CConstaterende datLeeuwarden
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing

Besluitvorming (raad) 4 oktober 2021, gemeente LeeuwardenBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen (vvgb) voor de bouw van twee pluimveestallen Harnsterdyk 7 Stiens19.705 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Watertoets In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het verplicht ruimtelijke plannen te 'toetsen op water', de zogenaamde Watertoets. De Watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets is voor dit plan uitgevoerd en is opgenomen in Bijlage 9. Het plan doorloopt de 'normale procedure'. Dit houdt in dat het waterschap een wateradvies afgeeft. Dit advies wordt navolgend beschreven. Meerlaagse veiligheid Het klimaat verandert en wordt steeds grilliger. Langere perioden van droogte, afgewisseld met korte periodes met intensieve buien, zeespiegelstijging en zwaardere stormen. Naast de verdedigingswerken moet worden ingezet op aanpassingen in de ruimtelijke ordening en calamiteitenbeheersing. Er is in dit verband sprake van meerlaagse veiligheid, dit staat voor Veiligheid in drie lagen. In het kader van ruimtelijke ordening is vooral laag 2 van belang. Het gaat er dan om dat de ruimte op een duurzame manier wordt ingericht. Bijvoorbeeld door geen gevoelige functies te realiseren op plekken die kunnen overstromen. De maaiveldhoogte in het plangebied varieert en ligt naar schatting tussen de -0,20 m NAP en de +0,40m NAP. Onder Peilbeheer in dit wateradvies geven wij een advies over de bouwhoogte bekeken vanuit de drooglegging. Naast de drooglegging is ook de meerlaagse veiligheid van belang.

Het maatgevend boezempeil ter plaatse van het plangebied is op dit moment bepaald op +0,05 m NAP. De regionale waterkering is ontworpen op basis van deze waterstand. Er bestaat een kans dat de regionale waterkering doorbreekt. Het is in geval van een doorbraak van de regionale waterkering belangrijk de negatieve gevolgen zo klein mogelijk en de gevolgschade zo laag mogelijk te houden. Wij adviseren u de bebouwing dusdanig hoog aan te leggen dat er ook bij deze maatgevende waterstand geen wateroverlast optreedt. Het plangebied ligt in een gebied met een overstromingskans van 1:100. Dit betekent dat de regionale waterkering is ontworpen op basis van een maatgevend boezempeil met een kans van voorkomen van 1/100e per jaar.

36

Klimaatadaptatie Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Het is belangrijk kansen te benutten om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming. Bij de inrichting van het plangebied kan hier op geanticipeerd worden door bijvoorbeeld het percentage verhard oppervlak te verminderen en het plangebied groener in te richten. Door nú maatregelen te nemen, is ook beeldkwaliteit van het erf en omgeving van de boerderij mooier en wordt grote schade in de toekomst voorkomen. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het proces worden meegenomen. Zo is voor dit plan hergebruik van regenwater een goede mogelijkheid om versnelde afvoer van water te voorkomen. Peilbeheer Peilgebied en drooglegging Het plangebied ligt in een peilgebied met een vast peil van -1,05 m NAP. Dit vastgestelde peil is een streefpeil. Het werkelijke peil is als gevolg van opstuwing en de weersomstandigheden niet altijd gelijk aan het streefpeil. Het advies is om bij het bepalen van de aanleghoogte rekening te houden met de droogleggingsnorm.

De grondwaterstand is niet gelijk aan het waterpeil in de sloten. Grondwater kan opbollen en uitzakken. Om grondwateroverlast te voorkomen is naast de drooglegginsnorm daarom ook de ontwateringsdiepte van belang. Er is geen gedetailleerde informatie beschikbaar over de grondwaterstanden op de locatie. Het advies is om bij het bepalen van de aanleghoogte naast de drooglegging ook rekening te houden met voldoende ontwateringsdiepte. Grondwateronttrekking Bij de aanleg van gebouwen of infrastructuur is het vaak nodig om het grondwater te verlagen om het werk droog uit te kunnen voeren. Voor het onttrekken van grondwater is een vergunning of melding nodig. Ook op het lozen van onttrokken grondwater is de meldingsplicht van toepassing. Om te weten of met een melding volstaan kan worden of een vergunning nodig is, kan contact opgenomen worden met Cluster Vergunningverlening van Wetterskip Fryslân. Als de bouwplannen concreet zijn zal contact worden opgenomen met het Wetterskip en wordt gekeken of er een vergunning nodig is. Dempingen Onderdeel van het plan is het dempen van oppervlaktewater. Dempingen moeten voor 100% gecompenseerd worden in hetzelfde peilgebied. Voor de demping is een watervergunning nodig. Het oppervlak van de demping zal ongeveer 250 m2 zijn. In nader overleg met Wetterskip Fryslân is aangegeven in zaken te treden omtrent de dempingen.

Omdat de definitieve locatie niet vaststaat dient een watervergunning aangevraagd te worden voor de dempingen. Voor de demping en daarmee samengaande compensatieplicht is op 12 januari 2017 een Watervergunning afgegeven. Het Wetterskip geeft met deze watervergunning aan akkoord te zijn met de uitvoering. De precieze uitwerking zal in een later stadium na overleg worden bepaald. Echter, indien nog niet gestart is met de werkzaamheden, is de vergunning reeds vervallen (periode > 12 maanden). Wellicht dat hiervoor opnieuw een Watervergunning dient te worden aangevraagd. Toename verhard oppervlak

37

Het Wetterskip Fryslân hanteert een compensatienorm van 10%. Voor bebouwd gebied is de ondergrens van 200 m2 van toepassing, in het buitengebied geldt een ondergrens van 1.500 m2. Door de realisatie van het plan neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met 8.500 m2. Ter compensatie dient 850 m2 wateroppervlak gerealiseerd te worden. De initiatiefnemer heeft aangegeven dit te willen compenseren door het vergraven van overhoeken van percelen zoals aangegeven in onderstaand afbeelding. Deze locaties zijn ook in de vergunningaanvraag aangegeven ter compensatie van de demping. Het Wetterskip attendeert dat de 850 m2 bovenop het oppervlak van de demping meegenomen moet worden. Het totaal van de compensatie komt dan uit op 1.100 m2.

Afbeelding: Locaties van watercompensatie In nader overleg met Wetterskip Fryslân is aangegeven in zaken te treden omtrent de locaties van de watercompensatie. Omdat de definitieve locatie niet vaststaat dient een watervergunning aangevraagd te worden voor het realiseren van de watercompensatie. Het Wetterskip heeft aangegeven akkoord te zijn met de uitvoering. De precieze invulling van de compensatiemaatregelen zal in een later stadium na overleg worden bepaald. Hiermee voldoet het plan aan de compensatienorm. Schoonhouden - scheiden - zuiveren Waterkwaliteit Om een goede waterkwaliteit te realiseren is het nodig dat u voorkomt dat milieubelastende stoffen in het oppervlaktewater terecht komen. De bouwwijze en onderhoudstechniek moeten emissievrij zijn. Ook is het nodig dat gebouwd wordt met milieuvriendelijk en duurzaam materiaal. Erfafspoeling Vanaf het erf mogen geen verontreinigende stoffen in het oppervlaktewater terecht komen. Door mest en perssappen uit de voeropslagen kan verontreiniging worden veroorzaakt als deze naar de bodem of het oppervlaktewater (af)stromen. Ook door

38

afstromend regenwater dat in contact is geweest met een niet bezemschoon erf en een niet bezemschone voeropslag kan het oppervlaktewater verontreinigd worden. Deze erfafspoeling dient te allen tijde voorkomen te worden door bepaalde maatregelen te nemen. Voor veel maatregelen geldt dat ze het meest kosteneffectief zijn, als deze direct worden uitgevoerd bij nieuwe bouwactiviteiten. Afkoppelen en waterkwaliteit Om het aantal overstortingen van rioolwater en de belasting van rioolwaterzuiveringen te beperken, is het uitgangspunt om regenwater en rioolwater zoveel mogelijk gescheiden af te voeren. Het hemelwater afkomstig van verhard oppervlak kan, onder bij Waterkwaliteit genoemde voorwaarden, geloosd worden op het oppervlaktewater. Conclusie Er is conctact geweest met het Wetterskip Fryslân over de voorgestelde compensatiemaatregelen. Voor de compensatiemaatregelen dient een Watervergunning te worden aangevraagd. Indien er bij het aanvragen en afgeven van de benodigde Watervergunning overeenstemming is ten aanzien van de benodigde compensatiemaatregelen en er rekening wordt gehouden met de andere maatregelen uit het wateradvies, zal het aspect 'water' geen belemmeringen opleveren bij de voorgenomen ontwikkeling.

