01, VS08) In het plangebied zijn zes gutsboringen geplaatst in twee noord-zuid gerichte boorraaien van elk drie boringen. De ligging van de boorpunten is afgebeeld in Figuur 5. De resultaten van de boringen zijn weergeven in boorprofielen in Figuur 7 en beschreven in Appendix III.

Figuur 5.

Grou, Leechlân. Het plangebied wordt aangegeven met de grijze onderbroken lijn. De genummerde punten geven de boorpunten weer. De afbeelding is oostgericht. Bron: A3 Bouwadvies.

9

3.2 Resultaten veldonderzoek (KNA 4.0 VS02, VS03) De hoogte van het maaiveld ligt op de boorpunten 3 en 6 op respectievelijk 0,5 en 0,1 meter beneden NAP en op de overige boorpunten rond de 0,9 meter beneden NAP. Dit verschil in maaiveldhoogte wordt veroorzaakt door de ophoging van de zuidrand van het plangebied met grond die afkomstig is uit de reeds bestaande jachthaven. Bovenin de boringen 3 en 6 bevindt zich een dik pakket vegraven klei. Dit pakket is respectievelijk 0,6 en 1,5 meter dik en is daarmee aanmerkelijk dikker dan de dertig tot veertig centimeter dikke bouwvoor van vergraven klei die op de overige boorpunten aanwezig is. In alle boringen ligt onder de toplaag een pakket matig slappe, zwak zandige klei. Vanaf 2 tot 2,4 meter beneden NAP is deze klei zwak venig. De venigheid lijkt overwegend het gevolg te zijn van doorworteling door rietplanten. Waarschijnlijk is deze klei daarom afgezet tussen rietplanten in een oeverzone of in een rietmoeras. Dit kleipakket loopt in de boringen 1 en 2 door tot in grijsgeel dekzand. Dit dekzand is waargenomen op een diepte van ongeveer 2,8 meter beneden het maaiveld. Op de overige boorpunten is tussen de matig slappe klei en het dekzand nog een pakket veen aangetroffen van dertig centimeter tot ruim een meter dikte. De overgang tussen klei en veen is tamelijk abrupt zonder dat de top van het veen geërodeerd lijkt te zijn.

De top van het veen is niet veraard. De top van het onder het veen aanwezige dekzand ligt ook op de boorpunten 3 tot en met 6 ongeveer 2,8 meter beneden het maaiveld en bestaat uit doorworteld en vernat zand (zie Figuur 6). Het hieronder gelegen dekzand is grijsgeel en vertoont geen sporen van podzolvorming.

Figuur 6.

Grou, Leechlân. Het veen zoals dat in de boringen 3 boven het dekzand is aangetroffen met rechts het grijsgele dekzand waarvan de top is doorworteld.

In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren gevonden. Zelfs houtskoolspikkels in de top van het dekzand ontbreken volledig. Evenmin zijn in het kleipakket vegetatiehorizonten of overige sporen van bodemvorming aangetroffen die samen zouden kunnen hangen met een voor bewoning geschikte periode. Om deze reden is het KNA-onderdeel waardestelling, in dit rapport niet nader uitgewerkt.

10

Figuur 7.

Grou, Leechlân. Weergave van de resultaten van het booronderzoek in de vorm van boorprofielen.

11

4. Conclusies en Advies (KNA 4.0 VS07) In het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel is uitgegaan van een middelhoge tot hoge verwachting voor resten uit de ijzertijd tot en met de nieuwe tijd die samenhangen met terpbewoning. Dergelijke vindplaatsen worden gekenmerkt door afgedekte vondstlagen die vaak bestaan uit met archeologische indicatoren vervuilde klei. Dergelijke indicatoren kunnen ook voorkomen in de veraarde top van veenpaketten die in de ijzertijd-Romeinse tijd ten gevolge van verbeterde gebiedsontwatering bewoonbaar werden. Voor het plangebied geldt een lage tot middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit de steentijd en de bronstijd in de top van het in de ondergrond aanwezige dekzand. Om de archeologische verwachting te toetsen zijn in het plangebied zes gutsboringen uitgevoerd. Uit de resultaten hiervan blijkt dat rond 2,8 meter onder het maaiveld dekzand aanwezig is. Dit dekzand is vernat en doorworteld in de beginperiode van de veenvorming en vertoont geen sporen van podzolvorming. Op twee boorpunten ligt klei direct op dekzand en lijkt de top van de dekzandbodem enigszins geërodeerd te zijn. Op de overige boorpunten wordt het dekzand afgedekt door een pakket veen. De top hiervan is niet veraard en wordt afgedekt door een pakket zwak venig klei dat lijkt te zijn afgezet in een oeverzone of in een rietmoeras.

Het milieu waarin deze klei is afgezet, was niet geschikt voor bewoning. Het bovenste deel van het kleipakket is niet venig maar vertoont evenmin vegetatiehorizonten of overige sporen van bodemvorming die samen zouden kunnen hangen met menselijke bewoning. De toplaag van de bodem bestaat uit een pakket vergraven klei dat op de zuidrand van het plangebied plaatselijk meer dan een meter dik is door het hier deponeren van grond tijdens de aanleg van de reeds bestaande jachthaven. In geen van de boringen zijn relevante archeologische indicatoren gevonden. Selectieadvies door drs. R.P. Exaltus (senior KNA-Prospector) (KNA 4.0 VS07) Geen van de in de boringen aangetroffen afzettingen lijken in het (verre) verleden geschikt te zijn geweest voor bewoning. Dit geldt zowel voor de top van het dekzand, de top van het hierboven gelegen veen als voor de klei-afzettingen die de bovenste anderhalve tot twee en een halve meter van de bodem vormen. Nergens in het plangebied zijn dan ook relevante archeologische indicatoren aangetroffen. In verband hiermee geven de resultaten van het onderzoek geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Evenmin zijn archeologische resten gevonden waarmee tijdens de verdere planvorming rekening zou moeten worden gehouden.

Als bij toekomstig graafwerk onverhoopt toch archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, dan dient daarvan direct melding te worden gemaakt bij de minister conform de Erfgoedwet 2015, artikel 5.10 & 5.11. Wij adviseren dit te doen bij de gemeente Leeuwarden en bij de provinciaal archeoloog, dr. G. de Langen (tel: 058-2925487).

12

Lijst van Figuren en Tabellen Figuur 1.

Topografische kaart.

Figuur 2.

Luchtfoto van het plangebied.

Figuur 3.

Uitsnede uit de topografische kaart uit 1927.

Figuur 4.

Uitsnede van de Archis-kaart.

Figuur 5.

Boorpuntenkaart.

Figuur 6.

Foto van veen op dekzand in boring 3.

Figuur 7.

Weergave van de resultaten van het booronderzoek in de vorm van boorprofielen.

Tabel 1.

Administratieve gegevens van het onderzoeksgebied.

Tabel 2.

Geraadpleegde literatuur, bronnen en kaarten.