4.6

Verkeer en parkeren Parkeren Parkeren kan conform de gemeentelijke parkeernorm worden opgelost op eigen terrein. Verkeer Het plan voorziet in de bouw van twee bedrijfsgebouwen (stallen) met een oppervlakte van 3.288 m2 per stal. Deze twee stallen worden binnen het daarvoor bestemde bouwvlak opgericht. De aanvraag is in strijd met het wijzigingsplan ‘Harnsterdyk 7 Stiens’, omdat de stallen groter zijn dan 500 m2. Het wijzigingsplan ‘Harnsterdyk 7 Stiens’ staat het wel toe om het bouwvlak volledig te bebouwen met stallen van maximaal 500 m2 per stal. Twee stallen met een gezamenlijke oppervlakte van circa 6.500 m2 hebben geen grotere verkeersaantrekkende werking ten opzichte van 7 stallen met een gezamenlijke oppervlakte van 6.500 m2. De verkeersdruk zal dus niet toenemen ten opzichte van de huidige planologische situatie. Overigens is het ook niet de verwachting dat het aantal verkeersbewegingen per saldo zal toenemen ten opzichte van de huidige feitelijke situatie. Alleen als er reguliere vleeskuikens worden gehouden neemt het aantal verkeersbewegingen toe. De vergunning maakt dat mogelijk, maar het is een terugvaloptie. De ondernemer wil scharrelvleeskuikens, conform het Beter Leven 1 ster predicaat van de Dierenbescherming, gaan houden. Doordat er dan minder dieren worden gehouden zal het aantal verkeersbewegingen per saldo nauwelijks veranderen.

Op dit moment zijn er 84.000 st. vleeskuikens vergund. In de beoogde situatie worden ca. 110.000 st. scharrelvleeskuikens (Beter Leven) gehouden of ten hoogste 175.000 st. vleeskuikens op reguliere wijze gehouden (‘plofkuikens’). Zoals gezegd

39

betreft dit een terugvaloptie. De langzaamgroeiende scharrelkuikens (Beter Leven) worden gehuisvest in een lagere bezetting en worden langer aangehouden waardoor er ca. 6 ronden per jaar worden ingezet in plaats van ca. 7,5 ronde voor reguliere vleeskuikens (‘plofkuikens’). In plaats van de huidige 84.000 st. x 7,5 ronde (630.000 st. per jaar) worden er 110.000 st. x 6 ronde (660.000 st. per jaar) afgeleverd. Dit is geen wezenlijke toename. Het verlengen van de rundveestal heeft een geringe impact op het aantal verkeersbewegingen. Ook voor de huidige veestapel komt het RMO-transport meerdere keren per week de melk halen. Het aantal verkeersbewegingen hiervoor neemt niet toe. Met de uitbreiding van het stalvloeroppervlak voor de vleeskuikens en meer melkvee wordt er meer strooiselmest en rundveedrijfmest gemaakt. Deze dient als grondstof voor de eigen co-vergister. Er hoeft dan minder mest of co-product van derden te worden aangevoerd waardoor het aantal verkeersbewegingen voor deze activiteit afneemt.

40

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Maatschappelijke uitvoerbaarheid De Mts De Boer geeft tijdens de werksessie van de Nije Pleats aan dat er overleg is geweest over de bouwplannen met de overburen aan de Harnsterdyk. Deze hebben aangegeven geen bezwaar tegen de uitbreiding van het bedrijf te hebben. Wel hebben ze aangegeven dat ze betrokken willen zijn en blijven bij de landschappelijke inpassing van het bedrijf. De aanvraag met de ontwerp vvgb en de ontwerp-omgevingsvergunning hebben in het kader van de planologische procedure voor een periode van zes weken ter visie gelegen. Binnen de tervisietermijn is er één zienswijze ingediend. De zienswijze is in de zienswijzennota samengevat weergegeven en voorzien van een reactie. De zienswijze geeft aanleiding tot aanpassingen van de ruimtelijke onderbouwing. De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bouwplan. De zienswijze en zienswijzennota met bijlagen maken onderdeel uit van de besluitdocumenten.

5.2

Economische uitvoerbaarheid Het plan is een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro. De raad kan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien er geen verhaalbare kosten zijn, deze minder dan € 10.000,- bedragen of uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen (artikel 6.2.1.a Bro). In deze situatie is sprake van een geval als bedoeld in artikel 6.2.1a Bro, zodat geen exploitatieplan hoeft te worden vastgesteld. Het planvoornemen betreft een particulier initiatief. De met de daadwerkelijke realisering gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de initiatiefnemer. Eventuele bijkomende kosten komen eveneens voor rekening van de initiatiefnemer. Er wordt een planschadeverhaal overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Eventuele planschade wordt hiermee afgewenteld op de initiatiefnemer. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat dit plan economisch niet uitvoerbaar is.

41

Bijlagen

42

Bijlage 1

Inrichtingstekening

Bijlage 2

Advies Nije Pleats

ADVIES NIJE PLEATS Agrarisch bedrijf Familie De Boer te Stiens

Datum: 28 augustus 2017

COLOFON

Nije Pleats, 28 augustus 2017 Status rapport: definitief Rapportnummer: 2016/128

Rapport opgesteld door: Nije Pleats De heer B. van der Veen Mevrouw G. Bierema

Opdrachtgever: Maatschap L. de Boer en P. de Boer-Talsma te Stiens (gemeente Leeuwarderadeel) Adres: Harnsterdyk 7, 9051LD Stiens

In samenwerking met: Gemeente Leeuwarderadeel De heer M. Van Vugt

Hûs en hiem De heer R. Bremer

INHOUDSOPGAVE 1

Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Proces 1.3 Leeswijzer

2

Het bedrijf 2.1 Locatie 2.2 Huidige bedrijfsvoering 2.3 Wensen voor de toekomst 2.4 Betrokkenheid van de omgeving

3

Advies Nije Pleats 3.1 Proces 3.2 Analyse 3.3 Advies

4

Checklist planologische toets 4.1 Beleidskader 4.2 Hinder van bedrijven 4.3 ProjectMER 4.4 Verkeerslawaai 4.5 Waterparagraaf 4.6 Ecologisch onderzoek 4.7 Archeologisch onderzoek 4.8 Externe veiligheid 4.9 Luchtkwaliteit 4.10 Bodemkwaliteit 4.11 Verkeersaspecten 4.12 Maatschappelijke haalbaarheid 4.13 Financiële haalbaarheid

1 1.1

INLEIDING Aanleiding

De familie De Boer is voornemens het agrarisch bedrijf (melkveehouderij en kippenhouderij) aan de Harnsterdyk 7 te Stiens uit te breiden. Het huidige bestemmingsplan voorziet niet in de gewenste bouwmogelijkheden. Om de ruimtelijklandschappelijke haalbaarheid van de uitbreiding van het bedrijf op deze locatie aan te tonen, is het voorliggende advies opgesteld. Dit advies kan worden gebruikt bij het planologisch regelen van de uitbreiding van het bedrijf. Het is uitdrukkelijk geen vergunning op basis waarvan het bedrijf nu gebouwd kan gaan worden. Het daarvoor geldende (juridische) proces dient nog te worden doorlopen. Het voorliggende rapport is één van de “schakels” die nodig zijn voor dat proces.

1.2 Proces Voorliggend advies is via het spoor van de Nije Pleats tot stand gekomen. Dit betekent dat er een proces gevolgd is waarbij alle partijen, die uiteindelijk het bouwplan moeten toetsen, betrokken zijn geweest. Middels een werksessie van de Nije Pleats op het erf van de initiatiefnemer is met alle betrokkenen/deskundigen gekomen tot een ontwikkelingsconcept voor het bedrijf voor de komende jaren. Deze proceslijn betekent een commitment van de deelnemende partijen aan het resultaat van de werksessie. Zij zullen zich herkennen in de concrete uitwerking in het voorliggende advies. Voorliggend advies vormt de ruimtelijk landschappelijke input voor een eventuele planologische procedure. Naast dit advies is daarvoor meestal ook een aantal nader te bepalen planologische onderzoeken noodzakelijk. Een checklist hiervoor is in hoofdstuk 4 van voorliggende advies opgenomen.

1.3 Leeswijzer Achtereenvolgens wordt in dit advies ingegaan op het bedrijf (hoofdstuk 2), het advies van de Nije Pleats (hoofdstuk 3) en een checklist voor de planologische toets (hoofdstuk 4).

2 2.1

HET BEDRIJF Locatie

Het agrarisch bedrijf van de familie De Boer is gelegen ten noordoosten van het dorp Stiens in het buitengebied van de gemeente Leeuwarderadeel. Via de Harnsterdyk wordt het erf ontsloten op de provinciale weg N357 tussen Leeuwarden en Holwerd.

Figuur

Ligging erf in de regio (Bron: Google Maps, 2017)

Figuur

Overzicht huidige erf (Bron: GoogleMaps, 2017)

2.2

Huidige bedrijfsvoering

De familie De Boer is al meer dan 25 jaar op deze plek gevestigd met het agrarisch bedrijf. De familie voert hier een modern agrarisch bedrijf. De onderneming kent drie pijlers: melkvee, vleeskuikens en biovergisting. Ook wordt er zonne-energie opgewekt. In de beginjaren van het bedrijf was het alleen een melkveehouderij. Al redelijk snel (in 1999) werd ook een kippenstal gerealiseerd. In 2001 verrees ook de tweede kippenstal. De melkveehouderij heeft een capaciteit van 98 st. melkvee met 51 st. bijbehorend jongvee. Op dit moment houdt De Boer ca. 70 st. melkvee met bijbehorend jongvee en heeft de maatschap 60 ha grond in gebruik. De koeien lopen dagelijks buiten. Voor de vleeskuikentak met max. 84.000 vleeskuikens staan er 2 stallen, welke emissiearm zijn ingericht. De kuikens worden op reguliere wijze gehouden in grondstallen met volledig strooiselvloer. De strooiselmest wordt aangewend in de biovergister en de stallen worden verwarmd met thermische energie uit de WKK van de biogasinstallatie d.m.v. warmwaterbuizen. De biogasinstallatie is sinds oktober 2005 in gebruik. Aanvankelijk met een vermogen van 190 kW. In 2011 is de installatie uitgebreid met een warmtekrachtinstallatie (WKK) van 400 kW. Daarmee kwam de capaciteit op 590 kW.

De rundveedrijfmest en de strooiselmest van de kuikens gaan in de vergister met co-producten als frietafval (McCain), tulpenbollen, bermgras, uienvellen, enz. Behalve eigen mest gebruikt De Boer ook mest van derden. Het biogas dat daarbij ontstaat, wordt d.m.v. een WKK omgezet in elektriciteit, voldoende voor 880 huishoudens. De warmte die daarbij vrijkomt wordt gebruikt door een sportcomplex met tropisch zwembad twee kilometer verderop, en deels gebruikt om de kuikenstallen van warmte te voorzien. Het digestaat wordt afgezet bij akkerbouwers in de omgeving.

Erf gezien vanaf de Harnsterdyk (vanuit het zuiden) (Bron: GoogleMaps Streetview 2017)

Erf gezien vanaf de Harnsterdyk (vanuit het noorden) (Bron: GoogleMaps Streetview 2017)

2.3

Wensen voor de toekomst

De familie De Boer stapt over van reguliere vleeskuikens (plofkippen) naar scharrelkuikens (beter leven 1 ster) waartoe meer staloppervlak nodig is en zowel de nieuwe als de bestaande stallen van wintergartens (overdekte uitloop) moeten worden voorzien. Voor de voorgenomen extensivering en verduurzaming van de vleeskuikentak zijn 2 nieuwe stallen nodig, die naast de huidige stallen dienen te worden opgericht. Over dit plan is in het voorjaar van 2017 overleg gevoerd met medewerkers van de gemeente Leeuwarderadeel. Uit de gesprekken bleek dat het bestemmingsplan ruimte biedt voor het plan. Het bestemmingsplan voor Harnsterdyk 7 dient daarvoor gewijzigd te worden, zodanig dat er een bouwblok van 3 ha ontstaat, waarvan 1,5 ha wordt gebruikt voor de nietgrondgebonden ‘intensieve veehouderij’. Met het oog op de middellange termijn is ook een uitbreiding in de rundveehouderij voorzien. Dit om op te schalen naar een volwaardige eenheid van 150 st. melkvee met bijbehorend jongvee.

2.4

Betrokkenheid van de omgeving

De familie De Boer geeft tijdens de werksessie van de Nije Pleats aan dat er overleg is geweest over de bouwplannen met de overburen aan de Harnsterdyk. Deze hebben aangegeven geen bezwaar tegen de uitbreiding van het bedrijf te hebben. Wel hebben ze aangegeven dat ze betrokken willen zijn en blijven bij de landschappelijke inpassing van het bedrijf. Een buurman op grotere afstand ten noorden van het bedrijf heeft recent bezwaar gemaakt tegen de bouw van de wintergartens. De gemeente heeft dat bezwaar echter niet-ontvankelijk verklaard vanwege de grote afstand van de bezwaarmaker ten opzichte van het bedrijf van de familie De Boer. Het is echter niet ondenkbaar dat deze buurman ook voor deze uitbreiding bezwaar zal aantekenen bij de gemeente.

3 3.1

ADVIES NIJE PLEATS Proces

Op 13 juli 2017 is een werksessie van de Nije Pleats gehouden. De werksessie werd gehouden op het erf van de familie De Boer aan de Harnsterdyk 7 te Stiens. Bij de bijeenkomst waren aanwezig: • • • • • • • •

De heer L. De Boer, aanvrager Mevrouw R. De Boer, aanvrager De heer L. de Boer jr, aanvrager De heer W. Hoeve, adviseur aanvragers De heer M. van Vugt, gemeente Leeuwarderadeel Mevrouw G. Bierema, landschapsarchitect, team Nije Pleats De heer R. Bremer, adviseur hûs en hiem, team Nije Pleats De heer B. van der Veen, voorzitter team Nije Pleats

3.2 Landschappelijke analyse Met een opeenvolgende reeks historische kaarten wordt de geschiedenis van de locatie van het boerenerf aan de Harnsterdyk geschetst. De beschrijving is toegespitst op de vraag waar en hoe het erf opnieuw zou kunnen worden uitgebreid.

In de periode van de bovenstaande historische kaart van rond 1900 stonden diverse boerderijen op een terp, enkele vrij in de ruimte en enkele aan de vaart De Wurge. De locatie van de opgeworpen terpen lijkt onwillekeurig gekozen, maar is door hoogten in het veld bepaald. De kaart geeft tevens aan dat de eerste boerderij “Hornezathe” aan de oostzijde van de Harnsterdyk staat, niet aan de weg, maar aan een dijkje. De boerderij was zo op een ander wijze beschermd tegen het water. De kaprichting was noord-zuid. De Harnsterdyk is parallel aan een natuurlijke laagte aangelegd. Die laagte houdt tevens de leegte in. Dit geldt anno 2017 nog steeds.

In de periode van de bovenstaande kaart van rond 1950 wordt duidelijk dat “Hornezathe” is vervangen. De kaart laat zien dat beide boerderijen “ Hornezathe” en “De Botermijn” aan een minieme verhoging in het veld zijn gesitueerd, waarop bouwland lag. De drie boerderijen “Zwaarderterp”, “De Botermijn” en “Hornezathe” lijken op de kaart drie gelijkwaardige boerderijen van het kopromptype, ze staan op een even groot erf, met een vrijstaand bijgebouw en binnen een rechthoekig erfoppervlak en met veel erfbeplanting. De afstand tussen de drie erven is nagenoeg gelijk, tevens en daardoor zijn het punten in de open ruimte. Bij de laatste twee boerenerven is een bijgebouw buiten het erf gebouwd, wat duidt op groei. “De Botermijn” staat parallel aan de Harnsterdyk, met het woongedeelte aan de Stienster zijde. In 1952 wordt de Boelstra-Olivierstichting opgericht, waartoe deze drie bedrijven behoren. De onderstaande kaart uit 1992 laat zien dat de ‘Hornezathe’ opnieuw is vernieuwd, maar nu aan de westzijde van de Harnsterdyk. In verband met de afgebrande boerderij werd het mogelijk om na te denken over een meer logischer locatie ten opzichte van de bijbehorende percelen. Deze liggen overwegend aan de westzijde van de Harnsterdyk. Het agrarisch bedrijf was een melkveebedrijf en zo hoeven de koeien niet meer dagelijks over de weg.