Appendix I: Archeologische periode-indeling

paleolithicum: paleolithicum vroeg: paleolithicum midden: paleolithicum laat: paleolithicum laat A: paleolithicum laat B:

mesolithicum: mesolithicum vroeg: mesolithicum midden: mesolithicum laat: neolithicum: neolithicum vroeg: neolithicum vroeg A: neolithicum vroeg B: neolithicum midden: neolithicum midden A: neolithicum midden B: neolithicum laat: neolithicum laat A: neolithicum laat B: bronstijd: bronstijd vroeg: bronstijd midden: bronstijd midden A: bronstijd midden B: bronstijd laat:

ijzertijd: ijzertijd vroeg: tot 300.000 BP ijzertijd midden: 300.000 - 35.000 BP ijzertijd laat: 35.000 BP – 8.800 vC 35.000 - 18.000 BP 18.000 BP – 8.800 vC romeinse tijd: romeinse tijd vroeg: romeinse tijd vroeg A: romeinse tijd vroeg B: romeinse tijd midden: 8.800 - 7.100 vC romeinse tijd midden A: 7.100 - 6.450 vC romeinse tijd midden B: 6.450 - 4.900 vC romeinse tijd laat: romeinse tijd laat A: romeinse tijd laat B: 5.300 - 4.200 vC 5.300 - 4.900 vC middeleeuwen: 4.900 - 4.200 vC middeleeuwen vroeg: 4.200 - 2.850 vC middeleeuwen vroeg A: 4.200 - 3.400 vC middeleeuwen vroeg B: 3.400 - 2.850 vC middeleeuwen vroeg C: 2.850 - 2.000 vC middeleeuwen vroeg D: 2.850 - 2.450 vC middeleeuwen laat: 2.450 - 2.000 vC middeleeuwen laat A: middeleeuwen laat B: 2.000 - 1.800 vC nieuwe tijd: 1.800 - 1.100 vC nieuwe tijd vroeg: 1.800 - 1.500 vC nieuwe tijd midden: 1.500 - 1.100 vC 1.100 - 800 vC nieuwe tijd laat:

Pleistoceen: Elsterien Saalien Weichselien

2,5 miljoen - 10.000 BP 475.000 - 410.000 BP 200.000 - 130.000 BP 116.000 - 10.000 BP

Holoceen:

10.000 BP - heden

vC.: nC: BP:

800 - 500 vC 500 - 250 vC 250 - 12 vC

12 vC - 70 nC 12 vC - 25 nC 25 - 70 nC 70 - 270 nC 70 - 150 nC 150 - 270 nC 270 - 450 nC 270 - 350 nC 350 - 450 nC

450 - 1.050 nC 450 - 525 nC 525 - 725 nC 725 - 900 nC 900 - 1.050 nC 1.050 - 1.500 nC 1.050 - 1.250 nC 1.250 - 1.500 nC

1.500 - 1.650 nC 1.650 - 1.850 nC 1.850 – heden

voor Christus na Christus Before Present; Present = 1950

50 m

Vitens water

KPN datatransport

Liander laagspanning

Liander middenspanning

Klic-melding: 9808024059/10 18G057493 - 1 Verzamelkaart (alle thema's)

Aanvraagdatum: 02-02-2018 Status: Levering compleet

Blz 1 van 5 02-02-2018 14:28

Klic-melding: 9808024059/10 18G057493 - 1 Themakaart: Liander middenspanning

Aanvraagdatum: 02-02-2018

Contact:

Beschadigingsnummer:

Gis Data Klic infoklic@alliander.com 0611382570

Storingsnummer:

50 m

0800-9009

Blz 2 van 5

Toezichthouder(s):

0881912211

Klic-melding: 9808024059/10 18G057493 - 1 Themakaart: Liander laagspanning

Aanvraagdatum: 02-02-2018

Contact:

Beschadigingsnummer:

Gis Data Klic infoklic@alliander.com 0611382570

Storingsnummer:

50 m

0800-9009

Blz 3 van 5

Toezichthouder(s):

0881912211

Klic-melding: 9808024059/10 18G057493 - 1 Themakaart: KPN datatransport

Aanvraagdatum: 02-02-2018

Blz 4 van 5

Contact:

Beschadigingsnummer:

Toezichthouder(s):

KPN Klic-loket orderintakeplan@kpn.com (030) 255 33 34

0800 023 01 93

KPN KLIC-loket orderintakeplan@kpn.com 030-25 53334

50 m

Storingsnummer:

0800 023 01 93

Klic-melding: 9808024059/10 18G057493 - 1 Themakaart: Vitens water

Aanvraagdatum: 02-02-2018

Contact:

Beschadigingsnummer:

KLIC Vitens klic@vitens.nl 0888846476

Storingsnummer:

50 m

0800-0359

Blz 5 van 5

Appendix III Boorbeschrijvingen Boorbeschrijving volgens ASB 5.2 Boor Coördinaten LDO Lithologie Nr GD B BS BZ K 1 185.300 40 K 569.918 112 K 277 K 315 Z 1 2 185.310 38 K 569.870 123 K 280 K 315 Z 1 3 185.317 78 K 569.820 153 K 282 K 313 V 318 Z 355 Z 1 4 185.259 42 K 569.917 123 K 158 K 276 V 280 Z 315 Z 1 5 185.269 36 K 569.869 156 K 245 K 283 V 295 Z 320 Z 1 6 185.278 150 K 569.820 223 K 314 K 358 V 368 Z 385 Z 1

B V

B H 2

1 2 1 2 1 1 2 1 1 2 1 1 2 1 1

Kleur HK TK BR GR GR GR BR GR GR GR BR GR GR BR GR GR BR GR GR BR GR GR BR GR GR BR GR GR BR GR GR BR GR GR

IK

GR

GE GR

GE GR

RO BR GE GR

RO BR GE GR

RO BR GE GR

RO BR GE

Overige kenmerken VLK CO PLH VS SST BR GE

ROG

BHC BR GE

DEZ ROG

Msl Msl DW

LI

BHC BR GE

LI LI

DEZ OPG

Msl Msl DW DW

DEZ DEZ

BHC BR GE

LI LI

ROG Msl Msl DW DW

DEZ DEZ

BHC BR GE

LI LI

ROG Msl Msl DW DW

DEZ DEZ

BHC BR GE

GI

Msl Msl DW

LI

LI LI

AIS BHN BI

OPG Msl Msl DW DW BHC

DEZ DEZ

Betekenis van de afkortingen: LDO – Onderzijde boortraject Lithologie: GD – Onverharde sedimenten: G = grind, K = klei, L = leem, V = veen en Z = zand Bijmengsels: BK = bijmengsel klei, BS = bijmengsel silt, BZ =bijmengsel zand, BV= bijmengsel veen, BH = bijmengsel humus. Betekenis toegevoegde cijfers: 1 = zwak, 2 = matig, 3 = sterk en 4 = uiterst. Kleur: HK = hoofdkleur, BL = blauw, BR = bruin, GE = geel, GN = groen, GR = grijs, OL = olijf, OR =oranje, PA = paars, RO = rood, RZ = roze, WI = wit, ZW = zwart. TK = Tweede kleur (kleurafkortingen als boven). IK = Intensiteit kleur: LI = licht en DO = donker VLK = Vlekken (V): 2e en 3e letter is kleurafkorting als boven, 1 = weinig, 2 = matig , 3= veel Overige kenmerken: CO = Consistentie (C ): ZSL-zeer slap, SLA-slap, MSL-matig slap, MST-matig stevig, STV-stevig PLH = plantenresten (PL0 = geen, PL1 = spoor, PL2 = weinig, PL3 = veel); DW = doorworteld VS = veensoorten SST = Sedimentaire structuren; KB is kleibrokken BHN = Bodemhorizont; BHC = C-horizont, BHBC= BC-horizont BI = Bodemkundige interpretaties; BOV = bouwvoor, ROG = rommelig, OPG = opgebracht GI = Geologische interpretaties; DEZ = dekzand AIS = Archeologische indicatoren; P = puin, Gl = glas, St = (zand)steen