De locatie van het nieuwe erf moest wel op iets kortere afstand van “De Botermijn” worden gekozen. Het erfoppervlak werd zo breed als de aanwezige kavel. De opzet werd nu een type boerderij die algemeen bekend is bij ruilverkavelingsboerderijen. Hierbij ligt het voorhuis naast de ligboxenstal, met de kaprichting haaks ten opzichte van elkaar. Vanuit de woning is zicht op de zon en nu ook op Stiens. Net zoals in de Noordoostpolder werd de buiten-opslagruimte geheel omgeven door een dichte windsingel, met bomen en struiken, zoals es en veldesdoorn. Aan de zuidzijde van het erf en bij de voortuin werden bomen geplant, hoofdzakelijk

iepen. Op de kaart is het afwijkend verkavelings-/ slotenpatroon ten opzichte van de slagenverkaveling extra ingekleurd. In het veld blijkt de weg ook niet recht, maar kronkelt licht.

De onderstaande kaart van 2014 laat zien dat er twee bedrijfstakken aan het melkveebedrijf zijn toegevoegd. Het erf heeft de volgende kavel tot aan de sloot gevuld. Het bedrijf heeft nu twee ingangen en is vooral aan de wegzijde landschappelijk stevig ingepast. De iepen aan de zuidzijde van het erf moesten worden gekapt, waardoor de kap van de ligboxenstal vanuit Stiens zichtbaar is geworden. De verbreding van het erf aan de noordwestzijde is in het veld veel minder dominant, omdat het dijkje met gracht rond de opslagruimte met digestaat, op grote afstand nauwelijks opvalt. De rij bomen en de sloot aan de noordzijde van de noordelijkste kippenstal moesten in 2017 wijken in verband met een nieuwe aankapping van de stal met een wintergarten. “Hornezathe” en “De Botermijn” zijn elkaar weliswaar genaderd, maar het uitzicht vanuit de woning en de bestuurskamer van de Stichting in het voorhuis van “De Botermijn” op het open landschap bleef. De twee erven zijn nog twee zelfstandige eenheden. Met name bewoners van twee woningen ten noorden van het erf hebben zicht op het silhouet van het bedrijf.

3.3 Advies In juli 2017 ligt in de Nije Pleats-sessie het plan voor van de nieuwbouw van twee scharrelkuikens-stallen en de verlenging van de bestaande ligboxenstal. Voor de hand ligt dat de kuikenstallen in lijn komen te staan met de bestaande stallen aan de noordzijde van erf en dat de uitbreidingsrichting van de ligboxenstal naar het westen is. Door het open landschap wordt het erf en dus ook de uitbreiding ervan, vanuit alle zijden goed gezien. Hierbij is het silhouet van het erf van het grootste belang. Het groter het erf hoe groter de impact op het landschap. De verlenging van de koeienstal vormt in principe geen probleem. De bestaande houtsingel (met zieke essen) moet deels wijken en daar kan nieuwe beplanting voor terugkeren, met name in de zuidwesthoek van het erf. Ter vervanging van de zieke iepen en essen kan nu beter voor de Noorse esdoorn worden gekozen. De locatie van de nieuwe kippenstallen vraagt om meer maatwerk. De uitbreiding van het erf met erfbeplanting schuift bijna in de boerderijbiotoop van “De Botermijn”, zoals bij een molenbiotoop van een molen. De nieuwe ‘voorruimte’ moet als weide voldoende maat hebben om te zorgen dat het erf op afstand van de boerderij “De Botermijn” blijft en ook niet alsnog aan de weg lijkt te liggen. Hoe meer maat als open ruimte, hoe beter de bewerking van het perceel.

Echter; de twee stallen moeten ook binnen de maat van het toegestane bouwblok gaan passen. In de sessie is ervoor gekozen om de achterzijde van de twee nieuwe stallen in lijn met de digestaatopslag te positioneren. Het voordeel hiervan is dat er aan de westzijde van het erf een rechte kavelgrens ontstaat. De nieuwe erfbeplanting komt zo in lijn met de gracht rond de digestaatopslag. Door deze locatie komen de nieuwe kuikenstallen niet in lijn met de huidige stallen, maar zijn ca. 10 meter terug gerooid. Hoe meer meters hoe beter. De lengte van de nieuwe stal moet hier dus binnen komen te liggen. Mede omdat breedte, hoogte en tijdstip van bouwen anders is, wordt deze keuze aanvaard. Vlak voor de gevels van beide nieuwe stallen, die los van elkaar staan, zullen diverse voersilo’s worden geplaatst. Deze zullen zo laag mogelijk zijn en aan weerszijde van de open tussenruimte staan. De bestaande inritten blijven gehandhaafd. De nieuwe route naar de nieuwe stallen moet ruim bemeten worden langs de bestaande stal. Hiervoor zal bestaande erfbeplanting moeten wijken. Gebouwaspecten De nieuwbouw krijgt dezelfde materialen en hetzelfde keurgebruik als de laatste aanbouw. Er komen ook geen witte windveren, omdat wit te veel aandacht vraagt en concurreert met de witte lijsten en goten op de boerderij “De Botermijn”.

Omdat de noordoosthoek van de noordelijke stal in het zicht komt, wordt hier in de architectuur extra aandacht aan besteed. Wateraspecten De ruimte voor extra waterberging ligt in de verbreding van de sloot langs de Harnsterdyk. De verbreding volgt de bestaande kleine knikken in de weg. Het versterkt het landschapspatroon. Erfbeplanting De erfbeplanting heeft als hoofdopzet dat er beplanting met bomen staat, als massa, op alle vier hoeken. Dit was destijds ook de opzet van de eerste erfbeplanting. Zo wordt het erf verankerd in het open landschap. Na de iep en de es, die ziek werden of waarschijnlijk zullen worden, wordt nu op het gehele erf gekozen voor de Noorse esdoorn. De beplanting van de voortuin maakt deel uit van zo’n hoek. Bomen zijn hier noodzakelijk omdat deze de woning allure geven. Het is te hopen dat de nog bestaande iep en kastanje het zullen redden. Anders is het wenselijk om voor een andere park/voortuinboom te kiezen, zoals linde. De nieuwe noordoosthoek bestaat uit een rij bomen, zodat er onder de kruinen door doorzicht blijft op het open landschap. Maar ook doorzicht op de stal, zodat duidelijk wordt dat hier sprake is van een agrarisch bedrijf. De rij bomen begint ter hoogte van de nok van de nieuwe kuikenstal. Deze rij wordt doorgezet aan de noordzijde van de stal, tot aan de noordwesthoek.

De afstand tussen de boomstammen is 8 meter, zoals men bomen langs wegen plant. Vanaf hier gaat de beplanting over in een windsingel van 5 meter breedte, tot aan de brede sloot. De zuidwesthoek bestaat, na de verlenging van de stal, uit een 5 meter brede windsingel en drie bomen. Deze hoek is met name voor het uitzicht vanuit Stiens noodzakelijk. In de windsingels staan naast Noorse Esdoorns, ten minste els en veldesdoorn. Er blijft zo nog een klein deel over aan de oostzijde. De erfbeplanting die gesloten is gedacht, gaat hier bestaan uit een lage grondwal met een 5 meter brede windsingel. Achter deze houtwal staan zowel de voersilo’s als de vrachtwagens uit het zicht.

4

CHECKLIST PLANOLOGISCHE TOETS

4.1

Beleidskader

4.2

Hinder van bedrijven

4.3

ProjectMER

4.4

Verkeerslawaai

4.5

Waterparagraaf

4.6

Ecologisch onderzoek

4.7

Archeologisch onderzoek

4.8

Externe veiligheid

4.9

Luchtkwaliteit

4.10

Bodemkwaliteit

4.11

Verkeersaspecten

4.12

Maatschappelijke haalbaarheid

4.13

Financiële haalbaarheid

Bijlage 3

Berekening geur

Gegenereerd op: 25-09-2017 met V-STACKS Vergunning versie 2010 (c) KEMA Nederland B.V.

Naam van de berekening: Beoogde situatie (aanvraag) Gemaakt op: 25-09-2017 14:59:06 Rekentijd: 0:00:16 Naam van het bedrijf: De Boer - Harnsterdyk 7 TS beoogd Berekende ruwheid: 0,06 m Meteo station: Schiphol Brongegevens: Volgnr.

BronID

X-coord.

Y-coord.

EP Hoogte

Gem.geb. hoogte

EP Diam.

EP Uittr. snelh.

E-Aanvraag

1 2 3 4

Stal 3 42.000 st Stal 4 42.000 st Stal 5 42.500 st Stal 6 42.500 st

181 379 181 378 181 329 181 328

587 366 587 396 587 431 587 468

4,0 4,0 6,3 6,3

4,3 4,3 5,9 5,9

2,17 2,17 2,06 2,06

7,50 7,50 8,50 8,50

13 860 13 860 14 025 14 025

Geur gevoelige locaties: Volgnummer 5 6 7 8 9 10 11

GGLID Harnsterdyk 8 Harnsterdyk 10 Harnsterdyk 13 Harnsterdyk 2 Harnsterdyk 6 Truenterdyk 12a Wilde Seringhôf 12a

Xcoordinaat 181 545 181 786 181 470 180 802 181 363 181 137 180 443

Ycoordinaat 587 435 587 763 587 866 587 851 587 066 586 582 586 913

Geurnorm 8,0 8,0 8,0 8,0 8,0 2,0 2,0

Geurbelasting 6,9 1,4 2,7 0,7 2,9 0,5 0,5

Bijlage 4

Berekening luchtkwaliteit

Gegenereerd met ISL3a Versie 2016-1 , Rekenhart Release 6 juli 2016

(c) DNV GL

Gebiedsgegevens Naam van deze berekening: 10-11 de boer stiens

Berekend op: 2016/11/10

14:32:53

Project: De Boer - Harnsterdyk 7 RD X coordinaat: 180 800

Lengte X: 1000

Aantal Gridpunten X: 11

RD Y coordinaat: 587 000

Breedte Y: 1000

Aantal Gridpunten Y: 11

Berekende ruwheid: 0.29

Eigen ruwheid

Type Berekening: PM10

Eigen ruwheid: 0.00

Rekenjaar:2016

Soort Berekening: Contour

Toets afstand: n.v.t.

Onderlinge afstand: n.v.t.

Uitvoer directory: Y:\ISL3a V2016\output Te beschermen object Naam:

RD X Coord.

RD Y Coord.

Concentratie

Overschrijding

[microgram/m3]

[dagen]

[m]

[m]

Harnsterdyk 8

181 545

587 435

17.42

6.0

Harnsterdyk 10

181 786

587 763

16.63

6.0

Harnsterdyk 13

181 470

587 866

16.74

6.2

Harnsterdyk 2

180 802

587 851

16.07

6.0

Harnsterdyk 6

181 363

587 066

16.67

6.1

Harnsterdyk 9

181 893

587 660

16.61

6.0

Brongegevens Naam : Gebouw 4 42.000 vlk

Type: AB

RD X Coord.: 181 379

RD Y Coord.: 587 399

Emissie:

0.02930

hoogte van emissiepunt:

4.00

verticale uittreesnelheid:

7.50

diameter van emissiepunt:

0.89

X-coord. zwaartepunt van gebouw: 181 418

temperatuur van emisstroom:

285.00

Y-coord. zwaartepunt van gebouw: 587 398

hoogte van gebouw: 4.3

Naam : Gebouw 5 42.500 vlk

lengte van gebouw:

80.00

breedte van gebouw:

20.00

orientatie van gebouw:

2.00

Type: AB

RD X Coord.: 181 342

RD Y Coord.: 587 431

hoogte van emissiepunt:

6.30

verticale uittreesnelheid:

8.50

Emissie:

0.02021

hoogte van gebouw: 5.8

diameter van emissiepunt:

0.92

X-coord. zwaartepunt van gebouw: 181 399

temperatuur van emisstroom:

285.00

Y-coord. zwaartepunt van gebouw: 587 433

Naam : Gebouw 6 42.500 vlk

lengte van gebouw:

120.00

breedte van gebouw:

31.40

orientatie van gebouw:

2.00

Type: AB

RD X Coord.: 181 341

RD Y Coord.: 587 468

hoogte van emissiepunt:

6.30

Emissie:

0.02021

verticale uittreesnelheid:

8.50

diameter van emissiepunt:

0.92

X-coord. zwaartepunt van gebouw: 181 400

hoogte van gebouw: 5.9

temperatuur van emisstroom:

285.00

Y-coord. zwaartepunt van gebouw: 587 471

Naam : Gebouw 1 melkvee en jongvee RD X Coord.: 181 391

Date: 10-11-2016

RD Y Coord.: 587 280

Time: 14:32:59

lengte van gebouw:

120.00

breedte van gebouw:

31.40

orientatie van gebouw:

2.00

Type: AB Emissie:

0.00068

Page 1

Gegenereerd met ISL3a Versie 2016-1 , Rekenhart Release 6 juli 2016

hoogte van emissiepunt:

6.80

(c) DNV GL

verticale uittreesnelheid:

0.40

diameter van emissiepunt:

0.50

X-coord. zwaartepunt van gebouw: 181 391

hoogte van gebouw: 4.5

temperatuur van emisstroom:

285.00

Y-coord. zwaartepunt van gebouw: 587 280

Naam : Gebouw 2 paarden

lengte van gebouw:

80.10

breedte van gebouw:

26.00

orientatie van gebouw:

2.00

Type: AB

RD X Coord.: 181 337

RD Y Coord.: 587 315

hoogte van emissiepunt:

2.60

Emissie:

0.00000

verticale uittreesnelheid:

0.40

diameter van emissiepunt:

0.50

X-coord. zwaartepunt van gebouw: 181 337

hoogte van gebouw: 2.6

temperatuur van emisstroom:

285.00

Y-coord. zwaartepunt van gebouw: 587 315 lengte van gebouw:

Naam : Gebouw 3 42.000 vlk

12.20

breedte van gebouw:

2.40

orientatie van gebouw:

92.00

Type: AB

RD X Coord.: 181 379

RD Y Coord.: 587 371

hoogte van emissiepunt:

4.00

verticale uittreesnelheid:

7.50

Emissie:

0.02930

hoogte van gebouw: 4.3

diameter van emissiepunt:

0.89

X-coord. zwaartepunt van gebouw: 181 418

temperatuur van emisstroom:

285.00

Y-coord. zwaartepunt van gebouw: 587 370

Date: 10-11-2016

Time: 14:32:59

lengte van gebouw:

80.00

breedte van gebouw:

20.00

orientatie van gebouw:

2.00

Page 2

Gegenereerd met ISL3a Versie 2016-1 , Rekenhart Release 6 juli 2016

Date: 10-11-2016

Time: 14:32:59

(c) DNV GL

Page 3

Bijlage 5 Positieve weigering vvgb en Besluit vergunning Wet natuurbescherming

Bijlage 6

Beknopte levering uit de NDFF

Beknopte levering uit de NDFF Disclaimer De Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren. Nieuwe gegevens worden dagelijks toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn gevalideerd. Nader (veld-)onderzoek kan noodzakelijk zijn om aanwezigheid van een soort te bevestigen of uit te sluiten.

Projectnaam Mts. L. de Boer en R.P. de Boer-Talsma Doel Oprichten pluimveestallen Datum 30-06-2017 11:17 Ordernummer HNL-2017-215 Geselecteerde kilometerhokken 181-587

Vragen? Neem contact op met het Serviceteam van de NDFF: Telefoon: 0800 2356333 E-mail: serviceteamNDFF@natuurloket.nl

181 - 587

vaatplanten

mossen

korstmossen

paddenstoelen

vleermuizen

landzoogdieren

broedvogels

wintervogels

amfibieen

reptielen

vissen

dagvlinders

macronachtvlinders micronachtvlinders

libellen

sprinkhanen en krekels

overige soortgroepen

2

Rode-Lijstsoorten Vogelrichtlijn

3

51

Habitatrichlijn WNb-andere soorten (PROV) WNB-andere

3

soorten (NL) Aantal soorten Detaillering 0-0.25/0.251-1 Volledigheid onderzoek Onderzoeksperiode

5

3

68

12

43%/0%

0%/0%

13%/51%

0%/9%

niet

niet

niet

niet

niet

slecht

slecht

redelijk*

niet

niet

niet

goed

niet

niet

niet

niet

niet

1997-2017

2007-2017

2007-2017

2007-2017

2007-2017

2007-2017

2007-2017

2007-2017

2007-2017

2007-2017

2007-2017

2007-2017

2007-2017

2007-2017

2007-2017

2007-2017

2007-2017

Beknopte levering HNL-2017-215 Pagina : 2 / 4

Toelichting op de tabel Soortgroepen In de gehanteerde indeling is Overige soortgroepen een diverse groep met daarin alle wespen, bijen, mieren, netvleugelige, steenvliegen, kevers, vliegen, muggen, haften, wantsen, cicaden, luizen, schorpioenvliegen en overige insecten, spinnen, mijten, hooiwagens, duizendpoten, miljoenpoten, pissebedden, kakkerlakken, oorwormen, weinigpotigen, vlokreeften, lagere kreeftachtigen, weekdieren, slakken, ringwormen, snoerwormen en wormachtigen zoals bloedzuigers. Ook zeeorganismen als hydroidpoliepen, mosdiertjes, mysisgarnalen, ribkwallen, stekelhuidigen, zakpijpen, zeepissebedden, zeepokken, eendenmossels, krabbezakjes, zeespinnen en grote kreeftachtigen (kreeften, krabben en garnalen) en zeezoogdieren vallen in deze verzamelgroep.