BIJLAGE 2

Eindrapport

QUICK SCAN BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN JACHTWERF LEECHLAN AAN DE LEECHLÂN TE GROU

Eindrapport

QUICK SCAN BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN JACHTWERF LEECHLAN AAN DE LEECHLÂN TE GROU

rapportnr. 2018.2888 maart 2018 In opdracht van: Rho adviseurs voor leefruimte Postbus 150 3000 AD ROTTERDAM Adviesbureau Mertens B.V. Bureau voor natuur, ruimtelijke ordening en ecotoxicologie Bezoekadres: Dr. Willem Dreeslaan 1 te Bennekom Postadres: Postbus 367, 6700 AJ te Wageningen

T: 0317-428694 M: 06-29458456 E: info@adviesbureau-mertens.nl I: www.adviesbureau-mertens.nl

© Adviesbureau Mertens BV, Wageningen, 2018. Deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming vrij worden vermenigvuldigd. De verzamelde data zijn alleen te gebruiken voor het hier geschetste onderzoek en mogen niet voor andere doeleinden worden gebruikt.

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Jachtwerf Leechlan aan de Leechlân te Grou. Eindrapport maart 2018

INHOUDSOPGAVE

1. INLEIDING ....................................................................................................................................................... 2 1.1 INLEIDING................................................................................................................................................. 2 1.2 HET PLANGEBIED EN DE PLANNEN ............................................................................................................. 2 1.3 DOELSTELLING VAN HET ONDERZOEK ........................................................................................................ 5 1.4 OPBOUW RAPPORT................................................................................................................................... 6 2. BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN ........................................................................................... 7 2.1 WET NATUURBESCHERMING ..................................................................................................................... 7 2.2 RODE LIJST .............................................................................................................................................. 7

3. METHODE ....................................................................................................................................................... 8

4. RESULTAAT INVENTARISATIE EN BEOORDELING ................................................................................... 9 4.1 FLORA ..................................................................................................................................................... 9 4.2 VLEERMUIZEN .......................................................................................................................................... 9 4.3 OVERIGE ZOOGDIEREN ............................................................................................................................. 9 4.4 BROEDVOGELS....................................................................................................................................... 10 4.5 AMFIBIEËN ............................................................................................................................................. 10 4.6 VISSEN .................................................................................................................................................. 10 4.7 REPTIELEN............................................................................................................................................. 10 4.8 OVERIGE................................................................................................................................................ 10 5.

SAMENVATTENDE CONCLUSIE ................................................................................................................. 11

GERAADPLEEGDE LITERATUUR................................................................................................................... 12

BIJLAGEN ......................................................................................................................................................... 13 1. PLANGEBIED ........................................................................................................................................ 14 2. BEGRIPPEN........................................................................................................................................... 16

Adviesbureau Mertens

1

Wageningen

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Jachtwerf Leechlan aan de Leechlân te Grou. Eindrapport maart 2018

1. INLEIDING 1.1 Inleiding Er is het voornemen voor de uitbreiding van Jachtwerf Leechlan aan de Leechlân te Grou (zie figuur 1). De aanwezigheid van beschermde planten- en diersoorten vormt een te onderzoeken aspect omdat met de plannen effecten kunnen ontstaan op soorten die beschermd zijn via de Wet natuurbescherming. Op grond hiervan is aan Adviesbureau Mertens B.V. uit Wageningen gevraagd om een verkennend veldonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van wettelijk beschermde soorten en indien aanwezig, aan te geven hoe hiermee dient te worden omgegaan. In dit rapport worden de resultaten van deze verkenning gepresenteerd.

N▲

Figuur 1. Globale ligging van Jachtwerf Leechlan aan de Leechlân te Grou.

1.2 Het plangebied en de plannen Het plangebied van Jachtwerf Leechlan is gelegen aan de Leechlân te Grou. Dit gebied betreft een weidegebied ten noorden van de Jachtwerf (zie figuur 2 en bijlage 1 voor de exacte ligging). Met de realisatie van de plannen de haven uitgebreid en een winterstalling gerealiseerd. In figuur 2 wordt een beeld gegeven van het plangebied op vrijdag 9 februari 2018.

Adviesbureau Mertens

2

Wageningen

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Jachtwerf Leechlan aan de Leechlân te Grou. Eindrapport maart 2018

Figuur 2. Foto-impressie van de plangebieden aan het Jachtwerf Leechlan aan de Leechlân te Grou.

Adviesbureau Mertens

3

Wageningen

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Jachtwerf Leechlan aan de Leechlân te Grou. Eindrapport maart 2018

Vervolg figuur 2. Foto-impressie van de plangebieden aan het Jachtwerf Leechlan aan de Leechlân te Grou.

Adviesbureau Mertens

4

Wageningen

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Jachtwerf Leechlan aan de Leechlân te Grou. Eindrapport maart 2018

Figuur 3. Bestaande situatie (boven) en plansituatie (onder) van Jachtwerf Leechlan aan de Leechlân te Grou. 1.3 Doelstelling van het onderzoek De doelstelling van het onderzoek is tweeledig. Enerzijds wordt inzichtelijk gemaakt welke wettelijk beschermde natuurwaarden in het kader van de soortbescherming van planten- en diersoorten te verwachten zijn. Anderzijds worden de consequenties van deze aanwezigheid voor de planontwikkeling weergegeven. Gelet op de opdracht genoemd in de inleiding en de doelstelling, is het van belang dat de volgende vragen worden beantwoord:

Adviesbureau Mertens

5

Wageningen

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Jachtwerf Leechlan aan de Leechlân te Grou. Eindrapport maart 2018 1. Welke wettelijk beschermde planten- en diersoorten komen mogelijk voor ter plaatse van en in de directe omgeving van het plangebied? 2. Welke verwachte wettelijk beschermde planten- en diersoorten ondervinden nadelen van de plansituatie? 3. Hoe dient te worden omgegaan met eventuele negatieve effecten van de plansituatie op wettelijk beschermde planten- en diersoorten? 1.4 Opbouw rapport Na een korte uitleg over de soortbescherming van de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 2) komen achtereenvolgens aan de orde: - De onderzoeksmethode (hoofdstuk 3). - Een beschrijving van de aanwezigheid van beschermde soorten (hoofdstuk 4). - Een beoordeling van de effecten op beschermde soorten (hoofdstuk 5). In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van de gebruikte definities en afkortingen.