Rode-Lijstsoorten In de tabel staat voor elk kilometerhok per soortgroep vermeld hoeveel soorten op de Rode Lijst staan. Rode Lijsten worden formeel vastgesteld door de Rijksoverheid. De gehanteerde Rode Lijsten zijn (inclusief link naar website van ministerie van de Rijksoverheid met verwijzing naar pdf van het besluit): vaatplanten

Besluit Rode Lijsten 15 oktober 2015

mossen

Besluit Rode Lijsten 15 oktober 2015

korstmossen

Besluit Rode Lijsten 15 oktober 2015

paddenstoelen

Besluit Rode Lijsten 4 september 2009

zoogdieren

Besluit Rode Lijsten 4 september 2009

broedvogels

Besluit Rode Lijsten 5 november 2004

amfibieën

Besluit Rode Lijsten 4 september 2009

reptielen

Besluit Rode Lijsten 4 september 2009

vissen

Besluit Rode Lijsten 15 oktober 2015

dagvlinders

Besluit Rode Lijsten 4 september 2009

macronachtvlinders

geen Rode Lijst

micronachtvlinders

geen Rode Lijst

libellen

Besluit Rode Lijsten 15 oktober 2015

sprinkhanen en krekels

Besluit Rode Lijsten 15 oktober 2015

overige soortgroepen

Besluit Rode Lijsten 5 november 2004(1)

Wet Natuurbescherming – soorten van de Vogelrichtlijn Alle soorten die wettelijke bescherming genieten en vallen onder Wet Natuurbescherming paragraaf 3.1

Wet Natuurbescherming – soorten van de Habitatrichtlijn Alle soorten die wettelijke bescherming genieten en vallen onder Wet Natuurbescherming paragraaf 3.2

Wet Natuurbescherming – andere beschermde soorten Alle provinciale soorten die wettelijke bescherming genieten en vallen onder Wet Natuurbescherming paragraaf 3.3 Deze soortenlijst is limitatief benoemd in een Bijlage op de wet maar kan op provinciaal niveau worden bijgesteld. Wanneer een hok in meerdere provincies valt wordt de hoogste beschermingscategorie per aangetroffen soort aangehouden.

Beknopte levering HNL-2017-215 Pagina : 3 / 4

Wet Natuurbescherming – andere beschermde soorten (landelijke lijst) Alle landelijk benoemde soorten die wettelijke bescherming genieten en vallen onder Wet Natuurbescherming paragraaf 3.3 Deze soortenlijst is limitatief benoemd in een Bijlage op de wet.

Aantal soorten Het totaal aantal soorten per soortgroep per kilometerhok in de periode zoals aangegeven. Meegenomen zijn alle waarnemingen:

die geheel of gedeeltelijk binnen de selectie liggen; die zijn gevalideerd en daarbij de classificatie ‘betrouwbaar’ hebben meegekregen; waarvan de bronhouder heeft aangegeven dat ze uitgeleverd mogen worden. Indien er een asterisk (*) in het veld staat betekent dit dat een deel van de waarnemingen pas na expliciete toestemming van de bronhouder mag worden uitgeleverd. Het kan dus zijn dat in de standaardlevering niet alle waarnemingen worden geleverd die optellen tot de beknopte levering. Ook kan het zijn dat deze gegevens later worden geleverd.

Volledigheid onderzoek Voor elke soortgroep is een indicatie gegeven hoe volledig een specifiek kilometerhok is onderzocht. Er wordt hierbij gewerkt met een normering in 5 klassen: (1) niet, (2) slecht, (3) redelijk onderzocht, (4) goed onderzocht en (5) onbepaald. De volledigheid van onderzoek wordt geautomatiseerd berekend voor alle soortgroepen, waarbij elk kilometerhok meedraait in een cyclus van berekeningen over geheel Nederland. De doorlooptijd van deze rekencyclus is in de praktijk 2 tot 3 weken voor alle kilometerhokken in Nederland. In de toelichting is per soortgroep aangegeven welke regels hierbij gehanteerd zijn en over welke periode. Download de toelichting

Detaillering Voor elke soortgroep is in de oppervlakteklassen 0-0.25 km2 en groter dan 1 km2 bepaald welk aandeel de waarnemingen bezetten. De basis voor deze berekening is het aantal waarnemingen: in de beschouwde periode; dat geheel of gedeeltelijk in het kilometerhok valt; waarvan de bronhouder heeft aangegeven dat ze uitgeleverd mogen worden. De resultaten zijn in de drie genoemde klassen achter elkaar geplaatst en gescheiden door een slash- teken (/).

Onderzoeksperiode De onderzoeksperiode betreft voor vrijwel alle beschreven soortgroepen de recente 10 afgeronde veldseizoenen. Alleen voor vaatplanten wordt een langere periode gehanteerd. In de loop van het kalenderjaar wordt de beschouwde periode dus steeds iets langer.

Beknopte levering HNL-2017-215 Pagina : 4 / 4 Powered by TCPDF (www.tcpdf.org)

Bijlage 7

Aanmeldnotitie m.e.r.

wijzigingsplan "Stiens - Harnsterdyk 7" (vastgesteld) 59

Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling i.k.v. omgevingsvergunning milieu en wijzigen bestemmingsplan Maatschap L. de Boer en R.P. de Boer-Talsma Harnsterdyk 7 9051 LD STIENS tel. 058-2571611 29 september 2017

Samengesteld door: ing. W. (Wim) Hoeve

Hoeve Advies BV Oude Rijksweg 561 7954 GM Rouveen

Tel: 0522-291635 Fax: 0522-291094

info@hoeve-advies.nl www.hoeve-advies.nl

Inhoud 1.

M.E.R.-BEOORDELING ................................................................................................... 3

2.

INITIATIEF .................................................................................................................... 5 2.1 2.2 2.3 2.4

3.

KENMERKEN VAN HET PROJECT .................................................................................... 6 3.1 3.2 3.3 3.4

4.

AARD EN OMVANG ................................................................................................................................. 6 VERGUNDE SITUATIE .............................................................................................................................. 7 BEOOGDE SITUATIE ................................................................................................................................ 7 BESTEMMINGSPLAN ............................................................................................................................... 9

PLAATS VAN HET PROJECT .......................................................................................... 12 4.1 4.2 4.3 4.3

5.

INITIATIEFNEMER ................................................................................................................................... 5 ACTIVITEIT ............................................................................................................................................. 5 PLAN ...................................................................................................................................................... 5 TE NEMEN BESLUIT ................................................................................................................................. 5

WOONOMGEVING ................................................................................................................................. 12 WAV-GEBIEDEN ................................................................................................................................... 13 NATURA 2000-GEBIEDEN ..................................................................................................................... 13 GRONDWATERBESCHERMINGS- EN WATERWINGEBIEDEN..................................................................... 14

EFFECTEN OP HET MILIEU ........................................................................................... 15 5.1 LUCHTKWALITEIT ................................................................................................................................ 15 5.1.1 Geur ................................................................................................................................................ 15 5.1.2 Fijnstof ............................................................................................................................................ 16 5.2 AMMONIAK .......................................................................................................................................... 16 5.2.1 Directe ammoniakschade ................................................................................................................ 16 5.2.2 Stikstofdepositie / Natura 2000 ....................................................................................................... 17 5.3 GELUID EN VERKEER ............................................................................................................................ 17 5.4 FLORA EN FAUNA .................................................................................................................................