Adviesbureau Mertens

6

Wageningen

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Jachtwerf Leechlan aan de Leechlân te Grou. Eindrapport maart 2018

2. BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN 2.1 Wet natuurbescherming Per 1 januari 2018 is de Wet natuurbescherming van kracht geworden. Deze wet integreert de Flora- en faunawet, Boswet en Natuurbeschermingswet 1998 tot één wet. Deze wet implementeert tevens de Vogelen Habitatrichtlijn en andere verdragen in het nationaal natuurbeschermingsrecht. Het bevoegd gezag is Gedeputeerde Staten van de Provincie(s) waar een project wordt gerealiseerd. Gedeputeerde Staten kunnen deze bevoegdheid ook overdragen conform lid 7 van deze wet. De nieuwe Wet natuurbescherming sluit aan bij de internationale kaders zoals de Vogel- en Habitatrichtlijn. De soortbescherming richt zich dan ook primair op de bescherming van plant- en diersoorten die genoemd zijn in deze richtlijnen. Daarnaast is een deel van de soorten van de Rode Lijst (zie paragraaf 2.3) beschermd via de Nieuwe Wet natuurbescherming. Tevens geldt voor alle soorten de algemene zorgplicht, zoals deze ook al gold onder de Flora- en faunawet. Indien een plan resulteert in negatieve beïnvloeding van een soort of soorten kan ontheffing worden verleend conform artikel 3.3 van de Wet natuurbescherming voor soorten van artikel 3.1 en 3.2 (Vogelrichtlijnsoorten). Ontheffing kan worden verleend conform artikel 3.8 van de Wet natuurbescherming voor soorten van artikel 3.4 en 3.6 (Habitatrichtlijnsoorten).

De criteria voor ontheffingsverlening voor deze soorten zijn identiek aan die van de Flora- en faunawet omdat de ontheffingsgronden van de Vogel- en Habitatrichtlijn gelijk zijn gebleven. Het nationaal recht staat het niet toe om hiervan af te wijken. Provincies kunnen voor de nationaal beschermde soorten een algemene vrijstelling verlenen. In de Provincie Friesland wordt voor een aantal soorten vrijstelling verleend in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Het betreft o.a. aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos en woelrat. 2.2 Rode lijst De Rode lijst met bedreigde soorten is eind 2004 gepubliceerd in de Staatscourant en voor een deel in 2009 herzien. Aan de op deze lijst genoemde soorten komt bescherming toe voor zover zij vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming. Tussen de Wet natuurbescherming en de Rode lijsten bestaat geen formele relatie. Alleen op basis van “gunstige staat van instandhouding” kunnen bij beschermde Rode lijstsoorten "zwaardere" randvoorwaarden gelden ten aanzien van mitigerende en compenserende maatregelen dan voor algemene soorten.

Zo zal het bij zeer algemeen voorkomende soorten die gering afnemen in aantal (Rode lijstsoort met het criterium gevoelig) relatief eenvoudig zijn om aan te tonen dat de "gunstige staat van instandhouding" niet in het geding komt. Voor soorten met een beperkt verspreidingsbeeld en die afnemen in aantal (soorten van de Rode lijst met het criterium bedreigd of ernstig bedreigd) is een uitgebreide effectenstudie wenselijk. Voor deze soorten geldt namelijk de zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats. Dit artikel is derhalve ook gericht op het voorkomen van doden en verwonden van algemene soorten. Op deze manier wordt nader invulling gegeven aan de bescherming van soorten die in aantal en/of verspreiding afnemen.

Adviesbureau Mertens

7

Wageningen

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Jachtwerf Leechlan aan de Leechlân te Grou. Eindrapport maart 2018

3. METHODE Op vrijdag 9 februari 2018 is een bezoek gebracht aan het plangebied en de directe omgeving. Gedurende dit bezoek is dit gebied en de directe omgeving beoordeeld op het mogelijk voorkomen van beschermde planten- en diersoorten. Dit vond plaats aan de hand van aanwezige ecotopen en sporen. Er is beperkt gebruik gemaakt van bestaande verspreidingsgegevens om het (potentieel) voorkomen van beschermde soorten te bepalen omdat deze via o.a. Waarneming.nl worden beheerd voor een veel groter gebied. Overige waarnemingen worden tevens bewaard voor een groot gebied, namelijk op kilometerniveau zoals weergegeven op www.telmee.nl. en op een nog groter schaalniveau in verspreidingsatlassen.

Adviesbureau Mertens

8

Wageningen

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Jachtwerf Leechlan aan de Leechlân te Grou. Eindrapport maart 2018

4. RESULTAAT INVENTARISATIE EN BEOORDELING 4.1 Flora Het plangebied is in cultuur gebracht en betreft een weidegebied. Het gebied is jong en het pioniersstadium niet ontgroeid. De aanwezigheid van beschermde planten wordt derhalve uitgesloten. Gedurende het verkennend veldonderzoek op vrijdag 9 februari 2018 zijn geen beschermde plantensoorten of resten van beschermde plantensoorten vastgesteld. Planten die beschermd worden via de Wet natuurbescherming komen voor in specifieke natuurlijke ecotopen. Dergelijke ecotopen komen niet voor. Op grond hiervan wordt de aanwezigheid van beschermde plantensoorten uitgesloten.

4.2 Vleermuizen Getoetst is op de verschillende functies die het plangebied kan hebben voor vleermuizen. Dit betreft plaatsen waar vleermuizen kunnen verblijven (verblijfplaatsen zoals kolonie-, paar- en winterverblijfplaatsen), vaste routen tussen verblijfplaatsen in de zomer en winter; respectievelijk vlieg- en migratierouten en plaatsen en gebieden waar vleermuizen foerageren. De aanwezigheid van verblijfplaatsen zoals kolonie-, paar- en overwinteringsplaatsen van vleermuizen kan worden uitgesloten. In het plangebied zijn geheel geen geschikte potentiele verblijfplaatsen aangetroffen. Met de realisatie en gebruik van de plannen worden geen landschapselementen beïnvloed. Negatieve effecten op vliegroutes van vleermuizen worden derhalve uitgesloten. De aanwezigheid van migratieroutes in het plangebied wordt uitgesloten omdat grootschalige landschapselementen zoals dijken en rivieren niet voorkomen in het plangebied. Het westelijk gelegen water Het Pomprak wordt niet beïnvloed door de plannen Met de realisatie van de plannen zal het gebied niet van vorm veranderen, gelet op de foerageermogelijkheden van vleermuizen. Mogelijk foerageert er sporadisch gewone dwergvleermuis als gevolg van de aanwezige ecotopen (pioniervegetatie) en de openheid van het gebied (weinig oriëntatiemogelijkheden). In de omgeving zijn ook voldoende alternatieve foerageerplaatsen aanwezig.

Effecten op de foerageermogelijkheden van vleermuizen worden derhalve uitgesloten.

4.3 Overige zoogdieren Gelet op de aanwezige ecotopen in het plangebied en de geografische ligging (zie Broekhuizen e.a., 2016) wordt het de aanwezigheid van internationaal beschermde overige zoogdieren uitgesloten. Mogelijk komen in het plangebied, bijvoorbeeld aan de randen, bosmuis, veldmuis en huisspitsmuis voor. Voor deze algemeen voorkomende zoogdieren bestaat een algemene provinciale vrijstelling in de Provincie Friesland.

Adviesbureau Mertens

9

Wageningen

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Jachtwerf Leechlan aan de Leechlân te Grou. Eindrapport maart 2018

4.4 Broedvogels Gedurende het verkennend veldonderzoek op vrijdag 9 februari 2018 zijn geen geschikte (potentiële) nestlocaties aangetroffen voor vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen. In de bomen rond het plangebied zijn geen oude nesten van bijvoorbeeld sperwer of buizerd vastgesteld. In het plangebied kunnen algemene broedvogels broeden zoals winterkoning, heggenmus in opgaand groen, meerkoet en waterhoen langs de sloot en kievit op het weiland. Gedurende het veldonderzoek op vrijdag 9 februari 2018 is waterhoen en merel vastgesteld. In verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels is het noodzakelijk om groen te rooien buiten het broedseizoen en/of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. 4.5 Amfibieën Gelet op de aanwezige ecotopen van het plangebied en de geografische ligging (zie Ravon.nl, Creemers & Delft, 2009) wordt de aanwezigheid van internationaal beschermde amfibieën uitgesloten. Voor heikikker zijn er geen geschikte ecotopen aanwezig zoals verlandingsvegetaties in de sloten. Mogelijk komen aan de randen wel gewone pad, grote groene kikker en bruine kikker voor. Voor de algemene soorten amfibieën bestaat een algemene provinciale vrijstelling in de Provincie Friesland.

4.6 Vissen Met de realisatie van de plannen worden sloten vergraven en natuurlijk ingericht. Met het van kracht worden van de Wet natuurbescherming zijn bijvoorbeeld kleine modderkruiper en bittervoorn niet meer beschermd. Voor de nog wel beschermde grote modderkruiper zijn de sloten geen leefgebied doordat geschikte ecotopen ontbreken. De grote modderkruiper heeft wateren nodig met een dikke sliblaag en een goed ontwikkelde oever. In het plangebied ontbreekt het aan dergelijke wateren. 4.7 Reptielen Gezien de huidige aanwezige ecotopen van het plangebied ten opzichte van de verspreiding van reptielen (zie Ravon.nl, Creemers & Delft, 2009), kan de aanwezigheid van reptielen worden uitgesloten. 4.8 Overige Gezien de huidige aanwezige ecotopen kan de aanwezigheid van beschermde ongewervelden (o.a. diverse soorten dagvlinders en libellen) worden uitgesloten. Nationaal beschermde dagvlinders en libellen komen alleen voor in specifieke ecotopen.

Adviesbureau Mertens

10

Wageningen

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Jachtwerf Leechlan aan de Leechlân te Grou. Eindrapport maart 2018

5. SAMENVATTENDE CONCLUSIE Er is het voornemen voor de uitbreiding en het gebruik van Jachtwerf Leechlan aan de Leechlân te Grou. Deze activiteit zou kunnen samen gaan met effecten op beschermde planten- en diersoorten. Op grond hiervan is een verkennend veldonderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde soorten. In verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels is het van belang om werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten en/of te werken op een manier dat vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). Het voorkomen van en effecten op vleermuizen en vogels met vaste rusten verblijfplaatsen kan worden uitgesloten. Mogelijk vliegen en foerageren er vleermuizen. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Er zijn daarnaast mogelijk algemene nationaal beschermde zoogdieren en amfibieën aanwezig. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in provincie Friesland. Het voorkomen van overige beschermde soorten wordt uitgesloten. Op grond van de bovenstaande analyse worden effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten; de plannen van de uitbreiding en het gebruik van de Jachtwerf Leechlan aan de Leechlân te Grou zijn niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming.

Adviesbureau Mertens

11

Wageningen

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Jachtwerf Leechlan aan de Leechlân te Grou. Eindrapport maart 2018

GERAADPLEEGDE LITERATUUR Literatuur  Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J.B.M., 2016. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Nationaal Natuurhistorisch Museum Leiden, VZZ, Nijmegen, 1-348.  Creemers, C.M., Delft, J., 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nijmegen, 1-476.  EEG, 1979. Richtlijn 79/43/EEG inzake het behoud van de Vogelstand. Publicatieblad den Europese Gemeenschap, nummer L. 103.  EEG, 1992. Richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van wilde flora en fauna. Publicatieblad van den van de Europese Gemeenschap, nummer L. 206/7.  Gerstmeier, R., Romig, T., 1997. Zoetwatervissen van Europa, Tirion, Baarn, 1-368.  Hustings, F., Vergeer, J.W., Eekelder, P., 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nationaal Natuurhistorisch Museum Leiden, SOVON, Beek-Upbergen, 1-584.  Limpens, H., Mostert, K., Bongers, W., 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. KNNV, Utrecht, 1260.  Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Dienst Regelingen, 2009a. Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep. Ministerie van ELI (Dienst Regelingen), Den Haag.  Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Dienst Regelingen, 2009b. Uitleg aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen Flora- en faunawet. Ministerie van ELI (Dienst Regelingen), Den Haag.

 Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 2004. Rode lijsten diverse soortgroepen.  Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 2009. Rode lijsten diverse soortgroepen.  Ministerie van Economische Zaken, 2016. Wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming). Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden 34 (2016), 1-84.  Nie, H.W. de, 1996. Atlas van de Nederlandse Zoetwatervissen. Media Publishing, Doetinchem, 1-151.  Spikmans, F, Jong, T. de, 2006. Het waarnemen van zoetwatervissen, Nijmegen, 1-55.  SOVON, 1987. Atlas van de Nederlandse broedvogels.

Website  www.ravon.nl  www.waarneming.nl  www.sovon.nl  www.telmee.nl  www.zoogdiervereniging.nl

Adviesbureau Mertens

12

Wageningen

BIJLAGEN

1. PLANGEBIED

N▲

2. BEGRIPPEN Baltsplaats

Plaats waar een vleermuis al roepend rondvliegt in de herfst en die doorgaans wordt verdedigd tegen andere mannetjes.

Foerageergebied

Een gebied waar een vleermuis of een groep van vleermuizen foerageert. Dat gebied wordt regelmatig bezocht door vleermuizen om in te foerageren en dat doorgaans meerdere foerageerplaatsen kent die langere tijd worden gebruikt.

Foerageerplaats

Plek (jachtplek) waar wordt gejaagd door vleermuizen. De plek kan in de directe omgeving van de kolonieplaats liggen maar ook kilometers verderop.

Kolonie

Groep vleermuizen (kleine groep mannetjes of meestal grotere groep vrouwtjes, soms gemengd (soorten, geslacht)) die in het voorjaar tot de herfst bijeen blijven. De groep kan zich vestigen in gebouwen (in spouwmuren of onder daklijsten e.d.) of bomen (spechtengaten, scheuren). Een groep vrouwelijke vleermuizen wordt ook wel aangeduid als een kraamkolonie. In zo'n groep worden jongen geboren en grootgebracht. Een kolonie maakt vaak gebruik van meerdere verblijfplaatsen die soms gelijktijdig worden gebruikt.

Migratieroute

Een vaste route van zomerverblijfplaats naar winterverblijfplaats en visa versa (zie ook vliegroute) of een route in een andere tijd; bijvoorbeeld tussen foerageerplaatsen.