17 5.5 BODEM ................................................................................................................................................. 17 5.5.1 Mest ................................................................................................................................................. 17 5.5.2 Afvalwater ....................................................................................................................................... 17 5.6 ENERGIE ............................................................................................................................................... 17 5.7 NATUURLIJKE HULPBRONNEN .............................................................................................................. 18 5.8 LANDSCHAP ......................................................................................................................................... 18 5.8.1 Landschappelijke inpassing ............................................................................................................ 18 5.8.2 Watertoets ....................................................................................................................................... 18 5.8.3 Cultuurhistorie ................................................................................................................................

18 5.8.4 Archeologie ..................................................................................................................................... 19 5.9 BIJZONDERE RISICO’S ........................................................................................................................... 19 5.10 CUMULATIE VAN EFFECTEN.................................................................................................................. 19

6.

RISICO’S T.A.V. VOLKSGEZONDHEID ......................................................................... 20 6.1

7.

BIO-AEROSOLEN ................................................................................................................................... 20

KENMERKEN VAN HET POTENTIËLE EFFECT ............................................................... 21 7.1

CONCLUSIE........................................................................................................................................... 21

BIJLAGEN............................................................................................................................ 23

Hoeve Advies

2

1.

M.e.r.-beoordeling

Elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de C- of D-lijst van het Besluit MER moet aandacht besteden aan de m.e.r.-beoordeling.  Voor initiatieven < drempelwaarde D-lijst geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling.  Voor initiatieven < drempelwaarde C-lijst en > drempelwaarde D-lijst geldt een formele m.e.r.-boordeling.  Voor initiatieven > drempelwaarde C-lijst geldt een m.e.r.-plicht. Voor pluimvee is de drempelwaarde D-lijst 40.000 st. en de drempelwaarde C-lijst 60.000 st. leghoenders of 85.000 st. vleeshoenders.

Voor elk besluit of plan dient een toets te worden uitgevoerd of al dan niet belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Project Maatschap De Boer wil 2 nieuwe pluimveestallen oprichten voor 85.000 st. vleeskuikens en de rundveestal verlengen zodat er 52 st. melk- en kalfkoeien en 49 st. vrouwelijk jongvee extra kunnen worden gehuisvest. Ook komen er 5 paarden en 1 pony die hobbymatig worden gehouden bij op de vergunning. Omdat het een uitbreiding/wijziging en fysieke verandering van meer dan 40.000 st. pluimvee betreft, valt het initiatief in de categorie ‘aanmeldingsplicht’ vanwege de m.e.r.-beoordeling. Het bevoegd gezag dient in geval van pluimvee bij een uitbreiding of verandering van de installatie binnen de inrichting vanaf 40.000 st. pluimvee een afweging te maken of er wel of geen milieueffectrapportage moet worden gemaakt. Dit op grond van kenmerken als activiteit, plaats, samenhang met andere activiteiten, en de milieueffecten die zich voordoen. Vanaf een uitbreiding of verandering van een installatie met meer dan 85.000 vleeskuikens is een m.e.r. verplicht. Dat is hier niet het geval. Voor het rundvee geldt een aanmeldingsplicht m.e.r.-beoordeling vanaf een uitbreiding met 200 st. melk- kalf- of zoogkoeien ouder dan 2 jaar of 340 st. vrouwelijk jongvee tot 2 jaar en voor paarden vanaf een uitbreiding met 100 st.

paarden of pony’s, waarbij het aantal bijbehorende dieren in opfok jonger dan 3 jaar niet mee wordt geteld. De toets op de m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. nodig

Hoeve Advies

3

belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een formele m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of een m.e.r. worden doorlopen.

Inhoud van de m.e.r.-beoordeling Met betrekking tot de inhoud ('wat moet er in de m.e.r.-beoordeling worden onderzocht?') moet aandacht worden besteed aan alle criteria die zijn opgenomen in Bijlage III bij de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'. Deze richtlijn gaat uit van een beschrijving t.a.v. de 1. kenmerken van het project 2. plaats van het project 3. kenmerken van het potentiële effect Een afschrift van Bijlage III bij de Europese richtlijn is bijgesloten. Besluit-m.e.r. en Plan-m.e.r. De aanmeldnotitie wordt ingediend in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning milieu, maar ook om het planologisch effect te duiden van de uitbreiding op milieu, natuur en ruimtelijke kwaliteit en volksgezondheid. Dit met het oog op de bestemmingsplanwijziging die plaats moet vinden voor een groter bouwblok. Voor het onderdeel milieu dient het college een besluit te nemen dat er al dan niet een Besluit-m.e.r. nodig is. Voor het onderdeel planologie of er wel of geen Plan-m.e.r. nodig is. Binnenkort zal een eerste concept voor de ruimtelijke onderbouwing voor de bestemmingsplanwijziging bij de gemeente worden ingediend. Op het moment dat het plan definitief wordt moet het besluit er liggen of er wel of geen Plan-m.e.r. nodig is.

Hoeve Advies

4

2.

Initiatief

2.1

Initiatiefnemer

Initiatiefnemer: Maatschap L. de Boer en R.P. de Boer-Talsma Harnsterdyk 7 9051 LD STIENS tel. 058-2571611

2.2

Activiteit

Maatschap De Boer voert een modern agrarisch bedrijf aan de Harnsterdyk 7 in Stiens. De onderneming kent drie pijlers: melkvee, vleeskuikens en biovergisting. Ook wordt er zonne-energie opgewekt. Op dit moment houdt De Boer ca. 70 st. melkvee met bijbehorend jongvee en heeft de maatschap 60 ha grond in gebruik. De melkveehouderij heeft een capaciteit van 98 st. melkvee met 51 st. bijbehorend jongvee. De vleeskuikentak met 2 stallen huisvest max. 84.000 st. vleeskuikens. De biogasinstallatie is sinds oktober 2005 in gebruik. Aanvankelijk met een vermogen van 190 kW. In 2011 is de installatie uitgebreid met een warmtekrachtinstallatie (WKK) van 400 kW. Daarmee kwam de capaciteit op 590 kW.

2.3

Plan

De maatschap stapt over van reguliere vleeskuikens (plofkippen) naar scharrelkuikens (beter leven 1 ster) waartoe meer staloppervlak nodig is en zowel de bestaande als de nieuwe stallen van wintergartens (overdekte uitloop) worden voorzien. Voor de voorgenomen extensivering en verduurzaming van de vleeskuikentak zijn 2 nieuwe stallen nodig, die naast de huidige stallen dienen te worden opgericht. Daarnaast zal op termijn de rundveestal worden verlengd om op te schalen naar een volwaardige eenheid van 150 st. melkvee met bijbehorend jongvee.

2.4

Te nemen besluit

Er worden 2 nieuwe stallen opgericht voor in totaal 85.000 st. vleeskuikens. Hiermee is sprake van een nieuwe installatie in de zin van het Besluit milieueffectrapportage. Er geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht waartoe deze notitie wordt voorgelegd. Er wordt een omgevingsvergunning aangevraagd voor de activiteit bouwen en milieu. Er is al een Wnb-vergunning verleend, waardoor bij de aanvraag omgevingsvergunning de Natuurbeschermingswet niet aanhaakt. Het bouwblok dient te worden vergroot. Het bestemmingsplan voor Harnsterdyk 7 dient te worden gewijzigd, zodanig dat er een bouwblok van 3 ha ontstaat, waarvan 1,5 ha voor de grondgebonden veehouderij en 1,5 ha voor niet-grondgebonden ‘intensieve veehouderij’. 2.5 Tijdpad De maatschap wil de pluimveestallen zo snel mogelijk oprichten.

Hoeve Advies

5

3.

Kenmerken van het project

3.1

Aard en omvang

De laatstverleende omgevingsvergunning milieu is van 25 oktober 2007. Daarin zijn 98 st. melkvee en 51 st. jongvee en 2 stallen van elk 42.000 st. vleeskuikens vergund. In 2016 is een milieuneutrale verandering doorgevoerd t.b.v. de aanbouw van wintergartens. De volgende activiteiten vinden plaats binnen de inrichting:  Het houden van melkvee, inclusief de opslag van drijfmest  Het houden van vleeskuikens  Het in gebruik hebben van een biogasinstallatie, inclusief het opwekken van energie uit biogas d.m.v. WKK-installaties en de opslag van digestaat in foliebassins De melkveehouderij heeft een capaciteit van 98 st. melkvee met 51 st. bijbehorend jongvee. Op dit moment houdt De Boer ca. 70 st. melkvee met bijbehorend jongvee en heeft de maatschap 60 ha grond in gebruik. Voor de vleeskuikentak met max. 84.000 vleeskuikens staan er 2 stallen. Tot voor kort hield De Boer ca. 70.000 st. gangbare vleeskuikens. Sinds vorig jaar (2016) houdt de maatschap ca. 41.000 st. ‘Nieuwe Standaard Kip’ kuikens, dat zijn langzaamgroeiende kuikens in een welzijnsvriendelijk concept. De biogasinstallatie is sinds oktober 2005 in gebruik, aanvankelijk met een vermogen van 190 kW. In 2011 is een tweede WKK (warmtekrachtinstallatie) in gebruik genomen van 400 kW. Daarmee kwam de capaciteit op 590 kW.