Paarplaats

Territorium van territoriale mannetjes. Voor de ruige dwergvleermuis en de rosse vleermuis is dit doorgaans te vinden in boomholten. Voor de laatvlieger en de dwergvleermuis is dit te vinden in gebouwen. Voor de watervleermuis is dit te vinden in bomen en later, tegen de winter, zijn ze te vinden in overwinteringverblijven. Het mannetje vormt een harem met meerdere vrouwtjes. De paartijd valt in de herfst (uitgezonderd de grootoorvleermuis waarbij het in april valt (vroege voorjaar). De hier geschetste situatie van de paring wordt in dit rapport omschreven als “herfst situatie”.

Verblijfplaats

Een object (huis, boom, bunker, grot, kast en dergelijke) waarin een of meerdere vleermuizen verblijven (overdag of ’s winters permanent).

Vliegroute

Route die door vleermuizen elke avond wordt gebruikt om van de kolonieplaats naar foerageergebied te vliegen en visa vers (zie ook migratieroute). Vrouwtjes met jongen keren soms midden in de nacht terug om de jongen te zogen en gebruiken dan de route. Vliegroutes liggen over het algemeen langs lijnvormige (landschaps)elementen als bomenlanen, huizenrijen e.d. De functies zijn beschutting bij winderig en koud weer, oriëntatie in verband met de echolokatie-geluiden en het vinden van voedsel.

Voorbijvliegend

Vleermuizen die voorbijvliegen, niet via een vaste route. Het betreft meestal zwervers of trekkers.

Zwermen

Direct na het uitvliegen, naar vooral voor het invliegen bij een kolonie zwermt een deel van de kolonie rond de kolonieplaats. Zwermgedrag is derhalve een indicatie voor een eventuele kolonieplaats.

Winterverblijfplaats Een verblijfplaats waar in de winter een of meerdere vleermuizen in winterslaap (hybernation) gaan. Deze ruimte is doorgaans donker, heeft een hoge luchtvochtigheid en

temperatuurwisselingen zijn nihil. Zomerverblijfplaats Een verblijfplaats die gebruikt wordt door vleermuizen die niet in winterslaap zijn waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats is. In sommige gevallen vormen bijvoorbeeld mannetjes kleine groepjes.

BIJLAGE 3

Jachthaven Leechlân T.a.v. de heer B.H. Talsma Leechlân 4 9001 ZH GROU

Leeuwarden, 30 januari 2019 Bijlage: watervergunning Dossiernummer: WFN.034882

Ons kenmerk: WFN1901219 Tel: 058 2922087/P.L. Oosterbaan/svdm E-mail: poosterbaan@wetterskipfryslan.nl

Cluster Vergunningverlening Uw kenmerk: -

Onderwerp: Watervergunning.

Geachte heer Talsma, Op 8 maart 2018 hebben wij uw aanvraag ontvangen voor een vergunning als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Waterwet voor het verrichten van handelingen in een watersysteem. De aanvraag betreft de uitbreiding van de bestaande jachthaven op het adres Leechlân 4 te Grou in een watersysteem of beschermingszone waarvoor krachtens de Keur van Wetterskip Fryslân een vergunning is vereist. Het besluit met bijbehorende voorwaarden en informatie over de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen dit besluit of een voorlopige voorziening te vragen, sturen wij u hierbij toe. Voor deze watervergunning zal bij afzonderlijk besluit een legesbedrag van € 638,45 in rekening worden gebracht. Wij adviseren u om na te gaan of u voor de voorgenomen werkzaamheden andere vergunningen of toestemmingen nodig heeft. Voor nadere inlichtingen over deze brief en de watervergunning kunt u contact opnemen met de heer P.L. Oosterbaan van Cluster Vergunningverlening, tel. 058 2922087. Hoogachtend, het dagelijks bestuur van Wetterskip Fryslân, namens deze,

ing. H. Siebold, teamleider Vergunningverlening.

WFN1901219

WATERVERGUNNING Leeuwarden, 30 januari 2019 Kenmerk: WFN1901219

Op 8 maart 2018 hebben wij van Jachthaven Leechlân te Grou een aanvraag ontvangen voor een vergunning als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Waterwet voor het verrichten van handelingen in een watersysteem. De aanvraag betreft de uitbreiding van de bestaande jachthaven op het adres Leechlân 4 te Grou in een watersysteem of beschermingszone waarvoor krachtens de Keur van Wetterskip Fryslân een vergunning is vereist. Procedure Met betrekking tot deze aanvraag watervergunning wordt de in Titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht voorgeschreven procedure gevolgd. Overwegingen Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij rekening gehouden met de volgende overwegingen.  De doelstellingen van het watersysteembeheer verzetten zich niet tegen het verlenen van de gevraagde vergunning. Aan de vergunning zijn voorwaarden verbonden die noodzakelijk zijn uit het oogpunt van bescherming van de doelstellingen van het watersysteembeheer.  De aanvraag is getoetst aan het ontheffingenbeleid van Wetterskip Fryslân en er zijn vanuit dat oogpunt bezien geen bezwaren tegen het verlenen van de vergunning.  De kadelengte neemt enigszins toe maar omdat wij tevens een gedeelte kade op hoogte krijgen, is besloten af te zien van het opleggen van een afkoopsom voor de toename.  Er is een toelichting op de peilwijziging opgesteld.

BESLUIT Het dagelijks bestuur van Wetterskip Fryslân besluit, gezien het voorgaande en gelet op de bepalingen van de Waterwet, het Waterbesluit, de Waterregeling, de Algemene wet bestuursrecht en de Keur van Wetterskip Fryslân, Jachthaven Leechlân c.q. diens rechtverkrijgenden, vergunning te verlenen op basis van artikel 3.2 van de Keur van Wetterskip Fryslân. De vergunning betreft de uitbreiding van de bestaande jachthaven op het adres Leechlân 4 te Grou, zoals nader staat aangegeven op de bij de aanvraag ingediende tekeningen met de nummers 16-042 BEST-01a, 16042 BE-01a en 16-42 BE-02a.

WFN1901219

Pagina 1 van 3

Begripsomschrijving In deze vergunning wordt verstaan onder: Vergunninghouder: Jachthaven Leechlân Leechlân 4 9001 ZH Grou Waterschap:

Het dagelijks bestuur van Wetterskip Fryslân Postbus 36 8900 AA Leeuwarden

Aan deze vergunning zijn de hierna geformuleerde voorwaarden verbonden. Algemene voorwaarden 1.

2. 3.

De aanvang van de werkzaamheden bedoeld in deze vergunning, dient ten minste drie werkdagen van te voren aan het waterschap te worden gemeld op telefoonnummer 058 2922222 onder vermelding van de heer A. Brink, rayon 13. De vergunning dient op het werk aanwezig te zijn. Indien er binnen achttien maanden na dagtekening van deze vergunning niet met de werkzaamheden is gestart, of als de werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van twaalf maanden hebben stilgelegen, vervalt de vergunning.

Bijzondere voorwaarden 1. 2.

Aanwijzingen van de toezichthouder moeten altijd worden opgevolgd. De bestaande kade mag pas worden doorgraven als de nieuwe kade is aangebracht.

Het dagelijks bestuur van Wetterskip Fryslân, namens deze,

ing. H. Siebold, teamleider Vergunningverlening.

WFN1901219

Pagina 2 van 3

Bezwaarschriftprocedure Bezwaarschrift Binnen zes weken na de dag van verzending van deze brief kunt u, met toepassing van afdeling 6.2 van de Algemene wet bestuursrecht, tegen dit besluit bezwaar maken bij het dagelijks bestuur van Wetterskip Fryslân. Ingevolge artikel 6:5 lid 1 Awb dient het bezwaarschrift te worden ondertekend en tenminste te bevatten: uw naam en adres; de dagtekening; een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht; de gronden van bezwaar. Voorlopige voorziening Naast het indienen van een bezwaarschrift kunt u ingeval van onverwijlde spoed, met toepassing van artikel 8:81 Awb, een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening indienen bij de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland, Afdeling bestuursrecht, Postbus 150, 9700 AD Groningen. Informatie Voor verdere informatie over het indienen van een bezwaarschrift of het vragen van een voorlopige voorziening kunt u contact opnemen met de afdeling Bedrijfsvoering, Team Juridische Zaken van Wetterskip Fryslân, telefoonnummer 058 2922222.

WFN1901219

Pagina 3 van 3

BIJLAGE 4

provinsje fryslan provincie fryslân ^ postbus 20120 8900 hm leeuwarden tweebaksmarkt 52 (058) 292 59 25

College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden Postbus 21000 8900 JA LEEUWARDEN

www.fryslan.frl provinae@fryslan.frl www.twitter.com/provfryslan

Ö <rö 1/3 r-

(V Î/3

Ö

• fH

ö

Leeuwarden, 6 december 2022 Verzonden, _ g ggg 2|)22

;h

Ons kenmerk Afd./Opgave Behandeld door Uw kenmerk Bijlage(n)

02051917 Omgevingszaken

Ondenverp

; Aangepaste ontheffing en overlegadvies omgevingsvergunning voor het uitbreiden van de jachthaven aan het Leechlân 4 te Grou

Omgevingszaken / (058) 292 59 25 of romte(gfryslan.frl 2022-243795

Geacht college, I. Aanvraag Op 13 maart 2018, kenmerk 1503945 hebben wij overeenkomstig de bepalingen in de artike­ len 10.1.1 en 10.2.1 van de Verordening Romte 2014, een ontheffing verleend voor de uit­ breiding van de jachthaven aan het Leechlân. In uw brief van 9 november 2022, kenmerk 2022-243795 verzoekt u om een aangepaste ontheffing. Dit is nodig omdat het terrein- en inrichtingsplan, behorende bij het ontheffingsverzoek uit 2018 is gewijzigd. In uw brief verzoekt u tevens om een overlegadvies over de voorontwerpomgevingsvergunning voor de uitbreiding van de jachthaven. Dit advies treft u aan onder punt IV. II. Overwegingen ontheffing Het gewijzigde terrein- en inrichtingsplan bij de uitbreiding van de jachthaven is beoordeeld door het kwaliteitsteam van de provincie. Het kwaliteitsteam is van mening dat akkoord kan worden gegaan met de wijzigingen in het terrein- en inrichtingsplan. Op 6 juli 2022 heeft u hiervan per mail een bevestiging ontvangen. Wij menen, op grond van het voorgaande, dat meegewerkt kan worden aan een aanpassing van de ontheffing. Concreet betekent dit dat het terrein- en inrichtingsplan zoals behorend bij uw brief van 15 januari 2018, kenmerk 2018-Z62969 wordt vervangen door het terrein- en inrichtingsplan, zoals behorend bij uw brief van 9 november 2022. -1 /3-

Ons kenmerk:

02051917

provinsje fryslân provincie fryslân ^

III. Procedure Voor de mogelijkheid van beroep en de behandeling van en de uitspraak op beroep worden de verleende ontheffing, de aangepaste ontheffing en het besluit waarop die ontheffing be­ trekking heeft, als één besluit aangemerkt (artikel 8.3 lid 4 Wro). IV. Advies vooroverleg In de eerder afgegeven ontheffing is als voonvaarde opgenomen dat in de ruimtelijke onder­ bouwing en (ontwerp)omgevingsvergunning de provinciale belangen op juiste wijze moeten worden verwerkt en dat er voldoende aandacht wordt gegeven aan de omgevingsaspecten. U heeft inmiddels een ruimtelijke onderbouwing opgesteld en deze informeel al eerder door de provinciale dienst laten beoordelen. Op 28 juni 2022, kenmerk 2008386 zijn u per mail nog een paar opmerkingen doorgegeven. De opmerkingen hadden betrekking op de volgen­ de onderwerpen; borging landschappelijke inpassing. Natura 2000 gebieden, weidevogelkansgebied, ontgrondingen en externe veiligheid. De nu voorgelegde aangepaste ruimtelijke onderbouwing geeft ons aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen. Borging landschap Wij adviseren u in de ontwerpfase een ontwerp-omgevingsvergunning bij de stukken te voe­ gen, met daarin een voorschrift met betrekking tot de uitvoering van de landschappelijke in­ passing conform het terrein- en inrichtingsplan binnen een door u gestelde termijn.

Stikstof U heeft een berekening van de stikstofdepositie laten maken volgens de op dit moment ac­ tuele calculator. Wij adviseren u de ontwikkelingen in de stikstofdiscussie te volgen en indien nodig voor de vaststelling van het plan nog een laatste update van de berekening te maken met de calculator die eind januari 2023 verschijnt. Voor het overige bent u in voldoende mate tegemoet gekomen aan de eerder door de pro­ vinciale dienst gemaakte opmerkingen.

-2/3-

Ons kenmerk:

02051917

ö

(V c/3

ö

• fH

O p.

provinsje fryslân provincie fryslân ^

ö

<rö 1/1

Beslissing Gedeputeerde Staten van Fryslân

M-H BESLUITEN:

De eerder verleende ontheffing van 13 maart 2018, kenmerk 1503945 op grond van artikel 10.1.1 Verordening Romte 2014 aan te passen door het terrein- en inrichtingsplan behorend bij de aanvraag van 15 januari 2018, kenmerk 2018-Z62969 als vervallen te beschouwen en het terrein- en inrichtingsplan behorende bij uw brief van 9 november 2022, kenmerk 2022243795 als onderdeel van de afgegeven ontheffing te beschouwen.

/1

Ö

• F-l

O u

HoogachtOTd,

a

Gedeputeerde Staten van Fryslân,

C'

dfs.

o;

o rzitte r

A. Schepers, MSc, secretaris

-3/3-

Ons kenmerk:

02051917

BIJLAGE 5

Aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling (vormvrij)

Postbus 150, 3000 AD Rotterdam Telefoon: 010-2018555 Fax: 010-4121039 E-mail: info@rho.nl

Onderwerp:

Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Uitbreiding jachthaven Leechlan 4 te Grou

Datum:

29 februari 2018

Referentie:

H.M. Smit BSc

Bijlage:

Sectorale onderzoeken

Aanleiding Op circa een kilometer ten noorden van de plaats Grou aan de Leechlan 4 is een Jachthaven gelegen. De jachthaven heeft in de huidige situatie 80 ligplaatsen. Het voornemen is om deze jachthaven uit te breiden met 70 ligplaatsen. Hiervoor wordt een deel van het aangrenzend agrarisch perceel afgegraven waarna open water ontstaat. Verder wordt een toiletgebouw gerealiseerd en zal een groenstrook worden aangebracht ten oosten van het projectgebied. Om de uitbreiding mogelijk te maken wordt een ruimtelijke procedure doorlopen. Ten behoeve van deze ruimtelijke procedure is eveneens een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. De betreffende projectlocatie is weergegeven in de volgende figuur.

Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling: Uitbreiding Jachthaven, Leechlan 4 te Grou

Toetsingskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het kader van het ruimtelijkplan planm.e.r.-plichtig, projectm.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Ook wanneer de drempelwaarden niet worden overschreden moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten nagaan of mogelijk sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, die aanleiding geven om een milieueffectrapport (MER) op te stellen. Daarbij moet worden gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. In de bijlage van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het ruimtelijkplan planm.e.r.plichtig (onderdelen C en D), projectm.e.r.-plichtig (onderdeel C) of m.e.r.-beoordelingsplichtig (onderdeel D) zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. In de bijlage van het Besluit m.e.r. is in categorie D10 de aanleg, wijziging of uitbreiding van een jachthaven opgenomen. De drempelwaarde voor een formele m.e.r.beoordeling in het Besluit m.e.r.

ligt op: 250.000 bezoekers of meer per jaar, een oppervlakte van 25 hectare of meer, 100 ligplaatsen of meer of een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied. In de ruimtelijke procedure worden 70 extra ligplaatsen met een oppervlakte van 10.000 m2 mogelijk gemaakt. De ruimtelijke ontwikkeling ligt daarmee ruimschoots onder de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. en is daarmee niet rechtstreeks planm.e.r.-, projectm.e.r. of m.e.r.-beoordelingsplichtig. Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Hierin is geregeld dat ook voor projecten die zijn opgenomen in bijlage D, maar beneden de drempelwaarden vallen, een besluit moet worden genomen of een MER nodig is. In dat kader wordt afgewogen of het plan – ondanks dat het ruim onder de drempelwaarde blijft - mogelijk toch belangrijke negatieve milieueffecten heeft, op basis van de eerder genoemde omstandigheden. Dit is een “vormvrije” m.e.r.-beoordeling. Systematiek Deze notitie is opgesteld om, vooruitlopend op het ruimtelijke plan, een besluit te nemen over de noodzaak voor het opstellen van een milieueffectrapportage.

Op basis van de omvang van de ontwikkeling, de ligging van het projectgebied en de reeds uitgevoerde sectorale onderzoeken voor de ruimtelijke procedure wordt in deze notitie een beoordeling gegeven van de kenmerken, de plaats en de potentiële effecten van de ontwikkeling. Beoordeling Kenmerken van het project Het project omvat de uitbreiding van een jachthaven. Het aantal ligplaatsen wordt vergroot met 70 ligplaatsen. Met de realisatie van het aantal ligplaatsen wordt circa 10.000 m3 grond afgegraven waarna een oppervlakte van 10.000 m2 open water ontstaat. Met de ontgraving wordt de regionale kering doorsneden, De vrijkomende grond binnen het project wordt gebruikt voor de realisatie van de nieuwe kering. Het totale project beslaat een oppervlakte van circa 11.000 m2. De omvang van het project is relatief klein, zowel in relatie tot de drempelwaarden in het Besluit m.e.r. als in relatie tot het buitengebied van Grou waar de ontwikkeling plaatsvindt (een plaats met circa 5.733 inwoners met bijbehorend oppervlak). Plaats van het project Het project is gelegen in het buitengebied op circa 1 kilometer ten noorden van de plaats Grou. De locatie van de beoogde ontwikkeling bestaat uit grasland ten noorden van de huidige jachthaven. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een gevoelig gebied, zoals een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Friesland.

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Alde Feanen ligt op circa 2,6 kilometer afstand. Uit de kaart van het Natuurbeheerplan blijkt dat op circa 400 meter ten noord oosten van de projectlocatie een NNN-gebied is gelegen. Op circa 1,6 kilometer ten oosten van de jachthaven is een stiltegebied aanwezig. Het project is niet gelegen binnen grondwaterbeschermingsgebieden. De ten westen gelegen hoofdwatergang (Pomprak) is aangemerkt als KRW Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling: Uitbreiding Jachthaven, Leechlan 4 te Grou

waterlichaam. De Pomprak maakt onderdeel uit van de Friese boezem en is voorzien van een regionale kering. Activiteiten in of nabij een watergang zijn vergunningplichtig. De projectlocatie is gelegen binnen de waarde archeologie “karterend onderzoek 1 (Middeleeuwen)” en “karterend onderzoek 3 (steentijd-bronstijd)”. Dit houd in dat archeologische onderzoek moet worden uitgevoerd bij ingrepen in de bodem met een oppervlakte van 500 m2 of meer. Kenmerken potentiële effecten In deze paragraaf worden de belangrijkste milieueffecten van de ontwikkeling beschreven. De effectbeoordeling in deze paragraaf is gebaseerd op de sectorale onderzoeken die zijn uitgevoerd ten behoeve van het ruimtelijke plan. Verkeer In de huidige situatie wordt uitgegaan van de verkeersbewegingen binnen het hoogseizoen. Afgerond naar boven betreft de huidige verkeerbewegingen circa 5 mvt/etmaal. Bij de uitbreiding van de jachthaven wordt uitgegaan van een verdubbeling van de verkeersbewegingen circa 10 mvt/etmaal (in het hoogseizoen). Hierdoor is er geen sprake van een grote verkeerstoename als gevolg van de ontwikkelingen ten opzichte van de huidige situatie. Binnen de projectlocatie is voldoende ruimte aanwezig om te kunnen voorzien in de parkeerbehoefte. De locatie blijft voor zowel gemotoriseerd- als fietsverkeer goed ontsloten. Er is dan ook sprake van een aanvaardbare verkeerssituatie.

Woon- en leefklimaat als gevolg van (bedrijfsmatige) activiteiten Conform de VNG-publicatie kan een jachthaven geschaald worden onder milieucategorie 3.1 met een bijbehorende richtafstand van 50 meter voor geluid. De genoemde richtafstand geld voor het omgevingstype rustig buitengebied. In de nabije omgeving zijn geen woningen gelegen. Aan de genoemde richtafstand wordt dan ook voldaan. Externe veiligheid In de huidige situatie is er binnen het terrein een bovengrondse brandstoftank aanwezig. De tank zal niet worden verplaatst. Binnen de PR 10-6-contour worden geen kwetsbare objecten toegevoegd. Het project leidt niet tot nadelige milieugevolgen in de omgeving. Wegverkeerslawaai en luchtkwaliteit De ontsluiting van het gebied vind plaats via de Leechlan. Aan deze ontsluiting zijn geen (beperkt kwetsbare objecten gelegen. De toename van verkeer zorgt niet voor een toename in wegverkeerslawaai. De met de uitbreiding van de jachthaven verwachte verkeerstoename betreft circa 10 mvt/per etmaal binnen het hoogseizoen. De ontwikkeling draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Natuur Gebiedsbescherming De projectlocatie vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. De projectlocatie maakt ook geen deel uit van het natuurnetwerk Nederland (NNN).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leeuwarden&id=230a2df3-0355-459b-b862-97e1eaf9d3a8