De rundveedrijfmest en de strooiselmest van de kuikens gaan in de vergister met co-producten als fruitafval, tulpenbollen, bermgras, uienvellen, enz. Behalve eigen mest gebruikt De Boer ook mest van derden. Het biogas dat daarbij ontstaat wordt d.m.v. WKK’s omgezet in elektriciteit, voldoende voor 880 huishoudens. De oorspronkelijke WKK van 190 kW staat thuis; de warmte die bij het omzetten van gas naar electra vrijkomt wordt gebruik voor het verwarmen van de kuikenstallen. De WKK van 400 kW staat opgesteld bij een sportcomplex met tropisch zwembad twee kilometer verderop in Stiens. Met een gasleiding wordt het biogas van de vergister hier naar toegebracht. Het digestaat wordt in 2 mestbassins opgeslagen en periodiek afgezet bij akkerbouwers. In 2014-2015 zijn de daken van de rundvee- en pluimveestallen voorzien van 1.275 zonnepanelen met een opbrengst van ca. 325.000 kWh per jaar. Tegelijk is het asbestdak van de rundveestal vervangen door een nieuw geïsoleerd dak. Hobbymatig zijn er 5 paarden en 1 pony op het bedrijf aanwezig.

Hoeve Advies

6

3.2

Vergunde situatie

Huidige situatie (vergund d.d. 25 oktober 2007): Stal

Rav cat.

Diersoort

Aantal dieren

1 1 3-4

A 1.100 A 3.100 E 5.100

Melk- en kalfkoeien Vrouwelijk jongvee 0-2 jaar Vleeskuikens trad.

98 51 84.000

De rundveestal betreft een ligboxenstal en is van het traditionele type (niet emissiearm). De vleeskuikenstallen zijn als traditioneel vergund (E 5.100) maar uitgerust met CV-buizenverwarming, een techniek die sinds 12 april 2017 als emissiearm is onderkend (E 5.15). Metingen om dit aan te tonen zijn op initiatief van De Boer mede op zijn bedrijf uitgevoerd. De gemiddelde ammoniakuitstoot is door het meetbureau, Buro Blauw uit Wageningen, vastgesteld op 0,012 kg NH3 per dierplaarts per jaar. Dat is stukken lager dan de 0,080 kg NH3 die voor traditionele stallen geldt en ook stukken lager dan de maximale emissiewaarde van 0,045 kg NH3 voor bestaande en 0,035 kg NH3 voor nieuw te bouwen stallen vanaf 1 juli 2015 (besluit huisvesting). Om het stalklimaat te verbeteren en energie te besparen wordt bij de bestaande stallen een warmtewisselaar geplaatst (warmteterugwinning). Hiermee valt de stal in diercategorie E 5.11 BWL2010.13.V5 waaraan een emissie van 0,021 kg NH3 p.d.p.j. is toegekend.

3.3

Beoogde situatie

De Boer wil aansluiten bij de marktontwikkeling naar langzaamgroeiende kuikens en overstappen van plofkippen naar scharrelkuikens met (overdekte) uitloop.

“In drie jaar tijd is het aanbod van kip bij supermarkten revolutionair veranderd. Aan het eind van dit jaar zal er bijna geen supermarkt meer zijn waar nog gangbaar geproduceerd kippenvlees te koop is. De omslag naar de Kip van Morgen in het supermarktschap zou fasegewijs uiterlijk in 2020 gerealiseerd moeten zijn. Daarbij ging het om eisen op het gebied van dierenwelzijn (trager groeiend ras, meer stalruimte, natuurlijk dag-/nachtritme en afleidingsmateriaal), volksgezondheid (minder antibiotica) en milieu (verantwoorde soja in het voer, uitstoot van ammoniak en fijn stof, en gesloten mineralenkringlopen). Inmiddels zijn we vier jaar verder en is er veel veranderd. In bijna alle supermarkten is geen vlees van gangbare vleeskuikens meer te koop, of zal dat in de loop van dit jaar het geval zijn. De afgelopen drie jaar zijn supermarkten massaal overgestapt naar nieuwe basiskipconcepten. Daarvoor gebruiken ze namen als Goed Nest Kip, Nieuwe Standaard Kip, Langzaam Groeiende Kip, Kip met Pluimgarantie, Nieuwe Plus Kip, Gildehoen en Comfortkip.

Daarnaast wordt de scharrelkip (Beter Leven 1 ster) en biologische kip (Beter Leven 3 sterren) in het hogere segment aan de consument aangeboden.” Bovenstaande quote uit het artikel ‘De Kip van Morgen is bijna overal’ uit het vakblad Pluimveehouderij van 17 maart 2017 geeft aan dat in korte tijd de marktvraag naar ‘conceptkuikens’ flink is toegenomen. De eerste prioriteit van de maatschap ligt bij de uitbreiding van het staloppervlak voor meer vleeskuikens t.b.v. de Nieuwe Standaard Kip (NSK). Ingeval van NSK of Beter Leven 1 ster met overdekte uitloop worden er ca. 120.000 st. vleeskuikens gehouden.

Hoeve Advies

7

Bij wijze van terugvaloptie – voor als het marktconcept niet houdbaar blijkt te zijn of als vanwege gewijzigde marktomstandigheden teruggegrepen moet worden op de productie van gangbare kuikens – is er stalcapaciteit voor max. 169.000 st. reguliere kuikens. In deze notitie wordt worst case gerekend met de 169.000 st. vleeskuikens die maximaal binnen de inrichting aanwezig kunnen zijn. Beoogde situatie (aanvraag): Stal

Rav cat.

Diersoort

Aantal dieren

1 1A 1 2 2 3-4 5-6

A 1.100 A 1.6 A 3.100 K 1.100 K 3.100 E 5.11 E 5.11 i.c.m. E 7.6

Melk- en kalfkoeien Melk- en kalfkoeien Vrouwelijk jongvee 0-2 jaar Paarden 3 jaar en ouder Pony 3 jaar en ouder Vleeskuikens BWL 2010.13.V5 Vleeskuikens BWL 2010.13.V5 i.c.m. BWL 2011.02.V2

98 52 100 5 1 84.000 85.000

Zowel de bestaande als de nieuw te bouwen stallen voldoen straks aan het Besluit huisvesting. Beide stallen emitteren 0,021 kg NH3 p.d.p.j. wat lager is dan de maximale emissiewaarde voor de bestaande (0,045 kg NH3) en de nieuwe stallen (0,035 kg NH3). Beide stallen worden voorzien van een warmtewisselaar. De wisselaar van de nieuwe stal E 7.6 BWL2011.02.V2 voorziet in een fijnstofreductie van 31% waarmee wordt voldaan aan de maximale emissiewaarde voor fijnstof (PM10). Voor de bestaande stal geldt geen maximale emissiewaarde voor fijnstof en wordt de wisselaar enkel ingezet t.b.v. het reduceren van ammoniak. Het plan voldoet daarmee aan het Besluit emissiearme huisvesting. Het aantal vleeskuikens neemt toe met 42.000 stuks. Op dit moment is er vergunning voor 84.000 vleeskuikens met een emissie van 6.720,00 kg NH3. De uitbreiding moet bij een totale emissie tussen de 5.000 en 10.000 kg NH3 voldoen aan de BBT+ factor van 0,037 kg NH3. De feitelijke emissie is 0,021 kg NH3 per dierplaats per jaar en de gezamenlijke emissie is lager dan 5.000 kg NH3. Het plan voldoet daarmee aan de IPPC-beleidslijn. Maatschap De Boer houdt ca. 70 st. melkvee met bijbehorend jongvee en heeft vergunning voor 98 st. melkvee ven 51 st. jongvee. Er zijn op korte termijn geen plannen om uit te breiden in melkvee.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leeuwarden&id=c8e5dbc8-4193-440f-aaa5-ca9e4fe00fa1